Besluit ex art. 13, vierde lid, Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag

Geraadpleegd op 02-12-2022.
Geldend van 20-12-1953 t/m heden

BESLUIT van 25 November 1953, houdende regelen ter uitvoering van artikel 13, vierde lid, van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag

WIJ JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.

Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van 28 Juli 1953, No. U 3496, Afdeling Openbare Orde en Veiligheid (Bureau Algemene en Juridische Zaken);

Gelet op artikel 13, vierde lid, van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Stb. 1952, 361);

De Raad van State gehoord (advies van 1 September 1953, No. 15a);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van 13 October 1953, No. 3802, Afdeling Openbare Orde en Veiligheid (Bureau Algemene en Juridische Zaken);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan, met inachtneming van de voorschriften van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag, bepalen, dat het vertoeven in de open lucht hetzij in het gehele Rijk, hetzij in een aaneengesloten gebied hetwelk grondgebied van meer dan één provincie omvat, gedurende door hem aan te geven gedeelten van een etmaal verboden is.

Artikel 2

  • 1 Onze Commissaris in de provincie kan, met inachtneming van de voorschriften van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag, bepalen, dat het vertoeven in de open lucht hetzij in de gehele provincie, hetzij in een aaneengesloten gebied, hetwelk grondgebied van meer dan één gemeente omvat, gedurende door hem aan te geven gedeelten van een etmaal verboden is.

  • 2 Alvorens van deze bevoegdheid gebruik te maken pleegt Onze Commissaris in de provincie zo mogelijk overleg met de betrokken burgemeesters.

  • 3 Indien hij van deze bevoegdheid gebruik maakt, deelt hij dit onverwijld mede aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

Artikel 3

  • 1 De burgemeester kan, met inachtneming van de voorschriften van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag, bepalen, dat het vertoeven in de open lucht in zijn gemeente of in gedeelten daarvan, gedurende door hem aan te geven gedeelten van een etmaal verboden is.

  • 2 Indien hij van deze bevoegdheid gebruik maakt, deelt hij dit terstond mede aan Onze Commissaris in de provincie.

    Deze geeft van de genomen maatregel kennis aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken onder mededeling van zijn oordeel omtrent de gegrondheid daarvan.

Artikel 4

Een verbod als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 kan worden gegeven voor een bepaalde of een onbepaalde periode.

Artikel 5

Een verbod als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 geldt niet ten aanzien van:

  • a. Onze Ministers, de Staatssecretarissen, de Vice-President van de Raad van State en de Voorzitters der beide Kamers der Staten-Generaal;

  • b. de leden van de Hoge Colleges van Staat, voorzover zij in de open lucht moeten vertoeven voor het bijwonen van vergaderingen, te houden overeenkomstig de daaromtrent met betrekking tot die Colleges geldende voorschriften;

  • c. Onze Commissarissen in de provinciën, de burgemeesters en de Procureurs-Generaal bij de Gerechtshoven, fungerend Directeuren van Politie;

  • d. de Directeur van het Kabinet der Koningin;

  • e. de niet reeds onder c genoemde leden van de rechterlijke macht, voor zover zij voor de uitoefening van hun functie in de open lucht moeten vertoeven;

  • f. in uniform geklede militairen;

  • g. personeel van de politie, de brandweer, de douane en de bescherming van de bevolking, voor zover zij voor de uitoefening van hun functie in de open lucht moeten vertoeven;

  • h. bedienaren van de godsdienst, artsen, vroedvrouwen en notarissen, voor zover het verblijf van voornoemde personen in de open lucht gedurende de bij het verbod vastgestelde uren noodzakelijk is ter vervulling van een plicht, welke uit hun ambt of beroep voortvloeit;

  • i. in uniform gekleed personeel van het Rode Kruis;

  • j. hen die in geval van ziekte, zwangerschap of ongeval de hulp trachten te vinden, welke in de omstandigheden onmiddellijk is vereist.

Artikel 6

  • 1 Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan aan bepaalde personen gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3. Eveneens kunnen, voorzoveel betreft het grondgebied van een provincie, Onze Commissaris in de provincie en, voorzover betreft het grondgebied van een gemeente, de burgemeester aan bepaalde personen ontheffing van verboden als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 verlenen.

  • 2 Ten bewijze van een verleende ontheffing wordt aan de betrokkene een pas uitgereikt, aangevende het gebied en de uren waarvoor de ontheffing geldt. Deze pas kan te allen tijde weder worden ingenomen.

Artikel 7

  • 1 Een verbod als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 wordt terstond op de daarbij voorgeschreven wijze ter algemene kennis gebracht in het gebied waarvoor het geldt.

  • 2 Bij deze bekendmaking wordt tevens vermeld voor welke periode het geldt.

  • 3 Intrekking van een verbod als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 wordt op dezelfde wijze bekend gemaakt als waarop het uitvaardigen daarvan bekend is gemaakt.

  • 4 Intrekking van een verbod als bedoeld in artikel 2 wordt door de Commissaris in de provincie onverwijld medegedeeld aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken; intrekking van een verbod als bedoeld in artikel 3 wordt door de burgemeester onverwijld medegedeeld aan de Commissaris in de provincie, die van de intrekking kennis geeft aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken onder mededeling van zijn oordeel over de gegrondheid daarvan.

Artikel 8

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

’s-Gravenhage, 25 November 1953

JULIANA

De Minister van Binnenlandse Zaken,

BEEL

De Minister van Justitie,

L. A. DONKER

Uitgegeven de achttiende December 1953

De Minister van Justitie

L. A. DONKER

Naar boven