| |
Algemeen
|
|
1
|
PV panelen
|
0001
|
Indiener vraagt waarom er niet voor wordt gekozen om – voorafgaand aan ontwikkeling
van windparken – alle daken vol met PV-panelen te leggen.
|
Om de doelen voor realisatie van duurzaam opgewekte energie die geformuleerd zijn
in het Energieakkoord te halen, is bepaald dat – naast het plaatsen van zonnepanelen
– ook windparken op land en op zee worden gebouwd. Het windpark dat in windenergiegebied
Hollandse Kust (noord) wordt gebouwd is onderdeel van de windparken die volgens de
routekaart 2023 (Kamerstukken I/II, 2014-15, 33 561, A/nr. 11 Herdruk) in de Noordzee
worden gebouwd.
|
|
2
|
Zicht
|
0002
|
Indiener stelt dat het vrije zicht vanaf de kustlijn wordt aangetast omdat de locatie
te dicht bij de kust ligt. Indiener verzoekt om de nautische 12 mijlsgrens aan te
houden.
|
Kavel V van windenergiegebied Hollandse Kust (noord) is gelegen op 18,8 km van de
dichtstbijzijnde kustplaats Hargen aan Zee. De Minister erkent de waarde van zee,
kust en strand als plaats waar mensen de natuurlijke elementen wind en water in combinatie
met ruimte kunnen beleven. Deze waarde is afgewogen tegen die van versterking van
duurzame energieopwekking in de Haalbaarheidsstudie windenergie binnen de 12-mijlszone.
In de Haalbaarheidsstudie, het proces om te komen tot de aanwijzing van de gebieden
voor windenergie in het Nationale Waterplan 2016-2021, zijn diverse gebieden onderzocht.
De gebieden ter hoogte van Ameland en gebieden tussen de 3 en 10 NM van de Zuid- en
Noord-Hollandse kust zijn hierbij afgevallen. Het kabinet Rutte II heeft ervoor gekozen
alleen de strook tussen de 10 en 12-mijlszone te benutten en de gebieden dichterbij
de kust niet voor windenergie te bestemmen. Daarmee heeft het kabinet een balans gevonden
tussen het nationale belang van duurzame energieopwekking en de (belevings-)waarde
van de kust. De kustgemeenten zijn betrokken geweest bij deze afweging. Sinds het
Nationaal Waterplan 2009-2015 is het mogelijk dat zichtbare permanente objecten binnen
de 12-mijlszone onder voorwaarden worden toegestaan, mits het gaat om werken van nationaal
belang.
Door het stellen van eisen aan de kleurstelling en verlichting van de windmolens wordt
waarde van zee, kust en strand zo veel mogelijk in stand gelaten.
In de aanvulling op het MER is een analyse gedaan, waarbij onder andere het windpark
volledig buiten de 12 zeemijl -zone werd gelokaliseerd. De conclusie is dat de verschillen
tussen de varianten subtiel zijn.
|
| |
Afbreken OWEZ
|
|
Indiener pleit voor de afbraak van het Offshore Windpark Egmond aan Zee.
|
De vergunning voor Offshore Windpark Egmond aan Zee loopt tot 18 april 2027. De verwachting
is dat het windpark in ieder geval tot deze datum in bedrijf zal zijn.
|
|
Locatie ter visie
|
|
Tevens wordt gewezen op onjuiste gemeente vermelding (t.w. IJmuiden) bij duiding van
Prinses Amaliawindpark en wordt verzocht om de stukken ter inzage te leggen bij de
gemeente Bergen.
|
De gemeentevermelding bij de duiding van Prinses Amaliawindpark in de NRD is afkomstig
van de informatie zoals door het windpark zelf wordt verstrekt: https://www.enecogroep.nl/projecten/prinses-amaliawindpark.
De papieren versie van het ontwerpkavelbesluit, het MER en andere onderliggende stukken
hebben tijdens de reguliere openingstijden ter inzage gelegen op de volgende locaties:
• Gemeente Beverwijk, Stationsplein 48, 1948 LC Beverwijk
• Gemeente Castricum, Raadhuisplein 1, 1902 CA Castricum
Deze gemeente liggen op redelijke afstand van de gemeente Bergen. Daarnaast zijn alle
stukken digitaal beschikbaar via www.bureau-energieprojecten.nl
Aldus kunnen tevens de bewoners van de gemeenten waar geen papieren versie van de
stukken ter inzage heeft gelegen daarvan redelijkerwijs kennis nemen.
|
|
3
|
Zeespiegel-stijging en veiligheid
|
0003
|
Indiener wijst op snel toenemende zeespiegelstijging, waarmee te weinig rekening wordt
gehouden. Hierdoor kunnen de harde kustwerken niet meegroeien met zandige kust. Indiener
stelt voor om het opwekken van duurzame energie te combineren met het aanleggen van
een tweede kustlijn waarop windparken gerealiseerd kunnen worden. Hierdoor wordt de
kustveiligheid gewaarborgd, en worden realisatie- en onderhoudskosten van windparken
bespaard. Waterveiligheid en opwek van schone energie kan op deze wijze goed gecombineerd
worden.
|
Gezamenlijke reactie op zienswijze nr. 3 en nr. 4:
Het MER onderzoekt de effecten op het milieu van de bouw, de exploitatie en de verwijdering
van het windpark dat gebouwd gaat worden in kavel V van het windenergiegebied Hollandse
Kust (noord). Door de exploitatie van het windpark wordt jaarlijks 2 miljoen ton CO2minder uitgestoten in vergelijking met de opwekking van eenzelfde hoeveelheid elektriciteit
door een gascentrale. Deze CO2-reductie draagt bij aan de doelstelling die is neergelegd in het klimaatakkoord van
Parijs om de opwarming van de aarde te beperken tot 2 graden Celsius en zal dus een
gunstig effect hebben op het verder stijgen van de zeespiegel.
Het windpark zal in 2023 operationeel zijn en gedurende een periode van circa drie
decennia worden geëxploiteerd. In die periode zal de zeespiegel, volgens de prognoses
van het KNMI, slechts met enkele centimeters stijgen en zal derhalve weinig invloed
hebben op het ontwerp en de constructie van het windpark.
In september 2013 is als onderdeel van het Deltaprogramma de Nationale Visie Kust
gepubliceerd. Deze is te vinden op www.nationalekustvisie.nl. In deze visie is voor het aspect kustverdediging niet gekozen voor het alternatief
dat gepresenteerd is in de bijlage bij de ingediende zienswijzen 3 en 4, getiteld
‘De Haakse Zeedijk, van Vlaanderen tot Den Helder’ maar voor het onderhouden van het
kustfundament en de keringen en meegroeien met de relatieve zeespiegelstijging opdat
toekomstige generaties voldoende ruimte behouden om deze aan mogelijke ontwikkelingen
en aan de dan geldende eisen en wensen aan te passen.
In (de wijziging van) het Nationaal Waterplan 2016-2021 zijn de gebieden aangewezen
waar windparken gerealiseerd mogen worden. Volgens de Wet windenergie op zee mogen
er uitsluitend windparken worden gebouwd in die aangewezen gebieden.
|
|
4
|
Kosten / alternatief tweede kustlijn
|
0004
|
Indiener stelt dat aanleg windpark op zee onderdeel zou moeten zijn van overkoepelend
plan betreffende klimaatbestendigheid van Nederland. Aanleg van windparken in zee
zijn te kostbaar, weinig duurzaam en voorbarig. Plaatsing van windpark op een aan
te leggen tweede kustlijn is kosten- efficiënter en effectiever.
|
Zie beantwoording bij zienswijze nummer 3.
|
|
5
|
Flora en fauna
|
0005
|
Indiener wenst meer informatie over effecten op flora en fauna zoals tijdens de informatie-avond
op panelen werd weergegeven, en had deze graag voorafgaand aan de informatiebijeenkomst
beschikbaar willen hebben (bijvoorbeeld door publicatie in dagblad). Indiener wil
informatie over de wijze waarop de overheid de problemen met vogels en vissen oplost
en over de ontwikkeling van duinen en natuur.
|
In de kennisgeving en aankondiging over de informatiebijeenkomst is onder meer verwezen
naar de website www.bureau-energieprojecten.nl, waar alle voorbereidende besluiten en informatie betreffende lopende projecten en
windparken beschikbaar is, zoals het MER waarin de gevolgen voor natuur en milieu
beschreven zijn (zie ook Hoofdstuk 5, 6 en 7 Ontwerpkavelbesluit V).
Effecten op flora en fauna, waaronder de effecten op vogels en vissen, staan beschreven
in het MER. Hoofdstuk 6 en 7 MER gaan in op de effecten op vogels en vissen. Hieruit
blijkt dat het belangrijk is de effecten op vogels, vleermuizen en onderwaterleven
te beperken. De belangrijkste maatregelen die voorgeschreven worden om deze effecten
te beperken zijn de volgende:
Om het aantal trekvogels en vleermuizen dat in aanvaring komt met windturbines te
beperken, moet de rotatiesnelheid van de windturbines in perioden dat deze soorten
over de Noordzee trekken, worden teruggebracht. Daarnaast wordt het aantal slachtoffers
verminderd door het aantal turbines te beperken en een minimaal vermogen per turbine
van 8 MW voor te schrijven.
De geluidsproductie tijdens heien wordt begrensd om verstoring van leefgebied voor
bruinvissen te beperken. Om permanente gehoorbeschadiging bij zeezoogdieren te voorkomen
worden met behulp van een akoestisch verjaagmiddel zeezoogdieren uit de directe heilocatie
verjaagd en wordt door middel van een ‘soft start’, de hei-energie en geluidsproductie
langzaam verhoogd. Van deze maatregel profiteren ook vissen die gevoelig zijn voor
onderwatergeluid.
Als gevolg van de windparken op zee worden geen effecten op de beschermde duingebieden
verwacht.
|
|
6
|
Kabeltracé onder strandhuisjes
|
0006
|
Indiener vreest voor gevolgen voor gezondheid vanwege locatie kabeltracé – onder strandhuis
en stelt herziening locatie kabeltracé voor. Gevolgen voor strandhuis kunnen worden
vermeden omdat voldoende ruimte is zonder strandbebouwing.
|
De genoemde onderdelen van de zienswijzen hebben betrekking op het net op zee. Het
net op zee vormt geen onderdeel van het kavelbesluit. Voor het net op zee lopen aparte
procedures waar tevens het indienen van zienswijzen mogelijk is, zie de website www.bureau-energieprojecten.nl, waar onder de lopende projecten en hoogspanning alle informatie over het net op
zee Hollandse Kust (noord en west Alpha) te vinden is.
|
|
7
|
Voorschrift natuur-inclusief bouwen
(voorschrift 4, achtste lid van het kavelbesluit)
|
0007
|
Indiener stelt dat een dubbele ‘laag’ erosiebescherming tegenstrijdig zou zijn aan
de ‘huidige industriestandaard’ van een enkele laag erosiebescherming.
|
Voor de goede orde dient over de erosiebescherming te worden opgemerkt dat waar in
het ontwerpkavelbesluit wordt gesproken van ‘laag’, wordt gedoeld wordt op het technische
begrip ‘gradatie’. Dit is aangepast in het kavelbesluit.
De door indiener genoemde ‘industriestandaard’ betreft een momenteel waarneembare
trend in de uitvoeringspraktijk, van het toepassen van een enkele gradatie in plaats
van een dubbele gradatie. De genoemde ‘industriestandaard’ betreft echter geen reeks
van formele normen waaraan zou moeten worden voldaan. Voorts is het op grond van het
voorschrift eventueel toepassen van meerdere gradaties slechts van toepassing op 20%
van het oppervlak zodat sprake is van een beperkte toepassing.
|
|
Indiener stelt t.a.v voorschrift 4, achtste lid onder b dat de betonnen buizen in
de nabijheid van de monopiles een integriteitsprobleem vormt voor de kabel omdat de
hydraulische belasting veel sterker is nabij de monopile dan op grotere afstand.
|
Het voorschrift biedt ruimte om de buizen op voldoende afstand van de monopiles aan
te brengen zodat genoemd probleem zich niet voordoet.
|
|
Indiener stelt dat de term ‘reef ball’ een handelsmerk betreft en daarom niet in het
voorschrift opgenomen dient te zijn.
|
De term ‘reef ball’ is in het voorschrift en in de toelichting van het kavelbesluit
verwijderd uit de tekst.
|
|
Indiener stelt dat bij voorschrift 4, achtste lid onder b ruimte dient te worden geboden
aan plaatsing van materialen in netten, niet enkel gabions. Daarnaast dient het vrij
uitstrooien van schelpen en kalkrijk materiaal toegestaan te worden.
|
Gabions zijn voorgeschreven, omdat uit waterloopkundige experimenten is gebleken dat
deze hydrodynamisch stabiel kunnen zijn. Voor netten is dat niet getest. Over de hydrodynamische
stabiliteit van het vrij uitstrooien van schelpen en kalkrijk materiaal bestaan bij
deskundigen op voorhand twijfels. Optie c biedt echter de mogelijkheid voor het op
een andere wijze dan nu in opties a en b genoemde wijze te voorzien in vergroting
van het geschikte habitat voor van nature in de Noordzee voortkomende soorten middels
kleine of grote holen en spleten en (be)vestigingssubstraat voor soorten. Daarvoor
dient een plan van aanpak te worden opgesteld. Voor alle toegepaste maatregelen geldt
dat deze voor vergelijkbare ontwerpcondities ontworpen moeten worden als de bodembescherming,
de fundering en de kabelaansluitingen. Er dient te worden aangetoond dat niet alleen
de toegepaste structuren
hydrodynamisch stabiel zijn, maar ook de naastgelegen bodembescherming. Tevens dient
er aandacht te worden besteed aan het minimaliseren van aanzanding in de toegepaste
structuren en effecten op ontgronding aan de rand van de bodembescherming (‘edge scour’).
|
|
Daarnaast dient meer duidelijkheid gegeven te worden over mogelijke monitoringsverplichting
voor de vergunninghouder.
|
Voor voorschrift 4, achtste lid onder a en b worden de kennisleemtes ingevuld via
het door de overheid op te zetten monitorings- en evaluatieprogramma. Voor optie c
geldt dat de vergunninghouder een toereikend en locatiespecifiek monitoringsprogramma
dient op te stellen.
|
|
8
|
Inbreng NRD onvoldoende verwerkt – draagvlak / instelling fonds / stimulering regionale
economie
|
R008, R009
|
Indiener herkent eerdere inbreng in kader van Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)
onvoldoende terug in Ontwerpkavelbesluit V. Er is onvoldoende aandacht voor negatieve
economische effecten op toeristische en recreatieve sector op lokaal niveau. Deze
kunnen opgeheven worden door verplichte opstelling van een Plan van Aanpak om het
windpark een actieve bijdrage te laten leveren aan de lokale en regionale economie.
Daarnaast wordt verzocht om meer informatievoorziening over het windpark en verplichte
oprichting van een fonds voor projecten op gebied van ecologie en duurzaamheid onder
andere ter vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor ontwikkeling van windparken
op zee.
|
Gezamenlijke reactie op zienswijze nr. 8 en nr. 9:
Er is voor gekozen bij het kavelbesluit voor Hollandse Kust (noord), kavel V bij dit
voorschrift specifieker te zijn dan in de eerdere kavelbesluiten. Daarbij hebben onder
meer overwegingen van handhaafbaarheid een rol gespeeld evenals op dit moment beschikbare
kennis en inzichten. Door het transparant maken van de inspanningen van bedrijven
worden bedrijven gestimuleerd om te laten zien wat ze daadwerkelijk doen. Hiermee
blijft er ook flexibiliteit voor de ontwikkelaar om iets te doen voor de regionale
en lokale economie op een manier die bij zijn project past. In de toelichting zijn
diverse mogelijke bijdragen beschreven. Om deze reden is afgeweken van de oorspronkelijke
reactie op betreffende zienswijze (inbreng) van de NRD.
|
|
9
|
Financiële participatie en lokale stroomlevering
|
0010
|
Indiener pleit voor opname voorschrift tot verplichting voor vergunninghouder om inzicht
te geven in betrokkenheid lokale en regionale ondernemingen, alsmede burgerparticipatie
zoals financiële deelname in en/of stroomlevering door windpark aan omgeving (zowel
burgers als bedrijven). Hierdoor wordt tegemoet gekomen aan geconstateerde belangstelling
bij burgers, bedrijven en gemeenten en verdere betrokkenheid bij windenergie op zee
vergroot. Dit is nodig omdat de burger meebetaalt en die investering rendement voor
de burger dient op te leveren. Daarnaast heeft windenergie op zee toenemende impact
op land vanwege uitbreiding van het hoogspanningsnet en toekomstige mogelijkheid van
opslag. Participatie zal belangstelling en betrokkenheid van burgers bij de energietransitie
vergroten, mede door opwek door middel van Noordzeewind lokaal in te zetten.
|
Het ontwerpkavelbesluit HKN is gericht op flexibiliteit, zowel voor de inrichting
van het windpark als voor de financiering daarvan. Burgers kunnen via een investeringsfonds
participeren in windparken. Het staat bedrijven of consortia vrij om uit eigen beweging
dit element van burgerparticipatie mee te nemen in de projectfinanciering. Het is
echter een zaak van de bedrijven en consortia alsmede deze burgerparticipatie-initiatieven
om te kijken of zij met elkaar in zee willen gaan. Er worden geen voorwaarden gesteld
aan de financiering. De totstandkoming van samenwerking tussen bedrijven en consortia,
en burgerparticipatie-initiatieven wordt gefaciliteerd door bedrijven en consortia
te attenderen op de mogelijkheden voor samenwerking met burgerparticipatie-initiatieven.
De voorgestelde toevoeging wordt niet overgenomen.
|
|
10
|
Invulling innovatie-kavel
|
0011
|
Indiener verzoekt om het innovatiekavel helder te kaderen en daarbij de focus te leggen
op nieuwe technieken van systeemintegratie tussen wind, aardgas, waterstof en CO2-opslag, alsmede nieuwe vormen van het aan land brengen van energie. Hierdoor ontstaan
voordelen ten aanzien van systeem- en netwerkkosten alsmede potentiele CO2-reductie.
Timing is van belang om de systeemvoordelen te behalen en onderdeel te laten zijn
van de energietransitie.
|
Zoals ook verwoord in paragraaf 4.2.1 is er voor gekozen om geen apart kavel VI voor
innovaties aan te wijzen. De overwegingen hiervoor zijn:
- het aantal biedingen voor de innovatiekavel-tender bij Borssele was zeer beperkt.
- gescheiden bouw en exploitatie van een innovatiekavel brengt schaalnadelen mee waardoor
sprake zou zijn van minder efficiency.
Binnen de kaders van het reguliere kavel is veel innovatie mogelijk. De verwachting
is dat kennis en kunde rondom windparken zich in de komende jaren zullen ontwikkelen.
Het gaat dan om de technologie van de windturbines zelf, waaronder bijvoorbeeld nieuwe
turbinetypes en de wijze van funderen. Het kavelbesluit verhindert dergelijke innovaties
niet.
|
|
11
|
Pijpleiding van Q4-C naar Q8-A ontbreekt
|
0012
|
Indiener vraagt of rekening is gehouden met inspectie en onderhoud van pijpleiding
Q4-C naar Q8-A in verband met bedrijfsvoering, veiligheid en wet- en regelgeving.
Deze is nl. niet genoemd in o.a. MER. Het is niet helder of deze pijpleiding binnen
de contouren van de kavel ligt.
|
De betreffende pijpleiding is gelegen aan de noordgrens van de kavel en ligt buiten
de kavel. Bij de vaststelling van de grens van de kavel is rekening gehouden met deze
pijpleiding en is genoemd in het MER en het ontwerpkavelbesluit. De onderhoudszone
van 500 meter aan weerszijden van deze pijpleiding overlapt met de veiligheidszone
van kavel V. Er is aldus voldoende ruimte om inspectie- en of onderhoudswerkzaamheden
uit te voeren.
|
|
12
|
Platform – kabel onderhouds-zone elektrische aansluiting
|
0013
|
Indiener verzoekt rekening te houden met een kabel onderhoudszone ten behoeve van
elektrische aansluiting van offshore mijnbouwlocaties op het net op zee. Hierdoor
wordt de mogelijkheid geboden om op efficiëntere wijze gas uit Nederlandse velden
te produceren en CO2-emissies te reduceren. Door ruimte te reserveren voor een kabelcorridor, kan synergie
worden bereikt ten aanzien van onderhoud en inspectie van kabels van TenneT. Er worden
drie opties beschreven voor handhaving van een onderhoudszone met minimaal ruimtebeslag,
nl. een westelijke optie, een noordwestelijke optie en een oostelijke optie, waarbij
een voorkeur bestaat voor de westelijke optie (t.w. ligging direct naast en ten noorden
van de westelijke kabelcorridor).
|
De 66 kV kabel richting het K14 platform kan tussen de turbines komen te liggen hetgeen
op grond van de Waterwet in principe is toegestaan.
Hiervoor kan te zijner tijd een vergunningaanvraag worden ingediend. Omdat nog niet
zeker is dat deze kabel er komt, is er niet voor gekozen om al op voorhand een stuk
van de kavel vrij te houden van windturbines voor deze mogelijke kabel. Voor de kruisingen
met de 66 kV kabels van de windturbines wordt in de praktijk veelal een crossing agreement
afgesloten met de vergunninghouder van het windpark die eind 2019 bekend is.
Dit vormt onderdeel van het betreffende vergunningstraject en behoort niet tot de
scope van het kavelbesluit.
In het kavelbesluit is in paragraaf 6.10.3 aanvullend ingegaan op mogelijkheden tot
het elektrificeren van mijnbouwplatforms waarbij gebruik gemaakt gaat worden van door
windparken op zee opgewekte elektriciteit.
|
|
13
|
Vispopulatie, visstand, doorvaart, passieve vormen van visserij
|
0014
|
Indiener voert aan dat de belangen van de visserij, met name dat van de sleepnetvisserij,
te weinig zijn erkend en meegewogen bij de uitrol van windenergie op zee en dit tot
gevolg heeft dat belangrijke visgronden voor de vissers niet (meer) toegankelijk zijn.
Indiener pleit voor goede afspraken voorafgaand aan de bouw van windpark betreffende
locatie, medegebruik en doorvaart.
|
Er komt momenteel veel op de visserij af: het verbod op pulsvisserij, de aanlandplicht
en de Brexit. Deze ontwikkelingen kunnen grote gevolgen hebben voor de (rendabiliteit)
van de visserij, vooral voor de visserij op platvis. Tegen deze achtergrond ligt de
ontwikkeling van windenergie op zee gevoelig.
Bij het aanwijzen van windenergiegebieden in (herzieningen van) het nationaal waterplan
zijn de gevolgen hiervan voor de visserij in kaart gebracht in de daarvoor opgestelde
PlanMER-en. De visserij heeft hierbij steeds de mogelijkheid gehad voor inbreng.
Het kabinet heeft de gevolgen voor de visserij afgewogen tegen het belang van de bijdrage
van windenergie op zee aan de verduurzaming van onze nationale energievoorziening.
Daarbij heeft het kabinet opwekking van duurzame (wind)energie op zee tot activiteit
van nationaal belang benoemd. Andere activiteiten van nationaal belang zijn scheepvaart,
olie- en gaswinning, CO2-opslag zandwinning en defensie. In de ruimtelijke afweging is het streven van het
Kabinet om -waar mogelijk- rekening te houden met andere belangen, zoals die van de
visserij, of om activiteiten te combineren. Dit komt onder andere tot uiting bij de
indeling van de kavels voor de windparken. Daarnaast werkt het kabinet momenteel aan
een afsprakenkader voor doorvaart en medegebruik van windparken.
In de gebieden die zijn aangemerkt voor activiteiten van nationaal belang mogen andere
activiteiten dit gebruik niet belemmeren. Omdat het gebruik van bodemberoerende vistuigen
schade kan toebrengen aan de infieldkabels tussen de windturbines, het platform op
zee en het net op zee van TenneT, en daarmee de levering van energie in gevaar brengt,
is besloten tot een verbod van het gebruik van bodemberoerende vistuigen. Momenteel
wordt onder regie van het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving toegewerkt naar een ‘Noordzeeakkoord’.
Beoogd onderdeel van dat akkoord zijn afspraken over de balans tussen natuur, visserij
en windenergie op zee.
|
| |
|
|
Indiener stelt dat de impact van grootschalige windenergie op zee onvoldoende wetenschappelijk
is onderzocht en hierdoor te weinig bekend is over de effecten van windparken op zee
op het bestaande ecosysteem en de daarin voorkomende, gezonde, visbestanden. Indiener
uit daarbij zorg over de visbestanden van de doelsoorten en bepleit nader onderzoek
naar gevolgen van geluid op verstoren en/ of verjagen van vissen.
|
De effecten van het windpark op het zeeleven zijn beschreven in hoofdstuk 7 van het
MER. Uit het MER is gebleken dat het windpark geen significant negatieve effecten
heeft op vissen en het visbestand. Voor een aantal commercieel beviste vissoorten
is onderzocht hoe populaties of individuen reageren op de aanwezigheid van een windpark
in de Nederlandse Noordzee.
Uit onderzoek in Offshore Windmolenpark Egmond aan Zee is gebleken dat er geen significante
verschillen in vissamenstelling zijn aangetroffen. Op kleinere schaal zijn er wel
significante verschillen aangetroffen rondom de turbinepaal en stortstenen.
|
| |
|
|
Onderzoek met gezenderde tong en kabeljauw liet zien dat tong zich niet anders gedraagt
binnen of buiten een windpark op zee. De schaal van de jaarlijkse migratiepatronen
van tong in de Noordzee zijn vele malen groter dan de oppervlakte van een windpark.
Zij zwemmen door een windpark heen en blijven er niet hangen. Voor kabeljauw geldt
dat niet, sommige individuen hielden zich gedurende meerdere maanden op rondom één
of meerdere turbinepalen. De verwachting is dat kabeljauwen profiteren van het verhoogde
voedselaanbod dat meekomt met de introductie van hard substraat in de vorm van de
turbinepaal en de stortstenen.
In Prinses Amaliawindpark (PAWP) zijn er in de periode 2004-2013 geen verschillen
aangetroffen in de samenstelling van demersale en pelagische vis. Er werd gesuggereerd
dat er in PAWP meer zandspiering voorkwam maar tijdens een recente door het Windenergie
op zee ecologisch programma (Wozep) geïnitieerde zacht substraat benthos survey in
PAWP zijn geen verschillen in dichtheden aangetroffen. Wat betreft platvis zijn er
ook geen significante verschillen waargenomen. Wel zijn er in 2014 kleinere aantallen
kleine platvis en grotere aantallen grote platvis aangetroffen in PAWP. Uit het in
2017 uitgevoerde onderzoek in PAWP bleek dat er na 10 jaar geen significante verschillen
in soortensamenstelling van bodemdieren zijn waargenomen. https://www.noordzeeloket.nl/publish/pages/144229/benthic_development_in_and_around_offshore_wind_farm_prinses_amalia_windpark.pdf
Onderzoek naar hardsubstraat en zachtsubstraat is in het huidige monitoringsprogramma
(Wozep) is opgenomen. Met de huidige kennis kan wel gesteld worden dat er een overlap
is van soorten op kunstmatig hard substraat en natuurlijke riffen die niet (meer)
voorkomen op zacht substraat (Coolen et al. 2018).
Binnen Wozep wordt een veldvalidatie uitgevoerd van gemodelleerde elektromagnetische
veldsterkten nabij exportkabels van windparken op zee waarbij ook onderwateropnamen
gemaakt worden om dichtheid en gedrag van organismen te observeren. Daarnaast wordt
er door Universiteit Leiden wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd met betrekking tot
gedragsveranderingen van kabeljauw als gevolg van heigeluid van nieuwe turbinepalen,
operationeel geluid van bestaande windparken en overig antropogeen geluid.
Wat betreft de doorwerking van veranderingen als gevolg van windparken op zee op commerciële
visbestanden blijken de commerciële visstanden voornamelijk een stijgende of stabiele
trend vertonen. Met de geplande grootschaligere windparken kunnen eventuele effecten
een grotere uitstraling krijgen op de omgeving. Daarom wordt er binnen het Wozep gestart
met een verkenning van mogelijke ecosysteemeffecten als gevolg van toekomstige uitrol
van windenergie op zee. Overigens kunnen mogelijke belangrijke uitkomsten van lopend
en toekomstig onderzoek worden meegenomen als voorschriften en mitigerende maatregelen
in toekomstige kavelbesluiten om zodoende schadelijke effecten zoveel mogelijk te
beperken.
|
| |
|
|
Indiener dringt erop aan dat er nogmaals kritisch gekeken wordt naar de mogelijkheden
voor medegebruik binnen de bestaande windparken.
|
De vereisten aan doorvaart en medegebruik worden niet geregeld in de kavelbesluiten.
Doorvaart en medegebruik activiteiten zoals vissen met een hengel of andere activiteiten
waarvoor geen watervergunning nodig is, worden geregeld in de beleidsregel instellen
veiligheidszone en het besluit tot vaststelling van de veiligheidszone. Daarnaast
werkt het kabinet momenteel aan een afsprakenkader voor doorvaart en medegebruik van
windparken.
|
| |
|
|
Indiener ziet graag dat de mogelijkheden voor passieve visserij in windparken worden
uitgebreid.
|
In de Beleidsnota Noordzee 2016-2021 is besloten dat vissen met bodemberoerende vistuigen
in windparken niet is toegestaan, om beschadiging van de infieldkabels tussen de windturbines
en het platform op zee van het net op zee van TenneT te voorkomen. Bij het gebruik
van passieve vistuigen wordt de bodem weliswaar geraakt maar deze niet zodanig beroerd.
Ook bij aanraking van de bodem is er kans op beschadiging van deze kabels. Om te onderzoeken
of het gebruik van passieve vistuigen in de toekomst veilig en op economische schaal
kan worden toepast in de windparken, zal dit eerst door middel van experimenten/pilots
worden gedaan. In de Beleidsregel instellen veiligheidszone windparken is in artikel
4 bepaald dat experimenten met passieve vistuigen in de veiligheidszones van windparken
onder voorwaarden kunnen worden toegestaan. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(LNV) is beleidsverantwoordelijk voor visserij en zal onderzoeken welke experimenten
met passieve visserij wenselijk zijn en veilig uitgevoerd kunnen worden binnen het
windpark.
|
| |
|
|
Indiener pleit voor het toestaan van doorvaart door windparken van schepen met een
lengte tot 45 meter.
|
In een brief aan de Tweede Kamer d.d. 12 januari 2017 (Kamerstuk 29 664 nr. 143) heeft
de toenmalige Minister van Infrastructuur en Milieu toelichting gegeven op de motie
Geurts. De motie Geurts betreft het verzoek om voor de openstelling van de windparken,
ook visserij-schepen met scheepslengtes tussen de 24 meter en de 45 meter mee te nemen.
De Minister heeft toegelicht dat het beleid om schepen tot 24 meter toe te laten is
bedoeld om langs de weg van geleidelijkheid (‘stap voor stap’) ervaring op te doen
met doorvaart en medegebruik. De grens van 24 meter is historisch gezien een lengtegrens
die vanuit veiligheidsoverwegingen volgens internationale maritieme wetgeving maatgevend
is. Ook nationaal gezien wordt in de Regeling Veiligheid Zeeschepen 24 meter gehanteerd
als grens waaronder minder strenge veiligheidseisen van toepassing zijn. De manoeuvreerbaarheid
van schepen korter dan 24 meter is dermate goed dat een verlichting van de eisen gerechtvaardigd
is voor deze schepen in verhouding tot het beoogde veiligheidsniveau. De 24-metergrens
is ook de maximum maat voor Eurokotters waarmee deze van de mogelijkheid van doorvaart
gebruik kunnen maken. Uit studies van Marin en ECN blijkt dat bij aanvaringen de schade
aan windturbines aanzienlijk toeneemt met de lengte van de schepen. Dit laatste is
een belangrijke reden geweest om te kiezen voor een stap-voor-stap-benadering door
het kabinet om op die wijze ervaring op te doen met schepen tot 24 meter. Dit betekent
dat het niet uitgesloten is dat schepen groter dan 24 meter in de toekomst door windparken
mogen varen.
|
|
14
|
Opstalrecht, zandwin-gebied Q5J, innovaties, olie- gaswinning, inzet heli’s, leidingen,
radar, ecologie,
diverse voorschriften
|
0015
|
Indiener wenst helderheid over voorwaarden voor het gebruik binnen de 12 mijlszone,
ter voorkoming van aanvullende verplichtingen voor ontwikkelaar. Wordt er een grondvergoeding
opgelegd? Dit is van belang vanwege kostenberekening in businesscase.
|
Op grond van artikel 5:25 van het Burgerlijk Wetboek is de bodem van de territoriale
zee eigendom van de Staat der Nederlanden. Om te voorkomen dat de Staat via verticale
natrekking eigenaar wordt van de te plaatsen turbines en platforms van een windpark
zal de vergunninghouder een recht van opstal moeten verkrijgen. Het recht van opstal
is overeen te komen met RWS (de beheerder van de territoriale wateren). Het Rijksvastgoedbedrijf
(RVB) is belast met de taak om marktconforme vergoedingen vast te stellen voor gebruik
van alle Rijksgronden (dus ook voor de gronden die RWS beheert). De specifieke uitwerking
hiervan wordt geregeld in de tenderregeling, niet in het kavelbesluit. In het kavelbesluit
is bovenstaande passage opgenomen in paragraaf 4.1.2.
|
| |
|
|
Indiener stelt dat kavel V overlapt met een actief zandwingebied Q5J dat tot en met
1 januari 2036 vergund is. Verder vraagt indiener of het onderwerp van zandwinning
in relatie tot medegebruik en natuur-inclusief bouwen meegenomen wordt in het besluit.
|
De hoeveelheid zand die volgens de ontgrondingsvergunning, die is afgegeven aan het
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, mag worden gewonnen is intussen volledig
gebruikt voor versterking van de Hondsbossche Zeewering bij Petten. De vergunning
is uitgeput en zal voordat de tender voor kavel V Hollandse Kust (noord) wordt geopend
zijn ingetrokken. Zandwinning in dit kavel is niet meer aan de orde en hoeft niet
afgewogen te worden in relatie tot medegebruik en natuur-inclusief bouwen.
|
| |
|
|
Indiener uit zorg over hogere dichtheid in relatie tot afname energieproductie.
|
De uiteindelijke omvang van de kavel is naast afweging van belangen op het gebied
van visserij en zicht onder andere gebaseerd op de resultaten van de Levelised Cost
of Energy (LCoE) berekeningen. De resultaten daarvan zijn te vinden in het rapport
opgesteld door Ecofys: Hollandse Kust (noord) Levelised Cost of Energy Baseline and
Scenario’s (3 May 2018). Als basisscenario is invulling van het gehele windenergiegebied
genomen. Op basis daarvan zijn verscheidene alternatieven onderzocht.
Daarnaast is op basis van het uitgangspunt doelmatig ruimtegebruik op de Noordzee
nagegaan bij welke omvang van de kavel het mogelijk is een windpark met een capaciteit
van 760 MW te exploiteren. Uit de LCoE berekeningen volgt dat de LCoE voor het in
het kavelbesluit vastgelegde alternatief 4,8% hoger is dan voor de basisvariant. Het
bevoegd gezag is van mening dat het mogelijk is om met een goede business case een
windpark te bouwen en te exploiteren met de in het kavelbesluit vastgelegde omvang
van kavel V.
|
| |
|
|
Indiener wenst een toelichting op de mogelijkheid van innovatie binnen het reguliere
kavel.
|
Er is geen deel van de kavel gereserveerd voor innovatieve technieken. De ontwikkelaar
is vrij om innovatieve technieken toe te passen mits er voldaan wordt aan de voorschriften
die zijn gekoppeld aan het kavelbesluit.
Zie ook reactie op zienswijze nr. 11.
|
| |
|
|
Indiener verzoekt om aandacht te besteden aan de effecten van schuin boren in verband
met olie- en gaswinning.
|
Op grond van artikel 45a van het Mijnbouwbesluit is het verboden een mijnbouwinstallatie
te plaatsen in een gebied, dat is aangewezen in een kavelbesluit of een voorbereidingsbesluit.
Hiervan kan ontheffing worden verleend. De ontheffing kan onder beperkingen worden
verleend of daaraan kunnen voorschriften worden verbonden. Momenteel is het voorbereidingsbesluit
op grond van artikel 9 Wet windenergie op zee van kracht. Op het moment dat een exploitant
besluit om een gasveld onder het windpark aan te boren, dient dit in nauw overleg
met de windparkeigenaar te gebeuren. Op dat moment dienen de risico’s daarvan te worden
ingeschat die kunnen leiden tot beperkingen of voorschriften op grond van het Mijnbouwbesluit.
Dit wordt niet in het kavelbesluit geregeld.
|
| |
|
|
Indiener vraagt of rekening wordt gehouden met de relatie tussen parkontwikkeling
en helikopteroperator in het kader van de FOSA (flight operational safety assessment),
goed te keuren door ILT?
|
In de afgelopen maanden zijn in het kader van de Flight operational safety assessment
(FOSA) voor het veilig aanvliegen van mijnbouwplatforms met helikopters een bureaustudie
en vliegtesten uitgevoerd in een tweetal level-D flight simulators. Hierbij waren
het ministeries van IenW, EZK en BZK, vliegers en vertegenwoordigers van de helikoptersector
en ILT als waarnemer betrokken. De resultaten van beide zijn als succesvol te duiden
onder voorwaarde van een aantal aanbevelingen. Hieraan wordt nu gewerkt.
In de studie is naar twee concrete situaties gekeken: P15-C en Q4-C. Omdat deze twee
situaties verschillende en complementaire karakteristieken en kenmerken hebben, mag
in redelijkheid worden aangenomen dat deze studie toepasbaar is op meer situaties
dan alleen deze twee platforms. Daarmee is deze studie een generieke basis waarop
de uiteindelijke certificeringsaanvraag van de helikopteroperator kan voortbouwen.
Deze FOSA is in procedure om definitief getoetst te worden door de ILT. Gelet op het
hierboven beschreven voortraject is de kans reëel dat de uiteindelijke FOSA door de
Inspectie Leefomgeving en Transport wordt goedgekeurd. De mijnbouwonderneming die
eigenaar is van platform Q4-C heeft geen zienswijze ingediend tegen het kavelbesluit
en is dus akkoord met de ruimte die er nu is om dit platform aan te vliegen. In samenspraak
tussen de mijnbouwonderneming, de windparkeigenaar en de helikopteroperator zullen
afspraken moeten worden gemaakt over welke procedure er vastgelegd zal worden ook
in het kader van het gestelde in voorschrift 4, negende lid.
|
| |
|
|
Indiener verzoekt om een verplichting op te nemen om bestaande gasleidingen die niet
in gebruik zijn, te verwijderen vanwege efficiëntere invulling van het gebied.
|
Op het gebruik van olie en gaspijpleidingen op het continentale plat is de mijnbouwregelgeving
van toepassing. In artikel 103 van het Mijnbouwbesluit is geregeld dat een pijpleiding
die niet meer in gebruik is schoon en veilig moet worden achtergelaten. De Minister
van Economische Zaken en Klimaat kan op grond van artikel 45 Mijnbouwwet vorderen
dat de pijpleiding wordt verwijderd. Dit kan dus niet in het kavelbesluit geregeld
worden. De huidige praktijk is dat dit artikel slechts sporadisch wordt toegepast.
Rond de verlaten pijpleiding blijft een zone van 500 meter aan weerszijden beschikbaar
voor eventuele inspectiewerkzaamheden. Aangezien er naar verwachting in kavel V grote
windturbines geplaatst worden waarbij de onderlinge afstand groter is dan 4x de diameter,
vormt de verlaten pijpleiding geen belemmering voor een efficiënte invulling van kavel
V.
|
| |
|
|
Indiener verzoekt om tijdige afstemming tussen installatie van radar en te ontwerpen
fundatie.
|
Er zal op een zo kort mogelijk termijn duidelijkheid worden gegeven door het bevoegd
gezag aan de vergunninghouder of er een scheepvaartradar geplaatst moet worden en
op welke locatie in het windpark.
|
| |
|
|
Indiener verzoekt om mitigerende maatregelen voor vleermuizen waarbij de cut-in windspeed
verlaagd wordt van de huidige 5m/s naar 3-3,5 m/s, daar uit recent onderzoek (WoZep)
zou blijken dat het risico voor vleermuizen (populatie effect) gelijk blijft.
Verder ziet indiener graag dat voor alle voorschriften waarbij het terugbrengen van
de rotorsnelheid momenteel tot 1 rotatie per minuut (vogels, vleermuizen, onderhoud
kabels, helikopterverkeer) is opgenomen, dit wordt aangepast naar 2 RPM. Dit zou de
belasting van de windturbines verminderen.
|
Uit de tot nog toe gepubliceerde Wozep onderzoeken blijkt niet dat bij verlaging van
de cut-in windspeed het risico voor vleermuizen (populatie effect) gelijk blijft.
Uit recent Wozep onderzoek [Lagerveld et al., 2017. Spatial and temporal occurrence
of bats in the Southern North sea, Wageningen University & Research Report C090/17]
blijkt wel dat er andere omgevingsfactoren zijn naast windsnelheid die bepalen of
vleermuizen over de Noordzee trekken. Momenteel onderzoekt de overheid of op basis
van dit onderzoek een voorschrift kan worden opgesteld dat recht doet aan die verschillende
omgevingsfactoren met betrekking tot vleermuismigratie.
De rotatiesnelheid zal in de voorschriften worden aangepast naar 2 RPM in verband
met de technische beperkingen van grotere windturbines. Dit heeft geen gevolgen voor
de effectiviteit van de maatregel voor wat betreft het verminderen van het aantal
slachtoffers onder vleermuizen.
|
| |
|
|
Indiener verzoekt om de maximale tiphoogte van offshore windturbines te vergroten
vanwege toekomstbestendigheid van de turbines.
|
Voor Hollandse Kust (noord) kan worden volstaan met de huidige buitenmaten, waaronder
een maximum tiphoogte van 251 meter en een maximale rotordiameter van 221 meter. Het
is niet de verwachting dat er gedurende de huidige routekaart van het Energieakkoord
een investeringsbeslissing wordt genomen over een turbine met een rotordiameter die
groter is dan het hier voorgestelde maximum van 221 meter. Verder geldt de verticale
separatieafstand tussen een object en helikopter die in acht moet worden genomen.
Die bedraagt thans 1.000 voet (circa 300 meter). Bij een grotere rotordiameter wordt
die separatieafstand niet meer gehaald. Voor eventuele doorgroei van windenergie op
zee na het Energieakkoord en in gebieden verder op zee kunnen andere buitenmaten onderzocht
worden. Dit valt echter buiten de scope van het huidige kavelbesluit.
|
| |
|
|
Indiener verzoekt om mogelijke uitsluitingszones in verband met UXO onderzoek mee
te wegen vanwege potentieel archeologische waarde en daarmee samenhangende kosten.
|
Doel van voorschrift 4, vijfde lid, is om te voorkomen dat tijdens de bouw thans bekende
en onbekende archeologische vindplaatsen worden beschadigd. Het doel is verder om
nader te onderzoeken of sprake is van een vindplaats. Als dit het geval is worden
de werkzaamheden archeologisch begeleid, worden er fysieke maatregelen getroffen ter
bescherming van archeologische vindplaatsen of worden vindplaatsen uitgesloten van
ingrepen met inachtneming van een bufferzone.
Een van de onderzoeken die de vergunninghouder zal gaan uitvoeren is het onderzoek
naar niet geëxplodeerde objecten (UXO’s). Uit dit onderzoek kunnen mogelijk nieuwe
archeologische vindplaatsen worden geïdentificeerd vandaar dat het van belang is dat
de resultaten archeologisch worden geanalyseerd. Vervolgens zijn er meerdere mogelijkheden
om mogelijke vindplaatsen te beschermen of te ontzien zoals ook hierboven is beschreven.
|
| |
|
|
Indiener verzoekt om meer informatie over verlichting, kleurstelling en bediening
belichting op afstand en communicatie hierover in relatie tot de uitvoering van reddingsoperaties.
|
In voorschrift 4, zesde lid onder d is aangegeven dat alle turbines voorzien moeten
zijn van een rode vastbrandende lamp. Tenminste de contouren van het windpark moeten
continu verlicht zijn. Uitsluitend bij SAR operaties zullen andere delen van het park
tijdelijk verlicht moeten worden. Het bevoegd gezag gaat ervan uit dat er tussen de
betrokken bestuursorganen en de vergunninghouder een procedure wordt overeengekomen
waarin vastgelegd op welke wijze er gehandeld moet worden tijdens een SAR operatie.
De exacte locaties van de markerings- en obstakelverlichting en de eisen die daaraan
worden gesteld zullen worden vastgelegd in het verlichtingsplan op grond van artikel
6.16h Waterbesluit dat ter goedkeuring moeten worden voorgelegd aan de Minister van
Economische Zaken en Klimaat.
Er is naar aanleiding van de verlichtingsplannen voor de windparken van windenergiegebied
Borssele overeenstemming bereikt met de ILT en de betreffende beleidsdirectie van
het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat over het laten vervallen van de plicht
om de kleur RAL 7035 uitsluitend in combinatie met wit flitsende lichten op de turbines
toe te passen. Het informatieblad Aanduiding offshore windturbines en offshore windparken
van 30 september 2016 zal voor de opening van de tender op dit punt zijn aangepast.
|
| |
|
|
Voor wat betreft de samenvatting van de zienswijze ten aanzien van voorschrift 4,
achtste lid (natuur-inclusief bouwen) wordt verwezen naar zienswijze nr. 7.
|
Voor wat betreft de reactie van het bevoegd gezag wordt verwezen naar de reactie bij
zienswijze nr. 7 – Voorschrift 4, achtste lid (natuur-inclusief bouwen).
|
| |
|
|
Aanvullend vraagt indiener met betrekking tot voorschrift 4, achtste lid onder a.
naar de onderbouwing van de genoemde 20% en geeft aan dat de voorkeur uitgaat naar
flexibiliteit in de dimensies en dat de focus wordt gelegd op het verder bestaan van
de nieuw gecreëerde biotoop na afloop van de vergunningsperiode.
|
De gevraagde 20% geeft de ruimte om veranderingen aan de meest kritische delen van
de erosiebescherming te vermijden. Binnen de in te vullen 20% sluiten de dimensies
aan bij de vanuit ecologie gewenste dimensies en zijn om die reden niet flexibel.
Optie c biedt echter de mogelijkheid om op een andere wijze dan nu in opties a en
b genoemde wijze te voorzien in vergroting van het geschikte habitat voor van nature
in de Noordzee voorkomende soorten middels kleine of grote holen en spleten en (be)vestigingssubstraat
voor soorten.
Het verder bestaan van de nieuw gecreëerde biotoop na afloop van de vergunningsperiode
is niet meegenomen, omdat conform de Waterwet aangebrachte installaties weer moeten
worden verwijderd. Daarnaast mogen de voorzieningen alleen maatregelen betreffen die
direct gerelateerd zijn aan de op te richten windturbines en de infield kabels (in
de praktijk de erosiebescherming). In het verwijderingsplan op grond van artikel 6.16l
van het Waterbesluit kan het verder bestaan van de nieuw gecreëerde biotoop echter
worden afgewogen.
|
|
15
|
MER is onvolledig ten aanzien van CO2-reductie/ weereffecten achterland / zicht
|
0016
|
Indiener wijst op kennisgebrek ter zake veerkrachtigheid van zoogdieren- en vogelpopulatie
en stelt dat voorbij wordt gegaan aan andere factoren, zoals klimaatverandering, overbevissing
en de plasticsoup.
|
In het MER, de passende beoordeling en het Kader Ecologie en Cumulatie is uitgegaan
van realistische worst case aannames, op basis van best beschikbare wetenschappelijke
kennis. Trendgegevens van populaties van soorten en/of mate van veerkracht zijn bij
de beoordeling van de effecten, waar nodig meegewogen. In deze trendgegevens zitten
reeds de effecten van andere antropogene factoren.
Met het uitvoeren van de mitigerende maatregelen zoals vastgesteld in de kavelbesluiten,
kunnen negatieve gevolgen voor de staat van instandhouding van soorten als gevolg
van de gehele routekaart tot 2023 uitgesloten worden.
|
|
Indiener stelt dat het MER geen melding maakt van het feitelijk netto energetisch
rendement van de windparken. Terwijl dit ‘gunstige’ milieu effect juist de reden zou
moeten zijn om zulke parken te bouwen. Gedegen aandacht voor de te verwachten CO2-reductie en de rekenkundige onderbouwing daarvan, waarin ook de CO2-productie tijdens de grondstofwinning, de metaalverwerking, het transport, de opbouw
en het onderhoud worden verrekend, zijn een basisvereiste voor doeltreffende duurzaamheid.
|
In hoofdstuk 11 van het MER is onderzocht wat de elektriciteitsopbrengst en vermeden
emissies zijn bij het gebruik van windturbines van 8 en 10 MW. Daarnaast wordt in
het MER de effecten op het milieu door de bouw, de exploitatie en de verwijdering
van het windpark dat gebouwd gaat worden in kavel V van het windenergiegebied Hollandse
Kust (noord) beschreven. Door de exploitatie van het windpark wordt jaarlijks 2 miljoen
ton CO2minder uitgestoten in vergelijking met de opwekking van eenzelfde hoeveelheid elektriciteit
door een gascentrale. Deze CO2-reductie draagt bij aan de doelstelling die is neergelegd in het klimaatakkoord van
Parijs om de opwarming van de aarde te beperken tot 2 graden Celsius.
|
|
Indiener stelt dat het MER geen melding maakt van de weereffecten van de windparken
op het achterland; de nabij gelegen Hollandse kust. Er zijn wereldwijd een klein aantal
onderzoeken gedaan naar zulke effecten. Indiener stelt die effecten niet verwaarloosbaar
zijn.
bijlage: https://www.earth-syst-dynam.net/2/1/2011
|
Windturbines produceren elektriciteit door energie uit luchtstromen te onttrekken,
dit kan effect hebben op de lokale windpatronen. Door de bewegende atmosfeer en het
mengen van luchtlagen worden dit soort effecten op korte afstand (enkele kilometers)
weer teniet gedaan. Er zijn geen effecten bekend van windparken op het mesoklimaat.
Het optreden van koude zeemist (zeevlam) kan niet aan windparken op zee worden toegeschreven,
omdat het alleen ontstaat bij warme dagen in het voorjaar waarbij warme lucht vanaf
land naar de zee stroomt. In paragraaf 10.13.2 van het MER zijn de effecten van windparken
op het lokale klimaat ook beschreven. Uit het MER blijkt dat een windpark lokaal effect
kan hebben op het weer. De turbulentie van de atmosfeer neemt binnen een windpark
toe, waardoor dit in enkele gevallen kan leiden tot extra wolkenvorming of mistvorming.
Dit effect komt echter slechts zeer incidenteel voor, omdat het zich alleen voordoet
bij zeer specifieke meteorologische omstandigheden. Derhalve zal dit geen significante
effecten hebben op recreatie en toerisme.
|
|
Er wordt bij de bouwplannen niet geanticipeerd op het stilvallen van de golfstroom.
|
Er zijn klimaatonderzoekers die op grond van berekeningen voorspellen dat de Golfstroom
in een warmer klimaat kan afremmen. Wat de effecten hiervan zijn is moeilijk te voorspellen.
Dit type mogelijk in de toekomst optredende veranderingen vallen buiten de scope van
het MER.
Uit wetenschappelijke publicaties uit 2017 en 2018 blijkt dat de kans op het stilvallen
van de golfstroom bijzonder klein is (zie https://downtoearthmagazine.nl/warme-golfstroom-kan-stilvallen/ en https://www.scientias.nl/de-warme-golfstroom-wordt-zwakker/. Wel is aangetoond dat de golfstroom in kracht is achteruitgegaan over een periode
van 1.500 jaar.
|
|
Indiener stelt dat de zeegezichten door de windparken worden vernietigd. Daarnaast
maakt indiener bezwaar tegen de zichtbaarheid die niet wordt opgeheven door vereiste
kleurstelling.
|
Met betrekking tot de keuze zicht versus duurzame energieopwekking wordt verwezen
naar de beantwoording bij zienswijze nummer 2. Om de zichtbaarheid van de windturbines
te verminderen is er een voorschrift (voorschrift 4 zesde lid) met betrekking tot
de kleurstelling en de verlichting van de windturbines opgenomen in het kavelbesluit.
De zichtbaarheid wordt hierdoor niet weggenomen maar wel aanzienlijk verminderd.
|
|
16
|
Verlies visgronden, cumulatieve effecten, kennisleem-te ecologische effecten, sluiting
gebied tijdens bouw
|
0017
|
Indiener stelt dat gevolgen van het verlies van visgronden onvoldoende in kaart zijn
gebracht en dat de gevolgen veel meer negatieve impact heeft dan beschreven in het
ontwerpkavelbesluit.
|
Het MER beschrijft de milieu gevolgen van het realiseren van een windpark in kavel
V, in hoofdstuk 10.4 van het MER worden de effecten van het windpark op visserij beschreven.
De effecten zijn beschreven op basis van beschikbare onderzoeken en gegevens. De effecten
van het windpark worden beschreven op het niveau van sectoren binnen de visserij,
niet op het niveau van individuele bedrijven omdat die gegevens niet openbaar beschikbaar
zijn. Zie tevens beantwoording op zienswijzen nummers 2 en 14.
Voor de uiteindelijke omvang van kavel V van Hollandse Kust (noord) is mede op basis
van een afweging van belangen op het gebied van visserij en zicht, gekozen voor het
niet benutten van het zuidelijk deel van het windenergiegebied. Hierdoor blijft een
gebied met een relatief hoge vangstopbrengst voor de visserij beschikbaar.
|
|
Indiener merkt op dat in het MER geen actuele vangstgegevens staan. De impact van
het kavelbesluit voor de visserij is onvoldoende in beeld gebracht, omdat informatie
ontbreekt over:
- welke visserijbedrijven worden getroffen;
- voor welk deel van de activiteiten deze bedrijven afhankelijk zijn van het betreffende
gebied;
- de waarde van de aangevoerde soorten gevangen binnen betreffend gebied.
Evenmin is rekening gehouden met (economische) gevolgen van verplaatsing van visserij-activiteiten.
|
De vangstgegevens van individuele visserijbedrijven, zoals die bijvoorbeeld af te
leiden zijn uit het Vessel Monitoring System (VMS) zijn niet openbaar. Het is dus
onmogelijk om inzicht te geven in welke bedrijven in welke mate afhankelijk zijn van
het gebied en wat de actuele waarde is van de aangevoerde soorten die gevangen worden
binnen het betreffende gebied.
|
|
Indiener wijst op kennisleemten betreffende ecologische effecten van aanleg van windparken
op zee en operationele windparken op demersale vissoorten. Indiener is bezorgd over
effecten van onderwatertrillingen en -geluid op verschillende vissoorten.
Indiener verlangt gefaseerde sluiting van het gebied, zodat dit zo lang mogelijk open
blijft voor visserij.
|
De effecten van het windpark op het zeeleven zijn onderzocht in het MER (hoofdstuk
7) en PB en het achtergronddocument. Uit het MER is gebleken dat het windpark geen
significant negatieve effecten heeft op vissen en het visbestand.
Wat betreft het uitblijven van positieve effecten, uit het in 2017 uitgevoerde onderzoek
in PAWP bleek dat er na 10 jaar geen significante verschillen in soortensamenstelling
van bodemdieren zijn waargenomen https://www.noordzeeloket.nl/publish/pages/144229/benthic_development_in_and_around_offshore_wind_farm_prinses_amalia_windpark.pdf
Onderzoek naar hard substraat en zacht substraat benthos is in het huidige monitoringsprogramma
(Wozep) opgenomen.
Wat betreft de doorwerking van veranderingen als gevolg van windparken op zee op commerciële
visbestanden is het wel vermeldenswaardig dat de commerciële visstanden en visquota
voornamelijk een stijgende of stabiele trend vertonen.
Het gebied blijft open voor visserij totdat – voor de start van de bouw van het windpark
– het besluit tot vaststelling van de veiligheidszone van kracht wordt.
Zie ook beantwoording bij zienswijze nummer 14.
|