Invoedcode gas TSB

Geraadpleegd op 25-02-2026.
Geldend van 21-02-2026 t/m heden.

Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666148 op grond van artikel 3.121 van de Energiewet, en artikel 12f van de Gaswet juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet over de invoeding bij de TSB gas (Invoedcode gas TSB)

1. Algemene bepalingen

  • 1.1 Werkingsfeer en definities

    • 1.1.1 Werkingsfeer

      • 1. De Invoedcode gas TSB is van toepassing op aansluitpunten en aansluitingen waardoor gas wordt ingevoed door een invoeder op het transmissiesysteem met uitzondering van verbindingen tussen hoge druk gastransportsystemen en systeemkoppelingen met distributiesysteembeheerders.

      • 2. Bepalingen in de Invoedcode gas TSB betreffende aansluitingen hebben uitsluitend betrekking op aansluitingen die eigendom zijn van en beheerd worden door de transmissiesysteembeheerder

      • 3. De Invoedcode gas TSB bevat de voorwaarden met betrekking tot de wijze waarop de invoeder en de transmissiesysteembeheerder de invoedingsinstallatie en het transmissiesysteem technisch en operationeel compatibel laten zijn en blijven, zodanig dat de invoedingsinstallatie en het transmissiesysteem veilig aan elkaar verbonden zijn en blijven, het gas kan worden gemeten en op gecontroleerde wijze in het transmissiesysteem kan worden ingevoed.

      • 4. Deze Invoedcode gas TSB beoogt de veiligheid, doelmatigheid en betrouwbaarheid van de invoedingsinstallatie en het transmissiesysteem te waarborgen en het milieu te ontzien.

    • 1.1.2 Begrippen en definities

  • 1.2 Overeenkomsten

    • 1.2.1 De transmissiesysteembeheerder staat alleen toe dat gas via het aansluitpunt of de aansluiting ingevoed wordt indien aan de invoeding ten minste één transportovereenkomst ten grondslag ligt, er een overeenkomst is afgesloten zoals bedoeld in artikel 1.3 en een balanceringsverantwoordelijke voor het ingevoede gas de balanceringsverantwoordelijkheid draagt, tenzij het ingevoede gas bestemd is voor de transmissiesysteembeheerder ter uitvoering van zijn wettelijke taken.

    • 1.2.2 Indien de in artikel 1.2.1 bedoelde transportovereenkomst op enig moment door de transmissiesysteembeheerder is beëindigd of opgeschort, zonder dat er aansluitend een nieuwe transportovereenkomst is afgesloten, zal de transmissiesysteembeheerder de invoeder hierover onmiddellijk informeren.

  • 1.3 De transmissiesysteembeheerder en de invoeder zullen afspraken met betrekking tot de invoedingsinstallatie en de invoeding van gas vastleggen in een overeenkomst.

2. Invoedingsinstallatie

  • 2.1 De invoeder dient er voor te zorgen dat de invoedingsinstallatie (blijft) voldoe(n)t aan de krachtens de wet- en regelgeving gestelde voorwaarden op het gebied van veiligheid, opdat de invoedingsinstallatie geen gevaar zal opleveren voor het ongestoord functioneren van het transmissiesysteem noch voor personeel van de transmissiesysteembeheerder of van door de transmissiesysteembeheerder ingeschakelde derden. De transmissiesysteembeheerder is niet verplicht uit eigen beweging na te gaan of is voldaan aan de voor de invoedingsinstallatie geldende wet- en regelgeving.

  • 2.2 Alvorens (wederom) een aansluitpunt of een aansluiting in gebruik wordt gesteld, zal de invoeder naar genoegen van de transmissiesysteembeheerder dienen aan te tonen dat de invoedingsinstallatie voldoet aan de daarvoor geldende wet- en regelgeving op het gebied van veiligheid.

  • 2.3 De invoeder is verplicht alle gegevens met betrekking tot de bouw, de modificaties en het onderhoud van de invoedingsinstallatie actueel te houden, voor zover deze relevant zijn om aan te tonen dat de invoedingsinstallatie voldoet aan de geldende wet- en regelgeving op het gebied van veiligheid.

  • 2.4 De invoeder is voorts verplicht om aanpassingen aan de invoedingsinstallatie, van zodanige aard dat deze van betekenis kunnen zijn voor de veiligheid of het ongestoord functioneren van het transmissiesysteem, tijdig voorafgaand aan het uitvoeren hiervan aan de transmissiesysteembeheerder te melden.

  • 2.5 Bij gerede twijfel of de invoedingsinstallatie voldoet aan de geldende wet- en regelgeving op het gebied van veiligheid, dient de invoeder zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen vierentwintig uur op verzoek en naar genoegen van de transmissiesysteembeheerder te kunnen aantonen dat de invoedingsinstallatie wel voldoet, zo nodig onder verstrekking aan de transmissiesysteembeheerder van alle gegevens met betrekking tot de bouw, de modificaties en het onderhoud van de invoedingsinstallatie. Eventuele hieruit voortvloeiende kosten komen voor rekening van de invoeder, indien blijkt dat de invoedingsinstallatie inderdaad niet voldoet aan de daarvoor geldende wet- en regelgeving.

  • 2.6 Wanneer de invoeder niet voldoet aan het bepaalde in artikel 1.2.1, 2.4 en/of 2.5 heeft de transmissiesysteembeheerder de bevoegdheid om het aansluitpunt of de aansluiting af te sluiten. Deze maatregel zal niet eerder ongedaan worden gemaakt dan nadat de reden voor het treffen van deze maatregel is weggenomen en de kosten van de maatregel en van het ongedaan maken daarvan door de invoeder aan de transmissiesysteembeheerder zijn vergoed.

  • 2.7 Indien de reden voor het afsluiten van het aansluitpunt of de aansluiting is weggenomen en is voldaan aan het bepaalde in artikel 2.2, zal de transmissiesysteembeheerder het aansluitpunt of de aansluiting weer in gebruik stellen binnen twee werkdagen nadat is voldaan aan het bepaalde in artikel 2.2 De transmissiesysteembeheerder kan aan het opnieuw in gebruik stellen nadere financiële en operationele voorwaarden verbinden, die gerelateerd zijn aan de inspanningen die de transmissiesysteembeheerder heeft moeten verrichten en de kosten die hij heeft moeten maken in verband met het afsluiten van het aansluitpunt of de aansluiting en het ongedaan maken hiervan.

  • 2.8 De invoeder draagt er zorg voor dat de toegang tot de invoedingsinstallatie, alsmede tot het gebouw of deel van een gebouw waarin de meet- en regelinrichting is opgesteld, voor de transmissiesysteembeheerder is gewaarborgd, voorzover dit voor de transmissiesysteembeheerder noodzakelijk is ter waarborging van de veiligheid en/of doelmatige en betrouwbare werking van het transmissiesysteem. Hierbij zal de transmissiesysteembeheerder het veiligheidsbeleid van de invoeder in acht nemen.

  • 2.9 Druk- of flowregeling en drukbeveiliging

    • 2.9.1 De invoedingsinstallatie dient voorzien te zijn van een systeem om de flow te kunnen beheersen teneinde te kunnen voldoen aan de resultaten van de uitvoering van de procedures zoals beschreven in 4.2.2 en 4.2.3 van de Transportcode gas TSB bij een druk die voldoet aan hetgeen bepaald is in artikel 3.2.1 van deze Invoedcode gas TSB.

    • 2.9.2 De invoedingsinstallatie dient voorzien te zijn van een drukbeveiliging die voldoet aan de daarvoor geldende wet- en regelgeving. De instelling van deze drukbeveiliging wordt overeengekomen tussen de invoeder en de transmissiesysteembeheerder en dient te waarborgen dat de veiligheid en/of doelmatige en betrouwbare werking van het transmissiesysteem niet in gevaar wordt gebracht.

    • 2.9.3 De drukbeveiliging dient te worden onderhouden en te worden getest in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving. De transmissiesysteembeheerder heeft het recht om deze tests bij te wonen. Om de veiligheid en/of doelmatige en betrouwbare werking van het transmissiesysteem te waarborgen is de transmissiesysteembeheerder gerechtigd een onderzoek uit te voeren naar het onderhoud en de tests van de drukbeveiliging.

    • 2.9.4 Indien de veiligheid en/of de betrouwbare werking van het transmissiesysteem in gevaar wordt gebracht, heeft de transmissiesysteembeheerder uit voorzorg het recht op het onmiddellijk afsluiten van het aansluitpunt of de aansluiting die het gevaar veroorzaakt. De transmissiesysteembeheerder stelt de invoeder daarvan onmiddellijk, en zo mogelijk voorafgaand, op de hoogte. De transmissiesysteembeheerder informeert de invoeder over de reden van de afsluiting.

3. Aansluiten

  • 3.1 Aanleg van de aansluiting

    • 3.1.0

      • 1. Een partij die een aansluiting wenst op het transmissiesysteem dient daartoe een aanvraag in bij de transmissiesysteembeheerder door middel van het invullen van het aanvraagformulier dat de transmissiesysteembeheerder op haar website beschikbaar stelt.

      • 2. Na ontvangst van het verzoek zal de transmissiesysteembeheerder binnen vijf werkdagen met de verzoeker contact opnemen om het vervolgproces te bespreken en zal hierna starten met een onderzoek naar de mogelijkheden om de aansluiting op het transmissiesysteem te realiseren.

      • 3. De aangeslotene dient de transmissiesysteembeheerder te voorzien van de informatie die voor de uitvoering van het onderzoek als bedoeld in het tweede lid nodig is.

      • 4. Partijen zullen in goed overleg ernaar streven om zo spoedig mogelijk de overeenkomst ter realisatie van de aansluiting te kunnen ondertekenen.

    • 3.1.1 Voordat de aangevraagde aansluiting zal worden gerealiseerd, dient aangeslotene de overeenkomst bedoeld in artikel 3.1.0 te ondertekenen. Deze overeenkomst bevat onder meer:

      • a. de voorziene planning;

      • b. de benodigde afspraken ten behoeve van het realiseren van de aansluiting;

      • c. civielrechtelijke bepalingen;

      • d. en specifieke kenmerken van de aansluiting, zoals de locatie van het overdrachtspunt en de fysieke eigenschappen van de aansluiting, waaronder in ieder geval de capaciteit en bepalingen ten aanzien van leveringsdruk.

    • 3.1.2 De transmissiesysteembeheerder en de invoeder bepalen in onderling overleg de termijn waarbinnen de aansluiting zal worden gerealiseerd. De transmissiesysteembeheerder voor gas en de invoeder zullen zich inspannen om zo spoedig mogelijk te beschikken over de vereiste vergunningen.

    • 3.1.3 De transmissiesysteembeheerder bepaalt de locatie van de aansluiting met inachtneming van de geschikte druk en voldoende capaciteit van de door de afnemer aangevraagde aansluiting.

  • 3.2 Leveringsdruk

    • 3.2.1 De transmissiesysteembeheerder treedt in overleg met de invoeder teneinde overeen te komen onder welke minimale en maximale druk het gas op het overdrachtspunt wordt ingevoed. Onverminderd het bepaalde in artikelen 5.1.3 en 5.1.4 is het de verantwoordelijkheid van de invoeder de leveringsdruk zodanig in te stellen dat hij kan invoeden bij de heersende druk in het transmissiesysteem voor zover deze zich bevindt tussen de overeengekomen minimale en maximale druk en daarbij de flow zoals bedoeld in artikel 2.9.1 kan beheersen.

    • 3.2.2 Indien door de transmissiesysteembeheerder of door de invoeder wordt vastgesteld dat het gas op het overdrachtspunt niet beschikbaar wordt gesteld met een leveringsdruk binnen de bandbreedte conform artikel 3.2.1, zullen de transmissiesysteembeheerder en de invoeder elkaar daarover zo spoedig mogelijk informeren.

  • 3.3 Gaskwaliteit

    • 3.3.1 Indien de invoeder voorziet dat gas op het overdrachtspunt beschikbaar zal worden gesteld dat niet voldoet aan de afgesproken gaskwaliteit dan zal hij de transmissiesysteembeheerder daarover zo spoedig mogelijk informeren.

    • 3.3.2 Indien gas op het overdrachtspunt beschikbaar wordt dan wel zal worden gesteld dat niet voldoet aan de (afgesproken) gaskwaliteit zullen de invoeder en de transmissiesysteembeheerder elkaar daarover zo spoedig mogelijk informeren en die maatregelen nemen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht om de oorzaak weg te nemen en/of de gevolgen te beperken. De transmissiesysteembeheerder zal de invoeder zo spoedig mogelijk informeren of het gas geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd dan wel wordt geaccepteerd. Tot het moment dat de transmissiesysteembeheerder het gas dat niet voldoet aan de (afgesproken) gaskwaliteit accepteert, draagt de invoeder zorg voor de operationele en/of financiële gevolgen. Indien de veiligheid en/of doelmatige en betrouwbare werking van het transmissiesysteem in gevaar wordt gebracht, heeft de transmissiesysteembeheerder uit voorzorg het recht op het onmiddellijk afsluiten van het aansluitpunt of de aansluiting. De transmissiesysteembeheerder stelt de invoeder daarvan onmiddellijk, en zo mogelijk voorafgaand, op de hoogte.

  • 3.4 Overdrachtspunt

    • 3.4.1 Het overdrachtspunt is ter plaatse van het fysieke verbindingspunt tussen enerzijds het transmissiesysteem en anderzijds de invoedingsinstallatie, waar het gas in het transmissiesysteem wordt ingevoed; dit verbindingspunt ligt (gezien vanuit het transmissiesysteem één meter na de isolatiekoppeling van het aansluitpunt of de aansluiting, tenzij de transmissiesysteembeheerder en de desbetreffende invoeder anders zijn overeengekomen.

  • 3.5 Het is de aangeslotene niet toegestaan handelingen te (laten) verrichten aan de aansluiting of het aansluitpunt zonder uitdrukkelijke toestemming van de transmissiesysteembeheerder

  • 3.6

    • 3.6.1

      • 1. Aangeslotene kan een verzoek indienen tot wijziging van de aansluiting door middel van het invullen van een formulier dat de transmissiesysteembeheerder op haar website ter beschikking stelt.

      • 2. Na ontvangst van het verzoek zal de transmissiesysteembeheerder binnen vijf werkdagen met de verzoeker contact opnemen om het vervolgproces te bespreken en zal hierna starten met een onderzoek naar de mogelijkheden om de benodigde wijziging te realiseren.

      • 3. De aanvrager dient de transmissiesysteembeheerder te voorzien van de informatie die voor de uitvoering van dit onderzoek nodig is.

      • 4. De transmissiesysteembeheerder kan met de aangeslotene operationele voorwaarden overeenkomen die verband houden met die wijziging.

      • 5. Voordat de transmissiesysteembeheerder de wijziging zal realiseren dient de aangeslotene de hiertoe opgestelde overeenkomst te ondertekenen.

  • 3.7 De transmissiesysteembeheerder zal een eventuele weigering om een aanvraag conform artikel 3.1.0 of 3.6.1 te realiseren binnen een redelijke termijn schriftelijk en met redenen omkleed toelichten.

4. Invoeden, meten en regelen

  • 4.1 De invoeder is ervoor verantwoordelijk dat de invoeding van gas niet zodanig is dat de veiligheid en/of betrouwbare werking van het transmissiesysteem in gevaar wordt gebracht dan wel kan worden gebracht. De invoeder is verplicht om, indien een dergelijke situatie zich toch voordoet of dreigt voor te doen, de transmissiesysteembeheerder, zo mogelijk tijdig voorafgaand aan die situatie, te informeren en de door de transmissiesysteembeheerder ter zake gegeven aanwijzingen op te volgen.

  • 4.2 Indien de transmissiesysteembeheerder vermoedt dat door toedoen van de invoeder de veiligheid en/of betrouwbare werking van het transmissiesysteem in gevaar wordt gebracht, zal de transmissiesysteembeheerder de invoeder daarvan onmiddellijk op de hoogte stellen. De transmissiesysteembeheerder heeft uit voorzorg het recht op het onmiddellijk afsluiten van het aansluitpunt of de aansluiting.

  • 4.3 De meet- en regelinrichting wordt aangelegd, beheerd en onderhouden door de invoeder.

  • 4.4 De invoeder en de transmissiesysteembeheerder zullen een meethandboek opstellen. Dit meethandboek betreft zowel de comptabele als niet-comptabele metingen en bevat een omschrijving van de opgestelde apparatuur, de berekeningsmethodes, de afhandeling van geconstateerde fouten, de aan de apparatuur te stellen nauwkeurigheidseisen en de methodes en criteria om de kwaliteit van de metingen te waarborgen, evenals de voor het veilig, doelmatig en betrouwbaar functioneren van transmissiesysteem benodigde informatievoorziening. De gebruikte methodes en procedures zullen in overeenstemming zijn met relevante (internationale) standaarden. Bij het verschijnen van een nieuwe versie van een standaard zullen de invoeder en de transmissiesysteembeheerder in overleg bepalen of, en zo ja wanneer deze in de meet- en regelinrichting zal worden toegepast.

  • 4.5 Het comptabele meetsysteem voldoet aan de volgende specificaties:

    • meetonzekerheid in hoeveelheid energie op maandbasis < 0,75%

    • meetonzekerheid in hoeveelheid energie per uur < 2%

    • beschikbaarheid data per uur (gemiddelde op jaarbasis) ≥ 99%

    • maximale storingsduur meting en/of data acquisitie 2 uur

    De transmissiesysteembeheerder en de invoeder kunnen afwijkende specificaties overeenkomen.

  • 4.6 De lokale data acquisitiesystemen van het comptabele meetsysteem dienen op afstand door de transmissiesysteembeheerder uitleesbaar te zijn met een frequentie van minimaal eenmaal per 5 minuten ten behoeve van near-real-time informatievoorziening.

  • 4.7 Indien de invoeder het meetsysteem beheert, dienen de comptabele meetwaarden op uurbasis door de invoeder uiterlijk op de vierde werkdag van de maand volgend op de maand waarop de meetwaarden van toepassing zijn, aangeleverd te worden aan de transmissiesysteembeheerder.

  • 4.8 De transmissiesysteembeheerder is gerechtigd tot het aanleggen, instandhouden en gebruiken van de door haar (voor de uitvoering van haar taken als transmissiesysteembeheerder benodigde telecommunicatie-infrastructuur en/of datalijnen, verbonden aan de meet- en regelinrichting. Hierbij zal de transmissiesysteembeheerder het veiligheidsbeleid van de invoeder in acht nemen.

  • 4.9 De invoeder en de transmissiesysteembeheerder hebben toegang tot alle aan de meting gerelateerde informatie. De invoeder stelt de transmissiesysteembeheerder in de gelegenheid de uit te voeren test- en calibratiewerkzaamheden bij te wonen en de resultaten hiervan overleggen.

  • 4.10 De invoeder zal ervoor zorgen dat de hoeveelheid in te voeden gas structureel en/of planmatig ligt in het capaciteitsgebied tussen de minimum meetcapaciteit en de maximum meetcapaciteit. De invoeder zal zodanig invoeden dat een goede inzet van de meetinrichting wordt gewaarborgd. De invoeder is verplicht om de transmissiesysteembeheerder, indien de invoeder hieraan niet voldoet dan wel zal kunnen voldoen, te informeren en de door de transmissiesysteembeheerder ter zake gegeven aanwijzingen op te volgen. Voorts is de invoeder verplicht, indien en voor zover hij structureel en/of planmatig de overeengekomen minimum meetcapaciteit onderschrijdt dan wel de maximale meetcapaciteit overschrijdt, met de transmissiesysteembeheerder in overleg te treden over een lagere minimum dan wel hogere maximum meetcapaciteit. Een gewijzigde meetcapaciteit wordt door de transmissiesysteembeheerder en de invoeder vastgelegd.

  • 4.11 Indien een partij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de meetinrichting niet correct functioneert of een afwijking vertoont, zal de beheerder van de meetinrichting deze controleren en zo nodig handelend optreden (justeren). De kosten hiervan komen voor rekening van de partij die de meetinrichting beheert, tenzij een eventueel geconstateerde onnauwkeurigheid de toegestane afwijkingen, zoals gedefinieerd in het meethandboek, niet overschrijdt, in welk geval de kosten voor rekening van de partij komen die om de controle heeft verzocht.

  • 4.12 Correctie van de meetwaarden vindt plaats binnen de termijnen zoals genoemd in artikel 2.5.1 van de Allocatiecode systeembeheerders gas.

5. Samenwerking

  • 5.1 Werkzaamheden

    • 5.1.1 De transmissiesysteembeheerder en de invoeder zullen te allen tijde voldoende informatie uitwisselen en maatregelen nemen, opdat de werkzaamheden aan en de in- en uitbedrijfname van (onderdelen van) het aansluitpunt of de aansluiting, de invoedingsinstallatie en/of het transmissiesysteem en/of de daarmee verband houdende telecommunicatievoorzieningen zodanig worden gecoördineerd dat eventuele verstoring van de reguliere invoeding van gas of de onderlinge informatievoorziening tot een minimum wordt beperkt.

    • 5.1.2 Waar redelijkerwijs noodzakelijk in verband met de veiligheid, doelmatigheid en/of betrouwbaarheid van het transmissiesysteem zullen de transmissiesysteembeheerder en de invoeder voor werkzaamheden aan het aansluitpunt of de aansluiting, de invoedingsinstallatie of het transmissiesysteem die gedurende een bepaalde periode een zekere invoeding of invoedingpatroon op het aansluitpunt of de aansluiting vereisen, met elkaar en met andere systeemgebruikers samenwerken teneinde gedurende deze periode een dergelijke invoeding of invoedingpatroon te realiseren.

    • 5.1.3 Indien een invoeder voornemens is om, buiten het geval van storing of calamiteiten, werkzaamheden te verrichten die kunnen leiden tot onderbreking, vermeerdering of vermindering van de invoeding van gas dan wel tot verandering van de condities waaronder het gas wordt ingevoed, zal de invoeder de transmissiesysteembeheerder informeren over het tijdstip en de tijdsduur van de onderbreking of de vermeerdering of vermindering van de invoeding van gas dan wel de verandering van de condities waaronder het gas wordt ingevoed. De invoeder zal bij planning en uitvoering van deze werkzaamheden zoveel als redelijkerwijs mogelijk rekening houden met de belangen van de transmissiesysteembeheerder.

    • 5.1.4 Indien de transmissiesysteembeheerder voornemens is om, buiten het geval van storing of calamiteiten, werkzaamheden te verrichten die kunnen leiden tot onderbreking, vermeerdering of vermindering van de invoeding van gas dan wel tot verandering van de condities waaronder het gas wordt ingevoed, zullen deze werkzaamheden niet eerder worden uitgevoerd dan nadat over het tijdstip en de tijdsduur van de onderbreking of de vermeerdering of vermindering van de invoeding van gas dan wel de verandering van de condities waaronder het gas wordt ingevoed, overeenstemming tussen de transmissiesysteembeheerder en de invoeder is bereikt. De transmissiesysteembeheerder zal bij planning en uitvoering van deze werkzaamheden zoveel als redelijkerwijs mogelijk rekening houden met de belangen van de invoeder.

    • 5.1.5 Indien een calamiteit of storing het aansluitpunt of de aansluiting, de invoedingsinstallatie en/of de veiligheid, doelmatigheid en/of betrouwbaarheid van het transmissiesysteem bedreigt, kan de invoeder de noodzakelijke werkzaamheden aan de invoedingsinstallatie onverwijld en zonder voorafgaand overleg met de transmissiesysteembeheerder of met derden uitvoeren. De transmissiesysteembeheerder en de invoeder zullen in dat geval zoveel als redelijkerwijs mogelijk contact met elkaar onderhouden en samenwerken om de calamiteit of storing dan wel de gevolgen daarvan op te heffen.

    • 5.1.6 De invoeder en de transmissiesysteembeheerder zijn bevoegd om zonder voorafgaande mededeling aan elkaar of aan andere betrokkenen het aansluitpunt of de aansluiting af te sluiten indien dit vereist is wegens direct gevaar voor personen. De transmissiesysteembeheerder en de invoeder stellen elkaar daarvan onmiddellijk op de hoogte.

    • 5.1.7 De invoeder of de transmissiesysteembeheerder zal noch door middel van het aansluitpunt of de aansluiting en/of de invoedingsinstallatie respectievelijk het transmissiesysteem noch anderszins hinder of schade veroorzaken voor het transmissiesysteem respectievelijk het aansluitpunt of de aansluiting en/of de invoedingsinstallatie. De invoeder en de transmissiesysteembeheerder zullen het aansluitpunt of de aansluiting niet gebruiken voor aarding van elektrische installaties, toestellen, bliksemafleiders en dergelijke, dan wel voor enig ander doel dan onder deze Invoedcode gas TSB uitdrukkelijk is toegestaan.

    • 5.1.8 De transmissiesysteembeheerder en een invoeder kunnen een operational balancing account (OBA) inrichten op een entry- of exitpunt. Voor het inrichten van een OBA moet de invoeder in ieder geval voldoen aan de voorwaarden die opgenomen zijn op de website van de transmissiesysteembeheerder. De OBA zal in overeenstemming zijn met artikel 4a.1.1.1 van de Allocatiecode systeembeheerders gas en maakt integraal onderdeel uit van de overeenkomst als bedoeld in artikel 1.3 van deze Invoedcode gas TSB.

  • 5.2 Communicatie

    • 5.2.1 De transmissiesysteembeheerder en de invoeder zullen elkaar de nodige medewerking verlenen bij de toepassing en de uitvoering van het bepaalde in deze Invoedcode gas TSB en de controle op de naleving daarvan. De transmissiesysteembeheerder en de invoeder zijn in het bijzonder verplicht elkaar zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen van alle gegevens, voorvallen en wijzigingen in omstandigheden of in de feitelijke situatie die voor de uitvoering van deze Invoedcode gas TSB van belang (kunnen) zijn.

    • 5.2.2 De transmissiesysteembeheerder en de invoeder zijn, onder meer om hetgeen omschreven in artikel 5.2.1 na te kunnen komen, vierentwintig uur per dag en elke dag van het jaar telefonisch dan wel via enig ander overeengekomen communicatiesysteem bereikbaar en in staat om zo nodig handelend op te treden. Alle relevante adres- en communicatiegegevens worden vastgelegd. Indien deze gegevens wijzigen, dienen de transmissiesysteembeheerder en de invoeder elkaar hierover zo spoedig mogelijk doch uiterlijk tien werkdagen voorafgaand aan wijziging van de gegevens schriftelijk te informeren op het vastgelegde adres.

    • 5.2.3 De transmissiesysteembeheerder en de invoeder zullen zich voldoende inspannen te blijven beschikken over de benodigde vergunningen en elkaar over de wijzigingen in die vergunningen en de voorwaarden waaronder zij zijn afgegeven, te informeren.

    • 5.2.4 Voor zover in het transmissiesysteem operationele maatregelen vereist zijn om het gas veilig, doelmatig en betrouwbaar te transporteren, kan de transmissiesysteembeheerder met de invoeder operationele voorwaarden overeenkomen, die het benodigde communicatieproces over de afstemming van geplande in te voeden en te transporteren hoeveelheden gas vastleggen. Het overeen te komen communicatieproces zal zo mogelijk gelijkvormig zijn met internationale aanbevelingen hieromtrent. Bij het verschijnen van een nieuwe versie van deze aanbevelingen zullen de invoeder en de transmissiesysteembeheerder in overleg bepalen of, en zo ja wanneer deze zullen worden toegepast.

  • 5.3 Aanleveren capaciteitsverwachting

    • 5.3.1 De invoeder verstrekt jaarlijks op verzoek van de transmissiesysteembeheerder voor elk aansluitpunt of elke aansluiting informatie over de te verwachten capaciteit waarmee gas zal worden ingevoed in ten minste de komende vijf jaren. De invoeder zal aan de transmissiesysteembeheerder, indien de transmissiesysteembeheerder hierom verzoekt, nadere (achtergrond)informatie verstrekken over de door hem verstrekte gegevens. De invoeder is ervoor verantwoordelijk dat de door hem verstrekte opgaven op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en een zo goed mogelijke schatting geven van de toekomstige in te voeden capaciteit.

  • 5.4 Compensatie bij ernstige storingen

    • 5.4.1 De invoeder heeft recht op een financiële compensatie bij storingen die voor een periode langer dan 4 uren tot een onderbreking van het transport van gas leiden, met uitzondering van voorziene onderbrekingen.

    • 5.4.2 De in artikel 5.4.1 genoemde termijn van 4 uren vangt voor alle door de onderbreking getroffen invoeders aan op het moment dat de transmissiesysteembeheerder de eerste melding van een onderbreking van een invoeder ontvangt of, indien dat eerder is, op het moment van vaststelling van de onderbreking door de transmissiesysteembeheerder.

    • 5.4.3 De in artikel 5.4.1 genoemde financiële compensatie bedraagt voor de invoeder € 910,– bij een onderbreking van 4 uur tot 8 uur, vermeerderd met € 500,– voor elke volgende aaneengesloten periode van 4 uur. De uitbetaling dient binnen drie maanden te geschieden.

6. Slotbepalingen

  • 6.1 De Invoedcode gas LNB wordt ingetrokken.

  • 6.2 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

  • 6.3 Dit besluit wordt aangehaald als: Invoedcode gas TSB.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 5 februari 2026

Autoriteit Consument en Markt,

namens deze:

M.R. Leijten

bestuurslid