Belastingplan 2026

Geraadpleegd op 27-02-2026.
Toekomstige tekst van 01-03-2026 t/m 31-12-2027.
Ga naar eerste onderdeel, gewijzigd per 01-03-2026.

Wet van 17 december 2025 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is fiscale maatregelen te treffen die voortvloeien uit de koopkrachtbesluitvorming voor het jaar 2026 en dat het ook in het kader van het fiscale beleid voor het jaar 2026 en volgende jaren wenselijk is in een aantal belastingwetten en enige andere wetten wijzigingen aan te brengen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel I

[Red: Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]

Artikel II

[Red: Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]

Artikel IIbis

[Red: Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]

Artikel aIIa

[Red: Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]

Artikel IIa

[Red: Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]

Artikel IIb

[Red: Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]

Artikel IIc

[Red: Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]

Artikel IId

[Red: Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.]

Artikel III

[Red: Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]

Artikel IV

[Red: Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]

Artikel IVa

[Red: Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]

Artikel IVb

[Red: Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]

Artikel IVc

[Red: Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]

Artikel IVd

[Red: Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]

Artikel V

[Red: Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]

Artikel VI

[Red: Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]

Artikel VII

[Red: Wijzigt de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen.]

Artikel VIII

  • 1 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid monitort het gebruik van regelingen voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964 en zendt aan de Staten-Generaal hiervan jaarlijks een verslag dat in ieder geval de volgende elementen omvat:

    • a. de gerichtheid van de regelingen voor vervroegde uittreding, waarbij aandacht wordt geschonken aan:

      • 1°. de hoogte van gehanteerde inkomensgrenzen;

      • 2°. de afbakening van de doelgroep en eventuele herijking hiervan;

      • 3°. het gebruik en de onderbouwing van de extra ruimte in de drempelvrijstelling;

    • b. het profiel van deelnemers aan regelingen voor vervroegde uittreding;

    • c. het totale gebruik van de drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegde uittreding;

    • d. de voortgang op duurzame inzetbaarheid gekoppeld aan collectieve regelingen voor vervroegde uittreding.

  • 2 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid rapporteert jaarlijks over het gebruik van de drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegde uittreding. Bij overschrijding van een signaalwaarde van 15.000 nieuwe deelnemers op jaarbasis aan een regeling voor vervroegde uittreding treedt het kabinet in overleg met sociale partners over de oorzaken hiervan, de gerichtheid van regelingen voor vervroegde uittreding en het bijsturen hierop.

  • 3 Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid draagt zorg voor een driejaarlijks ijkmoment, te beginnen in 2028, waarbij aan de hand van de rapportages, bedoeld in het eerste lid, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën wordt beoordeeld of de drempelvrijstelling in dezelfde vorm kan blijven bestaan of dat er bijsturing, afbouw of beëindiging moet plaatsvinden.

  • 4 Voor de bijsturing of afbouw, bedoeld in het tweede en derde lid, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een regeling worden getroffen.

  • 5 De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel IX

Onze Minister zendt drie jaar na de inwerkingtreding van de in artikel IV, onderdelen B en C, opgenomen pseudo-eindheffing een verslag aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten hiervan.

Artikel IXa

[Red: Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.]

Artikel XI

[Red: Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.]

Artikel XII

Artikel 16b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vindt bij het begin van het kalenderjaar 2026 geen toepassing op de bedragen, genoemd in de tabel die is opgenomen in artikel 9, eerste lid, van die wet en op het bedrag, genoemd in de laatste zin van dat lid.

Artikel XIII

[Red: Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.]

Artikel XIV

  • 1 In de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 worden in artikel 9, eerste lid, de bedragen, genoemd in de vierde kolom van de tabel, bij het begin van het kalenderjaar 2027 bij ministeriële regeling verhoogd met 1,48 procent. Het bedrag in het eerste lid, laatste zin, wordt eveneens verhoogd met 1,48 procent.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden, na toepassing van het eerste lid, de bedragen, genoemd in artikel 9, eerste lid, derde kolom van de tabel, dienovereenkomstig aangepast.

Artikel XV

[Red: Wijzigt de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.]

Artikel XVI

  • 1 In de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 worden in artikel 9, eerste lid, de bedragen, genoemd in de vierde kolom van de tabel, bij het begin van het kalenderjaar 2028 bij ministeriële regeling verhoogd met 1,40 procent. Het bedrag in het eerste lid, laatste zin, wordt eveneens verhoogd met 1,40 procent.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden, na toepassing van het eerste lid, de bedragen, genoemd in artikel 9, eerste lid, derde kolom van de tabel, dienovereenkomstig aangepast.

Artikel XVII

[Red: Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.]

Artikel XVIIa

[Red: Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.]

Artikel XVIII

[Red: Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.]

Artikel XIX

[Red: Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]

Artikel XX

Artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag vindt bij het begin van het kalenderjaar 2026 geen toepassing op het tarief voor een broeikasgasinstallatie of lachgasinstallatie, genoemd in artikel 71p, eerste lid, onderdeel a, van die wet.

Artikel XXI

[Red: Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]

Artikel XXII

[Red: Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]

Artikel XXIII

[Red: Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]

Artikel XXIV

[Red: Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]

Artikel XXV

[Red: Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]

Artikel XXVI

[Red: Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]

Artikel XXVII

[Red: Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]

Artikel XXVIII

[Red: Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]

Artikel XXIX

[Red: Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.]

Artikel XXXIII

[Red: Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.]

Artikel XXXIV

[Red: Wijzigt de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken.]

Artikel XXXV

[Red: Wijzigt de Wet inkomstenbelasting BES.]

Artikel XXXVa

[Wijziging per 01-03-2026.]

[Red: Wijzigt de Wet vrachtwagenheffing.]

Artikel XXXVIII

[Red: Wijzigt het Belastingplan 2025.]

Artikel XXXVIIIbis

[Red: Wijzigt de Wet van 20 december 2017 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot het geleidelijk uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (Stb. 2017, 523).]

Artikel XXXVIIIa

[Red: Wijzigt de Wet behoud verlaagd btw-tarief op cultuur, media en sport.]

Artikel XXXVIIIb

[Red: Wijzigt de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2024.]

Artikel XXXVIIIc

[Red: Wijzigt de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025.]

Artikel XXXIX

Artikel X, onderdeel A vindt geen toepassing op verkrijgingen op grond van huwelijkse voorwaarden die zijn aangegaan voor 16 september 2025, 16:00 uur, alsmede op verkrijgingen op grond van een notarieel samenlevingscontract dat is afgesloten voor 16 september 2025, 16:00 uur. De eerste zin is niet langer van toepassing zodra die huwelijkse voorwaarden, onderscheidenlijk dat notariële samenlevingscontract, op of na dat tijdstip worden, onderscheidenlijk wordt, gewijzigd met betrekking tot het aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap of de te verrekenen som.

Artikel XL

De artikelen 5.26, vierde lid, en 5.31, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 blijven buiten toepassing voor zover het werkelijke rendement van bezittingen en schulden, bedoeld in artikel 5.25, eerste lid, van die wet, wordt bepaald over bezittingen of schulden die direct voorafgaand aan 25 augustus 2025, 16.00 uur tot de bezittingen, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, van die wet, onderscheidenlijk de schulden, bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van die wet, behoorden.

Artikel XLI

  • 1 Bij de toepassing van de artikelen 10.1, eerste lid, 10.3, tweede lid, en 10bis.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen 20a, tweede lid, en 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2026 worden de betreffende bedragen niet vermenigvuldigd met de tabelcorrectiefactor, maar met 1,027782.

  • 2 Bij de toepassing van artikel 10.1, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 20b, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2026 wordt het betreffende bedrag niet vermenigvuldigd met de uitkomst van de daarin opgenomen formule, maar, in afwijking van het eerste lid, met 1,02083650.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing op de bedragen, genoemd in de artikelen 4.17a, achtste lid, onderdeel c, 5.5, 9.4, eerste lid, onderdeel c, en 9.4a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel XLII

De bedragen, bedoeld in de artikelen en onderdelen, genoemd in artikel XXXV, onderdeel c, van het Belastingplan 2024, waarop artikel 10.1, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing is bij het begin van het kalenderjaar 2026, worden daarbij niet vermenigvuldigd met de tabelcorrectiefactor, maar met 1,027782.

Artikel XLV

Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vindt met betrekking tot artikel 5.13 van die wet geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2027.

Artikel XLVI

Na toepassing van de artikelen I, onderdeel A, en III, onderdeel B, artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen 20a, tweede lid, en 20b, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2026 worden de bedragen in kolom III van de tabellen in de artikelen 2.10, eerste lid, en 2.10a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en in de artikelen 20a, eerste lid, en 20b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij ministeriële regeling gewijzigd in de bedragen die na toepassing van die bepalingen voortvloeien uit de bij het begin van het kalenderjaar 2026 in de kolommen I en II van die tabellen vermelde bedragen en de in kolom IV van die tabel vermelde percentages.

Artikel XLVIa

Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is bij het begin van het kalenderjaar 2026 van overeenkomstige toepassing op het in de artikelen 23, derde en vierde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen vermelde bedrag, onderscheidenlijk laatstvermelde bedrag.

Artikel XLVII

Artikel 27a van de Wet op de accijns vindt bij het begin van het kalenderjaar 2026 geen toepassing op de bedragen, genoemd in artikel 27, eerste lid, onderdeel a, tweede bedrag, onderdeel b, tweede bedrag, en onderdeel d, van die wet.

Artikel XLVIII

  • 1 [Red: Wijzigt de Overige fiscale maatregelen 2018.]

  • 2 [Red: Wijzigt de Overige fiscale maatregelen 2018.]

Artikel XLIX

Ingeval de samenloop van wetten die in 2025 in het Staatsblad zijn of worden gepubliceerd en wijzigingen aanbrengen in een of meer belastingwetten, niet of niet juist is geregeld, of indien als gevolg van die samenloop onjuistheden ontstaan in de aanduiding van artikelen, artikelonderdelen, verwijzingen en dergelijke in de desbetreffende wetten, kunnen die wetten op dit punt bij ministeriële regeling worden gewijzigd.

Artikel L

  • 2 In afwijking van het eerste lid treedt artikel XVII, onderdelen Aa en B, in werking op het tijdstip waarop artikel 30 van de Wet vrachtwagenheffing in werking treedt.

  • 3 In afwijking van het eerste lid treedt artikel XXXVA in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel LI

Deze wet wordt aangehaald als: Belastingplan 2026.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te

’s-Gravenhage, 17 december 2025

Willem-Alexander

De Minister van Financiën,

E. Heinen

De Staatssecretaris van Financiën,

E.H.J. Heijnen

Uitgegeven de drieëntwintigste december 2025

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F. van Oosten