Subsidieregeling sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap

[Regeling vervalt per 01-01-2029.]
Geraadpleegd op 10-02-2026. Gebruikte datum 'geldig op' 31-01-2026.
Geldend van 31-01-2026 t/m heden.

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 20 februari 2025, nr. OWB/49374826 houdende regels voor subsidieverstrekking voor het versterken van sociale veiligheid in het hoger onderwijs en de wetenschap (Subsidieregeling sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

  • 1 De minister kan aan de penvoerder van de regiegroep subsidie verstrekken voor activiteiten met als doel de stimulering van de ontwikkeling van kennis, kunde of vaardigheden over sociale veiligheid binnen hoger onderwijsinstellingen of studentenorganisaties of de uitwisseling hiervan ten behoeve van het faciliteren van de verbetering van de sociale veiligheid binnen hoger onderwijsinstellingen of studentenorganisaties.

  • 2 De minister kan aan een organisatie of aan de penvoerder van een samenwerkingsverband subsidie verstrekken voor activiteiten met als doel de versterking van de sociale veiligheid binnen een hoger onderwijsinstelling of studentenorganisatie.

Artikel 4. Penvoerder

  • 1 De penvoerder van de regiegroep is de organisatie met rechtspersoonlijkheid die de subsidieaanvragen indient voor activiteiten van de regiegroep als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

  • 2 Op de penvoerder van de regiegroep rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke organisatie feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

  • 3 Een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, die worden uitgevoerd door een samenwerkingsverband van organisaties, wordt ingediend door één deelnemende organisatie die optreedt als penvoerder van het samenwerkingsverband.

  • 4 Op de penvoerder van een samenwerkingsverband rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke organisatie feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

Artikel 5. Subsidieplafond

  • 1 Voor de subsidieverstrekking op grond van deze regeling is voor:

    • a. de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, in de kalenderjaren 2025 tot en met 2027 jaarlijks een bedrag van € 2.250.000 beschikbaar;

    • b. de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, in de kalenderjaren 2025 tot en met 2027 jaarlijks een bedrag van € 2.250.000 beschikbaar.

  • 2 Indien na afloop van de aanvraagperiode van een kalenderjaar, bedoeld in artikel 8, tweede lid, blijkt dat het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, niet volledig wordt verstrekt in dat jaar, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het bedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van dat jaar.

Artikel 6. Beoordeling aanvragen

De minister beslist op de subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aan de hand van de beoordelingscriteria die zijn uitgewerkt in het beoordelingskader.

Artikel 7. Beoordeling aanvragen en wijze van verdeling beschikbaar budget subsidieaanvraag organisatie of penvoerder van een samenwerkingsverband

  • 1 De minister beslist op een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aan de hand van de beoordelingscriteria die zijn uitgewerkt in het beoordelingskader.

  • 2 Indien het beschikbare budget, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, ontoereikend is voor toekenning van alle als voldoende beoordeelde aanvragen, verdeelt de minister dit budget als volgt over deze aanvragen:

    • a. eerst wordt subsidie toegekend aan de aanvraag van een samenwerkingsverband van organisaties met de hoogste score;

    • b. vervolgens wordt subsidie toegekend aan de aanvraag van een studentenorganisatie met de hoogste score;

    • c. vervolgens wordt subsidie toegekend aan de aanvraag van een promovendi-organisatie met de hoogste score;

    • d. vervolgens wordt subsidie toegekend aan de aanvraag van een werknemersorganisatie met de hoogste score;

    • e. vervolgens wordt subsidie toegekend aan de aanvraag van een hoger onderwijsinstelling met de hoogste score;

    • f. vervolgens wordt subsidie toegekend aan de aanvragen met de hoogste score, ongeacht het soort organisatie, totdat het resterende budget volledig is besteed.

  • 3 In het geval dat meerdere subsidieaanvragen binnen een categorie als bedoeld in het tweede lid een gelijke score hebben, worden die subsidieaanvragen gerangschikt op volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen.

Artikel 8. Aanvraagperioden

  • 1 De penvoerder van de regiegroep kan subsidie aanvragen tot en met 2 maart 2025 23.59 uur.

  • 2 De penvoerder van de regiegroep, een organisatie of een penvoerder van een samenwerkingsverband kan subsidie aanvragen in de volgende perioden:

    • a. van 16 juni 2025 09.00 uur tot en met 3 augustus 2025 23.59 uur;

    • b. van 16 maart 2026 09.00 uur tot en met 16 april 2026 13.00 uur;

    • c. van 12 januari 2027 09.00 uur tot en met 12 februari 2027 13.00 uur.

  • 3 Aanvragen die worden ingediend buiten de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden afgewezen.

Artikel 9. Bij de subsidieaanvraag in te dienen documenten

  • 1 Een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bestaat uit:

    • a. een activiteitenplan;

    • b. een begroting;

    • c. indien voor de uitvoering van een activiteit de medewerking van één of meer organisaties noodzakelijk is, een intentieverklaring van de desbetreffende organisaties waaruit blijkt dat zij bereid zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van een activiteit; en

    • d. een verklaring dat de kosten voor een activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet uit anderen hoofde zijn of worden vergoed.

  • 2 Een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, bestaat uit:

    • a. een activiteitenplan;

    • b. een begroting; en

    • c. een verklaring dat de kosten voor een activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet uit anderen hoofde zijn of worden vergoed.

  • 3 Indien de subsidieaanvrager een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, bestaat een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, tevens uit:

    • a. een document waaruit blijkt dat deze rechtspersoon voor ten minste drie jaar financiële middelen ontvangt van hoger onderwijsinstelling, de minister of een gemeente;

    • b. indien de aanvraag wordt gedaan door een promovendi-organisatie of werknemersorganisatie, een document waaruit blijkt dat deze rechtspersoon de belangen vertegenwoordigt van promovendi, onderscheidenlijk werknemers;

    • c. indien de aanvraag wordt gedaan door een studentenorganisatie, een document waaruit blijkt dat binnen deze rechtspersoon studenten zijn georganiseerd; en

    • d. het nummer waaronder deze organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel.

  • 4 In het geval van een samenwerkingsverband van organisaties bestaat een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, tevens uit:

    • a. een samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemende organisaties en de penvoerder van het samenwerkingsverband, die uiterlijk bij de start van de activiteiten aanvangt en ten minste geldig is tot en met 1 november 2028. In deze samenwerkingsovereenkomst is in elk geval een beschrijving opgenomen van:

      • 1°. de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de deelnemende organisaties; en

      • 2°. indien een deelnemende organisatie, niet zijnde de subsidieaanvrager, een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, het nummer waaronder deze organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en

    • b. indien een deelnemende organisatie een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, de documenten, bedoeld in het derde lid, onderdelen a tot en met c.

Artikel 10. Activiteitenplan en begroting

  • 1 De subsidieaanvrager omschrijft in het activiteitenplan per activiteit hoe deze activiteit bijdraagt aan het doel of een realisatiedoelstelling uit het programmaplan en hoe de voortgang van de activiteit wordt gemonitord.

  • 2 De beschrijving in het activiteitenplan bestaat in totaal uit ten hoogste 4.000 woorden.

  • 3 Voor het overzicht van de geraamde kosten in de begroting, bedoeld in artikel 3.5 van de kaderregeling, kan voor zover het de personeelskosten betreft worden gekozen uit vier functies met een vast integraal uurtarief inclusief opslag voor overhead en administratie, maar exclusief de belasting over de toegevoegde waarde:

    • a. secretarieel of administratief medewerker € 70;

    • b. projectmedewerker € 95;

    • c. projectleider, docent of onderzoeker € 120;

    • d. (associate) practor, lector, of hoogleraar € 141.

Artikel 11. Aanvraagformulier

  • 1 De subsidie wordt aangevraagd met het aanvraagformulier dat is bekendgemaakt op de website www.dus-i.nl.

  • 2 Voor de verklaringen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen c en d, de verklaring, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel c, en de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel a, wordt gebruik gemaakt van de formats die bekend zijn gemaakt op de website www.dus-i.nl.

  • 3 De minister deelt de activiteitenplannen en begrotingen, bedoeld in artikel 9, met de regiegroep ten behoeve van de voorbereiding van de besluitvorming.

Artikel 12. Weigeringsgronden

De subsidieverstrekking kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, voor zover:

  • a. de totale subsidie van een subsidieaanvraag van de regiegroep, een hoger onderwijsinstelling of een samenwerkingsverband van organisaties minder dan € 10.000 bedraagt;

  • b. de totale subsidie van een subsidieaanvraag van een organisatie die geen hoger onderwijsinstelling is minder dan € 5.000 bedraagt;

  • c. de totale subsidie van een subsidieaanvraag van een organisatie of een samenwerkingsverband van organisaties meer dan € 450.000 bedraagt;

  • d. het activiteitenplan op een onderdeel als onvoldoende is beoordeeld op grond van het beoordelingskader;

  • e. de kosten van een activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, reeds uit anderen hoofde zijn of worden vergoed;

  • f. de kosten van een activiteit niet in redelijke verhouding staan tot de beoogde resultaten;

  • g. onvoldoende is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het uitvoeren van een activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 13. Besluit van de minister

Een subsidie aan een hoger onderwijsinstelling die minder dan € 25.000 bedraagt, wordt direct vastgesteld. Een andere subsidie wordt, in voorkomend geval in afwijking van artikel 9.1, vierde lid, onderdeel a, van de kaderregeling, verleend.

Artikel 14. Verplichtingen subsidie

  • 1 De activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend, zijn uiterlijk op 31 december 2027 uitgevoerd.

  • 2 De toegankelijkheid van activiteiten of de resultaten ervan is kosteloos en de verspreiding van de resultaten geschiedt zonder winstoogmerk.

  • 3 Met het oog op de rapportageverplichtingen van de regiegroep, zendt de organisatie of de penvoerder van een samenwerkingsverband de verantwoording eveneens in geanonimiseerde vorm aan de penvoerder van de regiegroep en, indien van toepassing, tevens het activiteitenverslag, het overzicht van de bestedingen of het overzicht van de voortgang van de activiteiten.

  • 4 Indien een subsidie voor meer dan twaalf maanden wordt verleend en de subsidiabele kosten meer dan € 125.000 bedragen, zendt de subsidieontvanger die geen hoger onderwijsinstelling is, halverwege de subsidieperiode een overzicht van de bestedingen van de subsidie aan de minister.

  • 5 Indien een subsidie voor meer dan twaalf maanden wordt verleend en de subsidiabele kosten meer dan € 25.000 bedragen, zendt de subsidieontvanger halverwege de subsidieperiode een overzicht van de voortgang van de activiteiten aan de minister.

Artikel 15. Wijze van verantwoording subsidie niet-hoger onderwijsinstellingen

Indien de subsidie van een subsidieontvanger die geen hoger onderwijsinstelling is:

Artikel 16. Besteding en verantwoording subsidie hoger onderwijsinstellingen

  • 1 Indien aan de verplichtingen van de subsidie is voldaan, kan een hoger onderwijsinstelling al dan niet in de hoedanigheid van penvoerder van een samenwerkingsverband, het niet aangewende deel van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, besteden aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Artikel 17. Bevoorschotting en betaling

  • 1 De minister betaalt het subsidiebedrag van een subsidie aan een hoger onderwijsinstelling die minder dan € 25.000 bedraagt, ineens.

  • 2 Bij een andere subsidie dan bedoeld in het eerste lid, verstrekt de minister een voorschot van 100% dat:

    • a. ineens wordt uitbetaald als de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt;

    • b. in termijnen wordt uitbetaald als de subsidie meer dan € 25.000 bedraagt.

Artikel 18. Vaststelling van de subsidie

  • 1 De minister stelt een subsidie aan een hoger onderwijsinstelling die minder dan € 25.000 bedraagt, direct vast.

  • 2 De minister stelt een subsidie aan een hoger onderwijsinstelling die ten minste € 25.000 bedraagt, ambtshalve vast binnen 22 weken na de ontvangst van de jaarverslaggeving over het laatste jaar van de activiteitenperiode.

  • 3 De minister stelt een subsidie aan een organisatie die geen hoger onderwijsinstelling is die minder dan € 25.000 bedraagt, ambtshalve vast binnen 22 weken na de datum waarop deze activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.

  • 4 Voor een subsidie aan een organisatie die geen hoger onderwijsinstelling is en die ten minste € 25.000 bedraagt, doet de organisatie een aanvraag om vaststelling binnen 22 weken na de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht. De minister stelt de subsidie vast binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 5 De organisatie toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden.

Artikel 20. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt op 1 januari 2029.

Artikel 21. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

E.E.W. Bruins

Bijlage beoordelingskader behorende bij de Subsidieregeling sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap

Inhoudelijke beoordeling subsidieaanvragen

Beoordelingscriteria

De inhoudelijke beoordeling van een subsidieaanvraag als bedoeld in de Subsidieregeling sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap (hierna: subsidieregeling) en activiteiten geschiedt aan de hand van de criteria in onderstaande tabel.

 

(Deel)criterium

Score (5-1)

Wegingsfactor in percentage1

1.

Ambitie

(ten hoogste 800 woorden)

 

Totaal 20

1.1

De aanleiding en noodzaak tot verbetering van de sociale veiligheid in de organisatie(s) en of voor de beoogde doelgroep(en).2

Toelichting:

De aanleiding waarom deze subsidieaanvraag nodig is om sociale veiligheid te bevorderen is duidelijk beschreven. De noodzaak van de subsidieaanvraag is duidelijk beschreven en onderbouwd.

 

5

1.2

Emancipatie van gemarginaliseerde groep(en) (zoals vrouwelijke academici, jonge onderzoekers, promovendi en postdocs), mensen uit de LHBTIQ+ groep, mensen met een migratieachtergrond en/of met een beperking, mensen die te maken hebben met discriminatie waaronder antisemitisme.

Toelichting:

De wijze waarop de subsidieaanvraag zich richt op de emancipatie van gemarginaliseerde groep(en) is duidelijk beschreven en onderbouwd.

 

5

1.3

De ambitie ten aanzien van sociale veiligheid en haalbaarheid van de ambitie.

Toelichting:

De doelen in het activiteitenplan passen bij de doelen, bedoeld in artikel 3, van de subsidieregeling, en zijn ambitieus, helder en concreet geformuleerd. Ook zijn de doelen realistisch en haalbaar.

 

10

Sub-totaalscore criterium 1:

   
       

2.

Omschrijving activiteit(en)

(per activiteit ten hoogste 400 woorden)

 

Totaal 40

2.1

Per activiteit:

– doel;

– effectieve aanpak;

– planning;

– (indien van toepassing) samenwerking.

Toelichting:

Per activiteit is het doel duidelijk en concreet beschreven. Er is vertrouwen dat de aanvrager met deze activiteiten haar doel (grotendeels) kan realiseren (haalbaarheid) en dat het aansluit bij de doelen, bedoeld in artikel 3, van de subsidieregeling. De planning van de activiteit(en) is realistisch en de uitvoering is uiterlijk voor 31 december 2027 afgerond. In geval van een samenwerkingsverband wordt duidelijk welke partij welke rol op zich neemt in de activiteit(en).

 

30

2.2

De monitoring van de voortgang.

Toelichting:

De beschrijving van hoe de subsidieontvanger:

de voortgang van de activiteiten gaat bewaken;

de uitvoering van de activiteiten systematisch evalueert.

 

10

Sub-totaalscore criterium 2:

   
       

3.

Impact

(ten hoogste 800 woorden)

 

Totaal 10

3.1

Drie pijler(s) van cultuurverandering (omgangscultuur, systeem, structuur) ten aanzien van sociale veiligheid.

Toelichting:

De beoogde impact van het activiteitenplan op een of meer van de pijler(s) van cultuurverandering binnen de betrokken organisatie(s) of de beoogde doelgroep(en).

 

5

3.2

Het doel of een realisatiedoelstelling uit het programmaplan van de regiegroep.2

Toelichting:

De beoogde impact van het activiteitenplan op het doel of een realisatiedoelstelling uit het programmaplan van de regiegroep, is duidelijk geformuleerd en onderbouwd.

 

5

Sub-totaalscore criterium 3:

 
       

4.

Verankering

(ten hoogste 800 woorden)

 

Totaal 10

4.1

Duurzame verankering en zichtbaarheid van opgedane kennis en inzichten binnen de eigen organisatie(s).2

Toelichting:

De duurzame verankering van de resultaten van de subsidieaanvraag binnen de eigen organisatie(s) en de wijze waarop de opgedane kennis en inzichten zichtbaar zijn gemaakt is duidelijk omschreven. Onderbouwd is waarom voor deze vorm is gekozen.

 

5

4.2

Zichtbaarheid van opgedane kennis en inzichten voor andere organisatie(s).

Toelichting:

De wijze waarop kennisdeling gefaciliteerd wordt is duidelijk uiteengezet waardoor werkwijzen, kennis en inzichten gebruikt kunnen worden door andere organisatie(s) na afloop van de activiteit(en). Zie ook realisatiedoelstelling 2 van het programmaplan.

 

5

Sub-totaalscore criterium 4:

   
       

5.

Begroting per activiteit(en)

 

Totaal 20

5.1

Een realistische begroting van de activiteit(en).

Beoordeeld wordt of:

– de kosten in verhouding staan tot de beoogde resultaten (doelmatigheid);

– de begroting sluitend is;

– de tarieven, bedoeld in de artikelen 10, derde lid (interne doorberekening), en 14, zesde lid (externe inhuur), van de subsidieregeling zijn gehanteerd.

Toelichting:

Per activiteit(en) is in de begroting concreet en duidelijk opgenomen welke kosten door wie worden gemaakt. Uit de begroting moet per activiteit duidelijk blijken welke kosten daaraan verbonden zijn. Bij inhuur van externen dient de belasting over de toegevoegde waarde meegenomen te worden.

 

20

Sub-totaalscore criterium 5:

   
       

Totaalscore critera 1 t/m 5:

   

1 Alleen de totale wegingsfactoren per criterium zijn van toepassing op de aanvragen van de regiegroep. De wegingsfactoren per deelcriterium zijn dus niet van toepassing op de aanvragen van de regiegroep.

2 De deelcriteria 1.1, 3.2 en 4.1 zijn niet van toepassing op de aanvragen van de regiegroep.

Berekening van de scores

Per criterium kan er maximaal 5 punten worden toegekend. Indien er sprake is van deelcriteria wordt als score het gemiddelde genomen. De totaalscore is een gewogen gemiddelde van de criteria, eventueel met twee decimalen.

De scores zijn beschreven in onderstaand tabel.

Scorebereik en beschrijving van de scores

Boven verwachting/excellent, goed uitgewerkt en/of onderbouwd en/of vernieuwend

5,0

Goed

Voldoende, plus wat beter uitgewerkt en/of onderbouwd

4,0

Ruim voldoende

Voldoet aan de minimale eisen van de subsidieregeling

3,0

Voldoende

Voldoet niet helemaal aan de eisen van de subsidieregeling

2,0

Onvoldoende

Voldoet niet aan de eisen van de subsidieregeling, grote tekortkomingen

1,0

Ruim onvoldoende

Alle criteria moeten als voldoende worden beoordeeld

In de subsidieregeling is opgenomen dat aanvragers uitsluitend in een aanvraagperiode aanvragen kunnen indienen (artikel 8). Om de kwaliteit van een aanvraag vast te stellen, beslist de minister op de subsidieaanvraag aan de hand van bovengenoemde beoordelingscriteria. Voor het aantonen van de kwaliteit van een subsidieaanvraag, moet de subsidieaanvraag op elk (deel)criterium (1 tot en met 5) ten minste met een voldoende worden beoordeeld.

Dit betekent dat de subsidieaanvragen kwalitatief beoordeeld worden. Voor (deel)criterium 1 tot en met 5 geldt dat een subsidieaanvraag op elk criterium ten minste met 3 punten (een voldoende) moet worden beoordeeld om voor subsidie in aanmerking te komen. De bedoeling is dat een ambitie wordt nagestreefd, impact wordt beoogd en verankering wordt verwezenlijkt en dat dit overeenkomt met het doel of een realisatiedoelstelling uit het programmaplan.

Beoordelingsproces

Het budget is toereikend

Als het beschikbare budget in een aanvraagperiode toereikend is voor alle als voldoende beoordeelde subsidieaanvragen wordt subsidie verleend voor die subsidieaanvragen. Subsidieaanvragen die niet ten minste met een voldoende worden beoordeeld op alle onderdelen (1 tot en met 5) komen niet voor subsidie in aanmerking.

Het budget voor organisaties en samenwerkingsverbanden is niet toereikend

Als het beschikbare budget in een aanvraagperiode niet toereikend is voor alle als voldoende beoordeelde subsidieaanvragen, wordt het budget als volgt verdeeld:

Stap 1: De subsidieaanvragen worden gerangschikt op score, van hoog naar laag.

Stap 2: De subsidieaanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden als volgt geselecteerd, totdat het budget ontoereikend is:

  • a. de hoogst scorende subsidieaanvraag van een samenwerkingsverband van organisaties;

  • b. de hoogst scorende subsidieaanvraag van een studentenorganisatie;

  • c. de hoogst scorende subsidieaanvraag van een promovendi-organisatie;

  • d. de hoogst scorende subsidieaanvraag van een werknemersorganisatie;

  • e. de hoogst scorende subsidieaanvraag van een hoger onderwijsinstelling;

  • f. de hoogst scorende resterende subsidieaanvragen ongeacht het soort organisatie.

Stap 3: In het geval van meerdere subsidieaanvragen met een gelijke score in een categorie als bedoeld onder punt a tot en met f, worden die subsidieaanvragen gerangschikt op volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen.

Toelichting beoordelingskader

Doel kwalitatieve beoordeling

Het doel van het beoordelingskader is de kwalitatieve beoordeling van subsidieaanvragen in goede banen te leiden en zo transparant mogelijk te maken. Het beoordelingskader en de beoordelingsprocedure gelden zowel ten aanzien van de subsidieaanvragen van een organisatie of van de penvoerder van een samenwerkingsverband als voor de subsidieaanvragen van de (penvoerder van de) regiegroep. Waar in het beoordelingskader in criterium 1 tot en met 5 wordt gesproken over ‘subsidieaanvraag’, kan ‘activiteiten’ worden gelezen, voor zover het de beoordeling van subsidieaanvragen van de regiegroep betreft.

Elk activiteitenplan wordt inhoudelijk beoordeeld op de volgende criteria:

  • ambitie;

  • beschrijving activiteit(en);

  • impact;

  • verankering;

  • begroting.

Bij elk (deel)criterium zijn in de tabel beoordelingscriteria geformuleerd met daarbij horende beoordelingsaspecten. Hiermee is aangegeven aan de hand van welke aspecten wordt beoordeeld en wat de achterliggende gedachte daarvan is. De onderdelen en beoordelingscriteria zijn gerelateerd aan het doel of een realisatiedoelstelling uit het programmaplan van de regiegroep en de definitie van sociale veiligheid zoals gehanteerd in dat programmaplan (zie ook artikel 10 van de subsidieregeling).

De subsidieaanvraag wordt inhoudelijk beoordeeld op de (deel)criteria ambitie, activiteiten, impact, verankering en begroting. Bij de beoordeling van deze criteria wordt een score van 1 tot en met 5 toegekend aan elk onderdeel. De totaalscore betreft het gewogen gemiddelde van de score op die criteria.

Beoordeling aanvragen

  • 1. Aanvragen regiegroep:

    De penvoerder van de regiegroep kan subsidie aanvragen voor activiteiten die zij opneemt in haar activiteitenplan. De activiteiten worden beoordeeld aan de hand van bovenstaande criteria met uitzondering van de deelcriteria 1.1, 3.2 en 4.1. De aanvraag wordt beoordeeld door de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I), waarna de minister beslist.

  • 2. Aanvragen organisaties of penvoerders van samenwerkingsverbanden:

    Een organisatie kan een subsidieaanvraag doen voor de uitvoering van activiteiten. Dit kan een enkele activiteit zijn maar een subsidieaanvraag kan ook bestaan uit meerdere activiteiten. De subsidieaanvraag waarvoor subsidie wordt aangevraagd door organisaties, wordt inhoudelijk beoordeeld door de regiegroep, waarna de minister beslist. De regiegroep bereidt de besluitvorming van de minister voor.