Besluit identificatiemiddelen voor natuurlijke personen Wdo

Geraadpleegd op 25-02-2026.
Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.

Besluit van 7 maart 2024, houdende vaststelling van regels inzake de aanwijzing en erkenning van publieke en private identificatiemiddelen (Besluit identificatiemiddelen voor natuurlijke personen Wdo)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 juli 2023, nr. 2023-0000412489/CZW/SB;

Gelet op artikel 9, eerste, tweede, derde, vierde en negende lid, van de Wet digitale overheid;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 augustus 2023 nr. W04.23.00206/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 04 maart 2024, nr. 2024-0000078532/CZW/SB;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Artikel 1. Begripsbepalingen

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • erkenning: erkenning als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet;

  • gebruiker: natuurlijke persoon die gebruik maakt van een identificatiemiddel als bedoeld in artikel 9 van de wet en die een overeenkomst heeft gesloten met de aanbieder van dat identificatiemiddel;

  • Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1502: Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1502 van de Commissie van 8 september 2015 tot vaststelling van minimale technische specificaties en procedures betreffende het betrouwbaarheidsniveau voor elektronische identificatiemiddelen overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt (PbEU 2015, L235);

  • wet: Wet digitale overheid.

Hoofdstuk 2. Privaat identificatiemiddel voor natuurlijke personen

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Paragraaf 2.1. Eisen voor toelating van een privaat identificatiemiddel

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Artikel 2. Eisen privaat identificatiemiddel

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

De eisen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet, voor erkenning van een privaat identificatiemiddel zijn de eisen die zijn opgenomen in artikel 3 en 4 en de nadere eisen gesteld krachtens artikel 7 voor het betrouwbaarheidsniveau van het desbetreffende identificatiemiddel.

Artikel 3. Eisen aan aanvrager

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 De aanvrager van een erkenning als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet:

    • a. verkeert niet in staat van faillissement of liquidatie, en voor of door hem is geen faillissement aangevraagd;

    • b. is geen surseance van betaling verleend en daarvoor is geen aanvraag ingediend;

    • c. voldoet aan de eisen, bedoeld in paragraaf 2.4 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1502, voor zover deze het betrouwbaarheidsniveau betreffen waarop de aanvraag ziet;

    • d. kan, op het moment dat deze voor hem gelden, voldoen aan de eisen voor een houder van een erkenning, bedoeld in artikel bij en krachtens paragraaf 2.3;

    • e. verwerkt gegevens over een gebruiker van een identificatiemiddel zodanig dat voor het combineren van die gegevens met de gegevens over het gebruik van dat identificatiemiddel door die gebruiker, een nadere handeling nodig is, voor zover het gegevens betreft die in het kader van de erkenning zijn verkregen;

    • f. registreert het moment waarop een handeling als bedoeld in onderdeel e is verricht en de persoon die deze handeling heeft uitgevoerd;

    • g. heeft een vestiging in Nederland waar kan worden aangetoond dat de aanvrager voldoet aan de eisen voor erkenning;

    • h. kan de gebruiker inzicht geven in:

      • i. de authenticatiehandelingen die met dat identificatiemiddel zijn verricht;

      • ii. de datum en het tijdstip waarop voor dat identificatiemiddel een handeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, is uitgevoerd, met uitzondering van de gevallen waarin die handeling plaatsvond op verzoek van Onze Minister.

  • 2 Het eerste lid, onderdelen a en b, zijn van overeenkomstige toepassing indien ten aanzien van de aanvrager in een van de overige lidstaten van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte een met de in die onderdelen vergelijkbare procedure is gestart of aangevraagd.

  • 3 De eisen, bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van de onderdelen a en b, zijn van overeenkomstige toepassing op een derde voor zover aan deze derde in het kader van de erkenning werkzaamheden worden uitbesteed.

Artikel 4. Eisen aan identificatiemiddel en authenticatiedienst

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Het identificatiemiddel waarop de aanvraag ziet:

    • a. functioneert in samenwerking met de daarvoor benodigde onderdelen van de generieke digitale infrastructuur, bedoeld in artikel 5 van de wet, en, in voorkomend geval, andere voor de werking van het identificatiemiddel noodzakelijke voorzieningen;

    • b. functioneert overeenkomstig artikel 5b, 5e, 9b en 14b van het Besluit digitale overheid;

    • c. voldoet aan de eisen die voor het desbetreffende betrouwbaarheidsniveau worden gesteld in de paragrafen 2.1.1, 2.1.2, 2.2.1, 2.2.2, 2.2.3, 2.2.4, 2.3 en 2.4 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1502.

  • 2 Een authenticatiedienst waarop de aanvraag ziet is in staat op verzoek betrouwbare authenticatieverklaringen af te geven aan het bestuursorgaan of de aangewezen organisatie waarvan het verzoek afkomstig is.

Artikel 5. Inkomsten uit verstrekken van gegevens over gebruikers of authenticatie

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

In de overeenkomst die door een aanvrager met een gebruiker wordt gesloten voor het gebruik van een identificatiemiddel is een verplichting opgenomen voor de aanvrager om het verstrekken van persoonsgegevens van de gebruiker of daarvan afgeleide informatie aan derde partijen op verzoek van de gebruiker te beëindigen zonder dat die beëindiging voor de gebruiker nadelige gevolgen heeft ten aanzien van de kosten voor de gebruiker of de gebruiksfunctionaliteit in het kader van de erkenning.

Artikel 6. Toepassing van software met openbare broncode

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Bij een authenticatiedienst waarop een aanvraag ziet wordt in ieder geval voor bij ministeriële regeling aan te wijzen componenten gebruik gemaakt van software:

    • a. die onder een open source licentie is gepubliceerd; of

    • b. waarvan de broncode openbaar is gemaakt.

  • 2 Componenten die noodzakelijk zijn voor het gebruik van een authenticatiedienst of identificatiemiddel en waarmee persoonsgegevens worden verwerkt worden op grond van het eerste lid aangewezen, tenzij een aanwijzing onaanvaardbare gevolgen heeft, gelet op:

    • a. de beschikbaarheid van software voor de desbetreffende componenten;

    • b. de veiligheid van die componenten;

    • c. het aanbod van identificatiemiddelen, waaronder in ieder geval de continuïteit, gebruiksvriendelijkheid en beschikbaarheid van breed aanbod.

  • 3 Een authenticatiedienst waarop een aanvraag ziet biedt aan derden een mogelijkheid om kwetsbaarheden van de software, bedoeld in het eerste lid, te melden en om voorstellen te doen voor aanpassing van die software, reageert adequaat op die voorstellen en meldingen en deelt aan de indiener daarvan mee tot welke handelingen de melding of het voorstel heeft geleid.

  • 4 Bij een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan onderscheid worden gemaakt tussen de componenten van authenticatiediensten en de datum waarop de verplichting, bedoeld in het eerste lid ingaat.

  • 5 Bij ministeriële regeling worden nadere regels worden gesteld over de wijze waarop openbaarmaking van de broncode van software als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, plaatsvindt.

Artikel 7. Nadere eisen bij ministeriële regeling

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Bij ministeriële regeling worden nadere eisen gesteld met betrekking tot:

    • a. het verkrijgen van het identificatiemiddel bij een aanvrager van een erkenning door en het registreren van een beoogd gebruiker;

    • b. de wijze waarop de identiteit van de aanvrager van het identificatiemiddel wordt bewezen en geverifieerd;

    • c. de kenmerken en het ontwerp van het identificatiemiddel;

    • d. uitgifte, uitreiking en activering van het identificatiemiddel;

    • e. schorsing, intrekking en reactivering van het identificatiemiddel;

    • f. verlenging en vervanging van het identificatiemiddel;

    • g. het authenticatiemechanisme dat het identificatiemiddel toepast;

    • h. het beheer en de organisatie, waaronder het beheer van informatiebeveiliging, bijhouden van de administratie, faciliteiten en personeel, technische controles en controles op conformiteit met andere dan technische eisen;

    • i. de beveiliging van de processen, bedoeld in onderdeel a tot en met g;

    • j. de inhoud van de overeenkomst die de aanvrager van de erkenning zal sluiten met een gebruiker van het identificatiemiddel;

    • k. periodieke actualisatie en controle van de juistheid van voor het authenticatieproces gebruikte gegevens;

    • l. voorzieningen die worden gebruikt bij toepassing van het identificatiemiddel of bij het verwerken van gegevens;

    • m. de integriteit en kwalificaties van het bestuur van de organisatie van de aanbieder van het identificatiemiddel en van het personeel dat betrokken is bij de inzage of het beheer van identificatiemiddelen;

    • n. het herkennen en het voorkomen van misbruik, fraude en incidenten gerelateerd aan de aanvraag, registratie en gebruik van het identificatiemiddel en het herstel van de gevolgen daarvan, waaronder het herleiden van handelingen die met een identificatiemiddel en ten behoeve van het verkrijgen daarvan zijn verricht en het overleggen van gegevens over dit onderwerp aan Onze Minister;

    • o. de wijze van verwerking van in het kader van authenticatie verkregen persoonsgegevens en de beveiliging of organisatorische of technische inrichting daarvan;

    • p. de gebruiksvriendelijkheid van een identificatiemiddel.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen tevens nadere eisen worden gesteld met betrekking tot de interoperabiliteit met en het aansluiten op de onderdelen van de infrastructuur, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de wet, en op andere voor de werking van het identificatiemiddel noodzakelijke voorzieningen.

  • 3 Bij toepassing van het eerste en tweede lid kan onderscheid worden gemaakt tussen verschillende betrouwbaarheidsniveaus.

Paragraaf 2.2. Procedurele voorschriften erkenning

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Artikel 8. Erkenning op aanvraag

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Een erkenning wordt slechts op aanvraag verstrekt.

Artikel 9. Aanvraaggerechtigden erkenning

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Een aanvraag wordt ingediend door een rechtspersoon of onderneming in de zin van de Handelsregisterwet 2007.

Artikel 10. Aanvraagvereisten

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Onverminderd artikel 9, vijfde lid, van de wet gaat een aanvraag in ieder geval vergezeld van:

    • a. bewijsstukken waarmee wordt onderbouwd dat wordt voldaan aan de eisen die van toepassing zijn op het betrouwbaarheidsniveau waarop de aanvraag ziet;

    • b. een beschrijving van de organisatie van de rechtspersoon of onderneming en de wijze waarop de zeggenschap daarbinnen is georganiseerd;

    • c. een model van de overeenkomst die de aanvrager zal sluiten met gebruikers van het identificatiemiddel waarop de aanvraag ziet;

    • d. een onderbouwing dat met de aanvraag wordt voldaan aan artikel 25 van de Algemene verordening gegevensbescherming;

    • e. een onderbouwing dat met de aanvraag wordt voldaan aan de norm, bedoeld in artikel 6, eerste lid;

    • f. het adres van de vestiging bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel g.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van een aanvraag, de vorm waarin deze wordt ingediend en de documenten die daarbij worden verstrekt, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen een aanvrager als bedoeld in het derde lid en overige aanvragers.

  • 3 Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, d en e, zijn niet van toepassing op een aanvrager die tevens houder is van een erkenning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet.

Artikel 11. Medewerking aanvrager

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Een aanvrager verleent Onze Minister ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag medewerking binnen een door Onze Minister gestelde termijn.

Artikel 12. Eisen aan een verklaring van certificering

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Een verklaring als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de wet ziet op de norm ISO 27001 en heeft een afgiftedatum die niet meer dan een jaar in het verleden ligt.

  • 2 De verklaring is afgegeven door een instelling die voor het afgeven van een certificaat als bedoeld in het eerste lid is geaccrediteerd door een nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 11, van de verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 339/93 (PbEU 2008, L 218).

  • 3 Een verklaring als bedoeld in het eerste lid ziet op het identificatiemiddel waarvoor de erkenning wordt aangevraagd op het betrouwbaarheidsniveau waarop de aanvraag ziet.

  • 4 De verklaring, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van alle rapportages van de instelling die de verklaring heeft afgegeven waarin is opgenomen ten aanzien van welke aspecten gedurende de onderzoeken die aan de verklaring ten grondslag liggen is geconstateerd dat niet is voldaan aan de eisen waaraan is getoetst.

Artikel 13. Verlening erkenning

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Onverminderd artikel 9, zesde lid, van de wet wordt een aanvraag afgewezen indien de aanvrager niet voldoet aan artikel 11 van dit besluit.

  • 2 Indien op een aanvraag positief wordt beslist wordt een erkenning verleend aan de aanvrager.

Artikel 14. Beslistermijn

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Onze Minister beslist binnen twaalf weken na ontvangst van een aanvraag.

  • 2 Op aanvragen die in een periode van twaalf weken of minder voor het aflopen van de termijn bedoeld in artikel 24 van de wet zijn ingediend is in afwijking van het eerste lid een termijn van achttien weken van toepassing.

  • 3 Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op een erkenning.

Artikel 15. Bekendmaking erkenning

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Van een erkenning of wijziging, schorsing of intrekking daarvan wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 16. Geldigheidsduur erkenning

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Een erkenning wordt voor onbepaalde tijd verleend.

  • 2 Onze Minister bepaalt het moment waarop een verleende erkenning van kracht wordt met inachtneming van de periode die voor betrokken bestuursorganen, aangewezen instanties en rechterlijke organisaties nodig is om te kunnen voldoen aan artikel 7 van de wet.

Paragraaf 2.3. Eisen aan houders van een erkenning

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Artikel 17. Voldoen aan erkenningseisen en uitbesteding van werkzaamheden

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Een houder van een erkenning voldoet aan de eisen die in paragraaf 2.1 en die in artikel 9, zesde lid, van de wet zijn gesteld voor het verlenen van een erkenning.

  • 2 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat op een houder van een erkenning gedurende een bij die regeling te bepalen periode een andere eis van toepassing is dan een eis als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Een houder van een erkenning draagt er zorg voor dat een derde waaraan in het kader van de erkenning werkzaamheden worden uitbesteed zich verplicht alle medewerking te verlenen en informatie te verstrekken die voor het toezicht op de naleving van de beveiligings- en geheimhoudingsverplichtingen noodzakelijk is.

Artikel 18. Beschrijving van de dienstverlening

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Een houder van een erkenning publiceert een actuele beschrijving van zijn dienstverlening voor gebruikers, met in ieder geval:

  • a. een beschrijving van de technische werking van het authenticatiemiddel waaronder de ontwikkelprocessen, de toegepaste maatregelen rond beveiliging, betrouwbaarheid en cryptografie alsmede van de toepassing van de stand der techniek daarbij;

  • b. een beschrijving van de wijze waarop de werking van het identificatiemiddel en het authenticatieproces gebaseerd is op software:

    • i. waarvan de broncode openbaar is gemaakt; of

    • ii. waarvan de broncode valt onder een open-source licentie, waarbij deze licentie wordt beschreven.

Artikel 19. Actuele verklaring van certificering

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Een houder van een erkenning beschikt over een geldige verklaring als bedoeld in artikel 12, eerste lid:

    • a. die ziet op het identificatiemiddel waarvoor de erkenning is verleend;

    • b. waarvan de afgiftedatum niet meer dan drie jaar in het verleden ligt.

  • 2 Een houder van een erkenning verstrekt onverwijld na ontvangst daarvan aan Onze Minister een rapportage die wordt opgemaakt in het kader van de toetsing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

Artikel 20. Rapportage

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Een houder van een erkenning rapporteert op bij ministeriële regeling bepaalde wijze aan Onze Minister over bij die regeling vastgestelde onderwerpen.

Artikel 21. Uitvoeren van een onafhankelijk onderzoek

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Onze Minister kan een houder van een erkenning bij beschikking verplichten dat deze:

    • a. een onafhankelijke deskundige laat onderzoeken of de houder voldoet aan de voor hem geldende eisen gesteld bij of krachtens dit besluit; of

    • b. een onafhankelijke deskundige een boekhoudkundig onderzoek laat uitvoeren om te bepalen of de houder handelt of heeft gehandeld in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onderdeel b.

  • 2 Het onderzoek wordt uitgevoerd binnen een bij de beschikking vermelde termijn, op een in de beschikking vermelde wijze en de houder van de erkenning draagt de kosten voor het uitvoeren ervan.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste en tweede lid.

Artikel 22. Leveringsplicht en beschikbaarheid

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn nadat de erkenning van kracht wordt biedt de houder van de erkenning het identificatiemiddel aan waarvoor hij is erkend.

  • 2 Een houder van een erkenning draagt er zorg voor dat het identificatiemiddel waarop de erkenning ziet in ieder geval voldoet aan een bij ministeriële regeling te stellen beschikbaarheidsnorm, die voor verschillende betrouwbaarheidsniveaus verschillend kan worden vastgesteld.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop de beschikbaarheid wordt gemeten of berekend en nadere regels over de beschikbaarheid, bedoeld in het tweede lid.

  • 5 Een houder van een erkenning beschikt over een loket voor vragen of meldingen aangaande ontstane problemen in de toegang van gebruikers tot elektronische dienstverlening.

Artikel 23. Meldingsplicht

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Een houder van een erkenning meldt ontwikkelingen die van belang zijn voor de erkenning onverwijld aan Onze Minister, waaronder in ieder geval worden begrepen:

    • a. wijzigingen die worden aangebracht in de werking van het identificatiemiddel waarop de erkenning betrekking heeft, of de bijbehorende processen ten opzichte van de omschrijving daarvan in de aanvraag voor die erkenning, voor zover de houder voor die wijzigingen geen andere erkenning of wijziging van de erkenning aanvraagt;

    • b. wijzigingen in de organisatie of de zeggenschap, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, ten opzichte van de omschrijving daarvan in de aanvraag voor die erkenning;

    • c. elke inbreuk op de veilige en betrouwbare toegang tot elektronische dienstverlening als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, waarvan de duur en de gevolgen van zodanige aard zijn dat de veilige en betrouwbare toegang op significante wijze in het geding is of dreigt te komen of de continuïteit van de betrouwbare toegang anderszins op significante wijze verstoord wordt of dreigt te worden.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de verplichting, bedoeld in het eerste lid, de inhoud van een melding, de termijn waarbinnen en de wijze waarop deze wordt gedaan en kunnen regels worden gesteld over de beoordeling of sprake is van een wijziging of inbreuk als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 24. Omgaan met persoonsgegevens en transparantie over verdienmodel

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Een houder van een erkenning draagt er zorg voor dat binnen zijn organisatie alle persoonsgegevens die in het kader van de diensten waarvoor hij is erkend worden verwerkt:

    • a. vertrouwelijk worden behandeld;

    • b. niet worden gebruikt voor een voor ander doel dan voor het uitgeven van een identificatiemiddel of authenticatie van de identiteit van gebruikers.

  • 2 Een houder van een erkenning maakt openbaar op welke wijze met de erkenning en de persoonsgegevens die voor de uitvoering van die erkenning worden verwerkt inkomsten worden verkregen.

Artikel 25. Nadere eisen bij ministeriële regeling

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan een houder van een erkenning met betrekking tot:

    • a. de mogelijkheden voor gebruikers om contact op te nemen met de houder van de erkenning voor vragen of meldingen over de toegang tot elektronische dienstverlening of een website met informatie over die toegang;

    • b. de vertrouwelijke behandeling van gegevens;

    • c. het bewaren van gegevens met het oog op herstelvermogen voor onder meer het beslechten van geschillen, het inzien door een gebruiker van zijn gegevens en het verstrekken van dergelijke gegevens aan Onze Minister;

    • d. een periodieke controle van juistheid van gebruikte gegevens;

    • e. de wijze waarop gebruikers door de houder van een erkenning worden geïnformeerd over het feit dat het identificatiemiddel waarop de erkenning ziet tijdelijk of permanent niet bruikbaar zal zijn of de wijze waarop gegevens die zijn verwerkt in het kader van de erkenning voorafgaand aan intrekking van een erkenning worden overgedragen aan andere partijen;

    • f. de bereikbaarheid van de houder van de erkenning in het kader van het tegengaan of het oplossen van incidenten die de beschikbaarheid of betrouwbaarheid raken;

    • g. de tijdsduur die het oplossen van incidenten ten hoogste vergt;

    • h. de onderwerpen, bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid;

    • i. de wijze waarop wordt voldaan aan artikel 18;

    • j. de toepassing van de gronden, bedoeld in artikel 9, zesde lid, onderdeel b tot en met e, van de wet.

  • 2 Bij toepassing van het eerste lid kan onderscheid worden gemaakt tussen verschillende betrouwbaarheidsniveaus.

Paragraaf 2.4. Wijziging of intrekking van een erkenning

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Artikel 26. Wijziging van een erkenning

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag tot wijziging van een erkenning.

  • 2 Een aanvraag tot wijziging van een erkenning wordt afgewezen indien:

    • a. met de aangevraagde wijziging niet wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in paragraaf 2.1;

    • b. de wijziging ziet op de houder van de erkenning en de beoogde houder niet een rechtspersoon of onderneming is als bedoeld in artikel 9.

    • c. de aanvrager niet de medewerking, bedoeld artikel 11, verleent.

Artikel 27. Intrekking erkenning op aanvraag

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 Een erkenning wordt op aanvraag van de houder van de erkenning ingetrokken indien de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat:

    • a. de gegevens die in het kader van de erkenning zijn verwerkt na intrekking van de erkenning op deugdelijke wijze worden vernietigd, bewaard of ter bewaring worden overgedragen aan een partij die daarmee op veilige en betrouwbare wijze zal omgaan;

    • b. de houder gebruikers tijdig en deugdelijk informeert over het moment waarop het identificatiemiddel niet meer beschikbaar zal zijn en de wijze waarop wordt omgegaan met gegevens die in dat verband zijn verkregen.

  • 2 Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid bevat in ieder geval:

    • a. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen bedoeld in het eerste lid;

    • b. een aanduiding van het moment waarop de aanvrager het aanbieden van het identificatiemiddel wil staken.

  • 3 Indien is voldaan aan de eisen in het eerste lid, besluit Onze Minister tot intrekking van de desbetreffende erkenning onder de opschortende voorwaarde dat de houder van de erkenning:

    • a. handelt overeenkomstig de beschrijving, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a;

    • b. gebruikers gedurende zes maanden na het van kracht worden van het intrekkingsbesluit in de gelegenheid stelt om gegevens die over die gebruiker zijn verkregen over te laten dragen aan een andere door de gebruiker gekozen partij.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

    • a. de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b;

    • b. de inhoud en de vorm van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 28. Ambtshalve intrekking of schorsing erkenning

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Onze Minister kan een erkenning intrekken of schorsen indien de houder van de erkenning niet aannemelijk heeft gemaakt dat wordt voldaan aan de verplichtingen die aan de erkenning zijn verbonden.

Artikel 29. Advies Landelijk Bureau BIBOB

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Alvorens te beslissen over het wijzigen, schorsen of intrekken van een erkenning vanwege zwaarwegende redenen als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de wet, kan aan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Hoofdstuk 3. Publiek identificatiemiddel voor natuurlijke personen

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Paragraaf 3.1. Eisen voor aanwijzing van een publiek identificatiemiddel

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Artikel 30. Eisen publiek identificatiemiddel

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

  • 1 De eisen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, voor het aanwijzen van een publiek identificatiemiddel zijn de eisen die zijn opgenomen bij en krachtens paragraaf 2.1 voor het betrouwbaarheidsniveau van het desbetreffende identificatiemiddel, tenzij bij ministeriële regeling is bepaald dat een eis niet van toepassing is.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen per betrouwbaarheidsniveau nadere eisen voor aanwijzing worden gesteld aan een publiek identificatiemiddel over de onderwerpen, bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid en eisen voor een aangewezen publiek identificatiemiddel over de onderwerpen, bedoeld in artikel 25, eerste lid.

Paragraaf 3.2. Procedurele voorschriften aanwijzing

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Artikel 31. Aanwijzing ambtshalve

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Een aanwijzing als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet geschiedt ambtshalve.

Artikel 32. Mededeling aanwijzing

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Van een aanwijzing of wijziging, schorsing of intrekking daarvan wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 33. Geldigheidsduur aanwijzing

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Een aanwijzing geldt voor onbepaalde tijd.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Artikel 34. Inwerkingtreding

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 35. Citeertitel

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit identificatiemiddelen voor natuurlijke personen Wdo.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 7 maart 2024

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A.C. van Huffelen

Uitgegeven de eerste mei 2024

De Minister van Justitie en Veiligheid,

D. Yeşilgöz-Zegerius