Subsidieregeling JTF 2021–2027

Geraadpleegd op 23-03-2023.
Geldend van 07-01-2023 t/m 23-02-2023

Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 2022, nr. 2022-0000261694, houdende regels met betrekking tot de besteding van gelden uit het Fonds voor een rechtvaardige transitie, opgericht bij Verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad (Subsidieregeling JTF 2021–2027)

De Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op verordening (EU) nr. 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231), verordening (EU) nr. 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (PbEU 2021, L 231);

Gelet op de artikelen 4:89, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, 2 en 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies en 3, eerste, derde en vierde lid, 5 en 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluiten:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • Algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);

  • Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling beschikking, besluit of verordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie, gelet op de artikelen 42, 106, derde lid, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft vastgesteld;

  • financieringsinstrument: financieringsinstrument als bedoeld in artikel 58, eerste en tweede lid, van de GB-verordening;

  • deelnemer: persoon die een activiteit volgt of deelneemt aan een project;

  • fonds: Fonds voor een rechtvaardige transitie als bedoeld in de JTF-verordening;

  • GB-verordening: verordening (EU) nr. 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231);

  • groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

    • a. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect:

      • 1°. meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan;

      • 2°. volledig aansprakelijk vennoot is van; of

      • 3°. overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen; en

    • b. de in subonderdeel 3° bedoelde rechtspersonen of vennootschappen;

  • grote onderneming: onderneming die niet voldoet aan bijlage I van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • intermediaire instantie: instantie als bedoeld in artikel 71, derde lid, van de GB-verordening;

  • JTF-regio: regio waarvoor een territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie als bedoeld in artikel 11 van de JTF-verordening is opgesteld, dat onderdeel is van het Programma JTF 2021–2027;

  • JTF-verordening: verordening (EU) 2021/1056 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Fonds voor een rechtvaardige transitie (PbEU 2021, L 231);

  • kennisinstelling:

    • a. de instelling voor hoger onderwijs, genoemd in de onderdelen a, b, g of h van de bijlage, behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van de bijlage behorende bij die wet;

    • b. andere dan in onderdeel a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;

    • c. geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:

      • 1°. openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis, gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel a;

      • 2°. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    • d. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld in onderdelen a tot en met c;

  • loonverletkosten: de loonkosten van deelnemers voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan opleidingen in het kader van projectactiviteiten, voor zover die hebben geleid tot een vermindering van de werkbare uren voor de werkgever;

  • Minister van EZK: Minister van Economische Zaken en Klimaat;

  • Minister van SZW: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  • Ministers: Minister van EZK en Minister van SZW gezamenlijk;

  • onderneming: elke eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

  • mkb: kleine en middelgrote ondernemingen zoals gedefinieerd in de Aanbeveling van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van mikro, kleine en middelgrote ondernemingen (2003/361/EG; PbEU 2003, L 124);

  • NUTS-3 gebied: een in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PbEU 2003, L 154) aangewezen NUTS-3 gebied;

  • penvoerder: door een samenwerkingsverband aangewezen penvoerende persoon of penvoerende organisatie, die als partij deelneemt aan het samenwerkingsverband;

  • project: een samenhangend geheel van activiteiten als bedoeld in artikel 1.4, eerste lid;

  • Programma JTF 2021–2027: programma voor de uitvoering van de JTF-Verordening in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027 als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de JTF-verordening, en artikel 21, eerste lid, van de GB-verordening, waarbinnen het programma en de territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie, bedoeld in artikel 11 van de JTF-verordening tot stand worden gebracht;

  • samenwerkingsverband: overeengekomen samenwerking die geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaand uit ten minste twee niet in een groep verbonden partijen, die is opgericht ten behoeve van de uitvoering van projectactiviteiten, niet zijnde een vennootschap.

Artikel 1.2. Doel en reikwijdte

  • 1 Het doel van deze regeling is het bijdragen aan het behalen van de doelstelling van het fonds, bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 van de JTF-verordening door middel van het verstrekken van subsidie.

  • 2 Deze regeling is van toepassing op het verstrekken van subsidie ter uitvoering van de JTF-verordening voor activiteiten die voortkomen uit het Programma JTF 2021–2027.

Artikel 1.3. Delegatie EZK naar SZW

De Minister van EZK delegeert zijn bevoegdheid tot uitvoering van deze regeling, met uitzondering van hoofdstuk 9, aan de Minister van SZW.

Artikel 1.4. Subsidieverstrekking

  • 1 De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie voor activiteiten ter uitvoering van het Programma JTF 2021–2027.

  • 2 Indien een subsidieverstrekking staatssteun kan opleveren en deze kan worden gerechtvaardigd door de artikelen 14, 15, 17, 18, 22, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 45, 46, 47, 48, 49 52, 53, 56, 56ter en 56quater van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, legt de Minister van SZW deze rechtvaardiging en de gronden waarop deze rechtvaardiging berust neer in een document dat hij in zijn administratie bewaart en dat beschikbaar en raadpleegbaar is.

  • 3 De subsidieaanvrager dient een subsidieaanvraag in door middel van een door de Minister van SZW vastgesteld elektronisch formulier, dat beschikbaar is op een in elk van de hoofdstukken 2 tot en met 8 vermelde website.

  • 4 Subsidie als bedoeld in het eerste lid kan worden verstrekt in de vorm van een bijdrage aan een financieringsinstrument.

  • 5 Indien aanvragers van subsidie samenwerken in een samenwerkingsverband, dient de penvoerder namens hen de subsidieaanvraag in.

  • 6 Indien de Europese Commissie op het tijdstip van subsidieverlening nog niet heeft ingestemd met het Programma JTF 2021–2027, wordt de subsidie, bedoeld in het eerste lid, verleend onder de voorwaarde dat de Europese Commissie instemt met dat programma.

  • 7 Indien de Europese Commissie niet instemt met het programma zoals voorgelegd, kan de Minister van SZW de subsidieverlening aanpassen aan het gewijzigde Programma JTF 2021–2027, dat door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 23, vierde lid, van de GB-verordening is goedgekeurd.

Artikel 1.5. Subsidieaanvrager

Subsidieaanvrager als bedoeld in deze regeling is degene die als zodanig is aangewezen in de hoofdstukken 2 tot en met 8.

Artikel 1.6. Aanwijzing programma-autoriteiten

  • 1 Als beheerautoriteit als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de GB-verordening wordt aangewezen de Minister van SZW.

  • 2 Als auditautoriteit als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de GB-verordening wordt aangewezen de Auditdienst Rijk van het Ministerie van Financiën.

Artikel 1.7. Gebiedsbepaling

  • 1 De uitvoering van het Programma JTF 2021–2027 vindt plaats ten behoeve van zes JTF-regio’s en past in het territoriale plan voor een rechtvaardige transitie, bedoeld in artikel 11 van de JTF-verordening, voor de desbetreffende regio.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde JTF-regio’s zijn:

    • a. Groningen-Emmen, bestaande uit:

      • 1°. het NUTS-3 gebied Delfzijl en omgeving;

      • 2°. het NUTS-3 gebied Oost-Groningen;

      • 3°. het NUTS-3 gebied Overig Groningen; en

      • 4°. de gemeente Emmen;

    • b. IJmond, bestaande uit het NUTS-3 gebied IJmond;

    • c. Groot-Rijnmond, bestaande uit het NUTS-3 gebied Groot-Rijnmond;

    • d. West Noord-Brabant, bestaande uit het NUTS-3 gebied West Noord-Brabant;

    • e. Zeeuws-Vlaanderen, bestaande uit:

      • 1°. het NUTS-3 gebied Zeeuws-Vlaanderen;

      • 2°. de gemeente Borsele; en

      • 3°. de gemeente Vlissingen;

    • f. Zuid-Limburg, bestaande uit het NUTS-3 gebied Zuid-Limburg.

Artikel 1.8. Aanwijzing intermediaire instanties

  • 1 Voor de uitvoering van het deel van het Programma JTF 2021–2027 dat de JTF-regio Groningen-Emmen betreft, wordt als intermediaire instantie aangewezen het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland.

  • 2 Voor de uitvoering van het deel van het Programma JTF 2021–2027 dat de JTF-regio’s IJmond en Groot-Rijnmond betreft, wordt als intermediaire instantie aangewezen het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam.

  • 3 Voor de uitvoering van het deel van het Programma JTF 2021–2027 dat de JTF-regio’s West Noord-Brabant, Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg betreft, wordt als intermediaire instantie aangewezen Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant.

Artikel 1.9. Mandaatverlening door de Minister van SZW

  • 1 De Minister van SZW verleent bij besluit aan onder hem ressorterende ambtenaren en aan intermediaire instanties mandaat, volmacht en machtiging om in het kader van de uitvoering van de hoofdstukken 1 tot en met 8 van deze regeling.:

    • a. besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die een privaatrechtelijke rechtshandeling noch een besluit zijn;

    • b. te beslissen op bezwaarschriften; en

    • c. in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie.

  • 2 Een gemandateerde als bedoeld in het eerste lid is in het kader van de uitvoering van deze regeling bevoegd tot het verlenen van ondermandaat aan bij hem werkzame functionarissen.

Artikel 1.10. Openstelling

  • 1 De Minister van SZW kan op grond van deze regeling uitsluitend subsidie verstrekken, indien de mogelijkheid tot het doen van een subsidieaanvraag is opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en een periode voor indiening van de aanvraag.

  • 2 In de hoofdstukken 2 tot en met 8 worden subsidietitels opgenomen voor de individuele JTF-regio’s en voor JTF-regio-overstijgende subsidies, waarin specifieke openstellingen, de aard van de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verleend en eventuele aanvullende voorwaarden worden geregeld.

  • 3 De Ministers kunnen verschillende subsidieplafonds vaststellen voor verschillende activiteiten of categorieën van aanvragers, delen van JTF-regio’s en voor een of meer financieringsinstrumenten.

Artikel 1.11. Subsidiabele kosten

  • 1 Voor zover zij direct verbonden zijn met de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 8 van de JTF-verordening, zijn de volgende kosten subsidiabel:

    • a. loonkosten inclusief overheadkosten;

    • b. loonverletkosten;

    • c. kosten van door een subsidieontvanger verrichte eigen arbeid;

    • d. bijdragen in natura als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de GB-verordening;

    • e. afschrijvingskosten als bedoeld in artikel 67, tweede lid, van de GB-verordening; en

    • f. andere kosten waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overgelegd.

  • 2 De loonverletkosten worden berekend door het aantal aan opleiding te besteden uren te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 23,91.

  • 3 Tenzij anders bepaald in deze regeling, komen vóór indiening van de subsidieaanvraag door de subsidieontvanger gemaakte kosten niet voor subsidie in aanmerking.

  • 4 De subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, worden in aanmerking genomen met inbegrip van de btw, indien de subsidieontvanger de btw niet als belasting als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de omzetbelasting in aftrek kan brengen.

Artikel 1.12. Berekening loonkosten en eigen arbeid

  • 1 De loonkosten, inclusief overhead, worden berekend:

    • a. door het aantal aan het project te besteden uren te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 55;

    • b. als een vast percentage van een maandtarief van € 7.800 per werknemer, bij een voltijd dienstverband van 1.720 uur per jaar, of een evenredig deel daarvan bij een deeltijd dienstverband, overeenkomstig het vooraf vastgestelde vaste percentage van de tijd dat werknemers per maand aan het project hebben gewerkt en zonder verplichting om een afzonderlijk arbeidstijdregistratiesysteem op te zetten; of

    • c. door de kosten, bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, aanhef en onderdelen d, e en f, te vermenigvuldigen met 23 procent, onder de voorwaarden, genoemd in artikel 55, eerste lid, van de GB-verordening.

  • 2 In afwijking van het eerste lid maken kennisinstellingen gebruik van een uurtarief berekend op basis van een door de Minister van EZK goedgekeurde integrale kostensystematiek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies, indien zij daarover beschikken. Het gebruik van de integrale kostensystematiek is niet toegestaan indien binnen een project wordt gekozen voor de berekening van de loonkosten inclusief overhead, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

  • 4 De kosten van de door een subsidieontvanger verrichte eigen arbeid ten behoeve van het project worden berekend door het aantal uren dat de betrokken werknemer, werkzaam bij de subsidieontvanger, ten behoeve van het project heeft gewerkt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 55.

  • 5 De subsidieontvanger stelt een document op met vermelding van de namen van de werknemers, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, en het vaste percentage, bedoeld in dat onderdeel, waaruit akkoord blijkt van de werkgever en de werknemers, en houdt dat document beschikbaar in zijn administratie.

  • 6 Indien een vast uurtarief wordt gehanteerd, kan het totale aantal voor een bepaald jaar te subsidiëren uren:

    • a. indien gebruik wordt gemaakt een vast uurtarief als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, per werknemer niet meer bedragen dan 1.720 uren bij een voltijd dienstverband of een evenredig deel daarvan bij een deeltijd dienstverband;

    • b. indien gebruik wordt gemaakt van een vast uurtarief als bedoeld in het vierde lid voor eigen arbeid, niet meer bedragen dan 1.720 uren.

Artikel 1.13. Berekening loonkosten en eigen arbeid, met inbegrip van de overige subsidiabele kosten

  • 1 In afwijking van artikel 1.12 kunnen de kosten, bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, worden berekend met inbegrip van de kosten, bedoeld in de onderdelen d tot en met f van dat artikellid door:

    • a. het aantal aan het project te besteden uren te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 67; of

    • b. als een vast percentage van een maandtarief van € 9.600 per werknemer bij een voltijd dienstverband van 1.720 uur per jaar, of een evenredig deel daarvan bij een deeltijd dienstverband, overeenkomstig het vaste percentage van de tijd dat de werknemer per maand aan het project heeft gewerkt, zonder de verplichting om een afzonderlijk arbeidstijdregistratiesysteem op te zetten.

  • 2 De subsidieontvanger stelt een document op met vermelding van de namen van de werknemers, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, en het vaste percentage, bedoeld in dat onderdeel, en houdt dat document beschikbaar in zijn administratie.

  • 3 Indien een vast uurtarief, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt gehanteerd, kan het totale aantal voor een bepaald jaar per werknemer gedeclareerde uren niet meer bedragen dan 1.720 uren bij een voltijd dienstverband of een evenredig deel daarvan bij een deeltijd dienstverband.

  • 4 De berekeningsmethoden, bedoeld in het eerste lid, kunnen binnen een project niet worden gehanteerd in combinatie met de berekeningsmethoden, bedoeld in artikel 1.12, eerste lid.

  • 5 Indien een subsidieontvanger de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 1.12, tweede lid, hanteert binnen een project, kunnen de berekeningsmethoden, bedoeld in het eerste lid, gehanteerd worden door, indien van toepassing, de andere subsidieontvangers binnen hetzelfde project.

Artikel 1.14. Facturen voor kosten als bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, aanhef en onderdeel f, met een factuurbedrag van minder dan € 250, exclusief btw

  • 2 Bij subsidiëring van de kosten, bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, aanhef en onderdeel f, waarvoor een factuur wordt ingediend met een factuurbedrag van € 250 of meer, exclusief btw, wordt een opslag van 1 procent op het factuurbedrag toegepast, ter dekking van de kosten waarvoor op grond van het eerste lid geen facturen kunnen worden ingediend.

Artikel 1.15. Niet-subsidiabele kosten

  • 1 Voor subsidie komen niet in aanmerkingen de kosten van activiteiten als bedoeld in artikel 9 van de JTF-verordening.

  • 2 Onverminderd de artikelen 64, eerste lid, en 66 van de GB-verordening, komen de volgende kosten in ieder geval niet in aanmerking als subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 1.11, eerste lid:

    • a. administratieve en financiële sancties en boetes;

    • b. winstopslagen binnen een groep of samenwerkingsverband;

    • c. fooien en geschenken;

    • d. representatiekosten en -vergoedingen;

    • e. kosten van personeelsactiviteiten;

    • f. kosten van overboekingen en annuleringen;

    • g. gratificaties en bonussen; en

    • h. kosten van outplacementtrajecten.

Artikel 1.16. Cumulatie

Onverminderd artikel 63, negende lid, van de GB-verordening, wordt, indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat volgens het toepasselijke Europese steunkader is toegestaan.

Artikel 1.17. Subsidieplafond en verdeling van subsidiebudgetten

  • 1 Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het programma JTF 2021–2027 € 599.137.806.

  • 2 Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt:

    • a. voor de JTF-regio Groningen-Emmen € 317.615.226;

    • b. voor de JTF-regio IJmond € 56.304.516;

    • c. voor de JTF-regio Groot-Rijnmond € 56.304.516;

    • d. voor de JTF-regio West Noord-Brabant € 56.304.516;

    • e. voor de JTF-regio Zeeuws-Vlaanderen € 56.304.516; en

    • f. voor de JTF-regio Zuid-Limburg € 56.304.516.

  • 3 De Minister van SZW verdeelt een subsidieplafond als bedoeld in artikel 1.10:

    • a. op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18; of

    • b. op volgorde van rangschikking naar geschiktheid, overeenkomstig artikel 1.19.

Artikel 1.18. Volgorde van ontvangst

  • 1 Indien in deze regeling is bepaald dat verdeling van het subsidieplafond plaatsvindt op volgorde van ontvangst als bedoeld in artikel 1.17, derde lid, onderdeel a, komt de eerst ontvangen aanvraag het eerst voor beoordeling van de subsidieaanvraag in aanmerking.

  • 2 Indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt met betrekking tot de verdeling de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften als datum van ontvangst.

  • 3 Indien de Minister van SZW op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één aanvraag ontvangt, stelt hij de onderlinge volgorde van die aanvragen vast door middel van loting.

Artikel 1.19. Rangschikking naar geschiktheid

  • 1 Indien in deze regeling is bepaald dat verdeling van het subsidieplafond plaatsvindt op volgorde van rangschikking naar geschiktheid als bedoeld in artikel 1.17, derde lid, onderdeel b, komt de hoogst gerangschikte aanvraag het eerst voor beoordeling van de subsidieaanvraag in aanmerking.

  • 2 De Minister van SZW rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

  • 3 Voor zover het subsidieplafond dreigt te worden overschreden, stelt de Minister van SZW de onderlinge rangschikking van de aanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt vast door middel van loting.

Artikel 1.20. Beoordelingscriteria

  • 1 De Minister van SZW kent aan een project een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027;

    • b. het project meer sociaaleconomisch integraal is;

    • c. het technische en sociale innovatiegehalte van het project hoger is;

    • d. het economisch of financieel toekomstperspectief hoger is;

    • e. de kwaliteit van het projectplan beter is; of

    • f. het project meer bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact.

  • 2 In een subsidietitel als bedoeld in artikel 1.10, tweede lid, wordt bepaald welke van de criteria, genoemd in het eerste lid, worden gehanteerd bij de toekenning van punten.

  • 3 In de desbetreffende subsidietitel wordt bepaald hoeveel punten per onderdeel van het eerste lid de Minister van SZW kan toekennen.

Artikel 1.21. Deskundigencommissies

  • 1 De Minister van SZW stelt een deskundigencommissie in voor de:

    • a. JTF-regio Groningen-Emmen;

    • b. JTF-regio IJmond;

    • c. JTF-regio Groot-Rijnmond;

    • d. JTF-regio’s West-Noord-Brabant, Zeeuws-Vlaanderen en Zuid Limburg.

  • 2 Een deskundigencommissie heeft tot taak de Minister van SZW op zijn verzoek te adviseren omtrent de inhoudelijke beoordeling van aanvragen om subsidie.

  • 3 De adviezen van een deskundigencommissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.

  • 4 Een deskundigencommissie bestaat uit een voorzitter en ten minste drie leden die op voordracht van de intermediaire instantie worden benoemd en van wie de vergoeding wordt vastgesteld op grond van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies.

  • 5 In het benoemingsbesluit van de deskundigencommissie worden in elk geval de zittingsduur en de vergoedingen van de voorzitter en de leden vastgesteld.

  • 6 Een deskundigencommissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast.

  • 7 Een lid van een deskundigencommissie neemt geen deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien dat lid een persoonlijk of zakelijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag, of een persoonlijk of zakelijk belang heeft bij de beschikking op een andere aanvraag in dezelfde onderlinge rangschikking.

  • 8 Een lid van een deskundigencommissie kan op verzoek van de voorzitter van een andere deskundigencommissie, na overeenstemming tussen de voorzitters van de beide commissies en het betrokken lid, bij laatstgenoemde commissie worden ingeschakeld ten behoeve van een of meer adviseringstaken.

  • 9 Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van een deskundigencommissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van SZW. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van een deskundigencommissie bewaard in het archief van de betrokken Intermediaire Instantie.

  • 10 Een deskundigencommissie verstrekt desgevraagd aan de Minister van SZW de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De Minister van SZW kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 1.22. Subsidieaanvraag

  • 1 Een aanvraag voor subsidie op grond van deze regeling bevat ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam, het post- en bezoekadres, het e-mailadres, het telefoonnummer, het rekeningnummer, en voor zover van toepassing het burgerservicenummer of het nummer waaronder de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager;

    • b. een projectplan; en

    • c. voor zover van toepassing, een overzicht van de aan het samenwerkingsverband deelnemende partijen en de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de partijen, alsmede een bewijsstuk waaruit blijkt dat de penvoerder bevoegd is om namens de partijen in het samenwerkingsverband te handelen en subsidie te ontvangen.

  • 2 Het projectplan bevat in ieder geval:

    • a. een begroting;

    • b. een sluitend financieringsplan;

    • c. een beschrijving van de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten;

    • d. een beschrijving van de doelstelling, resultaten en producten die de subsidieaanvrager met de activiteiten nastreeft;

    • e. een beschrijving van de wijze waarop de activiteiten zullen worden uitgevoerd, verantwoord en geadministreerd;

    • f. de duur van de projectperiode;

    • g. een beschrijving van de benodigde en beschikbare operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten;

    • h. indien van toepassing, een beschrijving van de mijlpalen en tussentijdse momenten waarop besloten wordt over het al dan niet voortzetten van activiteiten van het project, inclusief output- en resultaatindicatoren en de voorziene risico’s; en

    • i. indien het een aanvraag betreft die ziet op een of meer productieve investeringen in een grote onderneming, een analyse waaruit blijkt dat het verwachte banenverlies zonder de investering groter zou zijn dan het verwachte aantal gecreëerde banen.

Artikel 1.23. Beslissing op de aanvraag

  • 1 Indien het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, beslist de Minister van SZW binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2 Indien het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen, beslist de Minister van SZW binnen 26 weken na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend.

  • 3 Indien de subsidie wordt verleend aan partijen in een samenwerkingsverband, verzendt de Minister van SWZ de beschikking tot subsidieverlening aan de penvoerder.

Artikel 1.24. Subsidieverlening en -vaststelling projecten minder dan € 200.000

  • 1 Indien subsidie wordt aangevraagd voor projecten waarvan de totale kostprijs niet meer dan € 200.000 bedraagt, wordt de subsidie verleend met gebruikmaking van eenheidskosten of vaste bedragen als bedoeld in artikel 53, tweede lid, van de GB-verordening en kan de subsidie worden vastgesteld op basis van een ontwerpbegroting als bedoeld in artikel 53, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de GB-verordening.

  • 2 De artikelen 1.12 en 1.13 zijn niet van toepassing, indien de subsidie wordt verleend met gebruikmaking van het eerste lid.

  • 3 De Minister van SZW kan de subsidieaanvrager bij beschikking toestaan de artikelen 1.27 en 1.29 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te laten, indien de subsidie wordt verleend met gebruikmaking van het eerste lid.

Artikel 1.25. Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht beslist de Minister van SZW afwijzend op een aanvraag, indien:

  • a. het project niet voldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen binnen het Programma JTF 2021–2027 of het gedeelte van het Programma JTF 2021–2027 waarvoor het deelplafond beschikbaar is gesteld;

  • b. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag op de uiterste datum van indiening in het geval van verdeling als bedoeld in artikel 1.19;

  • c. de subsidieverlening in strijd is met de GB-verordening of JTF-verordening;

  • d. de subsidieverlening niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels of in strijd is met wettelijke bepalingen rond subsidieverstrekking;

  • e. de Minister van SZW door toewijzing niet zou voldoen aan een van de verplichtingen, gesteld in artikel 73 van de GB-verordening;

  • f. de subsidieverstrekking zou leiden tot een overschrijding van het de-minimisplafond of de aanmeldingsdrempel, bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader;

  • g. de subsidieverstrekking zou leiden tot een overschrijding van de maximale steunintensiteit, die van toepassing is op de specifieke steuncategorie, bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader;

  • h. niet voldaan wordt aan de eisen inzake stimulerend effect, bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader;

  • i. de subsidie bestemd is voor een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader, tenzij het op grond van het toepasselijke Europese steunkader is toegestaan aan een onderneming in moeilijkheden subsidie te verlenen;

  • j. de aanvrager een ondernemer is tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader;

  • k. na toepassing van artikel 1.20 aan een project minder dan 70 punten zijn toegekend; of

  • l. na toepassing van artikel 1.20 voor een of meer van de op basis van artikel 1.20, derde lid, voor die subsidietitel gehanteerde criteria minder dan de helft van de mogelijke punten is toegekend.

Artikel 1.26. Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1 De subsidieontvanger of, indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, de penvoerder doet onverwijld schriftelijk mededeling aan de Minister van SZW van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.

  • 2 De subsidieontvanger voert de activiteiten uit overeenkomstig de subsidieverleningsbeschikking.

  • 3 De subsidieontvanger of, indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, de penvoerder doet onverwijld schriftelijk melding aan de Minister van SZW zodra aannemelijk is dat:

    • a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht;

    • b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan; of

    • c. de subsidiabele kosten wezenlijk afwijken van de begroting.

  • 4 Een wijziging van een project waarvoor subsidie wordt verstrekt, of afwijking van de subsidieverleningsbeschikking behoeft de goedkeuring van de Minister van SZW, indien de wijziging of afwijking betreft:

    • a. de subsidieontvanger;

    • b. de activiteiten;

    • c. de te realiseren doelstellingen;

    • d. de financiering van het project; of

    • e. de planning of looptijd.

  • 5 Indien de subsidieontvanger subsidie aanwendt voor het verlenen van een opdracht waarbij de totale kosten bij één opdrachtnemer hoger zullen zijn dan € 50.000, toont hij de marktconformiteit van de beprijzing van de opdracht aan.

  • 6 De Minister van SZW kan op verzoek van de subsidieontvanger of de penvoerder ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het vijfde lid. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 7 Het vijfde lid is niet van toepassing als de subsidieontvanger die subsidie wil aanwenden voor het verlenen van een opdracht een aanbestedende dienst is als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012.

  • 8 Indien het zevende lid van toepassing is en de subsidieontvanger een opdracht verleent naar aanleiding van een op grond van de Aanbestedingswet 2012 verplichte aanbesteding, stelt de subsidieontvanger of de penvoerder de Minister van SZW op de hoogte van de gevolgde procedure en de gunningsbeslissing, overeenkomstig artikel 2.130 van de Aanbestedingswet 2012.

Artikel 1.27. Administratievoorschriften

  • 1 De subsidieontvanger houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot de uitvoering van het project en de in verband daarmee gemaakte kosten en gerealiseerde opbrengsten. Deze administratie bestaat uit een projectadministratie en een financiële administratie waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit zijn te verifiëren met bewijsstukken.

  • 2 De volledige administratie is per project voor controle beschikbaar op een voor de Minister van SZW vrij toegankelijke locatie.

  • 3 De projectadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers dan wel in termen van geleverde producten of diensten.

  • 4 De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten, de gerealiseerde opbrengsten en de wijze waarop deze kosten en opbrengsten aan het project worden toegerekend.

  • 5 De administratie bevat bij activiteiten als bedoeld in artikel 8, onderdelen k, l, m en o, van de JTF-verordening tevens een deelnemersadministratie. De deelnemersadministratie bevat onder andere het burgerservicenummer van de deelnemers aan het project, geeft inzicht in de subsidiabiliteit van de activiteiten van de individuele deelnemer zelf en van de per individuele deelnemer behaalde resultaten. De deelnemersadministratie is beschikbaar, raadpleegbaar en verwerkbaar.

  • 6 De subsidieontvanger verstrekt desgevraagd aan door de Minister van SZW dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen instanties inzage in of informatie uit de administratie. Tevens verstrekt hij de voornoemde instanties desgevraagd informatie over de projecten, welke informatie voor monitoring en evaluatiedoeleinden gebruikt kan worden.

Artikel 1.28. Beschikbaarheid van bescheiden

  • 1 Onverminderd de voorschriften voor staatssteun bewaart de subsidieontvanger alle administratieve bescheiden die betrekking hebben op het gesubsidieerde project tot ten minste 31 december 2035 dan wel tot een nader door de Minister van SZW aan de subsidieontvanger schriftelijk bekend te maken termijn. Indien de Europese Commissie, vanwege een gerechtelijke vervolging of een met redenen omkleed verzoek de bewaartermijn schorst, maakt de Minister van SZW de gevolgen voor de bewaartermijn, bedoeld in dit lid, in de Staatscourant bekend.

  • 2 Van alle administratieve bescheiden wordt het origineel bewaard. Onverminderd artikel 82 van de GB-verordening kan hiervan worden afgeweken, indien het origineel wordt overgezet en bewaard op een andere gegevensdrager. Het overbrengen op een andere gegevensdrager geschiedt met juiste en volledige weergave van de gegevens en deze is de volledige bewaartermijn beschikbaar en kan binnen een redelijke tijd leesbaar worden gemaakt.

  • 3 De administratie is zodanig ingericht en wordt zodanig gevoerd en bewaard, dat controle daarvan binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de subsidieontvanger de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie.

  • 4 De computersystemen die gebruikt worden voor documenten waarvan uitsluitend een elektronische versie bestaat, voldoen aan aanvaarde beveiligingsstandaarden die waarborgen dat de bewaarde documenten aan de nationale wettelijke eisen voldoen en dat er voor controledoeleinden op kan worden vertrouwd.

  • 5 Alle administratieve bescheiden zijn beschikbaar voor de subsidieontvanger. De subsidieontvanger is en blijft verantwoordelijk voor een correcte opslag van alle administratieve bescheiden, ook als hij een derde met de opslag belast.

Artikel 1.29. Rapportageverplichtingen

  • 1 Indien de periode van uitvoering van een project dat voor subsidie in aanmerking komt meer dan twaalf maanden in beslag neemt, wordt bij de beschikking tot subsidieverlening de verplichting opgelegd tot indiening van één of meer rapportages waarin de voortgang van het project wordt beschreven, waarbij rekening wordt gehouden met de mijlpalen van het project.

  • 2 Bij activiteiten als bedoeld in artikel 8, onderdelen k, l, m en o, van de JTF-verordening, verstrekt de subsidieontvanger, onder gebruikmaking van het daartoe door de Minister van SZW elektronisch beschikbaar gestelde formulier en een door de Minister van SZW erkende elektronische handtekening, bij indiening van een rapportage als bedoeld in het eerste lid, aan de Minister van SZW het burgerservicenummer van de deelnemers aan zijn project.

  • 3 Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, dienen zij hun rapportages in via een penvoerder.

Artikel 1.30. Voorschotten vooruitlopend op te maken kosten

  • 1 Indien in deze regeling bepaald, kan de Minister van SZW op aanvraag voorschotten vooruitlopend op te maken kosten verlenen.

  • 2 De subsidieaanvrager dient een aanvraag voor een voorschot in door middel van een door de Minister van SZW beschikbaar gesteld elektronisch formulier, dat beschikbaar is op een in elk van de hoofdstukken 2 tot en met 8 vermelde website.

  • 3 Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, dient de penvoerder namens hen de aanvraag tot het verlenen van een voorschot in.

  • 4 Een voorschot vooruitlopend op te maken kosten kan maximaal 20 procent van de oorspronkelijk verleende subsidie bedragen.

  • 5 De Minister van SZW beslist binnen 26 weken op een verzoek om een voorschot vooruitlopend op te maken kosten.

  • 6 Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, verzendt de Minister van SZW de beschikking tot voorschotverlening aan de penvoerder.

Artikel 1.31. Bevoorschotting op basis van gerealiseerde projectactiviteiten

  • 1 Indien in deze regeling bepaald, kan de Minister van SZW op aanvraag voorschotten op basis van gemaakte kosten verlenen, tenzij er sprake is van subsidieverlening op basis van een vast bedrag.

  • 2 De subsidieaanvrager dient een aanvraag voor een voorschot in door middel van een door de Minister van SZW beschikbaar gesteld elektronisch formulier, dat beschikbaar is op een in elk van de hoofdstukken 2 tot en met 8 vermelde website.

  • 3 Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, dient de penvoerder namens hen de aanvraag voor een voorschot in.

  • 4 Het voorschot wordt verleend op basis van gerealiseerde kosten en betalingen.

  • 5 Een aanvraag om een voorschot bevat een verslag omtrent de voortgang als bedoeld in artikel 1.29, eerste lid, en bevat voor zover van toepassing:

    • a. bonnen en betaalbewijzen;

    • b. bewijsstukken inzake de gemaakte personeelskosten;

    • c. bewijsstukken inzake de gemaakte loonverletkosten;

    • d. bewijsstukken inzake geleverde inbreng in natura;

    • e. bewijsstukken inzake afschrijvingskosten;

    • f. bewijsstukken ten aanzien van de realisatie van de activiteit.

  • 6 Tenzij in deze regeling of de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald heeft de aanvraag om een voorschot betrekking op maximaal 100 procent van de verleende subsidie.

  • 7 De Minister van SZW betaalt binnen tachtig dagen na ontvangst van de aanvraag van een voorschot op de subsidie, de op dat moment bekende verschuldigde subsidie.

  • 8 De betaling van het bedrag, bedoeld in het zevende lid, kan worden opgeschort, indien:

    • a. de Minister van SZW een verzoek tot aanvulling van ontbrekende gegevens heeft gedaan;

    • b. een onregelmatigheid in de aanvraag van een voorschot is geconstateerd; of

    • c. de door de Europese Commissie tussentijds uitgekeerde bedragen niet toereikend zijn.

  • 9 Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, verzendt de Minister van SZW de beschikking tot voorschotverlening aan de penvoerder.

Artikel 1.32. Aanvraag subsidievaststelling

  • 1 De subsidieontvanger dient een aanvraag tot subsidievaststelling uiterlijk binnen dertien weken na afloop van de projectperiode in. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie wordt een verantwoording en een einddeclaratie gevoegd.

  • 2 Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, dient de penvoerder namens hen de aanvraag tot subsidievaststelling in.

  • 3 De subsidieaanvrager dient een subsidieaanvraag in door middel van een door de Minister van SZW beschikbaar gesteld elektronisch formulier, dat beschikbaar is op een in de hoofdstukken 2 tot en met 8 vermelde website.

  • 4 Bij een aanvraag tot subsidievaststelling wordt in voorkomend geval mededeling gedaan van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft is gefinancierd.

  • 5 De aanvraag tot subsidievaststelling bevat in ieder geval:

    • a. gegevens over de subsidieontvanger, waaronder naam, adres en het door de minister toegekende referentienummer; en

    • b. gegevens over de hoogte van de gemaakte en betaalde subsidiabele kosten.

  • 6 Een aanvraag tot vaststelling van een subsidie voor de uitvoering van een project gaat vergezeld van:

    • a. een inhoudelijk eindverslag;

    • b. bewijsstukken ter onderbouwing van de gerapporteerde waarde of waarden voor de output- en resultaatindicatoren;

    • c. een financieel verslag; en

    • d. het burgerservicenummer van de deelnemers aan het project, bij activiteiten als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdelen k, l, m en o, van de JTF-verordening.

  • 7 Het inhoudelijk eindverslag, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, bevat ten minste:

    • a. een beschrijving van de activiteiten die in het kader van het project zijn verricht; en

    • b. een evaluatie van de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het projectplan dat onderdeel vormt van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 8 Indien een aanvraag tot vaststelling van een subsidie vergezeld gaat van een aanvraag van een voorschot als bedoeld in artikel 1.31, zijn het zevende en achtste lid van dat artikel onverminderd van toepassing.

Artikel 1.33. Beslissing op aanvraag subsidievaststelling

  • 1 De Minister van SZW geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen van de vaststellingsaanvraag geldende termijn is verstreken.

  • 2 Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, verzendt de Minister van SZW de beschikking tot subsidievaststelling aan de penvoerder.

Artikel 1.34. Betaling samenwerkingsverbanden

Betalingen van subsidie en voorschotten daarop aan de penvoerder gelden als bevrijdende betalingen aan de partijen in het samenwerkingsverband.

Artikel 1.35. Wettelijke rente bij terugvordering

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 7 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies, artikel 7 van de Kaderwet SZW-subsidies, of in geval van terugvordering op grond van de GB-verordening of de JTF-verordening, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt berekend over de periode vanaf de datum van het verstrijken van de termijn waarbinnen terugbetaling door de subsidieontvanger moet plaatsvinden en de datum van terugbetaling door de subsidieontvanger.

Artikel 1.36. Instandhouding activiteit

  • 1 Indien subsidie wordt verstrekt voor een activiteit als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de GB-verordening, wordt de beschikking tot subsidievaststelling onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger gewijzigd indien binnen vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de laatste betaling door de bevoegde autoriteit aan de begunstigde van het vastgestelde subsidiebedrag of een deel daarvan, of in voorkomend geval binnen een in de voorschriften betreffende staatssteun gestelde termijn, een van de volgende gebeurtenissen op de activiteit van toepassing is:

    • a. beëindiging of verplaatsing van een productiecapaciteit als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel a, van de GB-verordening;

    • b. eigendomsoverdracht van een infrastructuurvoorziening waardoor een onderneming of een overheidsinstantie een onrechtmatig voordeel behaalt als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel b, van de GB-verordening; of

    • c. een substantiële verandering in de aard, de doelstellingen of de uitvoeringsvoorwaarden van de activiteit waardoor de oorspronkelijke doelstellingen dreigen te worden ondermijnd als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel c, van de GB-verordening.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in artikel 65, tweede lid, van de GB-verordening die is onderworpen aan een verplichting tot behoud van de investering krachtens de op die investering van toepassing zijnde voorschriften betreffende staatssteun.

  • 3 De in het eerste lid vastgestelde termijn van vijf jaar wordt in geval van het behoud van investeringen of van door het mkb gecreëerde werkgelegenheid, verkort tot drie jaar.

Artikel 1.37. Publiciteit

  • 1 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat bij alle op het publiek gerichte voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen duidelijk wordt gemaakt dat voor het project steun is verleend vanuit de Europese Unie, overeenkomstig de vereisten uit de GB-verordening.

  • 2 De projectresultaten worden om niet beschikbaar gesteld aan de Ministers of door een van hen aangewezen derden, en de subsidieontvanger verleent medewerking aan door de Ministers georganiseerde publicitaire en voorlichtingsactiviteiten gericht op de media, potentiële deelnemers van projecten en het grote publiek.

Artikel 1.38. Evaluatie

De subsidieontvanger verleent aan door de Minister van SZW dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen instanties medewerking aan het uitvoeren van onderzoek en evaluaties en het opstellen van evaluatierapporten met betrekking tot deze regeling, en draagt, indien het gesubsidieerde project niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, er zorg voor dat de feitelijke uitvoerder van het project deze medewerking verleent.

Artikel 1.39. Intrekking en terugvordering

  • 1 Onverminderd afdeling 4.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht kan een beschikking tot subsidieverlening door de Minister van SZW geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, en kunnen op basis daarvan uitbetaalde bedragen worden teruggevorderd:

    • a. indien het project wordt uitgevoerd in afwijking van de projectbeschrijving, waarop de subsidieverlening was gebaseerd;

    • b. indien de doelstellingen van het project niet of slechts ten dele worden gerealiseerd;

    • c. indien de subsidieontvanger niet of niet meer beschikt over de benodigde operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten;

    • d. op een daartoe strekkend verzoek van de subsidieontvanger;

    • e. indien anderszins in strijd wordt gehandeld met de GB-Verordening.

  • 2 Gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening op grond van het eerste lid, onderdeel a, vindt niet plaats, indien de afwijking van het bij de subsidieaanvraag gevoegde projectbeschrijving vooraf aan de Minister van SZW is voorgelegd en de Minister van SZW daarmee schriftelijk heeft ingestemd.

  • 3 De Minister van SZW kan het terug te vorderen bedrag verrekenen met een aan die subsidieontvanger in het kader van deze regeling verleende en nog te betalen subsidie.

Hoofdstuk 2. Subsidies JTF-regio Groningen-Emmen

Titel 2.1. Subsidietitel voor steun aan investeringen en bijbehorende opleidingen

Artikel 2.1.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • business case: uitwerking van een investeringsplan;

  • capaciteit: door de duurzame bedrijfsuitrusting bepaalde, technisch maximale vermogen tot produceren per tijdseenheid;

  • committed termsheet: juridisch bindend document tussen onderneming en investeerder(s) met de voorwaarden van de investering;

  • diversificatieproject: een project dat de diversificatie inhoudt van de activiteit binnen een vestiging van de onderneming. De nieuwe activiteit mag niet dezelfde (of een vergelijkbare activiteit) zijn als de activiteit die eerder in de vestiging werd uitgeoefend;

  • duurzame bedrijfsuitrusting: een investering die wordt geactiveerd op de balans van de onderneming; Deze investering mag niet binnen twee jaar worden afgeschreven, tenzij de bedrijfsuitrusting willekeurig kan worden afgeschreven op grond van fiscale regelgeving;

  • gewaarmerkte uncommitted termsheet: niet juridisch bindend document tussen onderneming en investeerder(s) met daarin de belangrijkste voorwaarden om tot de investering te komen. De uncommitted termsheet gaat vooraf aan de committed termsheet;

  • groene waterstof: waterstof geproduceerd uit hernieuwbare bronnen zoals duurzame elektriciteit via elektrolyse of uit biogrondstoffen;

  • industriële onderneming: een in het handelregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven entiteit die als economische activiteit goederen vervaardigt uit halffabricaten en grondstoffen met inzet van personeel, duurzame productiemiddelen en hulpstoffen;

  • proces- en maakindustrie: ondernemingen die activiteiten uitoefenen onder de codering van NACE Rev.2, sectie C;

  • regionaal transitieplan: het territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie voor JTF-regio Groningen, opgenomen als bijlage bij het nationaal JTF-programma 2021–2027;

  • regionale innovatiestrategie: de regionale innovatiestrategie voor slimme specialisatie (‘RIS3’) voor Noord-Nederland, zoals vastgesteld door de Colleges van gedeputeerde staten van de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen en te vinden op de website van SNN;

  • sluitende financiering: financiering van een project dat kan bestaan uit eigen middelen van de onderneming, vreemd vermogen en gevraagde subsidie(s). In geval van (co)financiering door derde(n) kan de aanvrager dit laten zien door middel van juridisch bindende documentatie van die derde(n). Het totaal van deze financiering is gelijk aan de projectkosten;

  • SNN: Samenwerkingsverband Noord-Nederland, de intermediaire instantie voor JTF-regio Groningen;

  • stimulerend effect: stimulerend effect als bedoeld in artikel 6 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • transformatieproject: een fundamentele wijziging van het volledige productieproces van een industrieel bedrijf;

  • uitbreidingsproject: een project dat de uitbreiding van de capaciteit inhoudt; het betreft een uitbreiding van een industrieel bedrijf, hoofdkantoor van een bedrijf, of laboratorium van een bedrijf in dezelfde gemeente als waarin al een bedrijf van de ondernemer of een bedrijf van een tot hetzelfde concern behorende ondernemer is gevestigd;

  • vestigingsproject: een project waar geen sprake is van een uitbreidingsproject, maar nieuwe economische activiteiten inhoudt voortkomende uit:

    • 1. het stichten van een industrieel bedrijf;

    • 2. het stichten van een industrieel bedrijf;

    • 3. het nieuw vestigen van een locatie van een in onderdeel 1 of onderdeel 2 genoemd bedrijf;

  • werkingsgebied: de JTF-regio Groningen bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel a; - werkingsgebied voor regionale investeringssteun: het gebied binnen het werkingsgebied dat is opgenomen in de Regionale Steunkaart 2022-2027, zoals door de Europese Commissie goedgekeurd bij Steunmaatregel SA.100273 (2021/N).

  • werkingsgebied voor regionale investeringssteun: het gebied binnen het werkingsgebied dat is opgenomen in de Regionale Steunkaart 2022-2027, zoals door de Europese Commissie goedgekeurd bij Steunmaatregel SA.100273 (2021/N).

Artikel 2.1.2. Doel subsidie

  • 1 Het doel van de subsidie op grond van deze titel is transformatie en diversificatie van de regionale economie en arbeidsmarkt conform het regionaal transitieplan. Deze transformatie wordt gerealiseerd in de vorm van steun aan een investeringsproject in de proces- en maakindustrie en de daarbij behorende scholing van nieuw of bestaand personeel in het werken binnen en met de te realiseren investeringen.

  • 2 Projecten waaraan op basis van deze titel subsidie wordt verleend, passen binnen:

    • a. Spoor 1 en Spoor 2 voor wat betreft de investeringen onder deze openstellingen;

    • b. Spoor 3 voor de opleidingscomponent.

  • 3 Aanvrager draagt met de investeringen in het project bij aan de ontwikkeling van één of meer nieuwe waardeketens of industriële ecosystemen binnen de vier transities die zijn opgenomen in de regionale innovatiestrategie:

    • a. van een lineaire naar een circulaire economie;

    • b. van fossiele naar hernieuwbare energie;

    • c. van zorg naar duurzame gezondheid; of

    • d. van analoog naar digitaal.

  • 4 Een aanvrager draagt met de om- of bijscholing van bestaande of nieuwe werknemers in het project bij aan het versterken van de competenties en vaardigheden van bestaande en nieuwe werknemers, niet zijnde standaardwerkzaamheden. Deze competenties en vaardigheden hangen voor de werkgever samen met de inzetbaarheid van deelnemers in het werken met de investeringen. Deze competenties en vaardigheden zijn voor de deelnemers gericht op hun toekomstbestendige inzetbaarheid op de arbeidsmarkt binnen de vier transities, bedoeld in het derde lid.

Artikel 2.1.3. Doelgroep

De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderneming in de proces- en maakindustrie voor projecten die worden uitgevoerd in het werkingsgebied en die passen binnen de kaders van deze regeling.

Artikel 2.1.4. Subsidiabele activiteiten

  • 1 Subsidie op basis van deze titel kan worden verstrekt voor:

    • a. investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting en daarbij behorende gebouwen; het gaat om een vestigingsproject van een industriële onderneming;

    • b. investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting en daarbij behorende gebouwen; het gaat om een uitbreidingsproject van een industriële MKB-onderneming;

    • c. investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting en daarbij behorende gebouwen; het gaat om een diversificatieproject van een industriële MKB-onderneming;

    • d. investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting en daarbij behorende gebouwen; het gaat om een transformatieproject van een industriële MKB-onderneming;

    • e. bij- of omscholing en training van bestaand en nieuw personeel direct verbonden aan de realisatie, het doen en het gebruiken c.q. bedienen van de investeringen, bedoeld in de onderdelen a, b, c of d.

  • 2 Projecten zijn gericht op toekomstbestendigheid van de economie door diversificatie langs de lijnen van de vier transities of op groen perspectief voor de industrie door transformatie naar groene productieprocessen in de industrie door het vervangen van fossiele grond- en brandstoffen.

Artikel 2.1.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1 Het subsidieplafond bedraagt:

    • a. voor aanvragen voor projecten van grote ondernemingen € 21.000.000;

    • b. voor aanvragen voor projecten van MKB-ondernemingen € 21.000.000.

  • 2 Indien in het subsidieplafond middelen uit Rijkscofinanciering zijn opgenomen, wordt een aanvraag onder deze titel eveneens beschouwd als een aanvraag voor Rijkscofinanciering op grond van Hoofdstuk 9.

  • 3 De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18.

Artikel 2.1.6. Aanvraagperiode

  • 1 Een aanvraag kan worden ingediend in de periode vanaf 23 januari 2022 tot en met 1 september 2025.

  • 2 Een aanvraag kan worden ingediend vanaf 09.00 uur op de in het eerste lid genoemde startdatum en is tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur is ontvangen.

  • 3 Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is via https://www.jtfwebportal.nl/mijn/ of via www.snn.nl/.

Artikel 2.1.7. Hoogte subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt voor een:

    • a. kleine onderneming maximaal 30% van de subsidiabele kosten;

    • b. middelgrote onderneming maximaal 20% van de subsidiabele kosten;

    • c. grote onderneming maximaal 10% van de subsidiabele kosten.

  • 2 De subsidie bedraagt voor opleidingskosten maximaal 50% van de subsidiabele kosten.

  • 3 De subsidie voor investeringskosten in een project bedraagt maximaal € 7.500.000 per project.

  • 4 De subsidie bedraagt niet meer dan de maximale steunruimte op basis van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, te berekenen op basis van de volgende artikelen van de Algemene groepsvrijstellingsverordening:

    • a. artikelen 13 en 14 inzake regionale investeringssteun voor investeringskosten;

    • b. artikel 31 inzake opleidingssteun inzake kosten voor om-of bijscholing.

Artikel 2.1.8. Subsidiabele kosten

  • 1 In afwijking van artikel 1.11 komen uitsluitend de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a. voor kosten van investeringen:

      • andere kosten als bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, onderdeel e, voor gebouwen, nader bepaald als de koopsom en overdrachtskosten of de aan derden verschuldigde verbouwkosten, exclusief de financieringskosten en de overdrachtsbelasting, of ingeval van huurkoop of financial lease de aanschafwaarde;

      • andere kosten als bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, onderdeel e, voor duurzame bedrijfsuitrusting, nader bepaald als de koopsom, of ingeval van huurkoop of financial lease de aanschafwaarde;

    • b. kosten voor investeringen als bedoeld in onderdeel a komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking voor zover:

    • c. voor kosten van bij- en omscholing:

      • 1°. andere kosten voor opleiding en training als bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, onderdeel e;

      • 2°. in geval van opleiding en training voor competenties en vaardigheden niet zijnde standaardwerkzaamheden: loonkosten inclusief overhead als bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, onderdeel a, voor de uren die medewerkers in dienst van de aanvrager deelnemen aan bij- en omscholing.

  • 2 In aanvulling op artikel 1.15 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

    • a. investeringen in bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting die de subsidieontvanger heeft gekregen van een natuurlijk persoon of rechtspersoon die tot hetzelfde concern behoort;

    • b. investeringen in niet permanent op de bedrijfslocatie aanwezige duurzame bedrijfsuitrusting;

    • c. immateriële vaste activa als bedoeld in artikel 365 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

    • d. zelfstandige investeringen in gebouwgebonden duurzame energie-opwekkers;

    • e. kosten van investeringen waarvoor onomkeerbare verplichtingen zijn aangegaan voor ontvangst van de aanvraag;

    • f. kosten van training en opleiding waarvoor verplichtingen zijn aangegaan voor ontvangst van de aanvraag.

Artikel 2.1.9. Starttermijn en looptijd

  • 1 Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen zes maanden na de subsidieverlening.

  • 2 De uitvoering van het project is binnen 36 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking voltooid, inclusief het in gebruik nemen van de gerealiseerde capaciteit.

  • 3 Op verzoek van de subsidieontvanger kan de Minister van SZW de termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid, verlengen.

Artikel 2.1.10. Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 1.25 beslist de Minister van SZW afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. na toepassing van artikel 1.20 aan een project minder dan 70 punten zijn toegekend;

  • b. na toepassing van artikel 1.20 aan een project een beoordeling is toegekend lager dan 80% op onderdeel a van artikel 1.20, eerste lid;

  • c. na toepassing van artikel 1.20 aan een project een beoordeling is toegekend lager dan 50% op onderdelen b, d, en f van artikel 1.20, eerste lid;

  • d. na toepassing van artikel 1.20 aan een project een beoordeling is toegekend lager dan 100% op onderdeel e van artikel 1.20, eerste lid;

  • e. de totale subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan € 2.500.000;

  • f. de financiering van het project niet uiterlijk zes maanden na afgifte van de verleningsbeschikking aantoonbaar is. In het geval van financiering door derde(n) wordt juridisch bindende documentatie aangeleverd;

  • g. de activiteiten gericht zijn op industriële dienstverlening, energieproductie of waterstofproductie ten behoeve van energieopwekking;

  • h. de activiteiten gericht zijn op productie van biobrandstoffen waarvoor een bijmengverplichting reeds langer dan twee jaar van kracht is;

  • i. de activiteiten gericht zijn op hergebruik van producten, afvalstoffen en/of grondstoffen, waarbij er geen sprake is van een hoogwaardige toepassing of wanneer er sprake is van het opwerken van afval uitsluitend ten behoeve van export;

  • j. de onderneming geen financiële bijdrage levert uit eigen middelen van ten minste 25% van de subsidiabele kosten;

  • k. als gevolg van het project het aantal arbeidsplaatsen bij de aanvrager afneemt;

  • l. de financiering van het project, met uitzondering van de gevraagde subsidie, niet aantoonbaar sluitend is;

  • m. de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen, gezien de rentabiliteit en de aard van het bedrijf, naar oordeel van de Minister van SZW niet aanvaardbaar zal zijn nadat na uitvoering van het project de bedrijfsactiviteiten zijn gestart;

  • n. er onvoldoende vertrouwen is in de technische of economische haalbaarheid van het project;

  • o. het project niet voldoet aan het principe van Do no significant harm door ontbreken van overtuigend zicht op het ontvangen van alle noodzakelijke vergunningen;

  • p. de analyse waaruit blijkt dat het verwachte banenverlies zonder de investering groter zou zijn dan het verwachte aantal gecreëerde banen niet goedgekeurd wordt.

Artikel 2.1.11. Beoordelingscriteria

  • 1 Projecten worden beoordeeld door het toekennen van punten op de zes criteria bedoeld in het artikel 1.20. De weging van de zes criteria is:

    • a. de mate waarin het project meer bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027: 25 punten;

    • b. de mate waarin het project meer sociaaleconomisch integraal is: 25 punten;

    • c. de mate waarin het technische en sociale innovatiegehalte hoger is: 0 punten;

    • d. de mate waarin het economisch of financieel toekomstperspectief hoger is: 25 punten;

    • e. de mate waarin de kwaliteit van het projectplan beter is: 5 punten;

    • f. de mate waarin het project meer bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 20 punten.

Artikel 2.1.12. Voorschot

  • 1 De Minister van SZW verleent op aanvraag vooruitlopend op realisatie van de projectactiviteiten een voorschot van 20% van de verleende subsidie.

  • 2 De Minister van SZW kan onderbouwd afwijken van de in het eerste lid genoemde verstrekking van het voorschot. In ieder geval wordt geen voorschot verleend wanneer de verleningsbeschikking een of meer opschortende of ontbindende voorwaarden bevat.

  • 3 De Minister van SZW verleent op aanvraag opvolgende voorschotten op basis van gemaakte en betaalde kosten. Het voorschot bedraagt de in de rapportage verantwoorde gemaakte en betaalde subsidiabele kosten, vermenigvuldigd met het toegestane subsidiepercentage, bedoeld in artikel 1.31.

  • 4 In afwijking van artikel 1.31, zesde lid, bedragen de voorschotten in totaal maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.

Artikel 2.1.13. Subsidieaanvraag

  • 1 In aanvulling op het artikel 1.22 bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

    • a. een volledig ingevuld aanvraagformulier;

    • b. de in het aanvraagformulier genoemde documenten, waarvoor door het SNN aangeleverde vaste formats worden gebruikt inclusief daaraan verbonden voorschriften.

  • 3 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het digitale aanvraagformulier via de link https://www.jtfwebportal.nl/.

Artikel 2.1.14. Staatssteun

De subsidie bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de artikelen 13, 14 en 31 van de Algemene roepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.1.15. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 september 2025, met dien verstande dat deze titel van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.

Titel 2.2. JTF-Call 2022 voor grote Kennis- en valorisatieprojecten die aansluiten bij de transities uit de RIS3 2021–2027

Artikel 2.2.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • kennisontwikkelingsproject: project dat zich richt op kennisontwikkeling, zijnde een onderzoeksproject of een andersoortig project waarin kennisontwikkeling centraal staat.

  • productieve investering: een investering in vaste of immateriële activa die hoofdzakelijk wordt aangewend voor de productie van goederen die aan derden verkocht worden of in het eigen productieproces worden verbruikt.

  • RIS3 2021–2027: Research & Innovation Strategy for Smart Specialization Noord-Nederland. Dit is het document waarin de innovatiestrategie voor Noord-Nederland voor de periode 2021–2027 is uiteengezet;

  • SNN: Samenwerkingsverband Noord-Nederland, de intermediaire instantie voor JTF-regio Groningen;

  • transities: de transities zoals beschreven in hoofdstuk 1.4 van de RIS3 2021–2027;

  • valorisatieproject: innovatietraject gericht op ontwikkeling van nieuwe producten, concepten, technologieën en diensten, of het testen van innovatieve toepassingen in de praktijkomgeving gericht op valorisatie van nieuwe technieken.

Artikel 2.2.2. Doel subsidie

Een project waaraan op basis van deze titel subsidie wordt verleend past binnen Spoor 1 en Spoor 2 van het TJTP. Het project draagt bij aan de transformatie en diversificatie van de regionale economie. Dit kan door het stimuleren van de ontwikkeling van nieuwe duurzame waardenketens of innovaties langs de lijnen van de RIS3, zoals de (versnelde) omschakeling naar groene grondstoffen, duurzame waterstof en circulariteit.

Artikel 2.2.3. Doelgroep

De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie voor een valorisatie-, of kennisontwikkelingsproject aan:

  • a. een natuurlijke ondernemingsvorm;

  • b. een rechtspersoon; of

  • c. een partij in een samenwerkingsverband van natuurlijke- of rechtspersonen.

Artikel 2.2.4. Subsidiabele activiteiten

Subsidie op basis van deze titel kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een valorisatie-, of een kennisontwikkelingsproject binnen minimaal één van de vier RIS transities.

Artikel 2.2.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1 Het subsidieplafond bedraagt € 17.000.000.

  • 2 De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18.

Artikel 2.2.6. Aanvraagperiode

  • 1 Een aanvraag kan worden ingediend in de periode vanaf 23 januari 2022 tot en met 31 mei 2023.

  • 2 Een aanvraag kan worden ingediend vanaf 09.00 uur op de in het eerste lid genoemde startdatum en is tijdig ingediend indien zij op de in het eerste lid genoemde einddatum vóór 17.00 uur is ontvangen.

  • 3 Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is via https://www.jtfwebportal.nl/mijn/ of via www.snn.nl/.

Artikel 2.2.7. Hoogte subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt 30% van de subsidiabele kosten bij een valorisatieproject.

  • 2 De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten bij een kennisontwikkelingsproject.

  • 3 De subsidie wordt met 10 procentpunten verhoogd indien het project daadwerkelijke samenwerking betreft, inhoudende:

    • a. een samenwerkingsverband opgericht ten behoeve van de uitvoering van dit project, waarbij geen van de individuele aanvragers meer dan 70% van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening neemt; of

    • b. een samenwerkingsverband tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren.

  • 4 De subsidie bedraagt niet meer dan de maximale steunruimte op basis van de artikelen 25, 27, 28 en 29 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

  • 5 De subsidie bedraagt minimaal € 1.000.000 per project.

  • 6 De subsidie bedraagt maximaal € 4.000.000 per project en maximaal € 2.500.000 per projectpartner.

Artikel 2.2.9. Looptijd

Uiterlijk 30 november 2026 dienen alle projectactiviteiten volledig ten uitvoer te zijn gebracht.

Artikel 2.2.10. Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 1.25 beslist de Minister van SZW afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische of economische haalbaarheid van het project;

  • b. door een aanvrager niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat het project financieel, ruimtelijk of anderszins, obstakelvrij is; of

  • c. niet aannemelijk is dat alle projectactiviteiten van het project uiterlijk 30 november 2026 volledig ten uitvoer kunnen zijn gebracht.

Artikel 2.2.11. Beoordelingscriteria

  • 1 Gelet op artikel 1.20, tweede lid, wordt een project uitsluitend beoordeeld op de onderdelen a, c, d, e en f van artikel 1.20, eerste lid.

  • 2 Gelet op artikel 1.20, derde lid, bedraagt het aantal punten per onderdeel van het eerste lid:

    • a. voor criterium a maximaal 30 punten;

    • b. voor criterium c maximaal 15 punten bij een valorisatieproject en maximaal 25 punten bij een kennisontwikkelingsproject;

    • c. voor criterium d maximaal 25 punten bij een valorisatieproject en maximaal 15 punten bij een kennisontwikkelingsproject;

    • d. voor criterium e maximaal 15 punten;

    • e. voor criterium f maximaal 15 punten.

Artikel 2.2.12. Voorschot

  • 1 De Minister van SZW verleent op aanvraag vooruitlopend op het starten van de projectactiviteiten, conform artikel 1.30, een voorschot van 20% van de verleende subsidie met een maximum van € 500.000.

  • 2 De Minister van SZW kan onderbouwd afwijken van de in het eerste lid genoemde verstrekking van het voorschot. In ieder geval wordt geen voorschot verleend wanneer de verleningsbeschikking een of meer opschortende of ontbindende voorwaarden bevat.

  • 3 In ieder geval wordt geen voorschot verleend wanneer de verleningsbeschikking één of meerdere opschortende of ontbindende voorwaarden bevat.

  • 4 De Minister van SZW verleent op aanvraag opvolgende voorschotten op basis van gemaakte en betaalde kosten, conform artikel 1.31. In afwijking van artikel 1.31 bedraagt het totaal bedrag aan voorschotten maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 5 In afwijking van het vierde lid kan een voorschot tot een maximum van 100% van de maximaal verleende subsidie worden verstrekt, indien:

    • a. het zeer aannemelijk is dat het project conform de subsidievoorwaarden op afzienbare termijn kan worden afgerond;

    • b. het aannemelijk is dat de kosten die nog gemaakt worden subsidiabel gesteld zullen worden; en

    • c. het niet toekennen van het voorschot onredelijke gevolgen voor de liquiditeitspositie van de aanvragende onderneming heeft.

Artikel 2.2.13. Subsidieaanvraag

  • 1 In aanvulling op het artikel 1.22 bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

    • a. een volledig ingevuld aanvraagformulier;

    • b. de in het aanvraagformulier genoemde documenten, waarvoor door het SNN aangeleverde vaste formats worden gebruikt inclusief daaraan verbonden voorschriften.

  • 3 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het digitale aanvraagformulier via de link https://www.jtfwebportal.nl/.

Artikel 2.2.14. Staatssteun

Indien de subsidie staatssteun bevat dan dient het gerechtvaardigd te worden door:

  • a. de de-minimisverordening; of

  • b. de artikelen 25, 27, 28 en 29 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.2.15. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2027 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.

Hoofdstuk 3. Subsidies JTF-regio IJmond

Titel 3.1. Regionale subsidies voor het Territoriaal Just Transition Plan voor de regio IJmond

Artikel 3.1.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • TJTP IJmond: het Territorial Just Transition Plan IJmond, bedoeld in artikel 11 van de JTF-verordening, met betrekking tot de JTF-regio IJmond.

Artikel 3.1.2. Doel subsidie

Het doel van de subsidie op grond van deze titel heeft is het bevorderen van vernieuwing, versterking en diversificatie van de regionale economie, investeringen in technologie, systemen en infrastructuur om nieuwe, duurzame banen te creëren en investeringen in een wendbare en weerbare beroepsbevolking.

Artikel 3.1.3. Doelgroep

De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie aan een aanvrager voor een project dat:

  • a. past binnen één van de in bijlage 2 opgenomen beschrijvingen;

  • b. wordt uitgevoerd in de JTF-regio IJmond; en

  • c. past binnen de kaders van deze regeling.

Artikel 3.1.4. Subsidiabele activiteiten

Subsidie op basis van deze titel kan worden verstrekt voor projecten die passen binnen de sporen 1, 2 of 3 van prioritaire as 2 uit het Programma JTF 2021–2027.

Artikel 3.1.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1 Het subsidieplafond bedraagt € 14.062.500,00.

  • 2 De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18.

Artikel 3.1.6. Aanvraagperiode

  • 1 Een aanvraag kan worden ingediend vanaf 23 januari 2023 9.00 uur.

  • 2 Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is in het https://start.jtf-webportal.nl/.

Artikel 3.1.7. Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten.

  • 2 De subsidie kent een maximum van € 2.000.000 per aanvraag.

Artikel 3.1.8. Starttermijn en looptijd

  • 1 De activiteiten van een project in het kader van deze titel vangen niet eerder aan dan de dag waarop de aanvraag compleet is ingediend.

  • 2 De projectactiviteiten zijn uiterlijk 31 december 2026 uitgevoerd.

Artikel 3.1.9. Beoordelingscriteria

  • 2 Gelet op artikel 1.20, derde lid, bedraagt het aantal punten per onderdeel van het eerste lid ten hoogste:

    • a. bijdrage aan de doelstellingen van het JTF-programma 2021–2027: 20 punten;

    • b. sociaal-economische integraliteit: 20 punten;

    • c. technische en sociale innovatiegehalte: 15 punten;

    • d. economisch of financieel toekomstperspectief: 15 punten;

    • e. kwaliteit van het projectplan: 15 punten;

    • f. bijdrage aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 15 punten.

Artikel 3.1.10. Voorschot

  • 1 De Minister van SZW verleent op basis van een gemotiveerde aanvraag, waaruit de liquiditeitsnoodzaak is af te leiden, vooruitlopend op realisatie van de projectactiviteiten een voorschot als werkkapitaal op het moment van beschikken van de subsidie van maximaal 10 procent van de verleende subsidie.

  • 2 De Minister van SZW kan onderbouwd afwijken van de in het eerste lid genoemde verstrekking van het voorschot.

  • 3 In ieder geval wordt geen voorschot verleend, wanneer de verleningsbeschikking een of meer opschortende of ontbindende voorwaarden bevat.

  • 4 De Minister van SZW verleent op aanvraag opvolgende voorschotten op basis van gerealiseerde projectactiviteiten als bedoeld in artikel 1.31.

Artikel 3.1.11. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze titel van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.

Hoofdstuk 4. Subsidies JTF-regio Groot-Rijnmond

Titel 4.1. Regionale Subsidies voor Spoor 1 en 2 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Groot-Rijnmond

Artikel 4.1.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • TJTP Groot-Rijnmond: het Territorial Just Transition Plan, bedoeld in artikel 11 van de JTF-verordening met betrekking tot de JTF-regio Groot-Rijnmond.

Artikel 4.1.2. Doel subsidie

Het doel van de subsidie op grond van deze titel is het bevorderen van vernieuwing en versterking van de regionale economie met nieuwe, duurzame of circulaire industriële ketens en versnellen van de transitie met investeringen in technologie, systemen en infrastructuur tot decarbonisatie van bestaande industriële ketens.

Artikel 4.1.3. Doelgroep

De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie aan een aanvrager van een project dat:

  • a. past binnen één van de in bijlage 3 opgenomen beschrijvingen;

  • b. wordt uitgevoerd in de JTF-regio Groot-Rijnmond;

  • c. past binnen de kaders van deze regeling.

Artikel 4.1.4. Subsidiabele activiteiten

Subsidie op basis van deze titel kan worden verstrekt voor projecten die passen binnen de prioritaire as 3, spoor 1 – het vernieuwen en versterken regionale economie met duurzame en/of circulaire industriële ketens of spoor 2 – het versnellen van transitie met investeringen in technologie, systemen en infrastructuur tot decarbonisatie industriële ketens, van het Programma JTF 2021–2027.

Artikel 4.1.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1 Het subsidieplafond bedraagt € 31.100.000.

  • 2 De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18.

Artikel 4.1.6. Aanvraagperiode

  • 1 Een aanvraag kan worden ingediend vanaf 23 januari 2023 9.00 uur.

  • 2 Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is in het https://start.jtf-webportal.nl/.

Artikel 4.1.7. Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten.

  • 2 De subsidie bedraagt ten hoogste € 2.000.000 per project.

Artikel 4.1.8. Starttermijn en looptijd

  • 1 De projectactiviteiten in het kader van deze titel vangen niet eerder aan dan de dag waarop de aanvraag compleet is ingediend.

  • 2 De projectactiviteiten zijn uiterlijk 31 december 2026 uitgevoerd.

Artikel 4.1.9. Beoordelingscriteria

  • 2 Gelet op artikel 1.20, derde lid, bedraagt het aantal punten per onderdeel van het eerste lid ten hoogste:

    • a. bijdrage aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027: 20 punten;

    • b. sociaal-economischeintegraliteit: 15 punten;

    • c. technische en sociale innovatiegehalte: 15 punten;

    • d. economisch of financieel toekomstperspectief: 15 punten;

    • e. kwaliteit van het projectplan: 15 punten;

    • f. bijdrage aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 20 punten.

Artikel 4.1.10. Voorschot

  • 1 De Minister van SZW verleent op basis van een gemotiveerde aanvraag, waaruit de liquiditeitsnoodzaak is af te leiden, een voorschot als werkkapitaal op het moment van beschikken van de subsidie van maximaal 10 procent van de subsidiabele projectkosten.

  • 2 De Minister van SZW kan onderbouwd afwijken van de in het eerste lid genoemde verstrekking van het voorschot.

  • 3 In ieder geval wordt geen voorschot verleend wanneer de verleningsbeschikking een of meer opschortende of ontbindende voorwaarden bevat.

  • 4 De Minister van SZW verleent op aanvraag opvolgende voorschotten op basis van gerealiseerde projectactiviteiten als bedoeld in artikel 1.31.

Artikel 4.1.11. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze titel van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.

Titel 4.2. Regionale Subsidies voor Spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Rijnmond

Artikel 4.2.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • TJTP Rijnmond: het Territorial Just Transition Plan, bedoeld in artikel 11 van de JTF-verordening met betrekking tot de regio Groot-Rijnmond.

Artikel 4.2.2. Doel subsidie

Een project in het kader van deze titel heeft tot doel het bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende juist opgeleide en gemotiveerde weerbare beroepsbevolking voor de opgaven, bij een toenemend vacature-overschot en het verdwijnen of wijzigen van bestaande functies door de transitieopgave.

Artikel 4.2.3. Doelgroep

De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie aan een aanvrager van een project dat:

  • a. past binnen één van de in bijlage 4 opgenomen beschrijvingen;

  • b. wordt uitgevoerd in de JTF-regio Groot-Rijnmond; en

  • c. past binnen de kaders van deze regeling.

Artikel 4.2.4. Subsidiabele activiteiten

Subsidie op basis van deze titel kan worden verstrekt voor projecten die passen binnen de spoor 3 van prioritaire as 3 uit het Programma JTF 2021–2027.

Artikel 4.2.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1 Het subsidieplafond bedraagt € 9.375.000.

  • 2 De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18.

Artikel 4.2.6. Aanvraagperiode

  • 1 Een aanvraag kan worden ingediend vanaf 23 januari 2023 9.00 uur.

  • 2 Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is in het https://start.jtf-webportal.nl/.

Artikel 4.2.7. Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten.

  • 2 De subsidie kent geen maximum per project.

Artikel 4.2.8. Starttermijn en looptijd

  • 1 De activiteiten van een project in het kader van deze titel vangen niet eerder aan dan de dag waarop de aanvraag compleet is ingediend.

  • 2 De projectactiviteiten zijn uiterlijk 31 december 2026 uitgevoerd.

Artikel 4.2.9. Beoordelingscriteria

Gelet op artikel 1.20, derde lid, bedraagt het aantal punten per onderdeel van het eerste lid ten hoogste:

  • a. bijdrage aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027: 20 punten;

  • b. sociaal-economische integraliteit: 30 punten;

  • c. technische en sociale innovatiegehalte: 20 punten;

  • d. economisch of financieel toekomstperspectief: 0 punten;

  • e. kwaliteit van het projectplan: 15 punten;

  • f. bijdrage aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 15 punten.

Artikel 4.2.10. Voorschot

  • 1 De Minister van SZW verleent op basis van een gemotiveerde aanvraag, waaruit de liquiditeitsnoodzaak is af te leiden, een voorschot als werkkapitaal op het moment van beschikken van de subsidie van maximaal 10 procent van de subsidie.

  • 2 De Minister van SZW kan onderbouwd afwijken van de in het eerste lid genoemde verstrekking van het voorschot.

  • 3 In ieder geval wordt geen voorschot verleend wanneer de verleningsbeschikking een of meer opschortende of ontbindende voorwaarden bevat.

  • 4 De Minister van SZW verleent op aanvraag opvolgende voorschotten op basis van gerealiseerde projectactiviteiten als bedoeld in artikel 1.31.

Artikel 4.2.11. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat deze titel van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.

Hoofdstuk 5. Subsidies JTF-regio West-Noord-Brabant

Titel 5.1. Subsidietitel voor steun onder Spoor 1 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio West-Noord-Brabant

Artikel 5.1.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • TJTP West-Noord-Brabant: regionaal territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie, als bedoeld in artikel 11 van de JTF-verordening voor de JTF-regio West-Noord-Brabant met de titel Territorial Just Transition Plan van de COROP-regio West-Noord-Brabant.

Artikel 5.1.2. Doel subsidie

  • 1 Doel van subsidie op grond van deze titel is uitvoering te geven aan spoor 1 van het TJTP West-Noord-Brabant.

  • 2 Projecten waaraan op basis van deze titel subsidie wordt verleend, passen binnen spoor 1 van het TJTP West-Noord-Brabant uit het Programma JTF 2021–2027 en dragen bij aan vernieuwing en versterking van de regionale economie, met focus op elektrificatie van processen, proces- en productinnovatie in de chemie zowel circulair als biobased materialen en energieconversie en opslag.

Artikel 5.1.3. Doelgroep

De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie voor een project aan:

  • a. een rechtspersoon;

  • b. een natuurlijke persoon ingeschreven in het handelsregister; of

  • c. een penvoerder namens de afzonderlijke partijen in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.4, vijfde lid.

Artikel 5.1.4. Subsidiabele activiteiten

  • 1 Subsidie op basis van deze titel kan worden verstrekt voor een of meer van de volgende acties:

    • a. productieve investeringen;

    • b. investeringen in en bij de oprichting van nieuwe bedrijven;

    • c. onderzoek en innovatie; of

    • d. digitalisering.

  • 2 De acties, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op een of meer van de volgende activiteiten:

    • a. onderzoek en innovatie gericht op circulaire en biobased chemie of materialen;

    • b. economische diversificatie en baancreatie in de circulaire of biobased chemie of materialen;

    • c. digitale innovatie die nodig is voor de transitie van energie en naar groene chemie;

    • d. bevordering van de circulaire economie;

    • e. een combinatie van één of meer activiteiten onder a tot en met d met activiteiten gericht op de arbeidsmarkt in de zin van:

      • 1°. bij- en omscholing van werknemers en werkzoekenden;

      • 2°. begeleiding van werkzoekenden bij het zoeken van een baan; of

      • 3°. actieve inclusie van werkzoekenden.

  • 3 De acties, bedoeld in het eerste lid, worden verricht in of ten behoeve van het gebied bestaande uit de volgende gemeenten in de JTF-regio West-Noord-Brabant:

    • a. Bergen op Zoom;

    • b. Steenbergen;

    • c. Moerdijk;

    • d. Drimmelen; of

    • e. Geertruidenberg.

Artikel 5.1.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 2 De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op basis van rangschikking naar geschiktheid, overeenkomstig artikel 1.19.

Artikel 5.1.6. Aanvraagperiode

  • 1 Een aanvraag kan worden ingediend:

    • a. in de eerste periode die loopt van 13 februari 2023 10.00 uur tot en met 31 maart 2023 17.00 uur;

    • b. in de tweede periode die loopt van 5 juni 2023 10.00 uur tot en met 7 juli 2023 17.00 uur.

  • 2 Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is via https://www.jtf-webportal.nl/mijn/.

Artikel 5.1.7. Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten.

  • 2 De subsidie bedraagt ten hoogste € 5.000.000 per project.

  • 3 Onverminderd het eerste lid wordt maximaal een zodanig percentage aan subsidie verstrekt dat het totale percentage aan subsidie op grond van deze titel en, indien van toepassing, hoofdstuk 9 en paragraaf 4 van de Subsidieregeling cofinanciering Europese programma’s 2021–2027 Noord-Brabant samen niet meer bedraagt dan 50 procent.

Artikel 5.1.8. Starttermijn en looptijd

  • 1 Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na de subsidieverlening.

  • 2 Wanneer ten tijde van het indienen van de aanvraag de benodigde vergunningen nog niet zijn verleend, wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat alle benodigde vergunningen uiterlijk vijf maanden na sluiting van de aanvraagperiode zijn verkregen.

  • 3 De uitvoering van het project is binnen 36 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking voltooid.

  • 4 Op verzoek van de subsidieontvanger kan de Minister van SZW de termijn, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, verlengen.

Artikel 5.1.9. Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 1.25 beslist de Minister van SZW afwijzend op een aanvraag, indien:

  • a. de voor de uitvoering van de aanvraag benodigde vergunningen niet zijn aangevraagd voorafgaand aan het indienen van de subsidieaanvraag;

  • b. aanvrager een grote onderneming is en subsidie vraagt voor het doen van productieve investeringen; of

  • c. de aan het project te verlenen subsidie minder bedraagt dan € 500.000.

Artikel 5.1.10. Beoordelingscriteria

Gelet op artikel 1.20, derde lid, kent de Minister van SZW maximaal de volgende hoeveelheid punten toe:

  • a. voor de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027: 20 punten;

  • b. voor de hoogte van het technische en sociale innovatiegehalte van het project: 25 punten;

  • c. voor de hoogte van het economisch of financieel toekomstperspectief van het project: 20 punten;

  • d. voor de kwaliteit van het projectplan: 15 punten;

  • e. voor de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 20 punten.

Artikel 5.1.11. Voorschot

  • 1 Artikel 1.30 is niet van toepassing, indien een voorschot wordt verleend op basis van dit artikel.

  • 2 De Minister van SZW verleent op aanvraag een voorschot op grond van gerealiseerde projectactiviteiten als bedoeld in artikel 1.31.

  • 3 In afwijking van artikel 1.31, zesde lid, heeft de aanvraag om een voorschot betrekking op maximaal 80 procent van de verleende subsidie.

Artikel 5.1.12. Subsidieaanvraag

Onverminderd artikel 1.22 bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

  • a. een volledig ingevuld aanvraagformulier; en

  • b. de bij het aanvraagformulier behorende documenten als bijlagen.

Artikel 5.1.13. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 8 juli 2023, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidieaanvragen die voor deze datum zijn ingediend.

Titel 5.2. Subsidietitel voor steun onder Spoor 2 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio West-Noord-Brabant

Artikel 5.2.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • TJTP West-Noord-Brabant: regionaal territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie als bedoeld in artikel 11 van de JTF-verordening voor de JTF-regio West-Noord-Brabant met de titel Territorial Just Transition Plan van de COROP-regio West-Noord-Brabant.

Artikel 5.2.2. Doel subsidie

  • 1 Doel van subsidie op basis van deze titel is uitvoering te geven aan spoor 2 van het TJTP West-Noord-Brabant.

  • 2 Projecten waaraan op basis van deze titel subsidie wordt verleend, passen binnen prioriteit 5, spoor 2, van het TJTP West-Noord-Brabant uit het Programma JTF 2021–2027 en dragen bij aan het versnellen van transitie met investeringen in technologie, energiesystemen en infrastructuur nodig om te komen tot toekomstbestendige banen in de groene chemie.

Artikel 5.2.3. Doelgroep

De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie voor een project aan:

  • a. een rechtspersoon;

  • b. een natuurlijke persoon ingeschreven in het handelsregister; of

  • c. een penvoerder namens de afzonderlijke partijen in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.4, vijfde lid.

Artikel 5.2.4. Subsidiabele activiteiten

  • 1 Subsidie op basis van deze titel kan worden verstrekt voor:

    • a. investeringen in technologie, systemen en infrastructuur; of

    • b. voorbereidende planvorming en processen tot investeringen als bedoeld in onderdeel a.

  • 2 De acties, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, bestaan uit een of meer van de volgende activiteiten:

    • a. elektrificatie van processen in de industrie en de chemische industrie;

    • b. lokale CO2-infrastructuur;

    • c. groene waterstof;

    • d. overige systemen en technologie ten behoeve van duurzame energievoorziening in de groene chemie;

    • e. een combinatie van een of meer activiteiten uit de onderdelen a tot en met d met activiteiten gericht op de arbeidsmarkt in de zin van:

      • 1°. bij- en omscholing van werknemers en werkzoekenden;

      • 2°. begeleiding van werkzoekenden bij het zoeken van een baan;

      • 3°. actieve inclusie van werkzoekenden.

  • 3 De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden verricht in of ten behoeve van het gebied bestaande uit de volgende gemeenten in de JTF-regio West-Noord-Brabant:

    • a. Bergen op Zoom;

    • b. Steenbergen;

    • c. Moerdijk;

    • d. Drimmelen; of

    • e. Geertruidenberg.

Artikel 5.2.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 2 De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen overeenkomstig artikel 1.18.

Artikel 5.2.6. Aanvraagperiode

  • 1 Een aanvraag kan worden ingediend van 13 februari 2023 10.00 uur tot en met 29 september 2023 17.00 uur.

  • 2 Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is via https://www.jtf-webportal.nl/mijn/.

Artikel 5.2.7. Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, wordt maximaal een zodanig percentage aan subsidie verstrekt dat het totale percentage aan subsidie op grond van deze titel en, indien van toepassing, hoofdstuk 9 en paragraaf 4 van de Subsidieregeling cofinanciering Europese programma’s 2021–2027Noord-Brabant samen niet meer bedraagt dan 50 procent.

Artikel 5.2.8. Starttermijn en looptijd

  • 1 Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na de subsidieverlening.

  • 2 Wanneer ten tijde van het indienen van de aanvraag de benodigde vergunningen nog niet zijn verleend, wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat alle benodigde vergunningen uiterlijk vijf maanden na indiening van de subsidieaanvraag zijn verkregen.

  • 3 De uitvoering van het project is binnen 36 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking voltooid.

  • 4 Op verzoek van de subsidieontvanger kan de Minister van SZW de termijn, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, verlengen.

Artikel 5.2.9. Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 1.25 beslist de Minister van SZW afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. de activiteit is gericht op de aanleg van 380 kV-infrastructuur;

  • b. de activiteit is gericht op investeringen in CO2-reductie bij ETS installaties;

  • c. de voor de uitvoering van de aanvraag benodigde vergunningen niet zijn aangevraagd voorafgaand aan het indienen van de subsidieaanvraag;

  • d. aanvrager een grote onderneming is en subsidie vraagt voor het doen van productieve investeringen;

  • e. de aan het project te verlenen subsidie minder bedraagt dan:

Artikel 5.2.10. Beoordelingscriteria

Gelet op artikel 1.20, derde lid, kent de Minister van SZW per onderdeel maximaal de volgende hoeveelheid punten toe:

  • a. voor de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027: 30 punten;

  • b. voor de mate waarin het project sociaaleconomisch integraal is: 15 punten;

  • c. voor de hoogte van het economisch of financieel toekomstperspectief van het project: 20 punten;

  • d. voor de kwaliteit van het projectplan: 15 punten;

  • e. voor de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 20 punten.

Artikel 5.2.11. Voorschot

  • 1 Artikel 1.30 is niet van toepassing, indien een voorschot wordt verleend op basis van dit artikel.

  • 2 De Minister van SZW verleent op aanvraag een voorschot op grond van gerealiseerde projectactiviteiten als bedoeld in artikel 1.31.

  • 3 In afwijking van artikel 1.31, zesde lid, heeft de aanvraag om een voorschot betrekking op maximaal 80 procent van de verleende subsidie.

Artikel 5.2.12. Subsidieaanvraag

Onverminderd artikel 1.22 bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

  • a. een volledig ingevuld aanvraagformulier;

  • b. de bij het aanvraagformulier behorende documenten als bijlagen.

Artikel 5.2.13. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 30 september 2023 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidieaanvragen die voor deze datum zijn ingediend.

Titel 5.3. Subsidietitel voor steun onder Spoor 3 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio West-Noord-Brabant

Artikel 5.3.2. Doel subsidie

  • 1 Doel van subsidie op basis van deze titel is uitvoering te geven aan spoor 3 van het TJTP West-Noord-Brabant.

  • 2 Projecten waaraan op basis van deze titel subsidie wordt verleend, passen binnen prioriteit 5, spoor 3, van het TJTP West-Noord-Brabant uit het Programma JTF 2021–2027en dragen bij aan het bereiken van een meer wendbare en weerbare beroepsbevolking.

Artikel 5.3.3. Doelgroep

De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie voor een project aan:

  • a. een rechtspersoon;

  • b. een natuurlijke persoon ingeschreven in het handelsregister; of

  • c. een penvoerder namens de afzonderlijke partijen in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.4, vijfde lid.

Artikel 5.3.4. Subsidiabele activiteiten

  • 1 Subsidie op basis van deze titel kan worden verstrekt voor:

    • a. bij- en omscholing; of

    • b. andere activiteiten op het gebied van onderwijs en sociale inclusie.

  • 2 De acties, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op werkenden, werkzoekenden en jongeren.

  • 3 Onverminderd het tweede lid, zijn de acties, bedoeld in het eerste lid, gericht op een of meer van de volgende activiteiten:

    • a. leven lang ontwikkelen in de techniek;

    • b. ontwikkeling van benodigde kennis en vaardigheden en digitale kennis en vaardigheden voor werken in de groene chemie en energie;

    • c. het ondersteunen van transitiepaden van werk-naar-werk door om- en bijscholing;

    • d. bredere bekendheid van werken in de groene chemie;

    • e. het ontwikkelen en toevoegen van opleidingsaanbod en opleidingsinstituten ten behoeve van werken in de groene chemie.

  • 4 De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden verricht in of ten behoeve van het werkingsgebied West-Noord-Brabant.

Artikel 5.3.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1 Het subsidieplafond bedraagt € 11.847.207.

  • 2 De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 1.18.

Artikel 5.3.6. Aanvraagperiode

  • 1 Een aanvraag kan worden ingediend vanaf 13 februari 2023 10.00 uur tot en met 29 september 2023 17.00 uur.

  • 2 Aanvragen worden ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is via https://www.jtf-webportal.nl/mijn/.

Artikel 5.3.7. Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten.

  • 2 De subsidie bedraagt ten hoogste € 2.500.000 per project.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, wordt maximaal een zodanig percentage aan subsidie verstrekt dat het totale percentage aan subsidie op grond van deze titel en, indien van toepassing, hoofdstuk 9 samen niet meer bedraagt dan 50 procent.

Artikel 5.3.8. Starttermijn en looptijd

  • 1 Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na de subsidieverlening.

  • 2 Wanneer ten tijde van het indienen van de aanvraag de benodigde vergunningen nog niet zijn verleend, wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat alle benodigde vergunningen uiterlijk vijf maanden na sluiting van de aanvraagperiode zijn verkregen.

  • 3 De uitvoering van het project is binnen 36 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking voltooid.

  • 4 Op verzoek van de subsidieontvanger kan de Minister van SZW de termijn, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, verlengen.

Artikel 5.3.9. Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 1.25 beslist de Minister van SZW afwijzend op een aanvraag, indien:

  • a. de voor de uitvoering van de aanvraag benodigde vergunningen niet zijn aangevraagd voorafgaand aan het indienen van de subsidieaanvraag;

  • b. aanvrager een grote onderneming is en subsidie vraagt voor het doen van productieve investeringen; of

  • c. de aan het project te verlenen subsidie minder bedraagt dan € 100.000.

Artikel 5.3.10. Beoordelingscriteria

Gelet op artikel 1.20, derde lid, kent de Minister van SZW per onderdeel maximaal de volgende hoeveelheid punten toe:

  • a. voor de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen van het Programma JTF 2021–2027: 35 punten;

  • b. voor de mate waarin het project sociaaleconomisch integraal is: 20 punten;

  • c. voor de kwaliteit van het projectplan: 15 punten;

  • d. voor de mate waarin het project bijdraagt aan duurzame ontwikkeling en aan maatschappelijke-sociale impact: 30 punten.

Artikel 5.3.11. Voorschot

  • 1 Artikel 1.30 is niet van toepassing, indien een voorschot wordt verleend op basis van dit artikel.

  • 2 De Minister van SZW verleent op aanvraag een voorschot op grond van gerealiseerde projectactiviteiten als bedoeld in artikel 1.31.

  • 3 In afwijking van artikel 1.31, zesde lid, heeft de aanvraag om een voorschot betrekking op maximaal 80 procent van de verleende subsidie.

Artikel 5.3.12. Subsidieaanvraag

Onverminderd artikel 1.22 bevat een aanvraag voor subsidie ten minste:

  • a. een volledig ingevuld aanvraagformulier; en

  • b. de bij het aanvraagformulier behorende documenten als bijlagen.

Artikel 5.3.13. Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 30 september 2023, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd.

Hoofdstuk 6. Subsidies JTF-regio Zeeuws-Vlaanderen/Vlissingen-Oost

Titel 6.1. Subsidietitel voor steun onder spoor 1 uit het Territorial Just Transition Plan voor de regio Zeeuws-Vlaanderen/Vlissingen-Oost

Artikel 6.1.1. Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • TJTP Zeeuws-Vlaanderen/Vlissingen-Oost: regionaal territoriaal plan voor een rechtvaardige transitie als bedoeld in artikel 11 van de JTF-verordening voor de regio Zeeuws-Vlaanderen met de titel Territorial Just Transition plan van de COROP regio Zeeuws-Vlaanderen en de relevant aanpalende zone van Vlissingen-Oost.

Artikel 6.1.2. Doel subsidie

  • 1 Doel van subsidie op basis van deze titel is uitvoering te geven aan spoor 1 van het TJTP Zeeuws-Vlaanderen/Vlissingen-Oost.

  • 2 Projecten waaraan op basis van deze titel subsidie wordt verleend, passen binnen prioriteit 4, spoor 1, van het TJTP Zeeuws-Vlaanderen/Vlissingen-Oost uit het Programma JTF 2021–2027 en dragen bij aan productieve investeringen in het mkb die leiden tot economische diversificatie, modernisering en reconversie en investeringen in onderzoek, innovatie en digitalisering, binnen de thema’s groene waterstof en biobased en circulaire chemie en het stimuleren van innovatie gericht op vergroening van de economie binnen innovatieclusters.

Artikel 6.1.3. Doelgroep

De Minister van SZW verstrekt op aanvraag subsidie voor een project aan:

  • a. een rechtspersoon;

  • b. een natuurlijke persoon ingeschreven in het handelsregister; of

  • c. een penvoerder namens de afzonderlijke partijen in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.4, vijfde lid.

Artikel 6.1.4. Subsidiabele activiteiten

  • 1 Subsidie op basis van deze titel kan worden verstrekt voor de volgende activiteiten:

    • a. productieve investeringen die leiden tot economische diversificatie, modernisering en reconversie;

    • b. investeringen in onderzoek, innovatie en digitalisering en de haalbaarheid hiervan, binnen de thema’s groene waterstof en biobased en circulaire chemie; of

    • c. scholing en training voor vaardigheden die nodig zijn in het kader van de innovatie- en energietransitie in combinatie met een of meer van de activiteiten, bedoeld in onderdelen a en b.

  • 2 De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden verricht in of ten behoeve van het werkingsgebied Zeeuws-Vlaanderen en de relevant aanpalende zone Vlissingen-Oost.

Artikel 6.1.5. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1 Het subsidieplafond bedraagt € 16.891.355.

  • 2 De Minister van SZW verdeelt het beschikbare bedrag op basis van rangschikking naar geschiktheid overeenkomstig artikel 1.19.

Artikel 6.1.6. Aanvraagperiode

  • 1 Een aanvraag kan worden ingediend van 13 februari 2023 10.00 uur tot en met 31 maart 2023 17.00 uur.

  • 2 Aanvragen worden online ingediend door middel van het door de Minister van SZW vastgestelde aanvraagformulier dat beschikbaar is via https://www.jtf-webportal.nl/mijn/.

Artikel 6.1.7. Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt maximaal 50 procent van de subsidiabele kosten.

  • 2 De subsidie bedraagt ten hoogste € 5.000.000 per project.

  • 3 Onverminderd het eerste lid, wordt maximaal een zodanig percentage aan subsidie verstrekt dat het totale percentage aan subsidie op grond van deze titel en, indien van toepassing, hoofdstuk 9 samen niet meer bedraagt dan 50 procent.

Artikel 6.1.8. Starttermijn en looptijd

  • 1 Met de uitvoering van de op grond van deze titel gesubsidieerde projecten wordt gestart binnen drie maanden na de subsidieverlening.

  • 2 Wanneer ten tijde van het indienen van de aanvraag de benodigde vergunningen nog niet zijn verleend, wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat alle benodigde vergunningen uiterlijk vijf maanden na sluiting van de aanvraagperiode zijn verkregen.

  • 3 De uitvoering van het project is binnen 36 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking voltooid.