Regeling periodiek evaluatieonderzoek 2022

Geraadpleegd op 30-05-2024.
Geldend van 27-07-2022 t/m heden

Regeling van de Minister van Financiën van 11 juli 2022, houdende regels voor periodiek evaluatieonderzoek 2022 (Regeling periodiek evaluatieonderzoek 2022)

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begrippen

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    • Beleid: inspanningen van de overheid om met de inzet van mensen, middelen en tijd maatregelen uit te voeren om afgesproken doelstellingen te realiseren. Beleid als bedoeld in deze regeling gaat over één of meerdere beleidsinstrumenten;

    • (Beleids)thema: een inhoudelijk logisch en herkenbaar samenhangend beleidsterrein;

    • Doeltreffendheid van beleid: de mate waarin de beleidsdoelstellingen gerealiseerd worden dankzij het ingezette beleid en met zo min mogelijk ongewenste neveneffecten;

    • Doelmatigheid van beleid: de mate waarin de prestaties en effecten van beleid tegen de laagst mogelijke inzet van (financiële) middelen en ongewenste neveneffecten worden bewerkstelligd, dan wel de mate waarin met de inzet van een bepaalde hoeveelheid (financiële) middelen de maximale prestaties en effecten van beleid worden gerealiseerd tegen zo min mogelijk ongewenste neveneffecten;

    • Evaluatieonderzoek: onderzoek dat inzicht geeft in (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van beleid. Evaluatieonderzoek kan zowel ex ante, ex durante als ex post worden uitgevoerd;

    • Evaluatieparagraaf: een toelichting bij een beleids- of wetsvoorstel over hoe het beleid wordt gemonitord en geëvalueerd;

    • Minister: de Minister die het aangaat;

    • Onafhankelijk deskundige: een methodologisch en beleidsinhoudelijk deskundige die geen verantwoordelijkheid draagt voor het te onderzoeken beleid en geen significante rol heeft gespeeld bij het evaluatieonderzoek dat ten grondslag ligt aan de periodieke rapportage;

    • Periodieke rapportage over doeltreffendheid en doelmatigheid (hierna: periodieke rapportage): een vier- tot zeven jaarlijkse rapportage over een (beleids)thema op de SEA waarin de in de rapportageperiode opgedane inzichten in de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid worden samengebracht;

    • Strategische Evaluatie Agenda (SEA): de SEA is een meerjarige agenda die ex ante, ex durante en ex post evaluaties omspant op alle belangrijke (beleids)thema’s en bijbehorende begrotingsartikelen per departement. De SEA laat zien wanneer en hoe periodiek gerapporteerd wordt over de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid per (beleids)thema.

§ 2. Strategische Evaluatie Agenda

Artikel 2. Strategische Evaluatie Agenda

De begroting van een departement bevat een SEA die voldoet aan de volgende eisen:

  • a) de SEA is ingedeeld op basis van (beleids)thema’s. Alle artikelen (als wel de middelen die onder deze artikelen vallen) op de begroting staan op de SEA, middels een koppeling aan (beleids)thema’s. Alle belangrijke (beleids)thema’s zijn vertegenwoordigd in termen van budgettaire en maatschappelijke relevantie;

  • b) de SEA heeft een looptijd van vier jaar. De aan de start van de looptijd vastgelegde thema’s en bijbehorende artikelen kunnen elke twee jaar met instemming van het Ministerie van Financiën worden gewijzigd;

  • c) de agendering van een (beleids)thema op de SEA heeft een minimale looptijd van vier tot maximaal zeven jaar en kan hiermee een SEA overstijgen;

  • d) de SEA bevat per (beleids)thema een uitwerking door een overzicht te geven van het geplande evaluatieonderzoek en een toelichting op deze planning. De invulling van de (beleids)thema’s op de SEA kan jaarlijks worden aangepast;

  • e) de SEA bevat een agendering van passend ex ante, ex durante en ex post evaluatieonderzoek om inzicht te genereren in (voorwaarden voor) de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid en inzicht in mogelijkheden om (de kans op) de doeltreffendheid en doelmatigheid hiervan te vergroten;

  • f) de SEA bevat een toelichting per (beleids)thema met een korte samenvatting van de bij aanvang van de looptijd vastgestelde stand van kennis en inzichtbehoefte. Onderbouwd wordt hoe de evaluatieplanning hierop ingrijpt;

  • g) aan het einde van de looptijd van de agendering van een (beleids)thema op de SEA geldt een rapportageverplichting in de vorm van een periodieke rapportage, die voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 4. De periodieke rapportage wordt opgenomen op de evaluatieplanning van de SEA;

  • h) na afronding van de periodieke rapportage wordt, indien het thema niet eindigt, een nieuwe evaluatie-agenda vastgesteld voor het (beleids)thema op de SEA. De looptijd van de agendering van het (beleids)thema, in beginsel tussen de vier tot zeven jaar, wordt daarbij gemotiveerd.

§ 3. Kwaliteitseisen evaluatieonderzoek

Artikel 3. Kwaliteitseisen evaluatieonderzoek

Evaluatieonderzoek voldoet aan de volgende kwaliteitseisen:

  • a) het is passend bij de fase en context waarin het beleid zich bevindt en sluit aan op de kenmerken en de inzichtbehoefte van het beleid dat wordt onderzocht;

  • b) het maakt duidelijk welk beleid wordt onderzocht over welke periode, wat de doelen en de beleidstheorie zijn en welke financiële gevolgen het beleid heeft voor de rijksbegroting;

  • c) het maakt duidelijk welke evaluatievragen centraal staan om inzicht te geven in de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en de doelmatigheid van het beleid. Departementen worden aangemoedigd om bij het evalueren rekening te houden met publieke waarde(n) in den brede;

  • d) de in het evaluatieonderzoek gebruikte methoden sluiten aan op de evaluatievragen;

  • e) de conclusies en aanbevelingen worden onderbouwd door onderliggende bevindingen;

  • f) het evaluatieonderzoek verantwoordt de gebruikte evaluatiemethoden, als wel de validiteit en betrouwbaarheid van de gegenereerde resultaten;

  • g) waar relevant geeft het inzicht in de mogelijkheden en plannen voor nader onderzoek naar de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid;

  • h) het rapport beschrijft de wijze waarop de onafhankelijkheid van het evaluatieonderzoek is gewaarborgd.

§ 4. Periodieke rapportage over doeltreffendheid en doelmatigheid

Artikel 4. Periodieke rapportage per (beleids)thema

  • 1 De met het evaluatieonderzoek verkregen inzichten op een (beleids)thema worden, overeenkomstig de looptijd van de agendering van het (beleids)thema op de SEA bedoeld in artikel 2, ten minste eens in de vier tot zeven jaar samengebracht in een periodieke rapportage. De periodieke rapportage wordt uiterlijk in het laatste jaar van de vooraf vastgestelde periode voor het thema afgerond.

  • 2 De beleidsagenda van de begroting behelst een overzicht van geplande periodieke rapportages en het jaarverslag behelst een overzicht van uitgevoerde periodieke rapportages onder vermelding van het jaar van uitvoering.

  • 3 De Minister informeert de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de onderzoeksopzet van de periodieke rapportage. De onderzoeksopzet wordt ten minste één jaar voor het rapporteren over de periodieke rapportage aangeboden aan de Tweede Kamer der Staten- Generaal.

  • 4 De eisen gesteld onder artikel 3 zijn onverminderd op de periodieke rapportage van toepassing.

  • 5 Een periodieke rapportage over een (beleids)thema bevat in ieder geval de volgende onderdelen:

    • a. een omschrijving van de bij aanvang van de looptijd van het (beleids)thema op de SEA vastgestelde inzichtbehoefte en een samenvatting van de reeds bestaande inzichten;

    • b. een overzicht van het uitgevoerde evaluatieonderzoek naar (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid waarmee invulling is gegeven aan de inzichtbehoefte;

    • c. een meerjarig overzicht van de relevante uitgaven op de rijksbegroting en, indien van toepassing, een indicatie van de financiële gevolgen van het beleid voor de maatschappij;

    • d. een meerjarige beschrijving van de ontwikkeling van de gehanteerde beleidstheorie, het ingezette beleidsinstrumentarium en de uitvoering van het beleid;

    • e. een overzicht van de uit individuele evaluaties verkregen inzichten in de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van de ingezette beleidsinstrumenten en daarmee samenhangende uitgaven;

    • f. een onderbouwde beoordeling van de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van de samenhangende beleidsinstrumenten en daarmee samenhangende uitgaven;

    • g. inzicht in oorzaken voor de mate van gerealiseerde doeltreffendheid en doelmatigheid van de samenhangende beleidsinstrumenten van het beleid;

    • h. lessen voor het vergroten van de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid. Daarbij worden mogelijkheden beschreven voor het vergroten van doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid bij een gelijkblijvende inzet van financiële middelen. Ook wordt ten minste één doelmatige optie geschetst waarmee een besparing van 20% op de budgettaire grondslag van het (beleids)thema kan worden gerealiseerd. Wanneer 20% onmogelijk wordt geacht, kan op voorwaarde van een goede inhoudelijke argumentatie, gekozen worden voor een alternatief percentage dat recht doet aan een voor het beleidsterrein significante besparing;

    • i. de belangrijkste resterende kennis- en inzichtlacunes met het oog op verdere verbetering in het inzicht in de doeltreffendheid en doelmatigheid van het (beleids)thema;

    • j. een beschrijving van de wijze waarop de onafhankelijkheid van de periodieke rapportage is geborgd.

  • 6 Bij de periodieke rapportage wordt ten minste één methodologische en/of beleidsinhoudelijk onafhankelijk deskundige betrokken. De deskundige geeft een onafhankelijk oordeel over de validiteit en betrouwbaarheid van de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek.

  • 7 De Minister zendt de periodieke rapportage aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het oordeel van de onafhankelijke deskundige(n) over de validiteit en betrouwbaarheid van de bevindingen van de periodieke rapportage wordt als apart herkenbaar onderdeel met de rapportage meegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

§ 5. Evaluatieparagraaf

Artikel 5. Evaluatieparagraaf

Voorstellen aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal die leiden tot een substantiële beleidswijziging (met financiële gevolgen van ten minste € 20 miljoen in enig jaar) bevatten een evaluatieparagraaf.

§ 6. Evaluatie van subsidieregelingen en fiscale regelingen

Artikel 6. Evaluatie van subsidieregelingen

Onverminderd het bepaalde in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht geldt voor de evaluatie van subsidieregelingen die op een wettelijk voorschrift berusten aanvullend het volgende:

  • a) voor subsidieregelingen met een budget kleiner dan € 500.000 gelden geen aanvullende eisen;

  • b) voor subsidieregelingen met een budget tussen de € 500.000 en € 10 miljoen zijn aanvullend de eisen, bedoeld in artikel 3, van toepassing;

  • c) voor subsidieregelingen met een budget groter dan € 10 miljoen zijn aanvullend de eisen, bedoeld in artikel 3, van toepassing, en wordt bij de evaluatie een onafhankelijke deskundige betrokken;

  • d) voor subsidieregelingen met een budget groter dan € 500.000 wordt aanvullend inzicht gegeven in de doelmatigheid van de subsidie en de daarmee samenhangende uitgaven;

  • e) evaluaties van subsidieregelingen kunnen worden opgenomen op de SEA bedoeld in artikel 2. De bevindingen van subsidie-evaluaties kunnen worden meegenomen in periodieke rapportages.

Artikel 7. Evaluatie van fiscale regelingen

  • 1 Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing op evaluaties van fiscale regelingen.

  • 2 Onverminderd de kwaliteitseisen van artikel 3 worden bij evaluaties van fiscale regelingen de vragen uit het toetsingskader fiscale regelingen beantwoord, zoals opgenomen in de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften.

  • 3 Evaluaties van fiscale regelingen worden, waar relevant voor een (beleids)thema, opgenomen op de SEA bij het betreffende thema, bedoeld in artikel 2.

§ 7. Evaluatie van wetgeving

Artikel 8. Evaluatie van wetgeving

Evaluaties van wetgeving worden, onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, opgenomen op de SEA, bedoeld in artikel 2. De bevindingen van wetsevaluaties worden meegenomen in periodieke rapportages.

§ 8. Evaluatie van zelfstandige bestuursorganen

Artikel 9. Evaluatie van zelfstandige bestuursorganen

De periodieke verslagen, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, worden opgenomen op de SEA bij de betreffende thema’s, bedoeld in artikel 2. De bevindingen van evaluaties van zelfstandige bestuursorganen worden meegenomen in periodieke rapportages.

§ 9. Evaluatie van agentschappen

Artikel 10. Evaluatie van agentschappen

Doorlichtingen van de agentschappen, bedoeld in artikel 7 van de Regeling agentschappen, worden opgenomen op de SEA, bedoeld in artikel 2. De bevindingen van evaluaties van agentschappen kunnen worden meegenomen in periodieke rapportages.

§ 11. Slotbepalingen

Artikel 11. Overgangsbepaling

  • 1 De Regeling periodiek evaluatieonderzoek wordt ingetrokken met dien verstande dat reeds gestarte en geplande beleidsdoorlichtingen tot en met het uitvoeringsjaar 2023 (zoals opgenomen in de meerjarenplanning van beleidsdoorlichtingen in de begrotingen 2021 en 2022), in de evaluatieplanning van de SEA worden opgenomen en uitgevoerd.

  • 3 De eisen aan de SEA bedoeld in artikel 2 van deze regeling, zijn met ingang van het begrotingsjaar 2024 van kracht. De ministers hebben een inspanningsverplichting om bij de begrotingen over 2022 en 2023 al zo veel als mogelijk te voldoen aan de eisen van artikel 2 van de regeling.

Artikel 12. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 13. Evaluatiebepaling

De Minister van Financiën zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze regeling aan de Staten-Generaal een verslag over de werking van deze regeling in de praktijk.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën,

S.A.M. Kaag

Naar boven