Besluit rechtsherstel box 3

[Regeling vervallen per 01-01-2023.]
Geraadpleegd op 22-05-2024.
Geldend van 01-07-2022 t/m 31-12-2022

Inkomstenbelasting. Besluit rechtsherstel box 3

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, bevat dit besluit de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen in box 3 voor nog niet onherroepelijk vaststaande en nog niet vastgestelde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2022.

1. Inleiding

[Regeling vervallen per 01-01-2023]

1.1. Aanleiding

[Regeling vervallen per 01-01-2023]

De bezwaarschriften tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: inkomstenbelasting) voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2020 waarbij sprake is van een voordeel uit sparen en beleggen (box 3) heb ik eerder aangewezen als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c AWR.1 In de zogenoemde massaalbezwaarprocedure stond de rechtsvraag centraal of de vermogensrendementsheffing in het betreffende belastingjaar, uitgaande van de forfaitaire elementen van het stelsel, in onderlinge samenhang en met inachtneming van het heffingvrije vermogen en het belastingtarief van 30%, op regelniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, zonder dat de schending van de ‘fair balance’ op het niveau van de individuele belastingplichtige wordt beoordeeld, of in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM.

Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op deze rechtsvraag.2 De Hoge Raad is van oordeel dat de met ingang van 1 januari 2017 geldende vermogensrendementsheffing in strijd is met het EVRM in het geval een belastingplichtige door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing waarbij wordt uitgegaan van een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. Onder het werkelijk behaalde rendement versta ik direct genoten inkomsten (zoals rente-, dividend- en huurinkomsten), gerealiseerde vermogensmutaties (zoals het verkoopresultaat op aandelen en onroerende zaken) en ongerealiseerde vermogensmutaties (zoals de waardeontwikkeling van aandelen en onroerende zaken).

Op 4 februari 2022 heb ik door middel van een collectieve uitspraak op bezwaar de als massaal bezwaar aangewezen bezwaarschriften gegrond verklaard.3 Dit besluit werkt de reikwijdte en inhoud van het rechtsherstel uit en wordt gecodificeerd in wetgeving.

1.2. Onderbouwing van het rechtsherstel

[Regeling vervallen per 01-01-2023]

Bij het rechtsherstel wordt uitgegaan van de werkelijke samenstelling van het vermogen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement, geldt voor iedere vermogenscategorie een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage. Bij de vormgeving van dit rechtsherstel zijn diverse aspecten betrokken, waaronder budgettaire, uitvoeringstechnische en maatschappelijke aspecten. Het is erop gericht om op een geautomatiseerde wijze uitvoering te geven aan het bovengenoemde arrest. Met de in dit besluit beschreven nieuwe berekening van het voordeel uit sparen en beleggen wordt naar de mening van het kabinet naar redelijkheid op een zo rechtvaardig, aanvaardbaar en uitvoerbaar mogelijke manier rechtsherstel geboden.

1.3. Opzet besluit

[Regeling vervallen per 01-01-2023]

Onderdeel 2 van dit besluit beschrijft de doelgroep van het rechtsherstel. Vervolgens beschrijft onderdeel 3 van dit besluit hoe het rechtsherstel is vormgegeven. Tot slot beschrijft onderdeel 4 van dit besluit de rechtsbescherming voor de verschillende doelgroepen.

2. Doelgroepen rechtsherstel box 3

[Regeling vervallen per 01-01-2023]

Rechtsherstel wordt geboden aan drie groepen belastingplichtigen en uitsluitend voor aanslagen inkomstenbelasting voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2022.

Ten eerste wordt per kalenderjaar rechtsherstel geboden aan belastingplichtigen die tijdig voor dat betreffende kalenderjaar een bezwaarschrift hebben ingediend tegen de aanslag inkomstenbelasting en van wie het bezwaar is aangewezen als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c AWR (doelgroep 1).

Ten tweede wordt per kalenderjaar rechtsherstel geboden aan belastingplichtigen van wie een vastgestelde aanslag inkomstenbelasting, waarin sprake is van een voordeel uit sparen en beleggen, op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond en die niet hebben meegelopen met de hiervoor genoemde massaalbezwaarprocedure en aan belastingplichtigen van wie een aanslag inkomstenbelasting, waarin sprake is van een voordeel uit sparen en beleggen, na 24 december 2021 en voor de inwerkingtreding van dit besluit is vastgesteld zonder dat daarbij rekening is gehouden met het eerdergenoemde arrest (doelgroep 2).

Ten derde wordt per kalenderjaar rechtsherstel geboden aan belastingplichtigen van wie de aanslag inkomstenbelasting, waarin sprake is van een voordeel uit en sparen en beleggen, bij de inwerkingtreding van dit besluit nog niet is vastgesteld (doelgroep 3).4

Voor alle doelgroepen geldt dat het rechtsherstel enkel wordt geboden als het berekende nieuwe voordeel uit sparen en beleggen lager is dan het op grond van de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen. Als dit niet het geval is, wordt geen rechtsherstel geboden.

3. Vormgeving van het rechtsherstel

[Regeling vervallen per 01-01-2023]

In dit onderdeel wordt ingegaan op de wijze waarop het voordeel uit sparen en beleggen in het rechtsherstel wordt berekend (onderdeel 3.1) en wanneer de aanslag inkomstenbelasting wordt verminderd of wordt vastgesteld op basis van het berekende nieuwe voordeel uit sparen en beleggen (onderdeel 3.2).

3.1. Berekening nieuwe voordeel uit sparen en beleggen

[Regeling vervallen per 01-01-2023]

Bij het rechtsherstel wordt uitgegaan van de werkelijke (in de aangifte inkomstenbelasting aangegeven) samenstelling van het vermogen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Voor iedere vermogenscategorie geldt een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage.

Het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend door vier stappen te doorlopen. Voor zover deze stappen niet afwijken van het wettelijke kader, gelden de wettelijke bepalingen onverkort (zoals de in hoofdstuk 5 Wet IB 2001 opgenomen vrijstellingen).

Stap 1 – splitsen van de bezittingen en schulden in drie vermogenscategorieën

In het rechtsherstel worden drie vermogenscategorieën van bezittingen en schulden onderscheiden. Vermogenscategorie 1 bevat de banktegoeden van de belastingplichtige aan het begin van het kalenderjaar (hierna: op de peildatum). Hieronder worden verstaan deposito’s als bedoeld in artikel 1:1 Wft en daarmee naar aard en strekking overeenkomende buitenlandse deposito’s.5

Vermogenscategorie 2 bevat alle overige bezittingen als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, Wet IB 2001 van de belastingplichtige op de peildatum.6

Vermogenscategorie 3 bestaat uit schulden als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001 van de belastingplichtige op de peildatum.

Stap 2 – berekenen van het rendement in de verschillende vermogenscategorieën

Vervolgens wordt het rendement berekend behorend bij de bovengenoemde drie vermogenscategorieën. Het forfaitaire rendementspercentage voor vermogenscategorie 1 (banktegoeden) is het gemiddelde van de maandelijkse percentages in het kalenderjaar van de gemiddelde rente op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal 3 maanden, zoals bijgehouden door De Nederlandsche Bank. Het forfaitaire rendementspercentage voor vermogenscategorie 2 (overige bezittingen) is het forfaitaire rendementspercentage voor rendementsklasse II uit het wettelijke kader (artikel 5.2 Wet IB 2001) voor het desbetreffende kalenderjaar. Tot slot is het forfaitaire rendementspercentage voor vermogenscategorie 3 (schulden) het gemiddelde van de maandelijkse percentages in het kalenderjaar van de gemiddelde rente op het totaal aan uitstaande hypotheken van huishoudens, zoals bijgehouden door De Nederlandsche Bank.

Het rendement op de verschillende vermogenscategorieën wordt vastgesteld aan de hand van de volgende forfaitaire rendementspercentages:

 

Vermogenscategorie 1

Vermogenscategorie 2

Vermogenscategorie 3

2017

0,25%

5,39%

3,43%

2018

0,12%

5,38%

3,20%

2019

0,08%

5,59%

3,00%

2020

0,04%

5,28%

2,74%

2021

0,01%

5,69%

2,46%

2022

nog niet vastgesteld

nog niet vastgesteld

nog niet vastgesteld

Het rendement wordt berekend door de som van de vermenigvuldiging van het forfaitaire rendementspercentage van vermogenscategorie 1 met de waarde van de bezittingen op de peildatum uit vermogenscategorie 1 en de vermenigvuldiging van het forfaitaire rendementspercentage van vermogenscategorie 2 met de waarde van de bezittingen op de peildatum uit vermogenscategorie 2, te verminderen met de vermenigvuldiging van het forfaitaire rendementspercentage van vermogenscategorie 3 met de waarde van de schulden op de peildatum uit vermogenscategorie 3. Als deze berekening op een negatief bedrag uitkomt, wordt het rendement op nihil gesteld.

Stap 3 – berekenen van het rendementspercentage

In de derde stap wordt het rendementspercentage berekend door het in stap 2 berekende rendement te delen door de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, Wet IB 2001.

Stap 4 – berekenen van het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen

Het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend door het in stap 3 berekende rendementspercentage te vermenigvuldigen met de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, tweede zin, Wet IB 2001.

Als de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 Wet IB 2001 wordt geacht te hebben gehad, wordt bij de toepassing van deze stappen uitgegaan van het op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001 in de aangifte inkomstenbelasting aan hem toegerekende gedeelte van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. De gezamenlijke grondslag sparen en beleggen is de gezamenlijke rendementsgrondslag op de peildatum van de belastingplichtige en zijn partner, voor zover die gezamenlijke rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn partner.

In afwijking in zoverre van artikel 2.17, derde lid, Wet IB 2001, wordt voor de verdeling van de extra uitgaven voor specifieke zorgkosten of extra aftrekbare giften, die voortvloeien uit een herrekening van het drempelinkomen door het na toepassing van het rechtsherstel gewijzigde voordeel uit sparen en beleggen, aangesloten bij de door de fiscale partners in de aangifte gekozen verdeling van de uitgaven voor specifieke zorgkosten of de aftrekbare giften. Indien belastingplichtigen op andere wijze het extra bedrag aan uitgaven voor specifieke zorgkosten of het extra bedrag aan aftrekbare giften willen verdelen, kunnen zij hiervoor een verzoek om ambtshalve vermindering indienen bij de inspecteur waarin zij hun gezamenlijke keuze kenbaar maken.

In de bijlage zijn ter illustratie enkele rekenvoorbeelden uitgewerkt.

3.2. Vermindering of vaststelling van de aanslag

[Regeling vervallen per 01-01-2023]

Voor de gevolgen van het rechtsherstel aan de in onderdeel 2 beschreven doelgroepen is van belang of al een aanslag inkomstenbelasting is vastgesteld (onderdeel 3.2.1) of nog moet worden vastgesteld (onderdeel 3.2.2).

3.2.1. Reeds vastgestelde aanslagen

[Regeling vervallen per 01-01-2023]

Als een aanslag inkomstenbelasting voor een kalenderjaar reeds is vastgesteld, dan is van belang of het in onderdeel 3.1 berekende voordeel uit sparen en beleggen lager of hoger is dan het in de aanslag ingevolge de wet vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen.

Als de berekening in onderdeel 3.1 leidt tot een voordeel uit sparen en beleggen dat lager is dan het in de aanslag inkomstenbelasting voor het betreffende kalenderjaar wettelijk vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen, dan vermindert de inspecteur de aanslag rekening houdend met het verschil tussen het op grond van onderdeel 3.1 berekende nieuwe voordeel uit sparen en beleggen en het in de aanslag ingevolge de wet vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen. Hiertoe hoeft de belastingplichtige geen verzoek in te dienen. Een wijziging van het voordeel uit sparen en beleggen werkt door in het verzamelinkomen en kan daarmee gevolgen hebben voor andere onderdelen uit de aanslag inkomstenbelasting en andere inkomensafhankelijke regelingen.

Als de berekening in onderdeel 3.1 leidt tot een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het in de aanslag inkomstenbelasting voor het betreffende kalenderjaar wettelijk vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen, dan wordt de aanslag niet aangepast. De belastingplichtige ontvangt hierover een besluit.

3.2.2. Aanslagen die nog moeten worden vastgesteld

[Regeling vervallen per 01-01-2023]

Als een aanslag inkomstenbelasting voor een kalenderjaar nog moet worden vastgesteld, dan is van belang of het in onderdeel 3.1 berekende voordeel uit sparen en beleggen lager of hoger is dan het voor het betreffende kalenderjaar ingevolge de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen.

Als de berekening in onderdeel 3.1 leidt tot een voordeel uit sparen en beleggen dat lager is dan het voor het betreffende kalenderjaar ingevolge de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen, dan wordt de aanslag inkomstenbelasting vastgesteld naar het in onderdeel 3.1 berekende voordeel uit sparen en beleggen.

Als de berekening in onderdeel 3.1 leidt tot een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het voor het betreffende kalenderjaar ingevolge de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen, dan wordt de aanslag vastgesteld naar het voor het betreffende kalenderjaar ingevolge de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen.

4. Rechtsbescherming

[Regeling vervallen per 01-01-2023]

Als een belastingplichtige het niet eens is met het conform dit besluit geboden rechtsherstel of met het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, geniet hij rechtsbescherming op de wijze waarin de wet voorziet. De bestaande mogelijkheden van rechtsbescherming worden hieronder per in onderdeel 2 beschreven doelgroep toegelicht.

Doelgroep 1

Het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, zijn niet voor bezwaar vatbaar. Als een belastingplichtige het niet eens is met het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, kan hij een verzoek om ambtshalve vermindering indienen.

Doelgroep 2

Het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, zijn niet voor bezwaar vatbaar. Als een belastingplichtige het niet eens is met het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, kan hij een verzoek om ambtshalve vermindering indienen.

Daarnaast kunnen er belastingplichtigen zijn die bij de inwerkingtreding van dit besluit nog bezwaar kunnen maken of dat reeds hebben gedaan.

Doelgroep 3

Een belastingplichtige kan binnen zes weken na dagtekening van de aanslag inkomstenbelasting bezwaar maken bij de inspecteur. Daarnaast kan een belastingplichtige om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting verzoeken.

Ambtshalve vermindering

Het hierboven genoemde verzoek om ambtshalve vermindering moet zijn ingediend binnen vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.

Tenzij ik anders beslis, kan jurisprudentie die is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan, geen aanleiding zijn om die aanslag ambtshalve te verminderen. Om die reden zal de inspecteur een verzoek (om rechtsherstel) afwijzen van een belastingplichtige die niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting, waarin sprake is van een voordeel uit sparen en beleggen. Tegen deze afwijzing staat bezwaar en beroep open.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 28 juni 2022

De Staatssecretaris van Financiën,

M.L.A. van Rij

Bijlage – rekenvoorbeelden

[Regeling vervallen per 01-01-2023]

Voorbeeld 1 | Nieuwe voordeel uit sparen en beleggen is lager dan het wettelijk vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen

Belastingplichtige heeft op 1 januari 2021 de volgende bezittingen in box 3:

Bank- en spaarproducten (hierna: banktegoeden)

€ 110.000

Beleggingen (hierna: overige bezittingen)

€ 100.000

Schulden (na toepassing schuldendrempel)

€ 10.000

Hieruit volgt een rendementsgrondslag van € 200.000 en een grondslag sparen en beleggen van € 150.000.

Berekening voordeel uit sparen en beleggen

Huidig wettelijk stelsel

Rendementsklasse I:

€ 50.000 x 67% = € 33.500

€ 33.500 x 0,03% = € 10,05

€ 100.000 x 21% = € 21.000

€ 21.000 x 0,03% = € 6,30

Rendementsklasse II:

€ 50.000 x 33% = € 16.500

€ 16.500 x 5,69% = € 938,85

€ 100.000 x 79% = € 79.000

€ 79.000 x 5,69% = € 4.495,10

Voordeel uit sparen en beleggen:

Rendementsklasse I: € 16,35

Rendementsklasse II: = € 5.433,95

Totaal: € 5.450,30

Rechtsherstel

Stap 1: Splitsen in drie categorieën

Banktegoeden: € 110.000

Beleggingen: € 100.000

Schulden: € 10.000

Stap 2: Rendement berekenen

Waarde categorie 1: € 110.000

Rendement categorie 1: 0,01%

Rendement banktegoeden: € 11

Waarde categorie 2: € 100.000

Rendement categorie 2: 5,69%

Rendement overige bezittingen: € 5.690

Waarde categorie 3: € 10.000 (en niet € 13.200)

Rendement categorie 3: 2,46%

Rendement schulden: € 246

Gezamenlijk rendement: € 5.455

Stap 3: Rendementspercentage

€ 5.455 / € 200.000 = 2,7275%

Stap 4: Nieuwe voordeel uit sparen en beleggen

2,7275% x € 150.000 = € 4.091,25

Uitkomst: Het voordeel uit sparen en beleggen wordt vastgesteld op € 4.091, omdat het op grond van onderdeel 3.1 van dit besluit berekende voordeel uit sparen en beleggen lager is dan het ingevolge de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen.

Voorbeeld 2 | Nieuwe voordeel uit sparen en beleggen is hoger dan het wettelijk vastgestelde voordeel uit sparen en beleggen

Belastingplichtige heeft op 1 januari 2021 de volgende bezittingen in box 3:

Bank- en spaarproducten (hierna: banktegoeden)

€ 110.000

Onroerende zaken (hierna: overige bezittingen)

€ 100.000

Schulden (na toepassing schuldendrempel)

€ 95.000

Hieruit volgt een rendementsgrondslag van € 115.000 en een grondslag sparen en beleggen van € 65.000.

Berekening voordeel uit sparen en beleggen

Huidig wettelijk stelsel

Rendementsklasse I:

€ 50.000 x 67% = € 33.500

€ 33.500 x 0,03% = € 10,05

€ 15.000 x 21% = € 3.150

€ 3.150 x 0,03% = € 0,945

Rendementsklasse II:

€ 50.000 x 33% = € 16.500

€ 16.500 x 5,69% = € 938,85

€ 15.000 x 79% = € 11.850

€ 11.850 x 5,69% = € 674,265

Voordeel uit sparen en beleggen:

Rendementsklasse I: € 10,995

Rendementsklasse II: = € 1.613,115

Totaal: € 1.624,11

Rechtsherstel

Stap 1: Splitsen in drie categorieën

Banktegoeden: € 110.000

Beleggingen: € 100.000

Schulden: € 95.000

Stap 2: Rendement berekenen

Waarde categorie 1: € 110.000

Rendement categorie 1: 0,01%

Rendement banktegoeden: € 11

Waarde categorie 2: € 100.000

Rendement categorie 2: 5,69%

Rendement overige bezittingen: € 5.690

Waarde categorie 3: € 95.000 (en niet € 98.200)

Rendement categorie 3: 2,46%

Rendement schulden: € 2.337

Gezamenlijk rendement: € 3.364

Stap 3: Rendementspercentage

€ 3.364 / € 115.000 = 2,925%

Stap 4: Nieuwe voordeel uit sparen en beleggen

2,925% x € 65.000 = € 1.901,39

Uitkomst: Het voordeel uit sparen en beleggen blijft of wordt vastgesteld op € 1.624, omdat het ingevolge de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen lager is dan het op grond van onderdeel 3.1 van dit besluit berekende voordeel uit sparen en beleggen.

Voorbeeld 3 | Fiscaal partnerschap en toerekening

Partner A en partner B hebben op 1 januari 2021 de volgende bezittingen in box 3:

Bank- en spaarproducten (hierna: banktegoeden)

€ 188.000

Beleggingen (hierna: overige bezittingen)

€ 112.000

Hieruit volgt een rendementsgrondslag van € 300.000 en een gezamenlijke grondslag uit sparen en beleggen van € 200.000.

In de aangifte inkomstenbelasting 2021 is aan partner A € 100.000 toegerekend van de gezamenlijke grondslag uit sparen en beleggen en aan partner B € 100.000.

Berekening voordeel uit sparen en beleggen partner A

Huidig wettelijk stelsel

Rendementsklasse I

€ 50.000 x 67% = € 33.500

€ 33.500 x 0,03% = € 10,05

€ 50.000 x 21% = € 10.500

€ 10.500 x 0,03% = € 3,15

Rendementsklasse II:

€ 50.000 x 33% = € 16.500

€ 16.500 x 5,69% = € 938,85

€ 50.000 x 79% = € 39.500

€ 39.500 x 5,69% = € 2.247,55

Voordeel uit sparen en beleggen:

Rendementsklasse I: € 13,20

Rendementsklasse II: € 3.186,40

Totaal: € 3.199,60

Rechtsherstel

Stap 1: Splitsen in drie categorieën

Banktegoeden: € 188.000

Overige bezittingen: € 112.000

Schulden: € 0

Stap 2: Rendement berekenen

Waarde categorie 1: € 188.000

Rendement categorie 1: 0,01%

Rendement banktegoeden: € 18,80

Waarde categorie 2: € 112.000

Rendement categorie 2: 5,69%

Rendement overige bezittingen: € 6.372,80

Gezamenlijk rendement: € 6.391,60

Stap 3: Rendementspercentage

€ 6.391,6 / € 300.000 = 2,1305%

Stap 4: Nieuwe voordeel uit sparen en beleggen

2,1305% x € 100.000 = € 2.130,5

Uitkomst partner A (vóór nieuwe toerekening): Het voordeel uit sparen en beleggen wordt vastgesteld op € 2.130, omdat het op grond van onderdeel 3.1 van dit besluit berekende voordeel uit sparen en beleggen lager is dan het ingevolge de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen.

Berekening voordeel uit sparen en beleggen partner B

Huidig wettelijk stelsel

Rendementsklasse I

€ 50.000 x 67% = € 33.500

€ 33.500 x 0,03% = € 10,05

€ 50.000 x 21% = € 10.500

€ 10.500 x 0,03% = € 3,15

Rendementsklasse II:

€ 50.000 x 33% = € 16.500

€ 16.500 x 5,69% = € 938,85

€ 50.000 x 79% = € 39.500

€ 39.500 x 5,69% = € 2.247,55

Voordeel uit sparen en beleggen:

Rendementsklasse I: € 13,20

Rendementsklasse II: € 3.186,40

Totaal: € 3.199,60

Rechtsherstel

Stap 1: Splitsen in drie categorieën

Banktegoeden: € 188.000

Overige bezittingen: € 112.000

Schulden: € 0

Stap 2: Rendement berekenen:

Waarde categorie 1: € 188.000

Rendement categorie 1: 0,01%

Rendement banktegoeden: € 18,80

Waarde categorie 2: € 112.000

Rendement categorie 2: 5,69%

Rendement overige bezittingen: € 6.372,8

Gezamenlijk rendement: € 6.391,6

Stap 3: Rendementspercentage

€ 6.391,6 / € 300.000 = 2,1305%

Stap 4: Nieuwe voordeel uit sparen en beleggen

2,1305% x € 100.000 = € 2.130,5

Uitkomst partner B (vóór nieuwe toerekening): Het voordeel uit sparen en beleggen wordt vastgesteld op € 2.130, omdat het op grond van onderdeel 3.1 van dit besluit berekende voordeel uit sparen en beleggen lager is dan het ingevolge de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen.

Uitkomst partner A & B (vóór nieuwe toerekening): Het voordeel sparen en beleggen van partner A en partner B tezamen bedraagt: € 4.261

Nieuwe toerekening

Partner A en partner B kiezen vervolgens voor een herverdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen en rekenen van de grondslag sparen en beleggen een bedrag van € 50.000 toe aan partner A en € 150.000 aan partner B.

Berekening voordeel uit sparen en beleggen partner A

Huidig wettelijk stelsel

Rendementsklasse I

€ 50.000 x 67% = € 33.500

€ 33.500 x 0,03% = € 10,05

Rendementsklasse II:

€ 50.000 x 33% = € 16.500

€ 16.500 x 5,69% = € 938,85

Voordeel uit sparen en beleggen:

Rendementsklasse I: € 10,05

Rendementsklasse II: € 938,85

Totaal: € 948,90

Rechtsherstel

Stap 1: Splitsen in drie categorieën

Banktegoeden: € 188.000

Overige bezittingen: € 112.000

Schulden: € 0

Stap 2: Rendement berekenen

Waarde categorie 1: € 188.000

Rendement categorie 1: 0,01%

Rendement banktegoeden: € 18,80

Waarde categorie 2 € 112.000

Rendement categorie 2: 5,69%

Rendement overige bezittingen: € 6.372,8

Gezamenlijk rendement: € 6.391,6

Stap 3: Rendementspercentage

€ 6.391,6 / € 300.000 = 2,1305%

Stap 4: Nieuwe voordeel uit sparen en beleggen

2,1305% x € 50.000 = € 1.065,25

Uitkomst partner A (na nieuwe toerekening): Het voordeel uit sparen en beleggen blijft of wordt vastgesteld op € 948, omdat het ingevolge de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen lager is dan het op grond van onderdeel 3.1 van dit besluit berekende voordeel uit sparen en beleggen.

Berekening voordeel uit sparen en beleggen partner B

Huidig wettelijk stelsel

Rendementsklasse I

€ 50.000 x 67% = € 33.500

€ 33.500 x 0,03% = € 10,05

€ 100.000 x 21% = € 21.000

€ 21.000 x 0,03% = € 6,30

Rendementsklasse II:

€ 50.000 x 33% = € 16.500

€ 16.500 x 5,69% = € 938,85

€ 100.000 x 79% = € 79.000

€ 79.000 x 5,69% = € 4.495,10

Voordeel uit sparen en beleggen:

Rendementsklasse I: € 16,35

Rendementsklasse II: € 5.433,95

Totaal: € 5.450,30

Rechtsherstel

Stap 1: Splitsen in drie categorieën

Banktegoeden: € 188.000

Overige bezittingen: € 112.000

Schulden: € 0

Stap 2: Rendement berekenen

Waarde categorie 1:

Rendement categorie 1: 0,01%

Rendement banktegoeden: € 18,80

Waarde categorie 2: € 112.000

Rendement categorie 2: 5,69%

Rendement overige bezittingen: € 6.372,8

Gezamenlijk rendement: € 6.391,6

Stap 3: Rendementspercentage

€ 6.391,6 / € 300.000 = 2,1305%

Stap 4: Nieuwe voordeel uit sparen en beleggen

2,1305% x € 150.000 = € 3.195,75

Uitkomst partner B (na nieuwe toerekening): Het voordeel uit sparen en beleggen wordt vastgesteld op € 3.195, omdat het op grond van onderdeel 3.1 van dit besluit berekende voordeel uit sparen en beleggen lager is dan het ingevolge de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen.

Uitkomst partner A en B (na nieuwe toerekening): Het voordeel sparen en beleggen van partner A en partner B tezamen bedraagt: € 4.144,65. Terwijl vóór de herverdeling het gezamenlijk voordeel sparen en beleggen € 4.261 bedroeg.

  1. De aanwijzing is voor het jaar 2017 opgenomen in het Besluit van 7 juli 2018, nr. 2018-12775 (Stcrt. 2018, 39781). Voor het jaar 2018 is de aanwijzing opgenomen in het Besluit van 18 april 2019, nr. 2019-8322 (Stcrt. 2019, 23335). Voor het jaar 2019 is de aanwijzing opgenomen in het Besluit van 23 april 2020, nr. 2020-75650 (Stcrt. 2020, 24107) en voor het jaar 2020 is de aanwijzing opgenomen in het Besluit van 28 mei 2021, nr. 2021-97946 (Stcrt. 2021, 28130). ^ [1]
  2. Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963. ^ [2]
  3. Collectieve uitspraak van 4 februari 2022, nr. 2022-35664 (Stcrt. 2022, 4198). ^ [3]
  4. Hoewel strikt genomen geen sprake is van ‘rechtsherstel’ voor deze doelgroep, wordt deze term omwille van de duidelijkheid en eenvoud ook voor doelgroep 3 gebruikt. ^ [4]
  5. De vermogenscategorie ‘banktegoeden’ bestaat uit bank- en spaartegoeden in Nederland en bank- en spaartegoeden in het buitenland. ^ [5]
  6. De vermogenscategorie ‘overige bezittingen’ bestaat uit beleggingen, kapitaalverzekeringen, contant geld, uitgeleend geld en andere vorderingen, rechten op periodieke uitkeringen en overige bezittingen. ^ [6]
Naar boven