Stcrt. 2026, 600, datum inwerkingtreding 15-01-2026, bevat een wijziging met terugwerkende
kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2025.
4 Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, worden de volgende normbedragen gehanteerd:
-
a. voor het eerste contact, registratie en inventarisatie van hulpvragen als bedoeld
in artikel 3, eerste lid, onder a: € 402,– per gezin;
-
b. voor het opstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b: € 3.673,– per potentieel gedupeerde of persoon, genoemd in artikel 2.21 Wht;
-
c. voor de nazorg, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder d: € 1.901,– per plan van aanpak;
-
d. voor een driegesprek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder f: € 424,– per gesprek.
7 Bij de verantwoording van de activiteiten genoemd in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e., heeft het college de keuze om hetzij de daadwerkelijke kosten dan wel het daarvoor
gestelde normbedrag te verantwoorden. Het college geeft het normbedrag jaarlijks op.
Deze opgave is, behoudens de eenmalige wijziging als bedoeld in het derde lid, onherroepelijk
en geldt voor de gehele looptijd van deze regeling. De volgende normbedragen worden
gehanteerd, afhankelijk van het aantal (potentieel) gedupeerden, dat een gemeente
heeft en bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen bekend is voor het jaar waarin
de gemeente het normbedrag opvoert:
tot 50 (potentieel) gedupeerden: € 12.707,–;
vanaf 50 tot 100 (potentieel) gedupeerden: € 50.829,–;
vanaf 100 tot 1.000 (potentieel) gedupeerden: € 127.073,–;
vanaf 1.000 (potentieel) gedupeerden: € 264.736,–.