Regeling Woningbouwimpuls 2020

Geraadpleegd op 06-02-2026.
Geldend van 01-01-2026 t/m heden.

Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 mei 2020, nr. 2020-0000027462, houdende nadere regels met betrekking tot verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van het versnellen van de bouw van betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving (Regeling Woningbouwimpuls 2020)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op de artikelen 2, vierde lid, 3, eerste lid, 4, vijfde lid, 5, derde lid, 6, derde lid, 7, zesde lid, en artikel 10, derde lid, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • aantoonbare financiële tekort: aantoonbare financiële tekort als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het besluit;

  • afgebakend projectgebied: gebied dat zich kenmerkt door ten minste twee van de volgende kenmerken:

    • a. financiële samenhang;

    • b. geografische samenhang; en

    • c. organisatorische samenhang;

  • besluit: Besluit Woningbouwimpuls 2020;

  • commissie: Toetsingscommissie Woningbouwimpuls als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het besluit;

  • functioneel woningmarktgebied: een gebied dat zich van andere functionele woningmarktgebieden onderscheid in de mate waarin sprake is van een daadwerkelijk regionaal woningtekort, gelet op feitelijke verhuisstromen, zoals ingedeeld door ABF Research in haar Primos-prognose 2025;

  • minister: de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;

  • start van de bouwwerkzaamheden:

    • a. in het geval van nieuwbouw en flexwoningen: Het begin van bouwactiviteiten van een toegestaan bouwwerk waarover het bevoegd gezag is geïnformeerd of waarvan de feitelijke bouw is aangevangen door minimaal de aanleg van de fundering. Als start van bouwwerkzaamheden geldt:

      • i. het ontgraven van de grond ten behoeve van de funderingswerkzaamheden van het bouwwerk;

      • ii. indien de funderingswerkzaamheden plaatsvinden vóór het ontgraven van de grond, de start van het heiwerk ten behoeve van het bouwwerk; of

      • iii. het boren dan wel slaan van een zich onder het perceel van het onderhavige bouwwerk bevindende bron ten behoeve van (bijvoorbeeld) een warmte- en koudeopslaginstallatie; en

      als start van bouwwerkzaamheden geldt niet:

      • iv. het plaatsen van één of meerdere bouwketen;

      • v. het plaatsen van containers ten behoeve van opslag van materialen;

      • vi. het inrichten en/of omheinen of uitzetten van het bouwterrein;

      • vii. het slaan van de ‘eerste heipaal’, tenzij deze paal echt als eerste wordt geslagen;

      • viii. het slaan van een eventueel noodzakelijke damwand;

      • ix. het slopen van eventueel nog bestaande opstallen;

      • x. het ontgraven van de grond ten behoeve van bijvoorbeeld saneringswerkzaamheden of de grondwaterhuishouding; en

      • xi. het bouwrijp maken van het terrein.

    • b. in het geval van verbouw: toegestane verbouwactiviteiten van een ter plaatse toegestaan bestaand bouwwerk, waarbij sprake is van minimaal constructieve maatregelen aan het bestaande bouwwerk en/of de toevoeging van vierkante meters ruimten met woonfunctie, waaronder in ieder geval transformatie, splitsen en optoppen. Als start van bouwwerkzaamheden bij verbouw geldt:

      • i. het toevoegen/aanpassen van een nieuwe draagstructuur;

      • ii. het aanleggen/aanpassen van een additionele nutsvoorziening;

      • iii. het toevoegen van ontsluitingsroutes in het gebouw;

      • iv. in het geval van optoppen betreft het startmoment het plaatsen van een woning op het dak of het aanbrengen van constructieve voorzieningen;

      • v. in het geval transformatie betreft het startmoment de eerste bouwkundige verbouwhandeling die voortkomt uit de onderliggende omgevingsvergunning; of

      • vi. in het geval splitsen betreft het startmoment het realiseren van gescheiden toegangen tot de woningen, het plaatsen van woningscheidende wanden of het realiseren van fysiek gescheiden nutsvoorzieningen;

  • uitkering: specifieke uitkering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit;

  • uitkeringsbeschikking: beschikking als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het besluit;

  • woning: een zelfstandige woonruimte, een gebouw bestaande uit onzelfstandige woonruimten, of een woonwagen.

Artikel 2. Nadere regels inzake de activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt

De uitkering wordt slechts toegekend ten behoeve van bijdragen in een project dat is gericht op het uitvoeren van activiteiten die zijn gericht op:

  • 1) de toerekenbare infrastructurele ontsluiting;

  • 2) verlaging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden;

  • 3) bodemsanering in een afgebakend projectgebied; of

  • 4) uitplaatsing van activiteiten die de realisatie van woningen beperken of belemmeren.

Artikel 3. Nadere voorwaarden projecten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt

  • 1 De uitkering wordt slechts toegekend ten behoeve van bijdragen in een project dat is gericht op:

    de netto toevoeging van minstens 200 woningen in een afgebakend projectgebied, met een minimaal aandeel van 50% betaalbare woningen.

  • 2 Een project wordt binnen afzienbare tijd als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, van het besluit opgestart, indien de start van de bouwwerkzaamheden binnen het project uiterlijk binnen drie jaren na de datum van de uitkeringsbeschikking aanvangen en de overige bouwwerkzaamheden uiterlijk binnen tien jaren na die datum aanvangen.

Artikel 4. De aanvraag

  • 1 De minister kan besluiten een aanvraagtijdvak te openen waarin uitsluitend colleges van burgemeester en wethouders die in een voorafgaand aanvraagtijdvak een aanvraag hebben ingediend die is afgewezen een aanvraag kunnen doen voor hetzelfde project als waarop de afgewezen aanvraag zag. Het aanvraagtijdvak vangt aan binnen 17 weken na het sluiten van het voorafgaande aanvraagtijdvak.

  • 2 Een omschrijving van een project als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a, van het besluit, bestaat in ieder geval uit:

    • a. een toelichting op de ligging en afbakening van het projectgebied;

    • b. een omschrijving van het project, waaronder in ieder geval een toelichting op noodzaak van de uit te voeren activiteiten, genoemd in artikel 2;

    • c. een kwantitatief overzicht van de te realiseren woningen uitgesplitst naar de categorieën betaalbare woningen;

    • d. de verwachte begin- en einddatum van het project.

  • 3 Een haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder b, van het besluit, is een grondexploitatie en bevat ten minste:

    • a. een begroting en prognose van publieke kosten en opbrengsten, waarmee het aantoonbare financiële tekort wordt onderbouwd;

    • b. een toelichting op de kosten en opbrengsten zoals opgenomen in de in onderdeel a bedoelde begroting en prognose, waaronder in ieder geval een toelichting op de noodzaak, toerekenbaarheid en proportionaliteit van de activiteiten van de gemeente ten behoeve van de te realiseren woningen;

    • c. een overzicht van de stand van zaken van het project op het moment waarop de aanvraag is ingediend;

    • d. een toelichting op de haalbaarheid van de verwachte begin- en einddatum van het project, waarin wordt ingegaan op de fasering van de woningbouw, de organisatie van het project en de zekerheid van een tijdige realisatie.

  • 4 Een aanvraag wordt ingediend via een formulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

  • 5 In een aanvraagtijdvak kan een gemeente ten hoogste drie aanvragen indienen.

  • 6 De uitkeringsbeschikking vermeldt in elk geval:

    • a. aan welke activiteiten voor het versnellen of realiseren van de bouw van woningen met de uitkering wordt bijgedragen;

    • b. het bedrag van de uitkering;

    • c. de wijze van verantwoording over de besteding van de uitkering;

    • d. de periode waarvoor de uitkering wordt verleend; en

    • e. de wijze waarop kan worden aangetoond dat de activiteiten binnen het project zijn verricht.

  • 7 De minister betaalt in het geval van een toekennende uitkeringsbeschikking, de uitkering in één keer uit. De minister verleent daarbij een voorschot van 100%.

  • 8 Aan een uitkering kunnen in de uitkeringsbeschikking nadere verplichtingen worden verbonden.

Artikel 5. Scoring van aanvragen

De scores en de weging van de criteria, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder 1° tot en met 4°, van het besluit, worden bepaald conform bijlage I. De totaalscore van een aanvraag is het gewogen gemiddelde van de scores op die criteria.

Artikel 6. Rangschikking van aanvragen

  • 2 Indien na toepassing van het eerste lid nog steeds meerdere aanvragen gelijk scoren worden die aanvragen onderling gerangschikt op grond van de hoogte van de gevraagde bijdrage per woning, waarbij de aanvraag met de laagste bijdrage per woning het hoogst eindigt.

  • 3 Indien een aanvraag niet volledig kan worden toegekend in verband met de overschrijding van het krachtens artikel 3, eerste lid, van het besluit, vastgestelde bedrag, kan de minister besluiten om de aanvraag toch toe te wijzen en het restant van de uitkering ten laste te brengen van het uitkeringsplafond van het eerstvolgende aanvraagtijdvak. De minister kan, in afwijking van artikel 4, zevende lid, voor een geval als bedoeld in de eerste volzin besluiten om de uitkering in twee keer uit te betalen.

Artikel 7. Weigeringsgronden

  • 3 Op grond van de woningbouwopgave van de regio’s, genoemd in het tweede lid, wordt beoordeeld of sprake is van een onevenwichtige spreiding van de beschikbare middelen over die regio’s. De woningbouwopgave wordt bepaald op basis van de door de minister in het kader van de in de meest actuele staat van de woningmarkt gepubliceerde cijfers over het tekort aan woningen.

Artikel 8. Leden van de commissie

  • 1 De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste drie en ten hoogste vier leden.

  • 2 De leden worden door de minister benoemd voor de duur van vier jaar of tot uiterlijk zoveel eerder dat het uitkeringsplafond, genoemd in artikel 3, is uitgeput.

  • 3 De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.

  • 4 De voorzitter en de leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.

Artikel 9. Ondersteuning van de commissie

  • 1 De commissie wordt ondersteund door een secretariaat.

  • 2 In het secretariaat wordt voorzien door de minister.

  • 3 Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie.

Artikel 10. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit woningbouwimpuls 2020 in werking treedt. Indien aan het besluit terugwerkende kracht wordt verleend, werkt deze regeling terug tot het tijdstip waarop het besluit terugwerkt.

Artikel 11. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Woningbouwimpuls 2020.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K.H. Ollongren

Bijlage 1. behorende bij artikel 5

Beoordelingscriteria en weging

De totaalscore van een aanvraag wordt als volgt bepaald: elk hoofdcriterium krijgt een deelscore op een schaal van 1 tot 10. De totaalscore van een aanvraag is: deelscore noodzaak*0,30 + deelscore effectiviteit*0,30 + deelscore efficiëntie*0,15 + deelscore urgentie*0,25.

1. Noodzaak specifieke uitkering

In dit criterium staat de beoordeling van de noodzaak van de aangevraagde specifieke uitkering centraal. Daarvoor wordt gekeken of er sprake is van een realistisch en marktconform publiek tekort en de gevraagde bijdrage die daaruit voortkomt. De beoordeling van dit onderdeel omvat in ieder geval een toetsing op in hoeverre er daadwerkelijk sprake is van een tekort, hoe goed dit tekort is onderbouwd, of de gehanteerde uitgangspunten passen bij het beleid en in welke mate het tekort kwalitatief, programmatisch en financieel is geoptimaliseerd.

Aan de hand van het tweede subcriterium wordt bepaald in hoeverre het project bijdraagt aan de betaalbaarheidsprogrammering in de regionale woningbouwopgave (indicator 1) en de nationale woningbouwopgave (indicator 2).

2. Effectiviteit project

Aan de hand van eerste subcriterium wordt bepaald in hoeverre het realistisch is dat het project start met de bouw binnen de gestelde termijnen van drie jaar (eerste woning) en 10 jaar (laatste woning). Daarbij wordt gekeken naar de hardheid van de plannen, zoals de huidige status van het proces, de nog te doorlopen planologische procedures en de mate van zekerheid dat het project bij een positief besluit doorgaat, tijdig van start gaat en voortvarend wordt gerealiseerd. Ook de mate waarin relevante stakeholders de inschrijving steunen wordt meegewogen in de beoordeling. Daarnaast wordt gekeken of de inzet van instrumenten als parallel plannen of een (regionale) versnellingstafel kunnen bijdragen aan de haalbaarheid van het project.

3. Efficiëntie project

Op basis van dit criterium wordt beoordeeld in hoeverre sprake is van een gerichte en doelmatige inzet van financiële middelen. De beoordeling richt zich op de proportionaliteit van de aangevraagde specifieke uitkering ten opzichte van het aantal te realiseren woningen. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de gemiddelde bijdrage per woning en de verhouding tussen de aangevraagde uitkering en de gemeentelijke bijdrage.

Bij de beoordeling moet ook rekening worden gehouden met het belang van bedrijven en ruimte voor werk. Om te voorkomen dat rijksmiddelen ongewild bijdraagt aan het verplaatsen van vitale en/of kritische bedrijven ten behoeve van woningbouw wordt een doelmatigheidstoets uitgevoerd op dit type ingediende gebiedsmaatregelen. Bij deze toets is de desbetreffende verplaatsing beoordeeld op de prijs per m² kavel waarbij een bandbreedte is gehanteerd van € 1.300 – 1.400 aan maximale kosten. Daarnaast is beoordeeld of er (voldoende) compensatieruimte beschikbaar is gesteld om bedrijven een geschikt alternatief te kunnen bieden

4. Urgentie

Dit hoofdcriterium onderscheidt zich van de andere drie hoofdcriteria omdat de score op dit criterium vaststaat en niet afzonderlijk beoordeeld hoeft te worden door de commissie. De score wordt wel meegenomen bij het bepalen van de totaalscore door de toetsingscommissie. Het hoofdcriterium urgentie betreft:

  • Omvang van de woningbouwopgave: de relatieve omvang van de woningbouwopgave in het functioneel woningmarktgebied waar de aanvragende gemeente is gelegen. De relatieve woningbouwopgave wordt bepaald op basis van de nieuwbouwopgave als aandeel van de bestaande voorraad. Gemeenten krijgen een score tussen de 2 en 8 punten voor het subcriterium omvang woningbouwopgave. In artikel 7, derde lid, is beschreven hoe de woningbouwopgave wordt bepaald.

  • Locatie specifieke opgave; Voor het subcriterium locatie specifieke opgave kunnen maximaal 2 punten worden gehaald. De twee manieren om de punten te behalen zijn:

    • i. De locatie is gelegen in een gebied dat valt onder het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (2 punten), of;

    • ii. De locatie is gelegen in een regionale grootschalige woningbouwlocatie (2 punten).

Schematische weergave beoordelingskader
 

Criteria ter beoordeling door de Toetsingscommissie

Aanvullend criterium

 

1. Noodzaak bijdrage

2. Effectiviteit project

3. Efficiëntie project

4. Urgentie

Weging deelscore %

30%

30%

15%

25%

Subcriterium 1

Realiteitsgehalte tekort

Hardheid: zekerheid tijdig realiseren van woningen

Proportionaliteit van de gevraagde bijdrage

Omvang woningbouwopgave

Indicatoren

1. Onderbouwing kosten activiteiten en omvang financieel tekort.

2. Aantonen dat alle mogelijkheden tot verhaal zijn uitgeput.

3. De mate waarin het project kwalitatief en financieel is geoptimaliseerd binnen de randvoorwaarden.

1. Moment van startbouw en planning voor startbouw.

2. Planologische status project.

3. Steun van relevante partijen, zoals corporatie(s) en ontwikkelaar(s).

4. Aantonen van voldoende garanties voor het tijdig realiseren van het project waarvoor bijdrage gevraagd wordt, waaronder de eventuele inzet van de instrumenten parallel plannen en de (regionale) versnellingstafel.

1. Gevraagde bijdrage per woning.

2. Gevraagde bijdrage per betaalbare woning.

3. Gevraagde bijdrage als percentage van het financiële tekort.

4. Prijs per vierkante meter bij bedrijfsverplaatsingen.

1. De relatieve omvang van de woningbouwopgave in het functionele woningmarktgebied.

Subcriterium 2

Bijdrage aan woningbouwopgave

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Locatiespecifieke opgave

Indicatoren

1. De bijdrage van het project aan de doelstellingen ten aanzien van de betaalbaarheidsprogrammering in de regionale woningbouwopgave.

2. In hoeverre de bijdrage van het project overeenkomt met de landelijke betaalbaarheidsprogrammering.

   

1. Regionale grootschalige woningbouwlocatie, of:

2. Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid.