Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek [...] grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector

[Regeling vervalt per 01-01-2025.]
Geldend van 01-01-2020 t/m heden

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2019, nr. 2019-0000139944, tot het verstrekken van subsidies in het kader van leren en ontwikkelen in het mkb en in het grootbedrijf in de sectoren landbouw, horeca en recreatie (Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikelen 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • aanvraagtijdvak: een tijdvak waarin aanvragen voor subsidie op grond van deze regeling kunnen worden ingediend;

  • beroepsopleiding in de derde leerweg: beroepsopleiding als bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • brancheorganisatie: een organisatie opgericht voor 1 januari 2020, die het doel van de regeling blijkens de statuten onderschrijft en de belangen behartigt van leden die tot eenzelfde bedrijfstak behoren;

  • brutoloon: bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werkenden als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende collectieve arbeidsovereenkomst of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief overige vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten;

  • de-minimisverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352);

  • erkend leerbedrijf: een erkend bedrijf of erkende organisatie als bedoeld in artikel 7.2.10 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • grootbedrijf: een onderneming waar 250 personen of meer werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen overschrijdt, berekend over het laatst afgesloten boekjaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag;

  • initiatief: een activiteit of reeks van activiteiten die leidt tot het stimuleren van leren en ontwikkelen in een mkb-onderneming of in een grootbedrijf in de landbouw-, horeca- of recreatiesector en dat gesubsidieerd wordt door deze regeling;

  • kaderregeling: de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

  • kleine onderneming: een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal € 10 miljoen niet overschrijdt, berekend over het laatst afgesloten boekjaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag;

  • landbouw-, horeca- of recreatiesector: sectoren die vallen onder een van de codes van de Standaard Bedrijfsindeling van het CBS, opgenomen in de bijlage bij deze regeling;

  • landbouwbedrijven: ondernemingen die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 (PbEU 2013, L 352);

  • middelgrote onderneming: een onderneming, niet zijnde een kleine onderneming, waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt, berekend over het laatst afgesloten boekjaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag;

  • minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  • mkb-onderneming: een kleine of middelgrote onderneming;

  • O&O-fonds: een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds, opgericht bij een bij de minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;

  • onderwijsinstelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • praktijkleerplaats: tijdsduur gedurende welk een bedrijf of organisatie onderricht in de praktijk van het beroep voor een leerling, deelnemer of student verzorgt op grond van een praktijkleerovereenkomst;

  • praktijkleerovereenkomst: een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 7.7, vijfde lid, van de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of artikel 10b3 van de Wet op het voorgezet onderwijs, dan wel stage-overeenkomst als bedoeld in artikel 9 van het Onderwijskundig besluit WEC, respectievelijk artikel 35 van het Inrichtingsbesluit WVO;

  • initiatiefperiode: periode tussen het tijdstip waarop een initiatief start en wordt beëindigd;

  • samenwerkingsverband: een bij overeenkomst vastgelegde samenwerking tussen ten minste twee mkb-ondernemingen eventueel aangevuld met een of meer organisaties waarbij iedere partij van het samenwerkingsverband een activiteit, vastgelegd in het activiteitenplan, uitvoert en geen van de partijen meer dan 80% van de kosten van de samenwerking draagt;

  • subsidieaanvrager: de aanvrager van een subsidie op grond van deze regeling;

  • werkenden: alle in de onderneming werkzame personen;

  • werkgeversvereniging: een vereniging van werkgevers met volledige rechtsbevoegdheid, die ten tijde van de subsidieaanvraag partij is bij een op het moment van aanvraag geldende collectieve arbeidsovereenkomst, of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende collectieve arbeidsovereenkomst of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, dan wel een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die is aangesloten bij een centrale werkgeversorganisatie;

  • werknemersvereniging: vereniging van werknemers met volledige rechtsbevoegdheid, niet zijnde zelfstandigen zonder personeel, die partij is bij een op het moment van aanvraag geldende collectieve arbeidsovereenkomst of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende collectieve arbeidsovereenkomst of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling.

Artikel 2. Toepasselijkheid kaderregeling en benodigde formulieren

  • 1 Op het aanvragen en verstrekken van subsidies op grond van deze regeling is de kaderregeling, met uitzondering van de artikelen 3.1 en 7.1, van toepassing.

  • 2 De formulieren, modellen en formats waarnaar in deze regeling wordt verwezen, zijn door de minister elektronisch beschikbaar gesteld op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 3. Doel van de regeling

Het doel van deze regeling is om door middel van subsidie een bijdrage te leveren aan initiatieven in mkb-ondernemingen en in grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector, gericht op het stimuleren van leren en ontwikkelen.

Artikel 4. Subsidiabele activiteiten

  • 1 De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor het bekostigen van onderstaande activiteiten die uiting geven aan het doel van deze regeling:

    • a. de doorlichting van de onderneming uitmondend in een opleidings- of ontwikkelplan gericht op het inzichtelijk maken van de scholingsbehoefte vanuit het perspectief van de onderneming;

    • b. het verkrijgen van loopbaan- of ontwikkeladviezen ten behoeve van werkenden in de onderneming, of in geval van een samenwerkingsverband werkenden in andere mkb-ondernemingen;

    • c. het ondersteunen en begeleiden bij het ontwikkelen of invoeren van een methode in de onderneming die werkenden in de onderneming stimuleert hun kennis, vaardigheden en beroepshouding verder te ontwikkelen tijdens het werk; of

    • d. het gedurende enige tijd bieden van praktijkleerplaatsen ten behoeve van een beroepsopleiding of een deel daarvan in de derde leerweg bij een erkend leerbedrijf.

  • 2 Een initiatief bestaande uit een activiteit als bedoeld onder onderdeel a, b en c, komt alleen voor subsidie in aanmerking indien de subsidiabele kosten ten minste € 5.000 bedragen.

Artikel 5. Aanvraagtijdvak

Een subsidieaanvraag kan jaarlijks bij de minister worden ingediend in de volgende tijdvakken:

  • a. voor aanvragen op grond van hoofdstuk 2, van 2 maart 12:00 uur tot en met 31 maart 17:00 uur en van 1 september 09:00 uur tot en met 30 september 17:00 uur;

  • b. voor aanvragen op grond van de hoofdstukken 3 of 4, van 1 april 09:00 uur tot en met 30 juni 17:00 uur.

Artikel 6. Subsidieplafond

  • 1 Het subsidieplafond voor subsidies op grond van hoofdstuk 2 bedraagt voor het jaar 2020:

    • a. € 15 miljoen voor het tijdvak van 2 maart 12:00 uur tot en met 31 maart 17:00 uur;

    • b. € 14,5 miljoen voor het tijdvak van 1 september 09:00 uur tot en met 30 september 17:00 uur.

  • 2 Het subsidieplafond voor subsidies op grond van hoofdstuk 3 bedraagt voor het jaar 2020 € 17,5 miljoen.

  • 3 Het subsidieplafond voor subsidies op grond van hoofdstuk 4 bedraagt voor het jaar 2020 € 1,2 miljoen.

  • 4 Voor latere jaren stelt de minister telkens voor 1 januari het subsidieplafond vast.

Artikel 7. Subsidieaanvraag

  • 1 In de subsidieaanvraag wordt onder meer vermeld:

    • a. een beschrijving van het initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • b. het bedrag waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • c. de startdatum van het initiatief, de verwachte datum van afronding van het initiatief en een planning van de te ondernemen activiteiten.

  • 2 De subsidieaanvrager dient de subsidieaanvraag in door middel van een elektronisch aanvraagformulier getekend door een functionaris, bevoegd om namens de subsidieaanvrager te handelen, en vergezeld van een activiteitenplan en begroting.

  • 3 De subsidieaanvrager dient een de-minimisverklaring in. Indien sprake is van een samenwerkingsverband, is een de-minimisverklaring van alle partijen van het samenwerkingsverband vereist.

  • 4 Voor de opzet van het activiteitenplan wordt in het daarvoor geldende format, onverminderd artikel 3.4 van de kaderregeling, in ieder geval opgenomen:

    • a. op welke wijze het initiatief bijdraagt aan het in artikel 3 omschreven doel;

    • b. of en in hoeverre andere partijen betrokken en geconsulteerd zijn;

    • c. op welke wijze het initiatief wordt geëvalueerd;

    • d. waarom subsidiëring vanuit de rijksoverheid in de gevraagde omvang noodzakelijk is.

  • 5 Per aanvraagtijdvak kan er één subsidieaanvraag worden ingediend door dezelfde subsidieaanvrager.

  • 6 Een subsidieaanvraag kan bestaan uit meerdere activiteiten.

  • 7 Voor zover de subsidieaanvrager voor dezelfde begrote kosten of een deel daarvan ook subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan of rechtspersoon, doet hij daarvan mededeling in de subsidieaanvraag, onder vermelding van de stand van zaken van de beoordeling van die andere aanvraag.

  • 8 Door het indienen van een aanvraag stemt de subsidieaanvrager ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar wordt gemaakt.

Artikel 8. Rangschikking behandeling subsidieaanvragen

  • 1 Bij overschrijding van een subsidieplafond als bedoeld in artikel 6, wordt na afloop van het aanvraagtijdvak door middel van loting de volgorde vastgesteld waarin de ontvangen subsidieaanvragen worden afgehandeld.

  • 2 Alleen volledige subsidieaanvragen worden in behandeling genomen.

  • 3 Onvolledige subsidieaanvragen worden, na aanvulling door de subsidieaanvrager, geplaatst aan het einde van de lijst die volgt uit de loting, waarbij het tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag bepalend is voor de volgorde van plaatsing op die lijst.

Artikel 9. Beschikking tot subsidieverlening

  • 1 Op een subsidieaanvraag wordt binnen 18 weken beslist. De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op grond van de voorwaarden, bedoeld in artikel 7, en voor zover sprake is van een samenwerkingsverband de eisen, bedoeld in artikel 21.

  • 2 De minister kan zich voor de beoordeling van de aanvraag laten adviseren door externe partijen.

  • 3 De beschikking tot subsidieverlening vermeldt in ieder geval het initiatief waarvoor subsidie wordt verleend, het subsidiebedrag en de start- en einddatum van het initiatief.

  • 4 In geval van een samenwerkingsverband vermeldt de beschikking tot subsidieverlening, in aanvulling op het derde lid, de partijen van het samenwerkingsverband en de verdeling van het subsidiebedrag van de partijen in het samenwerkingsverband.

Artikel 10. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidie in ieder geval geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien:

  • a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen;

  • b. de beoogde initiatieven en resultaten onvoldoende meetbaar zijn geformuleerd;

  • c. de subsidieaanvraag ziet op een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende of beroepsopleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • d. de haalbaarheid van de beoogde aanpak onvoldoende aannemelijk is gemaakt;

  • e. de evaluatieopzet onvoldoende of ongeschikt is om de effectiviteit en bruikbaarheid van een initiatief te kunnen beoordelen;

  • f. een initiatief niet uitvoerbaar is binnen bestaande wet- en regelgeving;

  • g. onvoldoende is aangetoond dat subsidie noodzakelijk is voor het uitvoeren van een initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • h. op grond van deze regeling binnen een aanvraagtijdvak reeds subsidie is verleend voor een soortgelijk of vergelijkbaar initiatief ten behoeve van dezelfde onderneming of hetzelfde samenwerkingsverband;

  • i. er geen de-minimisverklaring is afgegeven;

  • j. de subsidieaanvraag tot gevolg heeft dat een subsidieplafond als bedoeld in artikel 6 wordt overschreden; of

  • k. de subsidieaanvraag ziet op het ontwikkelen van een initiatief niet bedoeld voor werkenden in de onderneming maar voor commerciële doeleinden.

Artikel 11. Looptijd

  • 1 Een initiatief voor subsidies op grond van hoofdstuk 2 wordt afgerond binnen een periode van 12 maanden.

  • 2 Een initiatief voor subsidies op grond van de hoofdstukken 3 of 4 wordt afgerond binnen een periode van 24 maanden.

  • 3 Een initiatief kan pas aanvangen na ontvangst van de volledige subsidieaanvraag en wordt uitgevoerd binnen de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde initiatiefperiode.

  • 4 De looptijd, bedoeld in het eerste of tweede lid, vangt aan 3 maanden na de subsidieverlening, hetgeen is vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 12. Subsidiabele kosten

  • 1 Voor de subsidie van initiatieven als bedoeld onder artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en c, komen de volgende kosten in aanmerking:

    • a. externe kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt ter uitvoering van een subsidiabel initiatief;

    • b. directe loonkosten van de personen die zich in het bedrijf van de subsidieaanvrager of een van de partijen van het samenwerkingsverband bezighouden met de uitvoering van het initiatief, berekend op basis van het brutoloon van die personen en vermeerderd met een opslag van 32%, naar rato van individuele gerealiseerde uren en uitgaande van 1.720 werkbare uren op jaarbasis; en

    • c. een toeslag van 15% op de onder a en b bedoelde kosten ter subsidiëring van overige gemaakte kosten.

  • 2 De kosten zijn, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, door de subsidieaanvrager daadwerkelijk gemaakt en betaald, ten laste van het initiatief gebleven en rechtstreeks aan het initiatief toe te rekenen.

  • 3 Voor externe opdrachten wordt de marktconformiteit van de kosten bepaald door:

    • a. een offerteprocedure waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld door de subsidieaanvrager, indien deze kosten meer bedragen dan € 50.000; of

    • b. een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure.

  • 4 Voor kosten van een externe adviseur met een uurtarief lager dan € 125 per uur exclusief btw is een offerteprocedure als bedoeld in het derde lid niet vereist. Een hoger tarief dient met een offerteprocedure te worden aangetoond, ongeacht de waarde van de opdracht.

  • 5 In afwijking van het eerste lid zijn kosten gemaakt door verbonden organisaties, samenwerkingspartners in het samenwerkingsverband of organisaties die worden vertegenwoordigd in het bestuur van de subsidieaanvrager of in het bestuur van een samenwerkingspartner, slechts subsidiabel op basis van directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en de toeslag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

  • 6 Onder een verbonden organisatie als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie:

    • a. waarop de subsidieontvanger, dan wel een bij het project betrokken partij, direct of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen;

    • b. die direct of indirect een overheersende invloed op de subsidieontvanger, dan wel op een bij het project betrokken partij, kan uitoefenen; of

    • c. die, tezamen met de subsidieontvanger, dan wel met een bij het project betrokken partij, direct of indirect onderworpen is aan de overheersende invloed van een andere organisatie uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften.

  • 7 Overheersende invloed als bedoeld in het zesde lid wordt vermoed, indien een organisatie direct of indirect, ten opzichte van een andere organisatie:

    • a. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de organisatie bezit;

    • b. over de meerderheid van de stemmen beschikt die aan de door de organisatie uitgegeven aandelen zijn verbonden; of

    • c. meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de organisatie kan benoemen.

Artikel 13. Niet subsidiabele kosten

Met betrekking tot de initiatieven, bedoeld onder artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en c, komen niet voor subsidie in aanmerking:

  • a. onredelijk en niet noodzakelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het initiatief of een onderdeel daarvan;

  • b. loonverletkosten, zijnde de loonkosten van werkenden voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten, voor zover die hebben geleid tot een vermindering van de werkbare uren voor de ondernemer;

  • c. kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten, zijnde alle niet directe kosten waaronder begrepen de kosten van administratie en beheer;

  • d. kosten gemaakt buiten de initiatiefperiode;

  • e. kosten die in aanmerking komen voor andere financiering van overheidswege;

  • f. externe kosten waarvoor geen factuur kan worden overgelegd;

  • g. kosten die voortvloeien uit wettelijk verplichte taken;

  • h. opleidingskosten; of

  • i. btw.

Artikel 14. Subsidiabele vergoeding praktijkleerplaatsen

  • 2 De subsidiabele vergoeding wordt verleend naar rato van het aantal weken dat de leerling, deelnemer of student bij de beroepspraktijkvorming aanwezig is geweest, met een maximum van 40 weken en € 2.700 per jaar.

Artikel 15. Administratievoorschriften

  • 1 De subsidieaanvrager houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot de uitvoering van het subsidiabele initiatief en de in verband daarmee gedane uitgaven en gerealiseerde opbrengsten. Deze administratie bestaat uit een financiële administratie en een administratie van de deelnemers per activiteit waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit zijn te verifiëren met bewijsstukken. Deze administratie is voor controle beschikbaar op een voor de subsidieontvanger vrij toegankelijke locatie.

  • 2 De administratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers dan wel in termen van geleverde producten of diensten.

  • 3 De financiële administratie geeft inzicht in de gemaakte subsidiabele kosten, de inkomsten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan de maatregelen van het initiatief worden toegerekend. De financiële administratie bevat in ieder geval de opdrachtbevestiging, facturen en betaalbewijzen van externe opdrachten en in het geval van directe loonkosten een onderbouwing van de bestede uren.

  • 4 De financiële administratie bevat een bijlage met een overzicht van de KvK-nummers van alle ondernemingen die deelnemen aan het project, onder vermelding van de activiteiten waaraan is deelgenomen.

  • 5 De deelnemersadministratie geeft inzicht in de verrichte activiteiten en behaalde resultaten per individuele deelnemer.

  • 6 In aanvulling op het eerste tot en met het vijfde lid, bevat de administratie van de subsidieaanvrager ten minste, indien het betreft een subsidieaanvraag voor een activiteit als bedoeld in:

    • a. artikel 4, eerste lid, onderdeel a, het opleidings- of ontwikkelplan dat voortkomt uit de doorlichting;

    • b. artikel 4, eerste lid, onderdeel b, de loopbaanscan of het ontwikkeladvies waarin de uitkomsten van het uitgevoerde traject zijn beschreven, getekend door de adviseur en de deelnemer;

    • c. artikel 4, eerste lid, onderdeel c, de met de gerealiseerde methode gemoeide producten;

    • d. artikel 4, eerste lid, onderdeel d:

      • 1°. een praktijkleerovereenkomst, die door alle noodzakelijke partijen is getekend en waaruit onder andere blijkt hoe de begeleiding heeft plaatsgevonden en welk deel van de leerdoelen, de kwaliteiten of kwalificaties in de beroepsvorming bij de ondernemer zijn behaald;

      • 2°. een administratie waaruit de begeleiding van de leerling, deelnemer of student blijkt en de wijze waarop de leerling, deelnemer of student heeft deelgenomen aan de praktijkleerplaats bij de beroepsopleiding in de derde leerweg.

  • 7 De subsidieontvanger verstrekt desgevraagd aan door de minister daartoe aangewezen instanties inzage in- of informatie uit de administratie.

Artikel 16. Rapportageverplichting

Voor zover het initiatief waarvoor subsidie wordt verleend een periode van meer dan twaalf maanden omvat, wordt door de subsidieaanvrager, uiterlijk acht weken na afloop van de eerste twaalf maanden, een tussentijds voortgangsverslag aan de minister overgelegd onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier.

Hoofdstuk 2. Subsidieverlening aan het mkb

Artikel 17. Aanvraaggerechtigde

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door een mkb-onderneming.

Artikel 18. Subsidiebedrag en subsidiabele kosten

  • 1 De subsidie die wordt verleend voor een van de in artikel 4 genoemde initiatieven bedraagt minder dan € 25.000, met uitzondering van landbouwbedrijven, waarvoor een maximum geldt van € 20.000.

  • 2 Voor initiatieven als bedoeld onder artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en c, bedraagt de subsidie:

    • a. voor een kleine onderneming: 80% van de subsidiabele kosten;

    • b. voor een middelgrote onderneming: 60% van de subsidiabele kosten.

Hoofdstuk 3. Subsidieverlening aan samenwerkingsverbanden

Artikel 19. Aanvraaggerechtigde

  • 1 Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door de hoofdaanvrager van het samenwerkingsverband.

  • 2 Onder hoofdaanvrager wordt verstaan een mkb-onderneming, brancheorganisatie, onderwijsinstelling, O&O-fonds of werknemers- of werkgeversvereniging, die gemachtigd is om de andere partijen in het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

Artikel 20. Subsidiebedrag

  • 1 De subsidie die wordt verleend voor een van de in artikel 4 genoemde initiatieven bedraagt maximaal € 500.000, waarbij geen enkele partij van het samenwerkingsverband aanspraak kan maken op € 200.000 of meer.

  • 2 Landbouwbedrijven die deelnemen aan een samenwerkingsverband kunnen, in afwijking van het eerste lid, aanspraak maken op een subsidie van maximaal € 20.000.

Artikel 21. Specifieke eisen subsidieaanvraag en administratie samenwerkingsverbanden

  • 1 In aanvulling op artikel 7 bestaat de subsidieaanvraag voor samenwerkingsverbanden uit:

    • a. de samenwerkingsovereenkomst van het samenwerkingsverband, ondertekend door alle partijen die onderdeel uitmaken van het samenwerkingsverband, vergezeld van een schriftelijke machtiging waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager gemachtigd is de andere partijen in het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen; en

    • b. een begroting waaruit de verdeling van kosten tussen de partijen in het samenwerkingsverband volgt.

  • 2 De hoofdaanvrager is verantwoordelijk voor de administratievoorschriften van alle partijen in het samenwerkingsverband.

Hoofdstuk 4. Subsidieverlening aan grootbedrijven in de landbouw- horeca- of recreatiesector

Artikel 22. Aanvraaggerechtigde

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door een grootbedrijf in de landbouw-, horeca- of recreatiesector.

Artikel 23. Subsidiebedrag

  • 1 De subsidie die wordt verleend voor een van de in artikel 4 genoemde initiatieven bedraagt maximaal € 200.000, met uitzondering van landbouwbedrijven, waarvoor een maximum geldt van € 20.000.

Hoofdstuk 5. Subsidievaststelling

Artikel 24. Einddeclaratie en subsidievaststelling

  • 1 De subsidieaanvrager dient middels een elektronisch formulier binnen 22 weken na afloop van de periode van het initiatief, vastgelegd in de subsidieverlening, een verzoek tot vaststelling van subsidie in bij de minister, waarin onder andere is opgenomen een verslag van de uitgevoerde activiteiten en een overzicht van de kosten per activiteitmiddels een voorgeschreven format.

  • 2 Indien de verleende subsidie meer bedraagt dan € 25.000, bevat het verzoek tot vaststelling, in aanvulling op het eerste lid, een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 26.

  • 3 Indien de verleende subsidie meer bedraagt dan € 125.000, bevat het verzoek tot vaststelling, in aanvulling op het eerste lid, uit een controleverklaring inclusief een rapport van feitelijke bevindingen omtrent de naleving van de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen door de subsidieaanvrager, opgesteld door een accountant overeenkomstig een door de minister vastgesteld model met inachtneming van een door de minister vastgesteld accountantsprotocol.

  • 4 Indien bij het indienen, dan wel bij het controleren van de einddeclaratie blijkt, dat minder dan 60% van de totale subsidiabele kosten, genoemd in de laatst afgegeven beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, wordt het subsidiebedrag op nihil vastgesteld.

  • 5 De subsidieaanvrager kan tot twee maanden voor het aflopen van het initiatief een verzoek tot wijziging van de subsidieverlening indienen.

  • 6 De minister beslist binnen 22 weken na ontvangst van het verzoek tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 25. Intrekking en terugvordering

  • 1 Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de beschikking tot subsidieverlening geheel ingetrokken indien:

    • a. de subsidie niet is besteed aan de in de beschikking tot subsidieverlening toegekende subsidiabele kosten;

    • b. de in de beschikking tot subsidieverlening opgegeven verplichtingen niet zijn nageleefd; of

    • c. binnen drie maanden na de beschikking tot subsidieverlening, geen aanvang is gemaakt met de uitvoering van de maatregelen uit het initiatief.

  • 2 De beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling kan, in afwijking van het eerste lid, gedeeltelijk worden ingetrokken indien er naar het oordeel van de minister geen aanleiding is de subsidie geheel in te trekken.

  • 3 Indien de beschikking tot subsidievaststelling geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente, geheel of gedeeltelijk van de subsidieaanvrager teruggevorderd.

Artikel 26. Evaluatie van de initiatieven

  • 1 De subsidieaanvrager draagt zorg voor de evaluatie van de uitvoering van het initiatief op grond van deze regeling en het bereik, de doeltreffendheid en doelmatigheid daarvan.

  • 2 Het evaluatieverslag wordt gelijktijdig met de aanvraag tot subsidievaststelling aan de minister aangeboden.

  • 3 Het evaluatieverslag omvat in ieder geval:

    • a. een beschrijving van het uitgevoerde initiatief;

    • b. een beschrijving van het implementatie- en uitvoeringsproces en de leerervaringen die daarbij zijn opgedaan; en

    • c. een overzicht van de bereikte resultaten.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 27. Evaluatie van de regeling

  • 1 De minister draagt zorg voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling.

  • 2 De subsidieaanvrager werkt mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling en de ontwikkeling van het beleid van de minister. De subsidieaanvrager verstrekt in dat kader de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.

Artikel 28. Inwerkingtreding

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang 1 januari 2020 en vervalt met ingang van 1 januari 2025.

  • 2 In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals die luidde op 31 december 2024, van toepassing op de afwikkeling van verleende subsidies op grond van deze regeling.

Artikel 29. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector.

Deze regeling zal met toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 16 december 2019

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. Koolmees

Bijlage behorend bij artikel 1, Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector

Lijst met SBI-codes voor landbouw-, horeca- en recreatiesector

Landbouw (branche A. Landbouw, bosbouw en visserij; subbranche 01. Landbouw, jacht en dienstverlening voor de landbouw en jacht):

011 Teelt van eenjarige gewassen

0111 Teelt van granen, peulvruchten en oliehoudende zaden

0113 Teelt van groenten en wortel- en knolgewassen

01131 Teelt van groenten in volle grond

01132 Teelt van groenten onder glas

01133 Teelt van paddenstoelen

01134 Teelt van aardappels en overige wortel- en knolgewassen

0116 Teelt van vezelgewassen

0119 Teelt van overige eenjarige gewassen

01191 Teelt van snijbloemen en snijheesters in de volle grond

01192 Teelt van snijbloemen en snijheesters onder glas

01193 Teelt van voedergewassen

01199 Teelt van overige eenjarige gewassen (rest)

012 Teelt van meerjarige gewassen

0121 Teelt van druiven

0124 Teelt van pit- en steenvruchten

01241 Teelt van appels en peren

01242 Teelt van steenvruchten

0125 Teelt van overige boomvruchten, kleinfruit en noten

01251 Teelt van aardbeien in de volle grond

01252 Teelt van aardbeien onder glas

01253 Teelt van houtig klein fruit in de volle grond (incl. overige boomvruchten en noten)

01254 Teelt van houtig klein fruit onder glas

0127 Teelt van gewassen bestemd voor de vervaardiging van dranken

0128 Teelt van specerijgewassen en van aromatische en medicinale gewassen

0129 Teelt van overige meerjarige gewassen

013 Teelt van sierplanten

0130 Teelt van sierplanten

01301 Teelt van bloembollen

01302 Teelt van perkplanten in de volle grond

01303 Teelt van perkplanten onder glas

01304 Teelt van potplanten onder glas

01305 Teelt van boomkwekerijgewassen in de volle grond

01309 Teelt van overige sierplanten in de volle grond

01411 Houden van melkvee

01412 Opfokken van jongvee voor de melkveehouderij

01421 Houden van vleeskalveren

01422 Overige vleesveehouderij en zoogkoeienbedrijven

0143 Fokken en houden van paarden en ezels

01451 Fokken en houden van schapen

01452 Fokken en houden van geiten

01461 Fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven

01462 Vleesvarkensbedrijven

01463 Gesloten en deels gesloten varkensbedrijven

01471 Opfokken en/of houden van leghennen

01472 Opfokken en/of houden van vleeskuikens

01473 Opfokken en/of houden van ouderdieren van leghennen en vleeskuikens

01479 Opfokken en/of houden van overig pluimvee

01491 Fokken en houden van edelpelsdieren

01499 Fokken en houden van overige dieren (rest)

0150 Akker- en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren

0161 Dienstverlening voor de akker- en/of tuinbouw

0162 Dienstverlening voor het fokken en houden van dieren

0163 Behandeling van gewassen na de oogst

0164 Behandeling van zaden voor vermeerdering

0170 Jacht

8130 Landschapsverzorging

Horeca (branche I. Logies-, maaltijd en drankverstrekking; subbranches 55. Logiesverstrekking en 56. Eet- en drinkgelegenheden):

551 Hotels e.d.

5510 Hotels e.d.

55101 Hotel-restaurants

55102 Hotels (geen hotel-restaurants), pensions en conferentieoorden

552 Verhuur van vakantiehuisjes en appartementen; jeugdherbergen en vakantiekampen

5520 Verhuur van vakantiehuisjes en appartementen; jeugdherbergen en vakantiekampen

55201 Verhuur van vakantiehuisjes en appartementen

55202 Jeugdherbergen en vakantiekampen

553 Kampeerterreinen

5530 Kampeerterreinen

559 Overige logiesverstrekking

5590 Overige logiesverstrekking

561 Restaurants, cafetaria’s e.d.

5610 Restaurants, cafetaria’s e.d. en ijssalons

56101 Restaurants

56102 Fastfoodrestaurants, cafetaria’s, ijssalons, eetkramen e.d.

562 Kantines en catering

5621 Eventcatering

5629 Kantines en contractcatering

85321 Middelbaar beroepsonderwijs

563 Cafés

5630 Cafés

Recreatie (branche R. Cultuur, sport en recreatie; subbranche 93 Sport en recreatie):

55201 Verhuur van vakantiehuisjes en appartementen

932 Overige recreatie

9321 Pret- en themaparken; kermisattracties

93211 Pret- en themaparken

93212 Kermisattracties

9329 Overige ontspanning en recreatie (rest)

93291 Jachthavens

93299 Overige recreatie (rest) (geen jachthavens)

94993 Steunfondsen (geen steunfondsen op het gebied van welzijnszorg)

Terug naar begin van de pagina