Besluit wapens en munitie

Geldend van 23-07-2019 t/m heden

Besluit van 15 juli 2019 ter implementatie van de Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PbEU 2017, L 137/22) (Besluit wapens en munitie)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister Justitie en Veiligheid van 14 mei 2019, nr. 2594027,

Gelet op de artikelen 4, vierde lid, 6b, eerste en tweede lid, 9a, tweede lid, 28, tweede lid, 32a, vijfde lid, en 35, tweede lid, van de Wet wapens en munitie;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 juni 2019, nr.W16.19.0122/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 9 juli 2019, nr.2628415;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2. Erkenning als museum

  • 1 Onze Minister erkent een museum in de zin van artikel 4, derde lid, van de wet slechts indien:

    • a. sprake is van een instelling met rechtspersoonlijkheid, die voorwerpen verwerft, bewaart, onderzoekt en tentoonstelt voor historische, culturele, wetenschappelijke, technische, educatieve of amusementsdoeleinden of uit erfgoedoverwegingen en waarvan uit de statuten blijkt dat zij ten dienste staat van de samenleving en de ontwikkeling daarvan;

    • b. de ruimte waarin de instelling voorwerpen tentoon stelt geschikt is om publiek te ontvangen en in elk geval beschikt over een eigen ingang en een beveiligingssysteem gericht op het voorkomen van ongeoorloofde toegang tot de tentoongestelde voorwerpen, en

    • c. de instelling ten minste acht uur per week toegankelijk is voor publiek gedurende vaste openingstijden, behoudens vakantiesluiting of uitzonderlijke sluiting als gevolg van een gegronde reden. Indien de instelling minder dan 16 uur per week voor het publiek toegankelijk is, dient tevens de mogelijkheid te worden geboden om de tentoon gestelde voorwerpen op afspraak te bezichtigen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, erkent Onze Minister een instelling niet als museum als deze enkel amusementsdoeleinden dient.

  • 3 Bij de erkenning kunnen aan het aantal te bewaren of tentoon te stellen wapens beperkingen worden gesteld.

  • 4 De erkenning heeft een maximale geldigheidsduur van vijf jaar.

Artikel 3. Erkenning als verzamelaar

  • 1 Onze Minister erkent een verzamelaar in de zin van artikel 4, derde lid, van de wet slechts indien de aanvrager zich bezighoudt met het verzamelen van wapens, essentiële onderdelen of munitie voor historische, culturele, wetenschappelijke, technische of educatieve doeleinden of uit erfgoedoverwegingen.

  • 2 Dat sprake is van verzamelen voor de in het eerste lid genoemde doeleinden blijkt uit een verzamelplan dat is goedgekeurd door een vereniging van wapenverzamelaars die door Onze Minister is erkend als een vereniging die tot statutair doel heeft de doeleinden, als bedoeld in het eerste lid, te dienen.

  • 3 De erkenning, bedoeld in het eerste lid, heeft een maximale geldigheidsduur van vijf jaar.

  • 4 De erkende verzamelaar die een verzameling houdt waarin vuurwapens als bedoeld in categorie A in bijlage I van de Richtlijn zijn opgenomen, houdt hiervan een register bij dat hij overlegt aan de korpschef. De verzamelaar geeft een wijziging in het register onverwijld door aan de korpschef.

Artikel 4. Verplicht lidmaatschap erkende vereniging

Een verlof op grond van artikel 28 van de wet voor het voorhanden hebben van een vuurwapen opgenomen in categorie A, onderdelen 6 of 7, in bijlage I van de Richtlijn, wordt in ieder geval geweigerd indien de aanvrager geen bewijs van lidmaatschap overlegt van een erkende vereniging.

Artikel 5. Beheer van wapens bij een erkende vereniging

  • 1 Het beheer als bedoeld in artikel 6b, tweede lid, onderdeel d, van de wet voorziet er in dat:

    • a. wapens slechts ter hand worden gesteld aan leden van, of introducés bij, de vereniging, en alleen worden gebruikt in het kader van de uitoefening van de schietsport;

    • b. op het gebruik van ter hand gestelde wapens op de vereniging steeds toezicht uitgeoefend wordt door een daartoe aangestelde verenigingsbeheerder;

    • c. het ter hand gestelde wapen zo spoedig mogelijk na gebruik aan de verenigingsbeheerder wordt terug gegeven;

    • d. het gebruik van de aan introducés of aan leden, voor zover het gaat om leden die geen verlof hebben tot het voorhanden hebben van die munitie, verstrekte munitie onder toezicht geschiedt door de verenigingsbeheerder; en

    • e. niet gebruikte munitie na gebruik van het wapen bij de verenigingsbeheerder in bewaring wordt gegeven.

  • 2 Aan leden die korter dan één jaar lid zijn van de vereniging of introducés bij de vereniging, worden alleen wapens ter hand gesteld die geschikt zijn voor door Onze Minister bij regeling aangewezen disciplines.

Artikel 6. Verdachte transacties

Onder een verdachte transactie in de zin van artikel 9a, eerste lid, van de wet wordt in ieder geval verstaan:

  • a. een transactie van een of meerdere aankopen voor munitie binnen een week waarbij de koper meer dan 10.000 patronen heeft aangeschaft, of

  • b. een transactie waarbij degene die munitie aanschaft naar het oordeel van de houder van een erkenning of de beheerder in de zin van artikel 9a, eerste lid, van de wet niet vertrouwd lijkt te zijn met het gebruik van de munitie, dan wel niet overtuigend kan aangeven waarvoor hij de munitie gaat gebruiken.

Artikel 7. Redelijk belang

  • 1 Voor een verlof op grond van artikel 28 van de wet waarvoor op grond van artikel 4 van dit besluit een verplicht lidmaatschap van een erkende vereniging geldt, heeft de aanvrager slechts een redelijk belang in de zin artikel 28 van de wet als hij aantoont dat hij in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag minimaal 18 schietbeurten heeft verricht bij een erkende vereniging met een wapen dat voldoet aan de specificaties die vereist zijn voor een erkende of gereglementeerde schietsportdiscipline als bedoeld in artikel 6b, tweede lid, onderdeel b, van de wet.

  • 2 De aanvrager toont de in het eerste lid bedoelde schietbeurten aan door een op naam gesteld en door het bestuur van de erkende vereniging gewaarmerkt overzicht te overleggen.

  • 3 In het overzicht is voor iedere schietbeurt aangetekend:

    • a. de datum;

    • b. het naamstempel van de vereniging of schietbaan waar de oefening of wedstrijd heeft plaatsgevonden; en

    • c. de naam en de handtekening van een bestuurslid van de erkende vereniging of een namens het bestuur optredende baancommandant, veiligheidsfunctionaris of organisator van de schietwedstrijd.

  • 4 Onverminderd het bepaalde in het eerste lid heeft een aanvrager van een verlof voor een magazijn voor een vuurwapen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Richtlijn, slechts een redelijk belang als dit magazijn wordt gebruikt bij een door Onze Minister bij regeling aangewezen schietsportdiscipline.

Artikel 8. Gegevens die de korpschef moet registreren over wapens

De korpschef registreert ter uitvoering van artikel 35 van de wet:

  • a. het type, merk, model, kaliber en serienummer van elk vuurwapen waarvoor een erkenning, vergunning, verlof, ontheffing of jachtakte is verleend en het merkteken dat is aangebracht op de framegroep of kastgroep ervan;

  • b. het serienummer of de unieke markering die is aangebracht op de essentiële onderdelen van het vuurwapen, indien er een verschil is met de markering op de framegroep of kastgroep;

  • c. naam en adres van de houder van een erkenning, vergunning, verlof en ontheffing voor een vuurwapen, met de datum van verstrekking ervan; en

  • d. iedere ombouw of aanpassing van een vuurwapen die ertoe leidt dat het moet worden ingedeeld in een andere categorie of subcategorie van bijlage I van de Richtlijn met inbegrip van de door de korpschef op grond van artikel 43 van de wet gecontroleerde onbruikbaarmaking of vernietiging van het vuurwapen en de bijbehorende datum of data.

Artikel 9. Overgangsrecht erkenning musea en verzamelaars

Ontheffingen die op grond van artikel 4 van de wet aan musea en verzamelaars zijn verleend voordat dit besluit in werking is getreden gelden, voor de nog lopende geldigheidsduur van deze ontheffing, als een erkenning in de zin van artikel 2 respectievelijk artikel 3 van dit besluit.

Artikel 10. Inwerkingtreding

Indien het bij koninklijke boodschap van 29 juni 2018 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet wapens en munitie in verband met de Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PbEU 2017, L 137/22) (34 984) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 15 juli 2019

Willem-Alexander

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Uitgegeven de tweeëntwintigste juli 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Terug naar begin van de pagina