Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018

[Regeling vervallen per 23-07-2022.]
Geraadpleegd op 29-09-2022.
Geldend van 25-08-2021 t/m 30-11-2021

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 3 juli 2018, nr. WJZ/18055124, houdende regels ten aanzien van de uitvoering van de gemeenschappelijke marktordening groenten en fruit (Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018)

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op de artikelen 32 tot en met 34, 36, 152 tot en met 156, 159, 160, 164 en 165 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013 L 347);

Gelet op gedelegeerde verordening (EU) 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie;

Gelet op uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 van de Commissie van 13 maart 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit;

Gelet op de artikelen 15 en 19, eerste lid, van de Landbouwwet;

Besluit:

Deel 1. Algemene bepalingen

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 1

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    • aanvoerprognose: opgave door een lid van een producentenorganisatie van de hoeveelheid en aard van de producten die het lid in een door de producentenorganisatie te bepalen tijdvak bij de producentenorganisatie verwacht aan te voeren;

    • accountant: accountant die is ingeschreven in het accountantsregister, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet op het Accountantsberoep;

    • actiefonds: actiefonds als bedoeld in artikel 32 van verordening 1308/2013;

    • activiteit: actie als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van verordening 2017/891 ter uitvoering van een project;

    • areaalenquête: inventarisatie van een door een lid van de producentenorganisatie beteeld areaal en de door dit lid geteelde producten;

    • biologische productie: biologische productie als bedoeld in verordening 834/2007;

    • denatureren: ongeschikt maken voor menselijke consumptie;

    • dochteronderneming: dochteronderneming als bedoeld in artikel 22, achtste lid, aanhef en onderdeel a, van verordening 2017/891;

    • duurzaam productiemiddel: tastbaar activum als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, van verordening 2017/891;

    • erkenningsaanvraag: een verzoek om erkenning als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013;

    • erkenningsbesluit: besluit van de minister inzake de erkenning van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013;

    • forfaitair standaardtarief: vast of maximaal bedrag per eenheid, al dan niet uitgedrukt als percentage, dat wordt gebruikt om de te declareren bedragen vast te stellen en vooraf is vastgesteld op grond van artikel 31, tweede lid van verordening 2017/891;

    • gedeeltelijke betaling: gedeeltelijke betaling als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/892;

    • gekwantificeerd streefcijfer: gekwantificeerd streefcijfer als bedoeld in artikel 27, derde lid, van verordening 2017/891;

    • goederenlogistiek: het verzamelen, ophalen, sorteren, opslaan, verpakken, transporteren en distribueren van het product;

    • kostenbegroting: recente offerte voor de concreet geplande aanschaf of dienst, dan wel een taxatierapport op basis van vervangingswaarde, dan wel een officiële actuele prijslijst van leveranciers, dan wel een factuur uit een voorgaande periode voor eenzelfde soort geplande uitgavenpost, dan wel een vergelijkbaar document;

    • lid: aangesloten producent als bedoeld in artikel 2, onderdeel b van verordening 2017/891;

    • meetbaar streefdoel: meetbaar streefdoel als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2017/892;

    • minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

    • nationaal kader: nationaal kader als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van verordening 1308/2013;

    • nationale strategie: nationale strategie als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van verordening 1308/2013;

    • niet-producerend lid: lid van de producentenorganisatie dat meer dan één teeltseizoen geen producten teelt waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • operationeel programma: operationeel programma, als bedoeld in artikel 33 van verordening 1308/2013;

    • producentenorganisatie: door de minister erkende producentenorganisatie als bedoeld in artikel 152 van verordening 1308/2013;

    • productie voor eigen rekening en risico: degene voor wiens rekening en risico wordt geteeld draagt de risico’s die samenhangen met de teelt en de opbrengst en is daarmee de eigenaar van het product ongeacht of hier een verkooptransactie aan vooraf is gegaan. In beginsel is dit de producent voor wiens rekening tevens de winsten en eventuele verliezen komen;

    • project: samenhangend geheel van activiteiten die subsidiabel zijn gesteld in deze regeling ter uitvoering van een strategisch doel dat door een producentenorganisatie wordt nagestreefd met haar operationeel programma;

    • richtlijn 2000/29: Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PBEU 2000, L 169);

    • subsidieaanvraag: aanvraag voor steun als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening 2017/892;

    • subsidie: financiële steun van de Unie als bedoeld in artikel 34 van verordening 1308/2013;

    • strategisch doel: doelstelling als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 of een doel als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2017/892, dat een producentenorganisatie nastreeft met haar operationeel programma;

    • SWOT analyse: bedrijfskundig model dat intern de sterktes en zwaktes en in de omgeving de kansen en bedreigingen analyseert;

    • tussentijdse wijziging: een wijziging van het operationeel programma in de loop van het jaar als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening 2017/891;

    • uitgavenpost: samenstel van uitgaven die gezamenlijk aan dezelfde criteria voldoen om binnen een activiteit bij te dragen aan het concrete meetbare streefdoel van een project.

    • uitvoeringsjaar: jaar van uitvoering van een operationeel programma;

    • unie van producentenorganisaties: unie van erkende producentenorganisaties als bedoeld in artikel 156 van verordening 1308/2013;

    • verkoper: natuurlijke of rechtspersoon die door een producentenorganisatie is belast met de verkoop van producten van de leden van de producentenorganisatie waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • verordening 834/2007: Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PBEU 2007, L 189);

    • verordening 889/2008: Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PBEU 2008, L 250);

    • verordening 1235/2008: verordening (EG) nr. 1235/2008 van de Commissie van 8 december 2008 houdende bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad wat de regeling voor de invoer van biologische producten uit derde landen betreft (PbEU 2008, L 334);

    • verordening 2017/891: gedelegeerde verordening (EU) 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie (PBEU 2017, L 138);

    • verordening 2017/892: uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 van de Commissie van 13 maart 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit (PBEU 2017, L 138);

    • verordening 1308/2013: Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001en (EG) nr. 1234/2007van de Raad (PBEU 2013, L 347);

    • verordening 2020/600: uitvoeringsverordening (EU) 2020/600 van de Commissie van 30 april 2020 tot afwijking van de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2017/892, (EU) 2016/1150, (EU) 615/2014, (EU) 2015/1368 en (EU) 2017/39 wat betreft bepaalde maatregelen voor de aanpak van de door de Covid-19-pandemie veroorzaakte crisis (PbEU 2020, L 140);

    • verordening 2020/884: gedelegeerde verordening (EU) 2020/884 van de Commissie van 4 mei 2020 tot afwijking, wat het jaar 2020 betreft, van Gedelegeerde verordening (EU) 2017/891 van de Commissie wat de sector groenten en fruit betreft, en van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/449 van de Commissie wat de wijnsector betreft, in verband met de COVID-19-pandemie (PbEU 2020, L 205);

    • voorschotaanvraag: aanvraag als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van verordening 2017/891;

    • waarde afgezette productie: de waarde van de afgezette productie van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 22 van verordening 2017/891.

  • 2 In de artikelen 19 tot en met 21, 46, 53, 72, 73, eerste lid, 75, 76, 77, 100, 101, 139 en 185a van de regeling wordt onder ‘dochteronderneming’ mede verstaan een entiteit binnen een keten van dochterondernemingen waarvan ten minste 90% van de aandelen of het kapitaal van de entiteit in handen is van één of meer producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties.

Artikel 2

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De minister wordt aangewezen als bevoegde autoriteit als bedoeld in de artikelen 17, derde lid, 23, vierde lid, 34, tweede lid, 44, eerste lid, 48, vijfde lid, 59, derde lid, 75, zesde lid, 77, eerste lid, en 78 van verordening 2017/891 en de artikelen 3, zesde lid, 6, eerste lid, 9, eerste en vierde lid, 21, eerste lid, 29, tweede lid, 34, onderdeel b, en 35 van verordening 2017/892.

Artikel 3

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Deze regeling is van toepassing op de producten van de sector groenten en fruit, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel i, van verordening 1308/2013 en op dergelijke producten die uitsluitend zijn bestemd om te worden verwerkt.

Deel 2. Erkenningen

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Hoofdstuk 1. Erkenning van producentenorganisaties

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Titel 1. Erkenningsvereisten

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Afdeling 1. Rechtspersoonlijkheid

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 4

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

De rechtspersoonlijkheid van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013 blijkt uit:

  • a. een in het handelsregister neergelegd authentiek afschrift van de oprichtingsakte van de producentenorganisatie; of

  • b. een in het handelsregister van de Kamer van Koophandel neergelegd authentiek afschrift van de statuten van de producentenorganisatie; en

  • c. een inschrijving bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Afdeling 2. Lidmaatschap

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 5

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Van een producentenorganisatie kunnen lid zijn:

  • a. een natuurlijk persoon;

  • b. een rechtspersoon als bedoeld in de artikelen 1 tot en met 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een rechtspersoon naar buitenlands recht; of

  • c. een in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap.

Artikel 6

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Het minimumaantal leden en de minimale waarde van de afzetbare productie, bedoeld in artikel 154, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013 bedraagt ongeacht of de producentenorganisatie een operationeel programma heeft:

    • a. voor producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2008 tenminste vijf leden, met een gezamenlijke waarde van de afzetbare productie van € 100.000;

    • b. voor producentenorganisaties die zijn erkend na 1 januari 2008 tenminste tien leden, met een gezamenlijke waarde van de afzetbare productie van € 25.000.000.

  • 2 Rechtspersonen die eigendom zijn van één natuurlijke persoon of rechtspersoon worden bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag door de minister gezamenlijk aangemerkt als één lid. Indien de minister in redelijkheid vermoedt dat een oneigenlijk aantal entiteiten, als bedoeld in artikel 5, wordt gecreëerd met het oog op het eerste lid of artikel 24, kan de minister deze entiteiten gezamenlijk aanmerken als één lid.

  • 3 Indien een lid van een producentenorganisatie een rechtspersoon is waarbij meerdere producenten zijn aangesloten, kan de minister besluiten deze producenten bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag mee te tellen bij de bepaling van het aantal leden, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Producentenorganisaties houden een ledenlijst bij met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model.

Artikel 7

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Het lidmaatschap van een producentenorganisatie duurt minimaal één jaar en treedt in werking op een door het bestuur van de producentenorganisatie te bepalen tijdstip.

  • 2 Aspirantleden verzoeken de producentenorganisatie schriftelijk om lidmaatschap en verklaren in dit verzoek:

    • a. de statuten van de producentenorganisatie na te leven;

    • b. niet bij een andere erkende producentenorganisatie lid te zijn voor de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend; en

    • c. geen product waarvoor de producentenorganisatie is erkend buiten de producentenorganisatie om te zullen afzetten, behoudens met toestemming van de producentenorganisatie als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891.

  • 3 Een producentenorganisatie bepaalt in haar statuten dat het lidmaatschap kan worden opgezegd met ingang van 1 januari. De door de producentenorganisatie vast te stellen uiterste opzegdatum ligt tussen 30 juni en 2 oktober van het voorafgaande jaar.

  • 4 De bevestiging van lidmaatschap en opzegging van lidmaatschap, alsmede de datum waarop het lidmaatschap en de opzegging in werking treedt, wordt door de producentenorganisatie schriftelijk aan het lid meegedeeld.

  • 5 Bepalingen omtrent de minimumduur, opzeggingsdata en inwerkingtreding van opzegging van het lidmaatschap zijn niet van toepassing in geval van:

    • a. overlijden van het lid;

    • b. faillissement van het lid;

    • c. toepassing van het sanctiereglement van de producentenorganisatie inzake royement; of

    • d. indien dit redelijkerwijs niet van het lid of coöperatie gevergd kan worden.

Artikel 8

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Een producentenorganisatie kan niet-producerende leden hebben, indien in de statuten van de producentenorganisatie wordt bepaald dat deze leden:

  • a. reeds aangesloten waren bij de producentenorganisatie vóór zij gedurende meer dan één productieseizoen geen producten meer teelden waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

  • b. opgenomen worden in een afzonderlijke ledenadministratie; en

  • c. niet mogen deelnemen aan de stemming van de algemene vergadering over besluiten inzake het actiefonds of het operationeel programma van de producentenorganisatie.

Afdeling 3. Verplichtingen voor producentenorganisaties

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 9

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Producentenorganisaties tonen aan dat zij voldoen aan artikel 152, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013 aan de hand van:

    • a. de oprichtingsakte van de producentenorganisatie; en

    • b. de notulen van de eerste vergadering of oprichtingsvergadering van de producentenorganisatie.

  • 2 Op producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2008 is het eerste lid niet van toepassing. Deze producentenorganisaties worden geacht te voldoen aan het vereiste van artikel 152, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013.

Artikel 10

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Een lid van het bestuur of de Raad van Commissarissen van een producentenorganisatie of een functionaris van een producentenorganisatie die betrokken is bij het verkoopbeleid, is geen afnemer of functionaris van een afnemer van producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend ingevolge artikel 152, eerste lid, van verordening 1308/2013.

Artikel 11

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Producentenorganisaties verbieden hun leden in hun statuten op grond van artikel 160 van verordening 1308/2013 om activiteiten te ontplooien die het vermoeden doen ontstaan dat de verkoop van het product waarvoor zij bij de producentenorganisatie zijn aangesloten niet uitsluitend via de producentenorganisatie verloopt.

  • 2 Producentenorganisaties nemen het in het eerste lid bedoelde verbod uiterlijk op 1 januari 2019 op in hun statuten.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten met betrekking tot de verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891.

Artikel 12

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Producentenorganisaties bepalen op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 op welk moment leden hun product aan de producentenorganisatie ter verkoop aanbieden.

Artikel 13

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Producentenorganisaties verplichten in hun statuten hun leden op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 om aan de producentenorganisatie:

  • a. melding te doen van eigendomsbelangen in ondernemingen die van de producentenorganisatie door het lid geproduceerde producten kopen, indien de producentenorganisatie voor deze producten is erkend; en

  • b. aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan te tonen dat binnen de in onderdeel a bedoelde ondernemingen is verzekerd dat het lid:

    • 1°. geen invloed kan uitoefenen op het vaststellen van de verkoopvoorwaarden door de ondernemingen van de producten waarvoor het lid bij de producentenorganisatie is aangesloten; en

    • 2°. geen invloed kan uitoefenen op besluiten aangaande commerciële relaties en het prijsbeleid van de ondernemingen.

Artikel 14

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Producentenorganisaties stellen in hun statuten voorschriften vast voor de controle op de naleving van hun statuten door hun leden.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten ten aanzien van de controle op de naleving door hun leden van artikel 160 van verordening 1308/2013 voor de door de producentenorganisatie gedurende het jaar uit te voeren controles tenminste:

    • a. een systematische vergelijking per producent van areaalenquêtes en aanvoerprognoses met de daadwerkelijk aan de producentenorganisatie geleverde hoeveelheden gedurende het kalenderjaar;

    • b. een verificatie van de door de leden verstrekte areaalenquêtes en aanvoerprognoses door middel van bezoek door de producentenorganisatie aan een derde van het ledenbestand gedurende het jaar waarbij ieder lid ten minste elke drie jaar wordt bezocht;

    • c. een periodieke vergelijking van de aanvoerprognoses en de daadwerkelijke aanvoer met een door de producentenorganisatie, op basis van statistische normen of ervaringscijfers, vast te stellen normstelling per areaal;

    • d. een registratie van de op basis van de onderdelen a tot en met c aangetroffen verschillen en de daarvoor door het lid gegeven verklaring; en

    • e. een registratie van de door de producentenorganisatie getroffen acties naar aanleiding van op grond van onderdeel d onverklaarde verschillen.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten voor de door de producentenorganisatie na afloop van het kalenderjaar uit te voeren controles minimaal:

    • a. een verplichting voor ieder lid om uiterlijk voor 1 mei na afloop van het kalenderjaar schriftelijk aan de producentenorganisatie te verklaren:

      • 1°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar geproduceerd heeft;

      • 2°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar bij derden heeft ingekocht;

      • 3°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar via de producentenorganisatie afgezet heeft;

      • 4°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 buiten de producentenorganisatie om verkocht heeft, uitgesplitst per categorie zoals genoemd in artikel 12 van verordening 2017/891;

      • 5°. dat hij, uitgezonderd de verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891, geen door hem geteelde producten waarvoor hij bij de producentenorganisatie is aangesloten buiten de producentenorganisatie verkocht heeft; en

      • 6°. dat hij bij verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 de daaraan door de producentenorganisatie gestelde voorwaarden heeft nageleefd;

    • b. een vergelijking van informatie uit de in onderdeel a bedoelde verklaringen met de omzetgegevens van het lid;

    • c. een onderzoek door de producentenorganisatie naar de, op basis van de op grond van onderdeel b uitvoerde vergelijking, geconstateerde verschillen tussen de eigen verklaringen en de omzetgegevens van het lid;

    • d. een verplichting tot het instellen van een accountantsonderzoek naar op grond van onderdeel c onvoldoende verklaarde verschillen;

    • e. een registratie van de uitkomsten van het in onderdeel d bedoelde accountantsonderzoek; en

    • f. een registratie van de opvolging van de uitkomsten van het in onderdeel e bedoelde accountantsonderzoek door de producentenorganisatie, waaronder sanctionering van de betreffende leden.

  • 4 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten een verplichting voor de producentenorganisatie om de juistheid van in het derde lid, onderdeel a, bedoelde verklaring te laten onderzoeken door een accountant door middel van een COS 4400 onderzoek.

  • 5 Het in het vierde lid bedoelde onderzoek betreft:

    • a. de leden die verzuimd hebben voor 1 mei na afloop van het kalenderjaar de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde eigen verklaring te verstrekken;

    • b. de leden waarbij door de producentenorganisatie of door controle-instanties in het jaar voorafgaand aan het controlejaar is vastgesteld dat zij artikel 160 van verordening 1308/2013 niet hebben nageleefd;

    • c. de leden waarbij door de producentenorganisatie in het voorafgaande kalenderjaar is vastgesteld dat verschillen tussen areaalgegevens en omzetgegevens onvoldoende konden worden verklaard; en

    • d. minimaal 2 procent van de leden van de producentenorganisatie, met een minimum van één lid, die niet reeds op grond van onderdelen a tot en met c deel uit maken van het onderzoek.

  • 6 Indien de accountant bij meerdere leden in deze deelwaarneming afwijkende bevindingen constateert treft de producentenorganisatie afhankelijk van de aard van de afwijkingen passende maatregelen.

  • 7 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten een verplichting voor de producentenorganisatie om jaarlijks voor 1 juni de betrouwbaarheid van het geheel aan maatregelen dat de producentenorganisatie neemt voor controle op de naleving door hun leden te evalueren. Een verslag van de evaluatie wordt door de algemene vergadering besproken en geaccordeerd. De onderliggende stukken worden door de producentenorganisatie gearchiveerd.

Artikel 15

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Producentenorganisaties stellen in hun statuten voorschriften vast voor sanctionering van niet naleving van hun statuten door hun leden die, behoudens gevallen van overmacht, tenminste bepalen dat:

    • a. bij een eerste overtreding van de statutaire verplichtingen ter uitvoering van artikel 160 van verordening 1308/2013, artikel 12 van verordening 2017/891 en de artikelen 11, 12, 13, en 14 van deze regeling het lid minimaal een schriftelijke waarschuwing krijgt;

    • b. bij een tweede soortgelijke overtreding begaan binnen vijf jaar na het begaan van de eerste overtreding bedoeld in onderdeel a, minimaal een boete aan het lid wordt opgelegd en deze boete daadwerkelijk wordt geïncasseerd; en

    • c. leden bij alle soortgelijke vervolgovertredingen begaan binnen vijf jaar na het begaan van de eerste overtreding bedoeld in onderdeel a, worden geroyeerd.

  • 2 Producentenorganisaties administreren alle geconstateerde overtredingen van hun statutaire verplichtingen en aan hun leden opgelegde sancties.

Artikel 16

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Producentenorganisaties beschikken op grond van artikel 7, onderdeel a, van verordening 2017/891 tenminste over een deugdelijk en accuraat systeem van areaalenquêtes en aanvoerprognoses.

Artikel 17

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Producentenorganisaties, en voor zover van toepassing unies van producentenorganisaties, beschikken op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 tenminste over een volledige beschrijving van de interne organisatie en van de administratieve en interne beheersing van:

  • a. de verkoop en prijsbepaling;

  • b. de goederenlogistiek;

  • c. de financiële administratie;

  • d. de beoordeling van investeringen en uitgaven waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • e. het aannemen van nieuwe leden en het beëindigen van het lidmaatschap;

  • f. het vergaren van informatie van de leden en de verwerking van mutaties daarin, waaronder de controle op de juistheid van de ledenlijst;

  • g. de beoordeling van areaalenquêtes en aanvoerprognoses, waaronder de vergelijking met realisaties;

  • h. de controle op naleving van artikel 160 van verordening 1308/2013 door de leden waaronder het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891;

  • i. het opleggen van sancties; en

  • j. het uitbesteden van activiteiten als bedoeld in artikel 155 van verordening 1308/2013.

Artikel 18

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De producentenorganisatie beschikt op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 over een redelijk niveau van vermogen en liquiditeit.

  • 2 Een negatief vermogen wordt door de producentenorganisatie binnen één kalenderjaar aangevuld.

Artikel 19

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De producentenorganisatie beschikt ten behoeve van het commercieel en budgettair beheer van haar activiteiten, bedoeld in artikel 153, tweede lid, onderdeel f, van verordening 1308/2013, op grond van artikel 7 van verordening 2017/891 over een eigen, als zodanig herkenbare, kantoorruimte die beschikt over een eigen opgang, welke niet door ruimtes van een afnemer of een lid van de producentenorganisatie leidt.

  • 2 De kantoorruimte is eigendom van of wordt gehuurd door de producentenorganisatie of een dochteronderneming.

Artikel 20

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Producentenorganisaties en hun dochterondernemingen maken voor hun financieel administratieve werkzaamheden, waaronder het factureren naar afnemers en leden en het opstellen van budgetten, gebruik van eigen personeel.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor het opstellen van jaarrekeningen en fiscale zaken.

Artikel 21

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Producentenorganisaties, dan wel dochterondernemingen of unies van producentenorganisaties indien de afzet door hen wordt verricht, tonen op grond van artikel 11 van verordening 2017/891 aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan dat zij de verkoopvoorwaarden, en meer in het bijzonder de verkoopprijzen, voor de producten van de leden van de producentenorganisatie waarvoor de producentenorganisatie is erkend daadwerkelijk bepalen.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde schriftelijke bewijsstukken tonen aan:

    • a. welke verkoper er binnen de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties belast is met de verkoop van de producten van de leden waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • b. wat de taak of opdracht van de verkoper is;

    • c. op welke wijze de verkoper door de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties wordt aangestuurd;

    • d. welke aanwijzingen de verkoper van de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties gekregen heeft voor het voeren van onderhandelingen over de verkoopvoorwaarden;

    • e. op welke wijze de verkoper achteraf verantwoording aflegt aan de producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties over de gerealiseerde verkoopvoorwaarden; en

    • f. dat de in onderdeel e bedoelde verantwoording daadwerkelijk wordt afgelegd.

  • 3 De producentenorganisatie legt haar afzetbeleid vast in een besluit van het bestuur dat door de algemene vergadering wordt goedgekeurd.

  • 4 De producentenorganisatie, dochteronderneming of unie van producentenorganisaties bepaalt op welke locatie of welke locaties het aanbod van de producten van haar leden fysiek geconcentreerd wordt.

  • 5 Het afzetbeleid van de producentenorganisatie wordt jaarlijks voor 1 juni door haar bestuur geëvalueerd en een verslag van deze evaluatie wordt jaarlijks voor 1 juni door de algemene vergadering van de producentenorganisatie besproken en geaccordeerd. De onderliggende stukken worden door de producentenorganisatie gearchiveerd.

Artikel 22

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Artikel 155 van verordening 1308/2013 is van toepassing op de activiteiten van de producentenorganisatie die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de producentenorganisatie, bedoeld in de artikelen 152 en 154 van verordening 1308/2013.

  • 2 Wanneer een producentenorganisatie de in het eerste lid bedoelde activiteiten heeft uitbesteed toont de producentenorganisatie op grond van artikel 155 van verordening 1308/2013 door middel van door het bestuur en de algemene vergadering geaccordeerde schriftelijke bewijsstukken aan:

    • a. welke activiteiten worden uitbesteed;

    • b. waarom deze activiteiten niet door de producentenorganisatie zelf worden uitgevoerd;

    • c. aan wie deze activiteiten worden uitbesteed;

    • d. waarom tot de keuze voor uitbesteding aan de in onderdeel c bedoelde entiteit is gekomen; en

    • e. welke afspraken er met de in onderdeel c bedoelde entiteit zijn gemaakt.

  • 3 De producentenorganisatie toont op grond van artikel 13, tweede lid, van verordening 2017/891 aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan op welke wijze de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde entiteit:

    • a. door de producentenorganisatie wordt aangestuurd bij de uitvoering van de aan haar uitbestede activiteiten; en

    • b. verantwoording aflegt aan de producentenorganisatie over de uitvoering van de aan haar uitbestede activiteiten.

  • 4 Wanneer een producentenorganisatie verkoopactiviteiten uitbesteedt, toont zij aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan dat zij gedurende de verkoopperiode minimaal één maal per week met de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde entiteit overlegt over de te hanteren verkoopvoorwaarden, waaronder de verkoopprijs.

  • 5 De keuze voor uitbesteding wordt jaarlijks voor 1 juni per geval door het bestuur van de producentenorganisatie geëvalueerd en een verslag van deze evaluatie wordt jaarlijks voor 1 juni door de algemene vergadering besproken en geaccordeerd. De onderliggende stukken worden door de producentenorganisatie gearchiveerd.

  • 6 Activiteiten van de producentenorganisatie die niet worden uitbesteed aan haar leden zijn:

    • a. verkoop van de producten van haar leden waarvoor de producentenorganisatie is erkend; en

    • b. commercieel en budgettair beheer.

  • 7 Activiteiten van de producentenorganisatie die niet worden uitbesteed zijn:

    • a. controle op de naleving van de statuten, met uitzondering van accountantsonderzoek;

    • b. boekhouding, facturering en uitbetaling aan de leden; en

    • c. kennis van productie van de leden.

Afdeling 4. Eisen aan de statuten van producentenorganisaties

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 23

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Producentenorganisaties nemen in hun statuten op dat zij alle in artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder i, ii en iii, van verordening 1308/2013 genoemde doelstellingen nastreven en tonen aan dat zij uitvoering geven aan deze doelstellingen.

Artikel 24

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Ongeacht de rechtsvorm van een producentenorganisatie bepalen de statuten van een producentenorganisatie op grond van artikel 153, tweede lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 dat een lid maximaal 20 procent van de stemmen van een voltallige algemene vergadering van de producentenorganisatie heeft.

  • 2 De percentages omvatten tevens volmachten.

  • 3 Indien een natuurlijk persoon, afgezien van volmachten, bevoegd is om te stemmen voor meerdere leden, geldt het maximum percentage van de stemmen voor deze rechtspersonen gezamenlijk.

  • 4 In het geval van een rechtsvorm met aandeelhouders of in het geval leden aanspraak kunnen maken op delen van het kapitaal, bepalen de statuten van een producentenorganisatie dat een natuurlijk persoon of rechtspersoon maximaal 20 procent van de aandelen van de producentenorganisatie heeft of dat deze gerechtigd is tot maximaal 20% van het kapitaal.

  • 5 De statuten van een unie van producentenorganisaties bepalen:

    • a. ongeacht de rechtsvorm van de unie van de producentenorganisatie, dat een lid maximaal 50 procent van de stemmen van een voltallige algemene vergadering van de unie van producentenorganisaties heeft;

    • b. in geval van een rechtsvorm met aandeelhouders, dat een producentenorganisatie maximaal 50 procent van de aandelen van de unie van producentenorganisaties heeft.

Artikel 25

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Een producentenorganisatie kan haar leden slechts toestemming als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891 verlenen indien deze mogelijkheid in haar statuten is opgenomen.

  • 2 Indien een producentenorganisatie haar leden toestaat gebruik te maken van de uitzondering, bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891, stelt de producentenorganisatie voorschriften vast inzake:

    • a. de procedure voor verlening van de toestemming;

    • b. de algemene voorwaarden voor verlening van de toestemming; en

    • c. de rapportageverplichtingen bij het gebruik van de toestemming.

  • 3 Een producentenorganisatie verleent de toestemming jaarlijks schriftelijk en per individueel geval voordat gebruik wordt gemaakt van de uitzondering, bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891.

  • 4 Bij de verlening van toestemming maakt een producentenorganisatie een keuze om deze toestemming in volume of waarde te verlenen. Deze keuze verplicht het lid om zijn verkopen in dezelfde eenheid te administreren en te rapporteren.

  • 5 Indien een producentenorganisatie aan de toestemming specifieke voorwaarden verbindt, worden deze voorwaarden in de toestemming vermeld.

  • 6 Een producentenorganisatie kan in een situatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van verordening 2017/891, een lid toestaan om maximaal 40 procent, qua volume of qua waarde, van de productie buiten de producentenorganisatie om af te zetten, zoals bedoeld in artikel 12, tweede lid, van verordening 2017/891, indien:

    • a. dat lid producten teelt onder licentie van een andere producentenorganisatie;

    • b. de verkooprechten met betrekking tot die producten exclusief bij die andere producentenorganisatie liggen; en

    • c. de producten waarop de toestemming betrekking heeft uitsluitend via die andere producentenorganisatie worden afgezet.

Titel 2. Aanvraag, verlening en beëindiging erkenning

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 26

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Een erkenning als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013 wordt verleend indien de aanvrager kan aantonen dat hij voldoet aan de op grond van de artikelen 152, 153, 154, 155 en 160 van verordening 1308/2013 en titel 1 van deze afdeling gestelde eisen.

Artikel 27

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Een verzoek om erkenning omvat ter uitvoering van artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 de volgende stukken:

    • a. de oprichtingsakte en statuten;

    • b. het huishoudelijk reglement;

    • c. een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel;

    • d. notulen van de oprichtingsvergadering;

    • e. het meerjarenplan;

    • f. de bestuursnotitie omtrent de afzet en aanbodbundeling;

    • g. de bestuursnotitie omtrent de uitbesteding van activiteiten;

    • h. de ledenlijst;

    • i. indien aanwezig de jaarrekeningen van de producentenorganisatie over de afgelopen drie boekjaren;

    • j. de beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing, bedoeld in artikel 17;

    • k. de beschrijving van de samenstelling van het bestuur;

    • l. de procuratieregeling;

    • m. het autorisatieschema;

    • n. een organogram;

    • o. de bevoegdhedenmatrix en parafenlijst;

    • p. een beschrijving van de ondernemingsstructuur en ondernemingen waarin één of meer producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties aandelen of maatschappelijk kapitaal bezitten en die bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van die organisaties of unies;

    • q. een beschrijving van de goederenlogistiek; en

    • r. een opgave van de waarde van de afzetbare productie.

  • 3 De referentieperiode voor het bepalen van de waarde van de afzetbare productie is het kalenderjaar twee jaar vóór het jaar van de erkenningsaanvraag.

  • 4 Indien dit nodig is voor de beoordeling van het verzoek om erkenning, bedoeld in artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 kan de minister de producentenorganisatie verzoeken om aanvullende schriftelijke bewijsstukken.

Artikel 28

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Indien de minister op grond van artikel 27, vierde lid, aanvullende bewijsstukken opvraagt wordt de in artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 bedoelde termijn opgeschort tot de verzochte aanvullende bewijsstukken door de producentenorganisatie aan de minister zijn overgelegd.

Artikel 29

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Een erkenning kan op verzoek van de producentenorganisatie worden gewijzigd of beëindigd met ingang van 1 januari.

  • 2 De producentenorganisatie dient een verzoek tot wijziging van de erkenning in uiterlijk op 1 september voorafgaand aan het jaar met ingang waarvan wijziging van de erkenning wordt gevraagd.

  • 3 De producentenorganisatie dient een verzoek tot beëindiging van de erkenning in uiterlijk op 1 december voorafgaand aan het jaar met ingang waarvan beëindiging van de erkenning wordt gevraagd.

  • 4 Een lijst met de namen en contactgegevens van alle in Nederland erkende producentenorganisaties wordt gepubliceerd op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Deze lijst wordt jaarlijks geactualiseerd.

  • 5 In afwijking van het eerste lid kan een erkenning op verzoek van de producentenorganisatie die geen operationeel programma uitvoert, op ieder moment worden beëindigd. Het verzoek tot beëindiging van de erkenning kan op ieder moment worden ingediend.

Titel 3. Informatie- en rapportageverplichtingen

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 30

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De producentenorganisatie informeert de minister onverwijld over:

    • a. wijzigingen in de statuten en het huishoudelijk reglement;

    • b. wijzigingen in de organisatiestructuur; en

    • c. voornemens tot fusie of samenwerking.

  • 2 Bij de melding van de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, overlegt de producentenorganisatie in ieder geval de gewijzigde statuten of het gewijzigde huishoudelijk reglement.

Artikel 31

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks voor 1 maart de volgende stukken aan de minister:

    • a. een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel; en

    • b. de verslagen van de in het afgelopen boekjaar gehouden algemene vergaderingen.

  • 2 Een producentenorganisatie die geen subsidieaanvraag indient bij de minister, overlegt ter uitvoering van artikel 21, eerste lid, van verordening 2017/892 jaarlijks voor 15 februari aan de minister:

    • a. een digitale ledenlijst per 1 januari van het lopende jaar, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel;

    • b. een overzicht van de leden die gedurende het vorige jaar zijn uitgetreden, onder vermelding van de datum van uittreding, alsook van de leden waarop artikel 7, vijfde lid, van toepassing is met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel; en

    • c. een parafenlijst van tekenbevoegde personen binnen de producentenorganisatie.

  • 3 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks uiterlijk op 1 juni, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, aan de minister een samenvattend overzicht van:

    • a. de door de leden op grond van artikel 14, derde lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, aan de producentenorganisatie verstrekte informatie;

    • b. het areaal van de leden van de producentenorganisatie;

    • c. de door de leden van de producentenorganisatie geteelde gewassen;

    • d. de hoeveelheden product waarvoor aan de leden een toestemming op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 is verleend; en

    • e. de omzet van de producentenorganisatie.

  • 4 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks uiterlijk op 1 juni de jaarrekening over het afgelopen boekjaar, voorzien van een controleverklaring van een extern accountant.

Hoofdstuk 2. Erkenning van unies van producentenorganisaties

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 32

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Alleen een erkende producentenorganisatie kan lid zijn van een unie van producentenorganisaties.

  • 2 De minister kan op een gemotiveerd verzoek besluiten om een unie van producentenorganisaties een erkenning te verlenen op een lager niveau dan de GN-code.

Artikel 33

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Alle artikelen uit hoofdstuk 1 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aangesloten producentenorganisaties zelf invulling aan de betreffende artikelen hebben gegeven, waarvan in ieder geval de artikelen 4, 7, 9, 10, 17, 18, 22, 29 en 30 van overeenkomstige toepassing zijn op unies van producentenorganisaties.

  • 2 Alle artikelen uit deel 1 en deel 3 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij voor de unie van producentenorganisaties een afwijkende regeling is opgenomen.

Artikel 34

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Een erkenning als bedoeld in artikel 156 van verordening 1308/2013 wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan artikel 156, eerste lid, van verordening 1308/2013 en titel I, hoofdstuk I, afdeling 3, van verordening 2017/891 alsmede aan artikel 32 en de in artikel 33 genoemde artikelen.

Hoofdstuk 3. Niet naleving van de erkenningscriteria

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 35

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

De erkenning van een producentenorganisatie wordt met ingang van het tijdstip van verstrijken van de termijn zoals vastgelegd in het aanmaningsbesluit bedoeld in artikel 59, eerste lid, van verordening 2017/891 van rechtswege opgeschort, tenzij de minister voor het verstrijken van deze termijn schriftelijk aan de producentenorganisatie heeft medegedeeld dat de niet-naleving van de erkenningscriteria tijdig is gecorrigeerd.

Deel 3. Actiefonds en waarde afgezette productie

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Hoofdstuk 1. Waarde afgezette productie

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 36

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

De referentieperiode voor het bepalen van de waarde van de afgezette productie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van verordening 2017/891, is het kalenderjaar twee jaar voorafgaande aan het uitvoeringsjaar waarvoor de waarde afgezette productie wordt vastgesteld.

Artikel 37

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Producten zijn geproduceerd door een producentenorganisatie of een lid van de producentenorganisatie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, eerste alinea, van verordening 2017/891, wanneer de productie voor eigen rekening en risico van de producentenorganisatie of haar lid op het grondgebied van de Europese Unie heeft plaatsgevonden.

  • 2 Producten zijn geproduceerd door een unie van producentenorganisaties of een aangesloten producentenorganisatie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, tweede alinea, van verordening 2017/891, wanneer de productie voor eigen rekening en risico van de unie van producentenorganisaties of de daarbij aangesloten producentenorganisatie heeft plaatsgevonden.

  • 3 Verkoop van nog niet geoogste producten valt onder productie van leden van de producentenorganisatie en wordt in de waarde van de afgezette productie opgenomen, mits de verkoop via de producentenorganisatie is gelopen en het de eerste verkoop betreft waarbij het product van eigenaar verandert.

  • 4 Verkoop van door leden aangekochte producten valt niet onder de productie van leden van de producentenorganisatie, ook niet als deze producten door het lid als halfgewas zijn aangekocht. In uitzonderlijke gevallen kan de minister besluiten om de aangekochte producten onder de productie van de leden van de producentenorganisatie te laten vallen indien deze productie voor eigen rekening en risico van het betreffende lid heeft plaatsgevonden.

  • 5 De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties controleert de naleving van het eerste onderscheidenlijk tweede lid.

  • 6 Ter uitvoering van artikel 22, zesde lid, van verordening 2017/891 omvat de waarde van de afgezette productie in het stadium ‘af producentenorganisatie’ de aan de afnemer gefactureerde kosten van verpakkingsmateriaal, eenmalig fust, huur van meermalig fust en de verpakking waarin of pallet waarop het product ter verkoop wordt aangeboden.

  • 7 In de waarde van de afgezette productie worden geen transportkosten naar de afnemer opgenomen, ongeacht of deze op de verkoopfactuur zijn vermeld.

  • 8 Ter uitvoering van artikel 22, tiende lid, van verordening 2017/891 mogen vergoedingen worden meegeteld die in het kader van oogstverzekeringsacties of door de producentenorganisatie beheerde acties, zoals bedoeld in artikel 182,zijn uitgekeerd aan de producentenorganisatie of haar leden.

  • 9 In de waarde van de afgezette productie worden geen debiteuren opgenomen die op het tijdstip van definitieve opgave van de waarde van de afgezette productie als bedoeld in artikel 43 nog openstaan.

  • 10 Terugbetalingen aan afnemers worden uit de waarde van de afgezette productie gehaald op het moment dat creditering in de boekhouding van de producentenorganisatie gebruikelijk is.

  • 11 In de waarde van de afgezette productie wordt niet de waarde opgenomen van verkopen die hebben plaatsgevonden aan een lid of aan het lid gelieerde entiteiten, indien het betreffende lid deze producten zelf heeft geproduceerd.

Artikel 38

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

De waarde van de afgezette productie van leden die zijn toegetreden tot de producentenorganisatie gedurende de referentieperiode, bedoeld in artikel 36, wordt in aanmerking genomen voor de bepaling van de waarde afgezette productie van de producentenorganisatie vanaf de datum die door het bestuur van de producentenorganisatie in haar schriftelijke bevestiging als bedoeld in artikel 7, vierde lid, is aangewezen als de datum waarop het lidmaatschap in werking treedt.

Artikel 39

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De producentenorganisatie kan bij de bepaling van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie de waarde van de afgezette productie van leden in aanmerking nemen die:

    • a. gedurende de referentieperiode voor de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend waren aangesloten bij een andere in Nederland erkende producentenorganisatie; en

    • b. na de referentieperiode voor de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend tot de producentenorganisatie zijn toegetreden, voor zover deze leden voldoen aan het vereiste van artikel 23, tweede lid, van verordening 2017/891.

  • 2 De waarde van de afgezette productie van de leden, wordt slechts door de nieuwe producentenorganisatie in aanmerking genomen indien de producentenorganisatie waar de producent was aangesloten gedurende de referentieperiode de nieuwe producentenorganisatie uiterlijk op 15 november van het jaar waarvoor de waarde van de afgezette productie bepaald wordt een overzicht verstrekt van de waarden van de voor het individuele lid afgezette producten waarvoor het lid bij de nieuwe producentenorganisatie is aangesloten.

  • 3 Indien de waarde van de afgezette productie van een lid niet in aanmerking is genomen bij de bepaling van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie waar de producent was aangesloten gedurende de referentieperiode is artikel 40, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 40

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De producentenorganisatie kan voor de bepaling van de waarde van de afgezette productie in aanmerking nemen de waarde van de afgezette productie van leden die:

    • a. na de referentieperiode tot de producentenorganisatie zijn toegetreden, voor zover deze leden voldoen aan het vereiste van artikel 23, tweede lid, van verordening 2017/891; en

    • b. gedurende de referentieperiode,

      • 1°. niet waren aangesloten bij een erkende producentenorganisatie; of

      • 2°. waren aangesloten bij een producentenorganisatie waarvan de erkenning nadien is ingetrokken.

  • 2 De waarde van de afgezette productie van de leden, bedoeld in het eerste lid, wordt in aanmerking genomen bij de bepaling van de waarde afgezette productie van de producentenorganisatie indien het lid de producentenorganisatie:

    • a. een overzicht verstrekt van de waarden van de afgezette productie van de producten waarvoor de producent bij de producentenorganisatie is aangesloten;

    • b. een controleverklaring of rapportage naar aanleiding van een COS 4400 onderzoek van een extern accountant overlegt waarin wordt bevestigd dat de waarden die zijn opgegeven in het overzicht, bedoeld in onderdeel a:

      • 1°. juist zijn;

      • 2°. gerealiseerd zijn door de verkoop van producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

      • 3°. producten betreffen die voor eigen rekening en risico door de betreffende producent binnen het grondgebied van de Europese Unie zijn geproduceerd; en

      • 4°. geen BTW en transportkosten bevatten; en

    • c. opgave doet van eerdere lidmaatschappen van producentenorganisaties in de afgelopen vijf jaar.

Artikel 41

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De producentenorganisatie kan voor de bepaling van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie in aanmerking nemen de waarde afgezette productie van leden die:

    • a. gedurende de referentieperiode waren aangesloten bij een in een andere lidstaat erkende producentenorganisatie, en

    • b. na de referentieperiode tot de producentenorganisatie zijn toegetreden, voor zover deze leden voldoen aan het vereiste van artikel 23, tweede lid, van verordening 2017/891.

  • 2 De waarde afgezette productie van de leden wordt in aanmerking genomen bij het bepalen van de waarde afgezette productie van de producentenorganisatie indien de producentenorganisatie waar de producent eerder was aangesloten een schriftelijke verklaring verstrekt dat de waarde niet eerder aan een subsidieaanvraag ten grondslag heeft gelegen; en:

    • a. de producentenorganisatie waar de producent was aangesloten gedurende de referentieperiode de nieuwe producentenorganisatie een schriftelijke verklaring verstrekt over de waarden van de voor het individuele lid afgezette producten waarvoor het lid bij de nieuwe producentenorganisatie is aangesloten; of

    • b. het lid aan de producentenorganisatie een overzicht en controleverklaring of rapportage als bedoeld in artikel 40, tweede lid, onderdeel b, verstrekt.

Artikel 42

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

De waarde van de afgezette productie die is gerealiseerd door verkoop van producten van leden die op 1 januari van het uitvoeringsjaar waarvoor de waarde van de afgezette productie wordt berekend niet meer bij de producentenorganisatie zijn aangesloten, wordt aantoonbaar uit de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie verwijderd voor het betreffende jaar.

Artikel 43

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Producentenorganisaties laten een extern accountant een controle uitvoeren en een controleverklaring over de juistheid van de opgave van de waarde van de afgezette productie van de producentenorganisatie opstellen, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, alsmede een verslag over de verrichte werkzaamheden.

  • 2 Producentenorganisaties overleggen jaarlijks uiterlijk op 1 december aan de minister:

    • a. de definitieve opgave van de waarde van de afgezette productie, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel; en

    • b. de in het eerste lid bedoelde controleverklaring met het bijbehorende verslag.

Hoofdstuk 2. Beheer van het actiefonds

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 44

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De systematiek van berekening van de financiële bijdragen aan het actiefonds, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van verordening 1308/2013, wordt door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties vastgelegd in haar statuten.

  • 2 In het geval de financiële bijdragen van de leden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, onderdeel i of ii, van verordening 1308/2013 gedifferentieerd zijn, worden deze op basis van objectieve criteria onderscheiden.

  • 3 Ter uitvoering van artikel 25, tweede lid, van verordening 2017/891 wordt het besluit van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties tot vaststelling van de financiële bijdragen aan het actiefonds, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van verordening 1308/2013 goedgekeurd door de algemene vergadering van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties’.

  • 4 In aanvulling op artikel 5 van verordening 2017/892 overlegt een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties voor 8 december van het jaar waarin een operationeel programma, of een wijziging daarvan als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891, voor goedkeuring aan de minister is voorgelegd, bewijstukken waarmee wordt aangetoond dat de goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de bijdragen aan het actiefonds door de algemene vergadering heeft plaatsgevonden.

  • 5 Indien in een jaar sprake is van een tekort van het actiefonds, kunnen tot en met 14 februari van het volgende jaar financiële bijdragen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van verordening 1308/2013 in het actiefonds worden gestort.

Artikel 45

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Door de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties wordt voor het actiefonds:

    • a. een aparte bankrekening geopend;

    • b. een aparte grootboekrekening gereserveerd; of

    • c. een aparte kostenplaats aangemaakt.

  • 2 De afsluiting van het rapportagekwartaal of het rapportagejaar in de administratie van de kostenplaats, grootboekrekening of bankrekening van het actiefonds van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties sluit direct aan op de kwartaalrapportage of de jaarrapportage.

  • 3 Het saldo van de eigen bijdragen van leden aan het actiefonds van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties is op 14 februari van enig jaar groter dan of gelijk aan nul.

  • 4 De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties laat een extern accountant een controle uitvoeren en, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model, een controleverklaring afleggen over:

    • a. de juistheid van de in het tweede lid bedoelde afsluiting; en

    • b. de naleving van de voorschriften inzake het beheer van het actiefonds, bedoeld in artikel 24 van verordening 2017/891.

Artikel 46

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties informeert jaarlijks na afloop van het uitvoeringsjaar haar leden in een algemene vergadering over de realisatie van het operationeel programma gedurende het voorgaande uitvoeringsjaar, in het bijzonder voor wat betreft:

    • a. de bedragen die per project over het uitvoeringsjaar zijn gerealiseerd;

    • b. welke investeringen van € 100.000 en hoger gedurende het uitvoeringsjaar op locatie van de producentenorganisatie of de unie van producentenorganisaties of een dochteronderneming zijn gerealiseerd; en

    • c. welke investeringen van € 50.000 en hoger gedurende het uitvoeringsjaar op andere locaties zijn gerealiseerd, onder vermelding van het adres van de locaties.

  • 2 De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties overlegt aan de minister jaarlijks voor 1 juli na enig uitvoeringsjaar bewijsstukken waaruit blijkt dat het voldaan heeft aan haar informatieverplichting.

Deel 4. Operationele programma’s

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Hoofdstuk 1. Eisen aan operationele programma’s

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 47

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Producentenorganisaties streven met hun operationeel programma minimaal elk van de volgende strategische doelen na:

    • a. verduurzaming; en

    • b. marktgericht produceren.

  • 2 Producentenorganisaties kunnen met hun operationeel programma tevens het strategisch doel versterking afzetstructuur nastreven.

  • 3 De algemene nationale streefdoelen en nationaal gekwantificeerde streefcijfers zijn voor Nederland:

    • a. voor het strategisch doel verduurzaming voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020:

      • 1°. ten aanzien van energie, een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, meer in het bijzonder een CO2 reductie van 15 procent ten opzichte van 2014 door middel van:

        • i. een toename van het gebruik van duurzame energie in kassen tot 7 procent; en

        • ii. een totale reductie in het verbruik van fossiele energie in kassen met 15 procent ten opzichte van 2011.

      • 2°. ten aanzien van een duurzaam gebruik van pesticiden, een verdergaande vermindering van de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar lucht, water en bodem, meer in het bijzonder:

        • i. een volledige dekking van de groenten en fruit productie door private certificatiesystemen in 2023; en

        • ii. een afname in 2023 van de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar het grond- en oppervlaktewater van 95 procent ten opzichte van 2013.

      • 3°. ten aanzien van de biologische productie een jaarlijkse omzetgroei van 5 procent van biologisch gecertificeerde productie in groente en fruit; en

      • 4°. ten aanzien van nutriënten en afval een verdergaande afname van de emissie van nutriënten naar lucht, water en bodem en verdergaande vermindering van afval.

    • b. voor het strategische doel marktgericht produceren voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020:

      • 1°. van de totale omzet van Nederlandse producentenorganisaties is op 31 december 2020 15 procent afkomstig uit de afzet van nieuwe producten of nieuwe concepten op bestaande markten of het aanboren van nieuwe afzetkanalen en markten;

      • 2°. een jaarlijkse toename van 2,5 procent van de omzet per areaal;

      • 3°. een toename van het aantal producten dat wordt afgezet in een hogere kwaliteitsklasse of met een onderscheidend kwaliteitslabel; en

      • 4°. een jaarlijkse groei van 5 procent van de omzet van biologisch gecertificeerde productie in groente en fruit.

    • c. voor het strategisch doel versterking afzetstructuur voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2020:

      • 1°. verdergaande samenwerking tussen producentenorganisaties;

      • 2°. een toename van de organisatiegraad per subsector met 15 procent van het aangesloten areaal op 31 december 2020 ten opzichte van 1 januari 2014; en

      • 3°. van de totale omzet, in waarde of volume, van Nederlandse producentenorganisaties is op 31 december 2020 15 procent afkomstig uit het ontsluiten van een nieuwe markt, logistieke innovatie of een nieuwe manier van klantbelevering.

Artikel 48

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 4 van verordening 2017/892, bevat een operationeel programma de visie van de producentenorganisatie voor de toekomst van de producentenorganisatie.

  • 2 In de visie van de producentenorganisatie is ten minste een beschrijving opgenomen van het toekomstbeeld dat de producentenorganisatie nastreeft en aan het einde van de looptijd van het operationeel programma wil hebben gerealiseerd.

Artikel 49

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

De beschrijving van de uitgangssituatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2017/892 bevat een SWOT analyse waarin tenminste:

  • a. een beschrijving en een verifieerbare onderbouwing is opgenomen van de sterke en zwakke punten van de producentenorganisatie; en

  • b. een beschrijving en een verifieerbare onderbouwing is opgenomen van de kansen en bedreigingen voor de producentenorganisatie bij het realiseren van de visie, bedoeld in artikel 48, en de strategische doelen, bedoeld in artikel 47, van de producentenorganisatie.

Artikel 50

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De beschrijving van de doelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2017/892, omvat de keuze voor de strategische doelen, bedoeld in artikel 47, die met het operationeel programma worden nagestreefd en aan de hand van de SWOT analyse, bedoeld in artikel 49, worden onderbouwd.

  • 2 In deze beschrijving wordt eveneens opgenomen hoe deze strategische doelen passen binnen de in artikel 48 bedoelde visie.

Artikel 51

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De informatie over de voorgestelde maatregelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van verordening 2017/892, bevat per strategisch doel de volgende onderdelen:

    • a. de meetbare streefdoelen die de producentenorganisatie op basis van de algemene streefdoelen en gekwantificeerde streefcijfers uit artikel 47, derde lid, heeft bepaald en die de producentenorganisatie in het kader van het strategisch doel beoogt te realiseren;

    • b. een onderbouwing van de gekozen meetbare streefdoelen van de producentenorganisatie aan de hand van de SWOT analyse, bedoeld in artikel 49;

    • c. per meetbaar streefdoel van de producentenorganisatie:

      • 1°. een meetbare en controleerbare nulsituatie;

      • 2°. de percentages of cijfers, voor zover mogelijk uitgedrukt in dezelfde eenheid als de gekwantificeerde streefcijfers, die de producentenorganisatie aan het eind van de looptijd van het operationele programma nastreeft; en

      • 3°. alle projecten waarmee de realisatie van het streefdoel van de producentenorganisatie wordt nagestreefd;

    • d. per project:

      • 1°. een omschrijving van het project;

      • 2°. een omschrijving en onderbouwing van de verwachte bijdrage, absoluut of relatief, van het project aan de realisatie van de meetbare streefdoelen van de producentenorganisatie,

      • 3°. een onderbouwing van het vernieuwende karakter van het project;

      • 4°. de subsidiabele activiteiten die in het kader van het project worden ingezet om de meetbare streefdoelen van de producentenorganisatie te realiseren; en

      • 5°. de looptijd;

    • e. per subsidiabele activiteit:

      • 1°. een omschrijving van de activiteit;

      • 2°. een onderbouwing van de subsidiariteit van de activiteit en de bijbehorende uitgavenposten;

      • 3°. per uitvoeringsjaar van het operationeel programma een planning van werkzaamheden voor de activiteit; en

      • 4°. per uitvoeringsjaar van het operationeel programma een begroting voor de activiteit onderbouwd aan de hand van:

        • i. minimaal drie onderling vergelijkbare kostenbegrotingen per uitgavenpost voor uitgavenposten die betrekking hebben op het eerste jaar van het operationeel programma; en

        • ii. minimaal één kostenbegroting per uitgavenpost voor uitgavenposten die betrekking hebben op de volgende jaren van het operationeel programma.

  • 2 De meetbare streefdoelen dragen bij aan de algemene nationale streefdoelen en, indien van toepassing, sluiten geheel of gedeeltelijk aan bij de nationaal gekwantificeerde streefcijfers.

  • 3 Indien de meetbare streefdoelen, bedoeld in het eerste lid, moeten worden aangepast dient de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties voor het volgende jaar een verzoek tot wijziging van het operationeel programma als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891 in.

  • 4 In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, onder 3°, worden uitgaven voor:

    • a. standaard activiteiten in het kader van kwaliteitskeuring van producten van leden en begeleiding en audits van kwaliteitscontrolesystemen als bedoeld in artikel 122a; en

    • b. standaard activiteiten voor teeltbegeleiding als bedoeld in artikel 163a;

    niet ingediend in het kader van een project. De totale gezamenlijke uitgaven bedragen maximaal 10% van het operationele programma per jaar.

  • 5 In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, onder 3°, hoeven niet te worden ingediend in het kader van een project:

  • 6 De looptijd van een project als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, onder 5°, is ten hoogste vijf jaar. Indien de looptijd van het project aan het einde van het operationeel programma nog niet is afgelopen kan het project in een volgend operationeel programma worden opgenomen.

Artikel 51a

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Een project heeft een vernieuwend karakter als bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel d, onder 3°, wanneer de producentenorganisatie in het voorafgaande operationele programma geen planmatige of bewuste activiteiten heeft ondernomen op het gebied van het betreffende project.

  • 2 Projecten die zijn opgenomen in het eerste operationele programma dat wordt ingediend na inwerkingtreding van deze regeling worden geacht een vernieuwend karakter te hebben.

  • 3 In geval van een fusie worden voor de toepassing van het eerste lid de activiteiten die zijn opgenomen in de operationele programma’s van de fuserende producentenorganisaties gezamenlijk bekeken. Bij fusie is het tweede lid niet van toepassing.

Artikel 51b

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De uitgavenposten als bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel e, onder 4°, die in het operationeel programma zijn opgenomen voor de jaren na het eerste jaar van het operationeel programma worden voor de desbetreffende jaren jaarlijks door middel van een verzoek tot wijziging van het operationeel programma, als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891, onderbouwd door middel van minimaal drie onderling vergelijkbare kostenbegrotingen per uitgavenpost.

  • 2 In afwijking van artikel 51, eerste lid, onderdeel e, onder 4°, en het eerste lid, kan een begroting voor een uitgavenpost voor een activiteit waarvan de uitgaven in een uitvoeringsjaar worden geraamd op minder dan € 25.000 worden onderbouwd aan de hand van een enkele kostenbegroting.

  • 3 Indien een uitgavenpost voor een activiteit aantoonbaar door slechts een enkele of ten hoogste twee partijen kan worden uitgevoerd of begroot, wordt een begroting, in afwijking van artikel 51, eerste lid, onderdeel e, onder 4°, en het eerste lid, onderbouwd met de beschikbare kostenbegroting(en).

  • 4 Indien een begroting voor een uitgavenpost wordt onderbouwd aan de hand van meerdere kostenbegrotingen wordt de keuze voor de in de begroting opgenomen kostenbegroting voldoende gemotiveerd.

  • 6 De minister kan besluiten dat de verplichting tot het overleggen van kostenbegrotingen en de daaruit voortvloeiende eis om de keuze voor een bepaalde kostenbegroting te motiveren, wordt verlegd naar een entiteit die op grond van een uitbestedingsovereenkomst namens een of meer producentenorganisaties zelfstandig een activiteit of uitgavenpost onder hun beheer uitvoert of laat uitvoeren.

Artikel 52

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Ter uitvoering van artikel 27, vijfde lid, van verordening 2017/891 mag een project als bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel d niet meer dan 75 procent en een activiteit niet meer dan 50 procent van de uitgaven van de uitvoering van het operationeel programma betreffen.

Artikel 53

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Ter uitvoering van artikel 25, tweede lid, van verordening 2017/891 wordt een operationeel programma of een verzoek tot wijziging van een operationeel programma als bedoeld in artikel 34, eerste lid van verordening 2017/891 door de algemene vergadering van de producentenorganisatie goedgekeurd.

  • 2 In aanvulling op artikel 5 van verordening 2017/892 overlegt een producentenorganisatie voor 8 december van het jaar waarin een operationeel programma of een wijziging daarvan voor goedkeuring is voorgelegd aan de minister bewijstukken waarmee wordt aangetoond dat de goedkeuring van het operationeel programma of van de wijziging van een operationeel programma door de algemene vergadering van de producentenorganisatie heeft plaatsgevonden.

  • 3 Het operationeel programma of een wijziging daarvan dat aan de algemene ledenvergadering ter goedkeuring is voorgelegd zoals bedoeld in het tweede lid bevat informatie over:

    • a. de inhoud van de projecten door middel van een samenvatting’;

    • b. de bedragen per project;

    • c. welke investeringen van € 100.000 en hoger op locatie van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties of een dochteronderneming zijn voorgenomen; en

    • d. welke investeringen van € 50.000 en hoger op andere locaties zijn voorgenomen, onder vermelding van het adres van de locaties.

Hoofdstuk 2. Indienen, wijzigen en stopzetten operationeel programma

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 54

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties dient het operationele programma als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van verordening 2017/892 in met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 2 De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties dient het operationeel programma in uiterlijk om 12:00 uur op de datum als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van verordening 2017/892.

  • 3 In afwijking van de in artikel 6, eerste lid, van verordening 2017/892 genoemde uiterste indieningsdatum van 15 september dient de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties een operationeel programma dat aanvangt in 2022, uiterlijk op 1 oktober 2021 om 12:00 uur in.

Artikel 55

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Een wijziging van een operationeel programma als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891 kan betrekking hebben op:

    • a. een wijziging in de meerjarenbegroting voor de volgende uitvoeringsjaren van het operationeel programma;

    • b. het toevoegen of laten vervallen van uitgavenposten voor activiteiten opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma;

    • c. het toevoegen van streefdoelen, projecten of activiteiten aan het operationele programma voor de volgende jaren;

    • d. het laten vervallen van projecten of activiteiten in het operationele programma voor de volgende jaren,

    • e. een wijziging van de verdeling van de tranches waarin investeringen via het actiefonds worden gefinancierd;

    • f. het jaarbedrag van het actiefonds;

    • g. het toevoegen van andere soorten financiële bijdragen aan het actiefonds dan oorspronkelijk goedgekeurd; of

    • h. de looptijd van het operationele programma.

  • 2 Een verzoek tot wijziging als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891 wordt uiterlijk op 15 september om 12:00 uur, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, ingediend.

  • 3 Het toevoegen van uitgavenposten of activiteiten is slechts mogelijk indien de activiteit subsidiabel is op grond van deel 4, hoofdstuk 3 en 4.

  • 4 Op een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, zijn de artikelen 51, 51a en 51b van overeenkomstige toepassing.

  • 5 In afwijking van het tweede lid dient de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties een verzoek tot wijziging als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891 in het jaar 2021 uiterlijk op 1 oktober 2021 om 12:00 uur in.

Artikel 56

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Een wijziging van een operationeel programma gedurende het jaar, als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening 2017/891, betreft de toekomst en kan betrekking hebben op:

    • a. het toevoegen van nieuwe uitgavenposten aan bestaande activiteiten of van nieuwe activiteiten aan bestaande projecten opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma, indien deze toevoeging voorafgaand aan het uitvoeringsjaar niet voorzienbaar was;

    • b. een wijziging van de begroting voor een uitgavenpost voor een activiteit opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma met meer dan 20 procent;

    • c. het verhogen van het jaarbedrag van het actiefonds met maximaal 25 procent;

    • d. het verlagen van het jaarbedrag van het actiefonds met maximaal 80 procent; of

    • e. het toevoegen van andere soorten financiële bijdragen aan het actiefonds dan oorspronkelijk goedgekeurd.

  • 2 De producentenorganisatie geeft ten aanzien van wijzigingen als bedoeld in het eerste lid gemotiveerd aan:

    • a. hoe het begrote bedrag tot stand gekomen is;

    • b. waarom het noodzakelijk is dat deze wijziging gedurende het jaar gedaan wordt; en

    • c. wat de gevolgen van deze wijziging zijn voor de uitvoering en de begroting van het operationeel programma.

  • 3 In aanvulling op het tweede lid geeft de producenteorganisatie ten aanzien van wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gemotiveerd aan:

    • a. waarom deze wijziging niet voorzienbaar was; en

    • b. indien het een nieuwe activiteit betreft, hoe deze activiteit bijdraagt aan het project.

  • 5 Ten aanzien van de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, wordt door de producentenorganisatie aangetoond dat de wijziging geen afbreuk doet aan de strategische doelen en de meetbare streefdoelen van het operationele programma.

  • 6 De producentenorganisatie kan een verzoek tot wijziging als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van verordening 2017/891 indienen op een van de volgende momenten:

    • a. 5 januari van het uitvoeringsjaar waar het verzoek tot wijziging betrekking op heeft;

    • b. 1 mei van het uitvoeringsjaar waar het verzoek tot wijziging betrekking op heeft;

    • c. 1 augustus van het uitvoeringsjaar waar het verzoek tot wijziging betrekking op heeft;

    • d. 1 november van het uitvoeringsjaar waar het verzoek tot wijziging betrekking op heeft; of

    • e. 1 december van het uitvoeringsjaar waar het verzoek tot wijziging betrekking op heeft, mits het een wijziging van het actiefonds betreft zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel c, van verordening 2017/891.

  • 7 In afwijking van het zesde lid kan een producentenorganisatie op elk moment een verzoek tot wijziging indienen met betrekking tot:

  • 8 Een producentenorganisatie kan onmiddellijk na het indienen van een verzoek tot wijziging, onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 34, tweede lid, derde alinea, van verordening 2017/891, dat dit voor eigen rekening en risico gebeurt, aanvangen met het doorvoeren van de wijziging.

  • 9 Het toevoegen van uitgavenposten of activiteiten, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is slechts mogelijk indien de uitgavenpost of activiteit subsidiabel is op grond van deel 4, hoofdstuk 3 en 4.

  • 10 De verzoeken tot wijziging als bedoeld in het zesde lid, onderdelen b tot en met e, worden ingediend met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 57

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Wijzigingen van de begroting voor uitgavenposten voor activiteiten opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma met minder dan 20 procent en het vervallen van uitgavenposten of activiteiten opgenomen in een goedgekeurd operationeel programma worden door de producentenorganisatie gemotiveerd gemeld gelijktijdig met de aanvragen zoals bedoeld in artikel 192 of 194 of bij de steunaanvraag, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening 2017/892, voor het betreffende uitvoeringsjaar met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model.

Artikel 58

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Indien een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties de uitvoering van haar operationele programma voor het einde van de geplande looptijd ervan stopzet, meldt zij dit onverwijld aan de minister.

Artikel 59

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Een verzoek om bij fusie operationele programma’s parallel uit te voeren tot het einde van de looptijd, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van verordening 2017/891, wordt ingediend voor 15 juli van het jaar van de fusie.

Hoofdstuk 3. Algemene voorschriften voor subsidiabele uitgaven

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Titel 1. Algemeen

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 60

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De uitgaven, bedoeld in dit hoofdstuk, zijn subsidiabel indien zij op grond van deel 4, hoofdstuk 4, subsidiabel worden gesteld.

  • 2 De uitgaven, bedoeld in bijlage I, zijn niet subsidiabel.

  • 3 Ter uitvoering van artikel 30, derde lid van verordening 2017/891 is het subsidieniveau voor activiteiten die subsidiabel zijn op grond van deel 4, hoofdstuk 4, waarvoor door leden van de producentenorganisatie of van een bij de unie van producentenorganisaties aangesloten producentenorganisatie ten tijde van de indiening van het operationeel programma of een verzoek tot wijziging van het operationeel programma als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891 tevens subsidie kan worden aangevraagd op grond van verordening 1305/2013, niet hoger dan het maximale subsidiebedrag voor deze activiteiten op grond van verordening 1305/2013.

  • 4 Ter uitvoering van artikel 30, zesde lid, van verordening 2017/891 zijn activiteiten niet subsidiabel als voor die activiteiten subsidie is verleend uit hoofde van een afzetbevorderingsprogramma dat in het kader van verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad (PB EU 2014 L 317) is goedgekeurd.

Artikel 61

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Indien subsidiabele uitgaven worden onderbouwd met een factuur:

  • a. wordt deze geaccordeerd door de projectleider die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de activiteit waarvoor de uitgaven zijn gedaan; en

  • b. bevat de factuur of de bijgevoegde opdrachtbevestiging een omschrijving van de uitgavenpost en informatie over waar en wanneer deze uitgaven zijn gedaan.

Artikel 62

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Bij het bepalen van de factuurdatum van de laatste factuur voor een duurzaam productiemiddel worden facturen voor eventueel onvoorzien meerwerk niet meegerekend.

Titel 2. Personeelskosten

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 63

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Onder personeelskosten als bedoeld in punt twee van bijlage III van verordening 2017/891 worden verstaan:

  • a. de loonkosten voor personeel in dienst van:

    • 1°. de producentenorganisatie; of

    • 2°. een dochteronderneming;

  • b. de kosten voor het inhuren van gedetacheerd personeel en uitzendkrachten ingehuurd door de in onderdeel a genoemde ondernemingen; en

  • c. de arbeidskosten van:

    • 1°. een lid, indien het lid een natuurlijk persoon is; of

    • 2°. de eigenaar of directeur van een lid, indien het lid een rechtspersoon is.

Artikel 64

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Personeelskosten zijn subsidiabel voor maximaal:

  • 2 Uren worden alleen aan een activiteit toegerekend wanneer de producentenorganisatie aannemelijk maakt dat:

    • a. de uren aan de betreffende activiteit zijn besteed; en

    • b. de verhouding tussen de bestede uren en de omvang van de betreffende activiteit redelijk is.

  • 3 Personeelskosten voor managementactiviteiten en beheersmatige activiteiten zijn niet subsidiabel.

  • 4 Activiteiten van leden van de directie of het bestuur van een producentenorganisatie of een onderneming waarin één of meer producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties aandelen of maatschappelijk kapitaal bezitten en die bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van die organisaties of unies, zijn niet subsidiabel.

  • 5 De minister kan, op verzoek van een producentenorganisatie, in afwijking van het vierde lid, besluiten dat personeelskosten voor een lid van de directie of het bestuur subsidiabel zijn, indien het kosten betreft voor concrete en aantoonbare werkzaamheden ten behoeve van de uitvoering van een activiteit.

Artikel 65

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 2 Wanneer een lid van een producentenorganisatie meerdere eigenaren of directeuren heeft, geeft de producentenorganisatie bij de indiening van het operationeel programma aan welke eigenaar of directeur de activiteiten zal uitvoeren en welke personeelskosten daarvoor worden opgevoerd.

Artikel 66

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Onder vakbekwaam personeel als bedoeld in punt twee, onderdeel b, van bijlage III van verordening 2017/891, wordt verstaan personeel met een werk- en denkniveau met minimaal het opleidingsniveau van het middelbaar beroepsonderwijs, dat is verkregen door:

    • a. een afgeronde opleiding; of

    • b. ervaring en specifieke vakkennis.

  • 2 De eisen omtrent vakbekwaamheid worden door de producentenorganisatie opgenomen in door de directie of het bestuur geaccordeerde functieprofielen, welke worden opgenomen in de administratieve organisatie van de producentenorganisatie.

  • 3 De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van het operationeel programma of een verzoek tot wijziging van een operationeel programma aan de minister, ter onderbouwing van de vakbekwaamheid van het personeel:

    • a. de door de directie of het bestuur van de producentenorganisatie geaccordeerde functieprofielen; en

    • b. een volledige taakomschrijving per subsidiabele uitgavenpost van het voor die uitgavenpost ingezette personeel.

  • 4 De verplichting opgenomen in het derde lid is slechts van toepassing op een verzoek tot wijziging van een operationeel programma voor zover hiermee functies worden opgevoerd die niet eerder in het operationeel programma waren opgenomen.

  • 5 De minister kan, ter onderbouwing van de vakbekwaamheid, schriftelijke bewijsstukken opvragen.

Artikel 67

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De producentenorganisatie houdt ter onderbouwing van de gewerkte uren, bedoeld in punt twee, onderdeel b, van bijlage III van verordening 2017/891, een volledige urenadministratie bij die minimaal één keer per maand geparafeerd en gedateerd wordt door:

    • a. de betreffende medewerker; en

    • b. de projectleider of leidinggevende.

  • 2 Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie de urenadministratie, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De medewerker, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, mag niet dezelfde persoon zijn als de projectleider of leidinggevende, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 4 De urenadministratie, bedoeld in het eerste lid:

    • a. wordt bijgehouden gedurende het hele kalenderjaar of voor de duur van de arbeidsovereenkomst van de medewerker wiens inzet wordt toegerekend aan een subsidiabele activiteit;

    • b. omvat alle uren waarvoor de betreffende medewerker een arbeidscontract heeft, waaronder de uren die niet worden toegerekend aan subsidiabele activiteiten;

    • c. bevat een korte en duidelijke omschrijving van ter uitvoering van de subsidiabele activiteit verrichte werkzaamheden; en

    • d. wordt uitgesplitst naar:

      • 1. het aantal uren besteed per afzonderlijke subsidiabele activiteit;

      • 2. het totale aantal uren besteed aan niet subsidiabele activiteiten; en

      • 3. afwezigheidsuren zoals ziekte en verlof.

  • 5 De minister kan, in afwijking van het vierde lid, onderdeel d, op verzoek van een producentenorganisatie schriftelijk toestemming verlenen om de onderverdeling te maken aan de hand van een andere deugdelijke onderbouwing.

  • 6 Indien managers of leidinggevenden uren maken ter uitvoering van een activiteit blijkt uit de urenadministratie, bedoeld in het eerste lid, dat managementactiviteiten en beheersmatige activiteiten niet zijn toegerekend aan subsidiabele activiteiten.

  • 7 Het aantal uren waarvoor in de subsidieaanvraag per activiteit subsidie wordt aangevraagd overschrijdt niet het aantal uren dat ingevolge de goedkeuring van het operationeel programma of het verzoek tot wijziging daarvan voor deze activiteit is goedgekeurd.

Artikel 68

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De producentenorganisatie onderbouwt de loonkosten, bedoeld in artikel 63, onderdeel a, van de subsidiabele activiteiten aan de hand van uurtarieven op basis van het jaarsalaris van de desbetreffende medewerkers.

  • 2 In het uurtarief, bedoeld in het eerste lid, kan worden opgenomen:

    • a. het contractueel of bij CAO overeengekomen brutoloon;

    • b. een bij contract of CAO overeengekomen niet winstafhankelijke dertiende maand;

    • c. een onregelmatigheidstoeslag;

    • d. een ploegentoeslag;

    • e. het werkgeversdeel sociale verzekeringswetten;

    • f. de voor rekening van de werkgever komende kosten voor de ziektekostenverzekering;

    • g. het werkgeversdeel pensioen en vervroegde uittreding; of

    • h. dotaties aan pensioenvoorzieningen voor zover onderbouwd kan worden dat hier rechtens afdwingbare verplichtingen tegenover staan.

  • 3 Ten behoeve van de berekening van het uurtarief wordt het jaarsalaris gedeeld door:

    • a. het aantal uur dat de overeengekomen werkweek bedraagt vermenigvuldigd met 43 werkweken; of

    • b. in geval van een niet volledig gewerkt jaar, het aantal uur dat de overeengekomen werkweek bedraagt vermenigvuldigd met het aantal werkweken in het desbetreffende jaar vermenigvuldigd met 0,827.

  • 4 Overwerktoeslagen worden niet het in het uurtarief opgenomen.

  • 5 De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van het operationeel programma van één personeelslid een voorbeeld van de berekening aan de minister.

Titel 3. Duurzame productiemiddelen

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 69

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De producentenorganisatie neemt duurzame productiemiddelen binnen twaalf maanden na de factuurdatum van de laatste factuur in gebruik.

  • 2 De producentenorganisatie toont de aanschaf van de duurzame productiemiddelen aan de hand van facturen of afleverbonnen aan en verstrekt deze onverwijld aan de minister, indien de minister daar om verzoekt.

Artikel 70

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Duurzame productiemiddelen zijn subsidiabel indien alle leden van de producentenorganisatie er gebruik van kunnen maken.

  • 2 Duurzame productiemiddelen geplaatst op het bedrijf van een lid van een producentenorganisatie zijn subsidiabel indien de producentenorganisatie schriftelijk met het lid overeenkomt dat het productiemiddel toegankelijk is voor de producentenorganisatie en al haar leden.

Artikel 71

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Ter uitvoering van artikel 31, vierde lid, van verordening 2017/891 toont de producentenorganisatie het gebruik van duurzame productiemiddelen aan met behulp van een gebruiksadministratie per productiemiddel, tenzij de producentenorganisatie het gebruik van het productiemiddel op andere wijze aantoont ten genoegen van de minister.

  • 2 De producentenorganisatie geeft bij de indiening van het operationeel programma aan op welke wijze de gebruiksadministratie gevoerd gaat worden.

  • 3 De gebruiksadministratie registreert minimaal de volgende elementen:

    • a. het jaar;

    • b. het project;

    • c. de locatie;

    • d. het soort productiemiddel;

    • e. de aanschafdatum;

    • f. de leverancier, het merk, het type, het serienummer of registratienummer;

    • g. de hoeveelheid bewerkt of voorbereid product per dag waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • h. de hoeveelheid bewerkt of voorbereid product per dag waarvoor de producentenorganisatie niet is erkend; en

    • i. de totale hoeveelheid bewerkt of voorbereid product per dag.

  • 4 De hoeveelheden bewerkt of voorbereid product, bedoeld in het derde lid, onderdelen g tot en met i, worden geregistreerd op:

    • a. productstromen op locatieniveau in geval van distributiecentra en gebouwen;

    • b. palletregistraties in geval van koelcellen; of

    • c. stuks, collie of kilogramregistraties, in geval van sorteerlijnen en verpakkingsmachines.

  • 5 De gebruiksadministratie wordt bij de indiening van de subsidieaanvraag, geaggregeerd per maand aan de minister overgelegd.

  • 6 In geval er geen subsidieaanvraag wordt ingediend, kan de minister de gebruiksadministratie opvragen gedurende de instandhoudingstermijn bedoeld in artikel 76.

  • 7 De minister kan, op eigen initiatief of op verzoek van een producentenorganisatie besluiten, in afwijking van het tweede, derde en vierde lid, andere voorschriften te stellen aan de gebruiksadministratie.

Artikel 72

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Investeringen in elementaire voorzieningen als afwateringssystemen, riolering, aansluiting op waterleiding en aansluiting op systemen voor datacommunicatie, die worden gezien als onmisbare elementen op het bedrijf van een lid, producentenorganisatie of een dochteronderneming zijn subsidiabel.

  • 2 Uitgaven voor het installeren en monteren van duurzame productiemiddelen en de bijkomende kosten van installatie en montage, waarvan het fiscaal en bedrijfseconomisch gebruikelijk is dat deze worden geactiveerd, zijn als onderdeel van het duurzame productiemiddel subsidiabel.

  • 3 In afwijking van het tweede lid zijn uitgaven voor het installeren en monteren van duurzame productiemiddelen niet subsidiabel voor zover het gaat om uitgaven voor:

    • a. service en onderhoud van duurzame productiemiddelen; of

    • b. construction all risk verzekeringen.

  • 4 Uitgaven voor het demonteren van duurzame productiemiddelen zijn subsidiabel wanneer dit tot doel heeft het productiemiddel te verhuizen, reviseren, transporteren en opnieuw monteren.

Artikel 73

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De producentenorganisatie neemt in de subsidieaanvraag alleen uitgaven op voor:

    • a. nieuwbouw of verbouw van gebouwen die eigendom zijn van de producentenorganisatie of een dochteronderneming;

    • b. ruimtes die zijn aangemerkt als subsidiabel in bijlage II; en

    • c. elementen die zijn aangemerkt als subsidiabel in bijlage III.

  • 3 De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van het operationeel programma de subsidiabele uitgaven, bedoeld in het eerste lid, aan de hand van:

    • a. bouwtekeningen, die aangegeven welk deel van de uitgaven subsidiabele ruimten en subsidiabele elementen betreft;

    • b. offertes van de aanneem- of bouwsom; en

    • c. een uitsplitsing, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, van subsidiabele en niet subsidiabele oppervlakten en elementen en bijbehorende uitgaven.

  • 4 De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van de subsidieaanvraag de subsidiabele uitgaven aan de hand van:

    • a. bouwtekeningen die aangeven welk deel van de uitgaven subsidiabele ruimten en subsidiabele elementen betreffen;

    • b. facturen op naam van de producentenorganisatie of dochteronderneming met vermelding van de aanneem- of bouwsom; en

    • c. een uitsplitsing, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, van subsidiabele en niet subsidiabele oppervlakten en elementen en bijbehorende uitgaven.

Artikel 74

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De aankoop van onbebouwde grond, bedoeld in punt 6 van bijlage III van verordening 2017/891, is subsidiabel indien deze grond daadwerkelijk wordt aangewend voor de realisatie van in het operationeel programma opgenomen investeringen.

  • 2 De aankoop van grond die wordt gebruikt voor onderdelen van investeringen die op grond van deel 2 van bijlage II en kolom 2 van bijlage III niet subsidiabel zijn, is niet subsidiabel.

  • 3 De producentenorganisatie toont bij de indiening van het operationeel programma aan de hand van bouwtekeningen of plattegronden aan welke delen van de grond worden aangewend voor in het operationeel programma opgenomen subsidiabele investeringen.

  • 4 De producentenorganisatie gebruikt de grond binnen de looptijd van het operationeel programma voor realisatie van de investering waarvoor de grond is aangekocht.

Artikel 75

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Duurzame productiemiddelen, met uitzondering van duurzame onroerende productiemiddelen zijnde bomen en meerjarige planten, zijn eigendom van de producentenorganisatie, unie van productenorganisaties of een dochteronderneming.

  • 2 Duurzame productiemiddelen die worden gefinancierd door meerdere erkende producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties zijn subsidiabel naar rato van het aandeel in de financiering van elk van die producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties.

Artikel 76

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Ter uitvoering van artikel 31, vijfde lid, van verordening 2017/891 behoudt de eigenaar het eigendom en bezit van duurzame roerende productiemiddelen tot ten minste vijf jaar na ontvangst van de laatste subsidiebetaling voor de desbetreffende investering.

  • 2 Ter uitvoering van artikel 31, vijfde lid, van verordening 2017/891 behoudt de eigenaar het eigendom en bezit van duurzame onroerende productiemiddelen tot ten minste tien jaar na de factuurdatum van de laatste factuur en tot ten minste vijf jaar na ontvangst van de laatste subsidiebetaling voor de desbetreffende investering.

  • 3 Indien de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aantoont dat de fiscale afschrijvingsperiode van duurzame onroerende productiemiddelen korter is dan de periode, bedoeld in het tweede lid, blijven duurzame onroerende productiemiddelen tot het einde van de fiscale afschrijvingsperiode in eigendom en bezit van de eigenaar.

  • 4 In afwijking van het tweede en derde lid wordt de opbrengst van duurzame onroerende productiemiddelen, zijnde bomen en meerjarige planten, geleverd aan de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of dochteronderneming:

    • a. tot ten minste vijf jaar na ontvangst van de laatste subsidiebetaling voor de desbetreffende investering; of

    • b. indien de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aantoont dat de fiscale afschrijvingsperiode van de boom of meerjarige plant korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a, tot ten minste het einde van de fiscale afschrijvingsperiode.

  • 5 Indien een producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of een dochteronderneming daarvan de eigenaar is van een duurzaam productiemiddel en een lid van de producentenorganisatie of de unie van producentenorganisaties de houder is van dat duurzame productiemiddel, geldt de termijn, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, slechts voor het eigendom van het duurzame productiemiddel.

Artikel 77

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Indien, binnen de termijn bedoeld in artikel 76, een lid de producentenorganisatie verlaat of een producentenorganisatie de unie van producentenorganisaties verlaat, wordt een duurzaam productiemiddel dat op het terrein van het lid of van de producentenorganisaties of een dochteronderneming daarvan is geplaatst, herplaatst of vordert de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties binnen twee maanden na datum van uittreding de restwaarde van het duurzame productiemiddel terug en stort deze in het actiefonds.

  • 2 In geval van herplaatsing van een duurzaam productiemiddel dat is gefinancierd met behulp van het actiefonds van een producentenorganisatie wordt het op het terrein van het uittredende lid geplaatste duurzame productiemiddel herplaatst op een locatie van de producentenorganisatie, een dochteronderneming, of een lid.

  • 3 In geval van herplaatsing van een duurzaam productiemiddel dat is gefinancierd met behulp van het actiefonds van een unie van producentenorganisaties wordt het duurzame productiemiddel herplaatst op een locatie van de unie van producentenorganisaties, een aangesloten producentenorganisatie, een dochteronderneming of een lid van een aangesloten producentenorganisatie.

  • 4 De restwaarde wordt bepaald naar evenredigheid van het aantal volledige maanden dat resteert tot het einde van de periode, bedoeld in artikel 76.

  • 5 Indien de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties in het jaar waarin de restwaarde in het actiefonds wordt gestort en in de twee daaropvolgende jaren geen operationeel programma heeft, wordt het gedeelte van de restwaarde waarvoor Uniesteun is betaald door de minister gerecupereerd.

Artikel 78

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 In aanvulling op artikel 31, zesde lid, van verordening 2017/891 worden, indien het eigendom van een investering teniet gaat als gevolg van een oorzaak waarvoor de producentenorganisatie een uitkering van een verzekeraar ontvangt en deze uitkering niet wordt aangewend voor de vervanging van de betreffende investering, de verzekeringspenningen teruggestort in het Europees Landbouwgarantiefonds.

  • 2 Voorgaande is niet van toepassing als het op grond van artikel 31, zesde lid, van verordening 2017/891 berekende bedrag lager is dan het in het eerste lid bedoelde bedrag. In dat geval wordt het berekende bedrag teruggestort in het Europees Landbouwgarantiefonds.

Artikel 79

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De in artikel 31, zesde lid, van verordening 2017/891 bedoelde tranches betreffen identieke bedragen.

  • 2 Indien een producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties uitgaven voor een investering in een duurzaam productiemiddel in identieke tranches in de subsidieaanvraag opneemt, wordt de eerste tranche niet eerder opgenomen dan in de subsidieaanvraag die de periode betreft die de factuurdatum van de laatste factuur voor het duurzame productiemiddel omvat.

Artikel 80

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Duurzame productiemiddelen kunnen ten laste van het actiefonds worden gebracht gedurende maximaal de periode, bedoeld in artikel 76.

  • 2 Uitgaven voor duurzame productiemiddelen, inclusief duurzame productiemiddelen die worden verworven door middel van langlopende leasecontracten, kunnen ook voor het volgende operationele programma in aanmerking worden genomen, indien de periode, bedoeld in artikel 76, langer is dan de looptijd van het operationele programma.

Artikel 81

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Tweedehands duurzame productiemiddelen zijn subsidiabel indien:

    • a. het aanschafbedrag hoger is dan € 10.000; en

    • b. de producentenorganisatie bij indiening van de subsidieaanvraag aan de minister een verklaring van de verkopende partij overlegt dat voor de aankoop van het productiemiddel in de voorafgaande zeven jaren geen uniale subsidie of nationale subsidie is ontvangen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, bedraagt de termijn waarbinnen geen uniale subsidie of nationale subsidie mag zijn ontvangen voor onroerende zaken tien jaar.

  • 3 Tweedehands duurzame productiemiddelen die bij een aangesloten producent of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6, tweede lid, zijn aangeschaft zijn niet subsidiabel indien deze productiemiddelen vervolgens bij deze of een andere aangesloten producent of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6, tweede lid, worden geplaatst.

  • 4 Dit artikel, uitgezonderd het eerste lid, onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing op investeringen die worden gehuurd of geleased.

Artikel 82

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Duurzame productiemiddelen op het terrein van ICT zijn subsidiabel indien het gaat om:

    • a. hardware die:

      • 1°. een integraal onderdeel uitmaakt van subsidiabele installaties; of

      • 2°. ondersteunend is voor subsidiabele activiteiten en op grond van offertes kan worden toegerekend aan deze activiteiten; of

    • b. software applicaties die ondersteunend zijn voor subsidiabele activiteiten die bijdragen aan handhaving van kwaliteit, milieubescherming of verbetering van de afzet en op grond van offertes kan worden toegerekend aan deze activiteiten.

  • 2 De producentenorganisatie toont bij de indiening van de subsidieaanvraag aan:

    • a. welke applicaties via de server gebruikt worden; en

    • b. wat het capaciteitsbeslag en het gebruik van de subsidiabele applicaties is.

Artikel 83

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor investeringen in uitgangsmateriaal van rassen van meerjarige gewassen en licenties voor het gebruik van zaden en plantgoed van nieuwe rassen van meerjarige gewassen die zijn opgenomen in het operationeel programma van een producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien de bedoelde rassen:

    • a. toegelaten zijn door de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst voor de Tuinbouw;

    • b. ingeschreven staan in het Nederlandse rassenregister van de Raad voor de plantenrassen; of

    • c. ingeschreven staan bij een keuringsinstantie van een andere lidstaat.

  • 2 Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie voor de zaden en het plantgoed, bedoeld in het eerste lid, het plantenpaspoort, bedoeld in richtlijn 2000/29.

Artikel 84

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Producentenorganisaties houden voor alle duurzame productiemiddelen die zijn opgenomen in een lopend operationeel programma, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, een actueel register bij.

Artikel 85

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor huur als alternatief voor koop van duurzame productiemiddelen zijn subsidiabel overeenkomstig punt 10 van bijlage III van verordening 2017/891, voor zover koop van de productiemiddelen subsidiabel zou zijn.

  • 2 In het geval de uitgaven betrekking hebben op twee uitvoeringsjaren van het operationeel programma, zijn deze uitgaven, in afwijking van artikel 188, eerste lid, subsidiabel in het jaar waarin zij aan de producentenorganisatie zijn gefactureerd.

  • 3 De producentenorganisatie overlegt ter uitvoering van artikel 31, eerste lid, en punt 10 van bijlage III van verordening 2017/891 jaarlijks bij de indiening van de subsidieaanvraag aan de minister voor de uitgaven een huurcontract.

  • 4 De producentenorganisatie overlegt ter uitvoering van artikel 31, eerste lid, en punt 10 van bijlage III van verordening 2017/891 jaarlijks bij de indiening van de subsidieaanvraag aan de minister een overzicht van de hoeveelheden product waarvan de productstroom gebundeld is met behulp van huur.

Titel 4. Overige kosten

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 86

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor de inhuur van externen zijn subsidiabel, indien de voor uitvoering van een activiteit benodigde kennis of capaciteit bij een producentenorganisatie niet voldoende aanwezig is.

  • 3 Producentenorganisaties geven in het operationeel programma aan welke specifieke taken aan externe diensten worden uitbesteed.

  • 4 De minister kan een producentenorganisatie, ten behoeve van de beoordeling van de subsidiabiliteit van uitgaven voor de inhuur van externen, verzoeken om aanvullende informatie en bewijsstukken te overleggen.

  • 5 Leden, en personeel van leden, van de producentenorganisatie, een dochteronderneming van een lid of een producentenorganisatie worden niet als externen beschouwd.

Artikel 87

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor kilometers gereden met de eigen auto door leden en medewerkers van de producentenorganisatie zijn subsidiabel indien:

    • a. deze leden en medewerkers in het operationeel programma zijn opgenomen;

    • b. de kilometers zijn gemaakt in het kader van een in het operationeel programma opgenomen activiteit;

    • c. de vergoedingen daadwerkelijk aan de medewerker of het lid zijn uitbetaald;

    • d. de vergoeding maximaal € 0,19 per kilometer bedraagt; en

    • e. er een deugdelijke kilometeradministratie is bijgehouden die is geaccordeerd door de projectleider of leidinggevende die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de activiteit en een andere persoon is dan de persoon die de reis heeft gemaakt.

  • 2 Uitgaven voor vliegtickets voor buitenlandse dienstreizen, plaatsbewijzen voor het openbaar vervoer en tickets voor veerboten zijn subsidiabel op basis van de economy class prijzen van deze tickets of plaatsbewijzen.

  • 3 Producentenorganisaties kunnen voor uitgaven voor verblijfkosten voor dienstreizen en excursies in binnenland en EU-lidstaten door medewerkers en aangesloten leden vergoedingen verstrekken voor de daadwerkelijk gemaakte kosten binnen de maxima van hoofdstuk 10 van de CAO-Rijk.

  • 4 De in het tweede en derde lid bedoelde uitgaven worden, met uitzondering van de vergoeding toegekend voor dagkosten, bij indiening van de subsidieaanvraag onderbouwd aan de hand van:

    • a. facturen; en

    • b. vervoersbewijzen.

  • 5 Kosten voor auto’s in eigendom van of geleased dan wel gehuurd door de producentenorganisatie zijn niet subsidiabel.

Artikel 88

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor overige kosten op het gebied van ICT zijn subsidiabel voor zover deze ICT voorzieningen ondersteunend zijn voor subsidiabele activiteiten en op grond van offertes kunnen worden toegerekend aan deze activiteiten.

  • 2 Uitgaven voor licenties en voor abonnementen voor software applicaties als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel b, gedaan voor het einde van het kwartaal dat de factuurdatum van de laatste factuur voor de ICT voorziening omvat, zijn eenmalig subsidiabel indien het uitgaven voor subsidiabele applicaties en modules betreft.

  • 3 Onderhoudsabonnementen zijn niet subsidiabel.

Artikel 89

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor investeringen in uitgangsmateriaal voor rassen van eenjarige gewassen en licenties voor het gebruik van zaden en plantgoed van nieuwe rassen van eenjarige gewassen die zijn opgenomen in het operationeel programma van een producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien de bedoelde rassen:

    • a. toegelaten zijn door de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst voor de Tuinbouw;

    • b. ingeschreven staan in het Nederlandse rassenregister van de Raad voor de plantenrassen; of

    • c. ingeschreven staan bij een keuringsinstantie van een andere lidstaat.

  • 2 Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie voor de zaden en het plantgoed, bedoeld in het eerste lid, het plantenpaspoort, bedoeld in richtlijn 2000/29.

Hoofdstuk 4. Subsidiabele activiteiten

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Titel 1. Algemeen

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 90

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

De activiteiten die zijn opgenomen in titel 2 tot en met 4 kunnen worden ingezet in het kader van projecten ter realisatie van een ieder van de strategische doelen bedoeld in artikel 47, eerste en tweede lid.

Artikel 91

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Voor het voldoen aan de eisen in artikel 33, vijfde lid, van verordening 1308/2013 moeten de activiteiten die zijn opgenomen in titel 2 deel uitmaken van een project in het kader van het strategisch doel verduurzaming.

Artikel 92

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van een strategisch doel, bedoeld in artikel 47, eerste en tweede lid, en ter uitvoering van een maatregel, bedoeld in artikel 2, onderdeel f, van verordening 2017/891, zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan deel 4, hoofdstukken 3 en 4 van deze regeling.

Titel 2. Verduurzaming

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Afdeling 1. Algemene bepalingen

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 93

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De producentenorganisatie voert activiteiten, zoals bedoeld in afdelingen 3 tot en met 5 voor het duurzaam gebruik van pesticiden, de biologische productie en om de bodem te beschermen respectievelijk uit gedurende de gehele looptijd van het operationele programma.

  • 2 Indien dit noodzakelijk is om te voldoen aan de looptijd die van toepassing is voor de biologische productie, zoals bedoeld in het plattelandsontwikkelingsprogramma, wordt de termijn uit het eerste lid verlengd tot zes jaar. De producentenorganisatie neemt deze activiteit dan op in het volgende operationeel programma.

  • 3 In afdoende gemotiveerde gevallen, en vooral indien dit volgt uit de evaluatie bedoeld in artikel 57 van verordening 2017/891, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing.

Artikel 94

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Investeringen in duurzame productiemiddelen die op grond van deze afdeling subsidiabel zijn kunnen gedurende de bedrijfseconomische levensduur vervangen worden, indien er significante milieuvoordelen zijn.

Artikel 95

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Een producentenorganisatie die uitgaven voor investeringen in installaties voor energiebesparende projecten opneemt in haar operationeel programma voegt aan de informatie, bedoeld in artikel 51, een energiebalans toe, waarin wordt vermeld wat de prognose is van de verwachte verbetering of besparing per installatie, aan de hand van een technische specificatie van de leverancier of deskundige conform artikel 3, vierde lid, van verordening 2017/892.

  • 2 Voor uitgavenposten die in het operationeel programma zijn opgenomen voor de jaren na het eerste jaar worden de documenten bedoeld in het eerste lid jaarlijks bij het wijzigingsverzoek zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891, opgeleverd.

  • 3 Ter verantwoording van de gerealiseerde energiebesparing overlegt de producentenorganisatie bij de subsidieaanvraag die wordt ingediend nadat de installaties één jaar in bedrijf zijn gesteld, het volgende:

    • a. het declaratieformulier energiebesparende investeringen, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel;

    • b. een overzicht van de bereikte energiebesparing volgens de geactualiseerde energiebalans, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel; en

    • c. de meest recente jaarafrekening van de energieleverancier.

Artikel 96

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Indien de totale hoeveelheid energie die wordt opgewekt met een energiebesparende installatie incidenteel groter is dan de totale hoeveelheid energie die op de locatie waar de investering is geplaatst op jaarbasis is afgenomen, wordt de opbrengst van de netto energielevering aan derden in mindering gebracht op de subsidie voor de desbetreffende investering. Indien de subsidie reeds is vastgesteld wordt de subsidie ten nadele van de producentenorganisatie gewijzigd.

  • 2 De producentenorganisatie overlegt jaarlijks aan de minister bij het indienen van de subsidieaanvraag, vanaf het jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor de installatie, de energiebalans. De eerste periode waarover de energiebalans moet worden overgelegd gaat in op het moment van factuurdatum van de laatste factuur en loopt tot en met 31 december van dat betreffende jaar, daarna wordt de energiebalans per kalenderjaar opgemaakt.

Artikel 97

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor investeringen in een energiebesparende installatie uitgevoerd door middel van een participatie in een samenwerkingsverband van agrarische bedrijven met energieclustering zijn subsidiabel.

  • 2 Een agrarisch samenwerkingsverband omvat ook een leveringsovereenkomst tussen agrarische bedrijven.

  • 3 Door mee te doen in het samenwerkingsverband moet er vooraf aantoonbaar minstens 15 procent reductie in het energieverbuik op de betrokken locatie op kunnen treden. Het aandeel in de totale capaciteit van het samenwerkingsverband mag niet hoger zijn dan de capaciteit die nodig is op de betrokken locatie. De kosten voor dat aandeel zijn subsidiabel.

Artikel 98

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Een producentenorganisatie die uitgaven voor investeringen in installaties voor verbeterde waterkwaliteit, waterbesparing, besparing op het mineralenverbruik of emmissiebeperking opneemt in haar operationeel programma voegt aan de informatie, bedoeld in artikel 51, een prognose toe van de verwachte verbetering of besparing per installatie, aan de hand van een technische specificatie van de leverancier of deskundige conform artikel 3, vierde lid, van verordening 2017/892.

  • 2 Voor uitgavenposten die in het operationeel programma zijn opgenomen voor de jaren na het eerste jaar worden de documenten bedoeld in het eerste lid jaarlijks bij het wijzigingsverzoek zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, van verordening 2017/891, opgeleverd.

  • 3 Ter verantwoording van de gerealiseerde verbetering van de waterkwaliteit, waterbesparing, besparing op het het mineralenverbruik of emissiebeperking overlegt de producentenorganisatie jaarlijks bij de subsidieaanvraag, vanaf het jaar na de factuurdatum van de laatste factuur voor de installatie, het volgende:

    • a. het declaratieformulier installaties waterkwaliteit, waterbesparing, waterzuivering en fertigatie in de fruitteelt, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel; en

    • b. een overzicht van de bereikte verbetering of besparing per installatie, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, aan de hand van een vergelijking van:

      • 1°. een meting van de situatie voor de ingebruikname van de installatie; en

      • 2°. een meting van de gerealiseerde situatie na de ingebruikname van de installatie.

  • 4 In geval van leidingwater wordt de bereikte waterbesparing onderbouwd aan de hand van de jaarafrekening van het waterleidingbedrijf.

Artikel 99

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor innovatieve investeringen die niet in deze titel zijn opgenomen komen voor subsidie in aanmerking indien aan de voorwaarden uit het tweede lid wordt voldaan, mits die innovatieve investeringen:

    • a. kunnen resulteren in 15 procent vermindering van het huidige verbruik van productiemiddelen, de uitstoot van verontreinigende stoffen of afval in het productieproces; of

    • b. voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, zesde lid, van verordening 2017/892.

  • 2 Uitgaven voor innovatieve investeringen uit het eerste lid komen voor subsidie in aanmerking indien aan de volgende voorwaarde wordt voldaan:

    • a. in het geval dat de innovatieve investering nog niet eerder in een operationeel programma is opgenomen wordt de verwachte vermindering onderbouwd aan de hand van een onderzoek of evaluatie door een onafhankelijke organisatie of deskundige;

    • b. in overige gevallen wordt de verwachte vermindering aangetoond aan de hand van de technische specificatie van de leverancier.

Afdeling 2. Energie

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 100

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor investeringen in duurzame energie zijn subsidiabel indien:

    • a. de technische specificatie van de investering een reductie van minimaal 15 procent van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net geeft zoals vooraf aangetoond in overeenstemming met artikel 3, vierde lid van verordening 2017/892; en

    • b. het gaat om onder meer:

      • 1°. zonnepanelen;

      • 2°. zonnecollectoren;

      • 3°. windmolens;

      • 4°. aardwarmte.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van minimaal 7 procent van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3 Subsidiabel zijn:

    • a. advieskosten en vooronderzoek indien opgenomen in de gedetailleerde factuur, mits het niet gaat om een onderzoeksmaatregel of opleidingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder iv en v, van verordening 2017/891;

    • b. de kosten verbonden aan het aansluiten van het lid, de producentenorganisatie of de dochteronderneming op een geothermische bron;

    • c. in het geval van zonnepanelen en zonnecollectoren de kosten in verband met de aanpassing van het gebouw van de producentenorganisatie, een lid of een dochteronderneming, en het ondersteuningsmateriaal; en

    • d. de kosten verbonden aan het transformatorstation van het lid, de producentenorganisatie of dochteronderneming met aansluiting op een extern transformatorstation van de energieleveranciers en met het versterken van de verbinding voor hernieuwbare energie.

  • 4 Niet subsidiabel zijn uitgaven voor:

    • a. warmte-krachtkoppeling installaties; en

    • b. biobrandstofbranders op locatie.

Artikel 101

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor investeringen voor de aanschaf van apparatuur voor de aansluiting op netwerken van restafvalstromen, zoals CO2-,aardwarmte en restwarmtenetwerken en biogas, zijn subsidiabel indien de specificatie van de investering een reductie van minimaal 15 procent van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net geeft zoals vooraf aangetoond in overeenstemming met artikel 3, vierde lid van verordening 2017/892.

  • 2 Subsidiabel zijn:

    • a. installaties, waaronder interconnectoren en transportpijplijnen, benodigd voor het gebruik van energie en CO2 uit restafvalstromen van derden;

    • b. advieskosten en vooronderzoek indien opgenomen in de gedetailleerde factuur, mits het niet gaat om een onderzoeksmaatregel of opleidingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder iv en v, van verordening 2017/891;

    • c. kosten die verband houden met het aansluiten van het lid, de producentenorganisatie of dochteronderneming op de bron van de leverancier; en

    • d. in het geval van een CO2-netwerk, ook de kosten in verband met voorzieningen voor de opslag van CO2.

  • 3 Niet subsidiabel zijn de uitgaven:

    • a. voor voorzieningen voor de distributie en regulering van warmte en CO2 in de kas; en

    • b. die verband houden met een vergistingsinstallatie op het bedrijf en biobranders voor de productie van restwarmte en biobrandstoffen.

  • 4 De producentenorganisatie overlegt bij de indiening van de subsidieaanvraag aan de minister voor de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, het leveringscontract tussen de producentenorganisatie, haar dochteronderneming of het lid en de leverancier.

Artikel 102

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor investeringen in het kader van verbetering van energie-efficientie door toepassing van energiebesparende technieken zijn subsidiabel indien de specificatie van de investering een reductie van minimaal 15 procent van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net geeft zoals vooraf aangetoond in overeenstemming met artikel 3, vierde lid van verordening 2017/892.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van minimaal 7 procent van het energieverbruik uit fossiele brandstoffen of energie ingekocht op het net toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3 Subsidiabel zijn:

    • a. apparatuur voor energieopslag en -uitwisselingssystemen, zoals energiebesparende warmtepompen, warmtewisselaars en waterhoudende grondlagen voor warmte- en koudebuffering;

    • b. apparatuur voor gesloten en semi-gesloten kassystemen, zoals energiebesparende ventilatie-, luchtbehandeling- en hogedrukvernevelingssystemen, energiebesparende tweede schermen en innovatieve energiebesparende en isolerende dak- en gevelsystemen;

    • c. apparatuur voor het energiezuinig drogen en opslaan van producten zoals CO2-propaankoeling;

    • d. andere energie-efficiënte apparatuur, zoals energiebesparende motoren; en

    • e. advieskosten en vooronderzoek indien opgenomen in de gedetailleerde factuur, mits het niet gaat om een onderzoeksmaatregel of opleidingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder iv en v, van verordening 2017/891.

  • 4 In het geval van gesloten en semi-gesloten kassystemen zijn de volgende combinaties in het kader van een totaalconcept subsidiabel:

    • 1°. buitenluchtaanzuiging in combinatie met een tweede beweegbaar energiescherm;

    • 2°. energiebesparend ventilatiesysteem met warmteterugwinning of voorverwarming;

    • 3°. luchtbehandelingsystemen ter ontvochtiging van lucht;

    • 4°. hogedrukvernevelingsysteem met een adiabatische koeling waarbij de druppelgrootte 5 tot maximaal 15 micron bedraagt;

    • 5°. gevelschermen die een energiebesparing realiseren van ten minste 40 procent wanneer het scherm gesloten is;

    • 6°. warmte-uitwisselingsysteem;

    • 7°. warmtepomp;

    • 8°. waterhoudende lagen voor warmte- en koudebuffering; en

    • 9°. tweede energiescherm, dat een energiebesparing van ten minste 45 procent oplevert wanneer het scherm gesloten is.

  • 5 In het geval van energiebesparende en isolerende dak- en gevelsystemen voor nieuwe kassen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

    • a. het materiaal is van dubbelglas en licht doorlatend (diffuus gecoat); of

    • b. het materiaal is dubbel gelaagd met een combinatie van glas en hoge kwaliteits film en doorschijnend (diffuus gecoat); en

    • c. in afwijking van artikel 3, zevende lid, onder c, van verordening 2017/892 zijn in het geval van dubbele beglazing, alleen de aanvullende uitgaven die verband houden met dubbele beglazing ten opzichte van enkele beglazing subsidiabel.

  • 6 In het geval van energiebesparende en isolerende dak- en gevelsystemen voor bestaande kassen zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

    • a. het materiaal heeft betere doorschijnende eigenschappen dan enkele beglazing en is doorschijnend;

    • b. het systeem bestaat uit plastic panelen, dubbelglas panelen of dubbel fluoroplymeer (EFTE) film met een optionele overdrukventilatie ventilator om folies van elkaar te scheiden en de isolatie te verbeteren;

    • c. het systeem bestaat uit isolatiemateriaal waarbij de som van de warmteweerstand van de lagen (R=∑(Rm)=∑d/λ) toeneemt met ten minste 1,50 m2K/W in vergelijking met de oude situatie; en

    • d. in afwijking van artikel 3, zevende lid, onder c, van verordening 2017/892 zijn alleen de aanvullende uitgaven voor de geïsoleerde oppervlakte subsidiabel.

  • 7 In het geval van energie efficiënte droog- en opslagmethoden, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

    • a. de apparatuur is bedoeld voor de korte en lange termijn bewaring van producten; en

    • b. de uitgaven voor de initiële verkrijging van meet- en controleapparatuur zijn subsidiabel.

  • 8 De volgende investeringen zijn niet subsidiabel:

    • a. warmte buffer boiler tank (WOK);

    • b. warmte buffer tank;

    • c. eerste energieschermen;

    • d. verduisteringsschermen;

    • e. zonwerende materialen;

    • f. rookgas afvoer en bijbehorende meetapparatuur; en

    • g. de vervanging van een tweede scherm.

Afdeling 3. Duurzaam gebruik van pesticiden

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Paragraaf 1. Uitgaven voor duurzame productiemiddelen

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 103

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor investeringen in innovatieve gewasbeschermingsapparatuur op basis van niet-chemische methoden zijn subsidiabel indien de technische specificatie van de investering een vermindering van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen van minimaal 15 procent geeft zoals vooraf aangetoond in overeenstemming met artikel 3, vierde lid van verordening 2017/892.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is de eis dat de betrokken investering een vermindering van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen van minimaal 15 procent geeft niet van toepassing indien de investering wordt ingezet in het kader van de biologische productie van groenten en fruit.

  • 3 Als innovatieve gewasbeschermingsapparatuur op basis van niet-chemische methoden zijn subsidiabel:

    • a. apparatuur en bijbehorende regelsystemen voor UV-licht ter bestrijding van schimmelziekten;

    • b. precisie mechanische onkruidbestrijdingsapparatuur en bijbehorende besturingssystemen voor toepassing van niet-chemische methoden;

    • c. elektrochemische waterdesinfectie tegen micro-organismen; en

    • d. advieskosten en vooronderzoek indien opgenomen in de gedetailleerde factuur, mits het niet gaat om een onderzoeksmaatregel of opleidingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder iv en v, van verordening 2017/891.

  • 4 In het geval van precisie mechanische onkruidbestrijding als onderdeel van een zelfrijdend landbouwvoertuig komt alleen het onkruidbestrijdingssysteem in aanmerking voor ondersteuning.

  • 5 In het geval van elektrochemische waterbescherming komt de bijbehorende spuit ook in aanmerking voor ondersteuning.

  • 6 Niet subsidiabel zijn:

    • a. spuitleidingen;

    • b. transportsystemen voor het verplaatsen van UV belichtingswagens naar de volgende rij of afdeling;

    • c. standaard agrarische apparatuur en onderdelen, zoals een tractor, gereedschapsdrager, motor en cabine;

    • d. thermische apparatuur;

    • e. kokend watertechnieken;

    • f. standaard afvoerwaterzuivering voor het recirculeren van water in de pro-oogstfase; en

    • g. hygiënesluizen en hygiënestations, evenals automatische zeep en desinfectie-eenheden met geïntegreerd tourniquet.

  • 7 In afwijking van artikel 98, derde lid, onderdeel b, onderbouwt de producentenorganisatie de emissiebeperking door bij de indiening van de subsidieaanvraag een jaarlijkse opgave van het totale gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare, uitgesplitst naar gewas(groep), te overleggen waarbij de nulsituatie wordt weergegeven, aan de hand van registraties van de teeltbedrijven.

  • 8 De nulsituatie is het gemiddelde gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare van het betrokken teeltbedrijf over drie voorgaande jaren.

Artikel 104

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De aankoop van investeringen voor lage emissie apparatuur, is subsidiabel indien de technische specificatie van de investering een vermindering van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen van minimaal 15 procent geeft zoals vooraf aangetoond in overeenstemming met artikel 3, vierde lid van verordening 2017/892.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is de eis dat de betrokken investering een vermindering van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen van minimaal 15 procent geeft niet van toepassing indien de investering wordt ingezet in het kader van de biologische productie van groenten en fruit.

  • 3 Subsidiabel zijn:

    • a. apparatuur en bijbehorende besturingssystemen voor precisietoepassingstechnieken; en

    • b. advieskosten en vooronderzoek indien opgenomen in de gedetailleerde factuur, mits het niet gaat om een onderzoeksmaatregel of opleidingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder iv en v, van verordening 2017/891.

  • 4 In het geval van lage emissie apparatuur als onderdeel van zelfrijdende landbouwmachines komt alleen het spuitsysteem in aanmerking voor subsidie.

  • 5 GPS systemen in het kader van de precisielandbouwtechnieken zijn subsidiabel indien de GPS systemen aantoonbaar worden ingezet voor:

    • a. precisiezaaien of planten;

    • b. precisietoediening van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen; of

    • c. precisie mechanische onkruidbestrijding.

  • 6 Niet subsidiabel zijn:

    • a. transportsystemen voor het verplaatsen van spuitrobots naar de volgende rij of afdeling;

    • b. investeringen in spuitleidingen; en

    • c. standaard agrarische apparatuur en onderdelen, zoals een tractor, gereedschapsdrager, motor en cabine.

  • 7 In afwijking van artikel 98, derde lid, aanhef en onderdeel b, onderbouwt de producentenorganisatie de emissiebeperking door bij de indiening van de subsidieaanvraag een jaarlijkse opgave van het totale gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare, uitgesplitst naar gewas(groep), te overleggen waarbij de nulsituatie wordt weergegeven, aan de hand van registraties van de teeltbedrijven.

  • 8 De nulsituatie is het gemiddelde gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare van het betrokken teeltbedrijf over drie voorgaande jaren.

Artikel 105

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor investeringen in installaties ten behoeve van het zuiveren van water voorafgaand aan lozing zijn subsidiabel indien het bevoegd gezag heeft bepaald, dat de verplichting om water dat gewasbeschermingsmiddelen bevat voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening te leiden die ten minste 95 procent van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen uit het afvalwater verwijdert, voor de desbetreffende inrichting niet geldt en de specificatie van de investering een reductie van de emissie van afvalstoffen in het geloosde afvalwater van minimaal 15 procent geeft zoals vooraf aangetoond in overeenstemming met artikel 3, vierde lid van verordening 2017/892.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van de emissie van afvalstoffen in het geloosde afvalwater van minimaal 7 procent toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3 Investeringen, zoals bedoeld in het eerste lid zijn:

    • a. waterzuiveringsapparatuur;

    • b. helofytenfilters;

    • c. biofilters; en

    • d. maatregelen om uitstoot van landbouwproducten te voorkomen (puntbelasting).

  • 4 Subsidiabel zijn:

    • a. apparatuur en bijbehorende controlesystemen door toepassing van waterzuiveringstechnieken; en

    • b. advieskosten en vooronderzoek indien opgenomen in de gedetailleerde factuur, mits het niet gaat om een onderzoeksmaatregel of opleidingsmaatregel die deel uitmaakt van de maatregelen zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder iv en v, van verordening 2017/891.

  • 5 Niet subsidiabel zijn investeringen in standaard waterzuivering.

Paragraaf 2. Uitgaven voor overige kosten

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 106

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Subsidiabel zijn uitgaven voor:

    • a. organische onkruidwerende materialen; en

    • b. insectengaas.

  • 2 In het geval van biologisch afbreekbare folie bestemd voor onkruidbestrijding komen alleen de specifieke kosten voor biologisch afbreekbare folie in vergelijking met conventionele kunststoffolie in aanmerking voor ondersteuning.

  • 3 Niet subsidiabel zijn:

    • a. bodem- en materiaalsterilisatie in de kas; en

    • b. vliesdoeken.

  • 4 De producentenorganisatie onderbouwt het effect van organische onkruidwerende materialen en insectengaas op het terugdringen van het gebruik van werkzame stof uit chemische gewasbeschermingsmiddelen, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, aan de hand van een jaarlijkse opgave van het totale gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare, uitgesplitst naar gewas(groep) aan de hand van registraties van de teeltbedrijven.

  • 5 Het vierde lid is niet van toepassing op uitgaven die worden gedaan in het kader van de biologische productie van groenten en fruit.

Artikel 107

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor de aankoop van producten voor biologische of geïntegreerde gewasbescherming en bijbehorende apparatuur en de aankoop van andere apparatuur in verband met de toepassing van niet-chemische methoden voor gewasbescherming zijn subsidiabel.

  • 2 In het geval van middelen voor biologische of geïntegreerde gewasbescherming en bijbehorende apparatuur zijn de volgende kosten subsidiabel:

    • a. macrobiologische bestrijders en nematoden, die zijn toegelaten op grond van de Regeling natuurbescherming;

    • b. microbiologische bestrijders die zijn toegelaten op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

    • c. overige gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong die zijn toegelaten op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

    • d. middelen voor feromoonverwarring die zijn toegelaten op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

    • e. feromonen als lokstof;

    • f. kalkmelk voor de fruitteelt;

    • g. organismen, voeding en middelen voor dosering ter ondersteuning van biologische gewasbescherming;

    • i. natuurlijke vijanden waarvoor een ontheffing van de minister geldt; en

    • j. natuurlijke vijanden waarvoor het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden een "dringend vereiste" vergunning heeft afgegeven.

  • 3 In het geval van biologische gewasbeschermingsmiddelen zijn de volgende kosten subsidiabel:

    • a. verblazingsapparatuur voor het effectief doseren van natuurlijke vijanden;

    • b. een scoutbox voor automatische detectie en diagnose van plagen;

    • c. eenmalig de kosten voor de scoutbox-softwarelicentie;

    • d. vliegenlampen en sporenfilters voor de champignonteelt; en

    • e. vangplaten en rollertraps.

  • 4 Niet subsidiabel zijn:

    • a. gewasbescherming van conventionele, niet natuurlijke oorsprong;

    • b. toeslag voor behandelingskosten doorbelast door leveranciers of plantenkwekers; en

    • c. ondersteunende materialen zoals afdichtingsmateriaal ten behoeve van het afdichten van champignoncellen.

  • 5 Uitgaven voor een softwarelicentie voor een scoutbox als bedoeld in het derde lid onderdeel c, gedaan voor het einde van het kwartaal dat de factuurdatum van de laatste factuur voor de scoutbox omvat, zijn eenmalig subsidiabel.

  • 6 In afwijking van het vierde lid, onderdeel a, zijn gewasbeschermingsmiddelen met door de Europese Commissie goedgekeurde laagrisico stoffen en basisstoffen subsidiabel.

Artikel 108

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 2 De producentenorganisatie onderbouwt het effect van biologische en geïntegreerde bestrijding als bedoeld in artikel 107, eerste lid, op het terugdringen van het gebruik van werkzame stof uit chemische gewasbeschermingsmiddelen, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, aan de hand van een jaarlijkse opgave van het totale gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare, uitgesplitst naar gewas(groep) aan de hand van registraties van de teeltbedrijven.

  • 3 De producentenorganisatie onderbouwt bij de indiening van de subsidieaanvraag de uitgaven, bedoeld in artikel 107, eerste lid, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

  • 4 Het tweede lid is niet van toepassing op uitgaven die worden gedaan in het kader van de biologische productie van groenten en fruit.

Artikel 109

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor diensten voor detectie en diagnosesystemen, inclusief personeelskosten, ten behoeve van precisietoediening zijn subsidiabel.

  • 2 Uitgaven zoals bedoeld in het eerste lid zijn onder meer:

    • a. monitorings en waarschuwingssystemen;

    • b. gewas-, water- en bodemanalyses; en

    • c. beslissingsondersteuningssystemen.

  • 3 In afwijking van het eerste lid zijn gewas-, water en bodemanalyses om de hoeveelheid nutriënten te bepalen niet subsidiabel.

  • 4 De producentenorganisatie onderbouwt het effect van diensten voor detectie en diagnose systemen op het terugdringen van het gebruik van werkzame stof uit chemische gewasbeschermingsmiddelen, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, aan de hand van een jaarlijkse opgave van het totale gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare, uitgesplitst naar gewas(groep) aan de hand van registraties van de teeltbedrijven.

  • 5 Het vierde lid is niet van toepassing op uitgaven die worden gedaan in het kader van de biologische productie van groenten en fruit.

Artikel 110

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor deelname aan certificeringssystemen zijn subsidiabel indien:

    • a. het certificeringssysteem bindende voorwaarden omvat met betrekking tot productiemethoden;

    • b. de naleving van de voorwaarden, bedoeld in onderdeel a, het onderwerp zijn van een onafhankelijke controle door gekwalificeerde personen of organen; en

    • c. het gaat om de volgende uitgaven voor:

      • 1°. advies, audits, certificering en lidmaatschapkosten;

      • 2°. personeelskosten in verband met de certificeringssystemen;

      • 3°. het ontwikkelen van materialen voor certificeringssystemen; en

      • 4°. het initiële kosten van ontwikkeling en verbeteren van ICT-systemen en registratiemodules met betrekking tot certificeringssystemen.

  • 2 Subsidiabel zijn:

    • a. certificeringssystemen, zoals On the way to PlanetProof, ISO 14001 Milieu, MPS Fruit & Groenten, Duurzame Glastuinbouw Producten, CO2-voetafdruk; en

    • b. certificeringssystemen van retailers, zoals Albert Heijn-protocol, Field to Fork, LEAF en Sedex.

  • 3 Niet subsidiabel zijn:

    • a. uitgaven voor certificering van groenlabelkassen; en

    • b. de aanschaf van materialen.

Afdeling 4. Biologische productie

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 111

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 2 Voor de uitgaven, bedoeld in het eerste lid, geldt een forfaitair tarief van 25 procent.

  • 3 De producentenorganisatie toont de biologische oorsprong van uitgangsmateriaal bij de indiening van de subsidieaanvraag aan door middel van:

    • a. een factuur en een afleverbon of een plantenpaspoort met vermelding van Skalnummer en ‘eko’ of ‘bio’;

    • b. het Skal certificaat van de leverancier of een lijst van Skal-gecertificeerde leveranciers en Skal-nummers; of

    • c. het certificaat van de leverancier afgegeven door een andere dan Skal erkende instantie zoals bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Niet subsidiabel is niet-biologisch teeltmateriaal, met uitzondering van alle vrijstellingen die Skal heeft verstrekt en goedgekeurd voor algemeen teeltmateriaal in de nationale bijlage.

Artikel 112

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Biologische certificeringsystemen, zoals Skal, en lidmaatschapskosten van Skal zijn subsidiabel.

Artikel 113

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor de meerkosten van aankoop van mest en compost afkomstig van door Skalgecertificeerde biologische landbouwbedrijven zijn subsidiabel.

  • 2 De producentenorganisatie toont de biologische oorsprong van mest en compost bij de indiening van de subsidieaanvraag aan door middel van:

    • a. een factuur en een afleverbon met vermelding van Skalnummer van het betrokken landbouwbedrijf en ‘eko’ of ‘bio’;

    • b. het Skal certificaat van het betrokken landbouwbedrijf of een lijst van Skal-gecertificeerde landbouwbedrijven en Skal-nummers; en

    • c. een opgave per deelnemende producent van:

      • 1°. het areaal gewassen waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

      • 2°. de hoeveelheid en het type mest of compost; en

      • 3°. de opgevoerde kosten.

  • 3 De uitgaven van de producentenorganisatie, bedoeld in het eerste lid, voor geconcentreerde handelsmeststoffen zijn niet subsidiabel.

Afdeling 5. Nutriënten en afval

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Paragraaf 1. Uitgaven ten behoeve van aankoop van vaste activa en andere vormen van verwerving van vaste activa

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Artikel 114

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 De aankoop van investeringen voor lage emissie apparatuur voor precisiebemesting is subsidiabel indien de technische specificatie van de investering een vermindering van het gebruik van chemische middelen van minimaal 15 procent geeft zoals vooraf aangetoond in overeenstemming met artikel 3, vierde lid van verordening 2017/892.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is de eis dat de betrokken investering een vermindering van het gebruik van chemische middelen van minimaal 15 procent geeft niet van toepassing indien de investering wordt ingezet in het kader van de biologische productie van groenten en fruit.

  • 3 Subsidiabel zijn:

    • a. de kosten van activiteiten in verband met de investeringen voor gerichte bemesting, zoals:

      • i. GPS;

      • ii. Near Infrared Spectography sensor;

      • iii. rij bemesting;

      • iv. druppel systeem bemesting;

      • v. GPS mestsystemen voor vloeibare meststoffen; en

      • vi aanvullende controlesystemen zoals management systeem Meteo en grondwaterbemesting; en

    • b. advieskosten en vooronderzoek indien opgenomen in de gedetailleerde factuur, mits het niet gaat om een onderzoeksmaatregel of opleidingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder iv en v, van verordening 2017/891.

  • 4 Precisiebemestingstechnieken zijn alleen subsidiabel indien:

    • a. het een waterafgiftesysteem op het land, inclusief een waterpomp, spuitstukken en druppelsystemen die niet uitsluitend worden gebruikt voor water, een controle unit, vochtmeetapparatuur, apparatuur voor het bepalen van mineraalgehalte en pH, of voorzieningen voor het doseren en mengen van meststoffen betreft;

    • b. de investering niet leidt tot een toename van het waterverbruik; en

    • c. druppelsystemen komen alleen in aanmerking voor subsidie met initiële investeringen.

  • 5 In het geval van mechanische precisiebemesting als onderdeel van zelfrijdende landbouwmachines is alleen het bemestingssysteem subsidiabel.

  • 6 Kosten voor GPS om verschillende vormen van land, bodem analyses en bemestingsplannen in kaart te brengen zijn subsidiabel.

  • 7 Niet subsidiabel zijn:

    • a. investeringen in bodemloze waterafgiftesystemen;

    • b. de aanleg van een waterbron;

    • c. leidingen naar te bemesten percelen; en

    • d. standaard agrarische apparatuur en onderdelen, zoals een tractor, gereedschapsdrager, motor en cabine.

  • 8 In afwijking van artikel 98, derde lid, aanhef en onderdeel b, onderbouwt de producentenorganisatie de emissiebeperking door bij de indiening van de subsidieaanvraag een jaarlijkse opgave van het totale gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare, uitgesplitst naar gewas(groep), te overleggen waarbij de nulsituatie wordt weergegeven, aan de hand van registraties van de teeltbedrijven.

  • 9 De nulsituatie is het gemiddelde gebruik aan werkzame stof in kilogram per hectare van het betrokken teeltbedrijf over drie voorgaande jaren.

Artikel 115

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor investeringen in teelttechnieken waar geen contact wordt gemaakt tussen het water en nutriënten en de bodem zijn subsidiabel indien de technische specificatie van de investering een vermindering van het gebruik van chemische middelen van minimaal 15 procent geeft zoals vooraf aangetoond in overeenstemming met artikel 3, vierde lid van verordening 2017/892.

  • 2 Subsidiabel zijn:

    • a. uitgaven voor activiteiten in verband met teelt uit de grond zoals:

      • 1°. lekvrije bodemplaten en opslagsystemen;

      • 2°. waterzuivering en zuurstofverhoging, met uitzondering van filters benodigd voor de lozing van afvalwater; en

      • 3°. recycling van nutriënten; en

    • b. advieskosten en vooronderzoek indien opgenomen in de gedetailleerde factuur, mits het niet gaat om een onderzoeksmaatregel of opleidingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel f, onder iv en v, van verordening 2017/891.

  • 3 Een investering, zoals bedoeld in het eerste lid, kan niet leiden tot een stijging van het waterverbruik.

  • 4 De volgende investeringen zijn niet subsidiabel:

    • a. investeringen in bodemloze water systemen;

    • b. de bouw van een waterborn; en

    • c. pijpleiding naar een te bemesten perceel.

Artikel 116

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

  • 1 Uitgaven voor investeringen in innovatieve installaties ten behoeve van waterbesparing zijn subsidiabel indien:

    • a. de technische specificatie van de investering een reductie van het waterverbruik van minimaal 15 procent geeft zoals vooraf aangetoond in overeenstemming met artikel 3, vierde lid, van verordening 2017/892;

    • b. de investeringen gericht zijn op de vervanging of de modernisering van bestaande systemen met het doel het waterverbruik te verminderen; en

    • c. het gaat om:

      • 1°. bodemvochtsensoren in de vollegrondsteelt; of

      • 2°. installaties gericht op het hergebruik van spoelwater bij het afleveringsklaar maken van geoogst product.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de minister in uitzonderlijke gevallen een reductie van het waterverbruik van minimaal 7 procent toestaan, indien de activiteit andere milieuvoordelen waarborgt.

  • 3 Het vaststellen van waterbesparing, gemeten in m³, als gevolg van een investering als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op basis van een vergelijking tussen het watergebruik:

    • a. gedurende de 12 maanden voorafgaand aan ingebruikname van de investering; en

    • b. gedurende de 12 maanden na ingebruikname van de investering.

Artikel 116a

[Regeling vervallen per 23-07-2022]

Uitgaven voor investeringen in duurzame productiemiddelen die benodigd zijn voor de toepassing van artikel 117a zijn subsidiabel.