Stcrt. 2020, 17287, datum inwerkingtreding 20-03-2020, bevat een wijziging met terugwerkende
kracht van deze bijlage. Deze wijziging werkt terug tot en met 18-03-2020.
Bijlage 2.5.1. behorende bij artikel 2.5.7 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies
Model voor een landbouwborgstellingsovereenkomst
Overeenkomst tussen:
-
1. De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit,
hierna te noemen: de Staat;
-
2. [..], [indien van toepassing: te dezen handelende zowel voor zichzelf als voor en namens al haar dochterondernemingen],
hierna te noemen: de Financier;
hierna samen te noemen: Partijen.
Partijen zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Definitiebepalingen
-
1. De begrippen die in het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies en in artikel 1.1. en titel 2.5 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies zijn gedefinieerd hebben in deze
overeenkomst de in deze regelingen gegeven betekenis.
-
2. Voorts wordt in deze overeenkomst verstaan onder:
-
aansprakelijk vermogen: eigen vermogen van een starter of overnemer en achtergestelde lening(en) voor zover
de totale omvang van dit vermogen en deze lening(en) van belang is voor de verstrekking
door een Financier van een financieringsfaciliteit voor aanvullende investeringen;
-
achtergestelde lening: krediet waarbij de Financier geld ter leen aan een starter of een overnemer verstrekt
die niet door enige vorm van zekerheid is gedekt voor aanvullende investeringen waaruit
een achtergestelde vordering voortvloeit;
-
achtergestelde vordering: vordering van de Financier als crediteur ten laste van een MKB-landbouwondernemer
als debiteur:
-
1°. die de Financier heeft verkregen door in het kader van een krediet of een deel van
een krediet aan de MKB-landbouwondernemer geld ter leen te verstrekken;
-
2°. die met instemming van de Financier een lagere rang als bedoeld in artikel 277, tweede
lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek inneemt dan:
-
financieringsfaciliteit: krediet of lening of een deel van een krediet of lening waarvoor de Staat niet borg
of garant staat;
-
landbouwborgstellingskrediet: krediet of een deel van een krediet dat overeenkomstig artikel 8 is verleend;
-
kredietovereenkomst: overeenkomst uit hoofde waarvan:
-
1°. de Financier aan een MKB-landbouwondernemer geld ter leen verstrekt of zal verstrekken,
of
-
2°. de MKB-landbouwondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen trekken op de
Financier, of
-
3°. de Financier tegenover een derde, niet zijnde een rechtspersoon waarmee de Financier
in een groep verbonden is, onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste
van de MKB-landbouwondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen, welke verplichting
niet afhankelijk is van voorwaarden op de vervulling waarvan het handelen van de Financier
van invloed is;
-
omschakelkapitaal: nieuwe investeringen voor de extra kosten, waaronder begrepen een beperkt exploitatie-
en liquiditeitstekort voor een specifiek bepaalde periode, die moeten worden gedaan
om de lopende bedrijfsvoering van de landbouwonderneming aan te passen en uit te breiden
tot biologische productie in de zin van Verordening (EG) 834/2007 van de Raad van
28 juni 2007 inzake de biologische productie van landbouwproducten en de etikettering
van biologische producten en intrekking van Verordening (EEG) 2092/91 (PbEU 2007,
L 189);
-
uitwinning:
-
1°. uitwinning door de Financier, naar normaal bancair gebruik, van de door de MKB-landbouwondernemer
aan de Financier verstrekte zekerheden;
-
2°. onderhandse verkoop met toestemming van de Financier door de MKB-landbouwondernemer
van zijn vermogensbestanddelen, inning van vorderingen daaronder begrepen;
-
3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-landbouwondernemer en
-
4°. onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer
door of met medewerking van de curator of de bewindvoerder indien het faillissement
van de MKB-landbouwondernemer is uitgesproken of aan hem surséance van betaling is
verleend.
-
vermogensversterkend krediet: landbouwborgstellingskrediet betreffende een achtergestelde lening waardoor het aansprakelijk
vermogen van een starter of overnemer zodanig wordt versterkt dat tevens naar normaal
bankgebruik een financieringsfaciliteit voor de aanvullende investeringen door de
Financier kan worden verstrekt.
De Staat stelt zich borg ten behoeve van de Financier voor de terugbetaling van landbouwborgstellingskredieten
die met inachtneming van het besluit, titel 2.5 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en deze overeenkomst door de Financier
worden verstrekt, met dien verstande dat deze borgstelling wordt aangegaan onder de
navolgende bedingen.
Artikel 3. Voorwaarden landbouwborgstellingsovereenkomst
De toepasselijkheid van deze landbouwborgstellingsovereenkomst op een krediet of een
deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen indien:
-
a. de kredietovereenkomst tussen de Financier en de MKB-landbouwondernemer na de beslissing
door de minister, bedoeld in artikel 8, tweede lid, tot stand is gekomen;
-
b. binnen 35 dagen na de beslissing, bedoeld onder a, de door de minister op grond van
artikel 2.5.4 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en artikel 11 vastgestelde provisie
door de Financier aan de Staat is betaald;
-
c. en voor zover door de beslissing, bedoeld onder a, de som van de in een kalenderjaar
goedgekeurde kredieten of delen daarvan het door de minister op grond van artikel
1 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies met betrekking tot dat kalenderjaar
vastgestelde subsidieplafond niet is overschreden;
-
d. de natuurlijke persoon die direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste
kapitaal verschaft aan de MKB-landbouwondernemer, niet zijnde een natuurlijke persoon,
zich borg heeft gesteld voor de nakoming door de MKB-landbouwondernemer van de verplichtingen
voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het landbouwborgstellingskrediet
wordt verstrekt, tot aan een bedrag ter grootte van ten minste 25 procent van het
landbouwborgstellingskrediet en met een minimum van € 5.000 respectievelijk 10 procent
van het landbouwborgstellingskrediet met een minimum van € 5.000 voor een landbouwborgstellingskrediet
dat op grond van een kredietovereenkomst is verstrekt die voldoet aan de criteria
van artikel 6;
-
e. het landbouwborgstellingskrediet, met uitzondering van een landbouwborgstellingskrediet
dat op grond van een kredietovereenkomst is verstrekt die voldoet aan de criteria
van artikel 6 niet meer bedraagt dan het tekort aan zekerheden dat bij de Financier
ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst bestaat;
-
f. de Financier in de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het landbouwborgstellingskrediet
wordt verstrekt een verplichting voor de MKB-landbouwondernemer heeft opgenomen om
alle medewerking te verlenen aan het uitoefenen door de Staat van de in artikel 25
genoemde bevoegdheden;
-
g. de Financier in de door haar gesloten kredietovereenkomst met betrekking tot de nakoming
door de MKB-landbouwondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de landbouwborgstellingsovereenkomst
uit hoofde waarvan het landbouwborgstellingskrediet wordt verstrekt een beding ten
behoeve van de Staat heeft opgenomen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel
869 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de Staat en
de Financier geen bedingen heeft opgenomen, ertoe leidende dat:
-
1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de Staat eerst zou moeten worden aangesproken,
-
2°. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling
van artikel 869 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
-
h. door de Financier gelijktijdig met het sluiten van de kredietovereenkomst, uit hoofde
waarvan een landbouwborgstellingskrediet aan de MKB-landbouwondernemer wordt verstrekt,
met de MKB-landbouwondernemer een kredietovereenkomst is gesloten uit hoofde waarvan
de MKB-landbouwondernemer over een financieringsfaciliteit beschikt, die niet bestemd
is en niet gebruikt wordt voor de aflossing van financieringsfaciliteiten waarover
de MKB-landbouwondernemer beschikt bij de Financier of aan een rechtspersoon waarmee
de Financier in een groep verbonden is, met uitzondering van een landbouwborgstellingskrediet
dat op grond van een kredietovereenkomst is verstrekt die voldoet aan de criteria
van artikel 6;
-
i. de financieringsfaciliteit, bedoeld in onderdeel h, ten minste 50 procent bedraagt
van het landbouwborgstellingskrediet, met uitzondering van een landbouwborgstellingskrediet
dat op grond van een kredietovereenkomst is verstrekt die voldoet aan de criteria
van artikel 6;
-
j. de looptijd van de in onderdeel h bedoelde financieringsfaciliteit ten minste even
lang is als de looptijd van het landbouwborgstellingskrediet, met uitzondering van
een landbouwborgstellingskrediet dat op grond van een kredietovereenkomst is verstrekt
die voldoet aan de criteria van artikel 6, en
-
k. het totaal aan landbouwborgstellingskredieten met inbegrip van vermogensversterkende
kredieten niet meer dan 50% bedraagt van de kredieten die de Financier aan een MKB-landbouwondernemer
heeft verstrekt ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst die wordt gemeld
op grond van artikel 8, eerste lid.
Artikel 4. Criteria voor MKB-landbouwondernemer bij verstrekken landbouwborgstellingskrediet
-
1. Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een landbouwborgstellingskrediet
aan een MKB-landbouwondernemer wordt verstrekt, moet de MKB-landbouwondernemer aan
de volgende criteria voldoen:
-
a. ten aanzien van de MKB-landbouwondernemer staat geen bevel tot terugvordering uit
ingevolge een besluit van de Europese Commissie waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar
met de interne markt van de Europese Unie is verklaard;
-
b. de MKB-landbouwondernemer:
-
1°. houdt geen onderneming in moeilijkheden in stand als bedoeld in artikel 2, aanhef
en onderdeel 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
-
2°. beschikt over onvoldoende financiële middelen om zijn landbouwonderneming op economisch
verantwoorde wijze in stand te houden;
-
3°. voert een substantieel deel van de activiteiten van zijn landbouwonderneming in Nederland
uit;
-
4°. houdt geen landbouwonderneming in stand waarvan de laatste jaaromzet voor 50 procent
of meer is verkregen, of, indien de landbouwonderneming nog geen heel jaar is gedreven,
waarvan de omzet naar verwachting voor 50 procent of meer zal worden verkregen, uit:
-
– de uitoefening van het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren
van een of meer andere ondernemingen, of
-
– het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen
van onroerende zaakprojecten;
-
5°. is door de Financier naar normaal bancair gebruik getoetst aan de eisen van maatschappelijk
verantwoord ondernemen;
-
c. er is een tekort aan zekerheden bij de landbouwonderneming, waardoor de Financier
naar normaal bancair gebruik het krediet niet geheel voor eigen rekening en risico
kan verstrekken;
-
d. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de landbouwonderneming zijn bevredigend.
-
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing indien sprake is van
een landbouwborgstellingskrediet dat op grond van een kredietovereenkomst is verstrekt
die voldoet aan de criteria van artikel 6.
Artikel 5. Criteria kredietovereenkomst: investeringen algemeen
De Staat verleent uitsluitend een landbouwborgstellingskrediet aan de Financier indien
in de kredietovereenkomst is opgenomen dat het door de Financier te verstrekken krediet
of een deel van het krediet betrekking heeft op nieuwe investeringen uiteengezet in
een investeringsplan van de MKB-landbouwondernemer voor onder meer:
-
a. de bouw, verwerving, leasing of verbetering van onroerende zaken;
-
b. de koop of leasing van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de
activa;
-
c. de aankoop of ontwikkeling van computersoftware en de verwerving van octrooien, licenties,
auteursrechten en handelsmerken en de daarmee rechtstreeks verband houdende algemene
kosten.
Artikel 6. Criteria kredietovereenkomst: financiering in het kader van gevolgen uitbraak
coronavirus
In afwijking van artikel 5 verleent de Staat uitsluitend een landbouwborgstellingskrediet
voor financiering in het kader van de gevolgen uitbraak coronavirus indien het door
de Financier te verstrekken krediet of een deel van het krediet:
-
a. voor de duur van maximaal twee jaar wordt verstrekt aan een MKB-landbouwondernemer,
en
-
b. betrekking heeft op een liquiditeitsbehoefte van die MKB-landbouwondernemer als gevolg
van de uitbraak van het coronavirus.
Artikel 7. Criteria kredietovereenkomst: duurzame investeringen omschakeling naar
biologische landbouw
-
1. In afwijking van artikel 5 verleent de Staat uitsluitend een landbouwborgstellingskrediet
voor omschakelkapitaal indien het door de Financier te verstrekken krediet of een
deel van het krediet betrekking heeft op nieuwe investeringen uiteengezet in een investeringsplan
gericht op het aanpassen of uitbreiden van de lopende bedrijfsvoering van de landbouwonderneming
tot biologische productie in de zin van Verordening (EG) 834/2007 van de Raad van
28 juni 2007 inzake de biologische productie van landbouwproducten en de etikettering
van biologische producten en intrekking van Verordening (EEG) 2092/91 (PbEU 2007,
L 189)van de MKB-landbouwondernemer.
-
2. In de in het eerste lid bedoelde kredietovereenkomst wordt opgenomen dat de MKB-landbouwondernemer
na het verstrekken van het landbouwborgstellingskrediet een certificaat verkrijgt
betreffende biologische productie van de Stichting Skal volgens de toepasselijke Unierechtelijke
en nationale wet- en regelgeving.
Artikel 7a. Criteria kredietovereenkomst: investeringen landbouwinnovatie
In afwijking van artikel 5 verleent de Staat uitsluitend een landbouwborgstellingskrediet
voor landbouwinnovatie indien het door de Financier te verstrekken krediet of een
deel van het krediet betrekking heeft op nieuwe investeringen uiteengezet in een investeringsplan
van de MKB-landbouwondernemer dat:
-
a. gericht is op het onderscheidend positioneren van een landbouwproduct in de markt
door vernieuwing en verduurzaming; en
-
b. bijdraagt aan nieuwe en integrale bedrijfssystemen die de gangbare bedrijfsvoering
en het management van de landbouwonderneming van de MKB-landbouwondernemer wijzigen.
Artikel 7b. Criteria kredietovereenkomst: vermogensversterkend krediet voor aanvullende
investeringen
In afwijking van artikel 5 verleent de Staat uitsluitend een landbouwborgstellingskrediet
zijnde een vermogensversterkend krediet indien de door de Financier te verstrekken
achtergestelde lening betrekking heeft op aanvullende investeringen uiteengezet in
een investeringsplan en waarbij geldt dat:
-
a. die aanvullende investeringen geen investeringen in grond betreffen;
-
b. die aanvullende investeringen geen overdracht van productierechten als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel aa, van de Meststoffenwet betreft;
-
b. die aanvullende investeringen geen investeringen voor het starten van de landbouwonderneming
door de starter of de overname van de landbouwonderneming door de overnemer betreffen;
-
c. door de verstrekking van het vermogensversterkend krediet de continuïteitsperspectieven
van de landbouwonderneming van de starter of de overnemer worden verbeterd;
-
d. het plan mede gericht is op of aansluit bij de LNV-visie ‘Waardevol en Verbonden’,
bijlage bij Kamerstukken II 2017/18, 35 000 XIV, nr. 5.
Artikel 8. Verlening landbouwborgstellingskrediet
-
1. De Financier meldt het krediet of het deel van het krediet dat uit hoofde van de kredietovereenkomst
aan de MKB-landbouwondernemer zal worden verstrekt.
-
2. De Financier kan voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde melding een investeringsplan
voor aanvullende investeringen voorleggen aan de minister voor nadere informatie over
de daarin opgenomen toepassing door de Financier van de in artikel 7b opgenomen criteria.
-
3. De minister beslist binnen 1 dag tot verlening van het landbouwborgstellingskrediet
op grond van een kredietovereenkomst die voldoet aan de criteria van artikel 6.
-
4. De minister beslist binnen 35 dagen tot verlening van het landbouwborgstellingskrediet
voor zover dit geen betrekking heeft op landbouwinnovatie.
-
5. In afwijking van het tweede lid beslist de minister binnen 60 dagen indien het landbouwborgstellingskrediet
betrekking heeft op landbouwinnovatie als bedoeld in artikel 7a.
-
6. Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid en onderdeel c, is de volgorde van ontvangst
van de meldingen door de minister bepalend.
Artikel 9. Voorwaarden landbouwborgstellingkrediet -algemeen-
Een landbouwborgstellingskrediet wordt niet verleend indien:
-
a. het wordt aangewend voor de herfinanciering van schulden, met uitzondering van herfinanciering
van een landbouwborgstellingskrediet als bedoeld in artikel 14, achtste lid, daaronder
mede begrepen niet door enige financier verstrekte leningen alsmede leningen welke
worden aangegaan om kapitaalbehoefte, ontstaan door het uittreden van een commanditaire
vennoot uit een commanditaire vennootschap, te dekken, behoudens in geval van overmacht;
-
b. ten aanzien van de investeringen waarvoor de kredietovereenkomst is aangegaan reeds
een krediet of deel van een krediet is verstrekt of onvoorwaardelijk is toegezegd;
-
c. aan de MKB-landbouwondernemer voor kredieten voor investeringen als bedoeld in:
-
1°. de artikelen 5 en 7, reeds een garantstelling door de minister of het bestuur van
de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw is verstrekt en het totaalbedrag
aan landbouwkredieten aan de MKB-landbouwondernemer in totaal hoger wordt dan € 1.200.000;
-
2°. artikel 13, eerste tot en met vierde lid, reeds een garantstelling door de minister
of het bestuur van de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw is verstrekt en
het totaalbedrag aan landbouwkredieten aan de MKB-landbouwondernemer hoger wordt dan
€ 2.500.000;
-
d. De in onderdeel c, subonderdelen 1° en 2°, genoemde maximumbedragen kunnen worden
verhoogd met een bedrag van maximaal € 300.000 voor zover het één of meer landbouwborgstellingskredieten
betreffen die zijn verstrekt op grond van één of meer kredietovereenkomsten die voldoen
aan de criteria van artikel 6;
-
e. de landbouwonderneming wordt uitgeoefend door een commanditaire vennootschap, tenzij
uit de betrokken vennootschapsovereenkomst blijkt dat die overeenkomst ten minste
een looptijd heeft die gelijk is aan de looptijd van het landbouwborgstellingskrediet.
Artikel 10. Voorwaarden landbouwborgstellingskrediet -voorkomen onrechtmatige staatssteun-
-
1. Een landbouwborgstellingskrediet wordt niet verstrekt indien:
-
a. uit hoofde van de kredietovereenkomst het krediet of een deel van het krediet wordt
verstrekt voor investeringen die verband houden met:
-
1°. de uitvoer naar derde landen of lidstaten van de Europese Unie;
-
2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer, of
-
3°. andere lopende kosten in verband met exportactiviteiten;
-
b. uit hoofde van de kredietovereenkomst het krediet of een deel van het krediet wordt
verstrekt voor investeringen die niet in overeenstemming zijn met de voor de MKB-landbouwondernemer
in Nederland geldende milieuwet- en regelgeving.
-
2. Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een landbouwborgstellingskrediet
aan een MKB-landbouwondernemer wordt verstrekt, draagt de Financier er zorg voor dat:
-
a. zij de MKB-landbouwondernemer in kennis heeft gesteld dat hij ingevolge de verstrekking
van het krediet steun van de overheid ontvangt en dat deze steun wordt aangemerkt
als steun die valt onder de algemene groepsvrijstellingsverordening;
-
b. de MKB-landbouwondernemer schriftelijk heeft verklaard dat, voor zover het ontvangen
van steun ingevolge de verstrekking van het krediet samen gaat met het ontvangen van
staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten, of samen gaat met staatssteun
ten behoeve van dezelfde risicofinancieringsmaatregel, dit niet leidt tot een overschrijding
van de hoogste toepasselijke steunintensiteit of het hoogste toepasselijke steunbedrag
dat in dit geval geldt ingevolge de algemene groepsvrijstellingsverordening, de groepsvrijstellingsverordening
landbouw of een besluit dat de Europese Commissie heeft vastgesteld.
-
1. Het tarief van de provisie voor de landbouwborgstelling bedraagt eenmalig:
-
2. Indien overeenkomstig artikel 3, onderdeel b, een provisie is betaald met betrekking
tot een landbouwborgstellingskrediet en indien het desbetreffende krediet of deel
van het krediet niet is opgenomen vanwege omstandigheden die niet zijn toe te rekenen
aan de MKB-landbouwondernemer of aan de Financier, wordt de provisie door de Staat
terugbetaald aan de Financier mits de Financier binnen een jaar na het sluiten van
de kredietovereenkomst daartoe een verzoek aan de Staat heeft gedaan.
Artikel 12. Maximale omvang van het landbouwborgstellingskrediet
-
1. Voor de berekening van de omvang van de landbouwborgstelling wordt een krediet of
een deel van een krediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking
van dat krediet het totaal van de aan een MKB-landbouwondernemer verstrekte landbouwborgstellingskredieten
een bedrag van € 1.200.000 niet overschrijdt.
-
2. Voor de toepassing van het eerste lid is de toestand op het tijdstip onmiddellijk
na het sluiten van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het landbouwborgstellingskrediet
is verstrekt bepalend.
-
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden:
-
a. landbouwborgstellingskredieten die op een eerder tijdstip overeenkomstig artikel 8
zijn gemeld, slechts voor het met overeenkomstige toepassing van de artikelen 14 en
15 berekende gedeelte van die landbouwborgstellingskredieten in aanmerking genomen;
-
b. kredieten, voor zover de Staat daarvoor op grond van het Kaderbesluit EZ-subsidies,
het besluit, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, of het Besluit borgstelling MKB-kredieten
1997 nog borg staat, als landbouwborgstellingskredieten in aanmerking genomen.
Artikel 13. Maximale omvang van het landbouwborgstellingskrediet `Plus’
-
1. In afwijking van artikel 12, eerste lid, geldt als maximale omvang van het landbouwborgstellingskrediet
een bedrag van € 2.500.000 indien:
-
a. de nieuwe investeringen voor meer dan 50% de bouw of de verbetering van een stal betreffen;
-
b. uit het investeringsplan dat ten grondslag ligt aan de kredietovereenkomst blijkt
dat voor die stal een voorlopig certificaat Maatlat Duurzame Veehouderij is afgegeven
door een hiervoor door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerde organisatie en
-
c. in de kredietovereenkomst wordt opgenomen dat de MKB-landbouwondernemer na het verstrekken
van het landbouwborgstellingskrediet een definitief certificaat Maatlat Duurzame Veehouderij
verkrijgt voor de gebouwde of verbeterde stal.
-
2. In afwijking van artikel 12, eerste lid, geldt als maximale omvang van het landbouwborgstellingskrediet
een bedrag van € 2.500.000 indien:
-
a. de nieuwe investeringen voor meer dan 50% een kas betreffen die bestemd is voor het
bedrijfsmatig telen van gewassen;
-
b. uit het investeringsplan dat ten grondslag ligt aan de kredietovereenkomst blijkt
dat die kas voldoet aan de eisen van het certificatieschema Groen Label Kas hetgeen
aantoonbaar wordt gemaakt met een voorlopig certificaat dat is afgegeven door een
hiervoor door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerde organisatie, en
-
c. in de kredietovereenkomst wordt opgenomen dat de MKB-landbouwondernemer na het verstrekken
van het landbouwborgstellingskrediet een definitief certificaat verkrijgt volgens
het dan vigerende certificeringsschema Groen Label Kas.
-
3. In afwijking van artikel 12, eerste lid, geldt als maximale omvang van het landbouwborgstellingskrediet
een bedrag van € 2.500.000 indien:
-
a. de nieuwe investeringen voor meer dan 50% landbouwinnovatie betreffen;
-
b. uit het investeringsplan dat ten grondslag ligt aan de kredietovereenkomst blijkt
hoe de MKB-landbouwondernemer door vernieuwing en verduurzaming een landbouwproduct
onderscheidend in de markt wil zetten en hoe door nieuwe en integrale bedrijfssystemen
daarbij de gangbare bedrijfsvoering en het management van de landbouwonderneming van
de MKB-landbouwondernemer wijzigt.
-
4. In afwijking van artikel 12, eerste lid, geldt als maximale omvang van het vermogensversterkend
krediet een bedrag van € 2.500.000 indien:
-
5. Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid is het investeringsplan dat
ten grondslag ligt aan de kredietovereenkomst gericht op de in die leden genoemde
investeringen die voor ten minste de helft deel uitmaken van het totaal van investeringen.
-
6. Voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid is de toestand op het tijdstip
onmiddellijk na het sluiten van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het landbouwborgstellingskrediet
is verstrekt bepalend.
-
7. Voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid worden:
-
a. landbouwborgstellingskredieten die op een eerder tijdstip overeenkomstig artikel 8
zijn gemeld, slechts voor het met overeenkomstige toepassing van de artikelen 14 en
15 berekende gedeelte van die landbouwborgstellingskredieten in aanmerking genomen;
-
b. kredieten of delen van kredieten, voor zover de Staat daarvoor op grond van het Kaderbesluit
EZ-subsidies, het besluit, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, of het Besluit
borgstelling MKB-kredieten 1997 nog borg staat, als landbouwborgstellingskredieten
in aanmerking genomen.
Artikel 14. Berekening omvang en duur van de landbouwborgstelling
-
1. Voor de berekening van de omvang van de landbouwborgstelling wordt het na toepassing
van de artikelen 12 en 13 in aanmerking te nemen krediet of deel van het krediet na
verloop van ieder kalenderkwartaal verminderd met een zodanig vast bedrag, dat het
landbouwborgstellingskrediet op de laatste datum waarop het moet zijn afgelost, maar
uiterlijk na verloop van 6 jaar, nihil bedraagt.
-
2. Indien het landbouwborgstellingskrediet voor meer dan 50% nieuwe investeringen betreft
als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel a, waarbij die onroerende
zaken voor ten minste de helft gebruikt worden door de landbouwonderneming van de
MKB-landbouwondernemer, geldt in afwijking van het eerste lid dat het landbouwborgstellingskrediet
op de laatste datum waarop het lineair moet zijn afgelost, maar uiterlijk na verloop
van 12 jaar, nihil bedraagt.
-
3. Indien het een vermogensversterkend krediet betreft geldt in afwijking van het eerste
lid dat het vermogensversterkend krediet op de laatste datum waarop het lineair moet
zijn afgelost, maar uiterlijk na verloop van 12 jaar, nihil bedraagt.
-
4. Voor de toepassing van het eerste lid vangt het eerste kalenderkwartaal uiterlijk
aan op de eerste dag van het tweede kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal
waarin de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het krediet is verstrekt, is gesloten.
-
5. Voor de toepassing van het tweede en derde lid vangt het eerste kalenderkwartaal uiterlijk
aan op de eerste dag van het zesde kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal
waarin de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het krediet is verstrekt, is gesloten.
-
5a. Indien sprake is van een landbouwborgstellingskrediet dat op grond van een kredietovereenkomst
is verstrekt die voldoet aan de criteria van artikel 6, geldt voor de toepassing van
het eerste lid:
-
a. in plaats van een periode van ten hoogste 6 jaar een periode van ten hoogste 2 jaar;
en
-
b. dat het eerste kalenderkwartaal waarin vermindering plaatsvindt, aanvangt op de eerste
dag van het door de Financier gekozen kalenderkwartaal.
-
6. De Financier kan de vermindering, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, gedurende
een periode van ten minste een kalenderkwartaal opschorten indien:
-
a. de Financier voor ten minste de duur van de opschorting uitstel verleent van de verplichting
tot aflossing van het krediet;
-
b. de Financier uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van alle financieringsfaciliteiten
gedurende de duur van de opschorting, dan wel uitstel verleent van de verplichting
tot aflossing van een gedeelte van de financieringsfaciliteiten, waarbij de som van
de aflossingsbedragen ten minste 50% is van de som van de aflossingsbedragen waarvoor
de Financier uitstel verleent als bedoeld onder a;
-
c. sprake is van een landbouwborgstellingskrediet dat op grond van een kredietovereenkomst
is verstrekt die voldoet aan de criteria van artikel 6;
-
d. de Financier de opschorting meldt binnen 35 dagen na aanvang van de opschorting onder
gelijktijdige verstrekking van de door de minister vastgestelde informatie. De minister
bevestigt de melding binnen 35 dagen na ontvangst.
-
7. De in het zesde lid bedoelde opschorting van de vermindering vindt ten hoogste voor
een totaal van acht kalenderkwartalen plaats.
-
8. De in het zesde lid bedoelde opschorting van de vermindering vindt ten hoogste voor
een totaal van twaalf kalenderkwartalen plaats indien het krediet is verstrekt aan
een starter of overnemer.
-
9. Indien een landbouwborgstellingskrediet wordt aangewend voor herfinanciering van een
landbouwborgstellingskrediet, is de nieuwe periode ten hoogste gelijk aan de periode
waarvoor het krediet nog zou hebben gelopen zonder herfinanciering.
Artikel 15. Schorsing vermindering landbouwborgstelling
-
1. De vermindering van de landbouwborgstelling, bedoeld in artikel 14, wordt geschorst
met ingang van de dag waarop het krediet is opgeëist.
-
2. In afwijking van het eerste lid wordt de vermindering van de landbouwborgstelling
pas geschorst door de aanvang van de uitwinning, indien met die uitwinning geen aanvang
is gemaakt binnen twee maanden na de dag waartegen het krediet door de Financier is
opgeëist.
-
3. De vermindering van de landbouwborgstelling wordt tevens geschorst zolang de MKB-landbouwondernemer
in staat van faillissement verkeert of aan hem surséance van betaling is verleend.
Artikel 16. Verzoek om betaling uit hoofde van de landbouwborgstellingsovereenkomst
-
1. De Financier dient zo spoedig mogelijk na de voltooiing van de uitwinning of, indien
dit eerder is, zo spoedig mogelijk nadat aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten
meer zijn te verwachten die in mindering komen op het krediet, maar in ieder geval
binnen negen maanden na de datum waartegen het krediet is opgeëist of, indien dit
eerder is, na de datum van het faillissement, een verzoek in om betaling uit hoofde
van de landbouwborgstellingsovereenkomst.
-
2. Het verzoek wordt ingediend onder gelijktijdige verstrekking van de door de minister
vastgestelde informatie.
-
3. De minister bevestigt de ontvangst van het verzoek om betaling binnen 35 dagen na
de ontvangst en reageert op het verzoek binnen negen maanden na de bevestiging.
Artikel 17. Berekening omvang landbouwborgstelling bij uitbetalen
-
1. De omvang van de landbouwborgstelling bedraagt per MKB-landbouwondernemer 70 procent
van hetgeen de MKB-landbouwondernemer ten tijde van het overeenkomstig artikel 16
ingediende verzoek uit hoofde van het landbouwborgstellingskrediet of de landbouwborgstellingskredieten
niet zijnde een vermogensversterkend krediet of vermogensversterkende kredieten pro
resto verschuldigd is, doch
-
a. ten hoogste 70 procent van de met toepassing van de artikelen 12 tot en met 15 berekende
omvang van het landbouwborgstellingskrediet of de landbouwborgstellingskredieten,
en
-
b. ten hoogste tweemaal de som van de bestaande en verstrekte financieringsfaciliteiten
van de Financier voor de MKB-landbouwondernemer met ingang van de dag waarop het krediet
is opgeëist.
-
2. De omvang van de landbouwborgstelling bedraagt per MKB-landbouwondernemer 70 procent
van hetgeen de MKB-landbouwondernemer ten tijde van het overeenkomstig artikel 16
ingediende verzoek uit hoofde van één of meer landbouwborgstellingskredieten pro resto
verschuldigd is voor zover die landbouwborgstellingskredieten op grond van één of
meer kredietovereenkomsten zijn verstrekt die voldoen aan de criteria van artikel.
-
3. De omvang van de landbouwborgstelling bedraagt per MKB-landbouwondernemer 90 procent
van hetgeen de MKB-landbouwondernemer ten tijde van het overeenkomstig artikel 16
ingediende verzoek uit hoofde van een vermogensversterkend krediet of vermogensversterkende
kredieten pro resto verschuldigd is, doch:
-
a. ten hoogste 90 procent van de met toepassing van de artikelen 12 tot en met 15 berekende
omvang van het vermogensversterkend krediet of vermogensversterkende kredieten, en
-
b. ten hoogste tweemaal de som van de bestaande en verstrekte financieringsfaciliteiten
van de Financier voor de MKB-landbouwondernemer met ingang van de dag waarop het krediet
is opgeëist.
Artikel 18. Betaling door de Staat
-
1. De minister betaalt hetgeen de Staat uit hoofde van deze overeenkomst met het oog
op de door de Financier in haar verzoek bedoelde landbouwborgstellingskrediet verschuldigd
is.
-
2. Voor zover de Financier bij haar verzoek om betaling aannemelijk maakt dat er bijzondere
omstandigheden waren die het naar normaal bancair gebruik noodzakelijk maakten de
andere financieringsfaciliteiten sterker in omvang terug te brengen dan de landbouwborgstellingskredieten,
blijft artikel 17, aanhef en onderdeel b, buiten toepassing.
-
3. De Staat is niet verplicht tot betaling op het verzoek van de Financier:
-
a. indien niet voldaan is aan een verzoek als bedoeld in artikel 25;
-
b. indien de Financier in het kader van het verzoek gegevens heeft verstrekt, waarvan
zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking
van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op het verzoek zou hebben geleid.
-
4. Betalingen door de Staat aan de Financier en door de Financier aan de Staat geschieden
door debitering respectievelijk creditering door de Financier van een rekening die
de Financier zal aanhouden ten name van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
met vermelding van ‘verliesdeclaraties landbouwborgstellingskredieten’.
-
5. Over het debet- of creditsaldo van de rekening zal een rente berekend worden gelijk
aan zesmaands Euribor.
Artikel 19. Inspanningsverplichting tot uitwinning landbouwborgstellingskrediet
-
1. Gedurende vijf jaar nadat de Financier uit hoofde van het landbouwborgstellingskrediet
door de Staat is betaald, is de Financier gehouden die pogingen in het werk te stellen
om namens de Staat het door de Staat betaalde bedrag in te vorderen, die de Financier
in het werk zou hebben gesteld indien het krediet voor eigen rekening en risico door
de Financier zou zijn verstrekt. De Staat machtigt met het oog hierop de Financier
tot invordering bij de kredietnemer van de door deze aan de Staat verschuldigde bedragen.
-
2. De Financier zendt binnen drie maanden na afloop van de in het eerste lid bedoelde
periode de minister een overzicht van de door haar ondernomen activiteiten, waarin
de door de minister vastgestelde informatie is opgenomen.
Artikel 20. Verslag voortgang uitwinning bij verzoek om betaling landbouwborgstelling
-
1. Indien een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 16 is ingediend op een moment,
waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat
geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het landbouwborgstellingskrediet,
brengt de Financier de minister ten minste jaarlijks verslag uit over de voortgang
van de uitwinning.
-
2. De minister kan over het verloop van de uitwinning binnen een door hem te stellen
termijn nadere gegevens van de Financier verlangen.
Artikel 21. (Terug)betalen landbouwborgstellingskrediet
-
1. De Financier betaalt de vanaf het moment van de indiening van een verzoek om betaling
als bedoeld in artikel 16 ontvangen opbrengsten die in mindering komen op het landbouwborgstellingskrediet
binnen twee maanden na ontvangst aan de Staat.
-
2. Voor zover de opbrengsten na de aanvang van de periode, bedoeld in artikel 19, eerste
lid, ontvangen zijn, wordt de in het eerste lid bedoelde betalingsverplichting beperkt
tot 80 procent van de ontvangen opbrengsten, tenzij opbrengsten ontvangen zijn uit
hoofde van uitwinning.
-
3. De Financier zal de rekening, bedoeld in artikel 18, vierde lid, per de datum van
verzending van het verzoek, bedoeld in artikel 16, en binnen twee maanden na die datum,
debiteren voor het bedrag waarvoor betaling wordt gevraagd, vermeerderd met een rente
over de periode die verstreken is sinds de dag waarop de vermindering, bedoeld in
artikel 14, op grond van artikel 15 is geschorst.
-
4. De Financier zal de rekening op de datum van de reactie van de minister, bedoeld in
artikel 16, derde lid, en binnen twee maanden na die datum crediteren of debiteren
voor respectievelijk het voor de Staat positieve of negatieve verschil tussen het
bedrag waarvoor de rekening ingevolge het derde lid is gedebiteerd en het door de
Staat blijkens de reactie, bedoeld in artikel 16, verschuldigde bedrag, vermeerderd
met een over dat verschil te berekenen rente over de periode die is verstreken sinds
de creditering of debitering, bedoeld in het derde lid, en de datum waarop de reactie
is ontvangen.
-
5. De rente, bedoeld in het derde en vierde lid, is gelijk aan de zesmaands Euribor op
het moment van de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 16, vermeerderd
met de door de Financier gehanteerde liquiditeitsopslag.
Artikel 22. Voorwaarden schuldregeling landbouwborgstellingskrediet
-
1. De Financier treft geen schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt een gehele of gedeeltelijke
kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit een kredietovereenkomst, uit
hoofde waarvan een landbouwborgstellingskrediet is verstrekt, zonder voorafgaande
toestemming van de minister. De minister kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden
ten aanzien van de inhoud van een dergelijke regeling.
-
2. De minister beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek om toestemming als bedoeld
in het eerste lid.
Artikel 23. Vervallen verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst
-
1. De verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst met betrekking tot
een landbouwborgstellingskrediet vervallen door schuldvernieuwing, door schuldoverneming
en – voor het gedeelte waarin subrogatie plaatsvindt – door subrogatie van derden
in de rechten van de Financier met betrekking tot het landbouwborgstellingskrediet,
al dan niet voorafgegaan door verpanding van het landbouwborgstellingskrediet.
-
2. In afwijking van het eerste lid blijven de verplichtingen van de Staat met betrekking
tot een landbouwborgstellingskrediet van kracht, indien:
-
a. de MKB-landbouwondernemer aan wie het landbouwborgstellingskrediet is verstrekt de
landbouwonderneming en alle voor het drijven van die onderneming bestemde activa en
passiva inbrengt of overdraagt aan een door de MKB-landbouwondernemer voor het drijven
van die landbouwonderneming opgerichte rechtspersoon;
-
b. de Financier met de onder a bedoelde rechtspersoon een overeenkomst sluit als gevolg
waarvan die rechtspersoon bij de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het landbouwborgstellingskrediet
is verleend de plaats inneemt van de MKB-landbouwondernemer, en
-
c. de MKB-landbouwondernemer zich naast de onder a bedoelde rechtspersoon hoofdelijk
aansprakelijk stelt voor de nakoming door die rechtspersoon van de verplichtingen
die voortvloeien uit de kredietovereenkomst.
-
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rechtspersoon mede begrepen twee
of meer rechtspersonen, indien die rechtspersonen gezamenlijk voldoen aan de in het
tweede lid genoemde voorwaarden en ieder van die rechtspersonen zich hoofdelijk aansprakelijk
stelt voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst
uit hoofde waarvan het landbouwborgstellingskrediet is verstrekt.
Artikel 24. Procedure bij aanleveren onjuiste gegevens door Financier
Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar
zodra de minister blijkt dat de Financier zodanig onjuiste of onvolledige informatie
heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben
genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Financier
de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, niet is nagekomen.
Artikel 25. Controle landbouwborgstellingskrediet
-
1. De Financier en de MKB-landbouwondernemer voldoen aan hetgeen de door de minister
aangewezen bij zijn ministerie werkzame personen verzoeken, voor zover dat redelijkerwijs
noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het besluit, titel 2.5 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en deze overeenkomst, en met het
oog op de nakoming door de Staat van op de Staat rustende internationaalrechtelijke
verplichtingen, en voor zover het betrekking heeft op de uit het besluit of deze overeenkomst
voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de Financier of de MKB-landbouwondernemer
aan wie het landbouwborgstellingskrediet is verstrekt of de met deze MKB-landbouwondernemer
gesloten kredietovereenkomsten, omtrent:
-
a. het toegang verlenen tot door hen gebruikte plaatsen;
-
b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden;
-
c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden;
-
d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en
-
e. het verstrekken van inlichtingen.
-
2. Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Financier of aan de MKB-landbouwondernemer,
gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant
te doen verstrekken.
-
3. Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik
worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de Financier of de MKB-landbouwondernemer
onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt.
-
4. De Financier stelt de minister binnen 35 dagen na kennisname op de hoogte van de volgende
feiten en verstrekt daarbij de door de minister vastgestelde informatie:
-
a. vervroegde volledige aflossing van het landbouwborgstellingskrediet;
-
b. het door de Financier in beheer nemen van het landbouwborgstellingskrediet voor zover
sprake is van wanbetaling door een debiteur als bedoeld in artikel 178 van Verordening
(EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende
prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging
van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176);
-
c. de verlening van surseance van betaling aan of de faillietverklaring van de MKB-landbouwondernemer;
-
d. opeising van het landbouwborgstellingskrediet.
-
5. De Financier meldt de Staat de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening
van surseance van betaling aan de Financier, dan wel een verzoek tot faillietverklaring
van de Financier.
-
1. Tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een landbouwborgstellingskrediet
wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal de Financier waken over de belangen van
de Staat als borg.
-
2. De Financier zal er voor zorg dragen dat het landbouwborgstellingskrediet niet wordt
gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de MKB-landbouwondernemer aan de
Financier die het krediet verstrekt of aan een rechtspersoon waarmee de Financier
in een groep verbonden is.
-
3. De Financier zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan
een landbouwborgstellingskrediet is verleend in de door haar te sluiten overeenkomsten
met allen, niet zijnde de Staat, die zich borg willen stellen voor de nakoming door
de MKB-landbouwondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst
uit hoofde waarvan het krediet is verleend, een beding ten behoeve van de Staat opnemen,
ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869 van boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek niet geldt ten opzichte van de Staat en de Financier zal geen bedingen opnemen,
ertoe leidende dat:
-
a. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de Staat eerst zou moeten worden aangesproken;
-
b. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling
van artikel 869 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
-
4. De Financier draagt er zorg voor dat de relaties tussen haar en de bij haar onderneming
betrokkenen enerzijds, en de MKB-landbouwondernemer aan wie een krediet is verstrekt
anderzijds transparant zijn.
Artikel 27. Hardheidsclausule
Indien naar het oordeel van de minister de kans dat de toepasselijkheid van deze overeenkomst
op een krediet of een deel van een krediet wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt
verkleind of indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat daardoor het
bedrag waarvoor de toepasselijkheid van deze overeenkomst wordt ingeroepen in belangrijke
mate wordt verlaagd, kan de minister voor de toepassing van deze overeenkomst met
betrekking tot dat krediet of een deel van dat krediet instemmen met een gemotiveerd
verzoek van de Financier om afwijking van deze overeenkomst.
Waar in deze overeenkomst sprake is van een vorm van communicatie geschiedt deze langs
elektronische weg. De aanlevering door de Financier kan in afwijking en bij wijze
van alternatief en ter keuze van de Financier ook geschieden in papieren vorm en door
aanlevering van een fysieke gegevensdrager.
Artikel 29. Overige bepalingen
-
1. De inwerkingtreding van een wijziging van het besluit, of titel 2.5 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies leidt terzelfder tijd tot een gelijke
wijziging van deze overeenkomst.
-
2. Deze overeenkomst kan worden gewijzigd door een schriftelijke mededeling van de minister
aan de Financier.
-
3. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan door de minister en de
Financier schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie
hele kalendermaanden.
-
4. In afwijking van het derde lid kan deze overeenkomst door de minister met onmiddellijke
ingang worden ontbonden, indien de Financier in strijd heeft gehandeld met het gestelde
in deze overeenkomst.
-
5. In afwijking van het derde lid kan de Financier deze overeenkomst met onmiddellijke
ingang opzeggen binnen een termijn van een maand na publicatie in het Staatsblad van
een wijziging van het besluit, na publicatie in de Staatscourant van een wijziging
van titel 2.5 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies of een schriftelijke mededeling van
de minister, inhoudende een wijziging van deze overeenkomst.
-
6. Deze overeenkomst eindigt van rechtswege door de intrekking van het besluit of door
intrekking van artikel 2.5.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.
-
7. Wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging van deze overeenkomst heeft geen gevolg
ten aanzien van landbouwborgstellingskredieten, welke ten tijde van de inwerkingtreding
van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging overeenkomstig artikel 8 zijn
verleend en ten aanzien van landbouwborgstellingskredieten die zijn of zullen worden
verstrekt uit hoofde van een kredietovereenkomst die is aangegaan voor de inwerkingtreding
van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging.
-
8. Als het besluit en titel 2.5 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies gelijktijdig worden ingetrokken en
vervangen door materieel identieke wettelijke voorschriften in een andere algemene
maatregel van bestuur of ministeriële regeling dan is het zesde lid niet van toepassing.
Aldus overeengekomen en in ()voud ondertekend
De Staat der Nederlanden, te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit,
namens deze:
(naam en functie vertegenwoordigers Financier)
te ‘s-Gravenhage
(statutaire naam van de Financier, naam en functie vertegenwoordiger(s) van de Financier)
Stcrt. 2020, 21471, datum inwerkingtreding 11-04-2020, bevat een wijziging met terugwerkende
kracht van deze bijlage. Deze wijziging werkt terug tot en met 18-03-2020.
In de artikelen 4, eerste lid, onderdeel b, subonderdelen 2° en 4°, en onderdelen
c en d, 9, onderdeel e, en 23, tweede lid, onderdeel a, van bijlage 2.5.1, wordt na
‘landbouwonderneming’ telkens ingevoegd ‘of visserij- of aquacultuuronderneming’.
In de begripsomschrijvingen van ‘kredietovereenkomst’ en ‘uitwinning’ in artikel 1,
tweede lid, van bijlage 2.5.1, in de artikelen 3, onderdelen a, d, f, g en k, 4, eerste
lid, aanhef, en onderdelen a en b, 6, 8, eerste lid, 9, onderdeel c, aanhef en subonderdeel
1°, 10, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, 11, tweede lid, 12, eerste lid, 15,
derde lid, 17, eerste en tweede lid, 23, tweede lid, 25, eerste tot en met vierde
lid, en 26, tweede tot en met vierde lid, van bijlage 2.5.1, en in het opschrift van
artikel 4 van bijlage 2.5.1, wordt na ‘MKB-landbouwondernemer’ telkens ingevoegd ‘of
MKB-visserij- of aquacultuurondernemer’.
In de artikelen 3, onderdelen f tot en met j, 4, 6, 8, derde lid, 9, aanhef en onderdelen
a en e, 10, 11, tweede lid, 12, tweede lid, 14, eerste lid, lid 5a, zesde lid, onderdeel
c, en negende lid, 17, eerste lid, onderdeel a, 18, eerste lid, 19, eerste lid, 20,
eerste lid, 21, eerste lid, 22, eerste lid, 23, 25, eerste lid en vierde lid, onderdelen
a, b en d, en 26, eerste tot en met derde lid, van bijlage 2.5.1, en in de opschriften
van de artikelen 4, 8, 9, 10, 12, 19, 21, 22 en 25 van bijlage 2.5.1, wordt na ‘landbouwborgstellingskrediet’
telkens ingevoegd ‘of visserij- of aquacultuurborgstellingskrediet’.
In het opschrift van bijlage 2.5.1, in de artikelen 3, aanhef en onderdeel g, en 16,
eerste lid, van bijlage 2.5.1, en in de opschriften van de artikelen 3 en 16 van bijlage
2.5.1, wordt ‘landbouwborgstellingsovereenkomst’ telkens vervangen door ‘borgstellingsovereenkomst’.
Bijlage 2.5.1 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies wordt als volgt gewijzigd:
-
1. Aan artikel 1 wordt, onder vervanging van de punten aan het slot van de definitiebepalingen
van ‘uitwinning’ en ‘vermogensversterkend krediet’ door puntkomma’s, een definitiebepaling
toegevoegd, luidende:
visserij- of aquacultuurborgstellingskrediet: financiering als bedoeld in artikel 6 aan een MKB-visserij- of aquacultuurondernemer
op grond van een kredietovereenkomst, die overeenkomstig artikel 8 is verleend.
2. In de artikelen 2, 9, onderdeel c, subonderdeel 1°, en onderdeel d, 12, eerste
lid en derde lid, onderdeel a, 17, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 18, vierde
lid, en 29, zevende lid, wordt na ‘landbouwborgstellingskredieten’ telkens ingevoegd
‘of visserij- of aquacultuurborgstellingskredieten’.
3. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel a, wordt ‘artikel 8, tweede lid’ vervangen door ‘artikel 8, derde,
vierde of vijfde lid’.
b. In onderdeel d, wordt ‘respectievelijk 10 procent van het landbouwborgstellingskrediet
met een minimum van € 5.000 voor een landbouwborgstellingskrediet dat op grond van
een kredietovereen-komst is verstrekt die voldoet aan de criteria van artikel 6’ vervangen
door ‘respectievelijk 10 procent van het landbouwborgstellingskrediet of visserij-
of aquacultuurborgstellingskrediet met een minimum van € 5.000 voor een landbouwborgstellingskrediet
of visserij- of aquacultuurborgstellings-krediet dat op grond van een kredietovereenkomst
is verstrekt die voldoet aan de criteria van artikel 6’.
c. In onderdeel e, wordt na ‘artikel 6’ ingevoegd ‘, of het visserij- of aquacultuurborgstellingskrediet
dat op grond van een kredietovereenkomst is verstrekt die voldoet aan de criteria
van artikel 6,’.
d. In onderdeel k, wordt na ‘vermogensversterkende kredieten’ ingevoegd ‘, of het
totaal aan visserij- of aquacultuurborgstellingskredieten,’.
4. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
a. In het eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3°, wordt na ‘ in Nederland uit’ toegevoegd
‘of voert meer dan de helft van de activiteiten van zijn visserij- of aquacultuuronderneming
in Nederland uit’.
b. In het tweede lid wordt ‘onderdeel b’ vervangen door ‘onderdeel c’.
5. In de artikelen 11, eerste lid, 12, eerste lid, 14, eerste lid, 15, 17, eerste
en tweede lid, en in de opschriften van de artikelen 14, 15, 17 en 20 wordt na ‘landbouwborgstelling’
telkens ingevoegd ‘of visserij- of aquacultuurborgstelling’.
6. Aan artikel 11, eerste lid, worden, onder vervanging van de punt aan het slot van
onderdeel b door een puntkomma, twee onderdelen toegevoegd, luidende:
c. 1,5 procent van het bedrag van het landbouwborgstellingskrediet of visserij- of
aquacultuur-borgstellingskrediet indien het financiering betreft als bedoeld in artikel
6;
d. 0,5 procent van het bedrag van het landbouwborgstellingskrediet of visserij- of
aquacultuur-borgstellingskrediet indien het financiering betreft als bedoeld in artikel
6 aan een MKB-landbouwondernemer of MKB-visserij- of aquacultuurondernemer die een
starter of overnemer is.
7. Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
a. in de aanhef van het eerste lid wordt na ‘vermogensversterkende kredieten’ ingevoegd
‘of uit hoofde van het visserij- of aquacultuurborgstellingskrediet of de visserij-
of aquacultuurborgstellings-kredieten’.
b. In het tweede lid wordt ‘aan de criteria van artikel’ vervangen door ‘aan de criteria
van artikel 6’.
8. In artikel 18, tweede lid, wordt na ‘artikel 17,’ ingevoegd ‘ eerste lid,’.
Stcrt. 2020, 27598, datum inwerkingtreding 20-05-2020, bevat een wijziging met terugwerkende
kracht van deze bijlage. Deze wijziging werkt terug tot en met 18-03-2020.
In artikel 6, onderdeel a, wordt ‘twee jaar’ vervangen door ‘vier jaar’
In artikel 11, onder c, wordt na ‘artikel 6’ toegevoegd ‘, en de financiering een
looptijd heeft van ten hoogste twee jaar’.
In artikel 11, onder d wordt na ‘overnemer is’ toegevoegd’, en de financiering een
looptijd heeft van ten hoogste twee jaar’.
Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 11, onderdeel d door een puntkomma
worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
-
e. 2,25 procent van het bedrag van het landbouwborgstellingskrediet of visserij- of
aquacultuurborgstellingskrediet indien het financiering betreft als bedoeld in artikel
6 en de financiering een looptijd heeft van meer dan twee jaar, maar niet langer dan
vier jaar;
-
f. 0,75 procent van het bedrag van het landbouwborgstellingskrediet of visserij- of
aquacultuurborgstellingskrediet betreft indien het financiering betreft als bedoeld
in artikel 6 aan een MKB-landbouwondernemer of MKB-visserij- of aquacultuurondernemer
die een starter of overnemer is, en de financiering een looptijd heeft van meer dan
twee jaar, maar niet langer dan vier jaar.
In artikel 14, lid 5a, wordt in onderdeel a wordt ‘ten hoogste 2 jaar’ vervangen door
‘ten hoogste 4 jaar’.
In artikel 14, lid 5a, wordt in onderdeel b wordt na ‘gekozen kalenderkwartaal’ toegevoegd
‘doch uiterlijk in het negende kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal
waarin de kredietovereenkomst is gesloten’.