Sanctieregeling Iran 2012

Geraadpleegd op 14-03-2026.
Geldend van 06-03-2026 t/m heden.

Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 april 2012, nr. Minbuza-2012.7941, houdende beperkende maatregelen jegens Iran (Sanctieregeling Iran 2012)

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

Gelet op Resolutie 1737 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 23 december 2006;

Gelet op Verordening (EU) nr. 359/2011 van de Raad van de Europese Unie van 12 april 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Iran (Pb L 100);

Gelet op Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van de Europese Unie van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 961/2010 (Pb L 88);

Gelet op Besluit 2010/413/GBVB van de Raad van de Europese Unie van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB (Pb L 195);

Gelet op artikel 2, tweede lid, en artikel 3 van de Sanctiewet 1977;

Besluit:

Artikel 1

  • 1 Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, artikel 3, eerste en vierde lid, artikel 4, artikel 4 bis, eerste lid, artikel 4 ter, artikel 4 quater, artikel 5, eerste lid, artikel 8, eerste lid, artikel 9, artikel 10 bis, eerste lid, artikel 10 ter, artikel 10 quinquies, eerste lid, artikel 10 sexties, artikel 11, eerste lid, artikel 13, eerste lid, artikel 14 bis, eerste lid, artikel 15, eerste lid, artikel 15 bis, eerste lid, artikel 15 ter, eerste lid, artikel 16, artikel 17, eerste, tweede en vierde lid, artikel 18, eerst lid, artikel 22, artikel 23, eerste tot en met vierde lid, artikel 29, eerste lid, tweede volzin, artikel 30, eerste, derde, vijfde en zesde lid, artikel 30 bis, eerste en derde lid, artikel 30 ter, tweede lid, artikel 31, eerste lid, artikel 33, eerste en tweede lid, artikel 34, artikel 35, eerste en vierde lid, artikel 36, eerste en tweede lid, artikel 37, eerste, tweede en derde lid, artikel 37 bis, artikel 37 ter, eerste lid, artikel 40, eerste lid, en artikel 41 van Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van de Europese Unie van 23 maart 2012 (Pb L 88).

  • 2 Het verbod als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in gevallen waarin artikel 3, tweede lid, artikel 5, tweede lid, artikel 6, artikel 7, eerste lid, artikel 10, eerste of tweede lid, artikel 10 quater, eerste of tweede lid, artikel 10 septies, artikel 12, eerste of tweede lid, artikel 14, eerste of tweede lid, artikel 14 bis, tweede lid, artikel 15 bis, derde lid, artikel 15 ter, tweede lid, artikel 15 quater, artikel 19, eerste lid, artikel 20, artikel 21, artikel 23, zevende lid, artikel 24 tot en met artikel 28 bis, artikel 29, tweede lid, artikel 30, tweede lid, artikel 30 ter, eerste of derde lid, artikel 35, tweede of derde lid, artikel 37 ter, tweede lid, artikel 39, of artikel 43 bis, eerste of tweede lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012 van toepassing is.

Artikel 2

  • 1 Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1 bis, artikel 1 ter, eerste lid, artikel 1 quater, eerste lid, artikel 2 en artikel 9, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 359/2011 van de Raad van de Europese Unie van 12 april 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen, in verband met de situatie in Iran (Pb L 100).

  • 2 Een verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, artikel 7 of artikel 7 bis, eerste of tweede lid, van Verordening (EU) nr. 359/2011 van toepassing is.

Artikel 2a

  • 1 Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste en tweede lid, artikel 2 bis, eerste lid, artikel 3, artikel 3 septies, tweede lid, artikel 5, eerste lid, en artikel 12, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2023/1529 van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2023 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de militaire steun van Iran aan de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne (PbEU 2023, L 186).

  • 2 Een verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien artikel 2, derde lid, vierde of zevende lid, artikel 2 bis, derde lid, artikel 3 bis, artikel 3 ter, artikel 3 quater, artikel 3 quater bis, eerste of tweede lid, artikel 3 quinquies, artikel 3 sexies, eerste en tweede lid, of artikel 3 septies, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2023/1529 van toepassing is.

Artikel 3

  • 1 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, tweede, vijfde en zesde lid, artikel 7, eerste lid, artikel 10, eerste en tweede lid, artikel 37, derde lid, en artikel 37 ter, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

  • 2 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 5, tweede en derde lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking of de Minister van Financiën, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken.

  • 2a De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 12, eerste lid, en artikel 14, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Economische Zaken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 43 bis, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Klimaat en Groene Groei.

  • 2b De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 18, eerste en tweede lid, artikel 20 en artikel 21 van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Financiën of de Minister van Economische Zaken, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken.

  • 2c De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 19, eerste lid, en artikel 39 van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Financiën, de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Zaken of de Minister of de Minister van Economische Zaken, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken.

  • 3 De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 24 tot en met 28 bis, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking wat betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen en de Minister van Financiën wat betreft de vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 29, eerste lid, artikel 30, derde en vijfde lid, artikel 30 bis, eerste en derde lid, artikel 30 ter, eerste en derde lid, en artikel 31, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Financiën. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 30, zesde lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Financial Intelligence Unit – Nederland.

  • 4 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 29 van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister van Financiën.

  • 5 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 37, derde lid, van Verordening (EU) nr. 267/2012, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking of de inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onder c, van de Algemene Douanewet, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken.

  • 7 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 1 bis, tweede lid, en artikel 1 ter, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 359/2011, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, en de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 1 quater, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 359/2011, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking of de inspecteur, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onder c, van de Algemene Douanewet, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken.

  • 8 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6, tweede lid, en artikel 7 van Verordening (EU) nr. 359/2011 is, wat betreft de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden de Minister van Financiën.

  • 9 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, en artikel 7 van Verordening (EU) nr. 359/2011 is, wat betreft de beschikbaarstelling van economische middelen de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

  • 10 De bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 7 bis, tweede en derde lid, en artikel 9, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 359/2011 zijn, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekt:

    • de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

    • de Minister van Financiën.

  • 11 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2, derde, vierde en vijfde lid, artikel 3 bis, artikel 3 ter, artikel 3 quater, artikel 3 sexies, tweede en derde lid, en artikel 5, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2023/1529, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor zover het betreft een goederentransactie, een transactie met betrekking tot technische bijstand of tussenhandeldiensten, informatie of kennisgevingen over deze onderwerpen.

  • 12a De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 quater bis, eerste lid, is de Minister van Financiën of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 quater bis, tweede lid, is de Minister van Financiën of de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3 septies, tweede lid, is, elk voor het gebied waartoe hun competenties zich uitstrekken, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp of de Minister van Financiën.

  • 13 De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2023/1529, is de Minister van Financiën voor zover het betreft tegoeden, de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor zover het betreft vastgoed, inclusief bedrijfspanden, de Minister van Economische Zaken en Klimaat voor zover het betreft niet-beursgenoteerde ondernemingen, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor zover het betreft kunst- en cultuurobjecten en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor zover het betreft vaar- en luchtvaartuigen.

Artikel 5

  • 1 Het is verboden om gespecialiseerde kennis die rechtstreeks of middellijk bijdraagt of kan bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Iran of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens in Iran aan te bieden aan personen die niet beschikken over een ontheffing van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor zover het betreft onderwijs en onderzoek aan een rechtspersoon die een in de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek opgenomen instelling of academisch ziekenhuis in stand houdt of is.

  • 3 In de bij deze regeling behorende bijlage wordt vermeld op welke gebieden van onderwijs en onderzoek het verbod, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft.

  • 4 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verleent de gevraagde ontheffing tenzij hij het risico onaanvaardbaar groot acht dat het aanbieden van de bedoelde kennis aan de persoon voor wie de ontheffing is gevraagd, zal bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Iran of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens in Iran.

  • 5 De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de Algemene verordening gegevensbescherming ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid.

  • 6 Voor zover deze noodzakelijk zijn voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, kunnen bijzondere persoonsgegevens worden verwerkt.

Artikel 5a

Een rechtspersoon die een in de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek opgenomen instelling of academisch ziekenhuis in stand houdt of is, verstrekt de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen over wijzigingen in het door de instelling verzorgde onderwijs en onderzoek die van belang kunnen zijn voor de toepassing van artikel 5.

Artikel 7

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal

Bijlage als bedoeld in artikel 5, derde lid

  • geavanceerde natuurkunde

  • geavanceerde computersimulatie en aanverwante computerwetenschappen

  • geospatiale navigatie

  • nucleaire technologie

  • ruimtevaarttechnologie

  • luchtvaarttechnologie en aanverwante vakgebieden

  • geavanceerde materiaalwetenschap

  • geavanceerde chemische technologie

  • geavanceerde machinebouw

  • geavanceerde elektrotechniek

  • geavanceerde industriële techniek

  • mechanica (non-linear solid mechanics en applied mechanics and data analysis), precisietechniek (materiaalkunde, elektrotechniek) en dynamics based maintenance

  • experimenteel en theoretisch onderzoek naar materiaal

  • geavanceerde natuurkunde (vloeistofdynamica, trillingen, geluid).