Per 1 januari 2026 is een groot aantal regelingen gewijzigd. Mogelijk zijn deze wijzigingen nog niet doorgevoerd in de geconsolideerde tekst en ziet u nog een oude versie. Raadpleeg bij twijfel de bekendmaking.

Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting

Geraadpleegd op 10-01-2026.
Geldend van 01-01-2026 t/m heden.

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1. Reikwijdte en definities

Hoofdstuk II. Vrijstellingen

Artikel 6. Schenking voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep

  • 1 Een vrijstelling als bedoeld in artikel 33, onderdeel 5°, onder b, van de wet voor een schenking die is bestemd voor de betaling van kosten van een studie of de opleiding voor een beroep ten behoeve van dat kind, welke kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk, wordt niet verleend voor de aflossing van schulden die zijn aangegaan voor de financiering van een dergelijke studie of opleiding en wordt voorts slechts verleend indien:

    • a. de schenking is aangegaan bij notariële akte waarin is vermeld voor de betaling van welke studie of opleiding de schenking is bedoeld alsmede het bedrag van de verwachte kosten van die studie of opleiding;

    • b. de schenking is gedaan onder de ontbindende voorwaarde dat de schenking vervalt voor zover het geschonken bedrag niet binnen twee kalenderjaren na het jaar waarin de schenking is gedaan aan de studie of opleiding is besteed, en

    • c. desgevraagd met schriftelijke bescheiden wordt aangetoond dat het bedrag van de schenking daadwerkelijk door de schenker is betaald en, binnen de in onderdeel b bedoelde termijn, door de begunstigde is aangewend voor de in de in onderdeel a bedoelde akte vermelde studie of opleiding.

  • 2 Voor de toepassing van artikel 33, onderdeel 5°, onder b, van de wet worden kosten voor een studie of de opleiding voor een beroep aangemerkt als aanzienlijk hoger dan gebruikelijk indien deze, exclusief kosten voor levensonderhoud, ten minste € 20 000 per jaar bedragen.

Hoofdstuk III. Bedrijfsopvolging

Artikel 7. Hetgeen tot een objectieve onderneming wordt gerekend

  • 1 Onder een objectieve onderneming als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de wet worden mede begrepen:

    • a. buitenvennootschappelijk gehouden ondernemingsvermogen, mits dit vermogen bestaat uit onroerende zaken; en

    • b. rechtstreeks met die onroerende zaken samenhangende schulden.

  • 2 Tot een objectieve onderneming als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de wet die toebehoort aan een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld, worden mede gerekend:

    • a. onroerende zaken die op de voet van artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ter beschikking zijn gesteld aan de vennootschap en dienstbaar zijn aan de onderneming van de vennootschap; en

    • b. rechtstreeks met die onroerende zaken samenhangende schulden.

  • 3 Indien ingevolge artikel 35c, vijfde lid, van de wet bezittingen en schulden van een lichaam voor een gedeelte worden toegerekend aan een ander lichaam, worden deze bezittingen en schulden voor de in artikel 35b, eerste lid, van de wet bedoelde bepaling van de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming, voor het geheel in aanmerking genomen voor zover zij ondernemingsvermogen vormen als bedoeld in artikel 35c van de wet.

  • 4 Indien de verkrijging aandelen betreft in een lichaam waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, op enig moment in het afgelopen jaar, onderscheidenlijk op enig moment in de afgelopen vijf jaren, indirect aandeelhouder was, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de situatie als ware de erflater, onderscheidenlijk de schenker, nog steeds indirect aandeelhouder. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing in een situatie waarin de verkrijging aandelen betreft in een lichaam dat is ontstaan bij een juridische splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 8. In het kader van een bedrijfsoverdracht uitgegeven preferente aandelen

  • 2 Aan het gestelde in artikel 35c, vierde lid, onderdeel a, van de wet wordt ook geacht te zijn voldaan indien de daar bedoelde preferente aandelen krachtens erfrecht of schenking worden verkregen van een rechtsopvolger krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht van degene die de aandelen heeft omgezet als bedoeld in genoemd onderdeel.

  • 3 Indirect gehouden preferente aandelen zijn uitgegeven in het kader van een bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 35c, vijfde lid, laatste volzin, van de wet indien:

    • a. de preferente aandelen een omzetting vormen van een eerder door de erflater of schenker gehouden indirect belang van gewone aandelen als bedoeld in artikel 35c, vijfde lid, onderdelen a en b, van de wet;

    • b. de omzetting in preferente aandelen gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander;

    • c. ten tijde van de omzetting in preferente aandelen de vennootschap waarop de omgezette aandelen betrekking hadden een onderneming dreef als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel a, van de wet, of een medegerechtigdheid hield als bedoeld in artikel 35c, het eerste lid, onderdeel b, van de wet, en

    • d. de verkrijger van de indirect gehouden preferente aandelen reeds voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal direct of indirect aandeelhouder is van gewone aandelen als bedoeld in onderdeel b.

    Voor de toepassing van dit lid wordt onder een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen als bedoeld in de eerste volzin ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting 2001, een juridische splitsing als bedoeld in artikel 3.56 van die wet of een juridische fusie als bedoeld in artikel 3.57 van die wet. Voorts wordt daaronder ook begrepen een uitgifte van preferente aandelen in het kader van een bedrijfsfusie als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

  • 4 Indien preferente aandelen zijn ontstaan in het kader van een gefaseerde bedrijfsoverdracht als bedoeld in artikel 35c, vierde of vijfde lid, van de wet, dan behouden deze aandelen het karakter dat zij in aanmerking worden genomen voor de toepassing van artikel 35c, eerste lid, onderdeel c, van de wet voor zover de houder van deze preferente aandelen ook houder is van de gewone aandelen die bij het ontstaan van de preferente aandelen zijn toegekend aan de bedrijfsopvolger.

  • 5 Voor de bepaling of de verkrijger van de preferente aandelen voldoet aan de voorwaarde van artikel 35c, vierde lid, onderdeel d, van de wet worden de preferente aandelen niet gerekend tot het geplaatste kapitaal. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing voor de toepassing van het derde lid, eerste volzin, onderdeel d.

Artikel 9. Bezitsperiode

  • 1 Aan de periodes, bedoeld in artikel 35d van de wet, is mede voldaan:

    • a. ingeval de erflater of schenker een onderneming drijft die eerder werd gedreven door een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: indien de periode waarin de onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, wordt gedreven en de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, aandeelhouder was van bedoelde naamloze of besloten vennootschap tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;

    • b. ingeval de erflater of schenker aanmerkelijkbelanghouder is en het aanmerkelijk belang betrekking heeft op een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die een onderneming drijft die eerder voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven: indien de periode van het zijn van aanmerkelijkbelanghouder en de periode waarin de onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;

    • c. ingeval de erflater of schenker medegerechtigde is als bedoeld in artikel 35d, eerste lid, onderdeel b, van de wet en die medegerechtigdheid betrekking heeft op een onderneming die direct voorafgaand aan het tijdstip waarop de erflater, onderscheidenlijk de schenker, medegerechtigde werd voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven: indien de periode waarin de onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, werd gedreven ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet zoals dat artikel luidde op het moment van het worden van medegerechtigde vormde, waarbij die periode wordt berekend als ware het moment van overlijden, onderscheidenlijk schenken, het moment waarop de erflater, onderscheidenlijk de schenker, medegerechtigde werd;

    • d. ingeval de erflater of schenker direct of indirect een aanmerkelijk belang houdt in een lichaam dat in het kader van een aandelenfusie aandelen of winstbewijzen heeft verkregen, dat in het kader van een bedrijfsfusie bezittingen en schulden heeft verkregen of dat in het kader van een juridische fusie of juridische splitsing vermogen onder algemene titel heeft verkregen: indien de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, na die fusie of splitsing dat aanmerkelijk belang houdt en de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, voor die fusie of splitsing direct of indirect een aanmerkelijk belang hield in het lichaam waarin het verkrijgende lichaam in het kader van die aandelenfusie aandelen of winstbewijzen heeft verkregen, waarvan in het kader van die bedrijfsfusie bezittingen en schulden zijn verkregen, onderscheidenlijk waarvan in het kader van die juridische fusie of juridische splitsing vermogen onder algemene titel is verkregen, tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt, mits genoemde aanmerkelijk belangen via dezelfde soort vermogensbestanddelen werden gehouden;

    • e. ingeval de erflater of schenker indirect een aanmerkelijk belang houdt in een lichaam dat eerder is gekocht van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, of van een lichaam waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, direct of indirect een aanmerkelijk belang hield: indien de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, het indirecte aanmerkelijk belang in het gekochte lichaam houdt en de periode waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, voor de koop direct of indirect een aanmerkelijk belang in dat lichaam hield tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;

    • f. ingeval de erflater of schenker gedurende de periode, bedoeld in artikel 35d van de wet, aanmerkelijkbelanghouder is van aandelen of winstbewijzen en het lichaam waarop die vermogensbestanddelen betrekking hebben in die periode dezelfde soort vermogensbestanddelen aan de erflater, onderscheidenlijk de schenker, uitgaf: ten aanzien van de uitgegeven vermogensbestanddelen;

    • g. ingeval de erflater of schenker aanmerkelijkbelanghouder is van preferente aandelen als bedoeld in artikel 35c, vierde lid, van de wet: indien de erflater, onderscheidenlijk de schenker, direct voorafgaand aan de omzetting, bedoeld in dat lid, de omgezette gewone aandelen ten minste hield gedurende de aaneengesloten periode, bedoeld in artikel 35d van de wet, waarbij die periode berekend wordt als ware het moment van overlijden, onderscheidenlijk van schenken, het moment van die omzetting;

    • h. ingeval de erflater of schenker resultaat uit een werkzaamheid geniet met betrekking tot een onroerende zaak en de onroerende zaak eerder deel uitmaakte van een voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, gedreven onderneming: indien de periode van het genieten van resultaat uit die werkzaamheid en de periode van ondernemerschap tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;

    • i. ingeval de erflater of schenker als gevolg van een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of een verdeling van de huwelijksgemeenschap binnen twee jaar na de ontbinding van die huwelijksgemeenschap een belang heeft verkregen via vermogensbestanddelen ten aanzien waarvan de erflater, onderscheidenlijk de schenker, aanmerkelijkbelanghouder is of via een onroerende zaak ten aanzien waarvan de erflater, onderscheidenlijk de schenker, resultaat uit een werkzaamheid geniet: indien de periode dat de erflater, onderscheidenlijk de schenker, na die overgang, onderscheidenlijk die verdeling, ten aanzien van dat ondernemingsvermogen aanmerkelijkbelanghouder is of resultaat uit een werkzaamheid geniet en de periode waarin de echtgenoot, onderscheidenlijk de voormalige echtgenoot, van de erflater, onderscheidenlijk de schenker, ten aanzien van dat ondernemingsvermogen aanmerkelijkbelanghouder was, onderscheidenlijk resultaat uit een werkzaamheid genoot, tezamen ten minste een aaneengesloten periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt;

    • j. ingeval ondernemingsvermogen door toepassing van artikel 12 van de wet geacht wordt krachtens erfrecht door overlijden van de erflater te zijn verkregen: indien de erflater op het moment van schenking voldoet aan de voor de erflater geldende periode, bedoeld in artikel 35d van de wet.

  • 2 Ingeval de erflater of schenker of het lichaam waarin de erflater, onderscheidenlijk de schenker, een aanmerkelijk belang heeft, in geval van overheidsingrijpen als bedoeld in artikel 3.54, twaalfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 ophoudt winst te genieten uit een onderneming en de waarde van de tot die onderneming behorende vermogensbestanddelen of de waarde van de in het kader van dat overheidsingrijpen verkregen vergoeding voor zover deze vergoeding niet in de waarde van de tot die onderneming behorende vermogensbestanddelen is begrepen binnen de termijn, bedoeld in artikel 3.54, vijfde lid, van die wet, geheel of gedeeltelijk wordt geherinvesteerd in een onderneming waaruit de erflater, de schenker, onderscheidenlijk dat lichaam, winst geniet, wordt aan de periode, bedoeld in artikel 35d, van de wet, mede voldaan indien de periode waarin eerstgenoemde onderneming voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk van de schenker, onderscheidenlijk door dat lichaam, wordt gedreven en de periode na herinvestering in een andere onderneming die voor rekening van de erflater, onderscheidenlijk van de schenker, onderscheidenlijk door dat lichaam, wordt gedreven tezamen ten minste een periode als bedoeld in artikel 35d van de wet vormt.

  • 3 Indien de waarde van de onderneming direct na het moment van de laatste herinvestering hoger is dan de waarde van de totale herinvestering, is het tweede lid uitsluitend op een deel van de waarde van de onderneming van toepassing. Dit deel wordt berekend door de waarde van de onderneming op het moment dat het tweede lid wordt toegepast te vermenigvuldigen met het quotiënt van het bedrag of de waarde van de totale herinvestering en de waarde van de onderneming direct na het moment van de laatste herinvestering.

  • 4 Met betrekking tot ondernemingsvermogen dat de erflater krachtens erfrecht of schenking heeft verkregen en waarop hoofdstuk IIIA van de wet ten aanzien van de erflater van toepassing is geweest of toegepast had kunnen worden, wordt de erflater steeds geacht te voldoen aan de voorwaarde van de periode, bedoeld in artikel 35d van de wet.

  • 5 Bij verkrijging door vervulling van een opschortende voorwaarde die aansluit bij een ontbindende voorwaarde ten aanzien van een eerdere verkrijging door een bezwaarde, kan voor de toepassing van artikel 35d van de wet die bezwaarde als erflater of schenker worden aangemerkt.

  • 6 Het slot van artikel 35d, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op de toename van het belang, bedoeld in dat slot, van de erflater of schenker die voortvloeit uit een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht als bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, voor zover het belang van de echtgenoot tussen de start van de periode, bedoeld in artikel 35d van de wet, en die overgang niet is toegenomen.

  • 7 Het slot van artikel 35d, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op de toename van het belang, bedoeld in dat slot, van de erflater of schenker die voortvloeit uit een verdeling van een huwelijksgemeenschap binnen twee jaar na de ontbinding van die huwelijksgemeenschap, voor zover het belang dat direct voorafgaand aan die verdeling tot de onverdeelde huwelijksgemeenschap behoorde tussen de start van de periode, bedoeld in artikel 35d van de wet, en die verdeling niet is toegenomen.

    De eerste zin vindt geen toepassing indien de overgang krachtens huwelijksvermogensrecht plaatsvond binnen de periode, bedoeld in artikel 35d van de wet, behalve voor zover het belang wordt toegedeeld aan degene van wiens zijde het belang in de huwelijksgemeenschap is gevallen.

  • 8 Het slot van artikel 35d, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op de toename van het belang, bedoeld in dat slot, van de erflater door de verkrijging van het ondernemingsvermogen, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 10. Voortzettingsperiode

  • 1 Op verzoek van de verkrijger wordt een gebeurtenis niet als een gebeurtenis als bedoeld in artikel 35e, eerste lid, onderdelen a en c, onder 1° en 3°, van de wet aangemerkt voor zover door die gebeurtenis het belang van de verkrijger in de oorspronkelijk verkregen onderneming niet afneemt, mits:

    • a. die onderneming wordt voortgezet;

    • b. die gebeurtenis niet plaatsvindt onder een last of tegen een tegenprestatie aan de verkrijger anders dan de uitgifte van vermogensbestanddelen van dezelfde soort als de verkregen vermogensbestanddelen; en

    • c. die gebeurtenis er niet toe leidt dat de verkrijger als medegerechtigde winst gaat genieten uit die onderneming.

  • 2 Op verzoek van de verkrijger wordt niet als een gebeurtenis als bedoeld in artikel 35e, eerste lid, van de wet aangemerkt:

    • a. het in geval van overheidsingrijpen als bedoeld in artikel 3.54, twaalfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 door de verkrijger ophouden winst te genieten uit de oorspronkelijk verkregen onderneming of door het lichaam waarvan hij de vermogensbestanddelen heeft verkregen ophouden de oorspronkelijk verkregen onderneming te drijven, voor zover de waarde van de tot die onderneming behorende vermogensbestanddelen en de waarde van de in het kader van dat overheidsingrijpen verkregen vergoeding voor zover deze vergoeding niet in de waarde van de tot die onderneming behorende vermogensbestanddelen is begrepen binnen de termijn, bedoeld in artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt geherinvesteerd in een onderneming waaruit die verkrijger, onderscheidenlijk dat lichaam, winst geniet;

    • b. het door een lichaam uitgeven van vermogensbestanddelen van dezelfde soort als de verkregen vermogensbestanddelen, voor zover het door de verkrijger verkregen belang in de door dat lichaam gedreven onderneming niet afneemt;

    • c. de vervreemding van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, van de wet voor zover:

      • 1°. de verkrijger de bij de vervreemding verkregen middelen binnen zes maanden na die vervreemding gebruikt voor de verwerving van een andere onroerende zaak en deze ter beschikking stelt aan dezelfde vennootschap en deze wordt gebruikt binnen de onderneming, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, van de wet; of

      • 2°. de vervreemding plaatsvindt door een inbreng tegen vermogensbestanddelen in het lichaam waarvan de verkrijger vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, van de wet heeft verkregen, mits de onroerende zaak na die vervreemding wordt gebruikt binnen de onderneming, bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, van de wet.

  • 3 Indien tot de verkrijging een onroerende zaak behoort als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, onderdeel d, van de wet en als gevolg van een gebeurtenis het ter beschikking stellen van dat vermogensbestanddeel eindigt of wijzigt, is op verzoek geen sprake van een gebeurtenis als bedoeld in artikel 35e, eerste lid, van de wet voor zover de onroerende zaak in de nieuw ontstane situatie binnen de oorspronkelijk verkregen onderneming wordt gebruikt, onderscheidenlijk het ter beschikking stellen aan die onderneming wordt voortgezet.

  • 4 Na toepassing van het eerste, tweede of derde lid vindt voor de resterende duur van de voortzettingsperiode artikel 35e van de wet volledig toepassing op de alsdan ontstane situatie en wordt voor de toepassing van artikel 35c, vijfde lid, van de wet de verkrijger aangemerkt als erflater of schenker. Indien het tweede lid, onderdeel a, toepassing heeft gevonden, wordt de voortzettingsperiode geschorst gedurende de periode dat nog niet is geherinvesteerd.

  • 5 De inspecteur beslist op het verzoek, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.

  • 6 Een gebeurtenis is geen gebeurtenis als bedoeld in artikel 35e, eerste lid, van de wet indien deze zich voordoet ten gevolge van het overlijden van de verkrijger of als gevolg van de verdeling van de huwelijksgemeenschap of de nalatenschap van deze verkrijger binnen twee jaar na zijn overlijden. Voor de toepassing van artikel 35e van de wet wordt of worden voor de resterende duur van de voortzettingsperiode de verwachter, onderscheidenlijk de rechtsopvolgers, krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht van de verkrijger, geacht in de plaats te treden van de oorspronkelijke verkrijger.

  • 7 Van een gebeurtenis als bedoeld in artikel 35e, eerste lid, van de wet is evenmin sprake indien deze zich voordoet als gevolg van een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht. Voor de toepassing van artikel 35e, eerste lid, van de wet wordt in dat geval voor de resterende duur van de voortzettingsperiode de rechtsopvolger krachtens huwelijksvermogensrecht geacht in de plaats te treden van de oorspronkelijke verkrijger. Van een gebeurtenis als bedoeld in artikel 35e, eerste lid, van de wet is evenmin sprake indien gedurende de resterende duur van de voortzettingsperiode de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden en binnen twee jaar na de ontbinding wordt verdeeld waarbij het ondernemingsvermogen, bedoeld in hoofdstuk IIIA van de wet, wordt toegedeeld aan de oorspronkelijke verkrijger. Voor de toepassing van artikel 35e, eerste lid, van de wet treedt de oorspronkelijke verkrijger in dat geval voor de resterende duur van de voortzettingsperiode in de plaats van de rechtsopvolger krachtens huwelijksvermogensrecht.

  • 8 Indien binnen de voortzettingsperiode door de verkrijger een door toepassing van artikel 35c, dertiende lid, van de wet met een aandeel of winstbewijs gelijkgestelde koopoptie wordt uitgeoefend, treden de daardoor verworven aandelen of winstbewijzen voor de resterende duur van de voortzettingsperiode in de plaats van die koopoptie.

Hoofdstuk IV. Bijzondere bepalingen

Artikel 11. Uitbreiding aangifteplicht

De in artikel 73 van de wet bedoelde aangifte wordt ingediend bij de inspecteur en houdt in:

  • a. de naam, voornamen, laatste woonplaats en de dagtekening van het overlijden van de erflater;

  • b. een omschrijving van de goederen of bewijsstukken, de rechtsverhouding krachtens welke de aangever deze onder zich heeft, en de aanwijzing van hun bestemming.

Artikel 12. Opgave verzekeraar en uitvoerder derdebeding

[Vervallen per 01-01-2015]

Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 13. Intrekking Uitvoeringsregeling Successiewet 1956

  • 2 De Uitvoeringsregeling Successiewet 1956 blijft van toepassing op belastbare feiten in de zin van de wet, zoals die op 31 december 2009 luidde, die zich hebben voorgedaan voor 1 januari 2010.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Staatssecretaris

van Financiën,

J.C. de Jager