Regeling hoofdspoorweginfrastructuur

Geldend van 01-11-2005 t/m 31-03-2012

Regeling houdende vaststelling van eisen ten aanzien van inrichting, uitrusting en technische eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur en het onderhoud daarvan (Regeling hoofdspoorweginfrastructuur)

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. besluit: Besluit spoorweginfrastructuur;

  • b. actief beveiligde overweg: overweg die voorzien is van een treinaankondigingsinstallatie;

  • c. bewaakte overweg: actief-beveiligde overweg waarbij de toeleidende seinen pas uit de stand ‘stop’ kunnen komen als de overwegbomen gesloten zijn.

  • d. BS-hoogte: referentiemaat voor hoogteligging ten opzichte van de bovenkant van de spoorstaaf;

  • e. EN: Europese norm;

  • f. EIRENE: norm van de European Integrated Railway radio Enhanced Network;

  • g. NEN-EN: door het Nederlandse Norminstituut overgenomen Europese EN-norm;

  • h. niet-actief beveiligde overweg: overweg voorzien van Andreaskruisen;

  • i. openbare overweg: overweg in een voor het openbaar verkeer openstaande weg;

  • j. UIC: norm van de Internationale Spoorwegunie.

§ 2. Algemene kenmerken

Artikel 2

  • 1 De spoorbaan voldoet tenminste aan beladingsklasse C2 als bedoeld in UIC nr. 700.

  • 2 Om de functie ‘geleiden’ blijvend mogelijk te maken is de verhouding tussen de dwarskracht en de verticale kracht als bedoeld in UIC nr. 518 kleiner dan 0,8 overeenkomstig de volgende berekeningsmethode:

    Y

     

    —  <  0,8

     

    Q

     

    waarbij de dwarskracht Y is en de verticale kracht van de wiellast Q is.

Artikel 3

  • 1 De hoofdspoorweginfrastructuur voldoet aan het profiel van vrije ruimte ‘PVR-GC’, genoemd in UIC nr. 506, zoals opgenomen in de bijlagen 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7.

  • 2 Binnen het profiel van vrije ruimte bevinden zich geen vaste voorwerpen.

Artikel 4

  • 1 Het reizigersperron behorende tot de hoofdspoorweginfrastructuur voldoet aan de volgende eisen:

    • a. het perron ligt nominaal op 1700 mm, minimaal op 1650 mm en maximaal op 1735 mm vanaf het hart van het spoor;

    • b. het perron is gemarkeerd met een onderbroken witte lijn:

      • 1°. die is aangebracht op een afstand van 45 cm vanaf de perronrand,

      • 2°. waarvan elk deel 30 cm lang is en

      • 3°. die een breedte heeft van 15 cm.

    • c. het perron is voorzien van een geleidelijn:

      • 1°. die waarneembaar is voor blinden en slecht-zienden;

      • 2°. die aangebracht is op een afstand van minimaal 1,2 meter vanaf de perronrand;

      • 3°. die een breedte heeft van 60 cm.

    • d. op het perron zijn geen obstakels aangebracht binnen 2,25 m vanaf de rand van het perron.

    • e. de perronhoogte bedraagt 840 mm gemeten vanaf de bovenkant van de spoorstaaf;

    • f. de helling van het perron is niet groter dan 1:1000;

    • g. de horizontale boogstraal bij perrons is niet kleiner dan R=15000 m;

    • h. een verticale boog is bij perrons niet toegestaan.

  • 2 Er worden geen reizigersperrons aangebracht langs sporen waar een hogere passeersnelheid dan 160 km/u is toegestaan.

Artikel 5

Hoofdspoorweginfrastructuur is buiten overwegen voorzien van een afscherming waarvan de inrichting wordt vormgegeven op basis van een door de beheerder opgestelde locatiespecifieke risico-analyse.

§ 3. De spoorbaan

Artikel 6

  • 1 De nominale spoorwijdte is vastgesteld op 1435 mm, waarbij de spoorwijdte de afstand is tussen de binnenzijde van de spoorstaafkoppen, die wordt gemeten op een hoogte van 14 mm onder de spoorstaafkop.

  • 2 De spoorwijdte is minimaal 1430 mm en in sporen met een horizontale boogstraal met inbegrip van spoorverwijding niet meer dan 1450 mm.

Artikel 7

  • 1 De toegelaten slijtage van de wissels en de spoorstaafkop is opgenomen in bijlage 8.

  • 2 De wissels zijn geschikt voor wielen:

    • a. met wielbandprofiel S1002/RP2 als bedoeld in UIC nr. 510-2;

    • b. met een diameter groter of gelijk aan 730 mm.

  • 3 Bij wissels bedraagt:

    • a. de strijkmaat tussen de loopkant van de spoorstaaf en de strijkregel nominaal 1394 mm, met een minimum van 1390 mm en een maximum van 1399 mm;

    • b. de groef voor de wielflens nominaal 43 mm met een minimum van 41 mm en een maximum van 45 mm;

    • c. de hoogte van de strijkregel boven BS maximaal 55 mm.

Artikel 8

  • 1 Voor de hoofdspoorweginfrastructuur geldt dat:

    • a. de boogstraal van sporen niet kleiner is dan R=190 m bij een snelheid van ten hoogste 40 km/u;

    • b. de boogstraal van sporen niet kleiner is dan R=630 m bij een snelheid hoger dan 40 km/u;

    • c. de verkanting kleiner of gelijk is aan 150 mm;

    • d. het verkantingstekort bij snelheden tot 200 km/u kleiner of gelijk is aan 120 mm;

    • e. het verkantingsoverschot niet groter dan 70 mm op een goederenbaanvak en niet groter dan 90 mm op een reizigersbaanvak;

    • f. de kantelsnelheid niet groter is dan 28 mm/s;

    • g. de toename van het verkantingstekort niet groter is dan 25 mm/sec;

    • h. de scheluwte in een spoor zonder verkanting, gemeten over een lengte van 6 m, voldoet aan onderstaande maximale waarden in mm waarbij de toegelaten snelheid van het spoorvoertuig V is:

      • 1°. V ≤ 50 km/u: 20 mm;

      • 2°. V = 60 km/u: 18 mm;

      • 3°. V = 70 km/u: 16 mm;

      • 4°. V = 80 km/u: 14 mm;

      • 5°. V = 90 km/u: 12 mm;

      • 6°. V ≥ 100 km/u: 10 mm;

    • i. de scheluwte in een spoor met verkanting, gemeten over een lengte van 6 meter, voldoet aan onderstaande maximale waarden in mm, waarbij de toegelaten snelheid van het spoorvoertuig V is:

      • 1°. V ≤ 70 km/u: 16 mm;

      • 2°. V = 80 km/u: 14 mm;

      • 3°. V = 90 km/u: 12 mm;

      • 4°. V ≥ 100 km/u: 10 mm;

    • j. de beschikbare tijd voor stabilisatie van spoorvoertuigen na een richtingverandering ten minste 2 seconden is;

    • k. de verticale versnelling van spoorvoertuigen in bogen niet groter is dan 0,3 m/sec;

    • l. de helling niet groter is dan 1:200;

    • m. de helling van opstelsporen niet groter is dan 1:1000;

    • n. de verticale boogstraal van top- en dalbogen niet kleiner is dan R=2000 m;

    • o. bij heuvelen de verticale boogstraal van de topboog niet kleiner is dan R=250 m en de verticale boogstraal van de dalboog niet kleiner is dan R=300 m.

Artikel 9

De hoofdspoorweginfrastructuur is voorzien van een draadloos communicatiesysteem van het type ‘GSM-Rail’ dat voldoet aan EIRENE FRS versie 6.0 en EIRENE SRS versie 14.0.

§ 4. Overwegen

Artikel 10

  • 1 Behoudens hoofdspoorwegen waarover minder dan eenmaal per week een spoorvoertuig rijdt, zijn openbare niet-actief beveiligde overwegen voorzien van:

    • a. ten minste aan de rechterzijde van de weg geplaatste Andreaskruisen volgens model J12 of J13 van bijlage 1, van het RVV 1990;

    • b. aan weerszijden van de weg geplaatste schrikhekken.

Artikel 11

  • 1 Openbare actief beveiligde overwegen zijn naast de in artikel 10 genoemde inrichting, tevens voorzien van:

    • a. een tenminste aan de rechterzijde van de weg geplaatst knipperend rood of wit licht;

    • b. bellen;

    • c. aan weerszijden van de weg geplaatste informatieborden.

  • 2 De in het eerste lid genoemde overwegen kunnen tevens voorzien zijn van overwegbomen, waarvan de werking en inrichting zodanig is dat weggebruikers de overweg op een veilige manier kunnen verlaten of zich veilig kunnen opstellen.

  • 3 De in het tweede lid genoemde overwegbomen zijn:

    • a. ter hoogte van de rijbaan voorzien van verlichting en reflectiemateriaal;

    • b. ter hoogte van brom-/fietspaden en voetpaden voorzien van reflectiemateriaal.

Artikel 12

  • 1 Openbare bewaakte overwegen zijn naast de in artikel 10 genoemde inrichting tevens voorzien van:

    • a. een ten minste aan de rechterzijde van de weg geplaatst knipperend rood licht;

    • b. overwegbomen die de overweg voor het wegverkeer afsluiten met daaraan gemonteerd hangwerk die het betreden van de overweg onmogelijk maakt;

  • 2 In de inrichting van de in het eerste lid genoemde overwegen is een technische schakeling aanwezig waardoor het sein, dat het rijden over de overweg toestaat, niet eerder kan worden bediend dan nadat de overwegbomen zijn gesloten.

§ 5. Veiligheids- en beschermingsinstallaties

Artikel 13

  • 1 Hoofdspoorweginfrastructuur is voorzien van een installatie, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, die waarborgt dat sprake is van van elkaar gescheiden rijwegen van spoorvoertuigen.

  • 2 De veilige berijdbaarheid van die rijwegen wordt aan de bestuurder van een trein kenbaar gemaakt door middel van seinen of signalen in de cabine.

  • 3 Indien hoofdspoorweginfrastructuur niet is voorzien van een installatie als bedoeld in het eerste lid, wordt de veilige berijdbaarheid, bedoeld in het tweede lid, kenbaar gemaakt door middel van een spreekverbinding tussen de bestuurder van de trein en de treindienstleider of treindienstleider niet centraal bediend gebied.

Artikel 14

  • 1 De hoofdspoorweginfrastructuur is voorzien van baanapparatuur van het treinbeïnvloedingssysteem, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, die informatie doorgeeft aan spoorvoertuigen:

    • a. over de voor die spoorvoertuigen geldende seinbeelden;

    • b. die ten minste is ingedeeld in de volgende snelheidstrappen:

      • 1°. 40 km/u;

      • 2°. 60 km/u;

      • 3°. 80 km/u;

      • 4°. 130 km/u;

      • 5°. 140 km/u.

§ 6. Energievoorziening

Artikel 15

  • 1 Het ontwerp en de constructie van de bovenleiding voldoen aan NEN-EN nr. 50119.

  • 2 Het raakvlak van de bovenleiding met de stroomafnemers voldoet aan NEN-EN nr. 50367: 2004.

  • 3 Fasescheidingen en systeemscheidingen voldoen aan NEN-EN nr. 50367: 2004.

Artikel 16

De beschermende maatregelen van de bovenleiding en de tractie-installaties met betrekking tot elektrische veiligheid voldoen aan NEN-EN nr. 50122-1.

Artikel 17

De vrije ruimte tussen bovenleiding en overwegbevloering, waarvan het niveau gelijk is aan de BS-hoogte bedraagt:

  • a. minimaal: 5,10 m bij 1500 V gelijkstroom of 5,20 m bij 3000 V of hoger;

  • b. nomimaal: 5,50 m.

Artikel 18

De minimale afstand tussen spanningsvoerende geleiders en een kunstwerk voldoet aan NEN-EN nr. 50119.

Artikel 20

  • 1 De bovenleiding is geschikt voor een maximale stroomafname bij stilstand overeenkomstig EN nr. 50367.

  • 2 De rijdraad van de bovenleiding is geschikt voor een maximale temperatuur bij stroomafname ter plaatse van de stroomafnemer van 150ºC.

  • 3 De maximale toelaatbare kortsluitstroom tussen bovenleiding en het spoorvoertuig voldoet aan EN nr. 50388.

  • 4 De bovenbouw is geschikt voor het transport van de retourstroom.

  • 5 De spoorweginfrastructuur is geschikt voor het terugleveren van energie aan het energienetwerk of aan andere gebruikers van de spoorweginfrastructuur.

§ 7. Emissie van immuniteit voor elektromagnetische velden

Artikel 21

  • 1 De emissie van elektromagnetische velden naar de omgeving voldoet aan NEN-EN nr. 50121, delen 1, 2, 4 en 5.

  • 2 De immuniteit van de hoofdspoorweginfrastructuur voor elektromagnetische velden van de spoorvoertuigen en van de omgeving voldoet aan NEN-EN nr. 50121, delen 1, 2, 4 en 5.

§ 8. Onderhoudseisen voor bestaande hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel 22

Hoofdspoorweginfrastructuur, die in overeenstemming met de daarvoor geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop artikel 6 van de Spoorwegwet in werking treedt, wordt gebruikt, voldoet ten aanzien van het onderhoud bij voortduring ten minste aan de volgende eisen:

§ 9. Uitzonderingsbepalingen

Artikel 23

Artikel 24

  • 2 De in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde ontheffingen gelden slechts voor de duur van de proefritten en de werkzaamheden.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, normbladen en fiches die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

De

Minister

van Verkeer en Waterstaat,

K.M.H. Peijs

Terug naar begin van de pagina