Artikel 1
Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:
A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen,
door:
-
2. Vermindering van de warmte- of koellast door:
-
2.1.A. Isolerende beglazing in buitengevel-, of dakconstructies voor:
bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: meervoudig glas dat gemeten is conform NEN-EN
673:2011 voor warmtereflecterend isolerend glas met een vacuüm of gasgevulde spouw,
met een warmtedoorlatingscoëfficiënt (Ug) van maximaal 0,7 W/m2K, (eventueel) kozijn, (eventueel) kierdichting. Het maximumbedrag dat voor energie-investeringsaftrek
in aanmerking komt, is € 400 /m2 glas.
-
2.1.B.
-
1. Isolerende beglazing met zonwering, en bestaande uit: meervoudig glas met een vacuüm
of gasgevulde spouw met een warmtedoorlatingscoëfficiënt (Ug) van maximaal 0,7 W/m2K gemeten conform NEN-EN 673:2011 gecombineerd met aan de buitenzijde geplaatste horizontale
lamelluifels per verdieping of gecombineerd met lamellen evenwijdig aan het kozijn
die minimaal 50% van het glasoppervlak beslaan of gecombineerd met bedienbare screens
die het glasoppervlak volledig bedekken evenwijdig aan het kozijn.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• het maximumbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt voor glas
gecombineerd met zonwering € 750/m2 glas bedraagt; en
-
• raamfolie en coating op bestaande beglazing niet voor de energie investeringsaftrek
in aanmerking komt.
-
2.1.C. Isolatie voor bestaande constructies:
-
2.1.D. Biobased isolatie voor bestaande constructies
-
1.
-
a. door verbetering van de isolatie van bestaande daken of plafonds van bedrijfsgebouwen,
anders dan koel- of vriesruimten, en bestaande uit: biobased milieuvriendelijk isolatiemateriaal,
waarbij de som van de warmteweerstand van de lagen R = Σ(Rm) = Σ(d/λ) toeneemt met
ten minste 2,00 m2 K/W ten opzichte van de oude situatie, waarbij de totale warmteweerstand van de lagen
R = Σ(Rm) = Σ(d/λ) ten minste 5,00 m2 K/W bedraagt, (eventueel) kierdichting. Het maximumbedrag dat voor energie-investeringsaftrek
in aanmerking komt is € 75/m2 te isoleren oppervlak; of
-
b. door verbetering van de isolatie en de warmtereflectie van bestaande daken van bedrijfsgebouwen,
anders dan koel- of vriesruimten, en bestaande uit: biobased milieuvriendelijk isolatiemateriaal
gecombineerd met witte dakbedekking, waarbij de som van de warmte- weerstand van de
lagen R = Σ(Rm) = Σ(d/λ) toeneemt met ten minste 2,00 m2 K/W ten opzichte van de oude situatie, waarbij de totale warmteweerstand van de lagen
R = Σ(Rm) = Σ(d/λ) ten minste 5,00 m2 K/W bedraagt, (eventueel) kierdichting. Het maximumbedrag dat voor energie-investeringsaftrek
in aanmerking komt bedraagt € 90/m2 te isoleren oppervlak; of
-
c. door verbetering van de isolatie van bestaande wanden van bedrijfsgebouwen, anders
dan koel- of vriesruimten, en bestaande uit biobased milieuvriendelijk isolatiemateriaal,
waarbij de som van de warmteweerstand van de lagen R = Σ(Rm) = Σ(d/λ) toeneemt met
ten minste 2,00 m2 K/W ten opzichte van de oude situatie, (eventueel) kierdichting. Het maximumbedrag
dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, is € 100/m2 te isoleren oppervlak; of
-
d. door verbetering van de isolatie van bestaande vloeren van bedrijfsgebouwen, anders
dan koel- of vriesruimten, en bestaande uit: biobased milieuvriendelijk isolatiemateriaal,
waarbij de totale warmteweerstand van de lagen R = Σ(Rm) = Σ(d/λ) ten minste 3,00 m2 K/W bedraagt na maatregelen, (eventueel) kierdichting. Het maximumbedrag dat voor
energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, is € 75/m2 te isoleren oppervlak;
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• spouwmuurisolatie niet in aanmerking komt; en
-
• onder biobased milieuvriendelijk isolatiemateriaal wordt verstaan: isolatiemateriaal
waarvan ten minste 70% van de massa bestaat uit biobased materiaal als bedoeld in
de EN16575:2014, genoemd in de environmental product declaration van de fabrikant
en met een maximale milieukostenindicator van 0,85, genoemd in de categorie 1-kaart
als bedoeld in de Nationale Milieudatabase van het betreffende product, bij een Rd-waarde
van 3,5 m2K/W;
-
2.1.E. Faseovergangsmaterialen voor het verminderen van het energieverbruik voor het koelen
of verwarmen van bedrijfsgebouwen, en bestaande uit: faseovergangsmaterialen met een
gedefinieerd overgangstraject en een capaciteit in het overgangstraject van minimaal
100 kJ/kg. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking
komt bedraagt € 10/kg faseovergangsmateriaal.
-
2.2.A. Beperking van ventilatie- of tochtverliezen.
-
3. Warmtehergebruik door:
-
3.1.A. Warmteterugwinning.
-
3.1.B.
-
3.1.C.
-
3.1.D. Koude- of warmteterugwinningssysteem uit ventilatielucht voor het koelen of verwarmen
van veestallen door het benutten van koude of warmte in de afzuiglucht, en bestaande
uit: luchtbehandelingskast met warmtewisselaar met een rendement van minimaal 78%
gemeten conform NEN-EN 13053:2019.
-
3.1.E
-
1. Luchtbehandelingskast voor het ontvochtigen, ventileren en verwarmen van zwembaden,
en bestaande uit: luchtbehandelingskast, voorzien een warmtewisselaar ten behoeve
van warmteterugwinning met een thermisch rendement (ηt) van minimaal 73%, een geïntegreerde warmtepomp, automatische regeling, (eventueel)
warmtewisselaar voor het verwarmen van zwembadwater (badwatercondensor).
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• de ketel en het luchtkanaalsysteem (kanalen, roosters, appendages, regelkleppen, brandkleppen,
toebehoren en het luchtzijdig inregelen) niet in aanmerking komen; en
-
• het rendement van de warmtewisselaar gemeten dient te worden onder nominale condities
conform NEN-EN 13053:2019; en
-
• het maximumbedrag voor niet geïntegreerde meet- en regeltechniek ten behoeve van de
luchtbehandelingskast dat in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek € 5.000
per luchtbehandelingskast bedraagt.
-
3.2.A
-
1. Systeem voor benutting van afvalwarmte voor het lokaal verwarmen van gebouwen, en
bestaande uit: afvalwarmtetransportleiding, warmtewisselaar bij de afvalwarmtebron,
(eventueel) warmtewisselaar tussen afvalwarmtetransportleiding en afgiftenet.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• afgiftenetten niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen; en
-
• systemen die gebruik maken van afvalwarmte afkomstig van koel- en vriesinstallaties
niet in aanmerking komen; en
-
• het systeem voor benutting van afvalwarmte voor tenminste 70% van de energie-inhoud
gebruik dient te maken van afvalwarmte of voor tenminste 70% van de energie-inhoud
gebruik te maken van afvalwarmte gecombineerd met duurzame warmte; en
-
• onder een afgiftenet wordt verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve
van warmte- of koudeafgifte binnen het gebouw van de eindverbruiker; en
-
• onder afvalwarmte wordt verstaan: warmte die in de bestaande situatie niet nuttig
wordt aangewend; en
-
• onder duurzame warmte wordt hier verstaan: warmte afkomstig van investeringen als
bedoeld in onderdeel D.
-
4. Efficiënte verlichting door:
-
4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
-
4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
-
4.2.B LED-belichtingssysteem voor podium- of theaterbelichting, en bestaande uit: Spot-
en/of floodlightarmaturen, DMX driver. De Power Factor van het belichtingssysteem
moet ten minste 0,90 bedragen.
-
4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
-
5.
B. Investeringen ten behoeve van energiebesparing bij processen
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing bij processen door:
-
1. De verbetering van de energie-efficiëntie door:
-
1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
-
1.1.B. Intelligent lokaal warmtedistributiesysteem waarmee vraag en aanbod van diverse gebruikers
en producenten op elkaar kunnen worden afgestemd, en bestaande uit: meet- en regelsysteem
in combinatie met software voor de real-time koppeling tussen producenten en gebruikers
binnen het energienetwerk.
-
1.1.C.
-
1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
-
1.2.B. Hoogrendement-elektromotor bestaande uit: elektromotor, aangesloten op het elektriciteitsnet,
met een vermogen van maximaal 1.000 kW die voldoet aan minimaal de IE5 efficiency-klasse
conform NEN-EN-IEC 60034-30-2:2021, (eventueel) elektronische toerenregeling, (eventueel)
geïntegreerde reductor (niet zijnde wormwielreductor).
-
1.2.C
-
1.2.D.
-
1. Mobiele compressed natural gas (CNG) hogedrukreiniger voor het reinigen van oppervlakken
met warm water onder hoge druk met een rendement van ten minste 93% op onderwaarde,
en bestaande uit: mobiele CNG hogedrukreiniger, (eventueel) accu.
-
1.2.E.
-
1. Decentraal koelsysteem (hydroloop) met een totaal koelvermogen van maximaal 50 kW
voor het koelen van producten in meubels en/of cellen tot maximaal + 16°C, en bestaande
uit: stekkerklare koelmeubels en/of gekoelde cellen, die onderling zijn verbonden
met een glycolnet en drycooler en waarbij:
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• het specifiek opgenomen vermogen van de drycooler de som van het totaal opgenomen
vermogen van de ventilatoren en pompen, gedeeld door het drycoolervermogen bij een
temperatuurverschil van maximaal 14 K tussen condensatietemperatuur en omgevingstemperatuur,
is; en
-
• de omgevingstemperatuur een drogeboltemperatuur van +30°C met een relatieve vochtigheid
van 50% is; en
-
• het maximale temperatuurverschil van 14 K tussen condensatie- en omgevingstemperatuur
geldt voor een buitenluchttemperatuur van +13°C en hoger; en
-
• een koel- en/of vriesinstallatie waarbij in het samenstel van voorzieningen een halogeenhoudend
koudemiddel wordt toegepast, niet in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek.
Onder samenstel van voorzieningen wordt verstaan: alle aanwezige middelen die onderling
met elkaar verbonden zijn voor het koelen en/of vriezen van ruimten of processen;
en
-
• het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt,
€ 3.000 per geïnstalleerde kW van het koel- en vriesvermogen van het decentraal koelsysteem
bedraagt; en
-
• het totale koelvermogen de som van alle afzonderlijke koelvermogens van de aangesloten
meubels en/of condensoreenheden binnen dezelfde inrichting is. Dit koelvermogen is
bepaald bij een condensatietemperatuur van +44°C, en een verdampingstemperatuur van
–10°C (voor koeltoepassingen) of een verdampingstemperatuur van –35°C (voor vriestoepassingen);
en
-
• onder inrichting wordt verstaan: een door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof
zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, die binnen een zekere begrenzing
pleegt te worden verricht. De activiteit moet fysiek kunnen worden begrensd. Bedrijvigheden
die op de openbare weg of op openbaar terrein worden verricht, worden doorgaans niet
als inrichting aangemerkt. Als er wel een fysieke begrenzing op openbaar terrein is
aangebracht, dan geldt als tweede eis dat er een exclusieve aanspraak op het gedeelte
van dat openbare terrein is voor die activiteiten.
-
1.2.F.
-
1.
-
a. Energiezuinige subkritische koel- en/of vriesinstallatie met een koelvermogen < 100 kW
voor het koelen en/of vriezen van ruimten of processen tot maximaal + 16°C, en bestaande
uit:
-
− ten minste één frequentiegeregelde of elektronisch toerengeregelde compressor;
-
− een luchtgekoelde, watergekoelde of verdampingscondensor, ontworpen op maximaal 10
K temperatuurverschil tussen condensatietemperatuur en omgevingstemperatuur, met een
specifiek opgenomen vermogen van de condensor van maximaal 21 W per kW condensorvermogen;
-
− een weersafhankelijke regeling van de condensatiedruk tot + 13°C buitenluchttemperatuur;
-
− een elektronische expansieregeling (bij een direct expansiesysteem);
-
− verdamper;
-
− (eventueel) warmteterugwinningssysteem;
-
− (eventueel) het koudenet met CO2 of NH3 als koudedrager; en
-
− (eventueel) adiabatische voorkoelblokken (pads) bij een luchtgekoelde condensor; of
-
b. Energiezuinige subkritische koel- en/of vriesinstallatie met een koelvermogen ≥ 100 kW
voor het koelen en/of vriezen van ruimten of processen tot maximaal + 16°C, en bestaande
uit:
-
− ten minste één frequentiegeregelde of elektronisch toerengeregelde compressor;
-
− een luchtgekoelde, watergekoelde of verdampingscondensor, ontworpen op maximaal 8
K temperatuurverschil tussen condensatietemperatuur en omgevingstemperatuur, met een
specifiek opgenomen vermogen van de condensor van maximaal 21 W per kW condensorvermogen;
-
− een weersafhankelijke regeling van de condensatiedruk tot + 13°C buitenluchttemperatuur;
-
− een elektronische expansieregeling (bij een direct expansiesysteem);
-
− verdamper;
-
− bij cascadesystemen een warmtewisselaar ontworpen op maximaal 3 K temperatuurverschil
tussen verdampingstemperatuur en condensatietemperatuur van de twee koudemiddelen;
-
− bij systemen met een koudedrager een warmtewisselaar ontworpen op maximaal 3 K temperatuurverschil
tussen verdampingstemperatuur en de uitgaande temperatuur van de koudedrager;
-
− warmteterugwinningssysteem waarbij de warmte wordt gebruikt buiten de grenzen van
de koel- en/of vriesinstallatie;
-
− (eventueel) het koudenet met CO2 of NH3 als koudedrager; en
-
− (eventueel) adiabatische voorkoelblokken (pads) bij een luchtgekoelde condensor.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• koel- en/of vriestunnels en koel- en/of vriescellen niet voor energie-investeringsaftrek
in aanmerking komen;
-
• het specifiek opgenomen vermogen van de condensor de som is van het totaal opgenomen
vermogen van de ventilatoren en/of pompen, gedeeld door het condensorvermogen bij
het voorgeschreven temperatuurverschil tussen condensatietemperatuur en omgevingstemperatuur;
-
• een koel- en/of vriesinstallatie op basis van een halogeenvrij koudemiddel voor energie-investeringsaftrek
in aanmerking komt;
-
• een koel- en/of vriesinstallatie waarbij in het samenstel van voorzieningen een halogeenhoudend
koudemiddel wordt toegepast, niet in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek.
Onder samenstel van voorzieningen wordt verstaan: alle aanwezige middelen die onderling
met elkaar verbonden zijn voor het koelen en/of vriezen van ruimten of processen;
-
• de omgevingstemperatuur bij de luchtgekoelde condensor een drogeboltemperatuur van
+ 30°C met een relatieve vochtigheid van 50% is, bij de verdampingscondensor dat een
natteboltemperatuur van + 22°C is. Indien niet met de buitenlucht wordt gekoeld is
de omgevingstemperatuur de (oppervlakte)-wateraanvoertemperatuur;
-
• het maximale voorgeschreven temperatuurverschil tussen condensatie- en omgevingstemperatuur
geldt voor een buitenluchttemperatuur van + 13°C en hoger; en
-
• het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt,
€ 2.000 per geïnstalleerde kW van het koel- of vriesvermogen van de compressoren bij
de in deze omschrijving genoemde condities, bedraagt.
-
1.2G.
-
1. Energiezuinige professionele koel- of vrieskast met een maximale netto inhoud van
1.500 liter voor:
-
a. het koelen van producten waarbij de producttemperatuur continu wordt gehandhaafd tussen
–1°C en +5°C, en bestaande uit: koelkast of gekoelde werkbank, werkend op een halogeenvrij
koudemiddel, voorzien van geforceerde ventilatie in de kast, met een Energy Efficiency
Index (EEI) kleiner dan 25, in klimaatklasse 4 (30°C, 55% RV) of in klimaatklasse
5 (40°C, 40% RV), gemeten conform Verordening (EU) 2015/1095; of
-
b. het vriezen van producten waarbij de producttemperatuur continu wordt gehandhaafd
beneden –15°C, en bestaande uit: vrieskast of vrieswerkbank, werkend op een halogeenvrij
koudemiddel, voorzien van geforceerde ventilatie in de kast, met een Energy Efficiency
Index (EEI) kleiner dan 50, in klimaatklasse 4(30°C, 55% RV) of in klimaatklasse 5
(40°C, 40% RV), gemeten conform Verordening (EU) 2015/1095.
-
2. Hierbij geldt dat voor een apparaat dat zowel kan koelen als vriezen de eisen onder
1.a. van toepassing zijn.
-
1.2.H.
-
1.2.I.
-
1. Toerengeregelde vacuümpomp voor de vacuüm voorziening van een melkwinningsinstallatie,
en bestaande uit: vacuümpomp met toerenregeling.
-
2. Hierbij geldt dat vacuümvoorziening van een automatisch melksysteem (melkrobot) niet
voor energie investeringsaftrek in aanmerking komt.
-
1.2.J. Energie-efficiënte melkkoeling voor het koelen van melk en terugwinnen van warmte
uit melk waarbij de onttrokken warmte wordt benut op een melkveehouderij, en bestaande
uit warmtewisselaar die is gemonteerd in de leiding tussen de melkmachine en de melkkoeltank
(melkvoorkoeler), warmtewisselaar tussen de compressor en condensor van de koelmachine,
(eventueel) koudebuffer, (eventueel) frequentieregelaar op de melkpomp, (eventueel)
buffervat voor het opgewarmde water, (eventueel) elektrische boiler die gevoed wordt
met het voorverwarmde water.
-
1.2.K.
-
1.
-
a. Transkritische koel- en/of vriesinstallatie met een koelvermogen < 100 kW, anders
dan voor toepassing in supermarkten, voor het koelen en/of vriezen van ruimten of
processen tot maximaal + 16°C met CO2 als koudemiddel, en bestaande uit:
-
• ten minste één frequentiegeregelde of elektronisch toerengeregelde compressor;
-
• een lucht- of watergekoelde gaskoeler, ontworpen op maximaal 2 K temperatuurverschil
tussen gaskoeleruittredetemperatuur en omgevingstemperatuur bij een persdruk van 84
bar(a), met een specifiek opgenomen vermogen van de gaskoeler van maximaal 14 W per kW
gaskoelervermogen;
-
• een weersafhankelijke regeling van de condensatiedruk tot +13°C buitenluchttemperatuur;
-
• een elektronische expansieregeling;
-
• verdamper;
-
• (eventueel) warmteterugwinningssysteem; en
-
• (eventueel) adiabatische voorkoelblokken (pads) bij een luchtgekoelde gaskoeler; of
-
b. Transkritische koel- en/of vriesinstallatie met een koelvermogen ≥ 100 kW, anders
dan voor toepassing in supermarkten, voor het koelen en/of vriezen van ruimten of
processen tot maximaal + 16°C met CO2 als koudemiddel, en bestaande uit:
-
• ten minste één frequentiegeregelde of elektronisch toerengeregelde compressor;
-
• toepassing van parallelcompressie of gas/vloeistof-ejecteur(s);
-
• een lucht- of watergekoelde gaskoeler, ontworpen op maximaal 2 K temperatuurverschil
tussen gaskoeleruittredetemperatuur en omgevingstemperatuur bij een persdruk van 84
bar(a), met een specifiek opgenomen vermogen van de gaskoeler van maximaal 14 W per kW
gaskoelervermogen;
-
• een weersafhankelijke regeling van de condensatiedruk tot +13°C buitenluchttemperatuur;
-
• een elektronische expansieregeling;
-
• verdamper;
-
• warmteterugwinningssysteem waarbij de warmte wordt gebruikt buiten de grenzen van
de koel- en/of vriesinstallatie; en
-
• (eventueel) adiabatische voorkoelblokken (pads) bij een luchtgekoelde gaskoeler.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• koel- en of vriestunnels en koel- en/of vriescellen niet voor energie-investeringsaftrek
in aanmerking komen;
-
• de omgevingstemperatuur bij de luchtgekoelde gaskoeler een drogeboltemperatuur van
+32°C is, en bij de watergekoelde gaskoeler de wateraanvoertemperatuur is;
-
• het specifiek opgenomen vermogen van de gaskoeler de som van het totaal opgenomen
vermogen van de ventilatoren en/of pompen, gedeeld door het gaskoelervermogen bij
een temperatuurverschil van 2 K tussen gaskoeleruittredetemperatuur en omgevingstemperatuur,
is;
-
• het maximum investeringsbedrag, dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking
komt, € 2.000 per geïnstalleerde kW van het koelvermogen van de koelcompressoren bij
de in deze omschrijving genoemde condities bedraagt. Indien parallelcompressie wordt
toegepast, kan ook het koelvermogen van deze parallelcompressoren worden meegerekend
om het koelvermogen van de koelcompressoren te berekenen; en
-
• installatiedelen, die het koudemiddel CO2 niet bevatten, niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen.
-
1.2.L.
-
1. Energiezuinige rackkoeling voor het koelen van in racks opgestelde ICT-apparatuur,
en bestaande uit: rackkoeling door middel van een geïntegreerd direct expansiesysteem
(DX systeem). Het maximumbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking
komt, bedraagt € 15.000 per bouwkundige ruimte.
-
2. Hierbij geldt dat toepassingen in datacenters niet voor energie-investeringsaftrek
in aanmerking komen.
-
1.2.M. Energiezuinige krattendroger voor het drogen van gewassen kunststof kratten voor
voedingsmiddelen, en bestaande uit: krattendroogmachine waarin het vocht wordt verwijderd
middels centrifugaal kracht. Het restvochtgehalte dient na droging minder dan 5 gram
per krat te zijn.
-
1.2.N. Energiezuinige drankenkoeler voor het inkoelen en verkopen van verpakte dranken in
de temperatuurklasse K4 (+9°C / –1°C) met een Energy Efficiency Index (EEI) kleiner
dan 50, gemeten conform Verordening (EU) 2019/2018 en (EU) 2019/2024, in de klimaatklasse CC1 (+25°C, 60% RV) of CC2 (+32°C, 65% RV),
en bestaande uit: een drankenkoeler, zoals beschreven in artikel 2 van Verordening (EU) 2019/2024, en werkend op een halogeenvrij koudemiddel.
-
1.2.O.
-
1. Watertoevoersysteem voor het beregenen van gewassen op landbouwgrond, en bestaande
uit: elektrisch aangedreven pomp, frequentieregelaar, drukopnemer, (eventueel) transformator
voor het verhogen van de netspanning, (eventueel) watertransportleidingen tussen de
bron, pomp en de landbouwgrond, (eventueel) slanghaspel voorzien van een elektrische
aandrijving voor het oprollen of rijden, (eventueel) accu voor de elektrische aandrijving
van de haspel.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• overige watertransportleidingen en het waterafgiftesysteem niet in aanmerking komen;
en
-
• systemen waarbij een pomp is opgenomen die met fossiele energie wordt aangedreven
niet voor energie-Investeringsaftrek in aanmerking komen.
-
1.2.P.
-
1. Installatie voor het winnen van CO2 uit de buitenlucht voor het bemesten van gewassen in tuinbouwkassen, en bestaande
uit: installatie voor de adsorptie van CO2 uit buitenlucht (direct air capture), (eventueel) CO2-compressor, (eventueel) CO2-ventilator, (eventueel) CO2 transportleidingen binnen het glastuinbouwbedrijf, (eventueel) koppeling met warmtebron
voor desorptie, (eventueel) CO2 buffer.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
1.2.Q.
-
1. Fiber lasersnijmachine door het vervangen of ombouwen van een CO2 lasersnijmachine, en bestaande uit: de snijkop van de fiber lasersnijmachine, (eventueel)
laserbron, (eventueel) koeler.
-
2. Hierbij geldt dat niet de gehele lasersnijmachine voor energie-investeringsaftrek
in aanmerking komt.
-
1.2.R.
-
1. Rugvorminrichting voor het direct na het aardappelen poten, in dezelfde werkgang,
vormen en aanaarden van aardappelruggen, en bestaande uit: voorziening voor het vormen
en aanaarden van de ruggen gemonteerd aan de aardappelpootmachine.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
1.2.S. 1.2.S. Beluchten van aerobe zuivering van afvalwater en bestaande uit: een beluchtingssysteem
met een Standard Aeration Efficiency (SAE) van minimaal 4,5 kg O2/kWh, conform NEN-EN 12255-15:2003.
-
1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
-
2. Vermindering van de warmte- of koellast door:
-
2.1.A. Thermische isolering.
-
2.1.B.
-
1. Energieschermen voor het verminderen van het warmteverlies in tuinbouwkassen, door
het aanbrengen van horizontaal beweegbare energieschermen aan de binnenzijde van de
lichtdoorlatende gebouwschil, en bestaande uit: schermdoek dat voor tenminste 90%
dicht is, waarbij de maasopeningen van het weefsel, breisel of vlechtsel kleiner zijn
dan 2 mm2 en waarbij de lichtdoorlatendheid voor diffuus opvallend licht groter is dan 10%,
mechanisch bedieningsmechanisme, (eventueel) kierafdichtingsvoorzieningen (eventueel)
scherm(kier)regeling, (eventueel) meetbox boven het energiescherm, (eventueel) nokcompartimentering.
Voor energie-investeringsaftrek komt in aanmerking het derde energiescherm van de
boven elkaar gelegen, horizontaal, door een luchtspouw gescheiden, beweegbare schermen;
-
2. Hierbij geldt dat de betreffende kas(afdeling) ten minste voorzien moet zijn van drie
horizontale energieschermdoeken waarbij het schermdoek voor ten minste 90% dicht is,
waarbij de maasopeningen van het weefsel, breisel of vlechtsel kleiner zijn dan 2 m2 en waarbij van minimaal twee horizontale energieschermdoeken de lichtdoorlatendheid
voor diffuus opvallend licht groter is dan 10%. De schermen liggen onder elkaar en
kunnen tegelijk dichtgetrokken zijn.
-
2.1.C. Faseovergangsmateriaal voor het verminderen van het energiegebruik voor het koelen
of verwarmen van ruimten of processen, en bestaande uit: faseovergangsmateriaal met
een gedefinieerd overgangstraject en een capaciteit in het overgangstraject van minimaal
100 kJ/kg. Het maximale investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in
aanmerking komt bedraagt € 10 per kg faseovergangsmateriaal.
-
3. Warmtehergebruik door:
-
4. Efficiënte verlichting door:
-
4.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
-
4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
-
4.2.B.
-
1. Belichtingssysteem voor het vervangen van een bestaand belichtingssysteem voor het
belichten van tuinbouwgewassen in tuinbouwkassen of daglichtdichte ruimten, en bestaande
uit: dimbaar belichtingsarmatuur inclusief lichtbron met een specifieke lichtstroom
van ten minste 3,00 micromol fotonen per seconde per Watt, dat dient ter vervanging
van een belichtingsarmatuur in dezelfde tuinbouwkas.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• de specifieke lichtstroom gemeten dient te zijn bij het maximale vermogen van het
armatuur conform LM-79-19 of gelijkwaardige protocollen;
-
• hier onder de specifieke lichtstroom wordt verstaan: de verhouding tussen de lichtstroom
van het belichtingssysteem (in micromol fotonen per seconde) en het daartoe opgenomen
elektrische vermogen (in Watt); en
-
• metingen op grond van LM-79-19 of gelijkwaardige protocollen verricht dienen te worden
door geaccrediteerde instellingen, waarbij elektrische- en fotometrische metingen
specifiek in de accreditatie-scope van de betreffende instelling dient te zijn opgenomen.
-
4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
C. Investeringen in of aan transportmiddelen ten behoeve van energiebesparing
Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in of aan transportmiddelen.
Onder transportmiddelen wordt verstaan: voertuigen voor het vervoer over de weg, voertuigen
voor intern transport, vaartuigen en railgebonden voertuigen. Deze voorzieningen moeten
er toe leiden dat het transportmiddel zelf energie-efficiënter wordt. Technische voorzieningen
die het transportmiddel zelf niet energie-efficiënter maken, maar indirect energie
besparen zijn uitgesloten voor energie-investeringsaftrek.
De energiebesparing moet gebaseerd zijn op dezelfde rij- of vaarroute, waarbij wordt
uitgegaan van dezelfde goederen en van een maximale belading.
Op een transportmiddel geplaatste bedrijfsmiddelen, die worden ingezet voor productiewerkzaamheden,
moeten voldoen aan de vereisten genoemd in artikel 1, onderdeel B, voor investeringen
ten behoeve van processen.
-
1. Verbetering van de energie-efficiëntie door:
-
1.1.A. Toepassing van automatische meet- en regelapparatuur.
-
1.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
-
1.2.B. Energiezuinige scheepsmotor voor:
-
a. de hoofdvoortstuwing van een bestaand vaartuig voor de binnenvaart, met een nominaal
motorvermogen van tenminste 250 kW, en bestaande uit: scheepsdieselmotor, waarvan
het brandstofverbruik minder bedraagt dan 195 g/kWh, gemeten conform norm NEN-ISO
3046-1:2002, waarbij gerekend wordt met de in deze norm omschreven maximaal toegestane
tolerantie van 5%. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek
in aanmerking komt is € 125/kW nominaal vermogen;
-
b. de voortstuwing van een bestaand vaartuig voor de binnenvaart, met een nominaal motorvermogen
van tenminste 250 kW, waarbij meerdere scheepsdieselmotoren op één schroefas zijn
gekoppeld en waarbij afhankelijk van het gevraagde vermogen één of meer scheepsdieselmotoren
uitgeschakeld kunnen worden, en bestaande uit: scheepsdieselmotoren waarvan het brandstofverbruik
per scheepsdieselmotor minder bedraagt dan 195 g/kWh, gemeten conform norm NEN-ISO
3046-1:2002, waarbij gerekend wordt met de in deze norm omschreven maximaal toegestane
tolerantie van 5%, koppeling waarbij de kracht van meerdere scheepsdieselmotoren op
één schroefas wordt overgebracht. Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek
in aanmerking komt is € 175/kW nominaal vermogen; of
-
c. de voortstuwing van een vaartuig, waarbij de motoren in dieselelektrische opstelling
als aandrijving worden gebruikt, en bestaande uit: scheepsdieselmotoren waarvan het
brandstofverbruik per scheepsdieselmotor minder bedraagt dan 195 g/kWh, gemeten conform
NEN-ISO 3046-1:2002, waarbij gerekend wordt met de in deze norm maximaal toegestane
tolerantie van 5%, elektromotor op de hoofdas.
-
1.2.C. Lichtgewicht composieten kipperbak voor het vervoer van bulkgoederen over de weg,
en bestaande uit: composieten kipperbak, (eventueel) schaarcilinder, (eventueel) kipframe.
-
1.2.D. Lange en zware vrachtwagen voor transport van goederen over de weg, en bestaande
uit:
-
1.2.E. Brandstofcel in een transportmiddel voor het opwekken van elektriciteit, en bestaande
uit: brandstofcel, (eventueel) brandstofreformer.
-
1.2.F.
-
1. Elektrische transportkoeling voor:
-
a. het koelen en/of vriezen van producten die worden vervoerd in een geïsoleerde oplegger,
en bestaande uit: elektrische koelinstallatie, accu die geen lood bevat, energie-as,
(eventueel) panelen of folie met fotovoltaïsche zonnecellen; of
-
b. koelen/vriezen van producten die worden vervoerd in een geïsoleerde bestelauto of
geïsoleerde vrachtwagen-bakwagen, en bestaande uit: uitsluitend door elektriciteit
aangedreven koelinstallatie met een halogeenvrij koudemiddel, accu die geen lood bevat,
(eventueel) energie-as, (eventueel) panelen of folie met fotovoltaïsche zonnecellen.
-
2. Hierbij geldt dat onder vrachtwagen-bakwagen wordt verstaan: een vrachtvoertuig of
bakwagen waarbij de belading in een laadbak, huif, container of tank direct op het
chassis van het voertuig bevestigd is.
-
1.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
-
1.3.B. Hydrodynamische ankerkluizen en ankers voor het verlagen van de vaarweerstand van
een vaartuig voor de binnenvaart, en bestaande uit: anker, ankerkluis. Het maximumbedrag
dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt, bedraagt € 20.000 per combinatie
van ankerkluis en anker. Het betreft een anker dat in ingetrokken toestand het kluisgat
volledig afdicht en één geheel vormt met de huid van het schip.
-
1.3.C.
-
1.3.D.
-
1.3.E.
-
1. Cruisecontrol voor aandrijving van een vrachtwagen, en bestaande uit: cruisecontrol
die de transmissie aanstuurt op basis van wegenkaartinformatie en GPS-gegevens.
-
2. Hierbij geldt dat overige cruisecontrolsystemen zijn uitgesloten van energie-investeringsaftrek.
-
1.3.F.
-
1. Zijafscherming voor het verminderen van de luchtweerstand van vrachtwagen-bakwagens,
aanhangers of opleggers, en bestaande uit: dichte panelen ter volledige afsluiting
van de open ruimten tussen de wielen of dichte panelen over de wielen.
-
2. Hierbij geldt dat onder vrachtwagen-bakwagen wordt verstaan: een vrachtvoertuig of
bakwagen waarbij de belading in een laadbak, huif, container of tank direct op het
chassis van het voertuig bevestigd is.
-
1.3.G.
-
1. Aerodynamische aanhanger voor het verminderen van luchtweerstand ter vervanging van
een gesloten aanhanger met eigen kenteken zonder aerodynamische afgeronde hoeken,
en bestaande uit: volledig gesloten aanhangwagen met eigen kenteken voorzien van lichtmetalen
of hardkunststof opbouw met aerodynamisch afgeronde hoeken van het frontale- en zijvlak
met een minimale radius van 15 cm. Het oppervlak van de afgeronde hoeken dient ten
minste 10% van het totale frontale oppervlak te zijn.
-
2. Hierbij geldt dat het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek
in aanmerking komt € 5.000 per aanhanger bedraagt.
-
1.3.H.
-
1. Aerodynamische vrachtwagencabine voor het verminderen van de luchtweerstand door het
vervangen van een vrachtwagen zonder aerodynamische cabine, en bestaande uit: een
vrachtwagen-bakwagen of een trekker uit een trekker-oplegger combinatie, voorzien
van een verlengde aerodynamische cabine die voldoet aan artikel 9 bis van Richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• het maximum investeringsbedrag, dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking
komt € 10.000 per vrachtwagencabine bedraagt; en
-
• onder trekker-oplegger combinatie wordt verstaan: een combinatie waarbij de oplegger
door middel van een kingpin op de koppelschotel van het trekkende voertuig (de trekker)
gekoppeld wordt. Een trekker heeft geen eigen transportcapaciteit; en
-
• onder vrachtwagen-bakwagen wordt verstaan: een vrachtvoertuig of bakwagen waarbij
de belading in een laadbak, huif, container of tank direct op het chassis van het
voertuig bevestigd is.
-
1.3.I.
-
1. Lichtgewicht afzetcontainer voor het vervoer van bulkgoederen over de weg, en bestaande
uit: lichtgewicht afzetcontainer met een minimale inhoud van 15 m3, ter vervanging van een zwaardere afzetcontainer met dezelfde inhoud. De gewichtsreductie
dient ten minste 20 kg per m3 inhoud te zijn.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• andere soorten containers komen niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek;
en
-
• het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt
€ 5.000 per lichtgewicht afzetcontainer bedraagt.
-
2. Vermindering van de warmte- of koellast door:
-
3. Warmtehergebruik door:
-
4. Efficiënte verlichting door:
-
4.1.A. Toepassing van automatische meet en regelapparatuur.
-
4.2.A. Toepassing van efficiëntere apparatuur.
-
4.3.A. Additionele efficiency-verhogende voorzieningen.
D. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie
Technische voorzieningen die er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te
beperken door gebruik te maken van:
-
1. Zonne-energie door:
-
1.1.A. Conversie naar elektriciteit of warmte (met uitzondering van het gebruik van passieve
zonne-energie).
-
1.1.B.
-
1. Fotovoltaïsch zonne-energiesysteem voor het opwekken van elektrische energie uit zonlicht
met behulp van zonnecellen, en bestaande uit: panelen met fotovoltaïsche zonnecellen
met een gezamenlijk piekvermogen ten minste 15 kW en maximaal 100 kW, aansluiting
op het elektriciteitsnet, (eventueel) actief zonvolgsysteem, (eventueel) stroom/spanningsomvormer.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• voor het bepalen van het gezamenlijke piekvermogen van de panelen met fotovoltaïsche
zonnecellen het samenstel van voorzieningen dient te worden genomen. Onder een samenstel
van voorzieningen wordt verstaan: alle aanwezige middelen voor de productie van elektriciteit
opgewekt door middel van panelen met fotovoltaïsche zonnecellen die onderling met
elkaar via dezelfde elektriciteitsaansluiting op het openbare net verbonden zijn;
-
• indien voor het installeren van een grondgebonden fotovoltaïsch zonne-energiesysteem
een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet vereist is, door het bevoegde gezag een omgevingsvergunning is verleend ten tijde
van de aanmelding, bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet. In voorkomend geval legt de belastingplichtige ten behoeve van het in behandeling
nemen van een verzoek om een verklaring als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van
de wet, indien de Minister daarom verzoekt, een kopie van de afgegeven omgevingsvergunning
over.
-
1.1.C.
-
1. Zonnecollectorsysteem voor het verwarmen van water of lucht, en bestaande uit:
-
a. zonnecollector met een totale apertuuroppervlakte van minder dan 200 m2, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) in het
vat geïntegreerde naverwarmer, (eventueel) in luchtverwarmer geïntegreerde fotovoltaïsche
zonnecellen, (eventueel) ab- of adsorptiekoelmachine die hoofdzakelijk werkt op zonne-energie;
of
-
b. onafgedekte zonnecollector met een totale apertuuroppervlakte van ten minste 100 m2, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) in het
vat geïntegreerde naverwarmer, (eventueel) ab- of adsorptiekoelmachine die hoofdzakelijk
werkt op zonne-energie.
-
2. Hierbij geldt dat voor het bepalen van de totale apertuuroppervlakte van een zonnecollector
het samenstel van nieuwe voorzieningen dient te worden genomen waarbij onder een samenstel
van nieuwe voorzieningen wordt verstaan: alle aanwezige nieuwe middelen die onderling
met elkaar verbonden zijn voor de productie van warmte opgewekt door middel van een
zonnecollector.
-
1.1.D. Fotovoltaïsch zonne-energiesysteem voor het opwekken van elektrische energie uit
zonlicht met behulp van zonnecellen op transportmiddelen, en bestaande uit: panelen
of folie met fotovoltaïsche zonnecellen, (eventueel) stroom/spanningsomvormer, (eventueel)
accu.
-
1.1.E.
-
1. Netaansluiting voor het leveren van elektriciteit door panelen met fotovoltaïsche
zonnecellen, niet zijnde gebouwgebonden panelen, en bestaande uit: aansluiting op
het midden- of hoogspanningsnet.
-
2. Hierbij geldt dat de eenmalige aansluitvergoeding die door de netbeheerder in rekening
wordt gebracht niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt.
-
1.1.F.
-
1. Accu voor stationaire opslag van duurzaam opgewekte elektriciteit, en bestaande uit:
accu met een vermogen van ten minste 5 kW en een capaciteit van ten minste 15 kWh,
(eventueel) stroom/spanningsomvormer, (eventueel) regelsysteem.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• een accu met vloeibaar lood-zuur en een accu van een (interne) transportmiddel niet
in aanmerking komen; en
-
• de accu aangesloten moet zijn op een duurzame energieopwekinstallatie met een opgesteld
(piek)vermogen van meer dan 15 kW, en zowel de energieopwekinstallatie als de accu
dezelfde aansluiting hebben op het elektriciteitsnet.
-
2. Windenergie door:
-
2.1.A. Windwatermolen voor het op windkracht direct verpompen van water, en bestaande uit:
wieken, mast, waterpomp.
-
3. Energie uit waterkracht door:
-
4. Benutten of opslaan van omgevingswarmte door:
-
4.1.A.
-
1. Grondwarmtewisselaar voor:
-
a. het koelen of verwarmen van water voor gebruik in bedrijfsgebouwen, collectieve systemen
voor woningen of processen, met behulp van een warmtewisselaar, die zich in het grondwater
bevindt, en bestaande uit: ondergrondse warmtewisselaar, pomp, (eventueel) water-lucht
warmtewisselaar in stallen die de warmte of koude rechtstreeks uit de bodem afgeeft,
(eventueel) restwarmteopslagvat; of
-
b. het verwarmen van water voor gebruik in bedrijfsgebouwen, collectieve systemen voor
woningen of processen met behulp van een in de bodem liggende warmtewisselaar, en
bestaande uit: pomp(en), ondergrondse warmtewisselaar of warmtevoerende buizen in
de bodem, (eventueel) restwarmteopslagvat. De bodembedekking komt niet voor energie-investeringsaftrek
in aanmerking; of
-
c. het voorkoelen of voorverwarmen van buitenlucht voor het gebruik in gebouwen met behulp
van ondergrondse buizen als warmtewisselaar, en bestaande uit: luchtgrondbuizen met
een diameter van maximaal 40 cm, (eventueel) luchtplenum, (eventueel) automatisch
geregelde centrale bypass; of
-
d. het koelen van elektronische inrichtingen en bestaande uit: ondergrondse warmtewisselaar,
(eventueel) pomp, water-lucht warmtewisselaar die de koude uit de bodem rechtstreeks
afgeeft, (eventueel) ventilator.
-
2. Hierbij geldt dat indien een grondwarmtewisselaar wordt gebruikt voor het koelen of
verwarmen van één woning er geen sprake is van een collectief systeem en komt deze
niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.
-
4.1.B.
-
1. Warmte- of koudeopslag in de bodem (WKO) voor het opslaan van warmte of koude in de
bodem met behulp van grondwater als opslagmedium, ten behoeve van het koelen of verwarmen
van bedrijfsgebouwen of processen of het collectief koelen of verwarmen van woningen,
en bestaande uit: systeem met grondwaterbronnen die voor onttrekking en injectie worden
gebruikt, grondwaterpompen, (eventueel) warmtewisselaar die direct is gekoppeld aan
de grondwaterbron, (eventueel) warmtewisselaar die de grondwaterbron regenereert met
koude of warmte uit buitenlucht of oppervlaktewater, (eventueel) warmte- of koudetransportleiding.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• onder een warmte- of koudetransportleiding wordt verstaan: leiding tussen warmtebron
en het punt waar wordt overgegaan naar een lokale verdeling naar eindgebruikers; en
-
• indien een WKO wordt gebruikt voor het koelen of verwarmen van één woning er geen
sprake is van een collectief systeem en komt deze niet in aanmerking voor energie-investeringsaftrek.
-
4.1.C.
-
1. Opslag van duurzaam geproduceerde warmte door:
-
a. het opslaan van warmte met een temperatuur van ten minste 25°C die geproduceerd is
uit hernieuwbare energiebronnen, en bestaande uit: geïsoleerd ondergronds warmteopslagsysteem
met een opslagcapaciteit van ten minste 100 m3, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) regelsysteem; of
-
b. het opslaan van warmte in een vaste stof met een temperatuur van ten minste 50°C die
geproduceerd is uit hernieuwbare energiebronnen, en bestaande uit: geïsoleerde thermische
batterij, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) regelsysteem; of
-
c. het opslaan van warmte in faseovergangsmateriaal met warmte geproduceerd uit hernieuwbare
energiebronnen, en bestaande uit: geïsoleerde buffertank, faseovergangsmateriaal,
(eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) regelsysteem.
-
d. conversie van duurzaam opgewekte elektriciteit naar warmte en bestaande uit: elektrische
boiler van minimaal 200 liter en maximaal 1.000 liter met een isolatiewaarde van de
wand van minimaal R = 4 m2 K/W
-
2. Hierbij geldt dat onder hernieuwbare energiebronnen wordt verstaan: windenergie, zonne-energie
(thermische zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en geothermische energie, omgevingsenergie,
getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, en
energie uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties, en biogas.
-
4.1.D. Oppervlaktewater warmtewisselaar voor het verwarmen van bedrijfsgebouwen of collectieve
systemen voor woningen door benutting van energie uit het oppervlaktewater, en bestaande
uit: warmtewisselaar, pomp
-
5. Benutten van warmte of kracht uit biomassa door:
-
6. Conversie van duurzame warmte naar elektriciteit door:
E. Investeringen ten behoeve van balanceren van energie in de energie-infrastructuur
Technische voorzieningen die er toe strekken energie te besparen door balanceren van
energie in de energie infrastructuur, door:
F. Investeringen ten behoeve van energietransitie en CO2-emissiereductie
Technische voorzieningen die bijdragen aan een toekomstbestendige energievoorziening
of CO2-emissiereductie, door:
-
1. Elektrificatie door:
-
1.1.A. Elektrische oven voor het vervangen of ombouwen van een oven gestookt met een fossiele
brandstof, en bestaande uit:
-
a. elektrische (droog)oven of droogtunnel, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de
elektriciteitsaansluiting; of
-
b. hybride elektrische (droog)oven of (droog)tunnel met een elektrisch vermogen van minimaal
200 kW, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de elektriciteitsaansluiting.
-
1.1.B. Stoomrecompressie voor het opwaarderen van stoom naar hogere temperatuur en druk,
en bestaande uit: mechanische dampcompressor of thermische dampcompressor, aansluiting
op het stoomnetwerk, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting,
(eventueel) regelsysteem.
-
1.1.C. Infraroodpanelen voor het plaatselijk verwarmen van binnenruimtes met een gemiddelde
hoogte van meer dan 4 meter, en bestaande uit: elektrische infraroodpanelen, (eventueel)
aanwezigheidssensor.
-
1.1.D. Elektrische toestellen voor stoomopwekking of verwarming van thermische olie, en
bestaande uit:
-
a. elektrisch toestel dat stoom opwekt of thermische olie verwarmt, (eventueel) noodzakelijke
aanpassingen van de elektriciteitsaansluiting; of
-
b. hybride toestel dat stoom opwekt middels elektriciteit en gas, (eventueel) noodzakelijke
aanpassingen van de elektriciteitsaansluiting.
-
1.1.E.
-
1. Mobiel elektrisch werktuig zonder vaste bestuurdersplaats door het vervangen of ombouwen
van een met fossiele brandstof aangedreven mobiel werktuig, en bestaande uit: elektromotor
met een vermogen van tenminste 5 kW, (eventueel) accu.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• niet het gehele werktuig in aanmerking komt; en
-
• werktuigen met een vaste bestuurdersplaats niet in aanmerking komen; en
-
• bij ombouw de met fossiele brandstof aangedreven motor vervangen moet worden door
een elektromotor.
-
1.1.F. Elektrisch frituurtoestel voor het vervangen van gasgestookte frituurtoestellen,
en bestaande uit in een bakwand ingebouwd frituurtoestel met geïntegreerde inductiespoelen
of met in de frituurolie geplaatste elektrische elementen, (eventueel) bijbehorende
stroomregeling, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de elektriciteitsaansluiting.
-
1.1.G.
-
1. Mobiele elektriciteitsvoorziening voor het bufferen en afgeven van elektrische energie,
en bestaande uit: verplaatsbare container met daarin accu of vliegwiel met een opgesteld
vermogen van tenminste 30 kW, inverter, regelelektronica, (eventueel) ingebouwd klimaatsysteem,
(eventueel) zonnepanelen of -folie, (eventueel) actief zonvolgsysteem.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
2. Het verminderen van het gebruik van aardgas door:
-
2.1.A. Waterstofbijmenging door het aanpassen van bestaande installaties ten behoeve van
het bijmengen van waterstof in aardgas, en bestaande uit: noodzakelijke aanpassingen
voor het bijmengen van waterstof, (eventueel) lokale waterstofproductie door middel
van elektrolyse, (eventueel) meet- en regelapparatuur.
-
2.1.B.
-
1. Warmte- en/of koudenet voor het uitkoppelen bij de bron en het transporteren van warmte
of koude voor het verwarmen of koelen van gebouwen en/of processen, en bestaande uit:
warmtewisselaar bij de bron, warmte- of koudetransportleiding, warmte- of koudedistributienet,
afleversets.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• onder een afleverset wordt verstaan: de verbinding tussen het warmte- of koudedistributienet
van een warmteleverancier en het afgiftenet van een eindgebruiker om de eindgebruiker
te voorzien van warmte en/of koude. De afleverset is voorzien van bemetering om afrekening
aan de hand van meterstanden mogelijk te maken. Elke eindgebruiker heeft een eigen
afleverset; en
-
• het afgiftenet niet voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt; en
-
• het systeem voor tenminste 70% van de energie-inhoud gebruik dient te maken van warmte
uit een van de volgende bronnen: warmte-kracht-koppeling (WKK) gevoed door biomassa
of groengas, afvalwarmte, afvalverbrandingsinstallaties, hernieuwbare energiebronnen,
restwarmte uit processen, power to heat, warmte- koudeopslag (WKO); en
-
• onder een warmte- of koudetransportleiding wordt verstaan: leiding tussen warmte-
of koudebron en het punt waar wordt overgegaan naar een lokale verdeling naar eindgebruikers;
en
-
• onder een warmte- of koudedistributienet wordt verstaan: leidingnet voor de uitkoppeling
vanaf de transportleiding ten behoeve van een lokale verdeling naar de eindgebruikers;
en
-
• onder een afgiftenet wordt verstaan: leidingnet en installatieonderdelen ten behoeve
van warmte- of koudeafgifte binnen het gebouw van de eindgebruiker; en
-
• onder biomassa wordt verstaan: materiaal dat voor wat betreft de massa van de brandbare
componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit koolstofverbindingen afkomstig uit
een korte CO2-cyclus, waarbij geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige koolstofverbindingen
afkomstig uit een lange CO2-cyclus onvermijdelijk in het materiaal aanwezig zijn. Hierbij mag geen sprake zijn
van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen. De volgende materiaalstromen
worden aangemerkt als biomassa:
-
− houtafval, sloophout, snoeihout, dunningshout en andere houtachtige stromen;
-
− stro, bermmaaisel, riet, mest en overige agrarische residuen;
-
− residuen van de papierindustrie, mits deze geen kunststoffen bevatten;
-
− oud papier en karton;
-
− steekvast papierslib of steekvast rioolwaterzuiveringsslib;
-
− organische residuen uit de voedings- en genotmiddelenindustrie; en
-
• onder afvalwarmte wordt verstaan: warmte die in de bestaande situatie niet nuttig
wordt aangewend; en
-
• onder hernieuwbare energiebronnen wordt verstaan: windenergie, zonne-energie (thermische
zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en geothermische energie, omgevingsenergie,
getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, en
energie uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties, en biogas; en
-
• onder restwarmte wordt verstaan: onvermijdelijke warmte of koude die als bijproduct
in industriële of elektriciteitsopwekkingsinstallaties wordt opgewekt, die ongebruikt
terecht zou komen in lucht of water zonder verbinding met een stadsverwarmings- of
-koelingssysteem; en
-
• onder power to heat wordt verstaan: conversie van overtollige elektriciteit naar warmte
met een elektrisch vermogen.
-
2.1.C.
-
1. Warmtekrachtinstallatie voor het gelijktijdig opwekken van warmte en mechanische of
elektrische energie door verbranding van uitsluitend waterstof, en bestaande uit:
warmtekrachtinstallatie, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) rookgascondensor,
(eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet.
-
2. Hierbij geldt dat een warmtekrachtinstallatie gestookt op een brandstof anders dan
waterstof niet in aanmerking komt voor energie-investeringsaftrek.
-
2.1.D
-
1. Privaat waterstofnetwerk voor het transporteren van gasvormige waterstof met een zuiverheid
van tenminste 95%, met uitzondering van leidingen die in het gereguleerde domein vallen,
en bestaande uit: leidingen voor waterstoftransport en waterstofdistributie met een
gezamenlijke lengte van ten hoogste 40 km, (eventueel) aansluiting op een openbaar
waterstofnetwerk, (eventueel) compressoren, (eventueel) meet- en regeltechniek.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
2.1.E. Stationaire waterstofopslag voor grondgebonden opslag van vloeibare waterstof of
gasvormige waterstof met een zuiverheid van tenminste 95% of waterstof gebonden aan
een vloeibaar dragermateriaal (LOHC), en bestaande uit:
-
a. opslagtank, (eventueel) compressor, (eventueel) expander, (eventueel) een installatie
om waterstof vloeibaar te maken, (eventueel) aansluiting op netwerk; of
-
b. installaties voor het benutten van een zoutcaverne, reservoir of aquifer, (eventueel)
compressor, (eventueel) expander, (eventueel) aansluiting op netwerk.
-
2.1.F.
-
1. Waterstofproductie door middel van elektrolyse met elektriciteit uit hoofdzakelijk
hernieuwbare energiebronnen, en bestaande uit: elektrolyser, (eventueel) elektriciteitsaansluiting,
(eventueel) installatie voor gedemineraliseerd water, (eventueel) installatie voor
reiniging van waterstof, (eventueel) installatie voor compressie en droging van waterstof.
-
2. Hierbij geldt dat:
-
• onder hernieuwbare energiebronnen wordt verstaan: windenergie, zonne-energie (thermische
zonne-energie en fotovoltaïsche energie) en geothermische energie, omgevingsenergie,
getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, en
energie uit biomassa stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties, en biogas;
-
• alleen investeringen waarbij de geproduceerde waterstof grotendeels wordt toegepast
als brandstof voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komen.
-
2.1.G.
-
2.1.H. Brandstofcel voor het rechtstreeks omzetten van waterstof in elektrische energie,
en bestaande uit: brandstofcel, (eventueel) brandstofreformer.
-
2.1.I. Boiler gestookt met ijzerbrandstof voor het leveren van heet water, stoom en/of hete
lucht voor industriële processen, warmtenetten of energiecentrales, en bestaande uit:
boilersysteem met een rendement van ten minste 75%, ijzerbrandstof- en roestopslagsilo,
intern transportsysteem tussen boiler en opslagsilo.
-
3. Afvang en opslag van CO2 door:
-
3.1.A. CO2-afvang voor permanente opslag door het afscheiden, terugwinnen, transporteren en
opslaan van CO2 uit rookgassen of andere gasstromen, en bestaande uit: CO2-reinigingsapparatuur, CO2-compressor, transportleiding naar de opslaglocatie, (eventueel) wasser, (eventueel)
droger, (eventueel) koeling, (eventueel) CO2-buffer voor tijdelijke opslag, (eventueel) kosten voor gereedmaking van de aquifer
of reservoir.
-
4. De reductie van CO2-emissie door:
G. Energie-advies of een maatwerkadvies zoals dit is vastgelegd in ISSO 75.2 of CO2-emissiereductieplan of blowerdoortest
-
1. Een energie-advies ter verbetering van de energie-efficiency van objecten door middel
van een verkenning van de mogelijkheden om maatregelen te treffen, en bestaande uit:
-
a. een rapportage waarin de mogelijkheden om maatregelen te treffen ter verbetering van
de energie-efficiency zijn vastgelegd. Deze rapportage bevat in ieder geval:
-
1°. beschrijving van het object;
-
2°. een overzicht van de totale energiehuishouding van het bestaande totale object;
-
3°. een energiebalans van de relevante onderdelen van het bestaande totale object;
-
4°. een overzicht van de mogelijkheden en de kwantificering tot energiebesparing;
-
5°. een overzicht van de noodzakelijke organisatorische en administratieve aanpassingen;
-
6°. een raming van de te verwachten investeringskosten en de te verwachten baten, voor
afnemers met een energiegebruik van meer dan 25.000 m3 aardgas (of aardgasequivalent) of 50.000 kWh elektriciteit per jaar gelden de volgende
aanvullende eisen:
-
7°. inzicht in alle maatregelen met een terugverdientijd tot en met vijf jaar;
-
8°. van de energiebalans dient 90% van het totale energiegebruik te worden gespecificeerd,
tenzij daar gemotiveerd van afgeweken kan worden; en
-
9°. helder en eenvoudig plan voor het uitvoeren van de energiebesparende maatregelen;
of
-
b. het Energieprestatie advies utiliteit EP-U MWA zoals dat neergelegd is in meest recente
ISSO 75.2 conform de BRL9500-MWA-U voor bestaande utiliteitsgebouwen. Dit Energieprestatie
advies utiliteit EP-U MWA bevat ten minste de volgende gegevens:
-
1°. projectgegevens;
-
2°. huidige situatie, inclusief gebruiksoppervlakte in m2;
-
3°. uitgangspunten en overwegingen;
-
4°. lijst van enkelvoudige maatregelen met hun standaardterugverdientijd;
-
5°. huidige energiegebruik;
-
6°. verwacht energiegebruik; en
-
7°. de terugverdientijd van de voorgestelde maatregelpakketten.
-
2. Het CO2-emissiereductieplan (hierna: plan) bestaat uit een verkenning van de mogelijkheden
om de CO2-emissie van de bestaande inrichting te reduceren.
Het gaat hier dus uitdrukkelijk niet om nieuwe bedrijfsprocessen en nieuwe inrichtingen.
Het plan bevat een pakket van technische voorzieningen waarmee uiterlijk in 2030 de
totale scope 1 en scope 2 CO2-emissie van de bedrijfsinrichting met ten minste 20% wordt gereduceerd ten opzichte
van de scope 1 en scope 2 emissie in 2020. Dit plan bevat ten minste de volgende gegevens:
-
1°. beschrijving van de bedrijfsprocessen;
-
2°. een overzicht van de huidige totale scope 1 en scope 2 CO2-emissie als gevolg van de bedrijfsprocessen;
-
3°. een CO2-emissie onderverdeling naar de relevante onderdelen van het bestaande bedrijfsproces,
die voor minimaal 90% dekkend is;
-
4°. toelichting op de rekenmethodiek(en) waarmee de CO2-emissie is bepaald;
-
5°. een overzicht van de mogelijkheden tot en de kwantificering van CO2-reductie, waarbij voor de berekening van de reductie moet worden uitgegaan van de
emissiefactoren uit 2020;
-
6°. een raming van de te verwachten investeringskosten per technische voorziening;
-
7°. plan van aanpak voor de planning en uitvoering van de in het plan benoemde technische
voorzieningen.
Verder moet het plan aan de volgende voorwaarden voldoen:
-
3. De blowerdoortest is een meetmethode om de luchtdoorlatendheid van gebouwen te bepalen.
Daarnaast kan de blowerdoortest helpen bij het lokaliseren van kieren of andere luchtlekkages.
De kosten van een blowerdoortest komen in aanmerking voor de energie-investeringsaftrek
als deze worden gemeld in combinatie met een investering in maatregelen die voldoen
aan A.2.1.A. of A.2.1.B of A.2.1.C. of A.5. Eventuele kosten van thermografisch onderzoek
en rooktest/rookproef voor het lokaliseren van luchtlekkages komen ook in aanmerking.
De test moet worden uitgevoerd volgens NEN 2686 door een gecertificeerd bedrijf. De
blowerdoortest moet betrekking hebben op hetzelfde gebouw waarvoor de investering
is gemeld onder A.2.1.A. of A.2.1.B of A.2.1.C. of A.5.
De kosten van een blowerdoortest kunnen slechts eenmaal worden gemeld en kunnen dus
niet worden toegerekend aan andere energie-investeringen.
Artikel 3
Voor het berekenen van de terugverdientijd door de energiebesparing bij nieuwe bedrijfsgebouwen
of processen of in of aan nieuwe transportmiddelen geldt de volgende formule:
Onder de investering vallen alle kosten die noodzakelijk zijn om het bedrijfsmiddel
in gebruik te nemen, met uitzondering van financieringskosten.
De energieprijs dient te worden vastgesteld door gebruikmaking van onderstaande gegevens
voor aardgas, elektriciteit en diesel. Indien wordt bespaard op een andere energiedrager,
dan dient de in de markt gangbare prijs voor die energiedrager te worden gebruikt.
Aardgas:
| |
Inkoopomvang van de bedrijfsinrichting[Nm3 per jaar]
|
Prijs per Nm3
|
|
1
|
Niet hoger dan 170.000 Nm3
|
€ 1,16
|
|
2
|
Hoger dan 170.000, niet hoger dan 1.000.000 Nm3
|
€ 0,83
|
|
3
|
Hoger dan 1 miljoen, niet hoger dan 10 miljoen Nm3
|
€ 0,72
|
|
4
|
Hoger dan 10 miljoen Nm3
|
€ 0,62
|
Elektriciteit:
| |
Inkoopomvang van de bedrijfsinrichting[kWh per jaar]
|
Prijs per kWh
|
|
1
|
Niet hoger dan 10.000 kWh
|
€ 0,26
|
|
2
|
Hoger dan 10.000, niet hoger dan 50.000 kWh
|
€ 0,29
|
|
3
|
Hoger dan 50.000, niet hoger dan 10 miljoen kWh
|
€ 0,21
|
|
4
|
Hoger dan 10 miljoen kWh
|
€ 0,16
|
Diesel:
| |
Toepassing
|
Prijs per liter
|
|
1
|
Scheepvaart
|
€ 0,95
|
|
2
|
Wegtransport
|
€ 1,48
|
Artikel 5
Voor investeringen als bedoeld in artikel 1, onderdeel A, onder 5, in de energieprestatieverbetering
van bestaande bedrijfsgebouwen geldt dat op het moment van melden alle noodzakelijke
investeringsverplichtingen, waarmee wordt voldaan aan de gestelde eisen genoemd in
artikel 1, onderdeel A, onder 5, moeten zijn aangegaan.