Algemeen militair ambtenarenreglement

Geraadpleegd op 19-07-2024.
Geldend van 02-08-2006 t/m 15-08-2006

Besluit van 25 februari 1982, houdende regelen betreffende de rechtstoestand van de militaire ambtenaren van de krijgsmacht

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, C. L. J. van Lent van 25 mei 1981, nr. PP81/091/1244;

Overwegende, dat het wenselijk is de bepalingen inzake de rechtstoestand van de militaire ambtenaren van de krijgsmacht aan te passen aan de thans dienaangaande bestaande inzichten en opvattingen;

Gelet op artikel 68 van de Grondwet (Stb. 1972, 193), artikel 125 van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 530), artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (Stb. 519) en artikel 2 van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht (Stb. 1954, 576);

De Raad van State gehoord (advies van 5 oktober 1981, nr. 810923/16);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie, J. van Houwelingen van 18 februari 1982, nr. PP81/094/403;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Betekenis van uitdrukkingen

  • 1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

    • a. Onze Minister

      Onze Minister van Defensie;

    • b. militair

      de militaire ambtenaar in de zin van artikel 1, eerste en tweede lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931;

    • c. militair in werkelijke dienst – tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald – de militair die:

      • 1. is aangesteld bij het beroepspersoneel, tenzij hij op non-activiteit is gesteld of hem buitengewoon verlof van lange duur is verleend;

      • 2. behoort tot het reservepersoneel en als zodanig feitelijk onder de wapenen is;

    • d. officiersrang

      de rang van luitenant ter zee der 3e klasse of van tweede-luitenant of een hogere rang;

    • e. zeemacht, landmacht, luchtmacht en marechaussee

      de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke marechaussee;

    • f. militaire inkomsten

      alle beloningen in geld waarop de militair aanspraak kan maken krachtens de voor hem geldende bezoldigingsregeling of bezoldigingsregelingen, en krachtens de ter uitvoering van deze regeling of regelingen gegeven voorschriften;

    • g. initiële opleiding

      de opleiding als genoemd in artikel 13, eerste lid;

    • h. de commandant operationeel commando

      de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando;

    • i. hoofd defensieonderdeel

      • 1°. de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf;

      • 2°. de commandant operationeel commando voor het desbetreffende commando;

      • 3°. de directeur van de Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf;

      • 4°. de commandant van het Commando Dienstencentra, voor zover het betreft het Commando Dienstencentra.

    • j. de commandant

      een bij ministeriële regeling aan te wijzen functionaris;

    • k. marechaussee

      de militaire ambtenaar ingedeeld bij de Koninklijke Marechaussee.

  • 2 Voor de toepassing van dit besluit wordt mede begrepen onder «rang», «stand» of «klasse»: de bij het koninklijk besluit van 20 juni 1956 (Stb. 361) met die rang, stand of klasse gelijkgestelde rang, stand of klasse.

  • 3 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:

    • a. echtgenote of echtgenoot

      • 1°. de geregistreerde partner;

      • 2°. degene die door de militair als partner is aangemeld bij de Stichting pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt, op voorwaarde dat de militair een bewijs van die aanmelding heeft overlegd aan de commandant;

    • b. huwelijk

      • 1°. geregistreerd partnerschap;

      • 2°. het samenleven met de partner die door de militair als zodanig is aangemeld bij de Stichting pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt.

  • 4 De gelijkstellingen, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onder 2° en onderdeel b, onder 2° eindigen op de dag waarop de aanmelding van het partnerpensioen door het Stichting Pensioenfonds ABP wordt doorgehaald. De militair meldt die doorhaling aan de commandant, waarbij hij een afschrift van de mededeling van die doorhaling verstrekt.

  • 6 Voor de toepassing van de hoofdstukken en artikelen, genoemd in het vijfde lid, wordt voor de geestelijk verzorger als genoemd in het vijfde lid in voorkomend geval onder hoofd defensieonderdeel verstaan: de commandant van het Commando Dienstencentra.

  • 7 Op degene die is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger niet doorlopend werkzaam te zijn, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat hij in voorkomend geval wordt mede begrepen onder het reservepersoneel.

Artikel 2. Afwijking van dit besluit

  • 1 Onze Minister kan in geval van buitengewone omstandigheden tijdelijk afwijken van hetgeen bij of krachtens dit besluit is bepaald, indien en voor zolang dit met het oog op de goede uitvoering van de operationele taken van de krijgsmacht noodzakelijk wordt geacht.

  • 2 Onze Minister kan voorts bijzondere regelen, die afwijken van dit besluit, vaststellen ten aanzien van militairen die tewerkgesteld zijn:

    • a. onder leiding of toezicht van een orgaan van de Verenigde Naties;

    • b. bij of ten behoeve van een bondgenootschappelijk orgaan of bondgenootschappelijke strijdkrachten;

    • c. ten behoeve van operaties in het kader van internationale overeenkomsten of andere verplichtingen door Nederland aangegaan.

    • d. buiten het Ministerie van Defensie, anders dan in de gevallen, bedoeld onder a, b en c,

    met dien verstande dat de bevoegdheid tot afwijken niet geldt met betrekking tot aangelegenheden, geregeld in de hoofdstukken 2, 4, 5 en 6.

Artikel 3. Ter inzage leggen van dit besluit

De commandant draagt er zorg voor dat een of meer exemplaren van dit besluit en van alle overige voorschriften betreffende de rechtstoestand van de militair steeds bij de eenheid of het onderdeel, waartoe de militair behoort, ter inzage aanwezig zijn.

Artikel 3a. Mandaatverlening

De bevoegdheid tot het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in de hoofdstukken 7, 8, 10 en 11, kan door Onze Minister worden gemandateerd aan de hoofddirecteur personeel van het ministerie van Defensie.

Hoofdstuk 2. Aanstelling

Artikel 4. Wijze van aanstelling

  • 1 Aanstelling als militair kan plaatsvinden bij:

    • a. het beroepspersoneel, voor onbepaalde tijd;

    • b. het beroepspersoneel, voor een bepaalde tijd;

    • c. het reserve-personeel, voor onbepaalde tijd;

    • d. het reserve-personeel, voor een bepaalde tijd.

  • 2 De aanstelling waarbij een officiersrang wordt toegekend, geschiedt bij koninklijk besluit.

  • 3 De aanstelling waarbij een rang of stand en klasse wordt toegekend beneden de rang van luitenant ter zee der 3e klasse/tweede-luitenant, geschiedt door Onze Minister.

  • 4 De aanstelling van een lid van het Koninklijk Huis geschiedt bij koninklijk besluit.

Artikel 4a. Werving en selectie

  • 1 De commandant operationeel commando maakt bij de werving bekend en verschaft informatie over:

    • a. de voorwaarden voor aanstelling als bedoeld in artikel 5;

    • b. de uiterlijke datum van inzending van de sollicitatieformulieren;

    • c. bijzondere selectie-onderzoeken;

    • d. de arbeidsvoorwaarden;

    • e. de inhoud van de opleiding;

    • f. de inhoud van de in de regel te vervullen functies;

    • g. de informatie verschaffende instanties.

  • 2 Tijdens de selectie worden de gestelde voorwaarden, bedoeld in het eerste lid onder a, niet ten nadele van de gegadigde gewijzigd.

  • 3 Het inwinnen van inlichtingen – anders dan in het kader van het veiligheidsonderzoek – bij personen en instanties buiten het Ministerie van Defensie staat in direct verband met het functioneren binnen de organisatie en vindt uitsluitend plaats onder opgave van redenen aan de gegadigde en nadat met hem is overeengekomen bij wie en in welke fase van het selectieonderzoek dat kan geschieden.

  • 4 De gegadigde wordt – op diens verzoek – geïnformeerd omtrent de inhoud van de inlichtingen, bedoeld in het derde lid en welke betekenis hieraan voor de selectie is toegekend. De informant wordt vooraf van dit recht van de gegadigde in kennis gesteld.

  • 5 De gegadigde heeft het recht kennis te nemen van de uitslag van het psychologisch onderzoek en om, desgewenst, hierop een toelichting te ontvangen van respectievelijk de psycholoog die het onderzoek heeft verricht of de psycholoog onder wiens verantwoordelijkheid het psychologisch onderzoek heeft plaatsgevonden.

  • 6 De gegadigde heeft het recht om kennis te nemen van de uitslag van het geneeskundig onderzoek binnen twee weken na vaststelling en om, desgewenst, hierop een toelichting te ontvangen van respectievelijk de arts die het onderzoek heeft verricht of de arts onder wiens verantwoordelijkheid het geneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden.

  • 7 De gegadigde heeft het recht zijn bedenkingen tegen de uitslag van een geneeskundig of psychologisch onderzoek kenbaar te maken. Indien deze bedenkingen door een door Onze Minister aan te wijzen arts respectievelijk psycholoog gegrond zijn verklaard, kan hij desgewenst aan een hernieuwd onderzoek worden onderworpen.

  • 8 Aan de gegadigde die deelneemt aan de selectie of onderdelen daarvan wordt een tegemoetkoming wegens ondergane inkomstenderving en gemaakte reiskosten verleend. De kosten die de gegadigde maakt teneinde resultaten van onderdelen van de selectie te verkrijgen worden niet vergoed.

Artikel 5. Voorwaarden voor aanstelling

  • 1 Om in aanmerking te komen voor een aanstelling dient de gegadigde:

    • a. het Nederlanderschap te bezitten;

    • b. te voldoen aan de eisen van lichamelijke en geestelijke geschiktheid die ter zake zijn gesteld bij of krachtens het Militair Keuringsreglement;

    • c. zich schriftelijk bereid te verklaren tot het afleggen van de eed of belofte;

    • d. afhankelijk van de functie dan wel de groepen van functies waarvoor hij is bestemd te voldoen aan, voor zover niet bij of krachtens wet anders is bepaald, door de commandant operationeel commando vastgestelde bijzondere eisen inzake:

      • leeftijd;

      • vooropleiding;

      • geschiktheid, anders dan bedoeld onder b, en bekwaamheid.

  • 2 Wanneer aan de aanstelling een proeftijd is verbonden, kan in bijzondere gevallen worden afgeweken van de bij en krachtens het eerste lid, onder a, b en d, gestelde voorwaarden, indien in redelijkheid mag worden verwacht dat vóór het einde van de proeftijd wel aan de voorwaarden is voldaan. Indien op de laatste dag van de proeftijd niet is voldaan aan alle voorwaarden voor aanstelling, eindigt met ingang van die dag de aanstelling van rechtswege.

Artikel 6. Verandering van de aanstellingsduur

  • 1 Een aanstelling voor een bepaalde tijd kan door het op grond van artikel 4 bevoegde gezag worden verlengd indien de militair zulks wenst, of worden bekort indien de militair daarmee instemt.

  • 2 Onze Minister kan een aanstelling voor een bepaalde tijd verlengen, indien op het tijdstip van beëindiging één van de in artikel 42, eerste lid, onder a, b, c, e of f, genoemde omstandigheden zich voordoet. Ontslagaanvragen van militairen kunnen worden afgewezen en wel tot het tijdstip waarop de hiervoor genoemde desbetreffende omstandigheid zich niet meer voordoet.

Artikel 7. Aan de aanstelling verbonden verplichtingen

  • 1 Aan een aanstelling voor onbepaalde tijd bij het beroepspersoneel is de verplichting verbonden gedurende een door Onze Minister te bepalen tijd deel uit te maken van het beroepspersoneel.

    Tevens kan aan deze aanstelling, naar bij ministeriële regeling te stellen regels, de verplichting worden verbonden gedurende een door Onze Minister te bepalen tijd deel uit te maken van het reserve-personeel. Daarbij kunnen uitsluitend de verplichtingen tot het verrichten van werkelijke dienst worden opgelegd die rechtstreeks voortvloeien uit de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985.

  • 2 Aan een aanstelling voor een bepaalde tijd bij het beroepspersoneel is de verplichting verbonden gedurende die tijd deel uit te maken van het beroepspersoneel. Tevens kan aan deze aanstelling, naar bij ministeriële regeling te stellen regels, de verplichting worden verbonden gedurende een door Onze Minister te bepalen tijd deel uit te maken van het reserve-personeel. In dit geval, kunnen tevens, naar bij ministeriële regeling te stellen regels, verplichtingen tot het verrichten van werkelijke dienst bij het reserve-personeel worden opgelegd welke uitgaan boven de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985.

  • 3 Aan een aanstelling bij het reserve-personeel, anders dan voortvloeiend uit de in de eerste volzin van het eerste lid of de eerste volzin van het tweede lid bedoelde aanstellingen is de verplichting verbonden gedurende ten minste een door Onze Minister te bepalen tijd deel uit te maken van het reserve-personeel. Daarbij kunnen tevens, naar bij ministeriële regeling te stellen regels, verplichtingen tot het verrichten van werkelijke dienst bij het reserve-personeel worden opgelegd welke uitgaan boven de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985.

Artikel 8. Rang of stand en klasse bij aanstelling

Aan de militair wordt door het op grond van artikel 4 bevoegde gezag bij aanstelling een rang of stand en klasse toegekend.

Artikel 9. Proeftijd

Aan een aanstelling kan door het op grond van artikel 4 bevoegde gezag een proeftijd van ten hoogste twaalf kalendermaanden worden verbonden.

Artikel 10. Bekendmaking van functies

  • 1 Aan de militair aangesteld voor onbepaalde tijd wordt bij aanstelling inzicht gegeven in de groepen van functies waarvoor hij is bestemd.

  • 2 Aan de militair aangesteld voor onbepaalde tijd wordt voorts bij afronding van de initiële opleiding de aard en het niveau bekendgemaakt van de eerste functies die hem zullen worden toegewezen.

Artikel 11. Tijdelijke aanstelling

  • 1 Wegens en voor de duur van de vervulling van een functie die niet door reeds in werkelijke dienst verblijvende militairen kan worden vervuld, kan in bijzondere gevallen tijdelijke aanstelling als militair bij het beroepspersoneel plaatsvinden.

  • 2 Bij de in het eerste lid bedoelde tijdelijke aanstelling kan worden afgeweken van de bij en krachtens artikel 5, eerste lid, gestelde voorwaarden.

  • 3 Indien een als zodanig tijdelijk aangestelde militair wordt ontheven van zijn functie, eindigt de aanstelling met ingang van de dag van die ontheffing van rechtswege.

Artikel 12. Akte van aanstelling

Aan de militair wordt zo spoedig mogelijk na aanstelling een akte van aanstelling uitgereikt. Deze moet in ieder geval inhouden:

  • a. naam en voornamen, alsmede de plaats en datum van geboorte;

  • b. het krijgsmachtdeel waarbij de militair is aangesteld;

  • c. de categorie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, waartoe de militair behoort;

  • d. de rang of stand en klasse die de militair is toegekend;

  • e. de functie dan wel groepen van functies waarvoor de militair is bestemd;

  • f. de datum van ingang van de aanstelling;

  • g. voor zover toepasselijk, de aan de aanstelling verbonden verplichtingen als bedoeld in artikel 7.

Hoofdstuk 3. Opleiding

Artikel 13. Initiële opleidingen

  • 1 De militair wordt door de commandant operationeel commando bij aanstelling in beginsel aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding. Deze opleiding is ten minste gericht op het verkrijgen van de benodigde kennis en vaardigheid voor de eerste functie(s) waarvoor hij is bestemd.

  • 2 Aan de aanwijzing voor een initiële opleiding is de verplichting verbonden tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de kosten van de opleiding, indien de militair na het verstrijken van de voor hem geldende proeftijd:

    • a. wordt ontheven van de opleiding;

    • b. voordat de tijd, bedoeld in de eerste volzin van het eerste of tweede lid van artikel 7 is verstreken, wordt ontheven van de functie waarvoor hij is opgeleid dan wel uit de dienst wordt ontslagen.

  • 3 Onder de kosten van de opleiding vallen niet de tijdens de opleiding genoten militaire inkomsten. De commandant operationeel commando kan ten aanzien van bepaalde opleidingen, gelet op de aard en duur daarvan, voor wat betreft de bezoldiging anders bepalen; in deze gevallen is artikel 14, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Bij de berekening van het terug te betalen bedrag wordt uitgegaan van een evenwichtige verdeling van risico´s tussen werkgever en werknemer.

  • 5 Het bedrag van de terugbetalingsverplichting wordt naar evenredigheid verminderd naarmate de termijn als bedoeld in artikel 7 is verstreken.

  • 6 De militair die is aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding, kan daarvan door de commandant operationeel commando worden ontheven, indien hij niet voldoet aan de bij de opleiding gestelde eisen of indien ontheffing in het belang van de dienst of van de militair om andere redenen noodzakelijk is.

  • 7 De commandant operationeel commando kan, indien de billijkheid dit vordert, een militair op wie een verplichting rust als bedoeld in het tweede lid geheel of gedeeltelijk van die verplichting ontheffen.

Artikel 14. Bijscholingsopleidingen

  • 1 De militair kan, al dan niet op eigen aanvraag, door het hoofd defensieonderdeel worden aangewezen voor het volgen van een opleiding om de benodigde kennis en vaardigheid te behouden voor de vervulling van zijn functie, dan wel te verkrijgen voor de vervulling van functies binnen de groepen van functies waarvoor hij is bestemd. Hij wordt tijdig in de gelegenheid gesteld tot het volgen van die opleiding.

  • 2 Aan de aanwijzing op aanvraag voor het volgen van een bijscholingsopleiding kan de verplichting worden verbonden dat de militair nog gedurende een door het hoofd defensieonderdeel te bepalen tijd deel zal blijven uitmaken van het beroepspersoneel, met dien verstande dat, behoudens in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, de termijn ten hoogste 5 jaren bedraagt.

  • 3 Het hoofd defensieonderdeel kan de aanwijzing op aanvraag voor het volgen van een bijscholingsopleiding, afhankelijk van de aard of de duur van de opleiding, de verplichting verbinden tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van hetgeen voor rekening van het rijk aan of ten behoeve van de militair tijdens of in verband met de opleiding is betaald, indien de militair:

    • a. wordt ontheven van de opleiding;

    • b. voordat aan de in het tweede lid bedoelde verplichting is voldaan, wordt ontheven van de functie waarvoor hij is opgeleid, dan wel uit de dienst wordt ontslagen.

    Het bedrag van de terugbetalingsverplichting wordt naar evenredigheid verminderd naarmate de termijn als bedoeld in het tweede lid is verstreken. Het vierde lid van artikel 13 is van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Op de volgens het derde lid vastgestelde terugbetalingsverplichting wordt, gerelateerd aan het aantal maanden dat de opleiding is gevolgd, in mindering gebracht het minimumloon, vastgesteld naar analogie van hetgeen bij en krachtens de Wet minimumloon en minimum-vakantiebijslag is bepaald.

  • 5 Het hoofd defensieonderdeel kent de militair een vergoeding toe voor de aan een bijscholingsopleiding verbonden noodzakelijke en te zijnen laste komende kosten.

  • 6 De militair die is aangewezen voor het volgen van een bijscholingsopleiding, kan daarvan door het hoofd defensieonderdeel worden ontheven, indien hij niet voldoet aan de bij de opleiding gestelde eisen of indien ontheffing in het belang van de dienst of van de militair om andere redenen noodzakelijk is.

  • 7 Het hoofd defensieonderdeel kan, indien de billijkheid dit vordert, een militair op wie een verplichting rust als bedoeld in het tweede of derde lid geheel of gedeeltelijk van die verplichting ontheffen.

Artikel 15. Omscholingsopleidingen

  • 1 De militair kan, al dan niet op eigen aanvraag – in voorkomend geval bij toepassing van artikel 20, dan wel artikel 43, eerste lid – door de commandant operationeel commando worden aangewezen voor het volgen van een opleiding ter verkrijging van de benodigde kennis en vaardigheid voor de vervulling van functies binnen andere groepen van functies dan waarvoor hij tot dan toe was bestemd.

Artikel 17b. Studiefaciliteiten in het kader van de interne werkzekerheid

  • 1 De militair die is aangesteld voor onbepaalde tijd die, zonder daarvoor ingevolge de overige bepalingen van dit hoofdstuk te zijn aangewezen, voor eigen rekening een studie of opleiding volgt of heeft voltooid die naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel mede dan wel volledig in het belang van de dienst is, kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van respectievelijk 50% of 100% in gemaakte studie- en opleidingskosten.

  • 2 De in het kader van de opleiding noodzakelijk gemaakte excursie-, reis- en verblijfkosten komen in aanmerking voor een tegemoetkoming van 50%, in geval van een studie of opleiding mede in het belang van de dienst, dan wel 100% in geval van een studie of opleiding volledig in het belang van de dienst, berekend op de voet van de bepalingen van het Besluit dienstreizen defensie.

  • 3 Het hoofd defensieonderdeel kan, bij een studie of opleiding mede in het belang van de dienst, in bijzondere gevallen bepalen dat de excursie- en verblijfkosten in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van maximaal 75% en de reiskosten in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van maximaal 100%.

  • 4 Tenzij het hoofd defensieonderdeel om redenen van billijkheid anders bepaalt, is de militair verplicht tot terugbetaling van 50% van de aan hem verleende tegemoetkoming van 100% als bedoeld in het eerste en tweede lid in geval:

    • a. hem – zonder de aanduiding eervol – ontslag wordt verleend voordat de studie of opleiding met goed gevolg is afgesloten;

    • b. is vastgesteld dat de studie of opleiding niet met goed gevolg is afgesloten op grond van omstandigheden die aan hem te wijten zijn.

  • 5 Aan de militair worden geen werkzaamheden of diensten opgedragen op de dag waarop de militair tentamens of examens aflegt of op de dag die daaraan voorafgaat, tenzij het dienstbelang zulks naar het oordeel van de commandant onvermijdelijk maakt.

  • 6 De commandant kan met het oog op de voortgang van de studie of opleiding in aanvulling op het vijfde lid bepaalde verloffaciliteiten verlenen.

Artikel 17c. Studiefaciliteiten in het kader van externe werkzekerheid

  • 1 De militair die is aangesteld voor onbepaalde tijd die, zonder daarvoor ingevolge de overige bepalingen van dit hoofdstuk te zijn aangewezen, voor eigen rekening een studie of opleiding volgt of heeft voltooid die naar het oordeel van de commandant operationeel commando in het belang van de bevordering van de externe werkzekerheid van de militair is, kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van 100% in gemaakte studie- en opleidingskosten. De militair komt alleen voor tegemoetkoming in aanmerking als de studie of opleiding is gericht op het wegnemen van opgelopen lacunes in de (beroeps)opleiding of het slechten van scholingsachterstand voor de arbeidsmarkt en niet indien zij louter is gericht op positieverbetering.

  • 2 De in het kader van de opleiding noodzakelijk gemaakte excursie-, reis- en verblijfkosten komen in aanmerking voor een tegemoetkoming van 100%, in geval van een studie of opleiding in het belang van de bevordering van de externe werkzekerheid van de militair, berekend op de voet van de bepalingen van het Besluit dienstreizen defensie.

  • 3 Tenzij de commandant operationeel commando om redenen van billijkheid anders bepaalt, betaalt de militair 50% van de aan hem verleende tegemoetkoming als bedoeld in het eerste en tweede lid terug in geval:

    • a. hem – zonder de aanduiding eervol – ontslag wordt verleend voordat de studie of opleiding met goed gevolg is afgesloten;

    • b. is vastgesteld dat de studie of opleiding niet met goed gevolg is afgesloten op grond van omstandigheden die aan hem te wijten zijn.

  • 4 Aan de militair worden geen werkzaamheden of diensten opgedragen op de dag waarop de militair tentamens of examens aflegt of op de dag die daaraan voorafgaat, tenzij het dienstbelang zulks naar het oordeel van de commandant onvermijdelijk maakt.

  • 5 De commandant kan met het oog op de voortgang van de studie of opleiding in aanvulling op het vierde lid bepaalde verloffaciliteiten verlenen.

Hoofdstuk 4. Functietoewijzing en bevordering

Artikel 18. Begripsbepaling

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. functietoewijzing: de aanwijzing van de militair voor het vervullen van een functie;

  • b. bevordering: het toekennen aan de militair van een hogere rang, waaronder mede wordt verstaan stand en klasse.

Artikel 19. Functietoewijzing en ontheffing uit de functie

  • 1 Functietoewijzing, waarbij aan de duur van de functievervulling een maximum termijn kan worden verbonden, en ontheffing uit de functie geschieden:

    • a. door Onze Minister indien het de functie betreft van Commandant der Strijdkrachten, Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht en commandant operationeel commando;

    • b. door de Secretaris-Generaal, indien het betreft de overige functies waaraan de rang van kapitein ter zee/kolonel of een hogere rang is verbonden;

    • c. door de commandant operationeel commando, indien aan de functie een lagere rang is verbonden dan kapitein ter zee/kolonel.

  • 2 De militair is gehouden de hem toegewezen functie te vervullen.

  • 3 Na ontheffing uit de functie volgt in beginsel functietoewijzing, bestemming voor een bijscholingsopleiding of bestemming voor een omscholingsopleiding.

  • 4 Indien de militair buiten staat is de hem toegewezen functie te vervullen, kunnen daaraan door de functietoewijzingsautoriteit, als bedoeld in het eerste lid, consequenties worden verbonden met betrekking tot de toekomstige functietoewijzing.

Artikel 20. Wijziging van bestemming

  • 1 De militair kan worden bestemd voor andere groepen van functies dan waarvoor hij tot dan toe was bestemd:

    • a. op zijn aanvraag, al dan niet binnen het krijgsmachtdeel waartoe hij behoort;

    • b. bij gebleken noodzaak in het belang van de dienst binnen zijn krijgsmachtdeel, bij voorkeur met zijn instemming;

    • c. bij gebleken noodzaak in het belang van de dienst bij een ander krijgsmachtdeel, uitsluitend met zijn instemming.

  • 2 Bij toepassing van het eerste lid wordt gewijzigd hetgeen ingevolge artikel 12, onder b, e en/of g, in de akte van aanstelling is opgenomen.

Artikel 21. Belangstellingsregistratie

Voor bepaling van de functies die voor functietoewijzing beschikbaar zijn en voor de bepaling van welke militair deze functie kan vervullen:

  • a. maakt de commandant operationeel commando periodiek de voor het krijgsmachtdeel van belang zijnde beschikbare functies bekend;

  • b. wordt de militair door de commandant operationeel commando periodiek in de gelegenheid gesteld zijn voorkeur kenbaar te maken voor toekomstige te vervullen functies.

Artikel 22. Opbouw van kennis en ervaring

Om voor een functie in aanmerking te komen moet de militair voldoen aan de gestelde eisen omtrent de opbouw van kennis en ervaring voor de vervulling van die functie.

Artikel 23. Beslissing tot functietoewijzing

Bij het nemen van een beslissing tot functietoewijzing wordt rekening gehouden met de volgende factoren:

  • a. de noodzaak van een voortdurende taakvervulling door de krijgsmacht en in samen-hang daarmee van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies;

  • b. de wenselijkheid van een spreiding van de totale loopbaan van de militair over functies en van een daarmee gepaard gaande opbouw van kennis en ervaring;

  • c. de bekwaamheid en geschiktheid van de militair voor de functie;

  • d. de door de militair kenbaar gemaakte voorkeur.

Artikel 24. Bekendmaking van functietoewijzing

De commandant operationeel commando stelt de betrokken militair indien mogelijk zes maanden, doch in ieder geval - tenzij het dienstbelang naar zijn oordeel noodzaakt tot afwijking - twee maanden vóór de vermoedelijke datum van ingang van functievervulling, in kennis van het voornemen tot functietoewijzing, onder vermelding van:

  • a. de functie;

  • b. de standplaats;

  • c. de datum van ingang;

  • d. een indicatie van de duur van de functievervulling.

Artikel 25. Waarneming

  • 1 In afwijking van artikel 19, eerste lid, kan de militair voor een periode van maximaal 12 maanden worden belast met de volledige waarneming van een functie. Onder volledige waarneming van een functie wordt verstaan het op aanwijzing van de commandant operationeel commando verrichten van het volledige samenstel van werkzaamheden verbonden aan een andere functie dan die aan hem is toegewezen, met de daarmee gepaard gaande bevoegdheden en verantwoordelijkheden.

  • 2 Voorts kan de militair door de commandant operationeel commando tijdelijk worden belast met de waarneming van een deel van het samenstel van werkzaamheden verbonden aan een andere functie dan die aan hem is toegewezen.

Artikel 26. Ontheffing van functie-eisen

Indien het onder bijzondere omstandigheden onmogelijk is gebleken de militair tijdig aan te wijzen voor een opleiding als bedoeld in de artikelen 14 en 15 kan hij voor de tijd dat hij de opleiding nog niet heeft voltooid het op grond van artikel 19 bevoegde gezag worden ontheven van bepaalde eisen die aan de aan hem toegewezen functie zijn verbonden.

Artikel 27. Bevordering

  • 1 Bij koninklijk besluit geschiedt de bevordering van:

    • a. een militair met een rang beneden de rang van luitenant ter zee der derde klasse/tweede luitenant tot een officiersrang;

    • b. een militair die een officiersrang bekleedt;

    • c. een lid van het Koninklijk Huis;

    • d. een militair die behoort tot het Militaire Huis van Hare Majesteit de Koningin;

    • e. een militair tot de rang van commandeur/brigade-generaal/commodore of tot een hogere rang.

  • 2 De bevoegdheid tot de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bevordering kan bij koninklijk besluit aan Onze Minister worden toegekend.

  • 3 Bevordering van de overige militairen geschiedt door de commandant operationeel commando.

  • 4 Aan de militair die een functie is toegewezen waaraan een hogere rang is verbonden dan de rang die hij bekleedt, wordt op de datum van ingang van functievervulling die hogere rang toegekend. Het toekennen van die rang kan tevens, voor een korte periode van voorbereiding, daaraan voorafgaand geschieden.

  • 5 In afwijking van het vierde lid kan aan de militair in bijzondere gevallen tijdelijk een hogere rang worden toegekend dan die welke hij bekleedt, indien het gewenste optreden van de betrokken militair daartoe noodzaakt en het optreden een wezenlijk onderdeel vormt van zijn functie. Wanneer de reden tot het toekennen van deze hogere rang vervalt, keert hij van rechtswege terug tot de rang of klasse die hij daarvoor bekleedde.

  • 6 In afwijking van het vierde lid kan, indien de militair een functie wordt toegewezen in het kader van een vredesoperatie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, de bij de functie behorende rang tijdelijk, voor de duur van de functievervulling, worden toegekend indien de militair niet voldoet aan de in artikel 22 bedoelde eisen.

  • 7 De navolgende bevorderingen kunnen geschieden in afwijking van het gestelde in het vierde lid:

    • a. bij de zeemacht: de bevorderingen in de stand van matroos, en de bevordering van luitenant ter zee der 3e klasse tot luitenant ter zee der 2e klasse;

    • b. bij de landmacht, de luchtmacht en de marechaussee: de bevordering van korporaal tot korporaal der 1e klasse, de bevordering van marechaussee tot marechaussee der 1e klasse, de bevordering van sergeant tot sergeant der 1e klasse, alsmede de bevordering van tweede-luitenant tot eerste-luitenant.

  • 8 Indien een militair die een rang tijdelijk bekleedt, overlijdt, wordt hij geacht die tijdelijke rang effectief bekleed te hebben op het tijdstip van zijn overlijden.

Artikel 28. Bevordering tijdens opleiding

  • 1 In afwijking van artikel 27, derde en vierde lid, kan de militair die een initiële opleiding volgt en aan de eisen voldoet, bij afronding van delen van de opleiding door de commandant operationeel commando worden bevorderd.

  • 2 De commandant operationeel commando kan aan de militair tijdens een opleiding een titulaire rang of tijdelijk een rang toekennen.

Artikel 29. Bijzondere bepalingen voor de zeemacht

De militair bij de zeemacht die, anders dan bij wijze van initiële opleiding, een onderofficiersopleiding volgt, kan na afronding van die opleiding door de Commandant Zeestrijdkrachten worden bevorderd tot korporaal.

Artikel 29a. Overgangsbeleid bevordering tot sergeant bij de Koninklijke Marine

  • 1 Aan de militair bij de zeemacht, die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van dit artikel de rang van korporaal bekleedt, zal, indien hij 12 jaar die rang heeft bekleed, bij voorrang een functie worden toegewezen waaraan de rang van sergeant is verbonden, voor zover een dergelijke functie beschikbaar is, met dien verstande dat een dergelijke functietoewijzing niet kan geschieden binnen een termijn van twee jaar voor de dag waarop hem ontslag als bedoeld in artikel 39a, onder a, zal worden verleend.

  • 2 Indien het niet mogelijk is om de militair, bedoeld in het eerste lid, een functie toe te wijzen waaraan de rang van sergeant is verbonden, wordt hij, op het moment dat hij de rang van korporaal 15 jaar heeft bekleed, bevorderd tot sergeant.

  • 3 De militair bij de zeemacht, die op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit artikel de rang van korporaal bekleedt en aan wie twee jaar voor de dag waarop hem ontslag als bedoeld in artikel 39a, onder a, zal worden verleend, nog geen functie is of kan worden toegewezen waaraan de rang van sergeant is verbonden, wordt niettemin bevorderd tot sergeant.

  • 4 Om voor toewijzing van een functie waaraan de rang van sergeant is verbonden, als bedoeld in het eerste lid, dan wel voor een bevordering tot sergeant, als bedoeld in het tweede en derde lid, in aanmerking te komen dient de militair te voldoen aan de gestelde eisen, bedoeld in artikel 22.

Artikel 30. Behoud toegekende rang

  • 1 In bijzondere gevallen kan aan de militair een functie worden toegewezen waaraan een lagere rang is verbonden dan de rang die hij bekleedt.

  • 2 De militair aan wie een functie wordt toegewezen waaraan een lagere dan de door hem beklede rang is verbonden, alsmede de militair die is aangewezen voor het volgen van een opleiding, behoudt zijn rang.

Artikel 31. Akte van bevordering

Aan de militair die is bevorderd, wordt als akte van bevordering een afschrift van of uittreksel uit het betreffende besluit uitgereikt. In de akte van een tijdelijke bevordering, als bedoeld in artikel 27, vijfde lid, worden de reden en het tijdelijk karakter van die bevordering uitdrukkelijk vermeld.

Hoofdstuk 5. Schorsing

Artikel 34. Gevallen waarin schorsing plaatsvindt

Artikel 35. Wijze waarop schorsing plaatsvindt

  • 3 Een schorsing als bedoeld in artikel 34, tweede lid, gaat in op het tijdstip, waarop deze de betrokken militair bekend wordt gemaakt. Indien het gedurende zes dagen feitelijk niet mogelijk is de militair het schorsingsbesluit ter kennis te brengen, gaat de schorsing in op de zevende dag na de dagtekening van het schorsingsbesluit.

Artikel 36. Opheffing van de schorsing

  • 2 Een schorsing als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel c, wordt opgeheven wanneer de belangen van de dienst de schorsing niet meer vorderen, doch uiterlijk na drie maanden, tenzij de omstandigheid die aanleiding gaf voor die schorsing zich nog immer voordoet.

Hoofdstuk 6. Ontslag

Artikel 38. Bevoegdheid tot het verlenen van ontslag

  • 1 Het verlenen van ontslag aan de militair met een officiersrang geschiedt bij koninklijk besluit.

  • 2 Het verlenen van ontslag aan de militair met een rang beneden de rang van luitenant ter zee der 3e klasse/tweede-luitenant, of een stand, geschiedt door Onze Minister.

Artikel 39. Ontslaggronden

  • 1 Aan de militair kan ontslag op aanvraag worden verleend, indien hij daartoe aan het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven.

  • 2 Aan de militair kan verder uitsluitend ontslag worden verleend:

    • a. ter zake van het bereiken of overschrijden van de leeftijd van 58 jaar;

    • b. wanneer hij is aangesteld voor een bepaalde tijd, ter zake van het eindigen van de tijd waarvoor de aanstelling is geschied;

    • c. wanneer zijn diensten door het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag niet langer nodig worden geoordeeld, nadat hij ingevolge artikel 8 van de Uitkeringswet gewezen militairen weder is aangesteld;

    • d. wegens overtolligheid indien er voor hem geen functie beschikbaar is, onverminderd het bepaalde in artikel 43;

    • e. wanneer hij, bij ontslag uit een ambt, voor het bekleden waarvan hij op non-activiteit was gesteld:

      • 1°. het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag niet doet blijken van zijn verlangen om in werkelijke dienst te worden gehandhaafd; dan wel

      • 2°. ofschoon hij dat verlangen te kennen heeft gegeven, naar verwachting niet binnen twee jaren bij het krijgsmachtdeel waartoe hij behoort, of indien dat niet mogelijk is bij een ander krijgsmachtdeel, kan worden geplaatst;

    • f. ter zake van blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de dienst uit hoofde van een ziekte of een gebrek;

    • g. wanneer hij behoort tot de zeemacht en een officiersrang heeft, dan wel wanneer hij behoort tot de landmacht, luchtmacht of marechaussee - ongeacht welke rang hij heeft -, ter zake van het bereiken of overschrijden van de leeftijd van vijftig jaar, wanneer hij naar het oordeel van het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag - in verband met zijn leeftijd voor het vervullen van de dienst niet meer ten volle geschikt is;

    • h. wegens ontheffing van de initiële opleiding tot het volgen waarvan hij bij zijn aanstelling is aangewezen, om reden dat hij niet voldoet aan de bij die opleiding gestelde eisen;

    • i. [Red: vervallen;]

    • j. wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie of voor de vervulling van functies binnen de groepen van functies, waarvoor hij is bestemd, wat de ongeschiktheid betreft, voor zover het bepaalde onder f of g niet toepasselijk is; een en ander onverminderd het bepaalde in artikel 43, eerste lid;

    • k. wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten;

    • l. wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt;

    • m. wegens een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en is gewezen in verband met een feit van zodanige aard, dat, mede gelet op het algemeen gedrag van de militair, diens ontslag in het belang van de dienst noodzakelijk is;

    • n. ter zake van misleiding bij zijn indiensttreding indien blijkt dat hij bij zijn aanmelding onjuiste gegevens heeft verstrekt of omstandigheden heeft verzwegen en de juiste gegevens of de verzwegen omstandigheden de aanstelling zouden hebben belet, tenzij de militair aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.

  • 3 Aan de militair die behoort tot het reserve-personeel kan voorts ontslag worden verleend ter zake van een aanstelling in een betrekking, die krachtens enig wettelijk voorschrift onverenigbaar is met de militaire dienst.

  • 4 Aan de militair die is aangesteld bij het reserve-personeel op grond van zijn burgerlijke betrekking kan voorts nog ontslag worden verleend ter zake van beëindiging van die burgerlijke betrekking.

  • 5 Aan de militair die behoort tot het reserve-personeel op grond van artikel 67 van de Kaderwet dienstplicht kan voorts nog ontslag worden verleend:

    • a. ter zake van het eindigen van zijn dienstplicht;

    • b. ter zake van het eindigen van zijn dienstverhouding bij het reserve-personeel, indien het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag handhaving van die dienstverhouding niet langer nodig oordeelt.

  • 6

    • a. Aan de militair behorend tot het beroepspersoneel die de rang van commandeur, brigade-generaal of commodore bekleedt, of die een hogere rang bekleedt, kan voorts ontslag worden verleend.

      • 1°. op voordracht van Onze minister-president en Onze Minister, wanneer het belang van de dienst dit noodzakelijk maakt;

      • 2°. op andere gronden;

    • b. In deze gevallen wordt bij koninklijk besluit - in het geval bedoeld onder a, ten eerste, op de gezamenlijke voordracht van Onze minister-president en van Onze Minister - een regeling getroffen waarbij aan de betrokkene een uitkering wordt toegekend welke met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Die regeling zal in geen geval nadeliger mogen zijn dan die volgens welke de uitkering ingevolge de Uitkeringswet gewezen militairen zou zijn toegekend, waarop de betrokken militair aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hem, in plaats van vorenbedoeld ontslag, op grond van het tweede lid onder a, ontslag zou zijn verleend.

  • 7 Aan de militair voor wie na de aanstelling een proeftijd geldt, kan tijdens die proeftijd ontslag worden verleend zonder toepassing van één van de in het tweede lid genoemde ontslaggronden.

Artikel 39a. Overgangsbepaling ontslagleeftijd

In afwijking van artikel 39, tweede lid, onder a, kan aan de militair die vóór 1 januari 2002 voor onbepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel, ontslag worden verleend wegens het bereiken of overschrijden van de volgende ontslagleeftijd:

  • a. Voor de militair van de zeemacht zonder rang, of die een rang bekleedt lager dan luitenant ter zee der derde klasse, die de leeftijd van vijftig jaar bereikt:

    • 1°. in het jaar 2002, 2003, 2004, of 2005: vijftig jaar;

    • 2°. in het jaar 2006: vijftig jaar en drie maanden;

    • 3°. in het jaar 2007: vijftig jaar en zes maanden;

    • 4°. in het jaar 2008: vijftig jaar en negen maanden;

    • 5°. in het jaar 2009: eenenvijftig jaar;

    • 6°. in het jaar 2010: eenenvijftig jaar en drie maanden;

    • 7°. in het jaar 2011: eenenvijftig jaar en zes maanden;

    • 8°. in het jaar 2012: tweeënvijftig jaar;

    • 9°. in het jaar 2013: tweeënvijftig jaar en zes maanden;

    • 10°. na 1 januari 2014: drieënvijftig jaar;

  • b. Voor de militair van de zeemacht, die de rang bekleedt van luitenant ter zee der derde klasse, luitenant ter zee der tweede klasse of luitenant ter zee der tweede klasse oudste categorie, die de leeftijd van tweeënvijftig jaar bereikt:

    • 1°. in het jaar 2002, 2003, 2004 of 2005: tweeënvijftig jaar;

    • 2°. in het jaar 2006 : tweeënvijftig jaar en drie maanden;

    • 3°. in het jaar 2007: tweeënvijftig jaar en zes maanden;

    • 4°. in het jaar 2008: tweeënvijftig jaar en negen maanden;

    • 5°. in het jaar 2009: drieënvijftig jaar;

    • 6°. in het jaar 2010: drieënvijftig jaar en drie maanden;

    • 7°. in het jaar 2011: drieënvijftig jaar en zes maanden;

    • 8°. in het jaar 2012: vierenvijftig jaar;

    • 9°. in het jaar 2013: vierenvijftig jaar en zes maanden;

    • 10°. na 1 januari 2014: vijfenvijftig jaar;

  • c. Voor de militair van de zeemacht die de rang bekleedt van luitenant ter zee der eerste klasse, of een hogere rang:

    • 1°. van 1 januari 2002 tot en met 30 juni 2002: drieënvijftig jaar en zes maanden;

    • 2°. van 1 juli 2002 tot en met 30 juni 2003: drieënvijftig jaar en negen maanden;

    • 3°. van 1 juli 2003 tot en met 30 juni 2005: vierenvijftig jaar;

    • 4°. van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006: vierenvijftig jaar en drie maanden;

    • 5°. van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007: vierenvijftig jaar en zes maanden;

    • 6°. van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008: vierenvijftig jaar en negen maanden;

    • 7°. van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2008: vijfenvijftig jaar;

  • d. Voor de militair van de zeemacht die de rang bekleedt van luitenant ter zee der eerste klasse, of een hogere rang, die de leeftijd van vijfenvijftig jaar bereikt:

    • 1°. in het jaar 2009: vijfenvijftig jaar en drie maanden;

    • 2°. in het jaar 2010: vijfenvijftig jaar en zes maanden;

    • 3°. in het jaar 2011: vijfenvijftig jaar en negen maanden;

    • 4°. in het jaar 2012: zesenvijftig jaar;

    • 5°. in het jaar 2013: zesenvijftig jaar en drie maanden;

    • 6°. in het jaar 2014: zesenvijftig jaar en zes maanden;

    • 7°. in het jaar 2015: zevenenvijftig jaar;

    • 8°. in het jaar 2016: zevenenvijftig jaar en zes maanden;

  • e. Voor de overige militairen, die de leeftijd van vijfenvijftig jaar bereiken:

    • 1°. in het jaar 2002, 2003, 2004, of 2005: vijfenvijftig jaar;

    • 2°. in het jaar 2006: vijfenvijftig jaar en drie maanden;

    • 3°. in het jaar 2007: vijfenvijftig jaar en zes maanden;

    • 4°. in het jaar 2008: vijfenvijftig jaar en negen maanden;

    • 5°. in het jaar 2009: zesenvijftig jaar;

    • 6°. in het jaar 2010: zesenvijftig jaar en drie maanden;

    • 7°. in het jaar 2011: zesenvijftig jaar en zes maanden;

    • 8°. in het jaar 2012: zevenenvijftig jaar;

    • 9°. in het jaar 2013: zevenenvijftig jaar en zes maanden.

Artikel 40. Ontslag bij aanvaarding van het ambt van minister of staatssecretaris

Aan de militair die behoort tot het beroepspersoneel en die een benoeming tot minister of staatssecretaris aanvaardt, wordt ontslag verleend.

Artikel 41. Aanduiding van het ontslag

Het ontslag wordt "eervol" verleend, behoudens in de gevallen, genoemd in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, l, m en n, in welke gevallen het ontslag zonder die aanduiding wordt verleend.

Artikel 42. Afwijzing van een aanvraag om ontslag

  • 1 Een aanvraag van de militair om ontslag uit de dienst kan uitsluitend worden afgewezen:

    • a. in geval van buitengewone omstandigheden;

    • b. gedurende de tijd dat hij is ingedeeld bij een gedeelte van de krijgsmacht, waaraan de bekendmaking, bedoeld in artikel 71 van het Wetboek van Militair Strafrecht is gedaan;

    • c. gedurende de tijd waarin naar het oordeel van Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers, het landsbelang wegens bijzondere omstandigheden vordert dat het ontslag niet wordt verleend;

    • d. indien op hem nog de verplichting rust om deel uit te maken van het beroeps- of het reserve-personeel;

    • e. indien dit nodig is voor het onderzoek omtrent een strafbaar feit waarvan hij wordt verdacht, dan wel indien hij strafrechtelijk wordt vervolgd of een naar aanleiding van zodanige vervolging tegen hem gewezen rechterlijke uitspraak nog niet in kracht van gewijsde is gegaan;

    • f. indien Onze Minister besloten heeft hem in aanmerking te brengen voor ontslag om een van de redenen, genoemd in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, l, m en n, of het nemen van zodanig besluit overweegt.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de militair voor wie na de datum van ingang van de aanstelling een proeftijd geldt, gedurende die proeftijd.

Artikel 43. Ontslag wegens overtolligheid van personeel of onbekwaamheid/ongeschiktheid

  • 1 Ontslag van een voor onbepaalde tijd aangestelde militair om de reden, genoemd in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder d of j kan slechts plaatsvinden indien het naar het oordeel van de minister na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de militair binnen zijn krijgsmachtdeel, of indien dit niet mogelijk is bij een ander krijgsmachtdeel, een andere, mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passende, functie toe te wijzen, dan wel indien hij een zodanige functie weigert te aanvaarden. In het onderzoek wordt de mogelijkheid tot bij- of omscholing van de militair betrokken.

  • 2 Indien meerdere functies worden opgeheven in verband met een reorganisatie of een wijziging van de personeelssamenstelling van een krijgsmachtdeel, vindt ontslag wegens overtolligheid plaats naar een vooraf vastgesteld en bekendgemaakt plan.

Artikel 44. Ontslag wegens blijvende geestelijke of lichamelijke ongeschiktheid

Ontslag om de reden, genoemd in artikel 39, tweede lid onder f, wordt pas verleend, nadat de militair ter zake van het ontstaan, de aard en de gevolgen van zijn ziekte of gebrek is onderworpen aan een geneeskundig onderzoek naar de regelen, gesteld bij het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen.

Artikel 45. Ontslag wegens onvoldoende waarborg voor getrouwe plichtsvervulling

  • 1 Ontslag om de reden als bedoeld in artikel 12g, tweede lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931, kan slechts plaatsvinden met medewerking van Onze Minister-President dan wel, indien het de militair met een officiersrang betreft, op voordracht van Onze Minister-President en Onze Minister. Daaraan voorafgaand wordt het advies ingewonnen van een commissie, bestaande uit vijf leden en vijf plaatsvervangende leden.

  • 2 De leden en de plaatsvervangende leden van de commissie, bedoeld in het eerste lid worden bij koninklijk besluit benoemd op voordracht van Onze Minister-President en van Onze Minister. De taak, samenstelling en werkwijze van de commissie worden bij de instelling geregeld.

Artikel 47. Datum van ingang van het ontslag

  • 1 Ontslag wordt in het algemeen verleend met ingang van de eerste dag van een kalendermaand.

  • 2 Een ontslag op aanvraag anders dan tijdens de proeftijd en een ontslag om een van de redenen, genoemd in artikel 39, tweede lid onder c, d, e, f, g, en j, gaan niet eerder in dan nadat ten minste drie maanden zijn verstreken sedert het tijdstip waarop het aanvraag om ontslag is ingediend onderscheidenlijk de militair van de beslissing tot ontslagverlening schriftelijk in kennis is gesteld.

  • 3 Een ontslag op aanvraag tijdens de proeftijd en de ontslagen, bedoeld in artikel 39, tweede lid onder h, en zevende lid, gaan niet eerder in dan nadat ten minste een maand is verstreken sedert het tijdstip waarop het aanvraag om ontslag is ingediend of de militair van de beslissing onderscheidenlijk het voorstel tot ontslagverlening schriftelijk in kennis is gesteld.

  • 4 De in het tweede en derde lid genoemde termijnen kunnen op verzoek van de militair worden bekort.

  • 5 De ingangsdatum van reeds verleend ontslag kan worden opgeschort indien en voor zolang zich één van de omstandigheden voordoet, bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder a, b, c en e, alsmede indien zich een omstandigheid voordoet die naar het oordeel van het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag grond oplevert voor ontslag om één van de redenen, genoemd in artikel 39, tweede lid onder k, l, m of n.

  • 6 Een ontslag ten gevolge van het aanvaarden van het ambt van minister of staatssecretaris, als bedoeld in artikel 40, gaat in op de dag van aanvaarding van dit ambt.

Artikel 48. Intrekking van reeds verleend ontslag

Ontslag dat is verleend om een andere reden dan genoemd in artikel 39, tweede lid onder k, l, m of n, en dat nog niet is ingegaan, wordt ingetrokken, indien zich inmiddels een omstandigheid heeft voorgedaan die het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag aanleiding geeft de militair te ontslaan om één van de redenen, genoemd in artikel 39, tweede lid onder k, l, m of n.

Artikel 49. Ontslag tijdens verblijf buiten Nederland

  • 1 In afwijking van artikel 47, tweede lid, kan het tijdstip van ingang van een ontslag-op-aanvraag van de militair die om redenen van dienst buiten Nederland verblijft, worden uitgesteld voor de tijd die onvermijdelijk nodig is om hem aldaar te vervangen, maar voor ten hoogste drie maanden.

  • 2 Het ontslag van de militair die om redenen van dienst buiten Nederland verblijft, gaat eerst in op een datum gelegen na het tijdstip van zijn terugkeer in Nederland.

  • 3 Van het tweede lid kan worden afgeweken, indien de militair zulks aanvraagt en het dienstbelang zich naar het oordeel van het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag niet verzet tegen inwilliging van het aanvraag, of indien de terugkeer niet tijdig plaatsvindt ten gevolge van omstandigheden die zijn te wijten aan de schuld of het toedoen van de militair.

Artikel 51. Getuigschrift

  • 1 Aan de militair aan wie ontslag wordt verleend nadat hij ten minste één jaar in werkelijke dienst is geweest, wordt op zijn verzoek de commandant operationeel commando een getuigschrift uitgereikt.

  • 2 Het getuigschrift vermeldt:

    • a. de begindatum en einddatum van de dienstverhouding, alsmede de arbeidsduur per week;

    • b. de aard van de verrichte werkzaamheden;

    • c. de wijze waarop de militair zijn werkzaamheden heeft verricht;

    • d. de grond waarop aan de militair ontslag is verleend.

  • 3 De in lid 2, onderdelen c en d, genoemde gegevens worden slechts op verzoek van de militair in het getuigschrift vermeld.

Artikel 53. Ontslag van rechtswege

De militair is van rechtswege ontslagen:

  • a. zodra hij het Nederlanderschap verliest;

  • b. zodra een tegen hem gewezen vonnis waarbij de bijkomende straf van ontzetting van het recht om bij de gewapende macht te dienen is opgelegd zonder dat daarbij is bepaald dat deze straf geheel of gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd, in kracht van gewijsde is gegaan.

In deze gevallen wordt de militair door Onze Minister schriftelijk in kennis gesteld van het feit dat, de datum met ingang waarvan en de reden waarom hij van rechtswege ontslagen is.

Hoofdstuk 7. Werk- en rusttijden

Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake werk- en rusttijden

Artikel 54a. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. militair:

    de militair in werkelijke dienst;

  • b. diensten:

    activiteiten die zijn vereist voor het functioneren van de militaire organisatie, voor zover deze zijn ingesteld door het hoofd defensieonderdeel;

  • c. werkzaamheden:

    activiteiten die voortvloeien uit de door de militair vervulde functie, alsmede andere opgedragen activiteiten die om redenen van dienst of in het algemeen belang noodzakelijk zijn, doch die niet kunnen worden aangemerkt als diensten;

  • d. werktijd:

    het totaal van de in kloktijden aangegeven perioden gedurende welke een militair de hem opgedragen werkzaamheden of diensten moet verrichten;

  • e. rooster:

    een voor een periode van tenminste een week opgesteld en van tevoren schriftelijk bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werk- en rusttijden, eventueel afzonderlijk vastgesteld voor werkzaamheden en voor diensten;

  • f. arbeidsduur:

    de tijdsduur, uitgedrukt in een aantal uren per dag of per week, gedurende welke een militair werkzaamheden of diensten verricht;

  • g. nachtdienst:

    een werkdag waarin de uren tussen 00.00 uur en 06.00 uur geheel of gedeeltelijk zijn begrepen;

  • h. werkdag:

    een aaneengesloten tijdruimte waarin werkzaamheden of diensten worden verricht en die is gelegen tussen twee voorgeschreven opeenvolgende onafgebroken rusttijden;

  • i. pauze:

    een tijdruimte van ten minste 15 achtereenvolgende minuten, waarmee de werkzaamheden of diensten tijdens de werkdag worden onderbroken en de militair geen enkele verplichting heeft ten aanzien van de bedongen werkzaamheden of diensten;

  • j. consignatie:

    een tijdruimte tussen twee elkaar opeenvolgende werkdagen of tijdens een pauze, waarin die militair uitsluitend verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen werkzaamheden of diensten te verrichten;

  • k. aanwezigheidsdienst:

    een aaneengesloten tijdruimte van ten hoogste 24 uren, waarin de militair, zo nodig naast het verrichten van de bedongen werkzaamheden of diensten, consignatie wordt opgelegd waarbij die militair verplicht is op de werkplek aanwezig te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen werkzaamheden of diensten te verrichten;

  • l. piket:

    een periode waarin de militair, zo nodig naast het verrichten van de bedongen werkzaamheden of diensten, consignatie wordt opgelegd waarbij de militair verplicht is om in verband met zijn bereikbaarheid op de werkplek aanwezig te zijn;

  • m. oefening:

    elk door defensiepersoneel in de praktijk brengen van onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van aan de krijgsmacht opgedragen operationele taken te verwerven, te vergroten of te onderhouden.

Artikel 54b. Vaststelling werk- en rusttijden

  • 1 De militair verricht de hem opgedragen werkzaamheden of diensten in beginsel gedurende vastgestelde werktijden.

  • 2 De werk- en rusttijden van de militair worden met inachtneming van de bepalingen in dit hoofdstuk, en nadat hierover overeenkomstig het Besluit medezeggenschap defensie overeenstemming is bereikt met de betrokken medezeggenschapscommissie, vastgesteld door de commandant en schriftelijk vastgelegd in roosters.

  • 3 De werktijd dient zoveel mogelijk te zijn gelegen tussen 07.00 en 18.00 uur.

  • 4 De arbeidsduur bedraagt gerekend over de periode waarvoor het rooster is vastgesteld ten hoogste gemiddeld 38 uren per week. Hiervan kan worden afgeweken ter zake van het verrichten van diensten.

  • 5 Door Onze Minister kunnen functies worden aangewezen waarbij het reizen, naar en vanaf de plaats waar de militair werkzaamheden of diensten moet verrichten, een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van de functie. Bij die functies wordt de reisduur buiten de voor de militair geldende werktijd als arbeidsduur aangemerkt.

Artikel 54c. Bekendstelling werk- en rusttijden

  • 1 De commandant die een rooster vaststelt of opnieuw vaststelt, maakt het rooster ten minste 28 dagen vóór de datum van inwerkingtreding bekend aan de militair.

  • 2 Indien de aard van de werkzaamheden of diensten toepassing van het eerste lid onmogelijk maakt, stelt de commandant ten minste 28 dagen van tevoren aan de militair bekend op welke dag de rusttijd, bedoeld in de artikelen 56e en 57a, eerste lid, aanvangt. Tevens maakt hij aan de militair ten minste 4 dagen van tevoren de tijdstippen bekend waarop hij werkzaamheden of diensten moet verrichten.

  • 3 De commandant dient overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt af te wijken van het eerste of tweede lid.

Artikel 54d. Tijdelijke verlenging van de arbeidsduur

  • 1 De militair die voor onbepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel, alsmede de militair die voor bepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel en de leeftijd van dertig jaar heeft bereikt, en van wie het rooster is gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week, kan bij de commandant een aanvraag indienen om zijn arbeidsduur tijdelijk gedurende een kalenderjaar met 2 uren per week te verlengen. Voor de militair die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de ingevolge de vorige volzin geldende aanspraak vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.

  • 2 Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt vóór 1 oktober voorafgaande aan het desbetreffende kalenderjaar ingediend bij de commandant.

  • 3 De commandant wijst een aanvraag als bedoeld in het eerste en het vierde lid toe, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. In ieder geval wordt de aanvraag afgewezen indien de tijdelijke verlenging van de arbeidsduur geen effect heeft op de formatie, onder door het hoofd defensieonderdeel nader vast te stellen voorwaarden.

  • 4 Indien de militair een andere functie wordt toegewezen vervalt met ingang van de datum waarop hij de nieuwe functie gaat vervullen de toewijzing bedoeld in het derde lid. In afwijking van de datum genoemd in het tweede lid kan de militair bij zijn nieuwe commandant een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen. Bij toewijzing geldt de verlenging van de arbeidsduur voor het resterende gedeelte van het lopende kalenderjaar.

  • 5 Voor het deel dat de arbeidsduur wordt verlengd ontvangt de militair een maandelijkse toeslag. Deze toeslag bedraagt 12 maal 1/165 deel van het voor de betrokken militair geldende maandsalaris, of een evenredig deel daarvan voor de militair die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week.

Artikel 54e. Tijdelijke verkorting van de arbeidsduur

  • 1 De militair die voor onbepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel, alsmede de militair die voor bepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel en de leeftijd van dertig jaar heeft bereikt, en van wie het rooster is gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week, kan bij de commandant een aanvraag indienen om zijn arbeidsduur tijdelijk gedurende een kalenderjaar met 2 uren per week te verkorten. Voor de militair die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de ingevolge de vorige volzin geldende aanspraak vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde verkorting van de arbeidsduur wordt toegekend in de vorm van acht spaaruren per maand wanneer het een militair betreft van wie het rooster is gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week en een evenredig deel daarvan wanneer het een militair betreft die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week.

  • 3 Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt vóór 1 oktober voorafgaande aan het desbetreffende kalenderjaar ingediend bij de commandant.

  • 4 De commandant wijst een aanvraag als bedoeld in het eerste en zesde lid toe.

  • 5 In afwijking van het tweede en vierde lid kan de commandant in uitzonderlijke gevallen op aanvraag van de militair de in het eerste lid bedoelde verkorting van de arbeidsduur verwerken in het voor de betrokken militair geldende rooster, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.

  • 6 Indien de militair een andere functie wordt toegewezen vervalt met ingang van de datum van plaatsing de toewijzing bedoeld in het vierde dan wel het vijfde lid. In afwijking van de datum genoemd in het derde lid kan de militair bij zijn nieuwe commandant voor het resterende gedeelte van het lopende kalenderjaar een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen.

  • 7 Voor het deel dat de arbeidsduur wordt verkort, wordt maandelijks een inhouding op de inkomsten van de militair toegepast. Deze inhouding bedraagt 2 maal 1/165 deel van het voor de betrokken militair geldende maandsalaris, of een evenredig deel daarvan voor de militair die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week.

Artikel 54f. Opname van spaaruren

  • 1 De spaaruren, bedoeld in artikel 54e, tweede lid, worden geheel of gedeeltelijk in een aaneengesloten periode van ten minste 288 spaaruren en ten hoogste 960 spaaruren opgenomen. Voor de militair die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de in de vorige volzin genoemde verplichting vastgesteld op een aaneengesloten periode van een evenredig aantal spaaruren van het aantal dat geldt voor een militair met een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.

  • 2 De spaaruren worden in beginsel opgenomen bij functiewisseling, voorafgaand aan de datum van plaatsing op de nieuwe functie.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan de opname van spaaruren gedurende de functievervulling worden toegestaan, tenzij het dienstbelang zich hiertegen verzet.

  • 4 Indien de militair van functie wisselt kan het hoofd defensieonderdeel op aanvraag van de militair afwijken van het minimum aantal op te nemen spaaruren. Indien de militair wordt verplaatst kan het hoofd defensieonderdeel op aanvraag van de militair afwijken van het gestelde in het eerste lid dat de spaaruren in een aaneengesloten periode van ten minste 288 spaaruren worden opgenomen. Indien met een dergelijke aanvraag wordt ingestemd, dan wordt het gehele tegoed aan spaaruren opgenomen bij functiewisseling, voorafgaand aan de datum van plaatsing op de nieuwe functie.

  • 5 Een aanvraag voor de opname van spaaruren wordt ten minste 6 maanden voorafgaande aan de gewenste datum van aanvang van de opnameperiode, ingediend bij het hoofd defensieonderdeel.

  • 6 De in een kalenderjaar opgebouwde spaaruren vervallen na een periode van 10 kalenderjaren, te rekenen vanaf de dag van aanvang van het daarop volgende kalenderjaar.

  • 7 Indien vanwege dienstbelang dan wel persoonlijke omstandigheden de militair gedurende de periode van 10 jaar bedoeld in het zesde lid niet in de gelegenheid is gesteld de spaaruren op te nemen, maakt het hoofd defensieonderdeel in afwijking van het zesde lid met de militair afspraken over de opname van de spaaruren binnen de 2 daaropvolgende kalenderjaren.

  • 8 Ten aanzien van de opname van spaaruren zijn de artikelen 64, 65, 66 en 67 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 54fa

In afwijking van het bepaalde in de artikelen 54d, 54e, 54f berust de bevoegdheid tot het toekennen van een aanvraag van militairen met de rang van kapitein ter zee/kolonel en hoger op grond van deze artikelen, bij de Secretaris-Generaal.

Artikel 54g. Spaaruren en ontslag

Indien de militair op de datum dat hij de werkelijke dienst verlaat nog een tegoed aan spaaruren heeft, dan wordt voor elk spaaruur een vergoeding toegekend van 1/165 deel van het voor de betrokken militair geldende maandsalaris, zoals dit gold direct voorafgaande aan het verlaten van de werkelijke dienst.

Artikel 54h. Registratie werk- en rusttijden

  • 1 De commandant voert een deugdelijke registratie ter zake van de werk- en rusttijden en de realisatie daarvan, welke het toezicht op de naleving van de bepalingen in dit hoofdstuk mogelijk maakt.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden worden ten minste 52 weken, gerekend vanaf de datum waarop de desbetreffende gegevens en bescheiden betrekking hebben, bewaard.

Artikel 54i. Gelijkstelling met arbeidsduur

Voor de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk, ten aanzien van de arbeidsduur, wordt voor het bepalen van het aantal uren dat werkzaamheden of diensten worden verricht, meegeteld de uren waarop de militair de werkzaamheden of diensten zou hebben verricht, maar deze uren in het kader van de medezeggenschap als bedoeld in artikel 17 van het Besluit medezeggenschap defensie, ziekte, verlof als bedoeld in artikel 61, tweede lid, met uitzondering van buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid, of de vervulling van door wet of overheid opgelegde verplichting welke niet in zijn vrije tijd kon geschieden, niet heeft verricht.

Artikel 54j. Gelijkstelling met de zondag

Voor de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk ten aanzien van de zondag, vindt voor de militair, die in verband met zijn godsdienstige of levensbeschouwelijke opvatting, de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag viert, overeenkomstige toepassing ten aanzien van die dag in plaats van ten aanzien van de zondag, indien die militair dit schriftelijk verzoekt.

Artikel 54k. Gezondheidsproblemen bij nachtdiensten

  • 1 Indien uit arbeidsgezondheidskundig onderzoek blijkt, dat de gezondheidsproblemen van een militair voortvloeien uit het verrichten van nachtdiensten, dan worden de werkzaamheden of diensten van die militair binnen redelijke termijn zodanig ingericht, dat hij werkzaamheden of diensten verricht anders dan in nachtdienst.

  • 2 De commandant voldoet aan de voor hem uit het eerste lid voortvloeiende verplichting, tenzij hij aannemelijk maakt dat dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.

Paragraaf 2. Toepassingsbereik

Artikel 55a. Algemene uitzonderingsbepalingen

  • 1 Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van paragraaf 12, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht:

    • a. ten tijde van buitengewone omstandigheden, alsmede ten aanzien van een onderdeel van de krijgsmacht, waaraan de mededeling bedoeld in artikel 71 van het Wetboek van Militair Strafrecht is gedaan;

    • b. ter uitvoering van bij wet of daarop berustende bepalingen opgedragen taken, voor zover de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen een goede taakuitoefening belemmert;

    • c. in door Onze Minister te bepalen andere gevallen waarin onderdelen van de krijgsmacht worden ingezet;

    • d. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op de omstandigheden, bedoeld onder a, b, en c.

  • 2 Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 11 en 12, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht:

    • a. tijdens varen, vliegen en oefeningen;

    • b. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op het varen, het vliegen en het houden van oefeningen.

Artikel 55b. Opleidingen

Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2 en 12, niet van toepassing op verrichtingen van de militair die een opleiding volgt als bedoeld in de artikelen 13, 14 en 15.

Artikel 55c. Inzet brandweer

Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht door militair brandweerpersoneel, tenzij dit personeel repressief optreedt bij brand en ongevallen.

Artikel 55d. Leidinggevenden en hoger personeel

Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2, 11 en 12, en de artikelen 54a, 54b, derde tot en met vijfde lid, 54d, 54e, 54f, 54g, 54k en 57a, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht door:

  • a. de militair van 18 jaar en ouder met de rang van luitenant ter zee der 1e klasse dan wel majoor of een hogere rang die uitsluitend of in hoofdzaak leiding geeft;

  • b. de militair van 18 jaar en ouder met de rang van kapitein-luitenant ter zee dan wel luitenant-kolonel of met een hogere rang, tenzij hij werkzaamheden of diensten pleegt te verrichten in nachtdienst dan wel werkzaamheden of diensten verricht waaraan of in rechtstreeks verband waarmee ernstige gevaren voor de veiligheid of de gezondheid van personen zijn verbonden.

Artikel 55e. Internationaal tewerkgesteld

Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2, 11 en 12, en de artikelen 54a, 54b, vierde lid, 54d, 54e, 54f, 54g, 54k en 57a, eerste en tweede lid, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht door de militair, bedoeld in artikel 2, tweede lid, voor zover hij is tewerkgesteld buiten Nederland.

Artikel 55f. Medisch specialisten

Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2, 11 en 12, en de artikelen 54a, 54b, derde tot en met vijfde lid, 54d, 54e, 54f, 54g, 54k en 57a, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht door de militair van 18 jaar en ouder die werkzaam is als medisch specialist, als huisarts of als sociaal geneeskundige en als zodanig staat geregistreerd in één van de registers van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, dan wel als tandheelkundig specialist en als zodanig staat ingeschreven in het specialistenregister van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde.

Paragraaf 3. Arbeidsduur en verlengde arbeidsduur

Artikel 56a. Arbeidsduur

  • 1 De arbeidsduur van de militair bedraagt ten hoogste 10 uren per werkdag, in elke periode van 4 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 50 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 45 uren per week.

  • 2 De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de militair meer dan 9 uren per werkdag of meer dan 45 uren per week werkzaamheden of diensten verricht.

  • 3 Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 9 uren per werkdag, ten hoogste 45 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

Artikel 56b. Verlengde arbeidsduur

  • 1 Van de in artikel 56a genoemde arbeidsduur kan worden afgeweken indien zich een onvoorziene wijziging van omstandigheden, incidenteel en niet periodiek, voordoet, of de aard van de werkzaamheden of diensten, incidenteel en voor korte tijd, dergelijke afwijkingen noodzakelijk maakt.

  • 2 De arbeidsduur bedraagt in situaties als bedoeld in het eerste lid ten hoogste 12 uren per werkdag, ten hoogste 60 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week.

  • 3 Op de afwijking, bedoeld in het eerste lid, is artikel 56p, vierde lid, onderdelen b en c, en het zesde lid, niet van toepassing.

  • 4 Indien als gevolg van de toepassing van het eerste lid werkzaamheden of diensten worden verricht in nachtdienst, welke werkzaamheden of diensten eindigen vóór of op 02.00 uur, dan zijn hierop de in paragraaf 5 opgenomen bepalingen ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden of diensten in nachtdienst niet van toepassing.

Artikel 56c. Arbeidsduur jeugdige militair

In afwijking van artikel 56a, eerste lid, artikel 56b, tweede lid, artikel 58b, vijfde lid, artikel 58c, derde lid, onderdeel b, en artikel 58d, vierde lid, bedraagt de arbeidsduur van de militair die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

Paragraaf 4. Dagelijkse en wekelijkse rusttijd

Artikel 56d. Dagelijkse onafgebroken rusttijd

  • 1 De militair heeft in elke aaneengesloten tijdruimte van 24 uren recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 11 uren, welke rusttijd éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren.

  • 2 De in het voorgaande lid bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de militair werkzaamheden of diensten verricht.

Artikel 56e. Wekelijkse onafgebroken rusttijd

  • 1 De militair heeft recht op een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren. De voorgeschreven rusttijd van 60 uren mag éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken worden bekort tot 32 uren.

  • 2 De in het voorgaande lid bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de militair werkzaamheden of diensten verricht.

Paragraaf 5. Aanvullende bepalingen bij nachtdienst

Artikel 56f. Arbeidsduur nachtdienst

  • 1 Voor de militair die werkzaamheden of diensten in nachtdienst verricht, bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 9 uren per nachtdienst, in elke periode van 4 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 50 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week.

  • 2 De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de militair meer dan 8 uren per nachtdienst of meer dan 45 uren per week werkzaamheden of diensten verricht.

  • 3 Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 8 uren per nachtdienst, ten hoogste 45 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

Artikel 56g. Verlengde arbeidsduur nachtdienst

  • 1 Van de in artikel 56f genoemde arbeidsduur kan worden afgeweken indien zich een onvoorziene wijziging van omstandigheden, incidenteel en niet periodiek, voordoet, of de aard van de werkzaamheden of diensten, incidenteel en voor korte tijd, dergelijke afwijkingen noodzakelijk maakt.

  • 2 De arbeidsduur bedraagt in situaties als bedoeld in het eerste lid ten hoogste 10 uren per nachtdienst, ten hoogste 60 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week.

  • 3 Op de afwijking, bedoeld in het eerste lid, is artikel 56p, vierde lid, onderdelen b en c, en het zesde lid, niet van toepassing.

Artikel 56h. Onafgebroken rusttijd nachtdienst

  • 1 De militair heeft na het verrichten van werkzaamheden of diensten in nachtdienst, welke eindigen ná 02.00 uur, recht op een onafgebroken rusttijd van tenminste 14 uren, welke éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden bekort tot ten minste 8 uren.

  • 2 De commandant dient over de toepassing van de in het eerste lid bedoelde bekorting van de onafgebroken rusttijd tot ten minste 8 uren overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de militair werkzaamheden of diensten verricht.

Artikel 56i. Aantal nachtdiensten die eindigen vóór of op 02.00 uur

  • 1 De militair verricht in elke periode van 13 achtereenvolgende weken niet meer dan ten hoogste 52 maal werkzaamheden of diensten in nachtdienst, indien de werkzaamheden of diensten eindigen vóór of op 02.00 uur.

  • 2 De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de militair in een periode van 4 achtereenvolgende weken meer dan 16 maal werkzaamheden of diensten in nachtdienst verricht, indien die werkzaamheden of diensten eindigen vóór of op 02.00 uur.

Artikel 56j. Aantal nachtdiensten die eindigen ná 02.00 uur

  • 1 De militair verricht in elke periode van 13 achtereenvolgende weken niet meer dan ten hoogste 28 maal werkzaamheden of diensten in nachtdienst, indien de werkzaamheden of diensten eindigen ná 02.00 uur.

  • 2 De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de militair in elke periode van 4 achtereenvolgende weken meer dan 10 maal en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken meer dan 25 maal werkzaamheden of diensten in nachtdienst verricht, indien die werkzaamheden of diensten eindigen ná 02.00 uur.

Artikel 56k. Afwijking aantal nachtdiensten

  • 1 In afwijking van artikel 56j, eerste lid, kan de commandant dit artikel toepassen.

  • 2 Indien de aard van de werkzaamheden of diensten met zich brengt dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst worden verricht, en dit door het op een andere wijze organiseren van die werkzaamheden of diensten redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de militair:

    • a. hetzij ten hoogste 35 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken werkzaamheden of diensten in nachtdienst;

    • b. hetzij ten hoogste 20 uren in elke periode van 2 achtereenvolgende weken werkzaamheden of diensten tussen 00.00 uur en 06.00 uur.

  • 3 De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

Artikel 56l. Rusttijd na reeks nachtdiensten

  • 1 Na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 7 maal achtereen werkzaamheden of diensten in nachtdienst te hebben verricht, heeft de militair recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 48 uren.

  • 2 De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang noodzakelijk maakt dat de militair 7 maal achtereen werkzaamheden of diensten in nachtdienst verricht die eindigen vóór of op 02.00 uur, hetzij 6 of 7 maal achtereen werkzaamheden of diensten in nachtdienst verricht die eindigen ná 02.00 uur.

  • 3 Indien het eerste lid niet wordt toegepast, dan heeft de militair,:

    • a. na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 6 maal achtereen werkzaamheden of diensten in nachtdienst te hebben verricht, die eindigen vóór of op 02.00 uur;

    • b. hetzij na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 5 maal achtereen werkzaamheden of diensten in nachtdienst te hebben verricht, die eindigen ná 02.00 uur,

    recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 48 uren.

Artikel 56m. Referentieperiode

  • 1 In afwijking van artikel 56f, eerste lid, en artikel 56g, tweede lid, ten aanzien van het gemiddeld aantal uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt verricht, kan de commandant dit artikel toepassen.

  • 2 Indien zich een onvoorziene wijziging van omstandigheden voordoet of de aard van de werkzaamheden of diensten het noodzakelijk maakt dat de militair slechts incidenteel of voor korte tijd werkzaamheden of diensten in nachtdienst verricht en dit door het op een andere wijze organiseren van de werkzaamheden of diensten redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de militair in elke periode van 52 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week werkzaamheden of diensten.

  • 3 De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

Paragraaf 6. Afwijkende bepalingen inzake arbeidsduur en rusttijd

Artikel 56n. Noodzakelijke werkzaamheden

  • 1 In afwijking van de artikelen 56a, 56b, 56f en 56g, ten aanzien van de arbeidsduur per werkdag of nachtdienst, kan de commandant dit artikel toepassen.

  • 2 Indien de werkzaamheden of diensten geen uitstel gedogen, en door het nemen van andere maatregelen redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de militair ten hoogste éénmaal in elke periode van 2 achtereenvolgende weken 14 uren werkzaamheden of diensten per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst.

  • 3 Het tweede lid is eveneens van toepassing, indien de werkzaamheden of diensten worden verstoord door een zich plotseling voordoende situatie:

    • a. waarbij personen ernstig letsel oplopen, dan wel daartoe de onmiddellijke dreiging bestaat;

    • b. waarbij buitengewoon ernstige schade aan goederen ontstaat, dan wel dreigt te ontstaan.

Artikel 56o. Overdracht van werkzaamheden of diensten

  • 1 De commandant kan, in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van de arbeidsduur per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst en de onafgebroken rusttijd, dit artikel toepassen.

  • 2 De arbeidsduur per werkdag of per nachtdienst onderscheidenlijk de onafgebroken rusttijd wordt met ten hoogste 15 achtereenvolgende minuten verlengd onderscheidenlijk ingekort, indien de werkzaamheden of diensten van de militair aan het eind van de werkdag worden overgenomen en direct daaropvolgend worden voortgezet door een andere militair en de goede voortgang van die werkzaamheden of diensten overdracht noodzakelijk maakt.

  • 3 Op de afwijking bedoeld in het tweede lid zijn de artikelen 56i, 56j en 56k, ten aanzien van het aantal malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst worden verricht, niet van toepassing.

Paragraaf 7. Pauzeregeling

Artikel 56p. Pauze

  • 1 Indien de arbeidsduur van de militair meer dan 5½ uur per werkdag of nachtdienst bedraagt, dan worden de werkzaamheden of diensten afgewisseld door een pauze.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde pauze bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten, welke mag worden gesplitst in twee pauzes van ten minste 15 achtereenvolgende minuten.

  • 3 De commandant dient over de toepassing van het tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

  • 4 Indien het tweede lid niet wordt toegepast, dan worden, met inachtneming van het eerste lid, de werkzaamheden of diensten van de militair:

    • a. indien hij niet meer dan 8 uren werkzaamheden of diensten per werkdag of nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste een half uur;

    • b. indien hij meer dan 8 uren, doch niet meer dan 10 uren werkzaamheden of diensten per werkdag of nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 45 minuten;

    • c. indien hij meer dan 10 uren werkzaamheden of diensten per werkdag of nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 1 uur.

  • 5 Eén van de pauzes, bedoeld in het vierde lid, bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten.

  • 6 De pauzes, bedoeld in het vierde lid, vangen aan en eindigen in de periode, gelegen tussen 2 uren na de aanvang en 2 uren voor het einde van de werkzaamheden of diensten.

Artikel 56q. Consignatie tijdens pauze

  • 1 De commandant kan van het bepaalde in artikel 54a, onderdeel j, en artikel 58a, tweede lid, afwijken, indien de aard van de werkzaamheden of diensten van de militair het noodzakelijk maakt dat hij tijdens de pauze bereikbaar is onderscheidenlijk op de werkplek aanwezig is om op oproep zo spoedig mogelijk die werkzaamheden of diensten te verrichten, en dit door het op een andere wijze organiseren van de werkzaamheden of diensten redelijkerwijs niet is te voorkomen.

  • 2 De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

  • 3 Voor de toepassing van het eerste lid geldt de tijd tijdens de werkplekgebonden pauze waarop de werkzaamheden of diensten van de militair zich uitsluitend beperken tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als pauze.

Artikel 56r. Afwijking pauzeverplichting

  • 1 De commandant kan van het bepaalde in artikel 56p, eerste lid, afwijken, indien de militair:

    • a. werkzaamheden of diensten verricht zonder enig direct contact met een andere militair of ambtenaar die vergelijkbare werkzaamheden of diensten verricht, of

    • b. indien de aard van de werkzaamheden of diensten met zich brengt dat de afwisseling van de werkzaamheden of diensten per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst door een pauze onmogelijk is en dit door het op een andere wijze organiseren van de werkzaamheden of diensten redelijkerwijs niet is te voorkomen.

  • 2 De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

  • 3 Indien het eerste lid wordt toegepast, verricht de militair in elke periode van 52 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week werkzaamheden of diensten.

  • 4 Indien het eerste lid wordt toegepast, verricht de militair in afwijking van artikel 57c, tweede lid, en artikel 59b, tweede lid, ten hoogste 12 uren per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst werkzaamheden of diensten.

Paragraaf 8. Werk- en rusttijden op bepaalde dagen

Artikel 57a. Werk- en rusttijden op bepaalde dagen

  • 1 Op zaterdag en zondag worden aan de militair geen werkzaamheden of diensten opgedragen. Hiervan kan slechts worden afgeweken indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zulks onvermijdelijk maakt.

  • 2 Het eerste lid geldt mede voor Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag, Eerste en Tweede Kerstdag, Koninginnedag, 5 mei en de door Onze Minister aan te wijzen feest- of gedenkdagen.

  • 3 Er dient naar te worden gestreefd dat de militair geen werkzaamheden of diensten verricht op de dagen, bedoeld in het eerste en tweede lid, die voorafgaan aan, vallen in of aansluiten op een aan hem verleend verlof van meer dan 3 dagen, doch minder dan 10 dagen. De militair verricht in beginsel geen werkzaamheden of diensten op de in de eerste volzin bedoelde dagen, die voorafgaan aan, vallen in of aansluiten op een hem verleend verlof van 10 dagen of meer.

  • 4 De militair verricht geen werkzaamheden of diensten op ten minste 26 zondagen per periode van 52 weken.

  • 5 De voor de militair, die volgens rooster werkzaamheden of diensten in continu- of ploegendienst verricht, geldende arbeidsduur, bedoeld in artikel 54b, vierde lid, wordt tijdens de desbetreffende roosterperiode evenredig verminderd indien hij op dagen als bedoeld in het tweede lid, die niet op zaterdag of zondag vallen:

    • a. daadwerkelijk werkzaamheden of diensten heeft verricht, of;

    • b. volgens rooster niet was aangewezen voor het verrichten van werkzaamheden of diensten.

    Een dergelijk vermindering van de arbeidsduur zal per dag, als bedoeld in het tweede lid, niet meer dan acht uren bedragen.

  • 6 Ten aanzien van militairen die zijn ingedeeld bij eenheden die onmiddellijk in actie moeten kunnen komen of bij eenheden die dienst verrichten buiten Nederland, kan bij het opstellen van het rooster door de commandant worden afgeweken van het eerste, het tweede en het derde lid met betrekking tot de zaterdagmorgen en de feest- of gedenkdagen.

  • 7 Indien naar het oordeel van de commandant de belangen van de dienst zich hiertegen niet verzetten, wordt de militair, aan wie op een zondag of een dag als bedoeld in het tweede lid of het zesde lid, werkzaamheden of diensten zijn opgedragen, tijdens de werktijd in de gelegenheid gesteld de godsdienstuitoefening van de gezindte waartoe hij behoort bij te wonen.

  • 8 Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel bij ministeriële regeling nadere regels stellen.

Artikel 57b. Arbeidsduur voorafgaand aan feest- of gedenkdagen

  • 1 In afwijking van de artikelen 56b en 56g ten aanzien van de arbeidsduur per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst kan de commandant dit artikel toepassen.

  • 2 Indien de aard van de werkzaamheden of diensten, of de bedrijfsomstandigheden, in verband met de Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag, Eerste en Tweede Kerstdag, Koninginnedag of 5 december dit noodzakelijk maakt, verricht de militair in de aaneengesloten periode van 7 dagen voorafgaand aan die dag ten hoogste tweemaal 14 uren per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst werkzaamheden of diensten.

  • 3 De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

  • 4 Artikel 56n is niet van toepassing indien het eerste en tweede lid wordt toegepast.

Artikel 57c. Arbeidsduur op feest- of gedenkdagen

  • 1 In afwijking van artikel 56a, eerste lid, en artikel 56f, eerste lid, ten aanzien van de arbeidsduur per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst, en artikel 56h, eerste lid, ten aanzien van de onafgebroken rusttijd na een nachtdienst, kan de commandant dit artikel toepassen.

  • 2 De militair verricht, in verband met de Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag en Eerste en Tweede Kerstdag, in de tijdruimte tussen de dag voorafgaand aan bedoelde dagen 18.00 uur en de op deze dagen volgende dag 08.00 uur ten hoogste 11 uren per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst werkzaamheden of diensten. De militair heeft na het verrichten van die werkzaamheden of diensten een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren.

  • 3 Indien het eerste en tweede lid wordt toegepast, dan organiseert de commandant de werkzaamheden of diensten zodanig, dat zoveel mogelijk militairen op de in het tweede lid bedoelde dagen geen werkzaamheden of diensten verrichten in de tijdruimte gelegen tussen 00.00 uur en de daarop volgende dag 06.00 uur.

  • 4 De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

Paragraaf 9. Consignatie en bijzondere vormen van consignatie

Artikel 58a. Consignatie

  • 1 De commandant kan de militair consignatie opleggen.

  • 2 Ten minste gedurende 2 maal een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren in elke periode van 4 achtereenvolgende weken wordt geen consignatie opgelegd.

  • 3 Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen consignatie opgelegd.

  • 4 Als consignatie wordt opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

  • 5 Indien de consignatie geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

  • 6 Voor de toepassing van het vierde en vijfde lid vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren werkzaamheden voortvloeiend uit een oproep worden verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.

  • 7 De werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep worden voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.

  • 8 Op de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5 ten aanzien van het aantal malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt verricht niet van toepassing.

Artikel 58b. Aanwezigheidsdienst

  • 1 In afwijking van artikel 58a, tweede lid, kan de commandant de militair ten hoogste 3 maal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren en ten hoogste 26 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst opleggen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de commandant de militair gedurende ten hoogste 6 weken in elke periode van 52 achtereenvolgende weken ten hoogste 4 maal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren en ten hoogste 26 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst opleggen.

  • 3 Als het tweede lid wordt toegepast heeft de militair na de aanwezigheidsdienst of reeks van aaneengesloten aanwezigheidsdiensten een onafgebroken rusttijd die ten minste even lang is als de voorafgaande aanwezigheidsdienst onderscheidenlijk reeks van aaneengesloten aanwezigheidsdiensten.

  • 4 Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen aanwezigheidsdienst opgelegd.

  • 5 Als een aanwezigheidsdienst wordt opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

  • 6 Indien de aanwezigheidsdienst geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

  • 7 Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens een aanwezigheidsdienst, waarbij de dienst van de militair zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als rusttijd.

  • 8 Voor de toepassing van het vijfde en zesde lid vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren werkzaamheden voortvloeiend uit een oproep worden verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.

  • 9 De werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep worden voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.

  • 10 Op de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5, ten aanzien van het aantal malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.

Artikel 58c. Aanwezigheidsdienst brandweer

  • 1 Dit artikel is uitsluitend van toepassing op de militair die met goed gevolg een brandweeropleiding heeft afgesloten en die als zodanig werkzaam is, alsmede de militair die in directe samenhang met voornoemde militair werkzaamheden of diensten verricht.

  • 2 In afwijking van artikel 58a, tweede lid, kan de commandant de militair ten hoogste 4 maal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, ten hoogste 46 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken en ten hoogste 124 maal in elke periode van 52 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst opleggen.

  • 3 Indien het tweede lid wordt toegepast, dan:

    • a. heeft de militair vóór en ná een aanwezigheidsdienst een onafgebroken rusttijd van ten minste 11 uren, welke rusttijd éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren;

    • b. bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 10 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 45 uren per week.

  • 4 Het derde lid, onderdeel a, blijft buiten toepassing, indien zich incidentele en onvoorziene omstandigheden voordoen waardoor het aantal militairen dat nodig is onder het vereiste minimum komt, die een dergelijke afwijking noodzakelijk maakt.

  • 5 Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens een aanwezigheidsdienst, waarbij de dienst van de militair zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als rusttijd.

  • 6 Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren werkzaamheden voortvloeiend uit een oproep worden verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.

  • 7 De werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep worden voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.

  • 8 Op de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5, ten aanzien van het aantal malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.

Artikel 58d. Piket

  • 1 In afwijking van artikel 58a, tweede lid, kan de commandant de militair ten hoogste een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren piket opleggen.

  • 2 Als piket wordt opgelegd, dan wordt de militair ten minste gedurende 8 maal een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren in elke periode van 13 achtereenvolgende weken geen piket, aanwezigheidsdienst of consignatie opgelegd.

  • 3 Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen piket opgelegd.

  • 4 Als piket wordt opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

  • 5 Indien het piket geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.

  • 6 Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens het piket, waarbij de dienst van de militair zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als rusttijd.

  • 7 Voor de toepassing van het vierde en vijfde lid vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren werkzaamheden voortvloeiend uit een oproep worden verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.

  • 8 De werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep worden voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.

  • 9 Op de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5, ten aanzien van het aantal malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.

Paragraaf 10. Bijzondere bepalingen voor continu- en ploegendienst

Artikel 59a. Continu- en ploegendienst

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op werkzaamheden of diensten die door de militair in continu- of ploegendienst worden verricht.

Artikel 59b. Arbeidsduur op zaterdag en zondag

  • 1 In afwijking van artikel 56a, eerste lid, en artikel 56f, eerste lid, ten aanzien van de arbeidsduur per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst, en artikel 56h, eerste lid, ten aanzien van de onafgebroken rusttijd na een nachtdienst, kan de commandant dit artikel toepassen.

  • 2 De militair verricht in de tijdruimte gelegen tussen vrijdag 18.00 uur en de daaropvolgende maandag 08.00 uur ten hoogste 11 uren per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst werkzaamheden of diensten.

  • 3 Indien het eerste en tweede lid wordt toegepast heeft de militair na het verrichten van die werkzaamheden of diensten een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren, en verricht hijten minste 2 maal in elke periode van 4 achtereenvolgende weken geen werkzaamheden of diensten in de tijdruimte gelegen tussen zaterdag 00.00 uur en de daaropvolgende maandag 06.00 uur.

  • 4 De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

Artikel 59c. Onafgebroken rusttijd continu- en ploegendienst

  • 1 In afwijking van artikel 56e, eerste lid, kan de commandant dit artikel toepassen.

  • 2 De militair heeft recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 92 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 11 maal 24 uren, welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 72 uren.

  • 3 De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

  • 4 Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan heeft de militair recht op een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 92 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 11 maal 24 uren.

  • 5 De in het tweede en vierde lid bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de militair werkzaamheden of diensten verricht.

Artikel 59d. Pauze continu- en ploegendienst

  • 1 In afwijking van artikel 56p, tweede lid, kan de commandant dit artikel toepassen.

  • 2 Indien de arbeidsduur meer dan 5½ uur per werkdag of nachtdienst bedraagt, dan worden de werkzaamheden of diensten van de militair afgewisseld door een pauze.

  • 3 De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

Artikel 59e. Doorstaan in continu- en ploegendienst

  • 1 Indien zich incidentele en onvoorziene omstandigheden voordoen, waardoor het aantal militairen in een ploeg onder het vereiste minimum komt, kan de commandant afwijken van artikel 56f, eerste lid, ten aanzien van de arbeidsduur per nachtdienst, en artikel 56h, eerste lid.

  • 2 Onverminderd het gestelde in artikel 57c, en artikel 59b ten aanzien van de zondag,:

    • a. verricht de militair bij toepassing van het eerste lid gedurende ten hoogste 2 maal in elke periode van 4 achtereenvolgende weken en 8 maal in elke periode van 52 achtereenvolgende weken, ten hoogste 11 uur per nachtdienst werkzaamheden of diensten;

    • b. heeft de militair na het verrichten van die werkzaamheden of diensten recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren.

  • 3 De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.

Paragraaf 11. Bijzondere bepalingen voor vrouwelijke militairen

Artikel 59f. Werk- en rusttijden tijdens de zwangerschap

  • 1 De werkzaamheden of diensten van een zwangere militair worden zodanig ingericht, dat rekening wordt gehouden met haar specifieke omstandigheden. De commandant voldoet, met inachtneming van het tweede tot en met vijfde lid, aan de voor hem uit de eerste volzin voortvloeiende verplichting binnen een redelijke termijn nadat een aanvraag daartoe door de zwangere militair is gedaan. Bij deze aanvraag wordt desgevraagd een schriftelijke verklaring overgelegd van een geneeskundige of een verloskundige waaruit blijkt, dat de betrokken militair zwanger is.

  • 2 De zwangere militair heeft het recht de werkzaamheden of diensten af te wisselen met één of meer pauzes buiten die bedoeld in artikel 56p. Deze extra pauze onderscheidenlijk pauzes bedragen tezamen ten minste 15 minuten en ten hoogste één achtste deel van de voor haar geldende arbeidsduur per werkdag of nachtdienst. De in de vorige volzin bedoelde pauzes gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk als arbeidsduur.

  • 3 De zwangere militair heeft het recht werkzaamheden of diensten te verrichten in een bestendig en regelmatig werk- en rusttijdenpatroon.

  • 4 De zwangere militair kan niet worden verplicht werkzaamheden of diensten te verrichten anders dan op grond van artikel 56a is toegestaan.

  • 5 De zwangere militair kan niet worden verplicht werkzaamheden of diensten te verrichten in nachtdienst, tenzij de commandant aannemelijk maakt dat dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.

  • 6 De commandant stelt de zwangere militair in de gelegenheid de noodzakelijke zwangerschapsonderzoeken te ondergaan. De tijd van de in de vorige volzin bedoelde onderzoeken geldt voor de toepassing van dit hoofdstuk als arbeidsduur.

Artikel 59g. Bevalling

De commandant organiseert de werkzaamheden of diensten zodanig, dat een vrouwelijke militair:

  • a. geen werkzaamheden of diensten verricht binnen 28 dagen voor de vermoedelijke datum van de bevalling, zoals die is aangegeven in een door de vrouwelijke militair aan de commandant overgelegde schriftelijke verklaring van een geneeskundige of verloskundige waaruit de vermoedelijke datum van bevalling blijkt. Het in de eerste volzin bedoelde tijdvak wordt verlengd met het tijdvak dat verloopt tussen de vermoedelijke datum van de bevalling en de werkelijke datum van de bevalling;

  • b. geen werkzaamheden of diensten verricht binnen 42 dagen na haar bevalling.

Artikel 59h. Werk- en rusttijden na de bevalling

Artikel 59f is, met uitzondering van het zesde lid, van overeenkomstige toepassing gedurende een periode van 6 maanden na de bevalling.

Artikel 59i. Voedingsrecht

  • 1 Een vrouwelijke militair, die een borstkind voedt, heeft, indien zij de commandant hiervan in kennis heeft gesteld, gedurende ten minste de eerste 9 levensmaanden van dat kind het recht de werkzaamheden of diensten te onderbreken ten einde in de nodige rust en afzondering haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven. De commandant biedt haar daartoe de gelegenheid en stelt, waar nodig, een geschikte af te sluiten besloten ruimte ter beschikking.

  • 2 De onderbrekingen, bedoeld in het eerste lid, vinden plaats zo vaak en zo lang als nodig is doch bedragen gezamenlijk ten hoogste een vierde van de arbeidsduur per werkdag of nachtdienst. De vaststelling van het tijdstip en de duur van de onderbrekingen vindt plaats door de betrokken vrouwelijke militair na overleg met de commandant.

  • 3 De duur van de onderbrekingen, bedoeld in dit artikel, gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk als arbeidsduur.

Paragraaf 12. Overige bepalingen

Artikel 60a. Herleiding werktijd

Indien de aard van de te verrichten diensten daartoe aanleiding geeft, kan Onze Minister bij ministeriële regeling bepalen dat de tijd, gedurende welke deze diensten worden verricht slechts voor een deel tot de arbeidsduur wordt gerekend.

Artikel 60b. Beperking van de bewegingsvrijheid

Door het hoofd defensieonderdeel kan aan de militair de verplichting worden opgelegd buiten de voor hem vastgestelde werktijden met het oog op eventuele dienstverrichting:

  • a. zich op een bepaalde plaats ter beschikking te houden;

  • b. binnen een bepaald gebied te verblijven of zich op bepaalde tijdstippen te melden.

Artikel 60c. Vergoeding van extra beslaglegging

Terugwerkende kracht

Voor dit artikel is een wijziging met terugwerkende kracht gepubliceerd. Zie opmerking onder de tekst voor nadere informatie.
  • 1 Ter zake van extra beslaglegging heeft de militair naar bij ministeriële regeling te stellen regels aanspraak op een maandelijkse toelage, bestaande uit een percentage van de voor hem geldende bezoldiging per maand.

  • 2 Aan de militair kan voorts naar bij ministeriële regeling te stellen regels worden toegekend:

    • a. een toelage voor het volgens een rooster regelmatig of vrij regelmatig verrichten van werkzaamheden of diensten op ongebruikelijke tijdstippen, of;

    • b. een vergoeding over de tijd gedurende welke op hem een verplichting rust als bedoeld in de artikelen 56q, 58a, 58b, 58c, 58d en 60b, of;

    • c. een vergoeding voor de overschrijding van de arbeidsduur, bedoeld in artikel 54b, vierde lid, of;

    • d. een vergoeding voor meerdaagse activiteiten, met een duur van ten minste een etmaal, of;

    • e. een vergoeding voor het verrichten van diensten, of werkzaamheden, of meerdaagse activiteiten, op een dag als bedoeld in artikel 57a, eerste en tweede lid.

Terugwerkende kracht

Stb. 2006, 364, datum inwerkingtreding 16-08-2006, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van dit artikel. Deze wijziging werkt terug tot en met 01-01-2006.

Vergoeding van extra beslaglegging

Aan de militair kan naar bij ministeriële regeling te stellen regels worden toegekend:

  • a. een toelage voor het volgens een rooster regelmatig of vrij regelmatig verrichten van werkzaamheden of diensten op ongebruikelijke tijdstippen, of;

  • b. een vergoeding over de tijd gedurende welke op hem een verplichting rust als bedoeld in de artikelen 56q, 58a, 58b, 58c, 58d en 60b, of;

  • c. een vergoeding voor de overschrijding van de arbeidsduur, bedoeld in artikel 54b, vierde lid, of;

  • d. een vergoeding voor meerdaagse activiteiten, met een duur van ten minste een etmaal, of;

  • e. een vergoeding voor het verrichten van diensten, of werkzaamheden, of meerdaagse activiteiten, op een dag als bedoeld in artikel 57a, eerste en tweede lid.

Artikel 60d. Toepasselijkheid verlofbepalingen

Indien de overschrijding van de arbeidsduur, bedoeld in artikel 54b, vierde lid, wordt vergoed in tijd, zijn op deze tijd de artikelen 63 tot en met 67 van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 8. Verlof

§ 1. Algemene bepalingen inzake verlof

Artikel 61. Begripsbepalingen

  • 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a. «verlof» elke vorm van verlof genoemd in het tweede lid;

    • b. «militair» de militair in werkelijke dienst;

    • c. «maand» de periode tussen een datum van een kalendermaand en de overeenkomstige datum van de volgende kalendermaand, waarbij een resterend aantal van zestien of meer dagen voor een maand wordt gerekend.

  • 2 De verloven die aan de militair kunnen worden verleend worden onderscheiden in:

    • a. vakantieverlof;

    • b. inschepings- en ontschepingsverlof;

    • c. buitengewoon verlof;

    • d. buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg.

Artikel 62. Bevoegdheid tot het verlenen van verlof

Verlof wordt verleend door de commandant van de militair tenzij in dit hoofdstuk anders wordt bepaald.

Artikel 63. Verlenen van verlof

  • 2 Verlof op aanvraag als bedoeld in het eerste lid, wordt, onder vermelding van de redenen, niet verleend voor zover de belangen van de dienst dit, naar het oordeel van degene die bevoegd is het verlof te verlenen, vorderen.

  • 3 Het verlof, bedoeld in artikel 61, tweede lid, onderdeel d, wordt na melding door de militair verleend met inachtneming van de Wet arbeid en zorg en de bepalingen in paragraaf 4b van dit hoofdstuk.

Artikel 64. Dagen die niet als verlof worden aangemerkt

  • 1 De dagen gedurende welke een militair, ware hij niet met verlof geweest, verhinderd zou zijn geweest dienst te verrichten wegens ziekte of een ongeval, worden niet aangemerkt als verlof mits hij degene die het verlof heeft verleend, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, zo spoedig mogelijk van die ziekte of dat ongeval in kennis heeft gesteld. Het voorgaande vindt geen toepassing voor de dagen waarop buitengewoon verlof als bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931 of artikel 86, aanhef en onder b van dit besluit wordt genoten.

  • 2 Wanneer een militair tijdens een hem verleend vakantieverlof, inschepings- of ontschepingsverlof aanspraak kan maken op buitengewoon verlof als bedoeld in artikel 85 of buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg als bedoeld in paragraaf 4b, wordt het vakantieverlof, inschepings- of ontschepingsverlof als niet verleend aangemerkt, maar, met inachtneming van artikel 85, tweede lid, onderscheidenlijk paragraaf 4b als buitengewoon verlof dan wel buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg aangemerkt, mits hij degene die het verlof heeft verleend, tijdig van de reden voor dat buitengewoon verlof in kennis heeft gesteld.

Artikel 65. Intrekken of beëindiging van verleend of aangevangen verlof

  • 1 Verleend verlof als bedoeld in artikel 61, tweede lid, onderdelen a tot en met c, kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, indien de belangen van de dienst zulks naar het oordeel van degene die het verlof heeft verleend, uitdrukkelijk vorderen.

  • 2 Een dag waarop een militair door een maatregel als bedoeld in het eerste lid slechts voor een gedeelte verlof heeft genoten, wordt niet aangemerkt als een verlofdag.

  • 3 Voorts kan verleend verlof als bedoeld in artikel 61, tweede lid, onderdelen a tot en met c, geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken op aanvraag van de betrokken militair, indien naar het oordeel van degene die het verlof heeft verleend, de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten.

  • 4 Buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg eindigt met inachtneming van paragraaf 4b.

Artikel 66. Verlof buiten het land van plaatsing

De militair die voornemens is een verlof door te brengen buiten het land waar hij is geplaatst kan om redenen van operationele aard door degene die tot het verlenen van het verlof bevoegd is, worden verplicht hem van dat voornemen tijdig schriftelijk mededeling te doen onder vermelding van het land of de landen die hij tijdens zijn verlof zal bezoeken.

Artikel 67. Vergoeding van schade ten gevolge van het niet doorgaan of beëindigen van verlof

  • 1 De militair aan wie een verlof is verleend en die geldelijke schade lijdt als gevolg van het geheel of gedeeltelijk intrekken van dat verlof krachtens artikel 65, eerste lid, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk beëindigen van dat verlof krachtens artikel 65, vierde lid, of als gevolg van een verbod als bedoeld in artikel 12e van de Militaire Ambtenarenwet 1931, heeft aanspraak op vergoeding van die schade, voor zover hij die redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

  • 2 Aan de militair die met het oog op de besteding van een verlof waarop hij aanspraak kan doen gelden maar dat hem nog niet is verleend, met schriftelijke instemming van degene die tot het verlenen van het verlof bevoegd is, bepaalde voorzieningen heeft getroffen en:

    • a. aan wie het verlof wordt geweigerd om redenen die op het tijdstip waarop de instemming werd verleend niet konden worden voorzien, of

    • b. wiens voorgenomen besteding van het verlof als gevolg van een verbod als bedoeld in het eerste lid geen doorgang kan vinden, kan door het hoofd defensieonderdeel een gehele of gedeeltelijke vergoeding worden toegekend van de geldelijke schade die hij als gevolg van die weigering of dat verbod heeft geleden.

Artikel 67a. Afronding

Indien een berekening van een vakantieverlof ingevolge de artikelen 69, 70, 71, 71a, 74, 75, 80, 80a, 80b of 81 niet uitmondt in een afgerond aantal uren, wordt een gedeelte van een uur naar boven afgerond tot een heel uur.

§ 2. Vakantieverlof voor militairen der zeemacht

Artikel 68. Aanspraak op vakantieverlof over een vol kalenderjaar

  • 1 De militair der zeemacht die gedurende een vol kalenderjaar als zodanig in werkelijke dienst is, heeft over dat jaar aanspraak op het navolgende vakantieverlof:

    • a. in het tijdvak van 1 juni tot 15 september: een aaneengesloten zomerverlof, omvattende 120 uren;

    • b. in het tijdvak van 1 december van het lopende kalenderjaar tot 1 februari van het daarop volgende jaar: een aaneengesloten winterverlof, omvattende 80 uren;

    • c. In het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december op een tijdstip naar eigen keuze: 32 uren, zoveel mogelijk op te nemen in aaneengesloten perioden van ten minste 4 uren.

  • 2 Het hoofd defensieonderdeel kan voor bijzondere gevallen van het eerste lid afwijkende vakantieverloftijdstippen vaststellen.

  • 3 De commandant kan een militair in bijzondere gevallen toestaan:

    • a. het hem toekomende zomer- of winterverlof op te nemen buiten de tijdvakken, genoemd in het eerste lid, onder a en b, of

    • b. die verloven aaneengesloten op te nemen.

Artikel 69. Aanspraak op vakantieverlof over een deel van een kalenderjaar

  • 1 De militair der zeemacht die niet gedurende een vol kalenderjaar als zodanig in werkelijke dienst is, heeft - behalve indien hij in dienst is gekomen voor een periode van minder dan 85 dagen - over dat jaar aanspraak op het navolgende vakantieverlof:

    • a. indien hij in dienst is getreden:

      • (1). vóór 1 juni: op het in het vorige artikel bedoelde zomer- en winterverlof;

      • (2). op of na 1 juni doch vóór 1 november: op het in het vorige artikel bedoelde winterverlof;

    • b. indien hij de dienst zal verlaten:

      • (1). vóór 1 juni: op een vijfde deel van het in het vorige artikel bedoelde aantal uren zomerverlof voor elke kalendermaand dat hij in werkelijke dienst zal zijn;

      • (2). in het tijdvak van 1 juni tot en met 31 augustus: op het in het vorige artikel bedoelde zomerverlof;

      • (3). in het tijdvak van 1 september tot en met 30 november: op het in het vorige artikel bedoelde zomerverlof alsmede op een derde deel van het in het vorige artikel bedoelde aantal uren winterverlof voor elke kalendermaand dat hij na 31 augustus in werkelijke dienst zal zijn;

      • (4). op of na 1 december: op het in het vorige artikel bedoelde zomer- en winterverlof;

    • c. op een twaalfde deel van het in het vorige artikel, eerste lid onder c, bedoelde vakantieverlof, voor elke maand dat hij in werkelijke dienst zal zijn.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan aan de militair niettemin het in artikel 68 bedoelde zomer- en winterverlof worden verleend, indien de eenheid waar hij metterdaad dienst verricht gedurende de verlofperiode wordt gesloten.

  • 3 Het tweede en derde lid van artikel 68 zijn van toepassing.

Artikel 70. Verandering van het aantal uren vakantieverlof

  • 1 Over kalendermaanden gedurende de welke de militair der zeemacht in het geheel geen dienst verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantieverlof. Over kalendermaanden gedurende de welke de militair der zeemacht gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij slechts aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij feitelijk dienst verricht.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a. in geval geen dienst is verricht wegens verleend verlof, niet zijnde buitengewoon verlof;

    • b. in geval geen dienst is verricht wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof, als bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg;

    • c. in geval gedurende een periode, korter dan 52 weken geen dienst is verricht wegens ziekte die niet aan schuld of nalatigheid van de militair is te wijten, waarbij een hervatting gedurende dertig kalenderdagen of minder geen nieuwe periode van 52 weken inluidt;

    • d. in andere gevallen, indien degene die tot het verlenen van het verlof bevoegd is, daartoe aanleiding aanwezig acht.

  • 4 Het vakantieverlof waarop een militair der zeemacht ingevolge artikel 68 of 69 aanspraak maakt wordt naar evenredigheid verminderd indien hem op grond van het Besluit aanpassing arbeidsduur militairen buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid wordt verleend. In geval van vermeerdering van de arbeidsduur op grond van het Besluit aanpassing arbeidsduur militairen wordt de in de vorige volzin genoemde verminderde aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid vermeerderd.

Artikel 71. Niet verleend vakantieverlof

  • 1 Aan een militair der zeemacht die naar het oordeel van de commandant. [tekstcorrectie :‘commandant.’ moet zijn ‘commandant,’] buiten zijn wil of toedoen het hem ingevolge artikel 68 of 69 toekomende zomer- en/of winterverlof geheel of gedeeltelijk niet heeft kunnen genieten gedurende het lopende kalenderjaar of in de maand januari van het volgende kalenderjaar, kan het niet genoten vakantieverlof alsnog worden verleend zodra dat mogelijk is, doch uiterlijk op een zodanig tijdstip dat het zal zijn genoten voor het einde van dat volgende kalenderjaar.

  • 2 Het vakantieverlof, bedoeld in artikel 68, eerste lid onder c, en 69, eerste lid onder c, dat in enig kalenderjaar niet is genoten, wordt in het volgende kalenderjaar verleend, echter tot ten hoogste de helft van het aantal in die leden onder c genoemde onderscheidenlijk bedoelde aantal uren.

Artikel 71a. Vakantieverlof en ontslag

  • 1 Indien de militair op de datum waarop hij de werkelijke dienst verlaat nog aanspraak heeft op vakantieverlof, wordt hem voor ieder uur vakantieverlof dat hem niet is verleend een vergoeding toegekend ten bedrage van 1/165 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantieverlof over een vol kalenderjaar, zoals die direct voorafgaand aan het verlaten van de werkelijke dienst van de militair voor hem gold.

  • 2 Indien op de dag, waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, blijkt dat de militair teveel vakantieverlof heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantieverlof, tenzij dit niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, een bedrag verschuldigd ten bedrage van 1/165 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had.

  • 3 Indien de militair uiterlijk veertien dagen na het tijdstip waarop hij in de loop van een kalenderjaar de werkelijke dienst verlaat weer in werkelijke dienst komt of wordt aangesteld als burgerlijk ambtenaar bij het Ministerie van Defensie, kan de militair, in afwijking van het eerste lid, ervoor kiezen de vakantieverlofaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet zijn genoten, te behouden. Daarbij wordt vakantieverlof dat in het lopende kalenderjaar is verleend in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.

  • 4 Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing ten aanzien van op 31 december 1996 nog niet verleend vakantieverlof, dat, wanneer het nog niet is genoten op de datum waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, vervalt.

§ 3. Vakantieverlof voor militairen van de landmacht, de luchtmacht en de marechaussee