Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering [...] tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Parijs, 16-03-1973

Geldend van 24-07-2005 t/m heden

Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen

Authentiek : NL

Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

De Regering van de Franse Republiek,

De wens koesterende het op 30 december 1949 te Parijs ondertekende Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting inzake belastingen van inkomsten en tot regeling van enige andere belastingaangelegenheden te vervangen door een nieuwe overeenkomst,

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. Reikwijdte van de Overeenkomst

Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is

Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten.

Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is

  • 1 Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan.

  • 2 Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.

  • 3 De belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn:

    • a) voor Nederland:

      • - de inkomstenbelasting:

      • - de loonbelasting;

      • - de vennootschapsbelasting;

      • - de dividendbelasting;

      • - de vermogensbelasting;

      (hierna te noemen: „Nederlandse belasting”);

    • b) voor Frankrijk:

      • - l'impôt sur le revenu (de inkomstenbelasting);

      • - l'impôt sur les sociétés (de vennootschapsbelasting);

      • - la contribution des patentes (het patentrecht) voor wat betreft artikel 8;

      daaronder begrepen alle heffingen bij de bron, „précomptes” of vooruitbetalingen die in mindering worden gebracht op de hiervoor bedoelde belastingen;

      (hierna te noemen „Franse belasting”).

  • 4 De Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die in de toekomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten delen elkaar alle belangrijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht, mede.

HOOFDSTUK II. Begripsbepalingen

Artikel 3. Algemene begripsbepalingen

  • 1 In deze Overeenkomst:

    • a) betekent de uitdrukking „Staat” Nederland of Frankrijk, al naar het zinsverband vereist;

    • b) betekent de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, en de buiten de territoriale wateren van het Koninkrijk der Nederlanden gelegen gebieden waarover het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming met het internationale recht en volgens zijn wetgeving de rechten met betrekking tot de zeebodem, de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen kan uitoefenen;

    • c) betekent de uitdrukking „Frankrijk” de in Europa gelegen departementen en de overzeese departementen van de Franse Republiek (Guadeloupe, Guyana, Martinique en Réunion) en de buiten de territoriale wateren van Frankrijk gelegen gebieden waarover Frankrijk in overeenstemming met het internationale recht en volgens zijn wetgeving de rechten met betrekking tot de zeebodem, de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen kan uitoefenen;

    • d) omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijke persoon en een lichaam;

    • e) betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke eenheid die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;

    • f) betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een van de Staten” en „onderneming van de andere Staat” onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een van de Staten en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere Staat;

    • g) betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:

      • 1. in Nederland de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;

      • 2. in Frankrijk de Minister van Economische Zaken en van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger.

  • 2 Voor de toepassing van de Overeenkomst door elk van de Staten heeft, tenzij het zinsverband anders vereist, elke niet anders omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen die het onderwerp van de Overeenkomst uitmaken.

Artikel 4. Fiscale woonplaats

  • 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „inwoner van een van de Staten” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid.

  • 2 Voor de toepassing van deze Overeenkomst worden de leden van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een van de Staten in de andere Staat of in een derde Staat die onderdaan zijn van de Staat die hen accrediteert of zendt, geacht inwoner van die Staat te zijn, indien zij aldaar aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen en het vermogen zijn onderworpen als inwoners van die Staat.

  • 3 Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepaling van het eerste lid inwoner van beide Staten is, gelden de volgende regels:

    • a) hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft. Indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);

    • b) indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij gewoonlijk verblijft;

    • c) indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;

    • d) indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.

  • 4 Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepaling van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar de plaats van zijn werkelijke leiding is gelegen.

Artikel 5. Vaste inrichting

  • 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „vaste inrichting” een vaste bedrijfsinrichting waarin de werkzaamheden van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

  • 2 De uitdrukking „vaste inrichting” omvat in het bijzonder:

    • a) een plaats waar leiding wordt gegeven;

    • b) een filiaal;

    • c) een kantoor;

    • d) een fabriek;

    • e) een werkplaats;

    • f) een mijn, een steengroeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen;

    • g) de plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of montagewerkzaamheden, waarvan de duur twaalf maanden overschrijdt.

  • 3 Een vaste inrichting wordt niet aanwezig geacht, indien:

    • a) gebruik wordt gemaakt van inrichtingen, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen;

    • b) een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen wordt aangehouden, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering;

    • c) een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen wordt aangehouden, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;

    • d) een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming goederen aan te kopen of inlichtingen in te winnen;

    • e) een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend voor reclamedoeleinden, voor het geven van inlichtingen, voor wetenschappelijk onderzoek of voor soortgelijke werkzaamheden, ten behoeve van de onderneming, die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulp werkzaamheden hebben.

  • 4 Een persoon die in een van de Staten van een onderneming van de andere Staat werkzaam is - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het zesde lid - wordt als een in de eerstbedoelde Staat aanwezige vaste inrichting beschouwd, indien hij een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in die Staat gewoonlijk uitoefent, tenzij zijn werkzaamheden beperkt blijven tot de aankoop van goederen voor de onderneming.

  • 5 Een verzekeringsonderneming van een van de Staten wordt geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten vanaf het ogenblik waarop zij door tussenkomst van een vertegenwoordiger - niet vallende onder de groep van personen bedoeld in het zesde lid hierna - op het grondgebied van de laatstbedoelde Staat premies int of aldaar gelegen risico’s verzekert.

  • 6 Een onderneming van een van de Staten wordt niet geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten op grond van de enkele omstandigheid dat zij aldaar zaken doet door middel van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, indien deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.

  • 7 De enkele omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst, dat inwoner is van de andere Staat of dat in die andere Staat zaken doet (hetzij met behulp van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), stempelt een van de beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.

HOOFDSTUK III. Belastingheffing naar het inkomen

Artikel 6. Inkomsten uit onroerende goederen

  • 1 Inkomsten uit onroerende goederen, daaronder begrepen voordelen uit landbouw- of bosbedrijven, mogen worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen.

  • 2 De uitdrukking „onroerende goederen” heeft de betekenis die daaraan wordt toegekend door het recht van de Staat waar de desbetreffende goederen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de goederen die bij de onroerende goederen behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere bodemrijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende goederen beschouwd.

  • 3 De bepaling van het eerste lid is van toepassing op de inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen.

  • 4 De bepalingen van het eerste en derde lid zijn ook van toepassing op inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming en op inkomsten uit onroerende goederen gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep.

Artikel 7. Winst uit onderneming

  • 1 De voordelen van een onderneming van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere Staat haar bedrijf uitoefent met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mogen de voordelen van de onderneming in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die vaste inrichting kunnen worden toegerekend.

  • 2 Indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat haar bedrijf uitoefent met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting, worden in elk van de Staten aan die vaste inrichting de voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen, indien zij een afzonderlijke en afgesplitste onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is.

  • 3 Bij het bepalen van de voordelen van een vaste inrichting worden in aftrek toegelaten kosten - daaronder begrepen kosten van de leiding en algemene beheerskosten - die ten behoeve van de vaste inrichting zijn gemaakt, hetzij in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd, hetzij elders.

  • 4 Geen voordelen worden aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond van aankoop door die vaste inrichting van goederen voor de onderneming.

  • 5 Voor de toepassing van de voorgaande leden worden de aan de vaste inrichting toe te rekenen voordelen van jaar tot jaar volgens dezelfde methode bepaald, tenzij er een goede en genoegzame reden bestaat om hiervan af te wijken.

  • 6 Indien in de voordelen bestanddelen zijn begrepen die afzonderlijk in andere artikelen van deze Overeenkomst worden behandeld, worden de bepalingen van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.

Artikel 8. Zeevaart, binnenvaart en luchtvaart

  • 1 In afwijking van het bepaalde in artikel 7:

    • a) zijn voordelen die een inwoner van een van de Staten verkrijgt uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer, slechts in die Staat belastbaar;

    • b) zijn voordelen die een inwoner van een van de Staten verkrijgt uit de exploitatie van schepen die dienen voor het vervoer in de binnenwateren, slechts in die Staat belastbaar.

  • 2 Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid mogen de aldaar bedoelde voordelen ook in de andere Staat worden belast indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming in die andere Staat is gelegen.

  • 3 Indien de plaats van de werkelijke leiding van een zeescheepvaart- of een binnenscheepvaartonderneming zich aan boord van een schip bevindt, wordt deze plaats geacht te zijn gelegen in de Staat waar het schip zijn thuishaven heeft, of, indien er geen thuishaven is, in de Staat waarvan de exploitant van het schip inwoner is.

  • 4 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het patentrecht dat naar een andere grondslag dan de winst wordt geheven.

Artikel 9. Gelieerde ondernemingen

Indien

  • a) een onderneming van een van de Staten onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van de andere Staat, of

  • b) dezelfde personen onmiddellijk of middellijk deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van een van de Staten en een onderneming van de andere Staat,

en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden aanvaard of opgelegd, die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mogen de voordelen die een van de ondernemingen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de voordelen van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast.

Artikel 10. Dividenden

  • 1 Dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

  • 2 Deze dividenden mogen echter in de Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar de aldus geheven belasting mag niet overschrijden:

    • a) 5 percent van het bruto-bedrag van de dividenden, indien de genieter een vennootschap op aandelen of een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is die onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt;

    • b) 15 percent van het bruto-bedrag van de dividenden in alle andere gevallen.

  • 3

    • a) Dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van Frankrijk, die recht zouden geven op een „avoir fiscal”, indien zij zouden zijn genoten door een persoon die inwoner is van Frankrijk, geven wanneer ze worden betaald aan genieters die inwoner zijn van Nederland, recht op een betaling door de Franse Schatkist van een bruto-bedrag dat, behoudens de inhouding van de in het tweede lid, letter b, hiervoor bedoelde belasting, gelijk is aan dat „avoir fiscal”.

    • b) De bepaling van letter a is van toepassing op de hierna genoemde genieters die inwoner zijn van Nederland:

      • (i) natuurlijke personen die aan de Nederlandse belasting zijn onderworpen ter zake van het totale bedrag van de dividenden uitgedeeld door het lichaam dat inwoner is van Frankrijk en van het in letter a bedoelde bruto-bedrag dat op die dividenden betrekking heeft;

      • (ii) lichamen die aan de Nederlandse belasting zijn onderworpen ter zake van het totale bedrag van de dividenden uitgedeeld door het lichaam dat inwoner is van Frankrijk en van het in letter a bedoelde bruto-bedrag dat op die dividenden betrekking heeft;

      • (iii) beleggingsmaatschappijen en beleggingsfondsen, niet vallende onder de bepalingen van (ii) hiervoor, die voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten in onderlinge overeenstemming vastgestelde voorwaarden.

  • 4 Een persoon die inwoner is van Nederland en die dividenden geniet die zijn uitgedeeld door een lichaam dat inwoner is van Frankrijk, kan, tenzij hij de in het derde lid bedoelde betaling geniet, teruggaaf vragen van de op die dividenden betrekking hebbende „précompte”, die in voorkomend geval is voldaan door het lichaam dat de uitdeling doet, zulks behoudens de inhouding van de in het tweede lid hiervoor bedoelde belasting.

  • 5

    • a) De uitdrukking „dividenden” zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, „parts de mine”, oprichtersaandelen of andere rechten, met uitzondering van schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst, alsmede inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die door de belastingwetgeving van de Staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, met inkomsten uit aandelen worden gelijkgesteld.

    • b) Als dividenden, betaald door een lichaam dat inwoner is van Frankrijk, worden eveneens beschouwd de op de door dat lichaam betaalde dividenden betrekking hebbende betaling van het bruto-bedrag dat het in het derde lid bedoelde „avoir fiscal” vertegenwoordigt en de bruto-bedragen bedoeld in het vierde lid die zijn teruggegeven uit hoofde van de „précompte”.

  • 6 De bepalingen van het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing, indien de genieter van de dividenden, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, een vaste inrichting heeft en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting behoort. In een zodanig geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing.

  • 7 Indien een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, voordelen of inkomsten verkrijgt uit de andere Staat, mag die andere Staat geen belasting heffen op de dividenden betaald door het lichaam aan personen die geen inwoner zijn van die andere Staat, noch de niet-uitgedeelde winst van het lichaam onderwerpen aan een belasting op niet-uitgedeelde winst, zelfs indien de betaalde dividenden of de niet-uitgedeelde winst geheel of gedeeltelijk bestaan uit voordelen of inkomsten die uit die andere Staat afkomstig zijn.

Artikel 11. Interest

  • 1 Interest afkomstig uit een van de Staten en betaald aan een inwoner van de andere Staat, mag in die andere Staat worden belast.

  • 2 Deze interest mag echter in de Staat waaruit zij afkomstig is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar de aldus geheven belasting mag 10 percent van hef bedrag van de interest niet overschrijden.

    In afwijking van de bepaling van de voorgaande zin mag de interest op obligaties die vóór 1 januari 1965 in Frankrijk zijn uitgegeven aldaar aan een belasting van 12 percent worden onderworpen.

  • 3 In afwijking van de bepalingen van het tweede lid mag de in het eerste lid bedoelde interest niet worden belast in de Staat waaruit zij afkomstig is, indien zij

    • a) wordt betaald krachtens een financieringsovereenkomst of uit hoofde van uitstel van betaling verband houdende met de verkoop van nijverheids- en handelsuitrusting of wetenschappelijke uitrusting of met de constructie van installaties voor nijverheids- en handelsdoeleinden of wetenschappelijke doeleinden dan wel met openbare werken;

    • b) wordt betaald op een lening van welke aard ook, verstrekt door een bankinstelling;

    • c) wordt betaald - als gevolg van een schriftelijke aanmaning of van het instellen van een vordering in rechte - bij wijze van schadeloosstelling voor te late betaling op een vordering waarvoor geen interest was bedongen.

  • 4 De uitdrukking „interest”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit overheidsleningen, obligaties of schuldbewijzen, al dan niet verzekerd door hypotheek en al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst, en schuldvorderingen van welke aard ook, alsmede alle andere inkomsten die door de belastingwetgeving van de Staat waaruit de inkomsten afkomstig zijn, met inkomsten uit geldlening worden gelijkgesteld.

  • 5 De bepalingen van het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing, indien de genieter van de interest, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waaruit de interest afkomstig is, een vaste inrichting heeft en de vordering uit hoofde waarvan de interest verschuldigd is, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting behoort. In een zodanig geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing.

  • 6 Interest wordt geacht uit een van de Staten afkomstig te zijn, indien zij wordt betaald door die Staat zelf, door een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of door een inwoner van die Staat. Indien evenwel de schuldenaar van de interest, ongeacht of hij inwoner van een van de Staten is of niet, in een van de Staten een vaste inrichting heeft, waarvoor de lening ter zake waarvan de interest wordt betaald, was aangegaan, en deze interest ten laste komt van die vaste inrichting, wordt deze interest geacht afkomstig te zijn uit de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd.

  • 7 Indien, ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de schuldeiser of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de betaalde interest, gelet op de schuldvordering ter zake waarvan zij wordt betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de schuldeiser zou zijn overeengekomen, vinden de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van de betaalde bedragen belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 12. Royalty’s

  • 1 Royalty’s afkomstig uit een van de Staten en betaald aan een inwoner van de andere Staat, zijn slechts in die andere Staat belastbaar.

  • 2 De uitdrukking „royalty’s”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap - daaronder begrepen bioscoopfilms en films, beeldbanden of geluidsbanden voor televisie of radio - van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, dan wel voor het gebruik van, of het recht van gebruik van, nijverheids- en handelsuitrusting of wetenschappelijke uitrusting, of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap.

  • 3 De bepaling van het eerste lid is niet van toepassing, indien de genieter van de royalty’s, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waaruit de royalty’s afkomstig zijn, hetzij commerciële activiteiten bedrijft met behulp van een vaste inrichting, hetzij een vrij beroep uitoefent met behulp van een vast middelpunt, en het recht of de zaak uit hoofde waarvan de royalty’s verschuldigd zijn, tot het bedrijfsvermogen daarvan behoort. In een zodanig geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of van artikel 14 van toepassing.

  • 4 Indien, ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de schuldeiser of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de betaalde royalty’s, gelet op het gebruik, het recht of de inlichtingen waarvoor zij worden betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de schuldeiser zou zijn overeengekomen, vinden de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van de betaalde bedragen belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 13. Vermogenswinsten

  • 1 Voordelen verkregen uit de vervreemding van onroerende goederen, zoals omschreven in artikel 6, tweede lid, alsmede voordelen uit de vervreemding van vennootschappelijke rechten of van soortgelijke rechten in een lichaam waarvan de bezittingen hoofdzakelijk uit onroerende goederen bestaan, mogen worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen.

  • 2 Voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende zaken die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, of van roerende zaken die behoren tot een vast middelpunt dat een inwoner van een van de Staten in de andere Staat tot zijn beschikking heeft voor de uitoefening van een vrij beroep, daaronder begrepen voordelen verkregen uit de vervreemding van de vaste inrichting (alleen of te zamen met de gehele onderneming) of van het vaste middelpunt, mogen in die andere Staat worden belast.

  • 3 In afwijking van de bepaling van het tweede lid:

    • a) zijn voordelen die een inwoner van een van de Staten verkrijgt uit de vervreemding van schepen en luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd en van schepen die dienen voor het vervoer in de binnenwateren, alsmede van roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen en luchtvaartuigen, slechts in die Staat belastbaar;

    • b) mogen, niettegenstaande het bepaalde in letter a, de aldaar bedoelde voordelen ook in de andere Staat worden belast, indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming in die andere Staat is gelegen.

  • 4 Voordelen verkregen uit de vervreemding van alle andere zaken dan die genoemd in de voorgaande leden zijn slechts belastbaar in de Staat waarvan de vervreemder inwoner is.

  • 5 Niettegenstaande de bepaling van het vierde lid behoudt elk van de beide Staten het recht overeenkomstig zijn eigen wetgeving belasting te heffen op voordelen uit de vervreemding van aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, die geheel of gedeeltelijk een aanmerkelijk belang vormen in een vennootschap op aandelen of in een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die inwoner is van die Staat, indien die voordelen worden behaald door een natuurlijke persoon die inwoner is van de andere Staat, echter onder voorwaarde dat die persoon

    • - de nationaliteit van de eerstbedoelde Staat bezit zonder de nationaliteit van de andere Staat te bezitten

      en

    • - inwoner van de eerstbedoelde Staat is geweest gedurende enig tijdvak in de loop van de vijf jaren voorafgaande aan de vervreemding.

Artikel 14. Zelfstandige arbeid

  • 1 Voordelen verkregen door een inwoner van een van de Staten in de uitoefening van een vrij beroep of ter zake van andere zelfstandige werkzaamheden van soortgelijke aard zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij hij in de andere Staat voor het verrichten van zijn werkzaamheden over een vast middelpunt beschikt. Indien hij over zulk een vast middelpunt beschikt, mogen de voordelen in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan dat vaste middelpunt kunnen worden toegerekend.

  • 2 De uitkering „vrij beroep” omvat in het bijzonder de zelfstandige werkzaamheden op het gebied van wetenschap, letterkunde, kunst, opvoeding of onderwijs, alsmede de zelfstandige werkzaamheden van artsen, advocaten, technici, architecten, tandartsen en accountants.

Artikel 15. Niet-zelfstandige arbeid

  • 1 Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 16, 19 en 20 zijn lonen, salarissen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mag de ter zake daarvan verkregen beloning in die andere Staat worden belast.

  • 2 Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid is de beloning verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een in de andere Staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar, indien:

    • a) de genieter in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken, die in het desbetreffende belastingjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaan; en

    • b) de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van de andere Staat is; en

    • c) de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die, of van een vast middelpunt dat de werkgever in de andere Staat heeft.

  • 3 Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer, of aan boord van een schip dat dient voor het vervoer in de binnenwateren, slechts in die Staat belastbaar.

Artikel 16. Beheerders, bestuurders en commissarissen van vennootschappen

  • 1 Tantièmes, presentiegelden en andere beloningen verkregen door een inwoner van Nederland die lid is van de raad van beheer of van de raad van toezicht van een vennootschap op aandelen of een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die inwoner is van Frankrijk, mogen in Frankrijk worden belast.

  • 2 Tantièmes, presentiegelden en andere beloningen verkregen door een inwoner van Frankrijk die commissaris of bestuurder is van een naamloze vennootschap of een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die inwoner is van Nederland, mogen in Nederland worden belast.

  • 3 Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid mogen de aldaar bedoelde beloningen die verkregen worden door personen die in een wezenlijke en vaste functie werkzaamheden verrichten in een vaste inrichting gevestigd in de andere Staat dan die waarvan het lichaam inwoner is, en ten laste waarvan de beloningen als zodanig komen, in die andere Staat worden belast.

Artikel 17. Artiesten en sportbeoefenaars

  • 1 Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 14 en 15 mogen voordelen of inkomsten, verkregen door beroeps artiesten, zoals toneelspelers, film-, radio- of televisie artiesten en musici, alsmede door sportbeoefenaars, uit hun persoonlijke werkzaamheden als zodanig, worden belast in de Staat waar deze werkzaamheden worden verricht.

  • 2 Niettegenstaande enige andere bepaling van deze Overeenkomst mogen de voordelen, die een lichaam van een van de Staten dat de diensten van een in het eerste lid bedoelde persoon verschaft, uit het verschaffen van die diensten verkrijgt, in die andere Staat worden belast, tenzij dit lichaam aantoont dat het niet onmiddellijk of middellijk door die persoon wordt beheerst.

Artikel 18. Pensioenen

Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 19, eerste lid, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner van een van de Staten ter zake van een vroegere dienstbetrekking, slechts in die Staat belastbaar.

Artikel 19. Overheidsfuncties

  • 1 Beloningen, daaronder begrepen pensioenen, door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of een publiekrechtelijke instelling daarvan, hetzij rechtstreeks, hetzij uit door hen in het leven geroepen fondsen, betaald aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten bewezen aan die Staat of aan dat onderdeel of dat plaatselijke publiekrechtelijke lichaam of aan die publiekrechtelijke instelling in de uitoefening van overheidsfuncties, mogen in die Staat worden belast.

  • 2 De bepalingen van de artikelen 15, 16 en 18 zijn van toepassing op beloningen of pensioenen ter zake van diensten, bewezen in het kader van werkzaamheden op het gebied van handel of nijverheid uitgeoefend door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of een publiekrechtelijke instelling daarvan.

Artikel 20. Hoogleraren en leraren

  • 1 Vergoedingen die hoogleraren, leraren en andere leden van het onderwijzend personeel, die inwoner zijn van een van de Staten en die onderwijs geven aan een universiteit of enige andere inrichting voor onderwijs van de andere Staat, voor dat onderwijs ontvangen, zijn gedurende een tijdvak van ten hoogste twee jaren, te rekenen vanaf de aanvang van dat onderwijs, slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar.

  • 2 Deze bepaling is eveneens van toepassing op vergoedingen die een natuurlijke persoon, die inwoner is van een van de Staten, ontvangt voor het verrichten van onderzoek in de andere Staat, indien dit onderzoek niet hoofdzakelijk wordt verricht met het oog op het behalen van bijzondere voordelen die ten goede komen aan een onderneming of aan een persoon maar integendeel in het algemeen belang.

Artikel 21. Studenten en personen in opleiding

  • 1 Bedragen die een student of een voor een beroep of bedrijf in opleiding zijnde persoon die inwoner van een van de Staten is of vroeger was en die uitsluitend voor zijn studie of opleiding in de andere Staat verblijft, ontvangt ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding, zijn in die andere Staat niet belastbaar, mits deze bedragen afkomstig zijn uit bronnen buiten die andere Staat.

  • 2 Dit geldt eveneens voor de beloning die een zodanige student of voor een beroep of bedrijf in opleiding zijnde persoon verkrijgt ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend in de Staat waar hij studeert of zijn opleiding ontvangt, mits deze dienstbetrekking rechtstreeks verband houdt met zijn studie of opleiding en de duur ervan 183 dagen per belastingjaar niet te boven gaat.

Artikel 22. Overige inkomsten

Bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een van de Staten, waarop de voorgaande artikelen van deze Overeenkomst geen toepassing vinden, zijn slechts in die Staat belastbaar.

HOOFDSTUK IV

Artikel 23. Belastingheffing naar het vermogen

  • 1 Vermogen, bestaande uit onroerende goederen, zoals omschreven in artikel 6, tweede lid, mag worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen.

  • 2 Vermogen, bestaande uit roerende zaken die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting van een onderneming, of uit roerende zaken die behoren tot een vast middelpunt gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep, mag worden belast in de Staat waar de vaste inrichting of het vaste middelpunt is gevestigd.

  • 3 In afwijking van de bepaling van het tweede lid:

    • a) zijn schepen en luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd en schepen die dienen voor het vervoer in de binnenwateren, alsmede roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen en luchtvaartuigen, slechts belastbaar in de Staat waarvan de exploitant inwoner is;

    • b) mogen, niettegenstaande het bepaalde in letter a, de aldaar bedoelde schepen, luchtvaartuigen en roerende zaken ook in de andere Staat worden belast, indien de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming in die andere Staat is gelegen.

  • 4 Alle andere bestanddelen van het vermogen van een inwoner van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar.

HOOFDSTUK V

Artikel 24. Bepaling tot vermijding van dubbele belasting

Het is wel te verstaan, dat dubbele belasting op de volgende wijze wordt vermeden:

  • A. Wat betreft Nederland:

    • 1. Nederland is bevoegd bij het vaststellen van de door zijn inwoners verschuldigde belasting in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen of van het vermogen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst in Frankrijk mogen worden belast.

    • 2. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen betreffende de verliescompensatie in de nationale Nederlandse wetgeving, verleent Nederland echter een vermindering op het overeenkomstig het eerste lid berekende belastingbedrag tot een bedrag dat gelijk is aan dat gedeelte van dat belastingbedrag dat tot dat belastingbedrag in dezelfde verhouding staat, als het bedrag van de bestanddelen van het inkomen of van het vermogen die in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen en die volgens de artikelen 6, 7, 8, tweede lid, 10, zesde lid, 11, vijfde lid, 12, derde lid, 13, eerste tweede en derde lid, letter b, 14, 15, eerste lid, 19, 23, eerste, tweede en derde lid, letter b, van deze Overeenkomst in Frankrijk mogen worden belast, staat tot het bedrag van het gehele inkomen of het gehele vermogen dat bij de toepassing van genoemd eerste lid de grondslag voor de belastingheffing vormt.

    • 3. Met betrekking tot de bestanddelen van het inkomen die in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen en die volgens de artikelen 10, tweede lid, 11, tweede lid, 16 en 17 in Frankrijk mogen worden belast, brengt Nederland op de aldus berekende belasting het laagste van de volgende bedragen in mindering:

      • a) het bedrag dat gelijk is aan de in Frankrijk hetzij volgens de artikelen 16 en 17, hetzij binnen de begrenzing van de in de artikelen 10, tweede lid, en 11, tweede lid, voorziene tarieven geheven belasting;

      • b) het bedrag van de Nederlandse belasting dat tot het overeenkomstig het eerste lid van dit artikel berekende belastingbedrag in dezelfde verhouding staat, als het bedrag van de genoemde bestanddelen van het inkomen staat tot het bedrag van het gehele inkomen dat de in genoemd eerste lid bedoelde grondslag vormt.

  • B. Wat betreft Frankrijk:

    • a) Inkomsten, andere dan die bedoeld in letter b hierna, zijn vrijgesteld van de in artikel 2, derde lid, letter b, bedoelde Franse belastingen, wanneer die inkomsten ingevolge deze Overeenkomst in Nederland mogen worden belast.

    • b) Met betrekking tot de in de artikelen 8, 10, 11, 16 en 17 bedoelde inkomsten, die overeenkomstig de bepalingen van deze artikelen aan de Nederlandse belasting onderworpen zijn geweest, verleent Frankrijk aan personen die inwoner zijn van Frankrijk en die zodanige inkomsten genieten, een verrekening tot een bedrag dat gelijk is aan de Nederlandse belasting.

      Deze verrekening, die het bedrag van de over de desbetreffende inkomsten in Frankrijk geheven belasting niet te boven mag gaan, vindt plaats met de in artikel 2, derde lid, letter b, bedoelde belastingen, in de grondslagen waarvan die inkomsten zijn begrepen.

    • c) Niettegenstaande de bepalingen van de letters a en b mag de Franse belasting over het inkomen dat ingevolge deze Overeenkomst in Frankrijk mag worden belast, worden berekend naar het tarief dat van toepassing is op het totale bedrag van het inkomen dat overeenkomstig de Franse wetgeving belastbaar is.

HOOFDSTUK VI. Bijzondere bepalingen

Artikel 25. Non-discriminatie

  • 1 Onderdanen van een van de Staten, ongeacht of zij inwoner zijn van die Staat of niet, worden in de andere Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.

  • 2 De uitdrukking „onderdanen” betekent:

    • a) alle natuurlijke personen die de nationaliteit van een van de Staten bezitten;

    • b) alle rechtspersonen, vennootschappen en verenigingen die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in een van de Staten van kracht is.

  • 3 Statenlozen die inwoner zijn van een van de Staten worden in geen van beide Staten aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan onderdanen van de desbetreffende Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.

  • 4 De belastingheffing van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, is in die andere Staat niet ongunstiger dan de belastingheffing van ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen. Deze bepaling mag niet aldus worden uitgelegd, dat zij een van de Staten verplicht aan inwoners van de andere Staat bij de belastingheffing de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de samenstelling van het gezin of gezinslasten te verlenen, die eerstbedoelde Staat aan zijn eigen inwoners verleent.

  • 5 Ondernemingen van een van de Staten, waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere Staat, worden in de eerstbedoelde Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan andere soortgelijke ondernemingen van die eerstbedoelde Staat zijn of kunnen worden onderworpen.

  • 6 In dit artikel ziet de uitdrukking „belastingheffing” op belastingen van elke soort en benaming.

Artikel 26. Toepassing van de Overeenkomst

De bevoegde autoriteiten van de Staten regelen de wijze van toepassing van deze Overeenkomst.

Artikel 27. Regeling voor onderling overleg

  • 1 Indien een inwoner van een van de Staten van oordeel is dat de maatregelen van een van de Staten of van elk van beide Staten voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met deze Overeenkomst, kan hij, onverminderd de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die Staten voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de Staat waarvan hij inwoner is. Het geval dient te worden voorgelegd binnen drie jaren na de eerste kennisgeving van de maatregel die leidt tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de Overeenkomst.

  • 2 De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar hem gegrond voorkomt en indien hij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van de andere Staat te regelen ten einde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de Overeenkomst, te vermijden. De overeengekomen regeling zal worden toegepast ongeacht de termijnen waarin de nationale wetgevingen van de beide Staten voorzien.

  • 3 De bevoegde autoriteiten van de Staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de toepassing van de Overeenkomst in onderlinge overeenstemming op te lossen. Zij kunnen in het bijzonder met elkaar overleg plegen ten einde tot een regeling te geraken die ertoe leidt:

    • a) dat voordelen, die aan een onderneming van een van de Staten en aan haar vaste inrichting in de andere Staat opkomen, op gelijke wijze worden toegerekend;

    • b) dat voordelen, die aan een onderneming van een van de Staten en aan een gelieerde persoon als bedoeld in artikel 9 opkomen, op gelijke wijze worden toegerekend.

    Deze autoriteiten kunnen ook met elkaar overleg plegen ten einde dubbele belasting ongedaan te maken in gevallen waarvoor in de Overeenkomst geen voorziening is getroffen.

  • 4 De bevoegde autoriteiten van de Staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen ten einde een overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken.

Artikel 28. Uitwisseling van inlichtingen

  • 1 De bevoegde autoriteiten van de beide Staten wisselen inlichtingen van fiscale aard uit, die zij geordend tot hun beschikking hebben en die nodig zijn om uitvoering te geven aan deze Overeenkomst en aan de nationale wetgevingen van de Staten met betrekking tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, alsmede om belastingfraude te bestrijden. Elke aldus uitgewisselde inlichting wordt geheim gehouden en niet ter kennis gebracht van andere personen of autoriteiten dan die belast met de vaststelling of invordering van de belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken.

  • 2 In geen geval worden de bepalingen van het eerste lid aldus uitgelegd dat zij een van de Staten de verplichting opleggen:

    • a) administratieve maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving of de administratieve praktijk van die of van de andere Staat;

    • b) bijzonderheden te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn volgens de wetgeving of in de normale gang van de administratieve werkzaamheden van die of van de andere Staat;

    • c) inlichtingen te verstrekken die een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze zouden onthullen, dan wel inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde.

Artikel 29. Diplomatieke en consulaire ambtenaren

  • 1 De bepalingen van deze Overeenkomst tasten in geen enkel opzicht de fiscale voorrechten aan die diplomatieke of consulaire ambtenaren en beambten ontlenen aan de algemene regelen van het volkenrecht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten.

  • 2 De Overeenkomst is niet van toepassing op internationale organisaties, op hun organen en functionarissen en evenmin op personen die deel uitmaken van diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen van derde Staten, indien zij zich op het grondgebied van een van de Staten bevinden en in geen van beide Staten als inwoner worden behandeld met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen.

Artikel 30. Uitbreiding tot andere gebieden

  • 1 Deze Overeenkomst kan, hetzij in haar geheel, hetzij met de noodzakelijke wijzigingen, worden uitgebreid:

    • a) tot de landen Suriname en de Nederlandse Antillen of tot slechts een van die landen;

    • b) tot de overzeese gebiedsdelen van de Franse Republiek,

    indien deze landen of gebiedsdelen belastingen heffen die in wezen gelijksoortig zijn aan die waarop deze Overeenkomst van toepassing is. Zulk een uitbreiding wordt van kracht met ingang van een datum en met inachtneming van wijzigingen en voorwaarden, daaronder begrepen voorwaarden ten aanzien van de beëindiging van de toepasselijkheid, nader vast te stellen en overeen te komen bij diplomatieke notawisseling.

  • 2 Tenzij door de beide Staten anders is overeengekomen, wordt door de opzegging van de Overeenkomst door een van hen op de voet van artikel 32 tevens, met inachtneming van hetgeen in dat artikel bepaald is, de toepasselijkheid van de Overeenkomst op het land of gebiedsdeel waartoe zij ingevolge dit artikel is uitgebreid, beëindigd.

HOOFDSTUK VII. Slotbepalingen

Artikel 31. Inwerkingtreding

  • 1 Deze Overeenkomst dient te worden goedgekeurd overeenkomstig de grondwettelijke bepalingen die in elk van de Staten van kracht zijn. Zij treedt in werking op de dertigste dag volgend op die waarop kennisgevingen worden uitgewisseld, waarin over en weer is vastgelegd, dat aan deze bepalingen is voldaan.

  • 2 Deze Overeenkomst vindt toepassing:

    • a) in Nederland:

      • (i) wat de dividendbelasting betreft, op dividenden bedoeld in artikel 10, die op of na de dag van inwerkingtreding betaalbaar worden gesteld;

      • (ii) wat de andere belastingen betreft, op inkomsten en vermogensbestanddelen die betrekking hebben op bebelastingjaren en -tijdvakken die aanvangen op of na de eerste januari van het jaar waarin de kennisgevingen worden uitgewisseld;

    • b) in Frankrijk:

      • (i) wat enerzijds de bij wijze van inhouding aan de bron geheven belastingen op dividenden en interest en anderzijds de betalingen bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, betreft, op de inkomsten die te rekenen vanaf de dag van inwerkingtreding betaalbaar worden gesteld;

      • (ii) wat de andere belastingen betreft, op inkomsten die betrekking hebben op het kalenderjaar waarin de kennisgevingen worden uitgewisseld of op boekjaren die in de loop van dat jaar zijn afgesloten, en op inkomsten die betrekking hebben op latere jaren.

  • 3 Door de inwerkingtreding van deze Overeenkomst treedt het op 30 december 1949 te Parijs ondertekende Verdrag tussen Nederland en Frankrijk ter voorkoming van dubbele belasting inzake belastingen van inkomsten en tot regeling van enige andere belastingaangelegenheden, zoals dit is gewijzigd bij de op 24 juli 1952 te Parijs ondertekende Aanvullende Overeenkomst bij dat Verdrag, buiten werking. De bepalingen van dat Verdrag houden op toepassing te vinden met ingang van de dag waarop ingevolge het tweede lid hiervoor voor het eerst de overeenkomstige bepalingen van deze Overeenkomst van toepassing worden.

Artikel 32. Beëindiging

Deze Overeenkomst blijft van kracht totdat zij door een van de Staten is opgezegd. Elk van de Staten kan de Overeenkomst langs diplomatieke weg opzeggen met inachtneming van een termijn van tenminste zes maanden voor het einde van enig kalenderjaar, te rekenen vanaf het jaar 1976. In dat geval houdt de Overeenkomst op van toepassing te zijn:

  • a) in Nederland: op inkomsten en vermogensbestanddelen die betrekking hebben op belastingjaren en -tijdvakken, die aanvangen na het einde van het kalenderjaar waarin van de opzegging kennis is gegeven;

  • b) in Frankrijk: op inkomsten die betrekking hebben op alle belastingjaren die volgen op het jaar waarin van de opzegging kennis is gegeven.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd door hun respectieve Regeringen, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te Parijs, de 16e maart 1973, in de Nederlandse en de Franse taal, in twee exemplaren, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) J. A. DE RANITZ

Voor de Regering van de Franse Republiek

(w.g.) GILBERT DE CHAMBRUN

Protocol

Bij de ondertekening van de Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, heden tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek gesloten, zijn de ondergetekenden overeengekomen, dat de volgende bepalingen een integrerend deel van de Overeenkomst vormen.

I. Ad artikel 4

Een natuurlijke persoon die aan boord van een schip woont zonder een werkelijke woonplaats in een van de Staten te hebben, wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waar het schip zijn thuishaven heeft.

II. Ad artikel 6

Frankrijk behoudt zich het recht voor overeenkomstig de bepalingen van haar nationale wetgeving voor de toepassing van de artikelen 6 en 13 van de Overeenkomst als onroerende goederen te beschouwen de maatschappelijke rechten die in het bezit zijn van de vennoten of aandeelhouders van vennootschappen die in feite uitsluitend ten doel hebben, hetzij de bouw of verkrijging van onroerende goederen of van complexen van onroerende goederen met het oog op de verdeling daarvan in eenheden die bestemd zijn om aan haar leden in eigendom of in gebruik te worden afgestaan, hetzij het beheer van aldus verdeelde onroerende goederen of complexen van onroerende goederen.

III. Ad artikel 10

Het is wel te verstaan dat voor de toepassing van het zevende lid een lichaam dat inwoner is van Nederland en dat in Frankrijk een vaste inrichting bezit, niet is onderworpen aan de belasting op uitdelingen bedoeld in artikel 115 quinquies van de „Code général des Impôts”.

IV. Ad artikelen 10, 11 en 12

Voor de toepassing van de bepalingen van de artikelen 10, 11 en 12 moeten verzoeken om teruggaaf bij de bevoegde autoriteit van de Staat die de belasting heeft geheven worden ingediend binnen een tijdvak van drie jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belasting is geheven.

V. Ad artikel 24

Het is wel te verstaan dat, wat de Nederlandse inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting betreft, de grondslag bedoeld in artikel 24, eerste lid, is het onzuivere inkomen of de winst in de zin van de Nederlandse wetten op de inkomstenbelasting, onderscheidenlijk de vennootschapsbelasting.

VI. Ad artikelen 4, 8, 13 en 23

  • 1 Het is wel te verstaan dat Nederland, niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 4, 8, 13 en 23 van de Overeenkomst, het exclusieve recht heeft te belasten:

    • a. de voordelen die de bestaande Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V. verkrijgt uit de exploitatie van luchtvaartuigen in internationaal verkeer;

    • b. de voordelen die de bestaande Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V. verkrijgt uit de vervreemding van luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd, alsmede van roerende goederen die worden gebruikt bij de exploitatie van deze luchtvaartuigen, en

    • c. luchtvaartuigen die door de bestaande Koninklijke Luchtvaart-maatschappij N.V. in internationaal verkeer worden geëxploiteerd, alsmede roerende goederen die worden gebruikt bij de exploitatie van deze luchtvaartuigen,

    mits de hiervoor genoemde voordelen, luchtvaartuigen en roerende goederen, voorzover de nationale wetgeving van Nederland Nederland in staat stelt deze te belasten, effectief in Nederland worden belast.

  • 2 Het is wel te verstaan dat Nederland, niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 4, 8, 13 en 23 van de Overeenkomst, in elke situatie waarin de luchtvaartactiviteiten van de bestaande Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V. volledig of voor een aanzienlijk deel door een andere persoon zouden worden voortgezet, het exclusieve recht heeft de voordelen, vermogenswinsten, luchtvaartuigen en roerende goederen die betrekking hebben op deze luchtvaartactiviteiten, te belasten, mits de hiervoor genoemde voordelen, luchtvaartuigen en roerende goederen, voorzover de nationale wetgeving van Nederland Nederland in staat stelt deze te belasten, effectief in Nederland worden belast.

  • 3 De Overeenkomstsluitende Staten plegen, voorzover nodig, met elkaar overleg over de wijze van toepassing van het tweede lid, via briefwisseling of anderszins.

GEDAAN te Parijs, de 16e maart 1973, in de Nederlandse en de Franse taal, in twee exemplaren, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) J. A. DE RANITZ

Voor de Regering van de Franse Republiek

(w.g.) GILBERT DE CHAMBRUN

Authentiek : FR

Convention entre le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas et le Gouvernement de la République française tendant à éviter les doubles impositions et à prévenir l'évasion fiscale en matière d'impôts sur le revenu et sur la fortune

Le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas

et

le Gouvernement de la République française,

désireux de remplacer par une nouvelle convention la Convention signée à Paris le 30 décembre 1949 pour éviter les doubles impositions en matière d'impôts sur les revenus et régler certaines autres questions en matière fiscale,

sont convenus des dispositions suivantes:

CHAPITRE I. Champ d'application de la Convention

Article 1. Personnes visées

La présente Convention s'applique aux personnes qui sont des résidents de l'un des Etats ou de chacun des deux Etats.

Article 2. Impôts visés

  • 1 La présente Convention s'applique aux impôts sur le revenu et sur la fortune perçus pour le compte de chacun des Etats, de ses subdivisions politiques et de ses collectivités locales, quel que soit le système de perception.

  • 2 Sont considérés comme impôts sur le revenu et sur la fortune les impôts perçus sur le revenu total, sur la fortune totale, ou sur des éléments du revenu ou de la fortune, y compris les impôts sur les gains provenant de l'aliénation de biens mobiliers ou immobiliers, ainsi que les impôts sur les plus-values.

  • 3 Les impôts auxquels s'applique la Convention sont:

    • a) en ce qui concerne les Pays-Bas:

      • - l'impôt sur le revenu (de inkomstenbelasting) ;

      • - l'impôt sur les traitements, salaires, pensions (de loonbelasting ) ;

      • - l'impôt des sociétés (de vennootschapsbelasting) ;

      • - l'impôt sur les dividendes (de dividendbelasting) ;

      • - l'impôt sur la fortune (de vermogensbelasting) ;

      (ci-après dénommés: „l'impôt néerlandais”);

    • b) en ce qui concerne la France:

      • - l'impôt sur le revenu;

      • - l'impôt sur les sociétés;

      • - la contribution des patentes en ce qui concerne l'article 8;

      y compris toutes retenues à la source, tous précomptes ou avances décomptés sur les impôts visés ci-dessus;

      (ci-après dénommés: ,,l'impôt français”).

  • 4 La Convention s'appliquera aussi aux impôts futurs de nature identique ou analogue qui s'ajouteraient aux impôts actuels ou qui les remplaceraient. Les autorités compétentes des Etats se communiqueront les modifications importantes apportées à leurs législations fiscales respectives.

CHAPITRE II. Définitions

Article 3. Définitions générales

  • 1 Au sens de la présente Convention:

    • a) le terme „Etat” désigne, suivant le contexte, les Pays-Bas ou la France;

    • b) le terme „Pays-Bas” désigne la partie du Royaume des Pays-Bas qui est située en Europe et les zones situées hors des eaux territoriales du Royaume des Pays-Bas sur lesquelles, en conformité avec le droit international et selon sa législation, le Royaume des Pays-Bas peut exercer les droits relatifs au lit de la mer, au sous-sol marin et à leurs ressources naturelles;

    • c) le terme ,,France” désigne les départements européens et les départements d'outre-mer (Guadeloupe, Guyane, Martinique et Réunion) de la République française et les zones situées hors des eaux territoriales de la France sur lesquelles, en conformité avec le droit international et selon sa législation, la France peut exercer les droits relatifs au lit de la mer, au sous-sol marin et à leurs ressources naturelles;

    • d) le terme ,,personne” comprend les personnes physiques et les sociétés;

    • e) le terme ,,société” désigne toute personne morale ou toute entité qui est considérée comme une personne morale aux fins d'imposition ;

    • f) les expressions ,,entreprise de l'un des Etats” et „entreprise de l'autre Etat” désignent respectivement une entreprise exploitée par un résident de l'un des Etats et une entreprise exploitée par un résident de l'autre Etat;

    • g) l'expression ,,autorité compétente” désigne:

      • 1. aux Pays-Bas: le Ministre des Finances ou son représentant dûment autorisé;

      • 2. en France: le Ministre de l'Economie et des Finances ou son représentant dûment autorisé.

  • 2 Pour l'application de la Convention par chacun des Etats, toute expression qui n'est pas autrement définie a le sens qui lui est attribué par la législation de cet Etat régissant les impôts faisant l'objet de la Convention, à moins que le contexte n'exige une interprétation différente.

Article 4. Domicile fiscal

  • 1 Au sens de la présente Convention, l'expression «résident de l'un des Etats" désigne toute personne qui, en vertu de la législation dudit Etat, est assujettie à l'impôt dans cet Etat, en raison de son domicile, de sa résidence, de son siège de direction ou de tout autre critère de nature analogue.

  • 2 Aux fins de la présente Convention, les membres d'une représentation diplomatique ou consulaire de l'un des Etats dans l'autre Etat ou dans un Etat tiers qui possèdent la nationalité de l'Etat accréditant ou d'envoi sont considérés comme des résidents de cet Etat s'ils y sont soumis aux mêmes obligations concernant les impôts sur le revenu et sur la fortune que les résidents dudit Etat.

  • 3 Lorsque, selon la disposition du paragraphe 1, une personne physique est considérée comme résidente de chacun des Etats, le cas est résolu d'après les règles suivantes:

    • a) cette personne est considérée comme résidente de l'Etat où elle dispose d'une foyer d'habitation permanent. Lorsqu'elle dispose d'un foyer d'habitation permanent dans chacun des Etats, elle est considérée comme résidente de l'Etat avec lequel ses liens personnels et économiques sont les plus étroits (centre des intérêts vitaux) ;

    • b) si l'Etat où cette personne a le centre de ses intérêts vitaux ne peut pas être déterminé, ou qu'elle ne dispose d'un foyer d'habitation permanent dans aucun des Etats, elle est considérée comme résidente de l'Etat où elle séjourne de façon habituelle;

    • c) si cette personne séjourne de façon habituelle dans chacun des Etats ou qu'elle ne séjourne de façon habituelle dans aucun d'eux, elle est considérée comme résidente de l'Etat dont elle possède la nationalité;

    • d) si cette personne possède la nationalité de chacun des Etats ou qu'elle ne possède la nationalité d'aucun d'eux, les autorités compétentes des Etats tranchent la question d'un commun accord.

  • 4 Lorsque, selon la disposition du paragraphe 1, une personne autre qu'une personne physique est considérée comme résidente de chacun des Etats, elle est réputée résident de l'Etat où se trouve son siège de direction effective.

Article 5. Etablissement stable

  • 1 Au sens de la présente Convention, l'expression „établissement stable„ désigne une installation fixe d'affaires où l'entreprise exerce tout ou partie de son activité.

  • 2 L'expression „établissement stable„ comprend notamment:

    • a) un siège de direction;

    • b) une succursale;

    • c) un bureau;

    • d) une usine;

    • e) un atelier;

    • f) une mine, une carrière ou tout autre lieu d'extraction de ressources naturelles;

    • g) un chantier de construction ou de montage dont la durée dépasse douze mois.

  • 3 On ne considère pas qu'il y a établissement stable si:

    • a) il est fait usage d'installations aux seules fins de stockage, d'exposition ou de livraison de marchandises appartenant à l'entreprise;

    • b) des marchandises appartenant à l'entreprise sont entreposées aux seules fins de stockage, d'exposition ou de livraison;

    • c) des marchandises appartenant à l'entreprise sont entreposées aux seules fins de transformation par une autre entreprise;

    • d) une installation fixe d'affaires est utilisée aux seules fins d'acheter des marchandises ou de réunir des informations pour l'entreprise;

    • e) une installation fixe d'affaires est utilisée, pour l'entreprise, aux seules fins de publicité, de fourniture d'informations, de recherches scientifiques ou d'activités analogues qui ont un caractère préparatoire ou auxiliaire.

  • 4 Une personne agissant dans l'un des Etats pour le compte d'une entreprise de l'autre Etat - autre qu'un agent jouissant d'un statut indépendant, visé au paragraphe 6 - est considérée comme „établissement stable” dans le premier Etat si elle dispose dans cet Etat de pouvoirs qu'elle y exerce habituellement lui permettant de conclure des contrats au nom de l'entreprise, à moins que l'activité de cette personne ne soit limitée à l'achat de marchandises pour l'entreprise.

  • 5 Une entreprise d'assurance de l'un des Etats est considérée comme ayant un établissement stable dans l'autre Etat dès l'instant que, par l'intermédiaire d'un représentant n'entrant pas dans la catégorie des personnes visées au paragraphe 6 ci-après, elle perçoit des primes sur le territoire de ce dernier Etat ou assure des risques situés sur ce territoire.

  • 6 On ne considère pas qu'une entreprise de l'un des Etats a un établissement stable dans l'autre Etat du seul fait qu'elle y exerce son activité par l'entremise d'un courtier, d'un commissionnaire général ou de tout autre intermédiaire jouissant d'un statut indépendant, à condition que ces personnes agissent dans le cadre ordinaire de leur activité.

  • 7 Le fait qu'une société qui est un résident de l'un des Etats contrôle ou soit contrôlée par une société qui est un résident de l'autre Etat ou qui y exerce son activité (que ce soit par l'intermédiaire d'un établissement stable ou non) ne suffit pas, en lui-même, à faire de l'une quelconque de ces sociétés un établissement stable de l'autre.

CHAPITRE III. Imposition des revenus

Article 6. Revenus immobiliers

  • 1 Les revenus provenant de biens immobiliers y compris les revenus des exploitations agricoles ou forestières sont imposables dans l'Etat où ces biens sont situés.

  • 2 L'expression ,,biens immobiliers” est définie conformément au droit de l'Etat où les biens considérés sont situés. L'expression englobe en tout cas les accessoires, le cheptel mort ou vif des exploitations agricoles et forestières, les droits auxquels s'appliquent les dispositions du droit privé concernant la propriété foncière, l'usufruit des biens immobiliers et les droits à des redevances variables ou fixes pour l'exploitation ou la concession de l'exploitation de gisements minéraux, sources et autres richesses du sol; les navires, bateaux et aéronefs ne sont pas considérés comme biens immobiliers.

  • 3 La disposition du paragraphe 1 s'applique aux revenus provenant de l'exploitation directe, de la location ou de l'affermage ainsi que de toute autre forme d'exploitation de biens immobiliers.

  • 4 Les dispositions des paragraphes 1 et 3 s'appliquent également aux revenus provenant des biens immobiliers d'une entreprise ainsi qu'aux revenus des biens immobiliers servant à l'exercice d'une profession libérale.

Article 7. Bénéfices des entreprises

  • 1 Les bénéfices d'une entreprise de l'un des Etats ne sont imposables que dans cet Etat, à moins que l'entreprise n'exerce son activité dans l'autre Etat par l'intermédiaire d'un établissement stable qui y est situé. Si l'entreprise exerce son activité d'une telle façon, les bénéfices de l'entreprise sont imposables dans l'autre Etat mais uniquement dans la mesure où ils sont imputables audit établissement stable.

  • 2 Lorsqu'une entreprise de l'un des Etats exerce son activité dans l'autre Etat par l'intermédiaire d'un établissement stable qui y est situé, il est imputé, dans chacun des Etats, à cet établissement stable les bénéfices qu'il aurait pu réaliser s'il avait constitué une entreprise distincte et séparée exerçant des activités identiques ou analogues dans des conditions identiques ou analogues et traitant en toute indépendance avec l'entreprise dont il constitue un établissement stable.

  • 3 Dans le calcul des bénéfices d'un établissement stable, sont admises en déduction les dépenses exposées aux fins poursuivies par cet établissement stable, y compris les dépenses de direction et les frais généraux d'administration ainsi exposés, soit dans l'Etat où est situé cet établissement stable, soit ailleurs.

  • 4 Aucun bénéfice n'est imputé à un établissement stable du fait que cet établissement stable a simplement acheté des marchandises pour l'entreprise.

  • 5 Aux fins des paragraphes précédents, les bénéfices à imputer à l'établissement stable sont calculés chaque année selon la même méthode, à moins qu'il n'existe des motifs valables et suffisants de procéder autrement.

  • 6 Lorsque les bénéfices comprennent des éléments de revenu traités séparément dans d'autres articles de la présente Convention, les dispositions de ces articles ne sont pas affectées par les dispositions du présent article.

Article 8. Navigation maritime, intérieure et aérienne

  • 1 Par dérogation aux dispositions de l'article 7:

    • a) les bénéfices qu'un résident de l'un des Etats tire de l'exploitation, en trafic international, de navires ou d'aéronefs ne sont imposables que dans cet Etat;

    • b) les bénéfices qu'un résident de l'un des Etats tire de l'exploitation de bateaux servant à la navigation intérieure ne sont imposables que dans cet Etat.

  • 2 Nonobstant les dispositions du paragraphe 1, les bénéfices sus visés peuvent aussi être imposés dans l'autre Etat, si le siège de la direction effective de l'entreprise est situé dans cet autre Etat.

  • 3 Si le siège de la direction effective d'une entreprise de navigation maritime ou intérieure est à bord d'un navire ou d'un bateau, ce siège est réputé situé dans l'Etat où se trouve le port d'attache de ce navire ou de ce bateau ou, à défaut de port d'attache, dans l'Etat dont l'exploitant du navire ou du bateau est un résident.

  • 4 Les paragraphes 1 et 2 s'appliquent par analogie à la contribution des patentes, perçue sur une autre base que le bénéfice commercial.

Article 9. Entreprises associées

Lorsque

  • a) une entreprise de l'un des Etats participe directement ou indirectement à la direction, au contrôle ou au capital d'une entreprise de l'autre Etat ou que

  • b) les mêmes personnes participent directement ou indirectement à la direction, au contrôle ou au capital d'une entreprise de l'un des Etats et d'une entreprise de l'autre Etat,

et que, dans l'un et l'autre cas, les deux entreprises sont, dans leurs relations commerciales ou financières, liées par des conditions acceptées ou imposées, qui diffèrent de celles qui seraient conclues entre des entreprises indépendantes, les bénéfices qui, sans ces conditions, auraient été obtenus par l'une des entreprises mais n'ont pu l'être en fait à cause de ces conditions, peuvent être inclus dans les bénéfices de cette entreprise et imposés en conséquence.

Article 10. Dividendes

  • 1 Les dividendes payés par une société qui est un résident de l'un des Etats à un résident de l'autre Etat sont imposables dans cet autre Etat.

  • 2 Toutefois, ces dividendes peuvent être imposés dans l'Etat dont la société qui paie les dividendes est un résident, et selon la législation de cet Etat, mais l'impôt ainsi établi ne peut excéder:

    • a) 5 pour cent du montant brut des dividendes si le bénéficiaire est une société par actions ou à responsabilité limitée qui dispose directement d'au moins 25 pour cent du capital de la société qui paie les dividendes;

    • b) 15 pour cent du montant brut des dividendes dans tous les autres cas.

  • 3

    • a) Les dividendes payés par une société, résidente de France, qui donneraient droit à un avoir fiscal s'ils étaient reçus par une personne qui est un résident de France, ouvrent droit, lorsqu'ils sont payés à des bénéficiaires qui sont des résidents des Pays-Bas à un paiement brut du Trésor français d'un montant égal à cet avoir fiscal, sous réserve de la déduction de l'impôt prévu au paragraphe 2, alinéa b), ci-dessus.

    • b) La disposition de l'alinéa a) s'appliquera aux bénéficiaires ci-après, qui sont des résidents des Pays-Bas:

      • (i) les personnes physiques assujetties à l'impôt néerlandais à raison du montant total des dividendes distribués par la société qui est un résident de France et du paiement brut visé à l'alinéa a) afférent à ces dividendes;

      • (ii) les sociétés assujetties à l'impôt néerlandais à raison du montant total des dividendes distribués par la société qui est un résident de France et du paiement brut visé à l'alinéa a) afférent à ces dividendes;

      • (iii) les sociétés et les fonds d'investissement, n'entrant pas dans les prévisions de l'alinéa (ii) ci-dessus, qui satisfont aux conditions fixées d'un commun accord entre les autorités compétentes.

  • 4 A moins qu'elle ne bénéficie du paiement prévu au paragraphe 3, une personne qui est un résident des Pays-Bas et qui reçoit des dividendes distribués par une société, résidente de France, peut demander le remboursement du précompte afférent à ces dividendes acquitté, le cas échéant, par la société distributrice, sous réserve de la déduction de l'impôt prévu au paragraphe 2 ci-dessus.

  • 5

    • a) Le terme „dividendes” employé dans le présent article désigne les revenus provenant d'actions, actions ou bons de jouissance, parts de mine, parts de fondateur ou autres parts bénéficiaires à l'exception des créances, ainsi que les revenus d'autres parts sociales assimilés aux revenus d'actions par la législation fiscale de l'Etat dont la société distributrice est un résident.

    • b) Sont également considérés comme des dividendes payés par une société qui est un résident de France le paiement brut représentatif de l'avoir fiscal visé au paragraphe 3 et les sommes brutes remboursées au titre du précompte visées au paragraphe 4, qui sont afférents aux dividendes payés par cette société.

  • 6 Les dispositions des paragraphes 1 à 4 ne s'appliquent pas lorsque le bénéficiaire des dividendes, résident de l'un des Etats, a, dans l'autre Etat dont la société qui paie les dividendes est un résident, un établissement stable auquel se rattache effectivement la participation génératrice des dividendes. Dans ce cas, les dispositions de l'article 7 sont applicables.

  • 7 Lorsqu'une société qui est un résident de l'un des Etats tire des bénéfices ou des revenus de l'autre Etat, cet autre Etat ne peut percevoir aucun impôt sur les dividendes payés par la société aux personnes qui ne sont pas des résidents de cet autre Etat, ni prélever aucun impôt, au titre de l'imposition des bénéfices non distribués, sur les bénéfices non distribués de la société, même si les dividendes payés ou les bénéfices non distribués consistent en tout ou en partie en bénéfices ou revenus provenant de cet autre Etat.

Article 11. Intérêts

  • 1 Les intérêts provenant de l'un des Etats et payés à un résident de l'autre Etat sont imposables dans cet autre Etat.

  • 2 Toutefois, ces intérêts peuvent être imposés dans l'Etat d'où ils proviennent et selon la législation de cet Etat, mais l'impôt ainsi établi ne peut excéder 10 pour cent du montant des intérêts.

    Par dérogation à la disposition de la phrase précédente, les intérêts des obligations émises en France avant le 1er janvier 1965 peuvent être soumis dans cet Etat à un impôt de 12 pour cent.

  • 3 Par dérogation aux dispositions du paragraphe 2, les intérêts mentionnés au paragraphe 1 ne peuvent pas être imposés dans l'Etat d'où ils proviennent, lorsqu'ils

    • a) sont payés en vertu d'un contrat de financement ou de paiement différé afférent à des ventes d'équipements industriels, commerciaux ou scientifiques ou à la construction d'installations industrielles, commerciales ou scientifiques ou d'ouvrages publics;

    • b) sont payés sur un prêt de n'importe quelle nature consenti par un établissement bancaire;

    • c) sont payés à titre d'indemnité de retard, à la suite d'une sommation ou d'une action en justice, sur une créance pour laquelle un intérêt n'avait pas été stipulé.

  • 4 Le terme ,,intérêts” employé dans le présent article désigne les revenus des fonds publics, des obligations d'emprunts, assortis ou non de garanties hypothécaires ou d'une clause de participation aux bénéfices, et des créances de toute nature, ainsi que tous autres produits assimilés aux revenus de sommes prêtées par la législation fiscale de l'Etat d'où proviennent les revenus.

  • 5 Les dispositions des paragraphes 1, 2 et 3 ne s'appliquent pas lorsque le bénéficiaire des intérêts, résident de l'un des Etats, a, dans l'autre Etat d'où proviennent les intérêts, un établissement stable auquel se rattache effectivement la créance génératrice des intérêts. Dans ce cas, les dispositions de l'article 7 sont applicables.

  • 6 Les intérêts sont considérés comme provenant de l'un des Etats lorsque le débiteur est cet Etat lui-même, une collectivité locale ou un résident de cet Etat. Toutefois, lorsque le débiteur des intérêts, qu'il soit ou non résident de l'un des Etats, a, dans l'un des Etats, un établissement stable pour lequel l'emprunt générateur des intérêts a été contracté et qui supporte la charge de ces intérêts, lesdits intérêts sont réputés provenir de l'Etat où l'établissement stable est situé.

  • 7 Si, par suite de relations spéciales existant entre le débiteur et le créancier ou que l'un et l'autre entretiennent avec de tierces personnes, le montant des intérêts payés, compte tenu de la créance pour laquelle ils sont versés, excède celui dont seraient convenus le débiteur et le créancier en l'absence de pareilles relations, les dispositions du présent article ne s'appliquent qu'à ce dernier montant. En ce cas, la partie excédentaire des paiements reste imposable conformément à la législation de chacun des Etats et compte tenu des autres dispositions de la présente Convention.

Article 12. Redevances

  • 1 Les redevances provenant de l'un des Etats et payées à un résident de l'autre Etat ne sont imposables que dans cet autre Etat.

  • 2 Le terme ,,redevances” employé dans le présent article désigne les rémunérations de toute nature payées pour l'usage ou la concession de l'usage d'un droit d'auteur sur une oeuvre littéraire, artistique ou scientifique, y compris les films cinématographiques et les films et bandes magnétiques de télévision ou de radio-diffusion, d'un brevet, d'une marque de fabrique ou de commerce, d'un dessin ou d'un modèle, d'un plan, d'une formule ou d'un procédé secrets, ainsi que pour l'usage ou la concession de l'usage d'un équipement industriel, commercial ou scientifique et pour des informations ayant trait à une expérience acquise dans le domaine industriel, commercial ou scientifique.

  • 3 La disposition du paragraphe 1 ne s'applique pas lorsque le bénéficiaire des redevances, résident de l'un des Etats, exerce dans l'autre Etat d'où proviennent les redevances, soit une activité commerciale par l'intermédiaire d'un établissement stable, soit une profession libérale au moyen d'une base fixe et que le droit ou le bien générateur des redevances s'y rattache effectivement. Dans cette hypothèse, les dispositions de l'article 7 ou de l'article 14 sont, suivant les cas, applicables.

  • 4 Si, par suite de relations spéciales existant entre le débiteur et le créancier ou que l'un et l'autre entretiennent avec de tierces personnes, le montant des redevances payées, compte tenu de la prestation pour laquelle elles sont versées, excède celui dont seraient convenus le débiteur et le créancier en l'absence de pareilles relations, les dispositions du présent article ne s'appliquent qu'à ce dernier montant. En ce cas, la partie excédentaire des paiements reste imposable conformément à la législation de chacun des Etats et compte tenu des autres dispositions de la présente Convention.

Article 13. Gains en capital

  • 1 Les gains provenant de l'aliénation des biens immobiliers, tels qu'ils sont définis au paragraphe 2 de l'article 6, ainsi que les gains provenant de l'aliénation de parts ou de droits analogues dans une société dont l'actif est composé principalement de biens immobiliers sont imposables dans l'Etat où ces biens sont situés.

  • 2 Les gains provenant de l'aliénation de biens mobiliers faisant partie de l'actif d'un établissement stable qu'une entreprise de l'un des Etats a dans l'autre Etat, ou de biens mobiliers constitutifs d'une base fixe dont dispose un résident de l'un des Etats dans l'autre Etat pour l'exercice d'une profession libérale, y compris de tels gains provenant de l'aliénation globale de cet établissement stable (seul ou avec l'ensemble de l'entreprise) ou de cette base fixe, sont imposables dans cet autre Etat.

  • 3 Par dérogation à la disposition du paragraphe 2:

    • a) les gains qu'un résident de l'un des Etats tire de l'aliénation de navires ou d'aéronefs exploités en trafic international et de bateaux servant à la navigation intérieure ainsi que de biens mobiliers affectés à l'exploitation de tels navires, aéronefs et bateaux, ne sont imposables que dans cet Etat;

    • b) nonobstant la disposition de l'alinéa a), les gains susvisés peuvent aussi être imposés dans l'autre Etat, si le siège de la direction effective de l'entreprise est situé dans cet autre Etat.

  • 4 Les gains provenant de l'aliénation de tous biens autres que ceux qui sont mentionnés aux paragraphes précédents ne sont imposables que dans l'Etat dont le cédant est un résident.

  • 5 Nonobstant la disposition du paragraphe 4, chacun des deux Etats conserve le droit de percevoir, conformément à sa propre législation, un impôt sur les gains provenant de l'aliénation d'actions, parts ou bons de jouissance constituant tout ou partie d'une participation substantielle dans une société par actions ou à responsabilité limitée qui est un résident de cet Etat, lorsque ces gains sont réalisés par une personne physique qui est un résident de l'autre Etat, à condition toutefois que cette personne:

    • - ait la nationalité du premier Etat sans avoir la nationalité de l'autre Etat;

      et

    • - ait été un résident du premier Etat pendant une période quelconque au cours des cinq années précédant l'aliénation.

Article 14. Professions indépendantes

  • 1 Les revenus qu'un résident de l'un des Etats tire d'une profession libérale ou d'autres activités indépendantes de caractère analogue ne sont imposables que dans cet Etat, à moins que ce résident ne dispose de façon habituelle dans l'autre Etat d'une base fixe pour l'exercice de ses activités. S'il dispose d'une telle base, les revenus sont imposables dans l'autre Etat mais uniquement dans la mesure où ils sont imputables à ladite base fixe.

  • 2 L'expression „professions libérales” comprend en particulier les activités indépendantes d'ordre scientifique, littéraire, artistique, éducatif ou pédagogique, ainsi que les activités indépendantes des médecins, avocats, ingénieurs, architectes, dentistes et comptables.

Article 15. Professions dépendantes

  • 1 Sous réserve des dispositions des articles 16, 19 et 20, les salaires, traitements et autres rémunérations similaires qu'un résident de l'un des Etats reçoit au titre d'un emploi salarié ne sont imposables que dans cet Etat, à moins que l'emploi ne soit exercé dans l'autre Etat. Si remploi y est exercé, les rémunérations reçues à ce titre sont imposables dans cet autre Etat.

  • 2 Nonobstant les dispositions du paragraphe 1, les rémunérations qu'un résident de l'un des Etats reçoit au titre d'un emploi salarié exercé dans l'autre Etat ne sont imposables que dans le premier Etat si:

    • a) le bénéficiaire séjourne dans l'autre Etat pendant une période ou des périodes n'excédant pas au total 183 jours au cours de l'année fiscale considérée; et

    • b) les rémunérations sont payées par un employeur ou au nom d'un employeur qui n'est pas résident de l'autre Etat; et

    • c) la charge des rémunérations n'est pas supportée par un établissement stable ou une base fixe que l'employeur a dans l'autre Etat.

  • 3 Nonobstant les dispositions précédentes du présent article, les rémunérations qu'un résident de l'un des Etats reçoit au titre d'un emploi salarié exercé à bord d'un navire ou d'un aéronef en trafic international, ou à bord d'un bateau servant à la navigation intérieure, ne sont imposables que dans cet Etat.

Article 16. Administrateurs, directeurs (bestuurders) et commissaires (commissarissen) de sociétés

  • 1 Les tantièmes, jetons de présence et autres rémunérations reçus par un résident des Pays-Bas qui est membre du Conseil d'administration ou de surveillance d'une société par actions ou d'une société à responsabilité limitée résidente de France, sont imposables en France.

  • 2 Les tantièmes, jetons de présence et autres rémunérations reçus par un résident de France qui est commissaire (commissaris) ou directeur (bestuurder) d'une société anonyme ou d'une société à responsabilité limitée résidente des Pays-Bas, sont imposables aux Pays-Bas.

  • 3 Nonobstant les dispositions des paragraphes 1 et 2, les rémunérations susvisées qui sont reçues par des personnes exerçant des fonctions réelles et permanentes dans un établissement stable situé dans l'Etat autre que celui dont la société est résidente et qui sont supportées comme telles par cet établissement stable sont imposables dans cet autre Etat.

Article 17. Artistes et sportifs

  • 1 Nonobstant les dispositions des articles 14 et 15, les revenus que les professionnels du spectacle, tels les artistes de théâtre, de cinéma, de la radiodiffusion ou de la télévision et les musiciens, ainsi que les sportifs retirent de leurs activités personnelles en cette qualité sont imposables dans l'Etat où ces activités sont exercées.

  • 2 Nonobstant toute autre disposition de la présente Convention, une société de l'un des Etats qui fournit dans l'autre Etat les services d'une personne visée au paragraphe 1, est imposable dans cet autre Etat sur les bénéfices qu'elle retire de cette prestation de services, sauf si cette société établit qu'elle n'est pas contrôlée directement ou indirectement par cette personne.

Article 18. Pensions

Sous réserve des dispositions du paragraphe 1 de l'article 19, les pensions et autres rémunérations similaires, versées à un résident de l'un des Etats au titre d'un emploi antérieur, ne sont imposables que dans cet Etat.

Article 19. Fonctions publiques

  • 1 Les rémunérations, y compris les pensions, versées par l'un des Etats ou l'une de ses subdivisions politiques ou collectivités locales, ou un établissement public de cet Etat, soit directement soit par prélèvement sur des fonds qu'ils ont constitués, à une personne physique au titre de services rendus à cet Etat ou à cette subdivision ou collectivité, ou à cet établissement public, dans l'exercice de fonctions de caractère public, sont imposables dans cet Etat.

  • 2 Les dispositions des articles 15, 16 et 18 s'appliquent aux rémunérations ou pensions versées au titre de services rendus dans le cadre d'une activité commerciale ou industrielle exercée par l'un des Etats ou l'une de ses subdivisions politiques ou collectivités locales ou l'un de ses établissements publics.

Article 20. Professeurs

  • 1 Les rémunérations que les professeurs et autres membres du personnel enseignant, résidents de l'un des Etats, qui enseignent dans une université ou toute autre institution d'enseignement de l'autre Etat, reçoivent pour cet enseignement ne sont imposables que dans le premier Etat pendant une période n'excédant pas deux années du début de leur enseignement.

  • 2 Cette disposition est également applicable aux rémunérations qu'une personne physique, résidente de l'un des Etats reçoit pour des travaux de recherche exécutés dans l'autre Etat si ces travaux ne sont pas entrepris principalement en vue de la réalisation d'un avantage particulier bénéficiant à une entreprise ou à une personne, mais au contraire dans l'intérêt public.

Article 21. Etudiants et stagiaires

  • 1 Les sommes qu'un étudiant ou un stagiaire qui est, ou qui était auparavant, un résident de l'un des Etats et qui séjourne dans l'autre Etat à seule fin d'y poursuivre ses études ou sa formation, reçoit pour couvrir ses frais d'entretien, d'études ou de formation ne sont pas imposables dans cet autre Etat, à condition qu'elles proviennent de sources situées en dehors de cet autre Etat.

  • 2 Il en est de même de la rémunération qu'un tel étudiant ou stagiaire reçoit au titre d'un emploi exercé dans l'Etat où il poursuit ses études ou sa formation à la condition que cet emploi soit directement lié à ses études ou à sa formation et que sa durée ne dépasse pas 183 jours au cours d'une même année d'imposition.

Article 22. Autres revenus

Les éléments du revenu d'un résident de l'un des Etats, auxquels les articles précédents de la présente Convention ne s'appliquent pas, ne sont imposables que dans cet Etat.

CHAPITRE IV

Article 23. Imposition de la fortune

  • 1 La fortune constituée par des biens immobiliers, tels qu'ils sont définis au paragraphe 2 de l'article 6, est imposable dans l'Etat où ces biens sont situés.

  • 2 La fortune constituée par des biens mobiliers faisant partie de l'actif d'un établissement stable d'une entreprise ou par des biens mobiliers constitutifs d'une base fixe servant à l'exercice d'une profession libérale est imposable dans l'Etat où est situé l'établissement stable ou la base fixe.

  • 3 Par dérogation à la disposition du paragraphe 2:

    • a) les navires et les aéronefs exploités en trafic international et les bateaux servant à la navigation intérieure, ainsi que les biens mobiliers affectés à l'exploitation de tels navires, aéronefs et bateaux, ne sont imposables que dans l'Etat dont l'exploitant est un résident;

    • b) nonobstant la disposition de l'alinéa a), les navires, aéronefs, bateaux et biens mobiliers susvisés peuvent aussi être imposés dans l'autre Etat, si le siège de la direction effective de l'entreprise est situé dans cet autre Etat.

  • 4 Tous les autres éléments de la fortune d'un résident de l'un des Etats ne sont imposables que dans cet Etat.

CHAPITRE V

Article 24. Dispositions pour éliminer les doubles impositions

II est entendu que la double imposition sera évitée de la façon suivante:

  • A. En ce qui concerne les Pays-Bas:

    • 1. Pour déterminer les impôts dus par leurs résidents, les Pays-Bas pourront comprendre dans la base sur laquelle ces impôts sont prélevés les éléments du revenu ou de la fortune qui, conformément aux dispositions de la présente Convention, sont imposables en France.

    • 2. Toutefois, sous réserve des dispositions de la législation interne néerlandaise concernant la compensation des pertes, les Pays-Bas déduiront du montant des impôts calculés selon le paragraphe 1, un montant égal à la fraction de ces impôts correspondant au rapport existant entre le montant des éléments du revenu ou de la fortune compris dans la base imposable visée au paragraphe 1 et imposables en France en vertu des articles 6, 7, 8 paragraphe 2, 10 paragraphe 6, 11 paragraphe 5, 12 paragraphe 3, 13 paragraphes 1, 2 et 3 alinéa b), 15 paragraphe 1, 19, 23 paragraphes 1, 2 et 3 alinéa b) de la présente Convention et le montant du revenu total ou de la fortune totale retenue comme base d'imposition en application dudit paragraphe 1.

    • 3. En ce qui concerne les éléments du revenu compris dans la base imposable visée au paragraphe 1 et qui sont imposables en France en vertu des articles 10 paragraphe 2, 11 paragraphe 2, 16 et 17, les Pays-Bas accordent, sur l'impôt néerlandais ainsi calculé, une réduction égale au moins élevé des montants suivants:

      • a) un montant égal à l'impôt prélevé en France soit en vertu des articles 16 et 17, soit dans la limite des taux prévus aux articles 10 paragraphe 2 et 11 paragraphe 2;

      • b) un montant égal à la fraction de l'impôt néerlandais calculé suivant le paragraphe 1 du présent article, qui correspond au rapport existant entre le montant desdits éléments du revenu et le montant total du revenu qui constitue la base imposable visée audit paragraphe 1.

  • B. En ce qui concerne la France:

    • a) Les revenus autres que ceux visés à l'alinéa b) ci-dessous sont exonérés des impôts français visés à l'article 2 paragraphe 3 alinéa b) lorsque ces revenus sont imposables aux Pays-Bas en vertu de la présente Convention.

    • b) En ce qui concerne les revenus visés aux articles 8, 10, 11, 16 et 17 qui ont supporté l'impôt néerlandais conformément aux dispositions de ces articles, la France accorde aux personnes qui sont résidentes de France et qui perçoivent de tels revenus, un crédit d'impôt d'un montant égal à l'impôt néerlandais.

      Ce crédit d'impôt, qui ne peut excéder le montant de l'impôt perçu en France sur les revenus en cause, s'impute sur les impôts visés à l'article 2 paragraphe 3 alinéa b) dans les bases desquels lesdits revenus sont inclus.

    • c) Nonobstant les dispositions des alinéas a) et b), l'impôt français peut être calculé sur le revenu imposable en France en vertu de la présente Convention au taux correspondant au montant global du revenu imposable conformément à la législation française.

CHAPITRE VI. Dispositions spéciales

Article 25. Non-discrimination

  • 1 Les nationaux de l'un des Etats, qu'ils soient des résidents dudit Etat ou non, ne sont soumis dans l'autre Etat à aucune imposition ou obligation y relative, qui est autre ou plus lourde que celle à laquelle sont ou pourront être assujettis les nationaux de cet autre Etat se trouvant dans la même situation.

  • 2 Le terme ,,nationaux” désigne:

    • a) toutes les personnes physiques qui possèdent la nationalité de l'un des deux Etats;

    • b) toutes les personnes morales, sociétés de personnes et associations constituées conformément à la législation en vigueur dans l'un des deux Etats.

  • 3 Les apatrides qui sont résidents de l'un des Etats ne sont soumis dans l'un et l'autre de ces Etats à aucune imposition ou obligation y relative qui est autre ou plus lourde que celle à laquelle sont ou pourront être assujettis les nationaux de l'Etat concerné se trouvant dans la même situation.

  • 4 L'imposition d'un établissement stable qu'une entreprise de l'un des Etats a dans l'autre Etat n'est pas établie dans cet autre Etat d'une façon moins favorable que l'imposition des entreprises de cet autre Etat qui exercent la même activité. Cette disposition ne peut être interprétée comme obligeant l'un des Etats à accorder aux résidents de l'autre Etat les déductions personnelles, abattements et réductions d'impôt en fonction de la situation ou des charges de famille qu'il accorde à ses propres résidents.

  • 5 Les entreprises de l'un des Etats, dont le capital est en tout ou en partie, directement ou indirectement, détenu ou contrôlé par un ou plusieurs résidents de l'autre Etat, ne sont soumises dans le premier Etat à aucune imposition ou obligation y relative, qui est autre ou plus lourde que celle à laquelle sont ou pourront être assujetties les autres entreprises de même nature de ce premier Etat.

  • 6 Le terme ,,imposition” désigne dans le présent article les impôts de toute nature ou dénomination.

Article 26. Application de la Convention

Les autorités compétentes des Etats déterminent les modalités d'application de la présente Convention.

Article 27. Procédure amiable

  • 1 Lorsqu'un résident de l'un des Etats estime que les mesures prises par l'un des Etats ou par chacun des deux Etats entraînent ou entraîneront pour lui une imposition non conforme à la présente Convention, il peut, indépendamment des recours prévus par la législation nationale de ces Etats, soumettre son cas à l'autorité compétente de l'Etat dont il est résident. Le cas devra être soumis dans les trois ans qui suivront la première notification de la mesure qui entraîne une imposition non conforme à la Convention.

  • 2 Cette autorité compétente s'efforcera, si la réclamation lui paraît fondée et si elle n'est pas elle-même en mesure d'apporter une solution satisfaisante, de régler la question par voie d'accord amiable avec l'autorité compétente de l'autre Etat, en vue d'éviter une imposition non conforme à la Convention. L'accord sera appliqué quels que soient les délais prévus par les législations nationales des deux Etats.

  • 3 Les autorités compétentes des Etats s'efforcent, par voie d'accord amiable, de résoudre les difficultés ou de dissiper les doutes auxquels peut donner lieu l'application de la Convention. Elles peuvent, en particulier, se consulter en vue de parvenir à un accord:

    • a) pour que les bénéfices revenant à une entreprise de l'un des Etats et à son établissement stable dans l'autre Etat soient imputés d'une manière identique;

    • b) pour que les revenus revenant à une entreprise de l'un des Etats et à toute personne associée visée à l'article 9 soient attribués de manière identique.

    Ces autorités peuvent aussi se concerter en vue d'éviter la double imposition dans les cas non prévus par la Convention.

  • 4 Les autorités compétentes des Etats peuvent communiquer directement entre elles en vue de parvenir à un accord comme il est indiqué aux paragraphes précédents.

Article 28. Echange de renseignements

  • 1 Les autorités compétentes des deux Etats échangeront les renseignements d'ordre fiscal dont elles disposent normalement et qui seraient nécessaires pour appliquer les dispositions de la présente Convention et celles des lois internes des deux Etats relatives aux impôts visés par la Convention ainsi qu' à la répression des fraudes fiscales. Tout renseignement ainsi échangé sera tenu secret et ne pourra être communiqué qu'aux personnes ou autorités chargées de l'établissement ou du recouvrement des impôts visés par la présente Convention.

  • 2 Les dispositions du paragraphe 1 ne peuvent en aucun cas être interprétées comme imposant à l'un des Etats l'obligation:

    • a) de prendre des dispositions administratives dérogeant à sa propre législation ou à sa pratique administrative ou à celles de l'autre Etat;

    • b) de fournir des renseignements qui ne pourraient être obtenus sur la base de sa propre législation ou dans le cadre de sa pratique administrative normale ou de celles de l'autre Etat;

    • c) de transmettre des renseignements qui révéleraient un secret commercial, industriel, professionnel ou un procédé commercial ou des renseignements dont la communication serait contraire à l'ordre public.

Article 29. Fonctionnaires diplomatiques et consulaires

  • 1 Les dispositions de la présente Convention ne portent pas atteinte aux privilèges fiscaux dont bénéficient les fonctionnaires diplomatiques ou consulaires en vertu soit des règles générales du droit des gens, soit des dispositions d'accords particuliers.

  • 2 La Convention ne s'applique pas aux organisations internationales, à leurs organes et fonctionnaires, ni aux personnes qui sont membres de missions diplomatiques ou consulaires d'Etats tiers, lorsqu'ils se trouvent sur le territoire de l'un des Etats et ne sont pas traités comme des résidents dans l'un ou l'autre Etat en matière d'impôts sur le revenu et sur la fortune.

Article 30. Extension territoriale

  • 1 La présente Convention peut être étendue, telle quelle ou avec les modifications nécessaires:

    • a) à Surinam et aux Antilles néerlandaises ou à l'un seulement de ces pays;

    • b) aux territoires d'outre-mer de la République française,

    lorsque ces pays ou territoires prélèvent des impôts de caractère analogue à ceux auxquels s'applique la Convention. Une telle extension prend effet à partir d'une date, avec les modifications et dans les conditions, y compris les conditions relatives à la cessation d'application, qui sont fixées d'un commun accord par échange de notes diplomatiques.

  • 2 A moins que les deux Etats n'en soient convenus autrement, lorsque la Convention sera dénoncée par l'un d'eux en vertu de l'article 32, elle cessera de s'appliquer, dans les conditions prévues à cet article, à tout pays ou territoire auquel elle a été étendue conformément au présent article.

CHAPITRE VII. Dispositions finales

Article 31. Entrée en vigueur

  • 1 La présente Convention sera approuvée conformément aux dispositions constitutionnelles en vigueur dans chacun des Etats. Elle entrera en vigueur le trentième jour suivant celui au cours duquel aura eu lieu l'échange des notifications constatant que, de part et d'autre, il a été satisfait à ces dispositions.

  • 2 La présente Convention sera applicable:

    • a) aux Pays-Bas:

      • (i) en ce qui concerne l'impôt sur les dividendes, aux dividendes visés à l'article 10 dont la mise en paiement interviendra à compter de la date de l'entrée en vigueur;

      • (ii) en ce qui concerne les autres impôts, aux revenus et à la fortune afférents aux années et périodes fiscales commençant le premier janvier ou après le premier janvier de l'année au cours de laquelle interviendra l'échange des notifications;

    • b) en France:

      • (i) en ce qui concerne d'une part, les impôts perçus par voie de retenue à la source sur les dividendes et les intérêts, d'autre part, les paiements prévus à l'article 10 paragraphes 3 et 4, aux produits mis en paiement à partir de la date de l'entrée en vigueur;

      • (ii) en ce qui concerne les autres impôts, aux revenus afférents à l'année civile au cours de laquelle interviendra l'échange des notifications ou aux exercices clos au cours de ladite année et aux revenus afférents aux années postérieures.

  • 3 L'entrée en vigueur de la présente Convention mettra fin à la Convention entre la France et les Pays-Bas pour éviter les doubles impositions en matière d'impôts sur les revenus et régler certaines autres questions en matière fiscale, signée à Paris le 30 décembre 1949 telle qu'elle a été modifiée par l'Avenant à cette Convention, signé à Paris le 24 juillet 1952.

    Les dispositions de cette Convention cesseront de s'appliquer à compter de la date à laquelle les dispositions correspondantes de la présente Convention s'appliqueront pour la première fois conformément au paragraphe 2 ci-dessus.

Article 32. Dénonciation

La présente Convention demeurera en vigueur tant qu'elle n'aura pas été dénoncée par l'un des Etats. Chacun des Etats peut dénoncer la Convention par voie diplomatique avec un préavis d'au moins six mois avant la fin de chaque année civile et à partir de l'année 1976.

Dans ce cas, la Convention cessera d'être applicable:

  • a) aux Pays-Bas: aux revenus et à la fortune afférents aux années et périodes fiscales commençant après la fin de l'année civile dans laquelle la dénonciation aura été notifiée;

  • b) en France: aux revenus afférents à toute année d'imposition suivant l'année au cours de laquelle la dénonciation aura été notifiée.

EN FOI DE QUOI, les soussignés, dûment autorisés à cet effet par leurs Gouvernements respectifs, ont signé la présente Convention.

FAIT à Paris, le seize mars 1973, en deux exemplaires en langues néerlandaise en française, les deux textes également foi.

Pour le Gouvernement du

Royaume des Pays-Bas

(s.) J. A. DE RANITZ

Pour le Gouvernement de la

République française

(s.) GILBERT DE CHAMBRUN

Protocole

Au moment de procéder à la signature de la Convention tendant à éviter les doubles impositions et à prévenir l'évasion fiscale en matière d'impôts sur le revenu et sur la fortune, conclue ce jour entre le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas et le Gouvernement de la République française, les soussignés sont convenus des dispositions suivantes qui forment partie intégrante de la Convention.

I. Ad article 4

Une personne physique qui demeure à bord d'un navire ou d'un bateau, sans avoir de domicile réel dans l'un des Etats, sera considérée comme résidente de l'Etat où se trouve le port d'attache de ce navire ou de ce bateau.

II. Ad article 6

La France se réserve le droit de considérer, conformément aux dispositions de sa loi interne, comme biens immobiliers, pour l'application des articles 6 et 13 de la Convention, les droits sociaux possédés par les associés ou actionnaires des sociétés qui ont, en fait, pour unique objet, soit la construction ou l'acquisition d'immeubles ou de groupes d'immeubles en vue de leur division par fractions, destinées à être attribuées à leurs membres en propriété ou en jouissance, soit la gestion de ces immeubles ou groupes d'immeubles ainsi divisés.

III. Ad article 10

II est entendu que pour l'application du paragraphe 7 les sociétés résidentes des Pays-Bas qui possèdent en France un établissement stable ne sont pas soumises à l'impôt de distribution visé à l'article 115 quinquiès du Code général des Impôts.

IV. Ad articles 10, 11 et 12

Pour l'application des dispositions des articles 10, 11 et 12, les demandes de remboursement doivent être faites à l'autorité compétente de l'Etat qui a perçu l'impôt, dans le délai de trois ans après l'expiration de l'année civile dans laquelle l'impôt a été perçu.

V. Ad article 24

II est entendu que pour autant qu'il s'agit de l'impôt néerlandais sur le revenu ou de l'impôt néerlandais des sociétés, la base visée à l'article 24, paragraphe 1, est le total des revenus nets (,,onzuivere inkomen") ou le bénéfice (,,winst") au sens de la législation néerlandaise concernant l'impôt sur le revenu ou l'impôt des sociétés respectivement.

VI. Ad Articles 4, 8, 13 et 23

  • 1 Il est entendu que, nonobstant les dispositions des articles 4, 8, 13 et 23 de la Convention, les Pays-Bas ont le droit exclusif d’imposer:

    • a. Les bénéfices tirés par l’actuelle société Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N. V. de l’exploitation d’aéronefs en trafic international;

    • b. les gains tirés par l’actuelle société Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V. de l’aliénation desdits aéronefs exploités en trafic international ainsi que des biens mobiliers affectés à leur exploitation; et

    • c. les aéronefs exploités en trafic international par l’actuelle société Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V. ainsi que les biens mobiliers affectés à leur exploitation;

    sous réserve que les bénéfices, gains, aéronefs et biens mobiliers précités, dans la mesure où la législation interne des Pays-Bas permet aux Pays-Bas de les imposer, soient effectivement imposés aux Pays-Bas.

  • 2 Il est entendu que, nonobstant les dispositions des articles 4, 8, 13 et 23 de la Convention, dans toute situation où les activités de transport aérien de l’actuelle société Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V. seraient entièrement ou pour une part substantielle poursuivies par une autre personne, les Pays-Bas auront le droit exclusif d’imposer les bénéfices, gains en capital, aéronefs et biens mobiliers afférents à ces activités de transport aérien, sous réserve que les bénéfices, gains, aéronefs et biens mobiliers précités, dans la mesure où la législation interne des Pays-Bas permet aux Pays-Bas de les imposer, soient effectivement imposés aux Pays-Bas.

  • 3 Les Etats Contractants se consultent, en tant que de besoin, sur les modalités d’application du paragraphe 2, par échange de lettres ou par tout autre moyen.

FAIT à Paris, le seize mars 1973, en deux exemplaires, en langues néerlandaise et française, les deux textes faisant également foi.

Pour le Gouvernement du

Royaume des Pays-Bas

(s.) J. A. DE RANITZ

Pour le Gouvernement de la

République française

(s.) GILBERT DE CHAMBRUN

Terug naar begin van de pagina