Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika [...] belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, Washington, 18-12-1992

Geldend van 28-12-2004 t/m heden

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen

Authentiek : NL

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, geleid door de wens het op 29 april 1948 te Washington ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen, zoals deze is gewijzigd en aangevuld bij het op 30 december 1965 te Washington ondertekende Aanvullende Verdrag, te vervangen door een nieuwe Overeenkomst;

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST

Artikel 1. Algemene reikwijdte

  • 1 Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten tenzij anders bepaald in de Overeenkomst.

  • 2 De Overeenkomst zal op geen enkele wijze enige uitsluiting, vrijstelling, aftrek, verrekening of andere tegemoetkoming beperken, nu dan wel later toegestaan:

    • a. onder de wetgeving van beide Staten, met uitzondering van, wat Nederland betreft, met betrekking tot artikel 25 (Vermijding van Dubbele Belasting); of

    • b. door enige andere overeenkomst tussen de Staten.

  • 3

    • a. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, onderdeel b:

      • i. wordt elke kwestie aangaande de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst en in het bijzonder de vraag of een belastingmaatregel valt onder de reikwijdte van deze Overeenkomst uitsluitend beslist in overeenstemming met de bepalingen van artikel 29 (Regeling voor onderling overleg) van deze Overeenkomst; en

      • ii) zijn de bepalingen van artikel XVII van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten niet van toepassing op een belastingmaatregel tenzij de bevoegde autoriteiten overeenkomen dat de maatregel niet valt onder de reikwijdte van artikel 28 (Non-discriminatie) van deze Overeenkomst.

    • b) Voor de toepassing van dit lid wordt onder „maatregel” verstaan een wet, voorschrift, regel, procedure, beslissing, bestuursrechtelijke maatregel of een daarmee vergelijkbare bepaling of maatregel.

Artikel 2. Belastingen waarop de overeenkomst van toepassing is

  • 1 De bestaande belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zijn met name:

    • a. in Nederland:

      • - de inkomstenbelasting,

      • - de loonbelasting ,

      • - de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de netto-winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet, hierna te noemen: „winstaandeel”,

      • - de dividendbelasting,

        (hierna te noemen: „Nederlandse belasting");

    • b. in de Verenigde Staten: de Federal Income Taxes opgelegd door de Internal Revenue Code (maar met uitzondering van de sociale zekerheidsbelasting) en de accijnzen op verzekeringspremies betaald aan buitenlandse verzekeraars en met betrekking tot particuliere stichtingen (hierna te noemen: „belasting van de Verenigde Staten").

      De Overeenkomst zal echter slechts van toepassing zijn op accijnzen op verzekeringspremies betaald aan buitenlandse verzekeraars voor zover de risico's die door de premies worden gedekt niet zijn herverzekerd bij een persoon die niet gerechtigd is tot de voordelen van deze Overeenkomst of enige andere overeenkomst die voorziet in een vrijstelling van deze belastingen.

  • 2 De Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van de Overeenkomst naast of in plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen mede die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht.

HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 3. Algemene begripsbepalingen

  • 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst, tenzij de context anders vereist:

    • a. betekent de uitdrukking „Staat” Nederland of de Verenigde Staten, al naar de context vereist; betekent de uitdrukking „Staten” Nederland en de Verenigde Staten;

    • b. omvat de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, en het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan waarop het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten heeft met het doel om natuurlijke rijkdommen in dergelijke gebieden te exploreren en te exploiteren, maar slechts voor zover de persoon, het eigendom of de activiteit waarop de Overeenkomst wordt toegepast verband houdt met die exploratie of exploitatie;

    • c.

      • i. betekent de uitdrukking „Verenigde Staten” de Verenigde Staten van Amerika, maar met uitzondering van Puerto Rico, de Maagdeneilanden, Guam, of enig ander bezit of gebied van de Verenigde Staten;

      • ii. betekent de uitdrukking „Verenigde Staten”, wanneer deze in aardrijkskundige zin wordt gebezigd, de staten daarvan en het District van Columbia. Die uitdrukking omvat mede (A) de daartoe behorende territoriale zee daarvan en (B) de zeebodem en de ondergrond van de onderzeese gebieden die grenzen aan de territoriale zee, waarop de Verenigde Staten soevereine rechten uitoefenen in overeenstemming met het internationale recht met het doel om de natuurlijke rijkdommen van die gebieden te exploreren en te exploiteren, maar slechts voor zover de persoon, het eigendom of de activiteit waarop de Overeenkomst wordt toegepast verband houdt met die exploratie of exploitatie;

    • d. omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijk persoon, een nalatenschap, een trust, een lichaam en elke andere vereniging van personen;

    • e. betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke entiteit die voor de belastingheffing als rechtspersoon wordt behandeld;

    • f. betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een van de Staten” en „onderneming van de andere Staat” onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een van de Staten en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere Staat;

    • g. betekent de uitdrukking „onderdanen”:

      • i. alle natuurlijke persoon die de nationaliteit of het staatsburgerschap van een van de Staten bezitten;

      • ii. alle rechtspersonen, vennootschappen en verenigingen die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in een van de Staten van kracht is;

    • h. betekent de uitdrukking „internationaal verkeer” alle vervoer met een schip of een luchtvaartuig, gexploiteerd door een onderneming van een van de Staten, behalve wanneer het schip of het luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere Staat zijn gelegen; .

    • i. betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:

      • i. in Nederland de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;

      • ii. in de Verenigde Staten de „Secretary of the Treasury” of zijn gemachtigde.

  • 2 Voor de toepassing van de Overeenkomst door een van de Staten heeft, tenzij de context anders vereist of de bevoegde autoriteiten ingevolge de bepalingen van artikel 29 (Regeling voor Onderling Overleg) overeenstemming bereiken over een gemeenschappelijke betekenis, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens het recht van die Staat met betrekking tot belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is.

Artikel 4. Inwoner

  • 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „inwoner van een van de Staten” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, plaats van oprichting of enige andere soortgelijke omstandigheid, of een vrijgesteld pensioenfonds zoals bedoeld in artikel 35 (Vrijgestelde Pensioenfondsen) dat inwoner is van een van de Staten ingevolge de wetgeving van die Staat of een vrijgestelde organisatie als behandeld in artikel 36 (Vrijgestelde Organisaties) die inwoner is van een van de Staten ingevolge de wetgeving van die Staat. Wanneer ingevolge de wetgeving van de beide Staten een natuurlijk persoon inwoner van beide Staten is, zal zijn woonplaats voor de toepassing van de Overeenkomst worden bepaald aan de hand van de regels van het tweede lid. Een natuurlijke persoon die inwoner is van een van de Staten ingevolge het recht van die Staat of die staatsburger is van de Verenigde Staten en die geen inwoner is van de andere Staat ingevolge het recht van die andere Staat, zal voor de toepassing van dit lid alleen worden behandeld als inwoner van de Staat waarvan hij inwoner of staatsburger is indien (i) hij inwoner van die Staat zou zijn en niet van een derde Staat op grond van de beginselen van de letters (a) en (b) van het tweede lid van dit artikel, wanneer het een derde Staat betreft waarmee de eerstgenoemde Staat geen algemene Overeenkomst betreffende inkomstenbelasting heeft, of (ii) hij inwoner van die Staat is en niet van een derde Staat, wanneer het een derde Staat betreft waarmee de eerstgenoemde Staat een algemene Overeenkomst betreffende inkomstenbelasting heeft, op grond van de bepalingen van die Overeenkomst. De uitdrukking „inwoner van een van de Staten” omvat echter geen personen die in die Staat slechts aan belasting zijn onderworpen ter zake van inkomsten uit bronnen in die Staat.

  • 2 Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:

    • a. hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van levensbelangen);

    • b. indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij gewoonlijk verblijft;

    • c. indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;

    • d. indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.

  • 3 Indien een andere persoon dan een natuurlijke persoon of een lichaam ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderling overleg en stellen zij de wijze van toepassing van de Overeenkomst met betrekking tot die persoon vast.

  • 4 Indien een lichaam ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, trachten de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderling overleg te regelen, met inachtneming van de plaats van de werkelijke leiding van het lichaam, de plaats waar het is opgericht of anderszins tot stand gekomen en alle andere ter zake doende factoren. Bij afwezigheid van zulk een overeenstemming is het lichaam niet gerechtigd tot aanspraken op enig voordeel dat uit deze Overeenkomst voortvloeit, uitgezonderd de aanspraken op de voordelen die voortvloeien uit het vierde lid van artikel 25, (Vermijding van Dubbele Belasting) en uit de artikelen 28 (Non-discriminatie), 29 (Regeling voor Onderling Overleg) en 37 (Inwerkingtreding).

Artikel 5. Vaste inrichting

  • 1 Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „vaste inrichting" een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

  • 2 De uitdrukking „vaste inrichting" omvat in het bijzonder:

    • a. een plaats waar leiding wordt gegeven;

    • b. een filiaal;

    • c. een kantoor;

    • d. een fabriek;

    • e. een werkplaats; en

    • f. een mijn, een olie- of gasbron, een steengroeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.

  • 3 De plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructieof montagewerkzaamheden vormt alleen een vaste inrichting indien de duur ervan twaalf maanden overschrijdt.

  • 4 Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt een vaste inrichting niet aanwezig geacht, indien:

    • a. gebruik wordt gemaakt van inrichtingen, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;

    • b. een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering;

    • c. een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;

    • d. een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;

    • e. een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming enige andere werkzaamheid uit te oefenen die van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft;

    • f. een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend voor een combinatie van de in de letters (a) tot en met (e) genoemde werkzaamheden, mits het totaal van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting dat uit deze combinatie voortvloeit van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.

  • 5 Indien een persoon - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het zesde lid - voor een onderneming werkzaam is, en een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in een van de Staten gewoonlijk uitoefent, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van het eerste en het tweede lid, geacht in die Staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot de werkzaamheden die die persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van die persoon beperkt blijven tot de werkzaamheden genoemd in het vierde lid, die, indien zij worden uitgeoefend door middel van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken.

  • 6 Een onderneming wordt niet geacht een vaste inrichting in een van de Staten te bezitten alleen op grond van de omstandigheid dat zij in die Staat zaken doet door bemiddeling van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, mits deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.

  • 7 De enkele omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst, dat inwoner is van de andere Staat of dat in die andere Staat zaken doet (hetzij met behulp van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), stempelt een van de beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.

HOOFDSTUK III. BELASTINGHEFFING NAAR HET INKOMEN

Artikel 6. Inkomsten uit onroerende zaken

  • 1 Inkomsten verkregen door een inwoner van een van de Staten uit onroerende zaken (daaronder begrepen voordelen uit landbouw- of bosbedrijven) die in de andere Staat zijn gelegen mogen in die andere Staat worden belast.

  • 2 De uitdrukking „onroerende zaken" heeft de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens het recht van de Staat waar de desbetreffende zaken zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de zaken die bij de onroerende zaken behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende zaken en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende zaken beschouwd.

  • 3 De bepalingen van het eerste lid zijn van toepassing op de inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende zaken.

  • 4 De bepalingen van het eerste en derde lid zijn ook van toepassing op inkomsten uit onroerende zaken van een onderneming en op inkomsten uit onroerende zaken gebezigd voor het verrichten van zelfstandige arbeid.

  • 5 Een inwoner van een van de Staten die in de andere Staat aan belasting is onderworpen voor inkomsten uit onroerende zaken gelegen in de andere Staat, mag voor enig belastingjaar de keuze maken de belasting over dergelijke inkomsten te berekenen over de zuivere opbrengsten, als waren dergelijke inkomsten toe te rekenen aan een vaste inrichting in die andere Staat. Een dergelijke keuze is bindend voor het belastingjaar waarvoor de keuze is gemaakt en alle daaropvolgende belastingjaren, tenzij de bevoegde autoriteiten van de Staten, ingevolge een verzoek van de belastingplichtige aan de bevoegde autoriteit van de Staat waarvan de belastingplichtige inwoner is, instemmen met de beëindiging van de keuze.

  • 6 Rechten tot exploratie en exploitatie van de zeebodem, de ondergrond daarvan en daarin gevonden natuurlijke rijkdommen (waaronder rechten op belangen bij of voordelen uit vermogensbestanddelen die voortvloeien uit die exploratie of exploitatie) worden beschouwd als een onroerende zaak die is gelegen in de Staat waar deze zeebodem, de ondergrond en de natuurlijke rijkdommen zijn gelegen. Dergelijke rechten worden beschouwd te behoren tot de activa van een vaste inrichting in die Staat in dezelfde mate als waarin enige onroerende zaak gelegen in die Staat zou worden beschouwd als te behoren tot een vaste inrichting in die Staat.

Artikel 7. Winst uit onderneming

  • 1 De voordelen van een onderneming van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere Staat haar bedrijf uitoefent met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mogen de voordelen van de onderneming in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die vaste inrichting kunnen worden toegerekend.

  • 2 Onder voorbehoud van de bepalingen van het derde lid worden, indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat haar bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, in elk van de Staten aan die vaste inrichting de voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen, indien zij een zelfstandige onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is.

  • 3 Bij het bepalen van de voordelen van een vaste inrichting worden in aftrek toegelaten kosten - daaronder begrepen kosten van de leiding en algemene beheerskosten, onderzoeks- en ontwikkelingskosten, interest en andere kosten gemaakt ten behoeve van de onderneming als geheel (of het gedeelte daarvan dat de vaste inrichting omvat) - die ten behoeve van de vaste inrichting zijn gemaakt, hetzij in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd, hetzij elders.

  • 4 Geen voordelen worden aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond van aankoop door die vaste inrichting van goederen of koopwaar voor de onderneming.

  • 5 Voor de toepassing van de voorgaande leden omvatten de aan de vaste inrichting toe te rekenen voordelen alleen de voordelen verkregen uit vermogensbestanddelen of werkzaamheden van de vaste inrichting; de voordelen zullen van jaar tot jaar volgens dezelfde methode worden bepaald, tenzij er een goede en genoegzame reden bestaat om hiervan af te wijken.

  • 6 Indien inde voordelen bestanddelen zijn begrepen die afzonderlijk in andere artikelen van de Overeenkomst worden behandeld, worden de bepalingen van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.

  • 7 De belasting van de Verenigde Staten op verzekeringspremies betaald aan buitenlandse verzekeraars - voor zover dat een belasting is die valt onder de bepalingen van eerste lid, letter (b), van artikel 2 (Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is) - wordt niet geheven van verzekerings- of herverzekeringspremies die de ontvangsten zijn van een verzekeringsbedrijf uitgeoefend door een Nederlandse onderneming, ongeacht of die werkzaamheden worden uitgeoefend door een vaste inrichting in de Verenigde Staten.

Artikel 8. Scheepvaart en luchtvaart

  • 1 Voordelen verkregen door een onderneming van een van de Staten uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer zijn slechts in die Staat belastbaar.

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel omvatten voordelen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer mede voordelen verkregen uit de verhuur van schepen of luchtvaartuigen indien deze huuropbrengsten voortvloeien uit de voordelen als omschreven in het eerste lid.

  • 3 De bepalingen van het eerste lid zijn ook van toepassing op het evenredige deel van voordelen verkregen uit de deelneming in een „pool", een gemeenschappelijke onderneming of een internationaal geëxploiteerd agentschap. Het evenredige deel zal worden behandeld als rechtstreeks verkregen uit de exploitatie van schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer.

Artikel 9. Gelieerde ondernemingen

  • 1 Indien

    • a. een onderneming van een van de Staten onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van de andere Staat, of

    • b. dezelfde personen onmiddellijk of middellijk deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van een van de Staten en een onderneming van de andere Staat,

      en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd, die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mogen alle inkomsten, aftrekken, ontvangsten, vergoedingen of uitgaven die zonder deze voorwaarden zouden zijn toegekomen aan een van de ondernemingen, maar ten gevolge van die voorwaarden haar aldus niet zijn toegekomen, worden begrepen in de voordelen van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast.

      Het is echter wel te verstaan, dat de omstandigheid dat gelieerde ondernemingen overeenkomsten hebben afgesloten, zoals „cost-sharing"- overeenkomsten of algemene dienstverleningsovereenkomsten, voor of gebaseerd op de toerekening van de kosten van de leiding, de algemene beheerskosten, de technische en zakelijke kosten, kosten voor onderzoek en ontwikkeling en andere soortgelijke kosten, op zichzelf geen voorwaarde is als bedoeld in de voorgaande zin.

  • 2 Indien een van de Staten in de voordelen van een onderneming van die Staat voordelen begrijpt - en dienovereenkomstig belast - ter zake waarvan een onderneming van de andere Staat in die andere Staat in de belastingheffing is betrokken en deze voordelen bestaan uit voordelen welke de onderneming van de eerstbedoelde Staat zou hebben behaald indien tussen de beide ondernemingen zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als die welke tussen onafhankelijke ondernemingen zouden zijn overeengekomen, zal die andere Staat het bedrag aan belasting dat in die Staat over die voordelen is geheven, dienovereenkomstig herzien. Bij deze herziening wordt rekening gehouden met de overige bepalingen van deze Overeenkomst en plegen de bevoegde autoriteiten van de Staten zo nodig met elkaar overleg.

Artikel 10. Dividenden

  • 1 Dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

  • 2 Deze dividenden mogen echter ook in de Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden inwoner van de andere Staat is, mag de aldus geheven belasting niet overschrijden:

    • a. 5 percent van het brutobedrag van de dividenden, indien de uiteindelijk gerechtigde een lichaam is dat onmiddellijk ten minste 10 percent van het totale aantal stemmen in het lichaam dat de dividenden betaalt bezit; en

    • b. 15 percent van het brutobedrag van de dividenden in alle andere gevallen.

  • 3 Onverminderd de bepalingen van het tweede lid, worden dividenden niet belast in de Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is indien de persoon die de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden is een lichaam is dat inwoner is van de andere Staat dat gedurende het tijdvak van 12 maanden eindigend op de datum waarop het dividend wordt aangegeven onmiddellijk aandelen heeft bezeten die 80 procent of meer vertegenwoordigen van het totale aantal stemmen in het lichaam dat de dividenden betaalt en:

    • a. vóór 1 oktober 1998 middellijk of onmiddellijk aandelen heeft bezeten die ten minste 80 percent van het totale aantal stemmen vertegenwoordigen in het lichaam dat de dividenden betaalt;

    • b. een gekwalificeerde persoon is uit hoofde van artikel 26, tweede lid, onderdeel c (Beperkingen van voordelen);

    • c. uit hoofde van artikel 26, derde lid, gerechtigd is tot de voordelen met betrekking tot de dividenden; of

    • d. uit hoofde van artikel 26, zevende lid, een beschikking heeft ontvangen ter zake van dit lid.

  • 4

    • a. Onderdeel a van het tweede lid en het derde lid vinden geen toepassing in het geval waarin dividenden zijn betaald door een persoon van de Verenigde Staten die een Regulated Investment Company (RIC) of een Real Estate Investment Trust (REIT) is, of in het geval waarin de dividenden zijn betaald door een Nederlands lichaam dat een „beleggingsinstelling” is in de zin van artikel 28 van de Nederlandse Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (hierna te noemen „beleggingsinstelling”).

    • b. In het geval waarin dividenden zijn betaald door een RIC of een beleggingsinstelling, vindt het tweede lid, onderdeel b, toepassing.

    • c. In het geval waarin dividenden zijn betaald door een REIT, of, onverminderd onderdeel b van dit vierde lid, door een beleggingsinstelling die in dezelfde mate in onroerend goed investeert als vereist voor een REIT, vindt het tweede lid, onderdeel b, alleen toepassing indien:

      • i. de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden een natuurlijke persoon is die een belang van ten hoogste 25 percent in de REIT of beleggingsinstelling bezit;

      • ii. de dividenden worden betaald met betrekking tot een categorie aandelen die op de beurs verhandeld wordt en de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden een belang heeft van ten hoogste 5 percent van enige soort van de aandelen van een REIT of beleggingsinstelling;

      • iii. de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden een belang van ten hoogste 10 percent heeft in de REIT of beleggingsinstelling en de brutowaarde van geen enkel belang in onroerende zaken van de REIT of beleggingsinstelling meer bedraagt dan 10 percent van de brutowaarde van het totale belang van de REIT of beleggingsinstelling in onroerende zaken; of

      • iv. de uiteindelijk gerechtigde een beleggingsinstelling is, in het geval dividenden worden betaald door een REIT, of een RIC of een REIT, in het geval dividenden worden betaald door een beleggingsinstelling.

  • 5 De bepalingen van de voorgaande leden laten onverlet de belastingheffing van het lichaam ter zake van de winst waaruit de dividenden worden betaald.

  • 6 De uitdrukking „dividenden”, zoals gebezigd in deze Overeenkomst, betekent inkomsten uit aandelen of andere rechten die aanspraak geven op een aandeel in de winst, alsmede inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die door de wetgeving van de Staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomsten uit aandelen. Voor de toepassing van dit lid omvat „dividenden” wat Nederland betreft tevens inkomsten uit schuldvorderingen die op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomsten uit aandelen en, wat de Verenigde Staten betreft, inkomsten uit schuldbewijzen die een recht geven op een aandeel in de winst.

  • 7 De bepalingen van het eerste, tweede, derde en vierde lid van dit artikel zijn niet van toepassing, indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 (Winst uit onderneming) of artikel 15 (Zelfstandige arbeid) van toepassing.

  • 8 Indien een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, voordelen of inkomsten verkrijgt uit de andere Staat, mag die andere Staat geen belasting heffen op de dividenden die door het lichaam worden betaald, behalve voor zover deze dividenden worden betaald aan een inwoner van die andere Staat of voor zover het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van een in die andere Staat gevestigde vaste inrichting of tot het beroepsvermogen van een aldaar gevestigd vast middelpunt behoort, noch met uitzondering van het bepaalde in artikel 11 (Belastingheffing van vaste inrichtingen), de niet-uitgedeelde winst van het lichaam onderwerpen aan een belasting op niet-uitgedeelde winst van het lichaam, zelfs indien de betaalde dividenden of de niet-uitgedeelde winst geheel of gedeeltelijk bestaan uit voordelen of inkomsten die uit die andere Staat afkomstig zijn.

Artikel 11. Belastingheffing van vaste inrichtingen

  • 1 Een rechtspersoon die inwoner is van een van de Staten en die een vaste inrichting heeft in de andere Staat of die op een netto-basis onderworpen is aan belasting in die andere Staat op grond van artikel 6 (Inkomsten uit Onroerende Zaken) of het eerste lid van artikel 14, (Vermogenswinsten), mag in de andere Staat worden onderworpen aan een belasting naast de belasting die is toegestaan op grond van de overige bepalingen van deze Overeenkomst. Een dergelijke belasting mag echter slechts worden opgelegd over het deel van de winst uit onderneming van de rechtspersoon dat op grond van deze Overeenkomst toegerekend kan worden aan de vaste inrichting of de inkomsten die onderworpen zijn aan een belasting over de zuivere opbrengsten op grond van artikel 6 (Inkomsten uit Onroerende Zaken) of op grond van het eerste lid van artikel 14 (Vermogenswinsten), en verminderd met alle in die Staat verschuldigde belastingen over dergelijke winsten en inkomsten anders dan de aanvullende belasting als hier genoemd, en verder verminderd (maar niet verder dan tot nul) voor elke toename in het netto vermogen dat aan zulk een vaste inrichting toe te rekenen is aan het einde van het belastingjaar, gemeten vanaf het einde van het voorafgaande belastingjaar, en vermeerderd (maar niet uitgaande boven de geaccumuleerde winsten) voor elke vermindering van het netto-vermogen dat aan zulk een vaste inrichting toe te rekenen is aan het einde van het belastingjaar, gemeten vanaf het einde van het voorafgaande belastingjaar.

  • 2 Niettegenstaande het vierde lid betekent de uitdrukking „geaccumuleerde winsten”, voor de toepassing van dit artikel, dat deel van de totale winsten bedoeld in het eerste lid van dit artikel van alle voorafgaande belastingjaren waarin de Overeenkomst van kracht was dat uitgaat boven de totale winsten belast op grond van dit artikel in die voorgaande belastingjaren.

  • 3 De belasting bedoeld in het eerste lid zal niet worden geheven tegen een hoger tarief dan het tarief als genoemd in het tweede lid, letter a, van artikel 10 (Dividenden). Het eerste lid vindt geen toepassing in het geval van een lichaam dat:

    • a. vóór 1 oktober 1998 betrokken was bij activiteiten die leidden tot winst toe te rekenen aan die vaste inrichting of aan inkomsten of voordelen waarop de bepalingen van artikel 6, of naar gelang van het geval, artikel 14, eerste lid, van toepassing is;

    • b. een gekwalificeerde persoon is uit hoofde van artikel 26, tweede lid, onderdeel c (Beperkingen van voordelen) van deze Overeenkomst; of

    • c. uit hoofde van artikel 26, derde lid, gerechtigd is tot de voordelen met betrekking tot de dividenden; of

    • d. uit hoofde van artikel 26, zevende lid, een beschikking heeft ontvangen met betrekking tot dit lid.

  • 4 In het geval van de Verenigde Staten, kan de aanvullende belasting als beschreven in het eerste lid worden geheven over de „dividend equivalent amount” (zoals deze uitdrukking is omschreven in de wetgeving van de Verenigde Staten ten tijde van de ondertekening van deze Overeenkomst, zoals van tijd tot tijd gewijzigd, maar slechts voor zover deze definitie, na wijziging, in overeenstemming is met de uitgangspunten van dit artikel).

  • 5 Niettegenstaande het vierde lid mag geen aanvullende belasting worden geheven op grond van het eerste lid met betrekking tot inkomsten onderworpen aan belasting op grond van artikel 14, eerste lid (Vermogenswinsten), verkregen uit de vervreemding van aandelen of andere vergelijkbare vennootschappelijke rechten in een lichaam.

Artikel 12. Interest

  • 1 Interest afkomstig uit een van de Staten die wordt verkregen door een inwoner van de andere Staat die de uiteindelijke gerechtigde is, is slechts in die andere Staat belastbaar.

  • 2 De uitdrukking „interest” zoals gebezigd in deze Overeenkomst betekent inkomsten uit schuldvorderingen van welke aard ook, al dan niet verzekerd door hypotheek, en niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst van de schuldenaar, en in het bijzonder inkomsten uit overheidsleningen, en inkomsten uit obligaties of schuldbewijzen, daaronder begrepen de aan zodanige leningen, obligaties of schuldbewijzen verbonden premies en prijzen, en een „excess inclusion” met betrekking tot een achtergesteld belang in een „real estate mortgage investment conduit”, alsmede ander inkomen dat door de belastingwetgeving van de Staat waarin het inkomen opkomt als inkomsten uit geldlening wordt behandeld. De uitdrukking omvat niet inkomsten die in artikel 10 (Dividenden) zijn behandeld. In rekening gebrachte boete voor te late betaling wordt voor de toepassing van deze Overeenkomst niet als interest aangemerkt.

  • 3 De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing, indien de uiteindelijke gerechtigde tot de interest, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waaruit de interest afkomstig is een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en de betaalde interest is toe te rekenen aan een dergelijke vaste inrichting of vast middelpunt. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 (Winst uit Onderneming) of artikel 15 (Zelfstandige Arbeid) van toepassing.

  • 4 Interest wordt geacht uit een van de Staten afkomstig te zijn, indien deze wordt betaald door die Staat zelf, door een staatkundig onderdeel, door een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of door een inwoner van die Staat. Indien evenwel de persoon die de interest betaalt, of hij inwoner van een van de Staten is of niet, in een van de Staten een vaste inrichting of een vast middelpunt heeft, waarvoor de schuld, ter zake waarvan de interest wordt betaald, was aangegaan, of inkomsten geniet die anderszins onderworpen zijn aan de in artikel 11 (Belastingheffing van Vaste Inrichtingen) beschreven belasting en deze interest ten laste komt van die vaste inrichting of van dat vaste middelpunt, of toe te rekenen is aan de inkomsten die onderworpen zijn aan de in artikel 11 (Belastingheffing van Vaste Inrichtingen) beschreven belasting, wordt deze interest geacht afkomstig te zijn uit de Staat waar de vaste inrichting of het vaste middelpunt is gevestigd of waar de inkomsten zijn onderworpen aan de in artikel 11 beschreven belasting (Belastingheffing van Vaste Inrichtingen).

  • 5 Indien ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijke gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de interest, gelet op de schuldvordering ter zake waarvan deze wordt betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijke gerechtigde zou zijn overeengekomen, vinden de bepalingen van dit artikel slechts op het laatst bedoelde bedrag toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

  • 6 Een Staat mag geen belasting heffen over interest betaald door een inwoner van de andere Staat, met uitzondering van

    • a. de interest die is betaald aan een inwoner van de eerstbedoelde Staat;

    • b. de interest die is toe te rekenen aan een vaste inrichting of vast middelpunt in de eerstbedoelde Staat; of

    • c. de interest die afkomstig is uit de eerstbedoelde Staat en niet betaald is aan een inwoner van de andere Staat.

    Wanneer de schuldenaar van de interest inwoner van een van de Staten is en een vaste inrichting heeft in de andere Staat, danwei inkomsten heeft die anderszins onderworpen zijn aan de belasting beschreven in artikel 11 (Belastingheffing van Vaste Inrichtingen), zal, voor zover het bedrag aan interest dat uit de andere Staat afkomstig is in verband met de vaste inrichting of in verband met inkomsten die onderworpen zijn aan de in artikel 11 (Belastingheffing van Vaste Inrichtingen) beschreven belasting het totale bedrag van de interest die door die vaste inrichting is betaald of die is betaald in verband met inkomsten die anderszins onderworpen zijn aan de belasting zoals beschreven in artikel 11 (Belastingheffing van Vaste Inrichtingen) te boven gaat, dit verschil worden behandeld als interest verkregen door een inwoner van die eerstbedoelde Staat die de uiteindelijke gerechtigde is.

  • 7 De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op een „excess inclusion” met betrekking tot een achtergesteld belang in een „real estate mortgage investment conduit”.

  • 8 Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid mag interest afkomstig uit een van de Staten die wordt verkregen door een onderneming van de andere Staat die de uiteindelijke gerechtigde is en is toe te rekenen aan een vaste inrichting van die onderneming in een derde rechtsgebied, ook worden belast in de eerstbedoelde Staat indien de voordelen van die vaste inrichting zijn onderworpen aan een gezamenlijk belastingtarief, in de andere Staat en het derde rechtsgebied waarin de vaste inrichting is gevestigd, dat, in het geval van interest afkomstig uit de eerstbedoelde Staat die voor 1 januari 1998 wordt verkregen door een onderneming van de andere Staat die de uiteindelijke gerechtigde is, minder bedraagt dan 50 percent van het algemene in de andere Staat van toepassing zijnde tarief voor de vennootschapsbelasting, en in het geval van interest afkomstig uit de eerstbedoelde Staat die op of na 1 januari 1998 wordt verkregen door een onderneming van de andere Staat die de uiteindelijke gerechtigde is, minder bedraagt dan 60 percent van het algemene in de andere Staat van toepassing zijnde tarief voor de vennootschapsbelasting, maar de aldus geheven belasting mag 15 percent van het brutobedrag van die interest niet overschrijden. De bepalingen van dit lid zijn echter niet van toepassing op interest verkregen in samenhang met of bijkomstig voor de actieve uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten van de vaste inrichting in het derde rechtsgebied (anders dan het beleggen of het beheren van beleggingen tenzij deze activiteiten banken verzekeringsactiviteiten betreffen, welke door een bank of een verzekeringsmaatschappij worden uitgeoefend).

Artikel 13. Royalty's

  • 1 Royalty's afkomstig uit een van de Staten die worden verkregen door een inwoner van de andere Staat die de uiteindelijke gerechtigde is, zijn slechts in die andere Staat belastbaar.

  • 2 De uitdrukking „royalty's”, zoals gebezigd in deze Overeenkomst betekent vergoedingen van welke aard ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap (daaronder echter niet begrepen bioscoopfilms of werken op film, band of andere middelen van reproduktie voor radio- en televisie-uitzendingen), van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een handelsnaam, een merknaam, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, dan wel voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap. De uitdrukking „royalty's” omvat mede de met de vervreemding van zulke rechten of zaken verkregen winsten die afhankelijk zijn van de produktiviteit of het gebruik daarvan, dan wel de beschikking daarover.

  • 3 De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing indien de uiteindelijke gerechtigde tot de royalty's, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waaruit de royalty's afkomstig zijn een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en de royalty's toe te rekenen zijn aan die vaste inrichting of dat vaste middelpunt. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 (Winst uit Onderneming) of artikel 15 (Zelfstandige Arbeid) van toepassing.

  • 4 Indien ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de uiteindelijke gerechtigde of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de royalty's, gelet op het gebruik, het recht of de inlichtingen waarvoor zij worden betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de uiteindelijke gerechtigde zou zijn overeengekomen, vinden de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

  • 5 Een Staat mag geen belasting heffen over royalty's betaald door een inwoner van de andere Staat, behoudens voorzover

    • a. de royalty's worden betaald aan een inwoner van de eerstbedoelde Staat;

    • b. de royalty's zijn toe te rekenen aan een vaste inrichting of vast middelpunt in de eerstbedoelde Staat; of

    • c. de overeenkomst op grond waarvan de royalty's worden betaald, was gesloten via een vaste inrichting of een vast middelpunt van de schuldenaar in de eerstbedoelde Staat, en deze royalty's ten laste komen van deze vaste inrichting of dit vast middelpunt en niet zijn betaald aan een inwoner van de andere Staat; of

    • d. de royalty's worden betaald met betrekking tot onlichamelijke goederen die worden gebruikt in de eerstgenoemde Staat en die niet worden betaald aan een inwoner van de andere Staat, maar dan alleen indien de schuldenaar ook een royalty met betrekking tot het gebruik van dat goed in de eerstgenoemde Staat heeft ontvangen van een inwoner van de eerstgenoemde Staat, of een royalty heeft ontvangen die ten laste is gekomen van een vaste inrichting of vast middelpunt gevestigd in die Staat en mits het gebruik van het onlichamelijke goed in kwestie geen onderdeel is van, dan wel niet direct samenhangt met het actief uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten waarbij de schuldenaar is betrokken als bedoeld in het tweede lid van artikel 26 (Beperking van Voordelen).

  • 6 Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid mogen royalty's afkomstig uit een van de Staten die worden verkregen door een onderneming van de andere Staat die de uiteindelijke gerechtigde is en zijn toe te rekenen aan een vaste inrichting van die onderneming in een derde rechtsgebied, ook worden belast in de eerstbedoelde Staat indien de voordelen van die vaste inrichting zijn onderworpen aan een gezamenlijk belastingtarief, in de andere Staat en het derde rechtsgebied waarin de vaste inrichting is gevestigd, dat, in het geval van royalty's afkomstig uit de eerstbedoelde Staat die voor 1 januari 1998 worden verkregen door een onderneming van de andere Staat die de uiteindelijke gerechtigde is, minder bedraagt dan 50 percent van het algemene in de andere Staat van toepassing zijnde tarief voor de vennootschapsbelasting, en in het geval van royalty's afkomstig uit de eerstbedoelde Staat die op of na 1 januari 1998 worden verkregen door een onderneming van de andere Staat die de uiteindelijke gerechtigde is, minder bedraagt dan 60 percent van het algemene in de andere Staat van toepassing zijnde tarief voor de vennootschapsbelasting, maar de aldus geheven belasting mag 15 percent van het brutobedrag van die royalty's niet overschrijden. De bepalingen van dit lid zijn echter niet van toepassing op royalty's ontvangen voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, door de vaste inrichting zelf geproduceerde of ontwikkelde onlichamelijke zaken.

Artikel 14. Vermogenswinsten

  • 1 Voordelen verkregen door een inwoner van een van de Staten uit de vervreemding van onroerende zaken die zijn gelegen in de andere Staat mogen in die andere Staat worden belast. Voor de toepassing van dit lid omvat de uitdrukking „onroerende zaken die zijn gelegen in de andere Staat":

    • a. onroerende zaken zoals bedoeld in artikel 6 (Inkomsten uit Onroerende Zaken); en

    • b. aandelen of andere vergelijkbare vennootschappelijke rechten in een lichaam dat inwoner is van die andere Staat en waarvan de activa middellijk of onmiddellijk grotendeels bestaan uit onroerende zaken gelegen in die andere Staat, en een belang in een vennootschap, een trust of een nalatenschap, voor zover dat toerekenbaar is aan onroerende zaken gelegen in die andere Staat.

    In de Verenigde Staten omvat de uitdrukking een „United States real property interest” zoals omschreven in de Internal Revenue Code op de datum van ondertekening van deze Overeenkomst, en van tijd tot tijd gewijzigd zonder de algemene uitgangspunten beschreven in dit lid te wijzigen.

  • 2

    • a. Indien een persoon, die sinds 18 juni 1980 onafgebroken inwoner is geweest van een van de Staten, na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst onroerende zaken vervreemdt die zijn gelegen in de andere Staat, en deze vervreemding door de andere Staat niet kon worden belast onder de bepalingen van het eerdere Verdrag zoals dit is omschreven in het tweede lid van artikel 37 (Inwerkingtreding), en:

      • i. de inwoner de vervreemde zaak vanaf 18 juni 1980 tot de datum van vervreemding onafgebroken in zijn bezit heeft gehad; of

      • ii. aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

        • A. de inwoner heeft de vervreemde zaak verworven door een transactie die voor de belastingheffing in de andere Staat kwalificeerde om niet in aanmerking genomen te worden (vastgesteld zonder rekening te houden met artikel 897 van de Internal Revenue Code), en de inwoner heeft de zaak onafgebroken in zijn bezit gehad sinds de verwerving ervan; en

        • B. de oorspronkelijke waardegrondslag van de vervreemde zaak voor de inwoner was gelijk aan hetzij de waardegrondslag van de zaak die de inwoner inruilde voor de vervreemde zaak, hetzij de waardegrondslag van de vervreemde zaak onmiddellijk voorafgaand aan de overdracht in de handen van de persoon die de zaak overdroeg aan de inwoner; dan

        wordt het voordeel waarover in de andere Staat ingevolge dit artikel belasting is verschuldigd, verminderd met het gedeelte van het voordeel dat, per maand, naar evenredigheid kan worden toegerekend aan het tijdvak dat eindigt op 31 december 1984, of met een zoveel groter gedeelte als ten genoegen van de bevoegde autoriteit van die andere Staat kan worden aangetoond, kan worden toegerekend aan dat tijdvak.

    • b. De bepalingen van dit lid zijn niet van toepassing, tenzij gedurende het tijdvak van 1 januari 1992 tot en met de datum van vervreemding, de inwoner en elke andere persoon die de zaak gedurende die periode in bezit heeft gehad, gerechtigd was tot de voordelen van dit artikel ingevolge artikel 26 (Beperking van Voordelen) of daartoe gerechtigd zou zijn geweest indien de Overeenkomst gedurende dat hele tijdvak van kracht zou zijn geweest. Bovendien moet iedere persoon die de zaak gedurende het tijdvak van 18 juni 1980 tot en met 31 december 1991 in zijn bezit heeft gehad inwoner zijn geweest van een van de Staten ingevolge het eerdere Verdrag zoals dit is omschreven in het tweede lid van artikel 37 (Inwerkingtreding).

    • c. De bepalingen van dit lid zijn niet van toepassing op de vervreemding van een zaak die:

      • i. op enig tijdstip op of na 18 juni 1980 deel heeft uitgemaakt van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting of heeft behoord tot een vast middelpunt, gelegen in de andere Staat;

      • ii. middellijk of onmiddellijk was verworven door enig persoon op of na 18 juni 1980, in een transactie die voor de belastingheffing niet kwalificeerde om niet in aanmerking genomen te worden (vastgesteld zonder rekening te houden met artikel 897 van de Internal Revenue Code), of in een transactie waarin de zaak is verworven in ruil voor een activum dat was verworven in een transactie die voor de belastingheffing kwalificeerde om niet in aanmerking genomen te worden (vastgesteld zonder rekening te houden met artikel 897 van de Internal Revenue Code); of

      • iii. middellijk of onmiddellijk was verworven door enig persoon op of na 18 juni 1980 in ruil voor een zaak beschreven onder (i) of (ii), of een zaak waarvan de vervreemding had kunnen worden belast door de andere Staat ingevolge de bepalingen van het eerdere Verdrag zoals dit is omschreven in het tweede lid van artikel 37 (Inwerkingtreding).

  • 3 Voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende goederen die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, of van roerende goederen die behoren tot een vast middelpunt dat een inwoner van een van de Staten in de andere staat tot zijn beschikking heeft voor het verrichten van zelfstandige arbeid, daaronder begrepen voordelen verkregen uit de vervreemding van de vaste inrichting (alleen of met de gehele onderneming) of van het vaste middelpunt, mogen in die andere Staat worden belast.

  • 4 Niettegenstaande de bepalingen van het derde lid zijn voordelen verkregen uit een fictieve vervreemding van lichamelijke roerende zaken waarop kan worden afgeschreven en die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft op grond van de bepalingen van het derde lid van artikel 27 (Werkzaamheden Buitengaats), of van lichamelijke roerende zaken waarop kan worden afgeschreven en die behoren tot een vast middelpunt dat een inwoner van een van de Staten op grond van de bepalingen van het vijfde lid van artikel 27 (Werkzaamheden Buitengaats) voor het verrichten van zelfstandige arbeid in de andere Staat tot zijn beschikking staat, slechts belastbaar in de Staat waar de onderneming is gevestigd als het tijdvak gedurende hetwelk de lichamelijke roerende zaken waarop kan worden afgeschreven deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting of behoren tot dat vaste middelpunt korter is dan 3 maanden en mits de feitelijke vervreemding van de lichamelijke roerende zaken waarop kan worden afgeschreven niet plaatsvindt binnen 1 jaar na de datum van de fictieve vervreemding van deze zaken.

    Indien het voordeel verkregen uit de fictieve vervreemding van de lichamelijke roerende zaken waarop kan worden afgeschreven slechts belastbaar is in de Staat waar de onderneming is gevestigd, wordt bij het bepalen van de winst van de vaste inrichting of van het vaste middelpunt in de andere Staat met betrekking tot die lichamelijke roerende zaken waarop kan worden afgeschreven de afschrijving gebaseerd op de laagste van de boekwaarde of de marktwaarde, berekend op het tijdstip waarop die zaken deel werden van het bedrijfsvermogen van de vaste inrichting of die zaken voor het eerst behoorden tot het vaste middelpunt.

  • 5 Niettegenstaande de bepalingen van het derde lid zijn voordelen verkregen door een onderneming van een van de Staten uit de vervreemding van schepen en luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd, en van roerende goederen die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen en luchtvaartuigen, slechts in die Staat belastbaar.

  • 6 Voordelen, zoals beschreven in artikel 13 (Royalty's) zijn belastbaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 13.

  • 7 Voordelen verkregen uit de vervreemding van alle andere goederen dan de goederen bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid zijn slechts belastbaar in de Staat waarvan de vervreemder inwoner is.

  • 8 Indien een inwoner van een van de Staten goederen vervreemdt in het kader van de oprichting van een lichaam, in het kader van een reorganisatie, fusie, splitsing of van een soortgelijke transactie, en de op deze vervreemding betrekking hebbende winst, voordelen of inkomsten voor de belastingheffing van die Staat niet in aanmerking worden genomen of de belastingheffing daarover wordt uitgesteld, wordt voor enige belasting die anders met betrekking tot die vervreemding zou zijn geheven door de andere Staat ook uitstel verleend, voor zover en voor zolang als voor die belasting uitstel zou zijn verleend indien de vervreemder een inwoner van de andere Staat zou zijn geweest, maar niet langer en voor geen groter bedrag dan in de eerstgenoemde Staat, mits die belasting bij een latere vervreemding kan worden geïnd en de inning van het bedrag aan belasting in kwestie bij de latere vervreemding ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van beide Staten is zekergesteld.

    De bevoegde autoriteiten van de Staten ontwikkelen uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van de toepassing van dit lid.

  • 9 De bepalingen van het zevende lid tasten niet aan het recht van elk van de Staten overeenkomstig zijn eigen wetgeving belasting te heffen op voordelen die uit de vervreemding van aandelen of andere vennootschappelijke rechten die aanspraak geven op een aandeel in de winst in een lichaam waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat volgens de wetgeving van die Staat daarvan inwoner is, worden verkregen door een natuurlijke persoon, die inwoner is van de andere Staat en die:

    • a. op enig tijdstip gedurende het tijdvak van vijfjaar dat aan de vervreemding voorafgaat inwoner is geweest van de eerstgenoemde Staat, en

    • b. op het moment van de vervreemding, hetzij alleen, hetzij te zamen met verwante natuurlijke personen, ten minste 25 percent van enige soort van de aandelen van dat lichaam bezit.

    Voor de toepassing van dit lid betekent de uitdrukking „verwante natuurlijke personen” de echtgenoot van de vervreemder en zijn bloed- of aanverwanten in de rechte linie (voorouders en rechtstreekse afstammelingen) en zijn bloed- of aanverwanten in de tweede graad van de zijlinie (broers, zusters of hun echtgenoten).

Artikel 15. Zelfstandige arbeid

  • 1 Voordelen verkregen door een natuurlijke persoon die inwoner is van een van de Staten met het verrichten van persoonlijke diensten in een zelfstandige hoedanigheid zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij die diensten niet in die Staat worden verricht en het inkomen daaruit kan worden toegerekend aan een vast middelpunt waarover de natuurlijke persoon in de andere Staat voor het verrichten van zijn werkzaamheden geregeld beschikt.

  • 2 De uitdrukking „persoonlijke diensten in een zelfstandige hoedanigheid" omvat in het bijzonder zelfstandige werkzaamheden op het gebied van wetenschap, letterkunde, kunst, opvoeding of onderwijs, alsmede de zelfstandige werkzaamheden van artsen, advocaten, technici, architecten, tandartsen en accountants.

Artikel 16. Niet-zelfstandige arbeid

  • 1 Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 17 (Bestuurders- en Commissarissenbeloningen), 19 (Pensioenen, Lijfrenten, Alimentatie-uitkeringen), 20 (Overheidsfuncties) en 21 (Professoren en Leraren) zijn salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking slechts in die Staat belastbaar, tenzij de dienstbetrekking in de andere Staat wordt uitgeoefend. Indien de dienstbetrekking aldaar wordt uitgeoefend, mag de ter zake daarvan verkregen beloning in die andere Staat worden belast.

  • 2 Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid is de beloning verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een in de andere Staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar, indien:

    • a. de genieter in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken, die in het desbetreffende belastingjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaan; en

    • b. de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner van de andere Staat is; en

    • c. de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die, of van een vast middelpunt dat, de werkgever in die andere Staat heeft.

  • 3 Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel is de beloning genoten door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking als lid van de vaste bemanning van een schip of luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, slechts in die Staat belastbaar.

Artikel 17. Bestuurders- en commissarissenbeloningen

Bestuurders- en commissarisenbeloningen (director's fees) of andere beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten in zijn hoedanigheid van lid van de raad van beheer, van bestuurder of van commissaris van een lichaam dat inwoner is van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast. Dergelijke beloningen zijn echter slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar voor zover dergelijke beloningen verkregen zijn voor diensten die in die Staat zijn verricht.

Artikel 18. Artiesten en sportbeoefenaars

  • 1 Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 15 (Zelfstandige Arbeid) en 16 (Niet-zelfstandige Arbeid), mogen voordelen of inkomsten, verkregen door een inwoner van een van de Staten als artiest, zoals een toneelspeler, film-, radio-, of televisie-artiest, of een musicus, alsmede als sportbeoefenaar, uit zijn persoonlijke werkzaamheden die als zodanig worden verricht in de andere Staat, worden belast in die andere Staat tenzij het bedrag van de bruto-ontvangsten dat een dergelijke artiest of sportbeoefenaar in het betrokken belastingjaar voor de werkzaamheden verkrijgt, met inbegrip van de aan hem vergoede of de ten behoeve van hem gedragen kosten, 10.000 Amerikaanse dollar of de tegenwaarde daarvan in euro op 1 januari van het desbetreffende belastingjaar niet te boven gaat. In het laatstgenoemde geval kan de vrijstelling worden toegepast door middel van een teruggave van de belasting die aan de bron is geheven. Een verzoek om een dergelijke teruggave dient na het eind van het desbetreffende belastingjaar en binnen drie jaren na afloop van dat jaar te worden ingediend.

  • 2 Indien voordelen of inkomsten ter zake van werkzaamheden die door een artiest of een sportbeoefenaar in die hoedanigheid worden verricht, niet aan de artiest of sportbeoefenaar toekomen, maar aan een andere persoon, mogen die voordelen of inkomsten van die andere persoon, niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 7 (Winst uit Onderneming) en 15 (Zelfstandige Arbeid) worden belast in de Staat waar de werkzaamheden van de artiest of sportbeoefenaar worden verricht tenzij wordt vastgesteld dat noch de artiest of sportbeoefenaar noch daarmee verbonden personen onmiddellijk of middellijk op enigerlei wijze gerechtigd zijn tot een deel van de winsten van die andere persoon, met inbegrip van de ontvangsten van uitgestelde beloningen, bonussen, vergoedingen, dividenden, vennootschapsuitdelingen of andere uitdelingen.

Artikel 19. Pensioenen, lijfrenten, alimentatieuitkeringen

  • 1 Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 20, tweede lid (Overheidsfuncties), zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een uiteindelijke gerechtigde die inwoner van een van de Staten is ter zake van een vroegere dienstbetrekking alsmede lijfrenten slechts in die Staat belastbaar.

  • 2 Wanneer echter de beloningen genoemd in het eerste lid worden verkregen door een natuurlijke persoon die op enig tijdstip gedurende de periode van vijf jaar voorafgaande aan de datum van betaling inwoner van de andere Staat was, mag de beloning ook in die andere Staat worden belast, indien de beloning is betaald ter zake van een in die andere Staat uitgeoefende dienstbetrekking en de beloning niet is betaald in de vorm van periodieke uitkeringen, of indien een afkoopsom wordt betaald in plaats van het recht een lijfrente te ontvangen.

  • 3 De bepalingen van het tweede lid zijn niet van toepassing op dat gedeelte van de beloning of afkoopsom bedoeld in het tweede lid dat wordt gebruikt als bijdrage aan een pensioenregeling of dat wordt gestort op een pensioenrekening onder zodanige omstandigheden dat, indien de beloning of de afkoopsom zou zijn ontvangen van een betaler in de woonstaat van de ontvanger, de belastingheffing door de woonstaat van de ontvanger over de betaling zou zijn uitgesteld tot het tijdstip waarop de betaling wordt onttrokken aan de pensioenregeling waaraan was bijgedragen of de pensioenrekening waarop was gestort.

  • 4 Onder voorbehoud van de bepalingen van het tweede lid van artikel 20 (Overheidsfuncties) zijn pensioenen en andere betalingen gedaan krachtens de bepalingen van een publiekrechtelijke regeling inzake sociale zekerheid en andere publiekrechtelijke pensioenen betaald door een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat of aan een staatsburger van de Verenigde Staten slechts belastbaar in de eerstbedoelde Staat.

  • 5 De uitdrukking „lijfrente” als bedoeld in dit artikel betekent een vaste som, periodiek betaalbaar op vaste tijdstippen, hetzij gedurende het leven, hetzij gedurende een vastgesteld of voor vaststelling vatbaar tijdvak ingevolge een verbintenis tot het doen van betalingen, welke staat tegenover een voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde.

  • 6 Alimentatie betaald aan een inwoner van een van de Staten is slechts in die Staat belastbaar. De uitdrukking „alimentatie” als bedoeld in dit lid betekent periodieke uitkeringen ingevolge een schriftelijke overeenkomst tot scheiding of een echtscheidingsvonnis, gescheiden onderhoud of verplichte steun dan wel een afkoopsom in plaats daarvan, die bij de ontvanger belast zijn ingevolge de wetgeving van de Staat waarvan hij inwoner is.

  • 7 Indien een natuurlijke persoon die inwoner is van een van de Staten lid is van, begunstigde tot of deelnemer in een vrijgesteld pensioenfonds dat inwoner is van de andere Staat, mag het inkomen behaald door het vrijgestelde pensioenfonds uitsluitend worden belast als inkomen van die persoon indien, en, met inachtneming van de bepalingen van het eerste, tweede en derde lid van dit artikel, voor zover dat inkomen door het vrijgestelde pensioenfonds wordt betaald of ten goede komt aan die natuurlijke persoon (en niet wordt overgedragen aan een ander vrijgesteld pensioenfonds in die andere Staat).

  • 8 Indien een natuurlijke persoon die lid is van, begunstigde tot of deelnemer in een vrijgesteld pensioenfonds dat gevestigd is in een van de Staten, in dienstverband of als zelfstandige werkzaam is in de andere Staat:

    • a. zijn de premies betaald door of namens die natuurlijke persoon aan het vrijgestelde pensioenfonds gedurende het tijdvak waarin hij in dienstverband of als zelfstandige werkzaam is in de andere Staat aftrekbaar (of worden niet bij de belastingheffing inbegrepen) voor de berekening van zijn belastbaar inkomen in die andere Staat; en

    • b. worden voordelen behaald door het vrijgestelde pensioenfonds of premies betaald aan het vrijgestelde pensioenfonds door of namens de werkgever van die natuurlijke persoon, gedurende dat tijdvak niet behandeld als onderdeel van het belastbare inkomen van die persoon en mogen dergelijke premies worden afgetrokken bij de berekening van de bedrijfswinst van zijn werkgever in die andere Staat.

    De uit hoofde van dit lid beschikbare fiscale faciliëring mag niet hoger zijn dan de fiscale faciliëring die door de andere Staat zou zijn toegestaan aan inwoners van die Staat voor premies aan of uitkeringen voortvloeiend uit een in die Staat gevestigd vrijgesteld pensioenfonds.

  • 9 De bepalingen van het achtste lid van dit artikel vinden alleen toepassing indien:

    • a. premies betaald door of namens de natuurlijke persoon of door of namens de werkgever van die natuurlijke persoon aan het vrijgestelde pensioenfonds (of aan een ander soortgelijk vrijgesteld pensioenfonds dat in de plaats gekomen is van het eerstbedoelde pensioenfonds) zijn betaald voordat de natuurlijke persoon in dienstverband of als zelfstandige ging werken in de andere Staat; en

    • b. de bevoegde autoriteit van de andere Staat ermee heeft ingestemd dat het vrijgestelde pensioenfonds over het algemeen overeenkomt met een in die andere Staat gevestigd vrijgesteld pensioenfonds.

  • 10

    • a. Indien een staatsburger van de Verenigde Staten die in Nederland woont in Nederland in dienstbetrekking werkzaam is waarvan de inkomsten belastbaar zijn in Nederland en ten laste komen van een werkgever die inwoner is van Nederland of van een in Nederland gevestigde vaste inrichting, en de natuurlijke persoon lid is van, begunstigde tot of deelnemer in een in Nederland gevestigd vrijgesteld pensioenfonds,

      • i. dienen de premies betaald door of namens die natuurlijke persoon aan het vrijgestelde pensioenfonds gedurende het tijdvak waarin hij in dienstverband werkzaam is in Nederland en die toe te rekenen zijn aan het dienstverband aftrekbaar te zijn (of niet bij de belastingheffing te worden inbegrepen) bij de berekening van zijn belastbaar inkomen in de Verenigde Staten; en

      • ii. worden uitkeringen voortvloeiend uit het vrijgestelde pensioenfonds of door of namens de werkgever van die natuurlijke persoon gedurende dat tijdvak betaalde premies aan het vrijgestelde pensioenfonds en die toe te rekenen zijn aan dat dienstverband bij de berekening van het belastbare inkomen van de werknemer in de Verenigde Staten niet behandeld als onderdeel van het belastbare inkomen. Dit lid vindt uitsluitend toepassing voor zover de premies of uitkeringen in aanmerking komen voor fiscale faciliëring in Nederland.

    • b. De uit hoofde van dit lid beschikbare fiscale faciliëring mag niet hoger zijn dan die welke door de Verenigde Staten zou zijn toegestaan aan hun inwoners voor premies aan of voordelen behaald door een overeenkomstig vrijgesteld pensioenfonds dat in de Verenigde Staten is gevestigd.

    • c. Teneinde te bepalen of een natuurlijke persoon in aanmerking komt voor deelname in en belastingvoordeel in verband met een in de Verenigde Staten gevestigd vrijgesteld pensioenfonds, worden premies betaald aan of voordelen behaald door een in Nederland gevestigd vrijgesteld pensioenfonds behandeld als premies of uitkeringen uit hoofde van een overeenkomstig vrijgesteld pensioenfonds dat in de Verenigde Staten is gevestigd voorzover fiscale faciliëring uit hoofde van dit lid beschikbaar is voor de natuurlijke persoon.

    • d) Dit lid vindt alleen toepassing indien de bevoegde autoriteit van de Verenigde Staten ermee heeft ingestemd dat het vrijgestelde pensioenfonds over het algemeen overeenkomt met een in de Verenigde Staten gevestigd vrijgesteld pensioenfonds.

  • 11 De voordelen bedoeld in het zevende, achtste, negende en tiende lid zijn met betrekking tot een in de Verenigde Staten gevestigd vrijgesteld pensioenfonds uitsluitend van toepassing indien het pensioenfonds zich in overeenstemming met het Nederlandse recht ten aanzien van aangewezen buitenlandse pensioenfondsen verplicht inlichtingen en zekerheid te verschaffen aan de belastingautoriteiten van Nederland.

Artikel 20. Overheidsfuncties

  • 1

    • a. Beloningen, niet zijnde pensioenen, betaald door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon terzake van diensten bewezen aan die Staat of dat onderdeel of dat publiekrechtelijke lichaam, zijn slechts in die Staat belastbaar.

    • b. Deze beloningen zijn echter slechts in de andere Staat belastbaar, indien de diensten in die Staat worden bewezen en de natuurlijke persoon een inwoner is van die Staat, die:

      • i. onderdaan is van die Staat; of

      • ii. niet uitsluitend voor het verrichten van de diensten inwoner van die Staat werd.

  • 2

    • a. Pensioenen betaald door of uit fondsen in het leven geroepen door, een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten bewezen aan die Staat of dat onderdeel of dat publiekrechtelijke lichaam zijn slechts in die Staat belastbaar.

    • b. Deze pensioenen zijn echter slechts in de andere Staat belastbaar, indien de natuurlijke persoon inwoner en onderdaan is van die Staat.

  • 3 De bepalingen van de artikelen 16 (Niet-zelfstandige Arbeid), 17 (Bestuurders- en Commissarissenbeloningen) en 19 (Pensioenen, Lijfrenten, Alimentatieuitkeringen) zijn van toepassing op beloningen en pensioenen ter zake van diensten bewezen in het kader van een op winst gericht bedrijf, uitgeoefend door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan.

Artikel 21. Hoogleraren en docenten

  • 1 Een natuurlijke persoon die een van de Staten bezoekt gedurende een tijdvak van ten hoogste twee jaar met het doel onderwijs te geven of zich met wetenschappelijk onderzoek bezig te houden aan een universiteit, hogeschool of andere erkende onderwijsinrichting in die Staat, en die onmiddellijk voorafgaande aan dat bezoek inwoner was van de andere Staat, is slechts in die andere Staat belastbaar voor de beloning voor dat geven van onderwijs of dat onderzoek gedurende een tijdvak dat twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop hij de eerstgenoemde Staat voor het eerst met dat doel bezoekt niet te boven gaat. Indien het bezoek de twee jaar overschrijdt, mag de eerstgenoemde Staat de natuurlijke persoon belasten ingevolge zijn nationale wetgeving voor het gehele tijdvak van het bezoek, tenzij de bevoegde autoriteiten van de Staten in een bijzonder geval anders overeenkomen.

  • 2 Dit artikel is niet van toepassing op inkomsten uit het verrichten van wetenschappelijk onderzoek, indien dit onderzoek niet wordt verricht in het algemeen belang, maar in de eerste plaats voor het persoonlijke nut van een bepaalde persoon of bepaalde personen.

Artikel 22. Studenten en personen in opleiding

  • 1 Een natuurlijke persoon die onmiddellijk voorafgaande aan zijn bezoek aan een van de Staten inwoner is van de andere Staat en die tijdelijk in de eerstbedoelde Staat verblijf houdt in de eerste plaats met de bedoeling:

    • a. met volledige dagtaak te studeren aan een erkende universiteit, hogeschool of school in die eerstbedoelde Staat; of

    • b. een opleiding voor een bedrijf of beroep te verkrijgen,

      is vrijgesteld van belasting in de eerstbedoelde Staat ter zake van:

      • i. alle overmakingen uit het buitenland ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding; en

      • ii. alle beloningen voor persoonlijke diensten verricht in de eerstbedoelde Staat, tot een bedrag dat in enig belastingjaar 2000 Amerikaanse dollar of de tegenwaarde daarvan in euro op 1 januari van dat belastingjaar niet te boven gaat.

    De voordelen ingevolge dit lid worden slechts verleend voor zulk een tijdsduur als redelijk is of gewoonlijk vereist om het doel van het bezoek te bereiken.

  • 2 Een natuurlijke persoon die onmiddellijk voorafgaande aan zijn bezoek aan een van de Staten inwoner is van de andere Staat en die tijdelijk in de eerstbedoelde Staat verblijf houdt gedurende een tijdvak van niet langer dan driejaar met het doel te studeren, wetenschappelijk onderzoek te doen of een opleiding te verkrijgen, zulks uitsluitend als genieter van een toelage, vergoeding of prijs verleend door een organisatie op het gebied van wetenschap, onderwijs, godsdienst of liefdadigheid of op grond van een programma van technische hulpverlening waaraan een van de Staten, een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan deelneemt, is vrijgesteld van belasting in de eerstbedoelde Staat voor:

    • a. het bedrag van die toelage, vergoeding of prijs; en

    • b. alle beloningen voor persoonlijke diensten verricht in de eerstbedoelde Staat, mits die diensten verband houden met zijn studie, onderzoek of opleiding of daaruit voortvloeien, zulks tot een bedrag dat in enig belastingjaar 2000 Amerikaanse dollar of de tegenwaarde daarvan in euro op 1 januari van dat belastingjaar niet te boven gaat.

  • 3 Een natuurlijke persoon kan geen aanspraak maken op de voordelen van dit artikel of van artikel 21 (Hoogleraren en andere Docenten), indien die natuurlijke persoon gedurende het onmiddellijk voorafgaande tijdvak aanspraak heeft gemaakt op de voordelen van zo'n ander artikel.

Artikel 23. Overige inkomsten

  • 1 Bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een van de Staten, van waaruit ook afkomstig, die niet in de voorgaande artikelen van deze Overeenkomst zijn behandeld, zijn slechts in die Staat belastbaar.

  • 2 De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op inkomsten, niet zijnde inkomsten uit onroerende zaken zoals omschreven in het tweede lid van artikel 6 (Inkomsten uit Onroerende Zaken) indien de uiteindelijke gerechtigde tot de inkomsten die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, of in die andere Staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gevestigd vast middelpunt, en de inkomsten zijn toe te rekenen aan die vaste inrichting of aan dat vaste middelpunt. In dat geval zijn, naar gelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 (Winst uit Onderneming) of artikel 15 (Zelfstandige Arbeid) van toepassing.

HOOFDSTUK IV. VERMIJDING VAN DUBBELE BELASTING

Artikel 24. Grondslag van de belastingheffing

  • 1 Niettegenstaande enige bepaling van de Overeenkomst, behalve het tweede lid, mag elk van de Staten zijn inwoners en onderdanen belasten als ware de Overeenkomst niet in werking getreden. Voor dit doel omvat, waar het de Verenigde Staten betreft, de uitdrukking onderdaan een voormalige staatsburger of langdurig inwoner die geen onderdaan is van Nederland, en voor wie het vermijden van de heffing van inkomstenbelasting een van de voornaamste doelstellingen is van het verlies van zijn een dergelijke Amerikaanse status, maar alleen voor het tijdvak van 10 jaar volgend op dat verlies.

  • 2 De bepalingen van het eerste lid tasten niet aan

    • a. de voordelen verleend door een van de Staten ingevolge het tweede lid van artikel 9 (Verbonden Ondernemingen), ingevolge het vierde, zevende, achtste en tiende lid van artikel 19 (Pensioenen, Lijfrenten, Alimentatie-uitkeringen), en ingevolge de artikelen 25 (Vermijding van Dubbele Belasting), 28 (Non-Discriminatie) en 29 (Regeling voor Onderling Overleg); en

    • b. de voordelen verleend door een van de Staten ingevolge de artikelen 20 (Overheidsfuncties), 21 (Hoogleraren en andere Docenten) , 22 (Studenten en Personen in Opleiding) en 33 (Diplomatieke en Consulaire Ambtenaren), aan natuurlijke personen die geen onderdaan zijn van die Staat, en in het geval van de Verenigde Staten, evenmin „lawful permanent resident” van de Verenigde Staten.

  • 3 Voor de uitvoering van het eerste en tweede lid van artikel 7 (Winst uit Onderneming), het zevende lid van artikel 10 (Dividenden), het derde lid van artikel 12 (Interest), het derde lid van artikel 13 (Royalty's), het derde lid van artikel 14 (Vermogenswinsten), het eerste lid van artikel 15 (Zelfstandige Arbeid) en het tweede lid van artikel 23 (Overige Inkomsten) zijn alle inkomsten, voordelen of kosten die zijn toe te rekenen aan een vaste inrichting of vast middelpunt gedurende het bestaan daarvan belastbaar of aftrekbaar in de Staat waarin die vaste inrichting of dat vaste middelpunt is gelegen, zelfs als de betalingen zijn uitgesteld tot een tijdstip waarop die vaste inrichting of dat vaste middelpunt heeft opgehouden te bestaan. Niets in de voorgaande zin tast de toepassing op die uitgestelde betalingen aan, overeenkomstig de binnenlandse wetgeving van elk van de Staten, van de regels betreffende de winstneming en het maken van kosten.

    Voordelen uit de vervreemding van roerende goederen die op enig moment deel hebben uitgemaakt van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die of van een vast middelpunt dat een inwoner van een van de Staten in de andere Staat heeft of heeft gehad mogen door die andere Staat slechts worden belast voor zover het voordeel is toe te rekenen aan het tijdvak waarin de desbetreffende roerende goederen deel hebben uitgemaakt van het voornoemde bedrijfsvermogen. Die andere Staat kan die voordelen belasten op het tijdstip waarop de voordelen overeenkomstig de wetten van die andere Staat worden gerealiseerd en in aanmerking worden genomen, mits dat tijdstip ligt binnen 3 jaar na de datum waarop de goederen ophouden deel te zijn van het bedrijfsvermogen van de vaste inrichting of het vaste middelpunt.

  • 4 In het geval van een bestanddeel van het inkomen, de winst of een voordeel verkregen door een persoon dat fiscaal transparant is krachtens het recht van een van beide Staten, wordt dit bestanddeel aangemerkt als zijnde verkregen door een inwoner van een Staat voorzover dat bestanddeel voor de toepassing van het belastingrecht van die Staat wordt behandeld als het inkomen, de winst of het voordeel van een inwoner.

Artikel 25. Vermijding van dubbele belasting

  • 1 Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid van artikel 24 (Grondslag van de Belastingheffing), is Nederland bevoegd de bestanddelen van het inkomen in de grondslag van de belastingheffing te begrijpen die op grond van het vierde lid van artikel 19 (Pensioenen, Lijfrenten, Alimentatie-uitkeringen) en artikel 20 (Overheidsfuncties) slechts in de Verenigde Staten belastbaar zijn.

  • 2 Indien een inwoner of onderdaan van Nederland bestanddelen van het inkomen verkrijgt, die volgens artikel 6 (Inkomsten uit onroerende zaken), artikel 7 (Winst uit onderneming) voor zover dat inkomen is onderworpen aan belasting van de Verenigde Staten, het zevende lid van artikel 10 (Dividenden), het derde lid van artikel 12 (Interest), het derde lid van artikel 13 (Royalty's), het eerste en derde lid van artikel 14 (Vermogenswinsten), artikel 15 (Zelfstandige arbeid) voor zover dat inkomen is onderworpen aan belasting van de Verenigde Staten, het eerste lid van artikel 16 (Niet-zelfstandige arbeid), het vierde lid van artikel 19 (Pensioenen, lijfrenten, alimentatieuitkeringen), artikel 20 (Overheidsfuncties) en het tweede lid van artikel 23 (Overige inkomsten) van deze Overeenkomst belastbaar zijn in de Verenigde Staten en zijn begrepen in de grondslag van de belastingheffing, stelt Nederland deze bestanddelen vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Hiertoe worden genoemde bestanddelen geacht te zijn begrepen in het totale bedrag van de bestanddelen van het inkomen die ingevolge die bepalingen van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

  • 3 Nederland verleent voorts een aftrek op de Nederlandse belasting voor de bestanddelen van het inkomen die volgens het tweede lid van artikel 10 (Dividenden), artikel 17 (Bestuurders- en Commissarissenbeloningen) en artikel 18 (Artiesten en Sportbeoefenaars) van de Overeenkomst in de Verenigde Staten mogen worden belast, voor zover deze bestanddelen in de grondslag van de belastingheffing zijn begrepen.

    Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan

    • a. in het geval van dividenden die mogen worden belast in de Verenigde Staten volgens het tweede lid, letter (a) van artikel 10 (Dividenden), 5 procent van die dividenden;

    • b. in het geval van dividenden die mogen worden belast in de Verenigde Staten volgens het tweede lid, letter (b) van artikel 10 (Dividenden), 15 procent van die dividenden;

    • c. in het geval van andere dividenden, die mogen worden belast in de Verenigde Staten volgens het vierde lid van artikel 10 (Dividenden), 15 procent van die dividenden; en,

    • d. in het geval van andere bestanddelen van het inkomen, genoemd in dit lid, de over die andere bestanddelen van het inkomen in de Verenigde Staten betaalde belasting,

    maar bedraagt in geen geval meer dan het bedrag van de vermindering die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest die op grond van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

  • 4 Overeenkomstig de bepalingen en behoudens de beperkingen van de wetgeving van de Verenigde Staten (zoals deze van tijd tot tijd kan worden gewijzigd zonder de algemene uitgangspunten ervan te wijzigen), staan de Verenigde Staten aan een inwoner of onderdaan van de Verenigde Staten een verrekening toe met de belasting op inkomen van de Verenigde Staten van:

    • a. het daarvoor in aanmerking komende bedrag aan inkomstenbelasting dat door of namens die inwoner of onderdaan aan Nederland is betaald of dat aan Nederland is verschuldigd, behalve de inkomstenbelasting betaald aan Nederland in de gevallen bedoeld in het negende lid van artikel 14 (Vermogens winsten) of in het tweede lid van artikel 19 (Pensioenen, Lijfrenten en Alimentatieuitkeringen); en

    • b. in het geval van een lichaam van de Verenigde Staten dat ten minste 10 percent bezit van het stemgerechtigde aandelenkapitaal van een lichaam dat inwoner is van Nederland en waarvan het lichaam van de Verenigde Staten dividenden ontvangt, het daarvoor in aanmerking komende bedrag aan inkomstenbelasting dat door of namens het uitdelende lichaam aan Nederland is betaald of dat aan Nederland is verschuldigd met betrekking tot de winsten waaruit de dividenden zijn betaald.

    De grondslag voor dit in aanmerking komende bedrag is het bedrag aan inkomstenbelasting dat is betaald aan of dat is verschuldigd aan Nederland, maar de verrekening overschrijdt niet de beperkingen (die tot doel hebben de verrekening te beperken tot de belasting van de Verenigde Staten op inkomsten uit bronnen buiten de Verenigde Staten) zoals voorzien in de wetgeving van de Verenigde Staten voor het belastingjaar.

    Voor de toepassing van dit lid worden de belastingen bedoeld in het eerste lid, letter (a) en het tweede lid van artikel 2 (Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is), beschouwd als inkomstenbelastingen.

  • 5 Niettegenstaande de bepalingen van het vierde lid van dit artikel staan de Verenigde Staten aan een inwoner of onderdaan van de Verenigde Staten een verrekening toe met belasting van de Verenigde Staten op inkomen van het daarvoor in aanmerking komende bedrag van het winstaandeel, betaald door of namens die inwoner of onderdaan aan Nederland. Het daarvoor in aanmerking komende bedrag is het produkt van (i) de heffingsgrondslag van het verrekenbare deel van het winstaandeel en (ii) het wettelijke maximumtarief van de belasting van de Verenigde Staten dat van toepassing is voor die inwoner of onderdaan voor dat belastingjaar. Voor het bepalen van het in aanmerking komende bedrag hebben de volgende uitdrukkingen de volgende betekenis:

    • a. de heffingsgrondslag van het verrekenbare deel van het winstaandeel is het deel van de inkomsten, onderworpen aan de vennootschapsbelasting (uitgezonderd de inkomsten die niet zijn onderworpen aan het winstaandeel) die zijn behaald uit bronnen in Nederland (vóór aftrek van het verschuldigde winstaandeel) dat uitgaat boven de heffingsgrondslag van het verrekenbare deel van de vennootschapsbelasting.

    • b. de heffingsgrondslag van het verrekenbare deel van de vennootschapsbelasting is het effectieve tarief van de vennootschapsbelasting, gedeeld door het wettelijke maximumtarief van de belasting van de Verenigde Staten dat van toepassing is voor die inwoner of onderdaan voor dat belastingjaar, vermenigvuldigd met de inkomsten, onderworpen aan de vennootschapsbelasting (uitgezonderd de inkomsten die niet zijn onderworpen aan het winstaandeel) die zijn behaald uit bronnen in Nederland (vóór aftrek van het verschuldigde winstaandeel).

    • c. het effectieve tarief van de vennootschapsbelasting is de vennootschapsbelasting betaald over de inkomsten die zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting (uitgezonderd de inkomsten die niet zijn onderworpen aan het winstaandeel), gedeeld door de inkomsten onderworpen aan de vennootschapsbelasting (uitgezonderd de inkomsten die niet zijn onderworpen aan het winstaandeel en vóór aftrek van het verschuldigde winstaandeel).

    Bij de vaststelling van het in aanmerking komende bedrag gelden eveneens de andere beperkingen waarin de wetgeving van de Verenigde Staten, zoals deze van tijd tot tijd kan worden gewijzigd, voorziet, die van toepassing zijn op belastingen die verrekenbaar zijn op grond van de bepalingen van artikel 901 of 903 van de Internal Revenue Code voor personen die aanspraak maken op de voordelen van deze Overeenkomst. Bij de toepassing van die beperkingen op de vennootschapsbelasting moet bij het berekenen van deze beperkingen de heffingsgrondslag van het verrekenbare deel van de vennootschapsbelasting (zoals gedefinieerd in (b) hierboven) worden gebruikt. Het winstaandeel dat is betaald en dat uitgaat boven het in aanmerking komende bedrag mag alleen worden gebruikt voor verrekening in een ander belastingjaar, en alleen met belasting van de Verenigde Staten op de heffingsgrondslag van het verrekenbare deel van het winstaandeel (zoals gedefinieerd in (a) hierboven). Indien aanspraak wordt gemaakt op verrekening van het winstaandeel, mag de belastingplichtige met betrekking tot enige buitenlandse belasting, betaald of verschuldigd in dat jaar, waarvoor aanspraak mag worden gemaakt op verrekening met belasting van de Verenigde Staten op inkomen op grond van artikel 901 of 903 van de Internal Revenue Code, of met betrekking tot het winstaandeel, betaald of verschuldigd in dat jaar, geen aanspraak maken op aftrek op zijn in de Verenigde Staten belastbare inkomen. Verrekening ingevolge de bepalingen van het vierde lid van dit artikel is niet toegestaan voor enige Nederlandse belasting waarvoor aanspraak op verrekening is gemaakt ingevolge de bepalingen van dit lid.

  • 6 Indien een staatsburger van de Verenigde Staten inwoner is van Nederland:

    • a. staat Nederland, met betrekking tot de bestanddelen van het inkomen die niet zijn vrijgesteld van Nederlandse belasting op grond van het tweede lid en niet zijn genoemd in het zevende lid van dit artikel, en die ingevolge de bepalingen van deze Overeenkomst zijn vrijgesteld van belasting van de Verenigde Staten of die zijn onderworpen aan een gereduceerd tarief van belasting van de Verenigde Staten indien zij zijn behaald door een inwoner van Nederland die geen staatsburger is van de Verenigde Staten, alleen een verrekening met Nederlandse belasting toe, op grond van de bepalingen van de Nederlandse belastingwetgeving met betrekking tot verrekening van buitenlandse belasting, van de daadwerkelijk betaalde belasting die de Verenigde Staten mogen heffen op grond van de bepalingen van deze Overeenkomst, anders dan belastingen die op grond van van de bepalingen van het eerste lid van artikel 24 (Grondslag van de Belastingheffing) uitsluitend mogen worden geheven op grond van staatsburgerschap;

    • b. staan de Verenigde Staten, teneinde de belasting van de Verenigde Staten in letter (a) te berekenen, een verrekening met belasting van de Verenigde Staten toe van de aan Nederland betaalde inkomstenbelasting na de verrekening bedoeld in letter (a); de aldus toegestane verrekening vermindert niet het deel van de belasting van de Verenigde Staten dat in overeenstemming met letter (a) verrekenbaar is met de Nederlandse belasting; en

    • c. uitsluitend met het doel om dubbele belasting in de Verenigde Staten te vermijden op grond van de bepalingen van letter (b), worden bestanddelen van het inkomen bedoeld in letter (a) geacht afkomstig te zijn uit Nederland voor zover noodzakelijk om dubbele belasting van dat inkomen ingevolge letter (b) te vermijden.

  • 7 Indien een inwoner van een van de Staten voordelen of een beloning of een eenmalige uitkering verkrijgt, die in overeenstemming met het negende lid van artikel 14 (Vermogenswinsten), of met het tweede lid van artikel 19 (Pensioenen, Lijfrenten, Alimentatieuitkeringen) in de andere Staat mogen worden belast, staat die andere Staat van zijn belasting op die voordelen, beloning of eenmalige uitkering een aftrek toe. Het bedrag van die aftrek is gelijk aan de belasting die is geheven in de eerstgenoemde Staat op de genoemde voordelen, beloning of eenmalige uitkering, maar bedraagt in geen geval meer dan dat deel van de inkomstenbelasting, zoals berekend voordat de aftrek is toegestaan, dat toerekenbaar is aan de genoemde voordelen, beloning of eenmalige uitkering. Voor het uitsluitende doel om dubbele belasting in de Verenigde Staten te vermijden op grond van de bepalingen van dit lid, worden bestanddelen van het inkomen bedoeld in dit lid geacht afkomstig te zijn uit Nederland, voor zover noodzakelijk om dubbele belasting op dat inkomen ingevolge de bepalingen van dit lid te vermijden.

  • 8 Nederland verleent ten slotte een aftrek op de Nederlandse belasting voor de bestanddelen van het inkomen die volgens het achtste lid van artikel 12 (Interest) en het zesde lid van artikel 13 (Royalty's) in de Verenigde Staten mogen worden belast, voor zover deze bestanddelen in de grondslag van de belastingheffing zijn begrepen en niet op grond van het Nederlandse nationale belastingregime of op grond van een door Nederland overeengekomen bilaterale of multilaterale regeling tot het vermijden van dubbele belasting als winst van een vaste inrichting zijn vrijgesteld van belasting in Nederland.

    Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan

    • a. in het geval van interest die mag worden belast in de Verenigde Staten volgens het achtste lid van artikel 12 (Interest), 15 procent van die interest;

    • b. in het geval van royalty's die mogen worden belast in de Verenigde Staten volgens het zesde lid van artikel 13 (Royalty's), 15 procent van die royalty's,

    maar bedraagt in geen geval meer dan het bedrag van de vermindering die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest die op grond van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.

HOOFDSTUK V. BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 26. Beperkingen van voordelen

  • 1 Tenzij in dit artikel anders is bepaald, is een inwoner van een van de Staten die voordelen verkrijgt uit de andere Staat alleen gerechtigd tot alle voordelen uit deze Overeenkomst die anderszins worden toegekend aan inwoners van een Staat indien een dergelijke inwoner een gekwalificeerde persoon is als omschreven in het tweede lid van dit artikel en voldoet aan alle andere omschreven voorwaarden voor het verkrijgen van dergelijke voordelen.

  • 2 Een inwoner van een van de Staten is uitsluitend een gekwalificeerde persoon voor een belastingjaar indien hij:

    • a. een natuurlijke persoon is; of

    • b. een Staat, een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan is; of

    • c. een lichaam is, indien

      • i. de voornaamste soort van zijn aandelen (en elke „disproportionate class of shares”) genoteerd is aan een erkende effectenbeurs zoals beschreven in het achtste lid, letter a, onder i) of ii) van dit artikel en in deze aandelen regelmatig wordt gehandeld op een of meer erkende effectenbeurzen, tenzij het lichaam geen reële aanwezigheid heeft in de Staat waarvan het een inwoner is; of

      • ii. ten minste 50 percent van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen (en ten minste 50 percent van elke „disproportionate class of shares”) van het lichaam onmiddellijk of middellijk het eigendom is van ten hoogste vijf lichamen die gerechtigd zijn tot de voordelen van letter c onder i), met dien verstande dat ingeval van middellijke eigendom elke tussenliggende eigenaar inwoner is van een van beide Staten;

    • d. een persoon is als beschreven in artikel 35 (Vrijgestelde Pensioenfondsen) van deze Overeenkomst, op voorwaarde dat:

      • i. meer dan 50 percent van de gerechtigden, leden of deelnemers natuurlijke personen van een van beide Staten zijn; of

      • ii. de organisatie die geldschieter is van een dergelijke persoon recht heeft op de voordelen van de Overeenkomst op grond van dit artikel; of

    • e. een niet in letter d beschreven organisatie zonder winstoogmerk is die krachtens een dergelijke hoedanigheid in het algemeen in haar woonstaat is vrijgesteld van een belastingheffing naar het inkomen; of

    • f. een persoon is, niet zijnde een natuurlijke persoon of een lichaam dat gerechtigd zou zijn tot de voordelen op grond van letter c onder i) maar daarvoor niet in aanmerking komt als gevolg van het niet hebben van reële aanwezigheid in haar woonstaat, indien:

      • i. op ten minste de helft van de dagen van een belastingjaar gekwalificeerde personen als bedoeld in letter a, b, c onder i), of letter d of e van dit lid, onmiddellijk of middellijk, aandelen of een ander belang als uiteindelijk gerechtigde van ten minste 50 percent van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam in eigendom hebben (en ten minste 50 percent van elke „disproportionate class of shares”) en

      • ii. minder dan 50 percent van het bruto inkomen in dat belastingjaar van die persoon onmiddellijk of middellijk wordt betaald aan of toekomt aan personen die geen inwoner zijn van een van beide Staten in de vorm van betalingen die aftrekbaar zijn voor de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is in de Staat waarvan de persoon inwoner is (met uitzondering van betalingen als willekeurige derde verricht bij de normale bedrijfsuitoefening ter zake van diensten of lichamelijke zaken en betalingen in het kader van financiële verplichtingen aan een bank op voorwaarde dat indien de bank geen inwoner is van een van de Staten een dergelijke betaling toerekenbaar is aan een vaste inrichting van die bank gelegen in een van de Staten).

  • 3 Niettegenstaande het feit dat een lichaam dat inwoner is van een van de Staten niet als gekwalificeerde persoon kan worden aangemerkt, is dit lichaam toch gerechtigd tot alle voordelen uit deze Overeenkomst die anderszins worden toegekend aan inwoners van een Staat ter zake van een inkomensbestanddeel indien het lichaam voldoet aan alle andere omschreven voorwaarden voor het verkrijgen van dergelijke voordelen en:

    • a. ten minste 95 percent van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen (en ten minste 50 percent van elke „disproportionate class of shares”) van het lichaam onmiddellijk of middellijk in eigendom zijn van ten hoogste zeven personen die gelijkwaardige gerechtigden („equivalent beneficiaries”) zijn; en

    • b. minder dan 50 percent van het bruto inkomen van het lichaam voor het belastingjaar waarin het inkomensbestanddeel afkomstig is onmiddellijk of middellijk wordt betaald aan of toekomt aan personen die geen gelijkwaardige gerechtigden (equivalent beneficiaries) zijn in de vorm van betalingen die aftrekbaar zijn voor de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is in de Staat waarvan het lichaam inwoner is (met uitzondering van betalingen als willekeurige derde verricht bij de normale bedrijfsuitoefening ter zake van diensten of lichamelijke zaken en betalingen in het kader van financiële verplichtingen aan een bank op voorwaarde dat indien de bank geen inwoner is van een van de Staten een dergelijke betaling toerekenbaar is aan een vaste inrichting van die bank gelegen in een van de Staten).

  • 4

    • a. Niettegenstaande het feit dat een inwoner van een van de Staten niet als gekwalificeerde persoon kan worden aangemerkt, is deze inwoner toch gerechtigd tot alle voordelen uit deze Overeenkomst die anderszins worden toegekend aan inwoners van een Staat ter zake van een inkomensbestanddeel dat afkomstig is uit de andere Staat, indien de inwoner betrokken is bij het actief uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten in de eerstbedoelde Staat (anders dan activiteiten die bestaan uit het beleggen of het beheren van beleggingen voor eigen rekening van die inwoner, tenzij deze activiteiten bank- en verzekeringsactiviteiten of effectenhandel betreffen, welke door een bank of verzekeringsmaatschappij of een geregistreerd effectenbedrijf worden uitgeoefend), de voordelen verkregen uit de andere Staat zijn behaald in samenhang met, of bijkomstig zijn tot, die bedrijfsmatige activiteiten en die inwoner voldoet aan alle andere omschreven voorwaarden voor het verkrijgen van dergelijke voordelen.

    • b. Indien een inwoner van een van de Staten of een van de met hem verbonden ondernemingen een bedrijfsmatige activiteit in de andere Staat uitoefent waaruit een inkomensbestanddeel voortvloeit, geldt letter a van dit lid ten aanzien van dat inkomensbestanddeel uitsluitend indien de bedrijfsmatige activiteiten in de eerstbedoelde Staat wezenlijk zijn in relatie tot de bedrijfsmatige activiteiten in de andere Staat.

    • c. Bij het bepalen of een persoon betrokken is bij het actief uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten in een van de Staten als bedoeld in letter a van dit lid, worden activiteiten die worden verricht door een vennootschap in welke de persoon een vennoot is en activiteiten die worden verricht door met de persoon verbonden personen geacht te worden verricht door die persoon. Een persoon wordt geacht met een andere persoon verbonden te zijn indien de ene persoon ten minste 50 percent van het belang als uiteindelijke gerechtigde bezit in de andere persoon (of, ingeval van een lichaam, ten minste 50 percent van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam of van het uiteindelijke belang in het vermogen van het lichaam) of een andere persoon bezit, onmiddellijk of middellijk, ten minste 50 percent van het belang als uiteindelijk gerechtigde (of, ingeval van een lichaam, ten minste 50 percent van het totale aantal stemmen en de waarde van de aandelen van het lichaam of van het uiteindelijke belang in het vermogen van het lichaam) in elk van de personen. In ieder geval wordt een persoon geacht te zijn verbonden met een andere persoon indien, op basis van alle feiten en omstandigheden, de ene persoon zeggenschap heeft in de andere persoon of beide personen onder zeggenschap staan van dezelfde persoon of personen.

  • 5 Een persoon die inwoner is van een van de Staten is eveneens gerechtigd tot alle voordelen van deze Overeenkomst die anderszins worden toegekend aan inwoners van een Staat indien die persoon werkzaam is als hoofdkantoor van een multinationale groep van vennootschappen en die inwoner voldoet aan elke andere omschreven voorwaarde voor het verkrijgen van dergelijke voordelen. Een persoon wordt voor dit doel alleen als hoofdkantoor beschouwd indien:

    • a. hij voorziet in een wezenlijk aandeel van het algemene toezicht op en bestuur van de groep, dat mede mag omvatten, maar niet hoofdzakelijk mag bestaan uit concernfinanciering;

    • b. de groep uit rechtspersonen bestaat, die inwoner zijn van en zich actief bezig houden met bedrijfsmatige activiteiten in ten minste vijf landen en waarvan de in elk van de vijf landen (of vijf groepen landen) verrichte bedrijfsmatige activiteiten ten minste 10 percent van het bruto-inkomen van de groep genereren;

    • c. de in ieder ander land dan de staat van vestiging van het hoofdkantoor verrichte bedrijfsmatige activiteiten minder dan 50 percent van het bruto-inkomen van de groep genereren;

    • d. niet meer dan 25 percent van zijn bruto-inkomen verkregen is uit de andere Staat;

    • e. hij onafhankelijke discretionaire bevoegdheid heeft en uitoefent om de functies bedoeld in letter a te verrichten;

    • f. hij in zijn land van vestiging onderworpen is aan dezelfde regels voor de belastingheffing over inkomen als personen zoals beschreven in het vierde lid;

    • g. het inkomen, dat is verkregen in de andere Staat, is verkregen in samenhang met of als bijkomstige voordeel van de actieve bedrijfsmatige activiteiten bedoeld in letter b;

    Indien aan de vereisten met betrekking tot het bruto-inkomen van de letters b, c of d van dit lid niet is voldaan, wordt geacht hieraan te zijn voldaan wanneer aan die vereisten wel wordt voldaan door het gemiddelde te nemen van het bruto-inkomen van de voorafgaande vier jaar.

  • 6 Een persoon die inwoner is van een van de Staten, die uit de andere Staat voordelen verkrijgt als genoemd in artikel 8 (Scheepvaart en Luchtvaart) en die op grond van de voorgaande leden geen recht heeft op de voordelen van deze Overeenkomst, heeft desalniettemin recht op de voordelen van deze Overeenkomst ten aanzien van die voordelen indien:

    • a. meer dan 50 percent van het belang als uiteindelijke gerechtigde in die persoon (of ingeval van een lichaam, meer dan 50 percent van de waarde van de aandelen van dat lichaam) middellijk of onmiddellijk eigendom is van gekwalificeerde personen of natuurlijke personen die inwoner zijn van een derde staat; of

    • b. in geval van een lichaam, de aandelen van dat lichaam voornamelijk en regelmatig verhandeld worden op een gevestigde markt voor waardepapieren in een derde staat, mits die derde staat een vrijstelling verleent onder soortgelijke voorwaarden voor voordelen als genoemd in artikel 8 van deze Overeenkomst aan staatsburgers en rechtspersonen van de andere Staat hetzij op grond van zijn nationale wetgeving of in onderlinge overeenstemming met die andere Staat of op grond van een overeenkomst tussen die derde staat en de andere Staat.

  • 7 Een persoon die inwoner is van een van de Staten en die op grond van de voorgaande leden geen recht heeft op enkele of alle voordelen van deze Overeenkomst kunnen voordelen van deze Overeenkomst desalniettemin worden toegekend indien de bevoegde autoriteit van de Staat waaruit het desbetreffende inkomen afkomstig is, dit bepaalt. Bij deze bepaling houdt de bevoegde autoriteit als haar richtlijn rekening met de vraag of hetzij de oprichting, verwerving of instandhouding van die persoon, hetzij de uitoefening van zijn activiteiten, als een van de voornaamste doelstellingen het verkrijgen van de voordelen van deze Overeenkomst heeft of had. De bevoegde autoriteit van de Staat waaruit het inkomen afkomstig is, raadpleegt de bevoegde autoriteit van de andere Staat alvorens zij op grond van dit lid de voordelen van de Overeenkomst onthoudt.

  • 8 Bij de toepassing van dit artikel gelden de volgende bepalingen en definities:

    • a. De uitdrukking „erkende effectenbeurs” betekent:

      • i. het NASDAQ-systeem en elke effectenbeurs die voor de toepassing van de Securities Exchange Act van 1934 bij de Security and Exchange Commission in de Verenigde Staten is geregistreerd als een nationale beurs op het gebied van waardepapieren;

      • ii. de Amsterdamse effectenbeurs en elke andere effectenbeurs die onder toezicht staat van de Autoriteit Financiële Markten (of zijn opvolger) in Nederland;

      • iii. De Ierse effectenbeurs, de Zwitserse effectenbeurs en de effectenbeurzen van Brussel, Frankfurt, Hamburg, Johannesburg, Londen, Madrid, Milaan, Parijs, Stockholm, Sydney, Tokio, Toronto en Wenen; en

      • iv. elke andere effectenbeurs die de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van dit artikel erkennen;

    • b.

      • i. De uitdrukking „voornaamste soort aandelen” betekent de gewone of normale aandelen van het lichaam, mits die soort aandelen de meerderheid van het totale aantal stemmen in en van de waarde van het lichaam vertegenwoordigt. Indien geen enkele soort gewone of normale aandelen de meerderheid van het totale aantal stemmen in en van de waarde van het lichaam vertegenwoordigt, dan betekent de uitdrukking „voornaamste soort aandelen” die soort of die soorten aandelen die in totaal een meerderheid van het totale aantal stemmen in en van de waarde van de lichaam vertegenwoordigen.

      • ii. De uitdrukking „aandelen” omvat certificaten en trustcertificaten daarvan;

    • c. De uitdrukking „disproportionate class of shares” betekent elke soort aandelen in een lichaam dat inwoner is van een van de Staten die de aandeelhouder recht geeft op een onevenredig hoger aandeel, door middel van dividend, afkoopsommen of op andere wijze, in het inkomen dat in het andere Staat wordt gegenereerd door bepaalde activa of activiteiten van het lichaam;

    • d. Een lichaam heeft geen reële aanwezigheid in de Staat waarvan het inwoner is indien:

      • i.

        • A. het totale volume van de handel in aandelen van een dergelijk lichaam op erkende effectenbeurzen die in de andere Staat zijn gevestigd groter is dan het totale volume van de handel in die aandelen op erkende effectenbeurzen in de primaire economische zone van dat lichaam, of

        • B. de aandelen van het lichaam worden niet verhandeld op enige erkende effectenbeurs die gevestigd is in de primaire economische zone van de Staat waarvan het lichaam inwoner is, of de handel op een dergelijke effectenbeurs of op dergelijke effectenbeurzen minder bedraagt dan 10 percent van de totale wereldwijde handel in aandelen van een dergelijk lichaam; en

      • ii. de voornaamste plaats van waaruit het lichaam wordt geleid en bestuurd niet ligt in de Staat waarvan het lichaam inwoner is;

    • e. Bij de vaststellingen bedoeld in letter (d),

      • i. mag, voor de toepassing van onderdeel i) daarvan, het lichaam gebruik maken van de gemiddelde handelsvolumes van de drie voorafgaande jaren;

      • ii. omvat de primaire economische zone van Nederland de lidstaten van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte. De primaire economische zone van de Verenigde Staten omvat de staten die partij zijn bij de Noord Amerikaanse Vrijhandels Associatie; en

      • iii. ligt de voornaamste plaats van waaruit het lichaam wordt geleid en bestuurd uitsluitend in de Staat waarvan het lichaam inwoner is indien de „executive officers and senior management employees” hun dagelijkse verantwoordelijkheden voor strategische, financiële en operationele beleidsbeslissingen voor het lichaam (inclusief haar directe en indirecte deelnemingen) meer in die Staat uitoefenen dan in enige andere Staat en de staven meer van de dagelijkse activiteiten die nodig zijn om die beslissingen voor te bereiden en te maken verrichten in die Staat dan in enige andere Staat.

    • f. een gelijkwaardige gerechtigde („equivalent beneficiary”) is een inwoner van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, of van een Staat die partij is bij de Noord Amerikaanse Vrijhandels Associatie, evenwel uitsluitend indien die inwoner:

      • i.

        • A. gerechtigd zou zijn tot alle voordelen van een algemene overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting tussen enige lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, of van een Staat die deel uitmaakt van de Noord Amerikaanse Vrijhandels Associatie en de Staat ter zake waarvan aanspraak wordt gemaakt op de voordelen van deze Overeenkomst op grond van bepalingen die overeenkomen met letter a, b, c onder i, d of e van het tweede lid van dit artikel, met dien verstande dat indien een dergelijke overeenkomst geen algemeen artikel inzake beperkingen van voordelen bevat, die persoon wordt aangemerkt als een gekwalificeerde persoon op grond van letter a, b, c onder i, d of e van het tweede lid van dit artikel indien die persoon op grond van artikel 4 (Inwoner) van deze Overeenkomst inwoner zou zijn van een van de Staten; en

        • B. ten aanzien van de inkomsten als bedoeld in de artikelen 10 (Dividenden), 11 (Belastingheffing van vaste inrichtingen), 12 (Interest) of 13 (Royalty's) van deze Overeenkomst, op grond van een dergelijke overeenkomst gerechtigd zou zijn tot een belastingtarief ten aanzien van een afzonderlijke soort inkomsten waarvoor op grond van deze Overeenkomst aanspraak wordt gemaakt op voordelen, dat ten minste zo laag is als het tarief dat van toepassing is op grond van deze Overeenkomst; of

      • ii. inwoner is van een Staat die een gekwalificeerde persoon is op grond van letter a, b, c onder i, d of e van het tweede lid van dit artikel.

        Met het oog op de toepassing van het derde lid van artikel 10 (Dividenden) wordt, teneinde vast te stellen of een persoon die, onmiddellijk of middellijk, aandelen bezit in een lichaam dat aanspraak maakt op de voordelen van deze overeenkomst een gelijkwaardige gerechtigde („equivalent beneficiary”) is, een dergelijk persoon geacht hetzelfde stemrecht te hebben in het lichaam dat de dividenden uitkeert als het lichaam dat aanspraak maakt op de voordelen in een dergelijk lichaam;

    • g. ten aanzien van dividenden, interest en royalty's afkomstig uit Nederland waartoe een lichaam dat inwoner is van de Verenigde Staten uiteindelijk gerechtigd is, wordt een lichaam dat inwoner is van een lidstaat van de Europese Unie behandeld alsof voldaan wordt aan de vereisten van letter f, onder i)B) teneinde vast te stellen of een dergelijke inwoner van de Verenigde Staten op grond van dit lid aanspraak kan maken op voordelen indien een betaling van dividenden, interest of royalty's afkomstig uit Nederland direct aan een dergelijke inwoner van een lidstaat van de Europese Unie wordt betaald vrijgesteld zou zijn van enige belastingheffing op grond van een richtlijn van de Europese Unie, niettegenstaande het feit dat een overeenkomst met betrekking tot belastingen naar het inkomen tussen Nederland en die andere lidstaat van de Europese Unie zou voorzien in een hoger belastingtarief ten aanzien van dergelijke betalingen dan het belastingtarief dat van toepassing is op een dergelijk lichaam dat inwoner is van de Verenigde Staten, op grond van artikel 10 (Dividenden), 12 (Interest), of 13 (Royalty's) van deze Overeenkomst;

    • h. voor de toepassing van het tweede lid van dit artikel worden de aandelen van een bepaalde aandelensoort in een belastingjaar aangemerkt als regelmatig te worden verhandeld op een of meer van de erkende effectenbeurzen indien gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat eindigt op de dag voordat het belastingjaar begint het totale aantal aandelen van die soort die verhandeld wordt op die effectenbeurs of beurzen ten minste 6 percent beloopt van het gemiddelde aantal van die soort geplaatste aandelen gedurende dat tijdvak van twaalf maanden.

Artikel 27. Werkzaamheden buitengaats

  • 1 De bepalingen van dit artikel vinden toepassing niettegenstaande enige andere bepalingen van deze Overeenkomst. Dit artikel vindt echter geen toepassing indien werkzaamheden buitengaats van een persoon voor die persoon een vaste inrichting vormen ingevolge de bepalingen van artikel 5 (Vaste Inrichting) of een vast middelpunt ingevolge de bepalingen van artikel 15 (Zelfstandige Arbeid).

  • 2 In dit artikel betekent de uitdrukking „werkzaamheden buitengaats" werkzaamheden die buitengaats worden verricht in verband met de exploratie of exploitatie van de in een van de Staten gelegen zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen.

  • 3 Een onderneming van een van de Staten die in de andere Staat werkzaamheden buitengaats verricht, wordt onder voorbehoud van het vierde lid geacht ter zake van die werkzaamheden in die andere Staat een bedrijf uit te oefenen door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, tenzij de desbetreffende werkzaamheden buitengaats in de andere Staat worden verricht gedurende een tijdvak of tijdvakken die in een kalenderjaar een totaal van 30 dagen niet te boven gaan. Voor de toepassing van dit lid wordt:

    • a. indien een onderneming die in de andere Staat werkzaamheden buitengaats verricht en die is gelieerd aan een andere onderneming, welke andere onderneming als onderdeel van hetzelfde project dezelfde werkzaamheden buitengaats voortzet die worden of werden uitgevoerd door de eerstbedoelde onderneming, en de hiervoor bedoelde door beide ondernemingen verrichte activiteiten bij elkaar opgeteld een tijdvak van 30 dagen te boven gaan, elke onderneming geacht zijn werkzaamheden uit te oefenen gedurende een tijdvak dat 30 dagen in een kalenderjaar te boven gaat;

    • b. een onderneming geacht gelieerd te zijn aan een andere onderneming indien de een onmiddellijk of middellijk ten minste een derde deel van het kapitaal van de andere onderneming bezit of indien een persoon onmiddellijk of middellijk ten minste een derde deel van het kapitaal van beide ondernemingen bezit.

  • 4 Voor de toepassing van het derde lid wordt de uitdrukking „werkzaamheden buitengaats" evenwel geacht niet te omvatten:

    • a. een van de activiteiten of een combinatie daarvan als bedoeld in het vierde lid van artikel 5 (Vaste Inrichting);

    • b. sleep- of ankerwerkzaamheden door schepen die in de eerste plaats voor dat doel zijn ontworpen alsmede andere door zulke schepen verrichte activiteiten;

    • c. het vervoer van voorraden of personeel door schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer.

  • 5 Een inwoner van een van de Staten die in het kader van een vrij beroep of van andere werkzaamheden van zelfstandige aard in de andere Staat werkzaamheden buitengaats verricht, wordt geacht deze werkzaamheden te verrichten vanuit een vast middelpunt in de andere Staat indien de desbetreffende werkzaamheden buitengaats een aaneengesloten periode van 30 dagen of meer beslaan.

  • 6 Salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van een dienstbetrekking in verband met werkzaamheden buitengaats die worden verricht door middel van een vaste inrichting in de andere Staat, mogen, voor zover de dienstbetrekking in de andere Staat buitengaats wordt uitgeoefend, in die andere Staat worden belast.

  • 7 Indien aan de hand van bewijsstukken wordt aangetoond dat in de Verenigde Staten belasting is betaald over de bestanddelen van het inkomen die ingevolge artikel 7 (Winst uit Onderneming) of artikel 15 (Zelfstandige Arbeid) in verband met het derde onderscheidenlijk het vijfde lid van dit artikel en overeenkomstig het zesde lid van dit artikel in de Verenigde Staten mogen worden belast, verleent Nederland een vermindering op zijn belasting, die wordt berekend overeenkomstig de regels die zijn neergelegd in het tweede lid van artikel 25 (Vermijding van Dubbele Belasting).

Artikel 28. Non -discriminatie

  • 1 Onderdanen van een van de Staten worden in de andere Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen. Deze bepaling is, niettegenstaande het bepaalde in artikel 1 (Algemene Reikwijdte), ook van toepassing op personen die geen inwoner zijn van een of van beide Staten. Voor de toepassing van de belasting van de Verenigde Staten verkeert een onderdaan van de Verenigde Staten die geen inwoner is van de Verenigde Staten echter niet in dezelfde omstandigheden als een Nederlands onderdaan die geen inwoner is van de Verenigde Staten.

  • 2 De belastingheffing van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, is in die andere Staat niet ongunstiger dan de belastingheffing van ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen. Deze bepaling mag niet zo worden uitgelegd, dat zij een van de Staten verplicht aan inwoners van de andere Staat bij de belastingheffing de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de samenstelling van het gezin of gezinslasten te verlenen, die eerstbedoelde Staat aan zijn eigen inwoners verleent.

  • 3 Behalve indien de bepalingen van het eerste lid van artikel 9 (Gelieerde Ondernemingen), het vijfde lid van artikel 12 (Interest), of het vierde lid van artikel 13 (Royalty's), van toepassing zijn, zijn interest, royalty's en andere uitgaven, betaald door een inwoner van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat, bij de vaststelling van de belastbare winst van de eerstbedoele inwoner onder dezelfde voorwaarden aftrekbaar als wanneer zij betaald waren aan een inwoner van de eerstbedoelde Staat.

  • 4 Ondernemingen van een van de Staten, waarvan het kapitaal geheel of ten dele, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere Staat, worden in de eerstbedoelde Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan andere soortgelijke ondernemingen van de eerstbedoelde Staat zijn of kunnen worden onderworpen.

  • 5 Niets in dit artikel mag zo worden uitgelegd, dat de toepassing door elk der Staten van de belasting op voordelen van vaste inrichtingen als omschreven in artikel 11 (Belastingheffing van Vaste Inrichtingen) wordt voorkomen of beperkt.

  • 6 De bepalingen van dit artikel zijn, niettegenstaande de bepalingen van artikel 2 (Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is), van toepassing op belastingen van elke soort en benaming opgelegd door een van de Staten, of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan.

Artikel 29. Regeling voor onderling overleg

  • 1 Indien een persoon van oordeel is dat de maatregelen van een of van beide Staten voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze Overeenkomst, kan hij, ongeacht de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die Staten voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de Staat waarvan hij inwoner of onderdaan is.

  • 2 De bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar haar gegrond voorkomt en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van de andere Staat te regelen ten einde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met de Overeenkomst, te vermijden. De overeengekomen regeling wordt uitgevoerd niettegenstaande de verjaringstermijnen of andere procedurele beperkingen in de nationale wetgeving van de Staten, mits de bevoegde autoriteit van de andere Staat binnen zes jaren vanaf het einde van het belastingjaar waarop de aangelegenheid betrekking heeft op de hoogte is gebracht van het bestaan van die aangelegenheid.

  • 3 De bevoegde autoriteiten van de Staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of toepassing van de Overeenkomst in onderling overleg op te lossen. In het bijzonder kunnen de bevoegde autoriteiten overeenstemming bereiken over:

    • a. dezelfde toerekening van inkomen, aftrekposten, verrekeningen of tegemoetkomingen van een onderneming van een van de Staten aan diens in de andere Staat gevestigde vaste inrichting;

    • b. dezelfde verdeling van inkomen, aftrekposten, verrekeningen of tegemoetkomingen tussen personen;

    • c. dezelfde typering van bepaalde vormen van inkomen;

    • d. dezelfde toepassing van bronbepalingen voor bepaalde vormen van inkomen;

    • e. een gemeenschappelijke betekenis van een uitdrukking;

    • f. verhogingen van de specifieke bedragen waarnaar in de Overeenkomst wordt verwezen teneinde de economische en monetaire ontwikkelingen weer te geven;

    • g. de toepassing van bepalingen uit het nationale recht betreffende straffen, boetes en interest op een wijze overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst.

    De bevoegde autoriteiten kunnen elkaar tevens raadplegen voor de vermijding van dubbele belasting voor gevallen waarin niet door de Overeenkomst is voorzien.

  • 4 De bevoegde autoriteiten van de Staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen ten einde een overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken.

  • 5 Wanneer moeilijkheden of twijfelpunten met betrekking tot de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst niet opgelost kunnen worden door de bevoegde autoriteiten in een onderlinge overlegprocedure ingevolge de voorgaande leden van dit artikel, kan de aangelegenheid, als beide bevoegde autoriteiten en de belastingplichtige(n) daarmee instemmen, worden voorgelegd voor arbitrage, mits de belastingplichtige er schriftelijk mee instemt te zijn gebonden door de beslissing van de arbitragecommissie. De beslissing van de arbitragecommissie in een bepaalde aangelegenheid is voor die aangelegenheid bindend voor beide Staten. De bepalingen van dit lid zijn van toepassing nadat de Staten zulks zijn overeengekomen door middel van een van diplomatieke-notawisseling.

  • 6 Wanneer de bevoegde autoriteit van een van de Staten zich ervan bewust wordt dat de wetgeving van een van de Staten is of kan worden toegepast op een wijze die de volledige toepassing van deze Overeenkomst belemmert, stelt deze bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteit van de andere Staat zo snel mogelijk daarvan in kennis. Op verzoek van een van de Staten overleggen de bevoegde autoriteiten met elkaar met het oog op een volledige toepassing van deze Overeenkomst. Het overleg zoals omschreven in dit lid dient aan te vangen binnen zes maanden na de datum waarop de bevoegde autoriteit van de eerstbedoelde Staat een kennisgeving deed toekomen aan de bevoegde autoriteit van de andere Staat.

Artikel 30. Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand

  • 1 De bevoegde autoriteiten van de Staten wisselen de inlichtingen uit die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze Overeenkomst of van de nationale wetgeving van de Staten met betrekking tot belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is, voor zover de belastingheffing op grond daarvan niet in strijd is met de Overeenkomst, waaronder begrepen inlichtingen nodig voor de vaststelling en de invordering van, de administratie en de tenuitvoerlegging terzake van, de gerechtelijke vervolging voor een administratiefrechtelijke autoriteit of het instellen van een gerechtelijke vervolging voor een gerechtelijk lichaam, of de beslissing in beroepszaken met betrekking tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is. De uitwisseling van inlichtingen wordt niet beperkt door artikel 1 (Algemene Reikwijdte). Alle door een van de Staten ontvangen inlichtingen worden op dezelfde wijze geheim gehouden als inlichtingen die op grond van de nationale wetgeving van die Staat zijn verkregen en worden alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke instanties en administratiefrechtelijke lichamen) die betrokken zijn bij de bovenbedoelde functies met betrekking tot de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is. Deze personen of autoriteiten mogen van de inlichtingen alleen voor deze doeleinden gebruik maken. Zij mogen de inlichtingen bekend maken in openbare rechtszittingen of in rechterlijke beslissingen. Een Staat mag inlichtingen die op basis van deze Overeenkomst zijn verkregen slechts als bewijs voor een rechter in strafzaken gebruiken indien daartoe vooraf goedkeuring is verleend door de bevoegde autoriteit die de inlichtingen heeft verstrekt. De bevoegde autoriteiten kunnen echter onderling overeenkomen af te zien van de voorwaarde van voorafgaande goedkeuring.

  • 2 Wanneer op basis van dit artikel door een van de Staten om inlichtingen is verzocht, verzamelt de andere Staat de inlichtingen waarop het verzoek betrekking heeft op dezelfde wijze en in dezelfde mate als wanneer de belasting van de eerstbedoelde Staat een belasting van die andere Staat zou zijn en zou zijn geheven door de andere Staat. Wanneer daar door de bevoegde autoriteit van een Staat uitdrukkelijk om is verzocht, tracht de bevoegde autoriteit van de andere Staat de inlichtingen te verschaffen in de vorm van getuigenverklaringen, gewaarmerkte afschriften van onbewerkte oorspronkelijke documenten (met inbegrip van boeken, documenten, verklaringen, bestanden, rekeningen en geschriften) voor zover die verklaringen en documenten verkregen kunnen worden op grond van de wetgeving en de administratieve praktijk van die andere Staat met betrekking tot haar eigen belastingen.

  • 3 De Staten kunnen aan de arbitragecommissie, ingesteld volgens de bepalingen van het vijfde lid van artikel 29 (Regeling voor Onderling Overleg), de inlichtingen verstrekken die nodig zijn om de arbitrageprocedure te volbrengen. Deze inlichtingen worden verstrekt met inachtneming van de bepalingen van artikel 32 (Beperking van artikelen 30 en 31) en van het tweede lid van dit artikel. De leden van de arbitragecommissie zijn met betrekking tot de aldus verstrekte inlichtingen onderworpen aan de beperkingen van openbaarmaking als omschreven in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 31. Hulp en bijstand bij invordering

  • 1 De Staten nemen op zich elkaar hulp en bijstand te verlenen bij de inning van belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst zijn, met inbegrip van interest, kosten, verhogingen van belasting en boeten van niet-strafrechtelijke aard.

  • 2 In geval van verzoeken tot invordering van belasting kunnen onherroepelijk vaststaande belastingvorderingen van een van de Staten door de andere Staat ter invordering worden aanvaard en in die Staat worden geïnd overeenkomstig de wetten die van toepassing zijn op de invordering en de inning van zijn eigen belastingen. De aangezochte Staat is niet gehouden over te gaan tot maatregelen van executie waarin de wet van de verzoekende Staat niet voorziet.

  • 3 Elk verzoek gaat vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat volgens de wetten van de verzoekende Staat de belastingen onherroepelijk zijn komen vast te staan.

  • 4 De hulp als bedoeld in dit artikel wordt niet verleend ten aanzien van de staatsburgers, rechtspersonen of andere entiteiten van de aangezochte Staat, behalve in die gevallen waarin in onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de Staten is vastgesteld dat de vrijstelling die of het verlaagde tarief van de belasting dat op grond van deze Overeenkomst aan die staatsburgers, rechtspersonen en andere entiteiten is toegekend, is genoten door personen die niet tot die voordelen gerechtigd zijn.

Artikel 32. Beperking van de artikelen 30 en 31

  • 1 In geen geval worden de bepalingen van artikel 30 (Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand) en artikel 31 (Hulp en bijstand bij invordering) zo uitgelegd dat zij een van de Staten de verplichting opleggen:

    • a. administratieve maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving of de administratieve praktijk van die of van de andere Staat;

    • b. inlichtingen te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn krachtens de wetgeving of in de normale gang van zaken in de administratie van die of van de andere Staat;

    • c. inlichtingen te verstrekken die een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze zouden onthullen, of inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, zijn de bevoegde autoriteiten van beide Staten bevoegd inlichtingen te verzamelen en te verstrekken die in het bezit zijn van financiële instellingen, gevolmachtigden of personen die bij wijze van vertegenwoordiging of als vertrouwenspersoon optreden of inlichtingen te verzamelen en verstrekken over personen die belangen in een andere persoon houden, met inbegrip van aandelen aan toonder, ongeacht de wetten of praktijken in de Staat die het verkrijgen van dergelijke informatie anders zouden beletten.

  • 3 De bepalingen van deze Overeenkomst verplichten een Staat niet inlichtingen te verzamelen of te verstrekken waardoor vertrouwelijke communicatie tussen een cliënt en een advocaat, notaris of een andere erkende juridische vertegenwoordiger zou worden onthuld indien dergelijke communicatie:

    • a. plaatsvindt ten behoeve van het verzoeken om of verstrekken van juridisch advies; of

    • b. plaatsvindt ten behoeve van bestaande of mogelijk in te stellen gerechtelijke procedures.

Artikel 33. Diplomatieke en consulaire ambtenaren

  • 1 De bepalingen van deze Overeenkomst tasten in geen enkel opzicht de fiscale voorrechten aan die diplomatieke of consulaire ambtenaren ontlenen aan de algemene regels van het internationale recht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten.

  • 2 Voor de toepassing van de Overeenkomst wordt een natuurlijke persoon die lid is van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een van de Staten in de andere Staat of in een derde Staat en die onderdaan is van de zendstaat, geacht inwoner van de zendstaat te zijn, echter alleen indien hij daarin aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen is onderworpen als inwoners van die Staat.

  • 3 De Overeenkomst is niet van toepassing op internationale organisaties, hun organen en functionarissen, noch op natuurlijke personen die lid zijn van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een derde Staat die in een van de Staten verblijven, en die in geen van beide Staten aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen zijn onderworpen als inwoners van die Staten.

Artikel 34. Uitvoeringsvoorschriften

  • 1 De bevoegde autoriteiten van de Staten kunnen in onderlinge overeenstemming de wijze van toepassing regelen van de artikelen 10 (Dividend), 11 (Belastingheffing van Vaste Inrichtingen), 12 (Interest), 13 (Royalty's) en 26 (Beperking van Voordelen).

  • 2 Ten aanzien van de bepalingen van deze Overeenkomst met betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen en de wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingen, kunnen de bevoegde autoriteiten in gemeenschappelijk overleg regels vaststellen betreffende procedurele aangelegenheden, de formulieren voor aanvragen en voor antwoorden daarop, de omrekening van de munteenheid, de beschikking over de geïnde bedragen, het minimum van de voor invordering in aanmerking komende bedragen en daarmede verband houdende aangelegenheden.

  • 3 De bevoegde autoriteiten van elk van de Staten kunnen, in overeenstemming met het gebruik van die Staat, uitvoeringsvoorschriften vaststellen die nodig zijn om de overige bepalingen van deze Overeenkomst uit te voeren.

  • 4 Indien aan de bron belasting is geheven die het belastingbedrag dat ingevolge de bepalingen van de artikelen 10 (Dividend), 12 (Interest) of 13 (Royalty's) mag worden geheven te boven gaat, moeten verzoeken om teruggaaf van het daarboven uitgaande belastingbedrag worden ingediend bij de bevoegde autoriteit van de Staat die de belasting heeft geheven, binnen drie jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de belasting is geheven.

Artikel 35. Vrijgestelde pensioenfondsen

  • 1 Onder voorbehoud van de bepalingen van het tweede lid zijn voordelen als bedoeld in de artikelen 10 (Dividend) en 12 (Interest) verkregen door een fonds, een lichaam, of een andere organisatie, opgericht en uitsluitend werkzaam voor het beheer of het verstrekken van voordelen uit hoofde van een of meer fondsen of regelingen, ingesteld voor het verstrekken van pensioenuitkeringen of andere werknemersvoordelen, vrijgesteld van belasting in een van de Staten indien dat fonds, dat lichaam of die organisatie volgens de wetgeving van de andere Staat inwoner is van die andere Staat en zijn inkomen in die andere Staat algemeen is vrijgesteld van belasting.

  • 2 De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing ten aanzien van de voordelen die een fonds, lichaam of andere organisatie behaalt met het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten of verkrijgt van een gelieerde persoon niet zijnde een in het eerste lid genoemde persoon.

    De bepalingen van het eerste lid zijn evenmin van toepassing ten aanzien van dividenden betaald door een persoon die inwoner is van de Verenigde Staten en die een Real Estate Investment Trust is uit voordelen verkregen uit de vervreemding van in de Verenigde Staten gelegen onroerende zaken.

Artikel 36. Vrijgestelde organisaties

  • 1 Een trust, lichaam of andere organisatie die of dat volgens de wetgeving van een van de Staten inwoner is van die Staat en uitsluitend werkzaam is voor godsdienstige, liefdadige, wetenschappelijke, opvoedkundige of openbare doeleinden is vrijgesteld van belasting in de andere Staat ten aanzien van inkomensbestanddelen indien en voor zover

    • a. die trust, dat lichaam of die andere organisatie in de eerstbedoelde Staat is vrijgesteld van belasting; en

    • b. die trust, dat lichaam of die andere organisatie in de andere Staat vrijgesteld zou zijn van belasting ten aanzien van die inkomensbestanddelen indien de trust, het lichaam of de andere organisatie in die andere Staat zou zijn opgericht en aldaar al zijn of haar activiteiten zou verrichten.

  • 2 De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing ten aanzien van de voordelen die een trust, lichaam of andere organisatie behaalt met het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten of verkrijgt van een gelieerde persoon niet zijnde een in het eerste lid genoemde persoon.

  • 3 De bevoegde autoriteiten van de Staten ontwikkelen in onderling overleg procedures voor de toepassing van dit artikel.

HOOFDSTUK VI. SLOTBEPALINGEN

Artikel 37. Inwerkingtreding

  • 1 Deze Overeenkomst treedt in werking dertig dagen na de laatste der beide data waarop de onderscheiden Regeringen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld, dat aan de in hun onderscheiden Staten constitutioneel vereiste formaliteiten is voldaan, en de bepalingen ervan vinden toepassing voor de belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen, of in het geval van aan de bron geheven belastingen, voor betalingen die zijn gedaan, op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de datum waarop de Overeenkomst in werking is getreden.

  • 2 Niettegenstaande het eerste lid blijft het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten met betrekking tot belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen, ondertekend te Washington op 29 april 1948, gewijzigd als neergelegd in het op 1 december 1948 te Washington ondertekende Protocol van Uitwisseling van Bekrachtigingsoorkonden, en vervolgens gewijzigd en aangevuld bij het op 30 december 1965 te Washington ondertekende Aanvullende Verdrag („eerdere Verdrag"), in zijn geheel van toepassing gedurende een periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop anders ingevolge het eerste lid de bepalingen van deze Overeenkomst van toepassing zouden zijn, indien een persoon die gerechtigd was tot de voordelen van het eerdere Verdrag op grond van het eerdere Verdrag een grotere vermindering van belasting zou zijn verleend dan op grond van deze Overeenkomst, indien deze persoon daarvoor kiest.

  • 3 Onder voorbehoud van het vierde lid houdt het eerdere Verdrag op van toepassing te zijn wanneer de bepalingen van deze Overeenkomst van toepassing worden in overeenstemming met het eerste en tweede lid.

  • 4 Deze Overeenkomst heeft geen gevolgen voor enige van kracht zijnde overeenkomst die de toepassing van het op 29 april 1948 te Washington ondertekende Verdrag in overeenstemming met Artikel XXVII daarvan uitbreidt.

Artikel 38. Beëindiging

Deze Overeenkomst blijft van kracht totdat zij door een van de Staten wordt beëindigd. Elk van de Partijen kan de Overeenkomst langs diplomatieke weg beëindigen door ten minste zes maanden voor het einde van enig kalenderjaar na het verstrijken van een tijdvak van vijf jaar na de datum van haar inwerkingtreding een kennisgeving van beëindiging te doen. In dat geval houdt de Overeenkomst op van toepassing te zijn voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen, of in het geval van aan de bron geheven belastingen, voor betalingen die zijn gedaan, na het einde van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben getekend,

GEDAAN te Washington D.C. de achttiende december 1992, in tweevoud, in de Nederlandse en de Engelse taal, zijnde de twee teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) J. H. MEESMAN

Voor de Regering van de Verenigde Staten van Amerika,

(w.g.) EUGENE J. MCALLISTER

Nr. I

DEPARTMENT OF STATE

WASHINGTON

Washington D.C., December 18, 1992

Excellentie,

Ik heb de eer te verwijzen naar de heden ondertekende Overeenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en namens de Regering van de Verenigde Staten van Amerika het volgende voor te stellen:

Beide Regeringen bevestigen dat hun onderscheiden landen het beginsel erkennen dat de Overeenkomst, wanneer deze in werking is getreden, beide partijen bindt, en dat de Overeenkomst door hen in goed vertrouwen en in overeenstemming met de algemeen aanvaarde regels van het internationale recht moet worden toegepast. De Regeringen bevestigen voorts dat zij erkennen dat zij de invoering of interpretatie van wetgeving of andere nationale maatregelen, die de nakoming van hun verplichtingen op grond van de Overeenkomst voorkomt, moeten vermijden.

Anderzijds onderkennen beide Regeringen de mogelijkheid dat belangrijke wijzigingen in de nationale belastingwetgeving gevolgen kunnen hebben voor de implementatie van de Overeenkomst. De Regeringen zijn het er in beginsel over eens dat in zulke gevallen een passende wijziging van de Overeenkomst nodig zou kunnen zijn. Of en in welke mate zulk een wijziging nodig en aanvaardbaar is, zal worden vastgesteld in overleg en onderhandelingen tussen de twee Regeringen.

Bovendien geeft de Regering van de Verenigde Staten aan de Regering van Nederland de verzekering dat, wanneer een staat van of een lokale overheid in de Verenigde Staten voornemens is belasting te heffen over de inkomsten van een scheep- of luchtvaartmaatschappij die is gevestigd in Nederland, in omstandigheden waarin de Overeenkomst een federale inkomstenbelasting over die inkomsten zou uitsluiten, de Verenigde Staten zich met de staat of lokale overheid die voornemens is de belasting te heffen, in verbinding zullen stellen en zullen trachten die regering ervan te overtuigen af te zien van de belastingheffing.

Tenslotte hebben de onderhandelaars in de loop van de onderhandelingen die hebben geleid tot het sluiten van de heden ondertekende Overeenkomst een Memorandum van Overeenstemming opgesteld en hieromtrent overeenstemming bereikt, dat bedoeld is als richtlijn voor zowel de belastingplichtigen als de belastingautoriteiten van onze twee landen bij de interpretatie van diverse bepalingen die in de Overeenkomst zijn opgenomen. Het is het standpunt van mijn Regering dat, naarmate wij beide meer ervaring opdoen bij het uitvoeren van de Overeenkomst, de bevoegde autoriteiten in het kader van een regeling voor onderling overleg op grond van artikel 29 van de Overeenkomst wijzigingen op de overeenstemming en de interpretaties zoals neergelegd in het aangehechte Memorandum van Overeenstemming kunnen formuleren en publiceren.

Indien de bovengenoemde overeenstemming en interpretaties van de diverse bepalingen zoals neergelegd in het Memorandum van Overeenstemming de goedkeuring van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden heeft kunnen wegdragen, dan vormt deze Nota en uw Nota in antwoord hierop een gemeenschappelijke en bindende overeenkomst tussen onze Regeringen ten aanzien van de Overeenkomst en de rol van het Memorandum van Overeenstemming met betrekking tot de Overeenkomst.

Gelief, Excellentie, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

Voor de Minister van Buitenlandse Zaken

(w.g.) EUGENE J. MCALLISTER

Zijne Excellentie

Mr. Hans Meesman

Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden

Nr. II

Washington D.C., 18 december 1992

Excellentie,

Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van uw Nota van heden die als volgt luidt:

[Red: (zoals in Nr. I)]

Ik heb de eer u mede te delen dat mijn Regering met het vorenstaande akkoord gaat.

Gelief, Excellentie, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

J. H. MEESMAN

Hans Meesman

Ambassadeur van

het Koninkrijk der Nederlanden

Zijne Excellentie Lawrence S. Eagleburger

Minister van Buitenlandse Zaken van

de Verenigde Staten van Amerika

Overeenstemming betreffende de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, ondertekend op 18 december 1992 en gewijzigd bij de protocollen ondertekend op 13 oktober 1993 en 8 maart 2004

I. Met betrekking tot het eerste lid van artikel 4 (Inwoner)

  • a. Het is wel te verstaan dat voor de toepassing van de Overeenkomst de Regering van een van de Staten, de staatkundige onderdelen of de plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, dienen te worden beschouwd als inwoners van die Staat.

  • b. Het is wel te verstaan dat een lichaam dat ingevolge het nationale recht van een Staat inwoner is of zou zijn van die Staat voor de uitvoering van de Overeenkomst niet wordt behandeld als inwoner van die Staat indien het ingevolge een verdrag inzake belastingen naar het inkomen tussen die Staat en een derde staat wordt behandeld als inwoner van de derde staat.

II. Met betrekking tot het vierde lid van artikel 4 (Inwoner)

Het is wel te verstaan dat, wanneer een lichaam inwoner is van Nederland ingevolge het eerste lid van artikel 4 (Inwoner) en dat lichaam, in verband met de toepassing van artikel 269B van de Internal Revenue Code, ingevolge het eerste lid van artikel 4 ook inwoner van de Verenigde Staten is, voor de toepassing van deze Overeenkomst onderwerp zal zijn van een onderlinge overlegprocedure geldt zoals nedergelegd in het vierde lid van artikel 4.

III. Met betrekking tot artikel 7 (Winst uit onderneming)

Het is wel te verstaan dat, indien een onderneming van een van de Staten een bedrijf uitoefent in de andere Staat door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting voor de toepassing van het eerste en tweede lid van artikel 7 (Winst uit onderneming), de voordelen van die vaste inrichtring niet worden bepaald op basis van het totaal van de voordelen van de onderneming, doch slechts op basis van dat deel van de voordelen van de onderneming dat aan de werkelijke activiteiten van de vaste inrichting met betrekking tot die bedrijfsuitoefening is toe te rekenen. In het bijzonder bij contracten betreffende het toezicht op, de levering, installatie of constructie van nijverheids- en handelsuitrusting en wetenschappelijke uitrusting of gebouwen, alsmede bij openbare werken, worden, indien de onderneming een vaste inrichting heeft, de voordelen van die vaste inrichting niet bepaald op basis van het totale bedrag van het contract, maar alleen dat deel van het contract dat werkelijk wordt uitgevoerd door de vaste inrichting. De voordelen die betrekking hebben op dat deel van het contract dat wordt uitgevoerd door het hoofdkantoor van de onderneming, worden niet belast in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd.

IV. Met betrekking tot artikel 9 (Gelieerde ondernemingen), artikel 12 (Interest) en artikel 29 (Regeling voor onderling overleg)

Niets in het eerste lid van artikel 9 (Gelieerde ondernemingen) of in het vijfde lid van artikel 12 (Interest) belet een van beide Staten het passende bedrag aan in aftrek toegelaten interest van een onderneming vast te stellen, niet alleen aan de hand van het bedrag van de interest met betrekking tot een bepaalde schuldvordering maar tevens aan de hand van het totale bedrag van de schuldenlast van de onderneming. In het kader van de regeling voor onderling overleg van artikel 29 (Regeling voor onderling overleg), wordt het bedrag aan in aftrek toegelaten interest vastgesteld op een wijze die in overeenstemming is met de beginselen van het eerste lid van artikel 9, in aanmerking nemend de voorwaarden in de handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen die bestaan tussen onafhankelijke ondernemingen die als willekeurige derden transacties aangaan. Die beginselen zijn uitgebreider onderzocht en toegelicht in OESO-publicaties betreffende „thin capitalization”.

V. Met betrekking tot artikel 9 (Gelieerde ondernemingen) en artikel 29 (Regeling voor onderling overleg)

In overeenstemming met het derde lid van artikel 29 (Regeling voor onderling overleg) trachten de bevoegde autoriteiten in onderling overleg elk geval van dubbele belasting te regelen dat zich voordoet door de toerekening van voordelen, aftrekposten, verrekeningen of tegemoetkomingen veroorzaakt door de toepassing van de nationale wetgeving betreffende „thin capitalization, „earnings stripping” of verrekenprijzen of van andere bepalingen die mogelijk aanleiding kunnen zijn tot dubbele belastingheffing. In deze procedure voor onderling overleg wordt de juiste toerekening van voordelen, aftrekposten, verrekeningen of tegemoetkomingen op basis van deze Overeenkomst bepaald op een wijze die in overeenstemming is met de beginselen van het eerste lid van artikel 9 (Gelieerde ondernemingen), in aanmerking nemend de voorwaarden in de handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen die bestaan tussen onafhankelijke ondernemingen die als willekeurige derden transacties aangaan. In overeenstemming met de regelingen voor onderling overleg van andere overeenkomsten betreffende inkomstenbelasting, met inbegrip van die welke door beide Staten gesloten zijn, kan een procedure op basis van artikel 29 betreffende een aanpassing van de toerekening van inkomen, aftrekposten, verrekeningen en tegemoetkomingen door een van de Staten hetzij een overeenkomstige aanpassing door de andere Staat, hetzij een gehele of gedeeltelijke herziening door de eerstbedoelde Staat van diens oorspronkelijke aanpassing tot gevolg hebben.

VI. Met betrekking tot het tweede lid, onderdeel a, en het zesde lid van artikel 10 (Dividenden)

Het is wel te verstaan dat een uiteindelijk gerechtigde van de dividenden, die depotbewijzen of trustcertificaten houdt, welke het bezit als uiteindelijk gerechtigde van de aandelen in plaats van aandelen zelf in het desbetreffende lichaam aantonen, ook een beroep kan doen op de voordelen van het tweede lid, onderdeel a, van artikel 10 (Dividenden). Bovendien is het wel te verstaan, dat ingeval een persoon aandelen (of andere rechten waarvan de voordelen voor de belastingheffing op dezelfde wijze worden behandeld als inkomsten uit aandelen) uitleent, waarbij de lener zich verplicht tot het betalen van een bedrag gelijk aan enig uitgekeerd dividend ten aanzien van de aandelen of andere uitgeleende rechten gedurende de looptijd van die lening, zulk een persoon met het oog op de toepassing van artikel 10 voor elk zodanig bedrag wordt behandeld als de uiteindelijk gerechtigde van de betaalde dividenden ten aanzien van zulke aandelen of andere rechten.

VII. Met betrekking tot artikel 10 (Dividenden) en het achtste lid, onderdeel b, onder ii, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Voor de toepassing van artikel 10 en van het achtste lid, onderdeel b, onder ii, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) is het wel te verstaan dat depotbewijzen of trustcertificaten van aandelen worden aangemerkt als omvattende de rechten die verbonden zijn aan de aandelen die zij vervangen, met inbegrip van het daaruit voortvloeiende stemrecht.

VIII. Met betrekking tot het derde lid van artikel 10 (Dividenden), het derde lid van artikel 11 (Belastingheffing van vaste inrichtingen) en het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat een inwoner die in aanmerking zou komen voor voordelen uit hoofde van het derde lid, onderdeel a, van artikel 10 (Dividenden) of artikel 11 (Belastingheffing van vaste inrichtingen), maar daar niet voor in aanmerking komt vanwege het feit dat hij de desbetreffende aandelen heeft verworven op of na 1 oktober 1998, niet wordt belet de bevoegde autoriteit uit hoofde van het derde lid, onderdeel d, van dat artikel te verzoeken om een vaststelling, mits hij tevens niet voldoet aan de vereisten van het derde lid, onderdelen b en c.

IX. Met betrekking tot het eerste lid van artikel 14 (Vermogenswinsten)

De Verenigde Staten bevestigen dat bij het vaststellen of voor de toepassing van het eerste lid van artikel 14 (Vermogenswinsten) de activa van een rechtspersoon die inwoner is van de Verenigde Staten al dan niet, middellijk of onmiddellijk, voor het grootste deel bestaan uit in de Verenigde Staten gelegen onroerende zaken, en of de aandelen van zulk een rechtspersoon, al dan niet een „United States real property interest” vormen, rekening zal worden gehouden met de redelijke waarde in het economisch verkeer van alle activa van de rechtspersoon, met inbegrip van de onlichamelijke bedrijfsactiva, zoals goodwill, ongeacht of deze voor belastingdoeleinden als activum op de balans is opgenomen, de going-concernwaarde en de intellectuele eigendom.

X. Met betrekking tot het achtste lid van artikel 14 (Vermogenswinsten)

Het is wel te verstaan dat het achtste lid van artikel 14 (Vermogenswinsten) niet van toepassing is op vervreemding van eigendommen van een inwoner van een van de Staten, indien de belasting die anders bij zulk een vervreemding door de andere Staat zou zijn geheven niet redelijkerwijs op een later tijdstip geheven of ingevorderd kan worden. Zo zou een buitenlandse rechtspersoon die ingevolge de nationale wetgeving van de Verenigde Staten aangemerkt wordt als een „United States real property holding corporation” onder sommige omstandigheden worden belast indien deze in het kader van een reorganisatie activa overbrengt naar een rechtspersoon van de Verenigde Staten. In zulk een geval kan, uitsluitend indien de aandeelhouders van zulk een buitenlandse rechtspersoon in het kader van een „closing agreement” instemmen met het verminderen van de waardegrondslag (indien en voorzover daar ruimte voor is) de belasting die anders zou zijn geheven over zulk een vervreemding redelijkerwijs worden geheven of ingevorderd op een later tijdstip.

XI. Met betrekking tot het vierde lid van artikel 19 (Pensioenen, alimentatieuitkeringen)

Het is wel te verstaan dat met de uitdrukking „andere publiekrechtelijke pensioenen”, zoals gebezigd in het vierde lid van artikel 19 (Pensioenen, lijfrenten, alimentatieuitkeringen), is bedoeld te verwijzen naar de „United States tier 1 Railroad Retirement”-uitkeringen.

XII. Met betrekking tot het zevende, achtste, negende en tiende lid van artikel 19 (Pensioenen, lijfrenten, alimentatieuitkeringen)

Het is wel te verstaan dat onder de uitdrukking „vrijgesteld pensioenfonds" tevens worden verstaan de regelingen die voor de toepassing van artikel 35 (Vrijgestelde pensioenfondsen) worden aangemerkt als vrijgestelde pensioenfondsen.

XIII. Met betrekking tot het elfde lid van artikel 19 (Pensioenen, lijfrenten, alimentatieuitkeringen)

Het is wel te verstaan dat de bevoegde autoriteiten van beide Staten zullen overleggen teneinde regels overeen te komen ter verlichting van de administratieve lasten die voortvloeien uit de waarborgen die van de vrijgestelde pensioenfondsen verplicht zijn worden gevraagd. Met deze regels wordt tevens beoogd de administratieve lasten die kunnen voortvloeien uit het Nederlandse recht voorvan de leden of uiteindelijk gerechtigden die kunnen voortvloeien uit het Nederlandse recht te verlichten.

XIV. Met betrekking tot het vierde lid van artikel 24 (Grondslag van de belastingheffing)

  • a. Het is wel te verstaan dat, indien uit hoofde van het vierde lid van artikel 24 (Grondslag van de belastingheffing) een inkomensbestanddeel door een Staat wordt aangemerkt als zijnde verkregen door een persoon die inwoner is van die Staat en dat inkomensbestanddeel door de andere Staat wordt aangemerkt als zijnde verkregen door een persoon die inwoner is van die andere Staat, dat lid geen van beide Staten belet het inkomensbestanddeel te belasten als inkomen van de persoon die door die Staat wordt aangemerkt als zijnde degene die het inkomensbestanddeel heeft verworven. Het onderstaande voorbeeld demonstreert de toepassing van de vorige alinea:

    Z, natuurlijke persoon en inwoner van Nederland, is enig aandeelhouder van Y, een Amerikaanse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (LLC). Y is eigenaar van X, een Amerikaanse rechtspersoon.

    Y heeft er krachtens de Amerikaanse entity classification rules voor gekozen belast te worden als zijnde een Amerikaanse rechtspersoon.

    Krachtens het Nederlandse recht wordt Y in deze situatie evenwel behandeld als een fiscaal transparante entiteit. Op datum A keert X $100 aan dividend uit aan Y. Op datum B keert Y $100 dividend uit aan Z. Krachtens het Nederlandse recht wordt het door X aan Y uitgekeerde dividend aangemerkt als zijnde ontvangen door Z. De twee Staten zijn overeengekomen dat in deze situatie de Verenigde Staten niet belet worden hun volledige fiscale bevoegdheid ten aanzien van Y uit te oefenen (die wordt aangemerkt als een Amerikaanse rechtspersoon) en dat de Verenigde Staten de dividenduitkeringen van X aan Y en van Y aan Z dienovereenkomstig in overeenstemming met hun nationale recht mogen belasten. Ten aanzien van de dividenduitkering van Y aan Z, wordt het belastingtarief dat op het dividend van toepassing is bepaald in overeenstemming met artikel 10.

  • b. De bevoegde autoriteit van een Staat kan de voordelen van de Overeenkomst ten aanzien van een inkomensbestanddeel toekennen aan een inwoner van de andere Staat, hoewel het uit hoofde van de wetten van die andere Staat niet wordt aangemerkt als inkomen van die inwoner in gevallen waarin het inkomen zou zijn vrijgesteld van belasting indien het zou zijn aangemerkt als het inkomen van die inwoner.

    Het onderstaande voorbeeld illustreert de toepassing van de vorige alinea:

    Z is een vrijgesteld pensioenfonds in de zin van artikel 35 (Vrijgestelde pensioenfondsen) en voor de toepassing van de Overeenkomst inwoner van Nederland. Z maakt deel uit van Y, een Amerikaanse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die er vanwege Amerikaanse fiscale doeleinden voor heeft gekozen als fiscaal transparant te worden behandeld.

    Vanwege bepaalde kenmerken is Y niet-transparant volgens Nederlands recht. Y bezit aandelen in een aantal Amerikaanse lichamen die binnenkort dividend uitkeren.

    Volgens de algemene regel van het vierde lid van artikel 24 (Grondslag van de belastingheffing), zou Z geen recht hebben op de voordelen overeenkomstig artikel 10 (Dividenden), aangezien de inkomsten verworven door Y door Nederland niet worden aangemerkt als de inkomsten van Z. De bevoegde Amerikaanse autoriteit kan evenwel bepalen dat Z wel recht heeft op de voordelen, aangezien Z ook vrijgesteld zou zijn van belastingen naar het inkomen, indien zou worden aangenomen dat Z de inkomsten wel heeft verworven.

XV. Met betrekking tot artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat met de uitdrukking „bruto-inkomen” wordt bedoeld de totale inkomsten uit de hoofdwerkzaamheden verworven door een inwoner van een Staat minus de directe kosten gemoeid met het verwerven van die inkomsten.

XVI. Met betrekking tot het tweede lid, onderdeel f, en het derde lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat het bewijs dat een in Nederland gevestigde beleggingsinstelling (beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969) heeft van het aantal van haar in Nederland gevestigde aandeelhouders – natuurlijke personen en rechtspersonen – als gevolg van de procedure die zulk een in Nederlandse gevestigde beleggingsinstelling toepast bij het verzoeken om een teruggaaf van op haar buitenlands dividend en interest ingehouden belasting op grond van het eerste lid, onderdeel b, van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, door zulk een Nederlandse beleggingsinstelling kan worden gebruikt om aan te tonen dat zij voldoet aan de vereisten van het tweede lid, onderdeel f, onderscheidenlijk het derde lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen).

XVII. Met betrekking tot het tweede en vijfde lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

De bevoegde autoriteiten kunnen, in wederzijds overleg en niettegenstaande de bepalingen van deze leden overgangsregels vaststellen voor nieuw opgerichte bedrijfsmatige activiteiten, bedrijfsonderdelen of hoofdkantoren.

XVIII. Met betrekking tot het derde lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het volgende voorbeeld illustreert de toepassing van het derde lid van artikel 26. Een in Nederland gevestigd lichaam Y bezit alle aandelen van Z, een in de Verenigde Staten gevestigd lichaam.

Y is 100% eigendom van X, een lichaam gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, dat niet in aanmerking komt voor alle voordelen van het Brits-Amerikaanse verdrag inzake inkomstenbelasting, maar mogelijk wel voor de voordelen met betrekking tot bepaalde inkomensbestanddelen op grond van het „active trade or business"-criterium uit het Brits-Amerikaanse belastingverdrag.

X op zijn beurt behoort volledig toe aan W, in een Frankrijk gevestigd lichaam, waarvan de aandelen in wezenlijke mate en regelmatig worden verhandeld op de Parijse effectenbeurs.

Z keert een dividend uit aan Y.

Ten behoeve van dit voorbeeld wordt aangenomen dat Y niet in aanmerking komt voor de voordelen van het tweede lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen).

Aangenomen dat voldaan wordt aan de vereisten van het derde lid, onderdeel b, van artikel 26, komt Y echter wel in aanmerking voor de voordelen uit het derde lid van artikel 26.

Y behoort rechtstreeks toe aan X, die geen gelijkwaardig gerechtigde is in de zin van het achtste lid, onderdeel f, van artikel 26 (X komt niet in aanmerking voor alle voordelen uit het Brits-Amerikaanse belastingverdrag).

Y behoort echter ook indirect toe aan W, die een gelijkwaardig gerechtigde is wat betreft de voordelen uit het tweede lid, onderdeel a, van artikel 10, in de zin van het achtste lid, onderdeel f, van artikel 26 (omdat W een in Frankrijk gevestigd lichaam is waarvan de aandelen in wezenlijke mate en regelmatig verhandeld worden op een erkende effectenbeurs in de zin van het artikel inzake de beperking van voordelen uit het Frans-Amerikaanse verdrag inzake inkomstenbelasting).

Dienovereenkomstig wordt in overeenstemming met het tweede lid, onderdeel a, van artikel 10 op het dividend van Z aan Y bronbelasting ingehouden tegen een percentage van 5 percent.

XIX. Met betrekking tot het vierde lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat een inkomensbestanddeel dient te worden aangemerkt als zijnde verworven „in verband met” de actieve uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten in een Staat, indien de activiteit waarmee het inkomensbestanddeel in de andere Staat wordt verworven behoort tot een bedrijfsactiviteit die deel uitmaakt van of aanvullend is op de in de eerstbedoelde Staat verrichte bedrijfsmatige activiteiten.

De bedrijfsactiviteiten in de eerstbedoelde Staat kunnen „stroomopwaarts” liggen ten opzichte van die welke plaatsvinden in de andere Staat (bijvoorbeeld de toelevering van onderdelen ten behoeve van het productieproces dat plaatsvindt in die andere Staat), „stroomafwaarts” (bijvoorbeeld de verkoop van de producten van een fabrikant die gevestigd is in de andere Staat) of „parallel” (bijvoorbeeld de verkoop in de ene Staat van dezelfde soort producten als die welke worden verkocht in het kader van de bedrijfsmatige activiteiten die worden verricht in de andere Staat). Het is wel te verstaan dat een inkomensbestanddeel afkomstig uit een Staat wordt aangemerkt als „bijkomstig voordeel” van de bedrijfsmatige activiteiten verricht in de andere Staat indien het inkomensbestanddeel niet wordt gegenereerd door een bedrijfsactiviteit die deel uitmaakt van of aanvullend is op de door de ontvanger van het inkomensbestanddeel in die andere Staat verrichte bedrijfsmatige activiteiten, maar de productie van dat bestanddeel de uitvoering van de bedrijfsmatige activiteiten in die Staat bevordert. Een voorbeeld van een dergelijk bijkomstig inkomensbestanddeel is interest uit een kortetermijninvestering van bedrijfskapitaal of een inwoner van een Staat in de vorm van effecten uitgegeven door een persoon in de andere Staat.

XX. Met betrekking tot het vierde lid, onderdeel a, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel a, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) een bank alleen dan wordt geacht actief het bankbedrijf uit te oefenen als deze regelmatig stortingen ontvangt van en leningen verstrekt aan het publiek en een verzekeringsmaatschappij alleen dan wordt geacht actief het verzekeringsbedrijf uit te oefenen indien haar bruto-inkomen voornamelijk bestaat uit verzekerings- of herverzekeringspremies alsmede beleggingsinkomen dat toegerekend kan worden aan zulke premies.

XXI. Met betrekking tot het achtste lid van artikel 12 (Interest) en het vierde lid, onderdeel a, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel a, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) en het achtste lid van artikel 12 (Interest) wel te verstaan dat interest afkomstig uit concernfinancieringen of portfolio-beleggingen wordt aangemerkt als onderdeel van het beleggen of beheer van beleggingen.

XXII. Met betrekking tot het vierde lid, onderdeel b, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat met het wezenlijkheidsvereiste van onderdeel b beoogd wordt gevallen van „verdragshoppen" te voorkomen waarbij lichamen trachten in aanmerking te komen voor de voordelen van de Overeenkomst door middel van minimale gelieerde bedrijfsmatige activiteiten met geringe economische kosten of weinig invloed op het algehele bedrijfsresultaat.

Of een bedrijfsmatige activiteit wezenlijk is voor de toepassing van dit lid wordt vastgesteld op grond van alle feiten en omstandigheden. Bij deze vaststelling wordt rekening gehouden met de relatieve omvang van de bedrijfsmatige activiteiten in elke Overeenkomstsluitende Staat (gemeten naar de waarden van de activa, inkomsten en loonkosten), de aard van de activiteiten verricht in elke Overeenkomstsluitende Staat, en, in de gevallen waarin een bedrijfsmatige activiteit wordt verricht in beide Overeenkomstsluitende Staten, de relatieve bijdragen daaraan in elke Overeenkomstsluitende Staat. Bij elke vaststelling of vergelijking wordt naar behoren rekening gehouden met de relatieve omvang van de Amerikaanse en de Nederlandse economie.

Een bedrijfsmatige activiteit wordt in ieder geval evenwel aangemerkt als wezenlijk indien in het voorgaande belastingjaar of over het gemiddelde van de afgelopen drie belastingjaren de waarde van de activa, de bruto-inkomsten en de loonkosten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteiten in de eerstbedoelde Staat ten minste 7,5 percent bedraagt van het evenredige aandeel van de inwoner (en eventuele gelieerde partijen) in respectievelijk de activa, de bruto-inkomsten en de loonkosten waarmee de inkomsten in de andere Staat zijn gegenereerd en het gemiddelde van de drie verhoudingsgetallen meer bedraagt dan 10 percent.

Indien de inwoner middellijk of onmiddellijk minder dan 100 percent van een in een van beide Staten verrichte activiteit bezit, wordt alleen het evenredige belang van de inwoner in die activiteit in aanmerking genomen ten behoeve van het criterium bedoeld in deze alinea.

De onderstaande voorbeelden illustreren de toepassing van het wezenlijkheidsvereiste.

Voorbeeld 1

  • i. V, inwoner van een land dat geen belastingverdrag met Nederland heeft, wenst een Nederlandse financiële instelling te verwerven. Aangezien het land waar V gevestigd is geen belastingverdrag met Nederland heeft, zou over alle dividenden die gegenereerd worden via de investering 25% aan Nederlandse bronbelasting geheven worden.

    V richt een Amerikaanse rechtspersoon op met een kantoor in een kleine stad die investeringsadviezen geeft aan de lokale inwoners. Die Amerikaanse rechtspersoon verwerft de Nederlandse financiële instelling met behulp van kapitaal verschaft door V.

  • ii. De Nederlandse bron van inkomsten wordt gegenereerd met bedrijfsmatige activiteiten in Nederland die in verband staan met de adviespraktijk van de Amerikaanse moedermaatschappij. Dit voorbeeld zou echter niet beantwoorden aan het wezenlijkheidscriterium, dus op de dividenden zou 25% worden ingehouden in plaats van het percentage vervat in artikel 10 (Dividenden).

Voorbeeld 2

  • i. S is een in Nederland opgezette, beheerde bankorganisatie waarover vanuit Nederland zeggenschap wordt uitgeoefend. S telt een groot aantal plaatselijke filialen en cliënten in Nederland en voldoende medewerkers voor de bancaire dienstverlening aan die cliënten. Aangezien de bancaire markt in Nederland veel concurrenten telt, heeft S echter besloten buiten Nederland filialen op te zetten teneinde zijn zakelijke activiteiten uit te breiden. S heeft daarom in diverse grote steden in de Verenigde Staten filialen opgezet teneinde daar dezelfde soort bancaire activiteiten te ontplooien als in Nederland.

    Na verloop van tijd zijn de Amerikaanse filialen aanzienlijk gegroeid en inmiddels qua omvang vergelijkbaar met het totaal van S' bedrijfsmatige activiteiten in Nederland.

  • ii. De activiteiten van S' Amerikaanse filialen zijn gerelateerd aan de bedrijfsmatige activiteiten die S verricht in Nederland. Aangezien S een groot aantal filialen en medewerkers heeft in Nederland, zijn zijn activiteiten in Nederland wezenlijk in de zin van het vierde lid, onderdeel b, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen).

Voorbeeld 3

NlCo, een Nederlandse rechtspersoon, bezit 100 percent van het aandelenkapitaal van USCo, een Amerikaanse rechtspersoon, en 50 percent van het aandelenkapitaal van NLSub, een Nederlandse rechtspersoon. NLCo verricht geen rechtstreekse bedrijfsmatige activiteiten. USCo en NLSub zijn actief in de muziekbranche. USCo heeft een aantal medewerkers die verantwoordelijk zijn voor het scouten van nieuwe artiesten om opnames te maken. USCo produceert tevens opnames en is verantwoordelijk voor de productie en distributie binnen de Verenigde Staten. De medewerkers van NLSub zijn verantwoordelijk voor de promotie van deze opnames in Nederland en het opzetten van een distributiestrategie voor de rest van Europa. De verkopen van Amerikaanse artiesten in Europa vormen een wezenlijke bijdrage aan het rendement van USCo.

NLCo ontvangt interest en dividenden van USCo. Om deze betalingen in aanmerking te laten komen voor de voordelen uit de Overeenkomst op grond van het vierde lid van artikel 26, dient NLCo te worden aangemerkt als zijnde betrokken bij de actieve uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten in Nederland.

Omdat NLCo en USCo gelieerd zijn, moeten de in Nederland verrichte en aan NLCo toegeschreven activiteiten uit hoofde van het vierde lid, onderdeel b, wezenlijk zijn ten opzichte van de activiteiten verricht door USCo. NLCo zal geacht worden aan dit vereiste te voldoen indien de activa, inkomsten en loonkosten die aan NLCo toegerekend kunnen worden ten minste 10% bedragen van de activa, inkomsten en loonkosten die aan USCo kunnen worden toegerekend en per post ten minste 7,5%.

Voor elk van de laatste vier afgesloten belastingjaren bedroegen de waarde van de activa, bruto inkomsten en loonkosten van deze rechtspersonen die aan de bedrijfsmatige activiteiten kunnen worden toegerekend:

 

USCo

NLSub

Activa

Inkomsten

Loonkosten

$300

50

60

$50

10

10

NLCo heeft geen activa, inkomsten of loonkosten die toegerekend kunnen worden aan de bedrijfsmatige activiteiten. De activa, inkomsten en loonkosten van NLSub die verband houden met de bedrijfsmatige activiteiten kunnen uit hoofde van onderdeel c echter wel worden toegerekend aan NLCo, aangezien NLCo vanwege zijn belang van 50% in NLSub als uiteindelijk gerechtigde gelieerd is aan NLSub. Daarom wordt 50% van de activa, inkomsten en loonkosten van NLSub toegerekend aan NLCo. De aan NLCo toegerekende bedragen en de percentages van de daarmee overeenstemmende bedragen van USCo zijn:

 

NLCo

NLCo als percentage van USCo

Activa

Inkomsten

Loonkosten

$25

5

5

$8,3

10,0

8,3

Aangezien geen van de percentages meer dan 10 percent bedraagt, voldoet NLCo niet aan de voorwaarden van het wezenlijkheidsvereiste zoals hierboven omschreven. Ook wanneer gekeken zou worden naar het gemiddelde over drie jaar zou de uitkomst niet veranderen, aangezien de desbetreffende bedragen over de drie voorafgaande jaren (en de daaruit voortvloeiende percentages) gelijk zijn aan die van het eerste eraan voorafgaande belastingjaar.

NLCo zal niettemin in aanmerking komen voor de voordelen in verband met de dividenden ontvangen van USCo. Gelet op de bijdragen van elk lichaam aan de totale bedrijfsmatige activiteiten van de groep, zijn de activiteiten verricht door NLSub wezenlijk ten opzichte van die van USCo.

XXIII. Met betrekking tot het vijfde lid, onderdeel a, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

  • a. Voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel a, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) is het wel te verstaan dat de aldaar bedoelde activiteiten dienen te worden verricht in de woonstaat van de persoon die die activiteiten verricht.

  • b. Het is wel te verstaan dat voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel a, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) een persoon alleen dan beschouwd zal worden zich bezig te houden met toezichthoudende en bestuurlijke werkzaamheden, indien hij zich bezighoudt met een aantal van de hieronder genoemde werkzaamheden.

Zo wordt een persoon als hoofdkantoor beschouwd indien hij eenbelangrijk aantal van de volgende functies verricht ten behoeve van het concern: concernfinanciering (hetgeen niet de primaire taak mag zijn), prijsbepaling, marketing, interne auditscontrole, interne communicatie en intern management. Een eenvoudige vergelijking van het bedrag van het bruto-inkomen dat het hoofdkantoor ontvangt uit hoofde van zijn verschillende werkzaamheden is niet het enige criterium aan de hand waarvan mag worden vastgesteld of concernfinanciering, al dan niet, de primaire taak van het lichaam is. De bovengenoemde functies zijn bedoeld als aanduiding van de soorten werkzaamheden die een hoofdkantoor geacht wordt te verrichten. Deze opsomming beoogt niet uitputtend te zijn.

Voorts is het wel te verstaan dat bij het bepalen of een wezenlijk deel van het toezicht en het bestuur van de concernonderdelen door het hoofdkantoor wordt verricht, de werkzaamheden die door het kantoor in zijn functie als hoofdkantoor voor die concernonderdelen worden verricht wezenlijk dienen te zijn in vergelijking met dezelfde werkzaamheden die binnen de multinational voor diezelfde concernonderdelen worden verricht.

Het volgende voorbeeld moge dit verduidelijken. Een Japanse rechtspersoon richt in Nederland een dochtermaatschappij op, die als hoofkantoor moet gaan fungeren voor de Europese en Noord-Amerikaanse werkzaamheden.

De Japanse rechtspersoon heeft twee andere dochtermaatschappijendie als hoofdkantoor fungeren: een voor Afrikaanse en een voor de Aziatische werkzaamheden. Het Nederlandse hoofdkantoor is de moedermaatschappij voor de dochtermaatschappijen die de Europese en Noord-Amerikaanse werkzaamheden verrichten. Het Nederlandse hoofdkantoor houdt toezicht op het grootste deel van de prijsbepaling, marketing, interne controle, interne informatieverschaffing en het management van de onder zijn bestuur vallende concernonderdelen. Alhoewel de Japanse topholding aan alle dochtermaatschappijen richtlijnen geeft met betrekking tot het mondiale beleid ten aanzien van elk van de vorengenoemde activiteiten en er op toeziet dat deze richtlijnen binnen elk van de regionale concernonderdelen worden uitgevoerd, is het Nederlandse hoofdkantoor het kantoor dat het bestuur uitoefent en het toezicht houdt op de wijze waarop deze beleidsregels worden uitgevoerd de onder zijn bestuur vallende concernonderdelen. Het vermogen dat en de loonkosten die door de Japanse topholding worden besteed aan deze werkzaamheden voor de concernonderdelen die onder het bestuur van het Nederlandse hoofdkantoor vallen, zijn verhoudingsgewijs gering in vergelijking met het vermogen en de loonkosten die door het Nederlandse hoofdkantoor aan deze werkzaamheden worden besteed. Bovendien verrichten noch de andere twee hoofdkantoren noch enig ander gelieerd lichaam naast de Japanse topholding de bovengenoemde werkzaamheden ten behoeve van die concernonderdelen die onder het bestuur van het Nederlandse hoofdkantoor vallen. In dit voorbeeld wordt het Nederlandse hoofdkantoor geacht te voorzien in een wezenlijk deel van het totale toezicht en bestuur van de concernonderdelen, die onder zijn bestuur vallen.

XXIV. Met betrekking tot het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

  • a. Het is wel te verstaan dat aan een lichaam gevestigd in een van de Staten krachtens het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) ter zake van inkomen dat ontvangen is uit de andere Staat alle voordelen van de Overeenkomst worden toegekend die ook worden toegekend aan inwoners van een Staat, mits het lichaam voldoet aan een eventuele andere gespecificeerde voorwaarde voor het verkrijgen van deze voordelen en mits

    • 1. aandelen die meer dan 30 percent van het totale aantal stemmen en de waarde van alle aandelen vertegenwoordigen direct of indirect het eigendom zijn van personen die op grond van de onderdelen a, b, c, onder i, of onderdeel d of e van het tweede lid van artikel 26 gekwalificeerde personen zijn;

    • 2. aandelen die meer dan 70 percent van het totale aantal stemmen en de waarde van alle aandelen (en ten minste 50 percent van een „disproportionate class of shares”) direct of indirect het eigendom zijn van ten hoogste zeven personen die gelijkwaardig gerechtigden zijn in de zin van het achtste lid, onderdeel f; en

    minder dan 50 percent van het bruto-inkomen van het lichaam uit het belastingjaar waarin het inkomensbestanddeel ontstaan is, direct of indirect wordt betaald of toekomt aan personen die geen gelijkwaardig gerechtigden zijn, in de vorm van betalingen die aftrekbaar zijn van de belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is in de Staat waarvan het lichaam inwoner is (met uitzondering van betalingen als willekeurige derde verricht bij de normale bedrijfsuitoefening ter zake van diensten of lichamelijke zaken en betalingen in het kader van financiële verplichtingen aan een bank, op voorwaarde dat indien de bank geen inwoner is van een van de Overeenkomstsluitende Staten een dergelijke betaling toerekenbaar is aan een vaste inrichting van die bank gevestigd in een van de Overeenkomstsluitende Staten).

  • b. De bevoegde autoriteiten komen overeen zich redelijke inspanningen te getroosten teneinde binnen zes maanden na de ontvangst van alle benodigde informatie van de belastingplichtige te komen tot de vaststelling uit hoofde van het zevende lid. Voorts zullen de bevoegde autoriteiten van beide Staten halfjaarlijks bijeenkomen teneinde de status van alle gevallen waarin om een vaststelling is verzocht te bespreken.

XXV. Met betrekking tot het tweede lid, onderdeel c, en het achtste lid, onderdeel a, onder ii, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Een lichaam dat genoteerd is op de effectenbeurzen van Parijs of Brussel die tezamen met de Amsterdamse effectenbeurs Euronext vormen, wordt behandeld alsof het voldoet aan het vereiste van genoteerd zijn uit het tweede lid, onderdeel c, mits de Nederlandse toezichthoudende autoriteiten voor de handel in waardepapieren toezicht blijven houden op het deel van de beurs dat in Nederland gevestigd is. Indien het functioneren van of het toezicht op Euronext ingrijpend wordt gewijzigd, stelt de bevoegde autoriteit van Nederland de bevoegde autoriteit van de Verenigde Staten daarvan in kennis en beide bevoegde autoriteiten beoordelen tezamen of de behandeling nog passend is en of wijzigingen nodig zijn voor de toepassing van dit lid.

XXVI. Met betrekking tot het achtste lid, onderdeel d, onder ii, en het achtste lid, onderdeel e, onder iii, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

  • a. Bij de vaststelling bedoeld in het achtste lid, onderdeel d, onder ii, is het wel te verstaan dat deze gebaseerd is op een beoordeling van de besluitvorming van alle directieleden en hogere leidinggevenden die deel uitmaken van de directie of de raad van bestuur van het lichaam, naar gelang van het geval, tenzij deze personen slechts formeel hun goedkeuring hechten aan beslissingen die in feite door anderen worden genomen. Indien de hogere leidinggevenden van directe of indirecte dochtermaatschappijen van het lichaam de beleidsfuncties vervullen die normaliter tot de verantwoordelijkheid van de directie of de raad van bestuur van een vennootschappelijke groep behoren, zoals omschreven in het achtste lid, onderdeel e, onder iii, worden zij in dit opzicht aangemerkt als leden van de directie of van de raad van bestuur van het lichaam. Indien er speciale stem- of andere regelingen zijn waaruit blijkt dat de leden van de directie (met inbegrip van de personen omschreven in de vorige zin) niet feitelijk op gelijke voet betrokken zijn bij de besluitvorming, worden deze personen slechts in de mate waarin zij verantwoordelijk zijn voor het nemen van de besluiten beschreven in het achtste lid, onderdeel e, onder iii, in aanmerking genomen.

  • b. Indien een lichaam dat inwoner is van Nederland en waarvan de aandelen regelmatig worden verhandeld op een of meer erkende effectenbeurzen de moedermaatschappij is van een geïntegreerd concern dat tevens een andere moedermaatschappij omvat waarvan de aandelen eveneens regelmatig worden verhandeld op een of meer erkende effectenbeurzen en die andere moedermaatschappij inwoner is van een staat in de primaire economische zone van Nederland die een inkomstenbelastingverdrag heeft met de Verenigde Staten dat in vergelijkbare situaties voorziet in dezelfde of lagere inhoudingspercentages ten aanzien van dividenden, belastingheffing van vaste inrichtingen, interest en royalty's zoals voorzien in de artikelen 10 (Dividenden), 11 (Belastingheffing van vaste inrichtingen), 12 (Interest) en 13 (Royalty's) van de Overeenkomst, wordt het eerstbedoelde lichaam behandeld alsof het voldoet aan de vereisten van het achtste lid, onderdeel e, onder iii, wat betreft de locatie van de staf, indien deze van de aldaar omschreven activiteiten meer verricht in Nederland en in die andere staat dan in enige andere staat. Daartoe wordt verstaan onder een „geïntegreerd concern” een groep lichamen die de twee moedermaatschappijen omvat zoals beschreven in de vorige zin alsmede ketens van dochterondernemingen waarvan de moedermaatschappijen gezamenlijk de economische eigendom hebben.

XXVII. Met betrekking tot het achtste lid, onderdeel h, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Het is wel te verstaan dat indien een soort aandelen tijdens de twaalf maanden bedoeld in onderdeel h, niet genoteerd was aan een erkende effectenbeurs, deze soort aandelen uitsluitend zal worden behandeld als zijnde regelmatig verhandeld indien in het belastingjaar waarin het inkomen ontstaat die soort voldoet aan het vereiste van dat onderdeel inzake het totale aantal aandelen van die soort dat verhandeld wordt.

XXVIII. Met betrekking tot het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

  • a. Voor de toepassing van het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) kan de bevoegde autoriteit van de Staat waaruit het desbetreffende inkomen afkomstig is bij het vaststellen of de oprichting, verwerving of instandhouding van een rechtspersoon, die inwoner van een van de Staten is, als een van de voornaamste doelstellingen heeft of had de verkrijging van de voordelen van deze Overeenkomst, onder andere de volgende factoren meewegen:

    • 1. de datum van oprichting van de rechtspersoon in relatie tot de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst;

    • 2. het verloop van het bedrijf sinds zijn ontstaan en de eigendomsverhoudingen in de rechtspersoon sinds zijn oprichting;

    • 3. de zakelijke redenen voor de rechtspersoon om inwoner te zijn van de staat van vestiging;

    • 4. de mate waarin door de rechtspersoon in zijn staat van vestiging aanspraak wordt gemaakt op bijzondere belastingvoordelen ;

    • 5. de mate waarin de ondernemingsactiviteiten van de rechtspersoon in de andere Staat afhankelijk is van het vermogen, de activa of het personeel van de rechtspersoon in zijn staat van vestiging; en

    • 6. de mate waarin de rechtspersoon gerechtigd zou zijn tot verdragsvoordelen die vergelijkbaar zijn met die welke zouden worden toegekend op grond van deze Overeenkomst indien de rechtspersoon zou zijn opgericht in de staat van vestiging van de de meerderheid van haar aandeelhouders.

  • b. Het is wel te verstaan dat een lichaam dat inwoner van een van de Staten is, de voordelen van de Overeenkomst zullen worden toegekend om op grond van het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) ten aanzien van inkomen dat verkregen is uit de andere Staat worden verleend, indien zulk een lichaam:

    • 1. aandelen en waardepapieren houdt waarvan het inkomen niet hoofdzakelijk uit bronnen in de andere Staat afkomstig is;

    • 2. een groot aantal deelnemers heeft; en

    • 3. in zijn staat van vestiging een aanzienlijk aantal personeelsleden heeft die zich actief bezig houden met het handelen in aandelen en waardepapieren die eigendom van het lichaam zijn. Het is voorts wel te verstaan dat het zevende lid van artikel 26 niet van toepassing is indien aan een van de bovengenoemde vereisten niet is voldaan.

  • c. Het is wel te verstaan dat bij de toepassing van het zevende lid van artikel 26 (Beperkingen van voordelen) de regelgeving van de Europese Gemeenschappen voor het bevorderen van het vrije verkeer van kapitaal en personen binnen de Europese Gemeenschappen, tezamen met de onderlinge verschillen in binnenlandse inkomstenbelastingsystemen, fiscale stimuleringsmaatregelen en het van toepassing zijnde beleid voor belastingverdragen tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschappen in beschouwing zullen worden genomen. Op grond van deze bepaling neemt de bevoegde autoriteit als richtlijn voor haar overwegingen of de oprichting, de verwerving of instandhouding van een lichaam of de uitoefening van zijn activiteiten als een van de voornaamste doelstellingen het verkrijgen van de voordelen van deze Overeenkomst heeft of had. De bevoegde autoriteit kan daarom bepalen dat, gegeven een aantal feiten, een wijziging in de omstandigheden die ertoe zou kunnen leiden dat een lichaam ophoudt in aanmerking te komen voor de voordelen van de Overeenkomst op grond van het tweede en derde lid van artikel 26 niet noodzakelijkerwijs behoeft te leiden tot het onthouden van de voordelen. Zulke gewijzigde omstandigheden kunnen omvatten een wijziging van de staat van vestiging van een belangrijke aandeelhouder, de verkoop van een deel van het aandelenkapitaal van een Nederlands lichaam aan een persoon die inwoner is van een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of een uitbreiding van de activiteiten van een lichaam in andere lidstaten van de Europese Gemeenschappen, dit alles onder normale zakelijke voorwaarden. De bevoegde autoriteit zal deze gewijzigde omstandigheden (naast andere relevante factoren die normaal in beschouwing genomen worden op grond van het zevende lid van artikel 26) in overweging nemen bij het bepalen of zulk een lichaam in aanmerking blijft komen voor voordelen van de Overeenkomst ten aanzien van inkomen ontvangen uit bronnen in de Verenigde Staten. Wanneer deze gewijzigde omstandigheden niet zijn toe te schrijven aan beweegredenen van vermijding van belasting, zal zulks door de bevoegde autoriteit eveneens als relevante factor in het voordeel van bestendiging van het recht op de voordelen van de Overeenkomst op grond van het zevende lid van artikel 26 worden beschouwd.

  • d. Wanneer een rechtspersoon die inwoner is van een van de Staten en gerechtigd is tot de voordelen op grond van artikel 26 (Beperkingen van voordelen),zeggenschap verwerft in een rechtspersoon die inwoner is van een derde Staat, die dat op haar beurt zeggenschap heeft in een tweede rechtspersoon die inwoner is van de eerstbedoelde Staat, zou die tweede rechtspersoon als gevolg van de bepaling van het tweede lid, onderdeel c, onder ii, van artikel 26 niet gerechtigd kunnen zijn tot de voordelen van de Overeenkomst ten aanzien van de voordelen uit bronnen uit die andere Staat. Het is wel te verstaan dat de bevoegde autoriteit van de andere Staat in deze omstandigheden bij het beoordelen van een verzoek om toekenning van de voordelen van de Overeenkomst op grond van het zevende lid van artikel 26 een reorganisatieplan dat wordt voorgelegd door de tweede rechtspersoon die inwoner is van de eerstbedoelde Staat in welwillende overweging zal nemen indien zulk een plan ertoe zou leiden dat de tweede rechtspersoon binnen een redelijke overgangsperiode recht krijgt op de voordelen van de Overeenkomst (vast te stellen zonder rekening te houden met het zevende lid van artikel 26).

XXIX. Met betrekking tot het achtste lid, onderdeel h, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen)

Teneinde te voldoen aan het vereiste van regelmatig verhandeld worden op grond van het achtste lid, onderdeel h, van artikel 26 (Beperkingen van voordelen), behoeft een persoon die op grond van de Overeenkomst aanspraak maakt op de voordelen, niet te bewijzen dat hij zich niet heeft beziggehouden met het creëren van een bepaald handelspatroon op een erkende effectenbeurs teneinde aan dit criterium te voldoen, maar dient hij zonodig bewijzen dat hij zich daarmee heeft beziggehouden te weerleggen.

XXX. Met betrekking tot artikel 27 (Werkzaamheden buitengaats)

Het is wel te verstaan dat het vervoer van voorraden of personeel tussen een van de Staten en een plaats waar de werkzaamheden buitengaats in die Staat worden verricht, of tussen zulke plaatsen, wordt beschouwd als vervoer tussen plaatsen in die Staat.

XXXI. Met betrekking tot het vijfde lid van artikel 29 (Regeling voor onderling overleg)

  • A. Het is wel te verstaan dat de Staten in ieder geval diplomatieke nota's uitwisselen zoals bepaald in het vijfde lid van artikel 29 (Regeling voor onderling overleg), wanneer de ervaringen opgedaan binnen de Europese Gemeenschappen bij de toepassing van het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen, ondertekend op 23 juli 1990, of bij de toepassing van het vijfde lid van artikel 25 van het belastingverdrag tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het vermogen en bepaalde andere belastingen, ondertekend op 29 augustus 1989, bevredigend zijn voor de bevoegde autoriteiten van beide Staten. Na afloop van een periode van drie jaar na het in werking treden van de Overeenkomst zullen de bevoegde autoriteiten met elkaar overleggen teneinde vast te stellen of aan de voorwaarden voor de uitwisseling van diplomatieke nota's is voldaan.

  • B. Indien de bevoegde autoriteiten van beide Staten overeenkomen in een bepaald geval een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst op grond van het vijfde lid van artikel 29 te onderwerpen aan arbitrage, is de volgende procedure van toepassing:

    • 1. Indien de bevoegde autoriteiten er bij het toepassen van het eerste tot en met het vierde lid van artikel 29 niet in slagen om tot overeenstemming te komen binnen twee jaar na de datum waarop de aangelegenheid aan een van de bevoegde autoriteiten was voorgelegd, kunnen zij besluiten in een bepaald geval een beroep op arbitrage te doen, echter slechts nadat de procedures die beschikbaar zijn op grond van het eerste tot en met het vierde lid van artikel 29 volledig zijn uitgeput. De bevoegde autoriteiten zullen in het algemeen niet overgaan tot arbitrage ten aanzien van aangelegenheden betreffende het belastingbeleid of de binnenlandse wetgeving van een van de Staten.

    • 2. De bevoegde autoriteiten stellen voor elk afzonderlijk geval een arbitragecommissie in op de volgende wijze:

      • a. Een arbitragecommissie bestaat uit ten minste drie leden. Elke bevoegde autoriteit benoemt een gelijk aantal leden en deze leden komen de benoeming van het andere lid of andere leden overeen.

      • b. Het andere lid of de andere leden van de arbitragecommissie is of zijn afkomstig uit een van beide Staten of uit een andere OESO-lidstaat. De bevoegde autoriteiten kunnen verdere instructies geven betreffende de criteria voor het selecteren van de overige leden van de arbitragecommissie.

      • c. Leden van de arbitragecommissie (en hun medewerkers) moeten bij hun benoeming schriftelijk verklaren zich te houden aan en te onderworpen te zijn aan de toepasselijke bepalingen inzake vertrouwelijkheid en openbaarmaking van beide Staten en de Overeenkomst. Ingeval die bepalingen met elkaar in strijd zijn, is de meest vergaande geheimhoudingsverplichting van toepassing.

    • 3. De bevoegde autoriteiten kunnen overeenstemming bereiken omtrent en de arbitragecommissie instrueren betreffende bepaalde procedureregels, zoals het benoemen van een voorzitter, de procedures om tot een beslissing te komen, het bepalen van termijnen, enzovoorts. Voor het overige stelt de arbitragecommissie haar eigen procedureregels vast overeenkomstig de algemeen aanvaarde beginselen van redelijkheid en billijkheid.

    • 4. Belastingplichtigen en/of hun vertegenwoordigers wordt de gelegenheid geboden hun standpunten aan de arbitragecommissie voor te leggen.

    • 5. De arbitragecommissie beslist over ieder afzonderlijk geval op basis van de Overeenkomst met inachtneming van de nationale wetgeving van de beide Staten en de beginselen van het internationale recht. De arbitragecommissie verstrekt aan de bevoegde autoriteiten een toelichting op haar beslissing. De beslissing van de arbitragecommissie is met betrekking tot dat bepaalde geval bindend voor beide Staten en de belastingplichtige(n). Hoewel de beslissing van de arbitragecommissie geen precedentwerking heeft, wordt verwacht dat met zulke beslissingen gewoonlijk rekening zal worden gehouden in latere aan de bevoegde autoriteiten voorgelegde zaken betreffende dezelfde belastingplichtige(n), dezelfde kwestie(s) en grotendeels soortgelijke feiten alsmede waar passend in andere gevallen.

    • 6. De kosten van een arbitrageprocedure worden op de volgende wijze gedragen:

      • a. Elke Staat draagt de kosten van de beloning van de door haar benoemde leden alsmede van zijn vertegenwoordiging tijdens de procedure voor de arbitragecommissie;

      • b. de kosten van de beloning van de andere leden en alle overige kosten van de arbitragecommissie worden gelijkelijk gedeeld tussen de Staten; en

      • c. de arbitragecommissie kan besluiten tot een afwijkende verdeling van de kosten. Indien het de bevoegde autoriteit van een van de Staten echter in een bepaald geval in het licht van de aard van de zaak en de rol van de partijen passend voorkomt, kan zij van de belastingplichtige(n) verlangen dat deze, als voorwaarde voor arbitrage ermede instemt (instemmen) het deel van die Staat in de kosten te dragen.

    • 7. De bevoegde autoriteiten kunnen overeenkomen deze procedures aan te passen of aan te vullen; zij blijven echter gebonden aan de in het bovenstaande vastgelegde algemene uitgangspunten.

XXXII. Met betrekking tot artikel 30 (Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand)

Indien een „reporting corporation” van de Verenigde Staten (als omschreven voor de toepassing van artikel 6038A van de United States Internal Revenue Code) die inwoner van de Verenigde Staten is, of een in de Verenigde Staten gevestigde vaste inrichting van een „reporting corporation” van de Verenigde Staten, die geen inwoner van de Verenigde Staten is, noch in het bezit is van, noch toegang heeft tot documenten die van belang kunnen zijn voor de behandeling voor de belastingheffing van de Verenigde Staten van transacties tussen die rechtspersoon en een buitenlandse „related party” (als omschreven in artikel 6038A van de United States Internal Revenue Code), en zulke documenten worden beheerd door een inwoner van Nederland en buiten de Verenigde Staten worden bewaard, verzoeken de Verenigde Staten Nederland om die documenten door middel van een uitwisseling van inlichtingen op grond van artikel 30 (Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand) voordat zij een vordering tot overlegging van die documenten doet uitgaan aan de „reporting corporation” van de Verenigde Staten, mits onder alle gegeven omstandigheden, de documenten via het verzoek snel en op efficiënte wijze verkrijgbaar zijn. Voor de toepassing van deze paragraaf zullen documenten worden geacht snel en op efficiënte wijze beschikbaar te zijn, indien zij kunnen worden verkregen binnen 180 dagen na het verzoek of binnen een ander tijdvak als in onderling overleg overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten, tenzij de nationale wettelijke termijnen binnen een korter tijdvak verstrijken. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de toepassing van artikel 6038C.

XXXIII. Met betrekking tot artikel 30 (Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand)

Uit hoofde van het tweede lid van dat artikel, dat bepaalt dat de bevoegde autoriteiten dienen te trachten informatie te verstrekken in de vorm van getuigenverklaringen en gewaarmerkte afschriften van onbewerkte oorspronkelijke documenten, is het wel te verstaan dat de bevoegde autoriteiten zullen samenwerken om gezamenlijke procedures te ontwikkelen teneinde de verschillen tussen de nationale wettelijke regelgeving en procedures te overbruggen teneinde te waarborgen dat inlichtingen worden verstrekt in een vorm die de toepassing ervan bij gerechtelijke procedures in de verzoekende Staat vereenvoudigt.

XXXIV. Met betrekking tot het eerste lid van artikel 30 (Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand)

Het is wel te verstaan dat personen die zich bezighouden met de administratie van belastingen zoals die uitdrukking is gebruikt in het eerste lid van artikel 30 (Uitwisseling van inlichtingen en administratieve bijstand) in de Verenigde Staten mede omvat de „tax-writing committees of Congress” en het „General Accounting Office”. Inlichtingen die op grond van de Overeenkomst zijn uitgewisseld en die op grond van de Overeenkomst als vertrouwelijk zijn aangemerkt, kunnen door deze instanties onder dezelfde voorwaarden van vertrouwelijkheid worden ontvangen en mogen slechts worden gebruikt bij de uitvoering van hun taak toezicht te houden op de administratie van de belastingwetgeving van de Verenigde Staten. Het is wel te verstaan dat de taak van het Congress en het „General Accounting Office” bij het toezicht houden op de administratie van de belastingwetgeving van de Verenigde Staten is beperkt tot het verzekeren dat de administratie van de belastingwetgeving door de uitvoerende diensten eerlijk, efficiënt en in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever geschiedt.

XXXV. Met betrekking tot artikel 31 (Hulp en bijstand bij invordering)

Het is wel te verstaan dat bij de toepassing van artikel 31 (Hulp en bijstand bij invordering) met het volgende rekening zal worden gehouden:

  • 1. De aangezochte Staat is niet verplicht het verzoek van de verzoekende Staat in te willigen:

    • a. indien de verzoekende Staat niet alle passende invorderingsmaatregelen binnen zijn eigen rechtsmacht heeft genomen;

    • b. in de gevallen waarin de administratieve last voor de aangezochte Staat niet in evenredigheid staat tot het door de verzoekende Staat te behalen voordeel.

  • 2. Het verzoek om administratieve bijstand bij invordering van een belastingvordering gaat vergezeld van:

    • a. een officieel afschrift van de executoriale titel in de verzoekende Staat;

    • b. indien passend, gewaarmerkte afschriften van enig ander document dat voor de invordering vereist is;

    • c. een verklaring van de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat dat op grond van de wetgeving van die Staat de belastingvordering onherroepelijk vaststaat. Voor de toepassing van dit artikel staat de belastingvordering onherroepelijk vast wanneer de verzoekende Staat op grond van zijn nationale wetgeving het recht heeft de belasting in te vorderen en de administratieve en gerechtelijke rechtsmiddelen van de belastingplichtige om in de verzoekende Staat de invordering tegen te houden vervallen dan wel uitgeput zijn.

  • 3. Een belastingvordering van de verzoekende Staat die onherroepelijk vaststaat kan door de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat voor invordering in behandeling worden genomen en wordt, behoudens de bepalingen van het zevende lid, indien in behandeling genomen, door de aangezochte Staat op dezelfde wijze ingevorderd als ware zulk een belastingvordering een belastingvordering van die Staat zelf die is komen vast te staan in overeenstemming met de op de invordering van de eigen belastingen van die Staat van toepassing zijnde wetgeving.

  • 4. Wanneer een verzoek om invordering van een belastingvordering van een belastingplichtige in behandeling wordt genomen:

    • a. door de Verenigde Staten, wordt de belastingvordering door de Verenigde Staten behandeld als een aanslag op grond van de wetgeving van de Verenigde Staten aan de belastingplichtige op het tijdstip waarop het verzoek is ontvangen; en

    • b. door Nederland, wordt de belastingvordering door Nederland behandeld als een te betalen bedrag op grond van de van toepassing zijnde Nederlandse wetgeving waarvan de invordering niet aan enige beperking is onderworpen.

  • 5. Niets in dit artikel mag zo worden uitgelegd dat daardoor voor de aangezochte Staat rechten van administratieve of gerechtelijke herziening van de onherroepelijk vaststaande belastingvordering van de verzoekende Staat worden geschapen of hierin wordt voorzien op grond van rechten voortvloeiend uit de wetgeving van een van beide Staten. Indien op enig tijdstip hangende de uitvoering van het verzoek om bijstand op grond van dit artikel de verzoekende Staat het recht om op grond van zijn nationale wetgeving de belasting in te vorderen verliest, trekken de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Staat het verzoek om bijstand bij invordering onmiddellijk in.

  • 6. Met inachtneming van deze paragraaf worden de bedragen die zijn ingevorderd door de aangezochte Staat ingevolge dit artikel overgemaakt aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat. Tenzij de bevoegde autoriteiten van de Staten anders overeenkomen, worden de gewone kosten gemaakt bij het verlenen van bijstand bij invordering gedragen door de aangezochte Staat en worden alle terzake gemaakte buitengewone kosten gedragen door de verzoekende Staat.

  • 7. De aangezochte Staat mag uitstel van betaling of betaling in termijnen toestaan, indien zijn eigen nationale wetgeving of administratieve praktijk dit toestaat, maar hij dient eerst de verzoekende Staat hierover in te lichten. Alle interest die door de aangezochte Staat wordt ontvangen als gevolg van het toestaan van uitstel van betaling of van betaling in termijnen wordt overgemaakt aan de bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat.

  • 8. Een belastingvordering van een verzoekende Staat die in behandeling is genomen heeft in de aangezochte Staat geen voorrang boven de belastingvorderingen van de aangezochte Staat.

  • 9. De bevoegde autoriteiten kunnen op grond van dit artikel bijstand verlenen bij invordering van de belasting waarvoor op grond van het achtste lid van artikel 14 (Vermogenswinsten) uitstel is verleend.

  • 10. De bevoegde autoriteiten van de Staten komen de wijze van toepassing van dit artikel overeen. De bevoegde autoriteiten van de Staten kunnen voorts overeenkomen deze procedures aan te passen of aan te vullen; zij zijn echter gebonden aan de in het voorgaande vastgelegde algemene uitgangspunten.

XXXVI. Met betrekking tot het tweede lid van artikel 32 (Beperking van artikelen 30 en 31)

Het is wel te verstaan dat de bevoegde autoriteiten van beide Staten al hetgeen redelijkerwijs mogelijk is doen om inlichtingen te verkrijgen en te verschaffen betreffende belangen in een persoon naar aanleiding van een verzoek van de andere Staat. Het tweede lid van artikel 32 (Beperking van artikelen 30 en 31) leidt niet tot een verplichting van de bevoegde autoriteiten van de Staten om inlichtingen te verkrijgen en te verschaffen betreffende belangen in een persoon tenzij deze inlichtingen kunnen worden verkregen zonder te leiden tot onevenredige moeilijkheden.

XXXVII. Met betrekking tot het tweede lid van artikel 35 (Vrijgestelde pensioenfondsen)

Voor de toepassing van het tweede lid van artikel 35 (Vrijgestelde pensioenfondsen) wordt een persoon aangemerkt als een gelieerde persoon indien meer dan 80% van het aantal stemmen of van de waarde van een soort aandelen toebehoort aan de persoon die de inkomsten verwerft.

XXXVIII. Tot slot

Het is over het algemeen wel te verstaan dat de twee Regeringen op gezette tijden met elkaar overleggen betreffende de voorwaarden, uitvoering en toepassing van de Overeenkomst teneinde te waarborgen dat deze blijft beantwoorden aan de doelstelling van het vermijden van dubbele belasting en van het voorkomen van het ontgaan van belasting en, wanneer zij zulks wenselijk achten, verdere Protocollen zullen sluiten tot wijziging van de Overeenkomst. Het eerste overleg in dat kader zal plaatsvinden uiterlijk 31 december van het vijfde jaar na de datum waarop het Protocol in werking treedt in overeenstemming met de bepalingen van artikel 10 van het Protocol. Verder overleg vindt vervolgens plaats met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar. Onverminderd de voorgaande alinea, kan elk van beide Regeringen te allen tijde verzoeken om overleg met de andere Regering met betrekking tot kwesties inzake de voorwaarden, uitvoering en toepassing van de Overeenkomst indien zij een spoedige oplossing daarvoor nodig acht.

Nr. I

DEPARTEMENT OF STATE WASHINGTON

Washington D.C., 8 maart 2004

Excellentie,

Ik heb de eer te verwijzen naar het heden ondertekende Protocol tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden tot wijziging van de Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en namens de Regering van de Verenigde Staten het volgende voor te stellen:

In de loop van de onderhandelingen die hebben geleid tot het sluiten van het heden ondertekende Protocol, hebben de onderhandelaars de bij deze nota gevoegde overeenstemming opgesteld en daarover overeenstemming bereikt. De overeenstemming is een intentieverklaring inzake de gemeenschappelijke overeenstemming over en interpretatie van enige bepalingen van het Protocol zoals bereikt door de delegaties van de Verenigde Staten en het Koninkrijk der Nederlanden namens hun onderscheiden regeringen. Deze overeenstemmingen en interpretaties zijn bedoeld als richtlijn voor zowel de belastingplichtigen als de belastingautoriteiten van onze twee landen bij de interpretatie van deze bepalingen. Voorts is besloten dat deze overeenstemming de overeenstemming ten geleide van de Overeenkomst van 1992 en de desbetreffende notawisseling bij het Protocol van 1993 zal vervangen. Indien de overeenstemmingen en interpretaties in de overeenstemming aanvaardbaar zijn, vormen deze nota en uw nota inzake de aanvaarding ervan de vaststelling van de overeenstemmingen en interpretaties die de partijen hebben bereikt.

Gelief, Excellentie, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

Voor de Minister van Buitenlandse Zaken

ELIZABETH JONES

Zijne Excellentie

Boudewijn van Eenennaam

Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden

Nr. II

Washington D.C., 8 maart 2004

Excellentie,

Ik heb de eer de ontvangst te bevestigen van uw Nota van heden die als volgt luidt:

[Red: (Zoals in Nr. I) ]

Ik heb de eer u mede te delen dat mijn Regering met het vorenstaande akkoord gaat. Gelief, Excellentie, de verzekering van mijn zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

B. J. VAN EENENNAAM

Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden

Ministerie van Buitenlandse Zaken van

De Verenigde Staten van Amerika

Authentiek : EN

Convention between the Kingdom of the Netherlands and the United States of America for the Avoidance of Double Taxation and the Prevention of Fiscal Evasion with respect to Taxes on Income

The Government of the Kingdom of the Netherlands and the Government of the United States of America, desiring to replace by a new convention the Convention between the Kingdom of the Netherlands and the United States of America with respect to taxes on income and certain other taxes signed at Washington on April 29, 1948, as modified and supplemented by the Supplementary Convention signed at Washington on December 30, 1965,

Have agreed as follows:

CHAPTER I. SCOPE OF THE CONVENTION

Article 1. General Scope

  • 1 This Convention shall apply to persons who are residents of one or both of the States, except as otherwise provided in the Convention.

  • 2 The Convention shall not restrict in any manner any exclusion, exemption, deduction, credit, or other allowance now or hereafter accorded:

    • a) by the laws of either State, except, as regards the Netherlands, with respect to Article 25 (Methods of Elimination of Double Taxation); or

    • b) by any other agreement between the States.

  • 3

    • a) Notwithstanding the provisions of subparagraph 2 b):

      • (i) any question arising as to the interpretation or application of this Convention and, in particular, whether a taxation measure is within the scope of this Convention shall be determined exclusively in accordance with the provisions of Article 29 (Mutual Agreement Procedure) of this Convention; and

      • (ii) the provisions of Article XVII of the General Agreement on Trade in Services shall not apply to a taxation measure unless the competent authorities agree that the measure is not within the scope of Article 28 (Non-Discrimination) of this Convention.

    • b) For the purpose of this paragraph, a “measure” is a law, regulation, rule, procedure, decision, administrative action, or any similar provision or action.

Article 2. Taxes covered

  • 1 The existing taxes to which this Convention shall apply are in particular:

    • a) in the Netherlands:

      • - de inkomstenbelasting (income tax),

      • - de loonbelasting (wages tax),

      • - de vennootschapsbelasting (company tax), including the government share in the net profits of the exploitation of natural resources levied pursuant to the Mining Act (Mijnbouwwet) hereinafter referred to as ’profit share”,

      • - de dividendbelasting (dividend tax),

        (hereinafter referred to as “Netherlands tax”);

    • b) in the United States: the Federal income taxes imposed by the Internal Revenue Code (but excluding social security taxes), and the excise taxes imposed on insurance premiums paid to foreign insurers and with respect to private foundations (hereinafter referred to as “United States tax”).

    The Convention shall, however, apply to the excise taxes imposed on insurance premiums paid to foreign insurers only to the extent that the risks covered by such premiums are not reinsured with a person not entitled to the benefits of this or any other convention which provides exemption from these taxes.

  • 2 The Convention shall apply also to any identical or substantially similar taxes which are imposed after the date of signature of the Convention in addition to, or in place of, the existing taxes. The competent authorities of the States shall notify each other of any substantial changes which have been made in their respective taxation laws.

CHAPTER II. DEFINITIONS

Artikel 3. General definitions

  • 1 For the purposes of this Convention, unless the context otherwise requires:

    • a) the term “State” means the Netherlands or the United States, as the context requires; the term “States” means the Netherlands and the United States;

    • b) the term “the Netherlands” comprises the part of the Kingdom of the Netherlands that is situated in Europe and the part of the sea bed and its sub-soil under the North Sea, over which the Kingdom of the Netherlands has sovereign rights in accordance with international law for the purpose of exploration for and exploitation of the natural resources of such areas, but only to the extent that the person, property, or activity to which this Convention is being applied is connected with such exploration or exploitation;

    • c)

      • i) the term “United States” means the United States of America, but does not include Puerto Rico, the Virgin Islands, Guam, or any other United States possession or territory;

      • ii) when used in a geographical sense, the term “United States” means the states thereof and the District of Columbia. Such term also includes (A) the territorial sea thereof and (B) the sea bed and sub-soil of the submarine areas adjacent to that territorial sea, over which the United States exercises sovereign rights in accordance with international law for the purpose of exploration for and exploitation of the natural resources of such areas, but only to the extent that the person, property, or activity to which this Convention is being applied is connected with such exploration or exploitation;

    • d) the term “person” includes an individual, an estate, a trust, a company and any other body of persons;

    • e) the term “company” means any body corporate or any entity which is treated as a body corporate for tax purposes;

    • f) the terms “enterprise of one of the States” and “enterprise of the other State” mean respectively an enterprise carried on by a resident of one of the States and an enterprise carried on by a resident of the other State;

    • g) the term “nationals” means:

      • i) all individuals possessing the nationality or citizenship of one of the States;

      • ii) all legal persons, partnerships and associations deriving their status as such from the laws in force in one of the States;

    • h) the term “international traffic” means any transport by a ship or aircraft operated by an enterprise of one of the States, except when the ship or aircraft is operated solely between places within the other State;

    • i) the term “competent authority” means:

      • i) in the Netherlands: the Minister of Finance or his duly authorized representative; and

      • ii) in the United States: the Secretary of the Treasury or his delegate.

  • 2 As regards the application of the Convention by one of the States any term not defined therein shall, unless the context otherwise requires or the competent authorities agree to a common meaning pursuant to the provisions of Article 29 (Mutual Agreement Procedure), have the meaning which it has under the law of that State concerning the taxes to which the Convention applies.

Article 4. Resident

  • 1 For the purposes of this Convention, the term “resident of one of the States” means any person who, under the laws of that State, is liable to tax therein by reason of his domicile, residence, place of management, place of incorporation, or any other criterion of a similar nature, or that is an exempt pension trust, as dealt with in Article 35 (Exempt Pension Trust) and that is a resident of that State according to the laws of that State, or an exempt organization, as dealt with in Article 36 (Exempt Organizations) and that is a resident of that State according to the laws of that State. If, under the laws of the two States, an individual is a resident of both States, his residence for purposes of the Convention shall be determined under the rules of paragraph 2. An individual who is a resident of one of the States under the law of that State, or who is a citizen of the United States, and who is not a resident of the other State under its law, will, for the purposes of this paragraph, be treated as a resident of the State of which he is a resident or citizen only if (i) he would be a resident of that State and not a third State, under the principles of subparagraphs (a) and (b) of paragraph 2 of this Article, if that third State is one with which the first-mentioned State does not have a comprehensive income tax Convention, or (ii) he is a resident of that State and not a third State, if that third State is one with which the first-mentioned State does have a comprehensive income tax Convention, under the provisions of that Convention. However, the term “resident of one of the States” does not include any person who is liable to tax in that State in respect only of income from sources in that State.

  • 2 Where by reason of the provisions of paragraph 1, an individual is a resident of both States, then his status shall be determined as follows:

    • a) he shall be deemed to be a resident of the State in which he has a permanent home available to him; if he has a permanent home available to him in both States, he shall be deemed to be a resident of the State with which his personal and economic relations are closer (centre of vital interests);

    • b) if the State in which he has his centre of vital interests cannot be determined, or if he has not a permanent home available to him in either State, he shall be deemed to be a resident of the State in which he has an habitual abode;

    • c) if he has an habitual abode in both States or in neither of them, he shall be deemed to be a resident of the State of which he is a national;

    • d) if he is a national of both States or of neither of them, the competent authorities of the States shall settle the question by mutual agreement.

  • 3 Where by reason of the provisions of paragraph 1, a person other than an individual or a company is a resident of both States, the competent authorities of the States shall settle the question by mutual agreement and determine the mode of application of the Convention to such person.

  • 4 Where by reason of the provisions of paragraph 1, a company is a resident of both States, the competent authorities of the States shall endeavour to settle the question by mutual agreement, having regard to the company's place of effective management, the place where it is incorporated or otherwise constituted and any other relevant factors. In the absence of such agreement, such company shall not be entitled to claim any benefits under this Convention, except that such company may claim the benefits of paragraph 4 of Article 25 (Methods of Elimination of Double Taxation) and of Articles 28 (Non-discrimination), 29 (Mutual Agreement Procedure) and 37 (Entry into Force).

Article 5. Permanent establishment

  • 1 For the purposes of this Convention, the term “permanent establishment” means a fixed place of business through which the business of an enterprise is wholly or partly carried on.

  • 2 The term “permanent establishment” includes especially:

    • a) a place of management;

    • b) a branch;

    • c) an office;

    • d) a factory;

    • e) a workshop; and

    • f) a mine, an oil or gas well, a quarry or any other place of extraction of natural resources.

  • 3 A building site or construction or installation project constitutes a permanent establishment only if it lasts more than twelve months.

  • 4 Notwithstanding the preceding provisions of this Article, the term “permanent establishment” shall be deemed not to include:

    • a) the use of facilities solely for the purpose of storage, display or delivery of goods or merchandise belonging to the enterprise;

    • b) the maintenance of a stock of goods or merchandise belonging to the enterprise solely for the purpose of storage, display or delivery;

    • c) the maintenance of a stock of goods or merchandise belonging to the enterprise solely for the purpose of processing by another enterprise;

    • d) the maintenance of a fixed place of business solely for the purpose of purchasing goods or merchandise, or of collecting information, for the enterprise;

    • e) the maintenance of a fixed place of business solely for the purpose of carrying on, for the enterprise, any other activity of a preparatory or auxiliary character;

    • f) the maintenance of a fixed place of business solely for any combination of the activities mentioned in subparagraphs (a) to (e), provided that the overall activity of the fixed place of business resulting from this combination is of a preparatory or auxiliary character.

  • 5 Notwithstanding the provisions of paragraphs 1 and 2, where a person - other than an agent of an independent status to whom paragraph 6 applies - is acting on behalf of an enterprise and has, and habitually exercises, in one of the States an authority to conclude contracts in the name of the enterprise, that enterprise shall be deemed to have a permanent establishment in that State in respect of any activities which that person undertakes for the enterprise, unless the activities of such person are limited to those mentioned in paragraph 4 which, if exercised through a fixed place of business, would not make this fixed place of business a permanent establishment under the provisions of that paragraph.

  • 6 An enterprise shall not be deemed to have a permanent establishment in one of the States merely because it carries on business in that State through a broker, general commission agent or any other agent of an independent status, provided that such persons are acting in the ordinary course of their business.

  • 7 The fact that a company which is a resident of one of the States controls or is controlled by a company which is a resident of the other State, or which carries on business in that other State (whether through a permanent establishment or otherwise), shall not of itself constitute either company a permanent establishment of the other.

CHAPTER III. TAXATION OF INCOME

Article 6. Income from real property

  • 1 Income derived by a resident of one of the States from real property (including income from agriculture or forestry) situated in the other State may be taxed in that other State.

  • 2 The term “real property” shall have the meaning which it has under the law of the State in which the property in question is situated. The term shall in any case include property accessory to real property, livestock and equipment used in agriculture and forestry, rights to which the provisions of general law respecting landed property apply, usufruct of real property and rights to variable or fixed payments as consideration for the working of, or the right to work, mineral deposits, sources and other natural resources; ships and aircraft shall not be regarded as real property.

  • 3 The provisions of paragraph 1 shall apply to income derived from the direct use, letting, or use in any other form of real property.

  • 4 The provisions of paragraphs 1 and 3 shall also apply to the income from real property of an enterprise and to income from real property used for the performance of independent personal services.

  • 5 A resident of one of the States who is liable to tax in the other State on income from real property situated in the other State may elect for any taxable year to compute the tax on such income on a net basis as if such income were attributable to a permanent establishment in such other State. Any such election shall be binding for the taxable year of the election and all subsequent taxable years unless the competent authorities of the States, pursuant to a request by the taxpayer made to the competent authority of the State of which the taxpayer is a resident, agree to terminate the election.

  • 6 Exploration and exploitation rights of the sea bed, its sub-soil, and natural resources found therein (including rights to interests in, or to benefits of, assets to be produced by such exploration or exploitation) shall be regarded as real property situated in the State in which such sea bed, sub-soil, and natural resources are located. Such rights shall be considered to pertain to the property of a permanent establishment in that State to the same extent that any item of real property located in that State would be considered to pertain to a permanent establishment in that State.

Article 7. Business profits

  • 1 The profits of an enterprise of one of the States shall be taxable only in that State unless the enterprise carries on business in the other State through a permanent establishment situated therein. If the enterprise carries on business as aforesaid, the profits of the enterprise may be taxed in the other State but only so much of them as is attributable to that permanent establishment.

  • 2 Subject to the provisions of paragraph 3, where an enterprise of one of the States carries on business in the other State through a permanent establishment situated therein, there shall in each State be attributed to that permanent establishment the profits which it might be expected to make if it were a distinct and separate enterprise engaged in the same or similar activities under the same or similar conditions and dealing wholly independently with the enterprise of which it is a permanent establishment.

  • 3 In determining the profits of a permanent establishment, there shall be allowed as deductions expenses which are incurred for the purposes of the permanent establishment, including executive and general administrative expenses, research and development expenses, interest, and other expenses incurred for the purposes of the enterprise as a whole (or the part thereof which includes the permanent establishment), whether incurred in the State in which the permanent establishment is situated or elsewhere.

  • 4 No profits shall be attributed to a permanent establishment by reason of the mere purchase by that permanent establishment of goods or merchandise for the enterprise.

  • 5 For the purposes of the preceding paragraphs the profits to be attributed to the permanent establishment shall include only the profits derived from the assets or activities of the permanent establishment and shall be determined by the same method year by year unless there is good and sufficient reason to the contrary.

  • 6 Where profits include items of income which are dealt with separately in other Articles of the Convention, then the provisions of those Articles shall not be affected by the provisions of this Article.

  • 7 The United States tax on insurance premiums paid to foreign insurers, to the extent that it is a covered tax under paragraph 1 (b) of Article 2 (Taxes Covered), shall not be imposed on insurance or reinsurance premiums which are the receipts of a business of insurance carried on by an enterprise of the Netherlands whether or not that business is carried on through a permanent establishment in the United States.

Article 8. Shipping and Air Transport

  • 1 Profits derived by an enterprise of one of the States from the operation of ships or aircraft in international traffic shall be taxable only in that State.

  • 2 For the purposes of this Article, profits from the operation of ships or aircraft in international traffic include profits derived from the rental of ships or aircraft if such rental profits are incidental to profits described in paragraph 1.

  • 3 The provisions of paragraph 1 shall also apply to the proportionate share of profits derived from the participation in a pool, a joint business or an international operating agency. The proportionateshare shall be treated as derived directly from the operation of ships or aircraft in international traffic.

Article 9. Associated Enterprises

  • 1 Where

    • a) an enterprise of one of the States participates directly or indirectly in the management, control or capital of an enterprise of the other State; or

    • b) the same persons participate directly or indirectly in the management, control, or capital of an enterprise of one of the States and an enterprise of the other State,

    and in either case conditions are made or imposed between the two enterprises in their commercial or financial relations which differ from those which would be made between independent enterprises, then any income, deductions, receipts, allowances or outgoings which would, but for those conditions, have accrued to one of the enterprises, but, by reason of those conditions, have not so accrued, may be included in the profits of that enterprise and taxed accordingly.

    It is understood, however, that the fact that associated enterprises have concluded arrangements, such as cost sharing arrangements or general services agreements, for or based on the allocation of executive, general administrative, technical and commercial expenses, research and development expenses and other similar expenses, is not in itself a condition as meant in the preceding sentence.

  • 2 Where one of the States includes in the profits of an enterprise of that State - and taxes accordingly profits on which an enterprise of the other State has been charged to tax in that other State, and the profits so included are profits which would have accrued to the enterprise of the first-mentioned State if the conditions made between the two enterprises had been those which would have been made between independent enterprises, then that other State shall make an appropriate adjustment to the amount of the tax charged therein on those profits. In determining such adjustment, due regard shall be had to the other provisions of this Convention and the competent authorities of the States shall if necessary consult each other.

Article 10. Dividends

  • 1 Dividends paid by a company which is a resident of one of the States to a resident of the other State may be taxed in that other State.

  • 2 However, such dividends may also be taxed in the State of which the company paying the dividends is a resident and according to the laws of that State, but if the beneficial owner of the dividends is a resident of the other State, the tax so charged shall not exceed:

    • a) 5 percent of the gross amount of the dividends if the beneficial owner is a company which holds directly at least 10 percent of the voting power in the company paying the dividends; and

    • b) 15 percent of the gross amount of the dividends in all other cases.

  • 3 Notwithstanding the provisions of paragraph 2, dividends shall not be taxed in the State of which the company paying the dividends is a resident if the person who is the beneficial owner of the dividends is a company that is a resident of the other State that has owned directly shares representing 80 percent or more of the voting power in the company paying the dividends for a 12-month period ending on the date the dividend is declared and:

  • 4

    • a) Subparagraph a) of paragraph 2 and paragraph 3 shall not apply in the case of dividends paid by a United States person that is a Regulated Investment Company (RIC) or a Real Estate Investment Trust (REIT) or in the case of dividends paid by a Dutch company that is a “beleggingsinstelling” in the sense of Article 28 of the Netherlands Corporation Tax Act (Wet op de vennootschapsbelasting 1969) (hereinafter referred to as “beleggingsinstelling”).

    • b) In the case of dividends paid by a RIC or a beleggingsinstelling, subparagraph b) of paragraph 2 shall apply.

    • c) In the case of dividends paid by a REIT or, notwithstanding subparagraph b) of this paragraph 4, by a beleggingsinstelling that invests in real estate to the same extent as is required of a REIT, subparagraph b) of paragraph 2 shall apply only if:

      • (i) the beneficial owner of the dividends is an individual holding an interest of not more than 25 percent in the REIT or beleggingsinstelling;

      • (ii) the dividends are paid with respect to a class of stock that is publicly traded and the beneficial owner of the dividends holds an interest of not more than 5 percent of any class of the stock of the REIT or beleggingsinstelling;

      • (iii) the beneficial owner of the dividends holds an interest of not more than 10 percent in the REIT or beleggingsinstelling and the gross value of no single interest in real property held by the REIT or beleggingsinstelling exceeds 10 percent of the gross value of the total interest in real property held by the REIT or beleggingsinstelling; or

      • (iv) the beneficial owner is a beleggingsinstelling, in the case of dividends paid by a REIT, or a RIC or a REIT, in the case of dividends paid by a beleggingsinstelling.

  • 5 The provisions of the preceding paragraphs shall not affect the taxation of the company in respect of the profits out of which the dividends are paid.

  • 6 The term “dividends” as used in this Convention means income from shares or other rights participating in profits, as well as income from other corporate rights which is subjected to the same taxation treatment as income from shares by the laws of the State of which the company making the distribution is a resident. For the purposes of this paragraph, the term “dividends” also includes, in the case of the Netherlands, income from debt claims that is subjected to the same taxation treatment as income from shares and, in the case of the United States, income from debt obligations carrying the right to participate in profits.

  • 7 The provisions of paragraphs 1, 2, 3, and 4 of this Article shall not apply if the beneficial owner of the dividends, being a resident of one of the States, carries on business in the other State of which the company paying the dividends is a resident, through a permanent establishment situated therein, or performs in that other State independent personal services from a fixed base situated therein, and the holding in respect of which the dividends are paid forms part of the business property of such permanent establishment or pertains to such fixed base. In that case the provisions of Article 7 (Business Profits) or Article 15 (Independent Personal Services), as the case may be, shall apply.

  • 8 Where a company which is a resident of one of the States derives profits or income from the other State, that other State may not impose any tax on the dividends paid by the company, except insofar as such dividends are paid to a resident of that other State or insofar as the holding in respect of which the dividends are paid forms part of the business property of a permanent establishment or pertains to a fixed base situated in that other State, nor, except as provided in Article 11 (Branch Tax), subject the company's undistributed profits to a tax on the company's undistributed profits, even if the dividends paid or the undistributed profits consist wholly or partly of profits or income arising in such other State.

Article 11. Branch Tax

  • 1 A corporation which is a resident of one of the States and which has a permanent establishment in the other State or which is subject to tax on a net basis in that other State under Article 6 (Income from Real Property) or under paragraph 1 of Article 14 (Capital Gains), may be subject in that other State to a tax in addition to the tax allowable under the other provisions of this Convention. Such tax, however, may be imposed only on that portion of the business profits of the corporation attributable to the permanent establishment under this Convention or the income subject to tax on a net basis under Article 6 (Income from Real Property) or under paragraph 1 of Article 14 (Capital Gains) and reduced for all taxes chargeable in that State on such profits and income, other than the additional tax referred to herein, and further reduced (but not below zero) for any increase in the net equity attributable to such permanent establishment at the end of the taxation year, as measured from the end of the preceding taxation year, and increased (but not in excess of the accumulated profits) for any decrease in the net equity attributable to such permanent establishment at the end of the taxation year, as measured from the end of the preceding taxation year.

  • 2 Notwithstanding paragraph 4, for purposes of this Article, the term “accumulated profits” means the excess of the aggregate profits referred to in paragraph 1 of this Article for all the preceding taxation years during which this Convention was in effect, over the aggregate profits taxed under this Article during such preceding taxation years.

  • 4 In the case of the United States, the additional tax described in paragraph 1 may be imposed upon the “dividend equivalent amount” (as that term is defined in the law of the United States as on the date of signature of this Convention and as that law may be amended from time to time, but only to the extent that this definition, as amended, is in conformity with the principles of this Article).

  • 5 Notwithstanding paragraph 4, no additional tax may be imposed under paragraph 1 with respect to income subject to tax under paragraph 1 of Article 14 (Capital Gains) which is derived from the disposition of shares or other comparable corporate rights in a company.

Article 12. Interest

  • 1 Interest arising in one of the States and beneficially owned by a resident of the other State shall be taxable only in that other State.

  • 2 The term “interest” as used in this Convention means income from debt-claims of every kind, whether or not secured by mortgage, and not carrying a right to participate in the debtor's profits, and in particular, income from government securities, and income from bonds or debentures, including premiums and prizes attaching to such securities, bonds, or debentures, and an excess inclusion with respect to a residual interest in a real estate mortgage investment conduit, as well as other income that is treated as income from money lent by the taxation law of the State in which the income arises. The term does not include income dealt with in Article 10 (Dividends). Penalty charges for late payment shall not be regarded as interest for the purpose of this Convention.

  • 3 The provisions of paragraph 1 shall not apply if the beneficial owner of the interest, being a resident of one of the States, carries on business in the other State, in which the interest arises, through a permanent establishment situated therein, or performs in that other State independent personal services from a fixed base situated therein, and the interest paid is attributable to such permanent establishment or fixed base. In such case the provisions of Article 7 (Business Profits) or Article 15 (Independent Personal Services), as the case may be, shall apply.

  • 4 Interest shall be deemed to arise in one of the States when the payer is that State itself, or a political subdivision, a local authority, or a resident of that State. Where, however, the person paying the interest, whether he is a resident of one of the States or not, has in one of the States a permanent establishment or a fixed base in connection with which the indebtedness on which the interest is paid was incurred, or has income otherwise subject to the tax described in Article 11 (Branch Tax), and such interest is borne by such permanent establishment or fixed base or is allocable to the income subject to the tax described in Article 11 (Branch Tax), then such interest shall be deemed to arise in the State in which the permanent establishment or fixed base is situated or in which the income is subject to the tax described in Article 11 (Branch Tax).

  • 5 Where, by reason of a special relationship between the payer and the beneficial owner or between both of them and some other person, the amount of the interest, having regard to the debt-claim for which it is paid, exceeds the amount which would have been agreed upon by the payer and the beneficial owner in the absence of such relationship, the provisions of this Article shall apply only to the last-mentioned amount. In such case the excess part of the payments shall remain taxable according to the laws of each State, due regard being had to the other provisions of this Convention.

  • 6 A State may not impose any tax on interest paid by a resident of the other State, except insofar as

    • a) the interest is paid to a resident of the first-mentioned State;

    • b) the interest is attributable to a permanent establishment or a fixed base situated in the first-mentioned State; or

    • c) the interest arises in the first-mentioned State and is not paid to a resident of the other State.

    Where the payer of the interest is a resident of one of the States and has a permanent establishment in the other State or has income otherwise subject to the tax described in Article 11 (Branch Tax), then to the extent the amount of the interest arising in such other State by reason of the permanent establishment or by reason of income subject to the tax described in Article 11 (Branch Tax) exceeds the total amount of interest paid by such permanent establishment or in connection with income otherwise subject to the tax described in Article 11 (Branch Tax), such excess amount shall be treated as interest derived and beneficially owned by a resident of the first-mentioned State.

  • 7 The provisions of paragraph 1 shall not apply to an excess inclusion with respect to a residual interest in a real estate mortgage investment conduit.

  • 8 Notwithstanding the provisions of paragraph 1, interest arising in one of the States and beneficially owned by an enterprise of the other State and attributable to a permanent establishment of that enterprise in a third jurisdiction, may also be taxed in the first-mentioned State if the profits of that permanent establishment are subject to an aggregate rate of tax, in the other State and the third jurisdiction in which the permanent establishment is situated, that is, in the case of interest arising in the first-mentioned State and beneficially owned by an enterprise of the other State before January 1, 1998, less than 50 percent of the general rate of company tax applicable in the other State, and in the case of interest arising in the first-mentioned State and beneficially owned by an enterprise of the other State on or after January 1,1998, less than 60 percent of the general rate of company tax applicable in the other State, but the tax so charged shall not exceed 15 percent of the gross amount of such interest.

    However, the provisions of this paragraph shall not apply to interest derived in connection with or incidental to the active conduct of a trade or business carried on by the permanent establishment in the third jurisdiction (other than the business of making or managing investments, unless these activities are banking or insurance activities carried on by a bank or insurance company).

Article 13. Royalties

  • 1 Royalties arising in one of the States and beneficially owned by a resident of the other State shall be taxable only in that other State.

  • 2 The term “royalties” as used in this Convention means payments of any kind received as a consideration for the use of, or the right to use, any copyright of literary, artistic, or scientific work (but not including motion pictures or works on film, tape or other means of reproduction used for radio or television broadcasting), any patent, trademark, trade name, brand name, design or model, plan, secret formula or process, or for information concerning industrial, commercial or scientific experience. The term “royalties” also includes gains derived from the alienation of any such right or property which are contingent on the productivity, use, or disposition thereof.

  • 3 The provisions of paragraph 1 shall not apply if the beneficial owner of the royalties, being a resident of one of the States, carries on business in the other State, in which the royalties arise, through a permanent establishment situated therein, or performs in that other State independent personal services from a fixed base situated therein, and the royalties are attributable to such permanent establishment or fixed base. In such case the provisions of Article 7 (Business Profits) or Article 15 (Independent Personal Services), as the case may be, shall apply.

  • 4 Where, by reason of a special relationship between the payer and the beneficial owner or between both of them and some other person, the amount of the royalties, having regard to the use, right, or information for which they are paid, exceeds the amount which would have been agreed upon by the payer and the beneficial owner in the absence of such relationship, the provisions of this Article shall apply only to the last-mentioned amount. In such case the excess part of the payments shall remain taxable according to the laws of each State, due regard being had to the other provisions of this Convention.

  • 5 A State may not impose any tax on royalties paid by a resident of the other State, except insofar as

    • a) the royalties are paid to a resident of the first-mentioned State;

    • b) the royalties are attributable to a permanent establishment or a fixed base situated in the first-mentioned State;

    • c) the contract under which the royalties are paid was concluded in connection with a permanent establishment or a fixed base which the payer has in the first-mentioned State, and such royalties are borne by such permanent establishment or fixed base and are not paid to a resident of the other State; or

    • d) royalties are paid in respect of intangible property used in the first-mentioned State and not paid to a resident of the other State, but only where the payer has also received a royalty paid by a resident of the first-mentioned State, or borne by a permanent establishment or base situated in that State, in respect of the use of that property in the first-mentioned State and provided that the use of the intangible property in question is not a component part of nor directly related to the active conduct of a trade or business in which the payer is engaged as meant in paragraph 2 of Article 26 (Limitation on Benefits).

  • 6 Notwithstanding the provisions of paragraph 1, royalties arising in one of the States and beneficially owned by an enterprise of the other State and attributable to a permanent establishment of that enterprise in a third jurisdiction, may also be taxed in the first-mentioned State if the profits of that permanent establishment are subject to an aggregate rate of tax, in the other State and the third jurisdiction in which the permanent establishment is situated, that is, in the case of royalties arising in the first-mentioned State and beneficially owned by an enterprise of the other State before January 1,1998, less than 50 percent of the general rate of company tax applicable in the other State, and in the case of royalties arising in the first-mentioned State and beneficially owned by an enterprise of the other State on or after January 1,1998, less than 60 percent of the general rate of company tax applicable in the other State, but the tax so charged shall not exceed 15 percent of the gross amount of such royalties.

    However, the provisions of this paragraph shall not apply if the royalties are received as a compensation for the use of, or the right to use, intangible property produced or developed by the permanent establishment itself.

Article 14. Capital Gains

  • 1 Gains derived by a resident of one of the States from the disposition of real property situated in the other State may be taxed in the other State. For the purposes of this paragraph the term “real property situated in the other State” shall include:

    • a) real property referred to in Article 6 (Income from Real Property); and

    • b) shares or other comparable corporate rights in a company that is a resident of that other State, the assets of which company consist, directly or indirectly, for the greater part of real property situated in that other State, and an interest in a partnership, trust, or estate, to the extent that it is attributable to real property situated in that other State.

    In the United States, the term includes a “United States real property interest” as defined in the Internal Revenue Code on the date of signature of this Convention, and as amended from time to time without changing the general principles described in this paragraph.

  • 2

    • a) Where after the date this Convention enters into force a person who has been a resident of one of the States continuously since June 18, 1980, alienates real property situated in the other State, the alienation of which could not be taxed by the other State under the provisions of the prior Convention as defined in paragraph 2 of Article 37 (Entry into Force), and either:

      • i) the resident owned the alienated property continuously from June 18,1980 until the date of alienation; or

      • ii) each of the following conditions is satisfied:

        • A) the resident acquired the alienated property in a transaction that qualified for non-recognition (determined without regard to section 897 of the Internal Revenue Code) for purposes of

          taxation in the other State, and the resident has owned the property continuously since such acquisition; and

        • B) the resident's initial basis in the alienated property was equal to either the basis of the property that the resident exchanged for the alienated property, or the basis of the alienated property in the hands of the person transferring the property to the resident immediately prior to the transfer; then

      the gain liable to tax in the other State under this Article shall be reduced by the portion of the gain attributable proportionately, on a monthly basis, to the period ending on December 31, 1984, or such greater portion as is shown to the satisfaction of the competent authority of that other State to be attributable to that period.

    • b) The provisions of this paragraph shall not apply unless, during the period from January 1, 1992, through the date of alienation, the resident, and any other person who owned the property during such period, was entitled to the benefits of this Article under Article 26 (Limitation on Benefits), or would have been so entitled if the Convention had been in effect throughout such period. In addition, during the period from June 18, 1980, through December 31, 1991, each person who owned the property must have been a resident of one of the States under the prior Convention as defined in paragraph 2 of Article 37 (Entry into Force).

    • c) The provisions of this paragraph shall not apply to the alienation of property that:

      • i) formed part of the property of a permanent establishment, or ned to a fixed base, situated in the other State at any time on or after June 18,1980;

      • ii) was acquired directly or indirectly by any person on or after June 18, 1980, in a transaction that did not qualify for non-recognition (determined without regard to section 897 of the Internal Revenue Code), or in a transaction in which it was acquired in exchange for an asset that was acquired in a transaction that did not qualify for non-recognition (determined without regard to section 897 of the Internal Revenue Code); or

      • iii) was acquired, directly or indirectly, by any person on or after June 18,1980, in exchange for property described in clause (i) or (ii) of this subparagraph, or property the alienation of which could have been taxed by the other State under the provisions of the prior Convention as defined in paragraph 2 of Article 37 (Entry into Force).

  • 3 Gains from the alienation of personal property forming part of the business property of a permanent establishment which an enterprise of one of the States has in the other State or of personal property pertaining to a fixed base available to a resident of one of the States in the other State for the purpose of performing independent personal services, including such gains from the alienation of such permanent establishment (alone or with the whole enterprise) or of such fixed base, may be taxed in that other State.

  • 4 Notwithstanding the provisions of paragraph 3, gains from the deemed alienation of tangible depreciable personal property forming part of the business property of a permanent establishment which an enterprise of one of the States has in the other State under paragraph 3 of Article 27 (Offshore Activities) or of tangible depreciable personal property pertaining to a fixed base available to a resident of one of the States in the other State under paragraph 5 of Article 27 (Offshore Activities) for the purpose of performing independent personal services, shall be taxable only in the State of residence of the enterprise if the period during which the tangible depreciable personal property forms part of the business property of such permanent establishment or pertains to such fixed base is less than 3 months and provided that the actual alienation of the tangible depreciable personal property does not take place within 1 year after the date of its deemed alienation.

    If the gain from the deemed alienation of the tangible depreciable personal property is taxable only in the State of residence of the enterprise, in determining the profits of the permanent establishment or the fixed base in the other State the depreciation with respect to such tangible depreciable personal property will be based on the lower of book value or market value, measured when such property became part of the business property of the permanent establishment or such property first pertained to the fixed base.

  • 5 Notwithstanding the provisions of paragraph 3, gains derived by an enterprise of one of the States from the alienation of ships and aircraft operated in international traffic, and of personal property pertaining to the operation of such ships and aircraft shall be taxable only in that State.

  • 6 Gains described in Article 13 (Royalties) shall be taxable in accordance with the provisions of Article 13.

  • 7 Gains from the alienation of any property other than property referred to in paragraphs 1 through 5 shall be taxable only in the State of which the alienator is a resident.

  • 8 Where a resident of one of the States alienates property in the course of a corporate organization, reorganization, amalgamation, division or similar transaction and profit, gain or income with respect to such alienation is not recognized or is deferred for the purpose of taxation in that State, then any tax that would otherwise be imposed by the other State with respect to such alienation will also be deferred to the extent and time as such tax would have been deferred if the alienator had been a resident of the other State, but no longer and in no greater amount than in the first-mentioned State provided that such tax can be collected upon a later alienation and the collection of the amount of tax in question upon the later alienation is secured to the satisfaction of the competent authority of both of the States.

    The competent authorities of the States shall develop procedures for implementing this paragraph.

  • 9 The provisions of paragraph 7 shall not affect the right of each of the States to levy according to its own law a tax on gains from the alienation of shares or other corporate rights participating in profits in a company, the capital of which is wholly or partly divided into shares and which, under the laws of that State is a resident thereof, derived by an individual who is a resident of the other State and who:

    • a) has, at any time during the five-year period preceding the alienation, been a resident of the first-mentioned State, and

    • b) at the time of the alienation owns, either alone or together with related individuals, at least 25 percent of any class of shares of such company.

    For purposes of this paragraph the term “related individuals” means the alienator's spouse and his relatives (by blood or marriage) in the direct line (ancestors and lineal descendents) and his relatives (by whole or half blood or by marriage) in the second degree in the collateral line (siblings or their spouses).

Article 15. Independent Personal Services

  • 1 Income derived by an individual who is a resident of one of the States from the performance of personal services in an independent capacity shall be taxable only in that State, unless such services are not performed in that State and the income derived therefrom is attributable to a fixed base regularly available to the individual in the other State for the purpose of performing his activities.

  • 2 The term “personal services in an independent capacity” includes especially independent scientific, literary, artistic, educational or teaching activities as well as the independent activities of physicians, lawyers, engineers, architects, dentists and accountants.

Article 16. Dependent Personal Services

  • 1 Subject to the provisions of Articles 17 (Directors' Fees), 19 (Pensions, Annuities, Alimony), 20 (Government Service), and 21 (Professors and Teachers), salaries, wages, and other similar remuneration derived by a resident of one of the States in respect of an employment shall be taxable only in that State unless the employment is exercised in the other State. If the employment is so exercised, such remuneration as is derived therefrom may be taxed in that other State.

  • 2 Notwithstanding the provisions of paragraph 1, remuneration derived by a resident of one of the States in respect of an employment exercised in the other State shall be taxable only in the first-mentioned State if

    • a) the recipient is present in the other State for a period or periods not exceeding in the aggregate 183 days in the taxable year concerned;

    • b) the remuneration is paid by, or on behalf of, an employer who is not a resident of the other State; and

    • c) the remuneration is not borne by a permanent establishment or a fixed base which the employer has in the other State.

  • 3 Notwithstanding the preceding provisions of this Article, remuneration derived by a resident of one of the States in respect of an employment as a member of the regular complement of a ship or aircraft operated in international traffic, shall be taxable only in that State.

Article 17. Directors' Fees

Directors' fees or other remuneration derived by a resident of one of the States in his capacity as a member of the board of directors, a “bestuurder” or a “commissaris” of a company which is a resident of the other State may be taxed in that other State. However such remuneration shall be taxable only in the first-mentioned State to the extent to which such remuneration is derived from services rendered in that State.

Article 18. Artistes and Athletes

  • 1 Notwithstanding the provisions of Articles 15 (Independent Personal Services) and 16 (Dependent Personal Services), income derived by a resident of one of the States as an entertainer, such as a theatre, motion picture, radio, or television artiste, or a musician, or as an athlete, from his personal activities as such exercised in the other State, may be taxed in that other State except where the amount of the gross receipts derived by such entertainer or athlete for the taxable year concerned, including expenses reimbursed to him or borne on his behalf, from such activities does not exceed 10,000 United States dollars or its equivalent in euro on January 1 of the taxable year concerned. In the latter case the exemption can be applied by means of a refund of tax which may have been levied at the source. An application for such refund has to be lodged after the end of the taxable year concerned and within three years after that year.

  • 2 Where income in respect of activities exercised by an entertainer or an athlete in his capacity as such accrues not to the entertainer or athlete but to another person, that income of that other person may, notwithstanding the provisions of Articles 7 (Business Profits) and 15 (Independent Personal Services), be taxed in the State in which the activities of the entertainer or athlete are exercised, unless it is established that neither the entertainer or athlete nor persons related thereto participate directly or indirectly in the profits of that other person in any manner, including the receipts of deferred remuneration, bonuses, fees, dividends, partnership distributions, or other distributions.

Artikel 19. Pensions, Annuities, Alimony

  • 1 Subject to the provisions of paragraph 2 of Article 20 (Government Service), pensions and other similar remuneration derived and beneficially owned by a resident of one of the States in consideration of past employment and any annuity shall be taxable only in that State.

  • 2 If, however, an individual deriving remuneration referred to in paragraph 1 was a resident of the other State at any time during the five-year period preceding the date of payment, the remuneration may be taxed in the other State if the remuneration is paid in consideration of employment exercised in the other State and the remuneration is not paid in the form of periodic payments, or a lump sum is paid in lieu of the right to receive an annuity.

  • 3 The provisions of paragraph 2 shall not apply to the portion of the remuneration or lump sum referred to in paragraph 2 that is contributed to a pension plan or retirement account under such circumstances that, if the remuneration or lump sum had been received from a payer in the State of the recipient's residence, the imposition of tax on the payment by the State of the recipient's residence would be deferred until the amount of the payment was withdrawn from the pension plan or retirement account to which it was contributed.

  • 4 Subject to the provisions of paragraph 2 of Article 20 (Government Service), pensions and other payments made under the provisions of a public social security system and other public pensions paid by one of the States to a resident of the other State or a citizen of the United States shall be taxable only in the first-mentioned State.

  • 5 The term “annuity” as used in this Article means a stated sum payable periodically at stated times during life or during a specified or ascertainable period of time under an obligation to make the payments in return for adequate and full consideration in money or money's worth.

  • 6 Alimony paid to a resident of one of the States shall be taxable only in that State. The term “alimony” as used in this paragraph means periodic payments made pursuant to a written separation agreement or a decree of divorce, separate maintenance, or compulsory support, as well as lump sum payments in lieu thereof, which payments are taxable to the recipient under the laws of the State of which he is a resident.

  • 7 Where an individual who is a resident of one of the States is a member or beneficiary of, or participant in, an exempt pension trust that is a resident of the other State, income earned by the exempt pension trust may be taxed as income of that individual only when, and, subject to the provisions of paragraphs 1, 2 and 3 of this Article, to the extent that, it is paid to, or for the benefit of, that individual from the exempt pension trust (and not transferred to another exempt pension trust in that other State).

  • 8 Where an individual who is a member or beneficiary of, or participant in, an exempt pension trust established in one of the States exercises an employment or self-employment in the other State:

    • a) contributions paid by or on behalf of that individual to the exempt pension trust during the period that he exercises an employment or self-employment in the other State shall be deductible (or excludible) in computing his taxable income in that other State; and

    • b) any benefits accrued under the exempt pension trust, or contributions made to the exempt pension trust by or on behalf of the individual's employer, during that period shall not be treated as part of the employee's taxable income and any such contributions shall be allowed as a deduction in computing the business profits of his employer in that other State. The relief available under this paragraph shall not exceed the relief that would be allowed by the other State to residents of that State for contributions to, or benefits accrued under, an exempt pension trust established in that State.

  • 9 The provisions of paragraph 8 of this Article shall not apply unless:

    • a) contributions by or on behalf of the individual, or by or on behalf of the individual's employer, to the exempt pension trust (or to another similar exempt pension trust for which the first-mentioned exempt pension trust was substituted) were made before the individual began to exercise an employment or self-employment in the other State; and

    • b) the competent authority of the other State has agreed that the exempt pension trust generally corresponds to an exempt pension trust established in that other State.

  • 10

    • a) Where a citizen of the United States who is a resident of the Netherlands exercises an employment in the Netherlands the income from which is taxable in the Netherlands and is borne by an employer who is a resident of the Netherlands or by a permanent establishment situated in the Netherlands, and the individual is a member or beneficiary of, or participant in, an exempt pension trust established in the Netherlands,

      • (i) contributions paid by or on behalf of that individual to the exempt pension trust during the period that he exercises the employment in the Netherlands, and that are attributable to the employment, shall be deductible (or excludible) in computing his taxable income in the United States; and

      • (ii) any benefits accrued under the exempt pension trust, or contributions made to the exempt pension trust by or on behalf of the individual's employer, during that period, and that are attributable to the employment, shall not be treated as part of the employee's taxable income in computing his taxable income in the United States. This paragraph shall apply only to the extent that the contributions or benefits qualify for tax relief in the Netherlands.

    • b) The relief available under this paragraph shall not exceed the relief that would be allowed by the United States to its residents for contributions to, or benefits accrued under, a generally corresponding exempt pension trust established in the United States.

    • c) For purposes of determining an individual's eligibility to participate in and receive tax benefits with respect to an exempt pension trust established in the United States, contributions made to, or benefits accrued under, an exempt pension trust established in the Netherlands shall be treated as contributions or benefits under a generally corresponding exempt pension trust established in the United States to the extent relief is available to the individual under this paragraph.

    • d) This paragraph shall not apply unless the competent authority of the United States has agreed that the exempt pension trust generally corresponds to an exempt pension trust established in the United States.

  • 11 The benefits of paragraphs 7, 8, 9 and 10 will apply with respect to an exempt pension trust that is established in the United States only if the pension trust undertakes to provide information and to provide surety to the tax authorities of the Netherlands in accordance with the Netherlands law regarding designated foreign pension trusts."

Article 20. Government Service

  • 1

    • a) Remuneration, other than a pension, paid by one of the States or a political subdivision or a local authority thereof to an individual in respect of services rendered to that State or subdivision or authority shall be taxable only in that State.

    • b) However, such remuneration shall be taxable only in the other State if the services are rendered in that State and the individual is a resident of that State who:

      • i) is a national of that State; or

      • ii) did not become a resident of that State solely for the purpose of rendering the services.

  • 2

    • a) Any pension paid by, or out of funds created by, one of the States or a political subdivision or a local authority thereof to an individual in respect of services rendered to that State or subdivision or authority shall be taxable only in that State.

    • b) However, such pension shall be taxable only in the other State if the individual is a resident of, and a national of, that State.

  • 3 The provisions of Articles 16 (Dependent Personal Services), 17 (Directors' Fees) and 19 (Pensions, Annuities, Alimony) shall apply to remuneration and pensions in respect of services rendered in connection with a business carried on by one of the States or a political subdivision or a local authority thereof.

Article 21. Professors and Teachers

  • 1 An individual who visits one of the States for a period not exceeding two years for the purpose of teaching or engaging in research at a university, college or other recognized educational institution in that State, and who was immediately before that visit a resident of the other State shall be taxable only in that other State on any remuneration for such teaching or research for a period not exceeding two years from the date he first visits the first-mentioned State for such purpose. If the visit exceeds two years, the first-mentioned State may tax the individual under its national law for the entire period of the visit, unless in a particular case the competent authorities of the States agree otherwise.

  • 2 This Article shall not apply to income from research if such research is undertaken not in the public interest but primarily for the private benefit of a specific person or persons.

Article 22. Students and Trainers

  • 1 An individual who immediately before visiting one of the States is a resident of the other State and is temporarily present in the first-mentioned State for the primary purpose of:

    • a) full-time study at a recognized university, college or school in that first-mentioned State; or

    • b) securing training as a business apprentice, shall be exempt from tax in the first-mentioned State in respect of:

      • i) all remittances from abroad for the purpose of his maintenance, education or training, and

      • ii) any remuneration for personal services performed in the firstmentioned State for any taxable year in an amount that does not exceed 2,000 United States dollars or its equivalent in euro on January 1 of that taxable year.

    The benefits under this paragraph shall only extend for such period of time as may be reasonable or customarily required to effectuate the purpose of the visit.

  • 2 An individual who immediately before visiting one of the States is a resident of the other State and is temporarily present in the first-mentioned State for a period not exceeding three years for the purpose of study, research or training solely as a recipient of a grant, allowance or award from a scientific, educational, religious or charitable organization or under a technical assistance program entered into by one of the States, a political subdivision or a local authority thereof shall be exempt from tax in the first-mentioned State on:

    • a) the amount of such grant, allowance or award; and

    • b) any remuneration for personal services performed in the firstmentioned State for any taxable year provided such services are in connection with his study, research or training or are incidental thereto, in an amount that does not exceed 2,000 United States dollars or its equivalent in euro on January 1 of that taxable year.

  • 3 An individual may not claim the benefits of this Article or Article 21 (Professors and Teachers) if, during the immediately preceding period, the individual claimed the benefits of such other Article.

Article 23. Other Income

  • 1 Items of income of a resident of one of the States, wherever arising, not dealt with in the foregoing Articles of this Convention shall be taxable only in that State.

  • 2 The provisions of paragraph 1 shall not apply to income, other than income from real property as denned in paragraph 2 of Article 6 (Income from Real Property), if the beneficial owner of the income, being a resident of one of the States, carries on business in the other State through a permanent establishment situated therein, or performs in that other State independent personal services from a fixed base situated therein, and the income is attributable to such permanent establishment or fixed base. In such case the provisions of Article 7 (Business Profits) or Article 15 (Independent Personal Services), as the case may be, shall apply.

CHAPTER IV. ELIMINATION OF DOUBLE TAXATION

Article 24. Basis of Taxation

  • 1 Notwithstanding any provision of the Convention except paragraph 2, each of the States may tax its residents and nationals as if the Convention had not come into effect. For this purpose, as regards the United States, the term national shall include a former citizen or long-term resident, not being a national of the Netherlands, whose loss of such United States status has as one of its principal purposes the avoidance of income tax, but only for a period of 10 years following such loss.

  • 2 The provisions of paragraph 1 shall not affect

    • a) the benefits conferred by one of the States under paragraph 2 of Article 9 (Associated Enterprises), under paragraphs 4, 7, 8 and 10 of Article 19 (Pensions, Annuities, Alimony), and under Articles 25 (Methods of Elimination of Double Taxation), 28 (Non-Discrimination), and 29 (Mutual Agreement Procedure); and

    • b) the benefits conferred by one of the States under Articles 20 (Government Service), 21 (Professors and Teachers), 22 (Students and Trainees), and 33 (Diplomatic Agents and Consular Officers), upon individuals who are neither citizens of that State, nor, in the case of the United States, lawful permanent residents of the United States.

  • 3 For the implementation of paragraphs 1 and 2 of Article 7 (Business Profits), paragraph 7 of Article 10 (Dividends), paragraph 3 of Article 12 (Interest), paragraph 3 of Article 13 (Royalties), paragraph 3 of Article 14 (Capital Gains), paragraph 1 of Article 15 (Independent Personal Services), and paragraph 2 of Article 23 (Other Income), any income, gain or expense attributable to a permanent establishment or fixed base during its existence is taxable or deductible in the State where such permanent establishment or fixed base is situated even if the payments are deferred until such permanent establishment or fixed base has ceased to exist. Nothing in the preceding sentence shall affect the application to such deferred payments of rules regarding the accrual of income and expenses according to the domestic law of each of the States.

    Gains from the alienation of personal property that at any time formed part of the business property of a permanent establishment or fixed base that a resident of one of the States has or had in the other State may be taxed by that other State only to the extent that the gain is attributable to the period in which the personal property in question formed part of the afore-mentioned business property. Such tax may be imposed on such gains at the time when realized and recognized under the laws of that other State, if that date is within 3 years of the date on which the property ceases to be part of the business property of the permanent establishment or fixed base.

  • 4 In the case of an item of income, profit or gain derived through a person that is fiscally transparent under the laws of either State, such item shall be considered to be derived by a resident of a State to the extent that the item is treated for the purposes of the taxation law of such State as the income, profit or gain of a resident.

Article 25. Methods of Elimination of Double Taxation

  • 2 Where a resident or national of the Netherlands derives items of income which according to Article 6 (Income from Real Property), Article 7 (Business Profits) insofar as such income is subject to United States tax, paragraph 7 of Article 10 (Dividends), paragraph 3 of Article 12 (Interest), paragraph 3 of Article 13 (Royalties), paragraphs 1 and 3 of Article 14 (Capital Gains), Article 15 (Independent Personal Services) insofar as such income is subject to United States tax, paragraph 1 of Article 16 (Dependent Personal Services), paragraph 4 of Article 19 (Pensions, Annuities, Alimony), Article 20 (Government Service), and paragraph 2 of Article 23 (Other Income) of this Convention are taxable in the United States and are included in the basis of taxation, the Netherlands shall exempt such items by allowing a reduction of its tax. This reduction shall be computed in conformity with the provisions of Netherlands law for the avoidance of double taxation. For that purpose the said items of income shall be deemed to be included in the total amount of the items of income which are exempt from Netherlands tax under those provisions.

  • 3 Further, the Netherlands shall allow a deduction from the Netherlands tax for the items of income which according to paragraph 2 of Article 10 (Dividends), Article 17 (Directors' Fees), and Article 18 (Artistes and Athletes) of the Convention may be taxed in the United States to the extent that these items are included in the basis of the taxation.

    The amount of this deduction shall be equal to

    • a) in the case of dividends which may be taxed in the United States according to paragraph 2, subparagraph (a) of Article 10 (Dividends), 5 percent of such dividends;

    • b) in the case of dividends which may be taxed in the United States according to paragraph 2, subparagraph (b) of Article 10 (Dividends), 15 percent of such dividends;

    • c) in the case of other dividends, which may be taxed in the United States according to paragraph 4 of Article 10 (Dividends), 15 percent of such dividends; and,

    • d) in the case of other items of income mentioned in this paragraph, the tax paid in the United States on such other items of income,

    but shall in no case exceed the amount of the reduction which would be allowed if the items of income so included were the sole items of income which are exempt from Netherlands tax under the provisions of Netherlands law for the avoidance of double taxation.

  • 4 In accordance with the provisions and subject to the limitations of the law of the United States (as it may be amended from time to time without changing the general principle hereof), the United States shall allow to a resident or national of the United States as a credit against the United States tax on income:

    • a) the appropriate amount of income tax paid or accrued to the Netherlands by or on behalf of such resident or national, except the income tax paid to the Netherlands in the cases referred to in paragraph 9 of Article 14 (Capital Gains) or in paragraph 2 of Article 19 (Pensions, Annuities, Alimony); and

    • b) in the case of a United States company owning at least 10 percent of the voting stock of a company which is a resident of the Netherlands and from which the United States company receives dividends, the appropriate amount of income tax paid or accrued to the Netherlands by or on behalf of the distributing company with respect to the profits out of which the dividends are paid.

    Such appropriate amount shall be based upon the amount of income tax paid or accrued to the Netherlands, but the credit shall not exceed the limitations (for the purpose of limiting the credit to the United States tax on income from sources outside the United States) provided by United States law for the taxable year.

    For the purposes of this paragraph, the taxes referred to in paragraphs l(a) and 2 of Article 2 (Taxes Covered) shall be considered income taxes.

  • 5 Notwithstanding the provisions of paragraph 4 of this Article, the United States shall allow to a resident or a national of the United States, as a credit against the United States tax on income, the appropriate amount of profit share paid by or on behalf of such resident or national to the Netherlands. The appropriate amount shall be the product of (i) the creditable profit share income base and (ii) the maximum statutory United States tax rate applicable to such resident or national for such taxable year. For purposes of determining the appropriate amount, the following terms shall have the following meanings:

    • a) The creditable profit share income base is the excess of the income subject to the company income tax (excluding the income not subject to the profit share) that is derived from sources within the Netherlands (before deduction of the profit share due) over the creditable company income tax base.

    • b) The creditable company income tax base is the effective company income tax rate divided by the maximum statutory United States tax rate applicable to such resident or national for such taxable year, multiplied by the income subject to the company income tax (excluding the income not subject to the profit share) that is derived from sources within the Netherlands (before deduction of the profit share due).

    • c) The effective company income tax rate is the company income tax paid on the income subject to the company income tax (excluding the income not subject to the profit share) divided by the income subject to the company income tax, excluding the income not subject to the profit share and before deduction of the profit share due.

    The appropriate amount is also subject to any other limitations imposed by the law of the United States, as it may be amended from time to time, which apply to taxes creditable under sections 901 or 903 of the Internal Revenue Code for persons claiming benefits under this Convention. In applying such limitations to the company tax, the creditable company income tax base (as defined in (b), above) must be used for purposes of those limitations. Any profit share paid in excess of the appropriate amount only may be used as a credit in another taxable year, and only against United States tax on the creditable profit share income base (as defined in (a), above). If a credit is claimed in respect of the profit share, the taxpayer may not claim a deduction for United States taxable income purposes with respect to any foreign taxes for which a credit against United States tax on income may be claimed under sections 901 or 903 of the Internal Revenue Code, or profit share, paid or accrued in such year. No credit shall be allowed under paragraph 4 of this Article for any Netherlands tax for which a credit is claimed under the provisions of this paragraph.

  • 6 Where a United States citizen is a resident of the Netherlands:

    • a) with respect to items of income not exempt from Netherlands tax under paragraph 2, nor dealt with in paragraph 7 of this Article, that under the provisions of this Convention are exempt from United States tax or that are subject to a reduced rate of United States tax when derived by a resident of the Netherlands who is not a United States citizen, the Netherlands shall allow as a credit against Netherlands tax, subject to the provisions of Netherlands tax law regarding credit for foreign tax, only the tax paid, if any, that the United States may impose under the provisions of this Convention, other than taxes that may be imposed solely by reason of citizenship under paragraph 1 of Article 24 (Basis of Taxation);

    • b) for purposes of computing United States tax under subparagraph (a), the United States shall allow as a credit against United States tax the income tax paid to the Netherlands after the credit referred to in subparagraph (a); the credit so allowed shall not reduce the portion of the United States tax that is creditable against the Netherlands tax in accordance with subparagraph (a); and

    • c) for the exclusive purpose of relieving double taxation in the United States under subparagraph (b), items of income referred to in subparagraph (a) shall be deemed to arise in the Netherlands to the extent necessary to avoid double taxation of such income under subparagraph (b).

  • 7 Where a resident of one of the States derives gains or a remuneration or a lump sum which may be taxed in the other State in accordance with paragraph 9 of Article 14 (Capital Gains), or with paragraph 2 of Article 19 (Pensions, Annuities, Alimony), that other State shall allow a deduction from its tax on such gains, remuneration or lump sum. The amount of this deduction shall be equal to the tax levied in the first-mentioned State on the said gains, remuneration or lump sum, but shall in no case exceed that part of the income tax, as computed before the deduction is given, which is attributable to the said gains, remuneration or lump sum. For the exclusive purpose of relieving double taxation in the United States under this paragraph, items of income referred to in this paragraph shall be deemed to arise in the Netherlands to the extent necessary to avoid double taxation of such income under this paragraph.

  • 8 Finally, the Netherlands shall allow a deduction from the Netherlands tax for the items of income which according to paragraph 8 of Article 12 (Interest) and paragraph 6 of Article 13 (Royalties) may be taxed in the United States to the extent that these items are included in the basis of taxation and are not exempt from tax in the Netherlands as profits of a permanent establishment under the Netherlands national taxing regime or under any bilateral or multilateral provision for the avoidance of double taxation agreed to by the Netherlands.

    The amount of this deduction shall be equal to:

    • a) in the case of interest which may be taxed in the United States according to paragraph 8 of Article 12 (Interest), 15 percent of such interest;

    • b) in the case of royalties which may be taxed in the United States according to paragraph 6 of Article 13 (Royalties), 15 percent of such royalties,

    but shall in no case exceed the amount of the reduction which would be allowed if the items of income so included were the sole items of income which are exempt from Netherlands tax under the provisions of Netherlands law for the avoidance of double taxation.

CHAPTER V. SPECIAL PROVISIONS

Article 26. Limitation on benefits

  • 1 Except as otherwise provided in this Article, a resident of one of the States that derives income from the other State shall be entitled to all the benefits of this Convention otherwise accorded to residents of a State only if such resident is a “qualified person” as defined in paragraph 2 of this Article and satisfies any other specified conditions for the obtaining of such benefits.

  • 2 A resident of one of the States is a qualified person for a taxable year only if such resident is either:

    • a) an individual;

    • b) a State, or a political subdivision or local authority thereof;

    • c) a company, if

      • (i) the principal class of its shares (and any disproportionate class of shares) is listed on a recognized stock exchange specified in clauses i) or ii) of subparagraph a) of paragraph 8 of this Article and is regularly traded on one or more recognized stock exchanges, unless the company has no substantial presence in the State of which it is a resident; or

      • (ii) shares representing at least 50 percent of the aggregate voting power and value (and at least 50 percent of any disproportionate class of shares) of the company are owned directly or indirectly by five or fewer companies entitled to benefits under clause i) of this subparagraph, provided that, in the case of indirect ownership, each intermediate owner is a resident of either State;

    • d) a person described in Article 35 (Exempt Pension Trusts) of this Convention, provided that:

      • (i) more than 50 percent of the person's beneficiaries, members or participants are individuals who are residents of either State; or

      • (ii) the organization sponsoring such person is entitled to the benefits of the Convention pursuant to this Article;

    • e) a not-for-profit organization not described in subparagraph d) that, by virtue of such status, is generally exempt from income taxation in its State of residence; or

    • f) a person, other than an individual or a company that would qualify for benefits under clause i) of subparagraph c) but for the fact that it has no substantial presence in the State of which it is a resident, if:

      • (i) on at least half the days of the taxable year persons that are qualified persons by reason of subparagraphs a), b), clause i) of subparagraph c), or subparagraphs d) or e) of this paragraph own, directly or indirectly, shares or other beneficial interests representing at least 50 percent of the aggregate voting power and value (and at least 50 percent of any disproportionate class of shares) of the person, and

      • (ii) less than 50 percent of the person's gross income for that taxable year is paid or accrued, directly or indirectly, to persons who are not residents of either State in the form of payments that are deductible for the purposes of the taxes covered by this Convention in the State of which the person is a resident (but not including arm's length payments in the ordinary course of business for services or tangible property and payments in respect of financial obligations to a bank, provided that where such a bank is not a resident of a State such payment is attributable to a permanent establishment of that bank located in one of the States).

  • 3 Notwithstanding that a company that is a resident of a State may not be a qualified person, it shall be entitled to all the benefits of this Convention otherwise accorded to residents of a State with respect to an item of income if it satisfies any other specified conditions for the obtaining of such benefits and:

    • a) shares representing at least 95 percent of the aggregate voting power and value (and at least 50 percent of any disproportionate class of shares) of the company are owned, directly or indirectly, by seven or fewer persons who are equivalent beneficiaries; and

    • b) less than 50 percent of the company's gross income for the taxable year in which the item of income arises is paid or accrued, directly or indirectly, to persons who are not equivalent beneficiaries, in the form of payments that are deductible for the purposes of the taxes covered by this Convention in the State of which the company is a resident (but not including arm's length payments in the ordinary course of business for services or tangible property and payments in respect of financial obligations to a bank, provided that where such a bank is not a resident of a State such payment is attributable to a permanent establishment of that bank located in one of the States).

  • 4

    • a) Notwithstanding that a resident of a State may not be a qualified person, it shall be entitled to all the benefits of this Convention otherwise accorded to residents of a State with respect to an item of income derived from the other State, if the resident is engaged in the active conduct of a trade or business in the first-mentioned State (other than the activities of making or managing investments for the resident's own account, unless these activities are banking, insurance or securities dealing carried on by a bank, insurance company or registered securities dealer), the income derived from the other State is derived in connection with, or is incidental to, that trade or business and that resident satisfies any other specified conditions for the obtaining of such benefits.

    • b) If a resident of one of the States or any of its associated enterprises carries on a trade or business activity in the other State which gives rise to an item of income, subparagraph a) of this paragraph shall apply to such item only if the trade or business activity in the first-mentioned State is substantial in relation to the trade or business activity in the other State.

    • c) In determining whether a person is engaged in the active conduct of a trade or business in a State under subparagraph a) of this paragraph, activities conducted by a partnership in which that person is a partner and activities conducted by persons connected to such person shall be deemed to be conducted by such person. A person shall be connected to another if one possesses at least 50 percent of the beneficial interest in the other (or, in the case of a company, shares representing at least 50 percent of the aggregate voting power and value of the company or of the beneficial equity interest in the company) or another person possesses, directly or indirectly, at least 50 percent of the beneficial interest (or, in the case of a company, shares representing at least 50 percent of the aggregate voting power and value of the company or of the beneficial equity interest in the company) in each person. In any case, a person shall be considered to be connected to another if, on the basis of all the facts and circumstances, one has control of the other or both are under the control of the same person or persons.

  • 5 A person that is a resident of a State shall also be entitled to all the benefits of this Convention otherwise accorded to residents of a State if that person functions as a headquarters company for a multinational corporate group and that resident satisfies any other specified conditions for the obtaining of such benefits. A person shall be considered a headquarters company for this purpose only if:

    • a) it provides a substantial portion of the overall supervision and administration of the group, which may include, but cannot be principally, group financing;

    • b) the corporate group consists of corporations resident in, and engaged in an active business in, at least five countries, and the business activities carried on in each of the five countries (or five groupings of countries) generate at least 10 percent of the gross income of the group;

    • c) the business activities carried on in any one country other than the State of residence of the headquarters company generate less than 50 percent of the gross income of the group;

    • d) no more than 25 percent of its gross income is derived from the other State;

    • e) it has, and exercises, independent discretionary authority to carry out the functions referred to in subparagraph a);

    • f) it is subject to the same income taxation rules in its country of residence as persons described in paragraph 4; and

    • g) the income derived in the other State either is derived in connection with, or is incidental to, the active business referred to in subparagraph b).

      If the gross income requirements of subparagraphs b), c), or d) of this paragraph are not fulfilled, they will be deemed to be fulfilled if the required ratios are met when averaging the gross income of the preceding four years.

  • 6 A person, resident of one of the States, which derives from the other State income mentioned in Article 8 (Shipping and Air Transport) and which is not entitled to the benefits of this Convention because of the foregoing paragraphs, shall nevertheless be entitled to the benefits of this Convention with respect to such income if:

    • a) more than 50 percent of the beneficial interest in such person (or in the case of a company, more than 50 percent of the value of the stock of such company) is owned, directly or indirectly, by qualified persons or individuals who are residents of a third state; or

    • b) in the case of a company, the stock of such company is primarily and regularly traded on an established securities market in a third state, provided that such third state grants an exemption under similar terms for profits as mentioned in Article 8 of this Convention to citizens and corporations of the other State either under its national law or in common agreement with that other State or under a Convention between that third state and the other State.

  • 7 A person resident of one of the States, who is not entitled to some or all of the benefits of this Convention because of the foregoing paragraphs, may, nevertheless, be granted benefits of this Convention if the competent authority of the State in which the income in question arises so determines. In making such determination, the competent authority shall take into account as its guidelines whether the establishment, acquisition or maintenance of such person or the conduct of its operations has or had as one of its principal purposes the obtaining of benefits under this Convention. The competent authority of the State in which the income arises will consult with the competent authority of the other State before denying benefits of the Convention under this paragraph.

  • 8 For the purposes of this Article the following rules and definitions shall apply:

    • a) the term ``recognized stock exchange” means:

      • (i) the NASDAQ System and any stock exchange registered with the U.S. Securities and Exchange Commission as a national securities exchange under the U.S. Securities Exchange Act of 1934;

      • (ii) the Amsterdam Stock Exchange and any other stock exchange subject to regulation by the Authority for the Financial Markets (or its successor) in the Netherlands;

      • (iii) the Irish Stock Exchange, the Swiss Stock Exchange and the stock exchanges of Brussels, Frankfurt, Hamburg, Johannesburg, London, Madrid, Milan, Paris, Stockholm, Sydney, Tokyo, Toronto and Vienna; and

      • (iv) any other stock exchange which the competent authorities agree to recognize for the purposes of this Article;

    • b)

      • (i) the term “principal class of shares” means the ordinary or common shares of the company, provided that such class of shares represents the majority of the voting power and value of the company. If no single class of ordinary or common shares represents the majority of the aggregate voting power and value of the company, the “principal class of shares” is that class or those classes that in the aggregate represent a majority of the aggregate voting power and value of the company;

      • (ii) the term “shares” shall include depository receipts thereof or trust certificates thereof;

    • c) the term “disproportionate class of shares” means any class of shares of a company resident in one of the States that entitles the shareholder to disproportionately higher participation, through dividends, redemption payments or otherwise, in the earnings generated in the other State by particular assets or activities of the company;

    • d) a company has no substantial presence in the State of which it is a resident if:

      • (i)

        • A) the aggregate volume of trading in such company's stock on recognized stock exchanges located in the other State is greater than the aggregate volume of trading in its stock on recognized stock exchanges in its primary economic zone, or

        • B) the company is not traded on any recognized stock exchange located in the primary economic zone of the State of which the company is a resident, or trading on such exchange or exchanges constitutes less than 10 percent of total worldwide trading in such company's stock; and

      • (ii) the company's primary place of management and control is not in the State of which it is a resident;

    • e) in making the determinations in subparagraph d),

      • (i) for purposes of clause i) thereof, the company may make the determination using average trading volumes for the three preceding taxable years;

      • (ii) the primary economic zone of the Netherlands includes the member states of the European Union or the European Economic Area. The primary economic zone of the United States includes the states party to the North American Free Trade Agreement; and

      • (iii) the company's primary place of management and control will be in the State of which it is a resident only if executive officers and senior management employees exercise day-to-day responsibility for more of the strategic, financial and operational policy decision making for the company (including its direct and indirect subsidiaries) in that State than in any other state and the staffs conduct more of the day-to-day activities necessary for preparing and making those decisions in that State than in any other state.

    • f) an equivalent beneficiary is a resident of a member state of the European Union or of a European Economic Area state or of a party to the North American Free Trade Agreement but only if that resident:

      • (i)

        • A) would be entitled to all the benefits of a comprehensive convention for the avoidance of double taxation between any member state of the European Union or a European Economic Area state or any party to the North American Free Trade Agreement and the State from which the benefits of this Convention are claimed under provisions analogous to subparagraph a), b), clause i) of subparagraph c) or subparagraph d) or e) of paragraph 2 of this Article, provided that if such convention does not contain a comprehensive limitation on benefits article, the person would be a qualified person under subparagraph a), b), clause i) of subparagraph c) or subparagraph d) or e) of paragraph 2 of this Article if such person were a resident of one of the States under Article 4 (Resident) of this Convention; and

        • B) with respect to income referred to in Article 10 (Dividends), 11 (Branch Tax), 12 (Interest) or 13 (Royalties) of this Convention, would be entitled under such convention to a rate of tax with respect to the particular class of income for which benefits are being claimed under this Convention that is at least as low as the rate applicable under this Convention; or

      • (ii) is a resident of a State that is a qualified person by reason of subparagraph a), b), clause i) of subparagraph c) or subparagraph d) or e) of paragraph 2 of this Article.

        For the purposes of applying paragraph 3 of Article 10 (Dividends) in order to determine whether a person, owning shares, directly or indirectly, in the company claiming the benefits of this Convention, is an equivalent beneficiary, such person shall be deemed to hold the same voting power in the company paying the dividend as the company claiming the benefits holds in such company;

    • g) with respect to dividends, interest or royalties arising in the Netherlands and beneficially owned by a company that is a resident of the United States, a company that is a resident of a member state of the European Union will be treated as satisfying the requirements of subparagraph f) i) B) for purposes of determining whether such United States resident is entitled to benefits under this paragraph if a payment of dividends, interest or royalties arising in the Netherlands and paid directly to such resident of a member state of the European Union would have been exempt from tax pursuant to any directive of the European Union, notwithstanding that the income tax convention between the Netherlands and that other member state of the European Union would provide for a higher rate of tax with respect to such payment than the rate of tax applicable to such United States company under Article 10 (Dividends), 12 (Interest), or 13 (Royalties) of this Convention;

    • h) for the purposes of paragraph 2 of this Article, the shares in a class of shares are considered to be regularly traded on one or more recognized stock exchanges in a taxable year if the aggregate number of shares of that class traded on such stock exchange or exchanges during the twelve months ending on the day before the beginning of that taxable year is at least six percent of the average number of shares outstanding in that class during that twelve-month period.

Article 27. Offshore Activities

  • 1 The provisions of this Article shall apply notwithstanding any other provision of this Convention. However, this Article shall not apply where offshore activities of a person constitute for that person a permanent establishment under the provisions of Article 5 (Permanent Establishment) or a fixed base under the provisions of Article 15 (Independent Personal Services).

  • 2 In this Article the term “offshore activities” means activities which are carried on offshore in connection with the exploration or exploitation of the sea bed and its sub-soil and their natural resources, situated in one of the States.

  • 3 An enterprise of one of the States which carries on offshore activities in the other State shall, subject to paragraph 4, be deemed to be carrying on, in respect of those activities, business in that other State through a permanent establishment situated therein, unless the offshore activities in question are carried on in the other State for a period or periods not exceeding in the aggregate 30 days in a calendar year.

    For the purposes of this paragraph:

    • a) where an enterprise carrying on offshore activities in the other State is associated with another enterprise and that other enterprise continues, as part of the same project, the same offshore activities that are or were being carried on by the first-mentioned enterprise, and the afore-mentioned activities carried on by both enterprises - when added together - exceed a period of 30 days, then each enterprise shall be deemed to be carrying on its activities for a period exceeding 30 days in a calendar year;

    • b) an enterprise shall be regarded as associated with another enterprise if one holds directly or indirectly at least one third of the capital of the other enterprise or if a person holds directly or indirectly at least one third of the capital of both enterprises.

  • 4 However, for the purposes of paragraph 3, the term “offshore activities” shall be deemed not to include:

    • a) one or any combination of the activities mentioned in paragraph 4 of Article 5 (Permanent Establishment);

    • b) towing or anchor handling by ships primarily designed for that purpose and any other activities performed by such ships; or

    • c) the transport of supplies or personnel by ships or aircraft in international traffic.

  • 5 A resident of one of the States who carries on offshore activities in the other State, which consist of professional services or other activities of an independent character, shall be deemed to be performing those activities from a fixed base in the other State if the offshore activities in question last for a continuous period of 30 days or more.

  • 6 Salaries, wages and other similar remuneration derived by a resident of one of the States in respect of an employment connected with offshore activities carried on through a permanent establishment in the other State may, to the extent that the employment is exercised offshore in that other State, be taxed in that other State.

  • 7 Where documentary evidence is produced that tax has been paid in the United States on the items of income that may be taxed in the United States according to Article 7 (Business Profits) or Article 15 (Independent Personal Services) in connection with respectively paragraph 3 or paragraph 5 of this Article, and according to paragraph 6 of this Article, the Netherlands shall allow a reduction of its tax, which shall be computed in conformity with the rules laid down in paragraph 2 of Article 25 (Methods of Elimination of Double Taxation).

Article 28. Non-discrimination

  • 1 Nationals of one of the States shall not be subjected in the other State to any taxation or any requirement connected therewith, which is other or more burdensome than the taxation and connected requirements to which nationals of that other State in the same circumstances are or may be subjected. This provision shall, notwithstanding the provisions of Article 1 (General Scope), also apply to persons who are not residents of one or both of the States. However, for the purposes of United States tax, a United States national who is not a resident of the United States and a Netherlands national who is not a resident of the United States are not in the same circumstances.

  • 2 The taxation on a permanent establishment which an enterprise of one of the States has in the other State shall not be less favourably levied in that other State than the taxation levied on enterprises of that other State carrying on the same activities. This provision shall not be construed as obliging one of the States to grant to residents of the other State any personal allowances, reliefs, and reductions for taxation purposes on account of civil status or family responsibilities which it grants to its own residents.

  • 3 Except where the provisions of paragraph 1 of Article 9 (Associated Enterprises), paragraph 5 of Article 12 (Interest), or paragraph 4 of Article 13 (Royalties) apply, interest, royalties and other disbursements paid by a resident of one of the States to a resident of the other State shall, for the purposes of determining the taxable profits of the first-mentioned resident, be deductible under the same conditions as if they had been paid to a resident of the first-mentioned State.

  • 4 Enterprises of one of the States, the capital of which is wholly or partly owned or controlled, directly or indirectly, by one or more residents of the other State, shall not be subjected in the first-mentioned State to any taxation or any requirement connected therewith which is other or more burdensome than the taxation and connected requirements to which other similar enterprises of the first-mentioned State are or may be subjected.

  • 5 Nothing in this Article shall be construed to prevent or limit the application by either State of its tax on branch profits described in Article 11 (Branch Tax).

  • 6 The provisions of this Article shall, notwithstanding the provisions of Article 2 (Taxes Covered), apply to taxes of every kind and description imposed by one of the States or a political subdivision or local authority thereof.

Article 29. Mutual Agreement Procedure

  • 1 Where a person considers that the actions of one or both of the States result or will result for him in taxation not in accordance with the provisions of this Convention, he may, irrespective of the remedies provided by the domestic law of those States, present his case to the competent authority of the State of which he is a resident or national.

  • 2 The competent authority shall endeavour, if the objection appears to it to be justified and if it is not itself able to arrive at a satisfactory solution, to resolve the case by mutual agreement with the competent authority of the other State, with a view to the avoidance of taxation which is not in accordance with the Convention. Any agreement reached shall be implemented notwithstanding any time limits or other procedural limitations in the domestic law of the States, provided that the competent authority of the other State has received notification that such a case exists within six years from the end of the taxable year to which the case relates.

  • 3 The competent authorities of the States shall endeavour to resolve by mutual agreement any difficulties or doubts arising as to the interpretation or application of the Convention. In particular the competent authorities of the States may agree:

    • a) to the same attribution of income, deductions, credits, or allowances of an enterprise of one of the States to its permanent establishment situated in the other State;

    • b) to the same allocation of income, deductions, credits, or allowances between persons;

    • c) to the same characterization of particular items of income;

    • d) to the same application of source rules with respect to particular items of income;

    • e) to a common meaning of a term;

    • f) to increases in any specific amounts referred to in the Convention to reflect economic or monetary developments; and

    • g) to the application of the provisions of domestic law regarding penalties, fines, and interest in a manner consistent with the purposes of the Convention.

    They may also consult together for the elimination of double taxation in cases not provided for in the Convention.

  • 4 The competent authorities of the States may communicate with each other directly for the purpose of reaching an agreement in the sense of the preceding paragraphs.

  • 5 If any difficulty or doubt arising as to the interpretation or application of this Convention cannot be resolved by the competent authorities in a mutual agreement procedure pursuant to the previous paragraphs of this Article, the case may, if both competent authorities and the taxpayer(s) agree, be submitted for arbitration, provided the taxpayer agrees in writing to be bound by the decision of the arbitration board. The decision of the arbitration board in a particular case shall be binding on both States with respect to that case. The provisions of this paragraph shall have effect after the States have so agreed through the exchange of diplomatic notes.

  • 6 If the competent authority of one of the States becomes aware that the law of one of the States is or may be applied in a manner that may impede the full implementation of this Convention, that competent authority shall inform the competent authority of the other State in a timely manner. At the request of one of the States, the competent authorities shall consult with each other with a view to establishing a basis for the full implementation of this Convention. The consultations described in this paragraph should begin within six months of the date on which the competent authority of the first-mentioned State informed the competent authority of the other State.

Article 30. Exchange of Information and Administrative Assistance

  • 1 The competent authorities of the States shall exchange such information as is necessary for carrying out the provisions of this Convention or of the domestic laws of the States concerning taxes covered by the Convention insofar as the taxation thereunder is not contrary to the Convention, including for the assessment, collection, administration, enforcement, prosecution before an administrative authority or initiation of prosecution before a judicial body, or determination of appeals with respect to the taxes covered by the Convention. The exchange of information is not restricted by Article 1 (General Scope). Any information received by one of the States shall be treated as secret in the same manner as information obtained under the domestic laws of that State and shall be disclosed only to persons or authorities (including courts and administrative bodies) involved in the above functions in relation to taxes covered by the Convention. Such persons or authorities shall use the information only for such purposes. They may disclose the information in public court proceedings or in judicial decisions. A State may use information obtained under this Convention as evidence before a criminal court only if prior authorization has been given by the competent authority which has supplied the information. However, the competent authorities may mutually agree to waive the condition of prior authorization.

  • 2 If information is requested by one of the States in accordance with this Article, the other State shall obtain the information to which the request relates in the same manner and to the same extent as if the tax of the first-mentioned State were the tax of that other State and were being imposed by the other State. If specifically requested by the competent authority of a State, the competent authority of the other State shall endeavor to provide information under this Article in the form of depositions of witnesses and authenticated copies of unedited original documents (including books, papers, statements, records, accounts, and writings), to the same extent such depositions and documents can be obtained under the laws and administrative practices of that other State with respect to its own taxes.

  • 3 The States may release to the arbitration board, established under the provisions of paragraph 5 of Article 29 (Mutual Agreement Procedure), such information as is necessary for carrying out the arbitration procedure. Such release of information shall be subject to the provisions of Article 32 (Limitation of Articles 30 and 31) and to paragraph 2 of this Article. The members of the arbitration board shall be subject to the limitations on disclosure described in paragraph 1 of this Article with respect to any information so released.

Article 31. Assistance and Support in Collection

  • 1 The States undertake to lend assistance and support to each other in the collection of the taxes which are the subject of the present Convention, together with interest, costs, and additions to the taxes and fines not being of a penal character.

  • 2 In the case of applications for enforcement of taxes, revenue claims of each of the States which have been finally determined may be accepted for enforcement by the other State and collected in that State in accordance with the laws applicable to the enforcement and collection of its own taxes. The State to which application is made shall not be required to enforce executory measures for which there is no provision in the law of the State making the application.

  • 3 Any application shall be accompanied by documents establishing that under the laws of the State making the application the taxes have been finally determined.

  • 4 The assistance provided for in this Article shall not be accorded with respect to the citizens, corporations, or other entities of the State to which application is made, except in cases where the exemption or reduced rate of tax granted under the Convention to such citizens, corporations or other entities has, according to mutual agreement between the competent authorities of the States, been enjoyed by persons not entitled to such benefits.

Article 32. Limitation of articles 30 and 31

  • 1 In no case shall the provisions of Articles 30 (Exchange of Information and Administrative Assistance) and 31 (Assistance and Support in Collection) be construed so as to impose on one of the States the obligation:

    • a) to carry out administrative measures at variance with the laws and administrative practice of that or of the other State;

    • b) to supply information which is not obtainable under the laws or in the normal course of the administration of that or of the other State;

    • c) to supply information which would disclose any trade, business, industrial, commercial, or professional secret or trade process, or information, the disclosure of which would be contrary to public policy.

  • 2 Notwithstanding paragraph 1, the competent authority of each State shall have the authority to obtain and provide information held by financial institutions, nominees or persons acting in an agency or fiduciary capacity or information about persons holding interests, including bearer shares, in another person, regardless of any laws or practices of the State that might otherwise preclude the obtaining of such information.

  • 3 The provisions of this Convention shall not impose on a State the obligation to obtain or provide information which would reveal confidential communications between a client and an attorney, solicitor or other admitted legal representative where such communications are:

    • a) produced for the purposes of seeking or providing legal advice; or

    • b) produced for the purposes of use in existing or contemplated legal proceedings.

Article 33. Diplomatic Agents and Consular Officers

  • 1 Nothing in this Convention shall affect the fiscal privileges of diplomatic agents or consular officers under the general rules of international law or under the provisions of special agreements.

  • 2 For the purposes of the Convention an individual, who is a member of a diplomatic or consular mission of one of the States in the other State or in a third state and who is a national of the sending State, shall be deemed to be a resident of the sending State, but only if he is subjected therein to the same obligations in respect of taxes on income as are residents of that State.

  • 3 The Convention shall not apply to international organizations, to organs or officials thereof and to individuals who are members of a diplomatic or consular mission of a third State, being present in one of the States and who are not subjected in either State to the same obligations in respect of taxes on income as are residents of that State.

Article 34. Regulations

  • 1 The competent authorities of the States may by mutual agreement settle the mode of application of Articles 10 (Dividends), 11 (Branch Tax), 12 (Interest), 13 (Royalties) and 26 (Limitation on Benefits).

  • 2 With respect to the provisions of this Convention relating to exchange of information and mutual assistance in the collection of taxes, the competent authorities may, by common agreement, prescribe rules concerning matters of procedure, forms of application and replies thereto, conversion of currency, disposition of amounts collected, minimum amounts subject to collection, and related matters.

  • 3 The competent authorities of each of the States, in accordance with the practices of that State, may prescribe regulations necessary to carry out the other provisions of this Convention.

  • 4 Where tax has been levied at source in excess of the amount of tax chargeable under the provisions of Articles 10 (Dividends), 12 (Interest) or 13 (Royalties), applications for the refund of the excess amount of tax must be lodged with the competent authority of the State having levied the tax, within a period of three years after the expiration of the calendar year in which the tax has been levied.

Article 35. Exempt Pension Trusts

  • 1 Subject to the provisions of paragraph 2, income referred to in Articles 10 (Dividends) and 12 (Interest) derived by a trust, company or other organization constituted and operated exclusively to administer or provide benefits under one or more funds or plans established to provide pension, retirement or other employee benefits shall be exempt from tax in one of the States if it is a resident of the other State according to the laws of that other State and its income is generally exempt from tax in that other State.

  • 2 The provisions of paragraph 1 shall not apply with respect to the income of a trust, company or other organization from carrying on a trade or business or from a related person other than a person referred to in paragraph 1. The provisions of paragraph 1 shall also not apply with respect to dividends paid by a person resident in the United States that is a Real Estate Investment Trust from gains realized on the disposition of real property situated in the United States.

Article 36. Exempt Organizations

  • 1 A trust, company or other organization that is a resident of one of the States according to the laws of that State and that is operated exclusively for religious, charitable, scientific, educational, or public purposes shall be exempt from tax by the other State in respect of items of income, if and to the extent that

    • a) such trust, company or other organization is exempt from tax in the first-mentioned State, and

    • b) such trust, company or other organization would be exempt from tax in the other State in respect of such items of income if it were organized, and carried on all its activities, in that other State.

  • 2 The provisions of paragraph 1 shall not apply with respect to the income of a trust, company or other organization from carrying on a trade or business or from a related person other than a person referred to in paragraph 1.

  • 3 The competent authorities of the States shall in mutual agreement develop procedures for implementing this Article.

CHAPTER VI. FINAL PROVISIONS

Article 37. Entry into Force

  • 1 This Convention shall enter into force on the thirtieth day after the later of the dates on which the respective Governments have notified each other in writing that the formalities constitutionally required in their respective States have been complied with, and its provisions shall have effect for taxable years and periods beginning, or in the case of taxes payable at source, payments made, on or after the first day of January in the year following the date of entry into force.

  • 2 Notwithstanding paragraph 1, where any greater relief from tax would have been afforded to a person entitled to the benefits of the Convention signed at Washington on April 29, 1948, between the Kingdom of the Netherlands and the United States of America with respect to taxes on income and certain other taxes, modified as set forth in the Protocol of Exchange of Instruments of Ratification signed at Washington on December 1, 1948, and subsequently modified and supplemented by the Supplementary Convention signed at Washington on December 30, 1965 (“prior Convention”), under that Convention than under this Convention, the prior Convention shall, at the election of such person, continue to have effect in its entirety for a twelve-month period from the date on which the provisions of this Convention would otherwise have effect under paragraph 1.

  • 3 Subject to the provisions of paragraph 4, the prior Convention shall cease to have effect when the provisions of this Convention take effect in accordance with paragraphs 1 and 2.

  • 4 This Convention shall not affect any Agreement in force extending the Convention signed at Washington on April 29, 1948, in accordance with Article XXVII thereof.

Article 38. Termination

This Convention shall remain in force until terminated by one of the States. Either State may terminate the Convention, through diplomatic channels, by giving notice of termination at least six months before the end of any calendar year after the expiration of a period of five years from the date of its entry into force. In such event the Convention shall cease to have effect for taxable years and periods beginning, or in the case of taxes payable at source, payments made, after the end of the calendar year in which the notice of termination has been given.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorized thereto, have signed this Convention.

DONE at Washington this eighteenth day of December 1992, in duplicate, in the Netherlands and English languages, the two texts being equally authentic.

For the Government of the Kingdom of the Netherlands:

(sd.) J. H. MEESMAN

For the Government of the United States of America:

(sd.) EUGENE J. MCALLISTER

Nr. I

DEPARTEMENT OF STATE

WASHINGTON

Excellency,

I have the honor to refer to the Convention signed today between the United States of America and the Kingdom of the Netherlands for the Avoidance of Double Taxation and the Prevention of Fiscal Evasion with Respect to Taxes on Income and to propose on behalf of the Government of the United States of America the following:

Both Governments confirm that their respective countries recognize the principle that the Convention, once in force, is binding upon both parties and muest be performed by them in good faith and in accordance with generally accepted rules of international law. The Governments further confirm their recognition that they should avoid enactment or interpretation of legislation or other domestic measures that would prevent the performance of their obligations under the Convention.

On the other hand, both governments recognize the possibility of significant changes in the national taxation laws which may affect implementation of the Convention. The Governments agree in principle that in such a case an appropriate amendment of the Convention might be necessary. Whether and to the extent to which such an amendment is necessary and acceptable will be determined in consultation and negotiation between the two Governments.

Furthermore, the Government of the United States gives its assurances to the Government of The Netherlands, that, in the event a state or local government in the United States seeks to impose a tax on the income of airline or shipping companies resident in The Netherlands in circumstances where the Convention would preclude a Federal income tax on that income, the United States Government will contact the state or local government seeking to impose the tax in an effort to presuade that government to refrain from imposing the tax.

Finally, in the course of the negotiations leading to the conclusion of the Convention signed today, the negotiators developed and agreed upon a memorandum of understanding intended to give guidance both to the taxpayers and the tax authorities of our two countries in interpreting various provisions contained in the Convention. It is my Government's view that as we both gain experience in administrering the Convention competent authorities may in the context of a mutual agreement procedure under Article 29 of the Convention develop and publish amendments to the understandings and interpretations laid down in the attached memorandum of understanding.

If the above-mentioned understandings and the interpretation of the various provisions laid down in the attached memorandum of understanding meet with the approval of the Government of the Kingdom of the Netherlands, this Note and your Note in reply thereto will consitute a common and binding understanding by our Governments of the Convention and of the contents and the role of the memorandum of understanding relating to the Convention.

Accept, Your Excellency, the expression of my highest consideration.

For the Secretary of State:

(w.g.) EUGENE J. MCALLISTER

His Excellency

Hans Meesman

Ambassador of the Kingdom of the Netherlands.

Nr. II

Washington D.C., December 18, 1992

Mr.Secretary

I have the honour to confirm receipt of your Note of today's date which reads as follows:

[Red: (zoals in Nr. I)]

I have the honour to inform you, that my Government agrees to the above.

Accept, Your Excellency, the expression of my highest consideration.

(sd.) J. H. MEESMAN

Hans Meesman

Ambassador of the Kingdom

of the Netherlands

The Honorable Lawrence S. Eagleburger

Secretary of State of

the United States of America

Understanding regarding the Convention between the Kingdom of the Netherlands and the United States of America for the avoidance of double taxation and the prevention of fiscal evasion with respect to taxes on income, signed on December 18, 1992 and amended by protocols signed on October 13, 1993 and March 8, 2004

I. In reference to paragraph 1 of Article 4 (Resident)

  • a) It is understood that for purposes of the Convention, the Government of one of the States, its political subdivisions or local authorities are to be considered as residents of that State.

  • b) It is understood that a company that is or would be a resident of a State pursuant to that State's domestic law will not be treated as a resident of that State for purposes of the Convention if it is treated as a resident of a third state pursuant to an income tax convention between that State and the third state.

II. In reference to paragraph 4 of Article 4 (Resident)

It is understood that, if a company is a resident of the Netherlands under paragraph 1 of Article 4 (Resident) and, because of the application of Section 269B of the Internal Revenue Code, such company is also a resident of the United States under paragraph 1 of Article 4, the question of its residency for the purposes of the application of this Convention shall be subject to a mutual agreement procedure as laid down in paragraph 4 of Article 4.

III. In reference to Article 7 (Business Profits)

It is understood that with respect to paragraphs 1 and 2 of Article 7 (Business Profits), where an enterprise of one of the States carries on business in the other State through a permanent establishment situated therein, the profits of that permanent establishment shall not be determined on the basis of the total income of the enterprise, but shall be determined only on the basis of that portion of the income of the enterprise that is attributable to the actual activity of the permanent establishment in respect of such business. Specifically, in the case of contracts for the survey, supply, installation or construction of industrial, commercial or scientific equipment or premises, or of public works, when the enterprise has a permanent establishment, the profits attributable to such permanent establishment shall not be determined on the basis of the total amount of the contract, but shall be determined on the basis only of that part of the contract that is effectively carried out by the permanent establishment. The profits related to that part of the contract that is carried out by the head office of the enterprise shall not be taxable in the State in which the permanent establishment is situated.

IV. In reference to Article 9 (Associated Enterprises), Article 12 (Interest) and Article 29 (Mutual Agreement Procedure)

Nothing in paragraph 1 of Article 9 (Associated Enterprises) or paragraph 5 of Article 12 (Interest) shall prevent either State from determining the appropriate amount of interest deduction of an enterprise not only by reference to the amount of interest with respect to any particular debt-claim but also by reference to the overall amount of debt capital of the enterprise. In the context of a mutual agreement procedure under Article 29 (Mutual Agreement Procedure), the amount of the interest deduction shall be determined in a manner consistent with the principles of paragraph 1 of Article 9, by reference to conditions in commercial or financial relations which prevail between independent enterprises dealing at arm's length. Those principles are more fully examined and explained in OECD publications regarding “thin capitalization”.

V. In reference to Article 9 (Associated Enterprises) and Article 29 (Mutual Agreement Procedure)

In accordance with paragraph 3 of Article 29 (Mutual Agreement Procedure) the competent authorities shall endeavor to resolve by mutual agreement any case of double taxation arising by reason of an allocation of income, deductions, credits or allowances caused by the application of internal law regarding thin capitalization, earnings stripping, or transfer pricing, or other provisions potentially giving rise to double taxation. In this mutual agreement procedure, the proper allocation of income, deductions, credits or allowances under the Convention will be determined in a manner consistent with the principles of paragraph 1 of Article 9 (Associated Enterprises) by reference to conditions in commercial or financial relations that prevail between independent enterprises dealing at arm's length. Consistent with the mutual agreement procedures of other income tax conventions, including those entered by both States, a procedure under Article 29 (Mutual Agreement Procedure) concerning an adjustment in the allocation of income, deductions, credits or allowances by one of the States might result either in a correlative adjustment by the other State or in a full or partial readjustment by the first-mentioned State of its original adjustment.

VI. In reference to subparagraph 2 a) and paragraph 6 of Article 10 (Dividends)

It is understood that a beneficial owner of the dividends, who holds depository receipts or trust certificates evidencing beneficial ownership of the shares in lieu of the shares themselves in the company in question, may also claim the treaty benefits of subparagraph 2 a) of Article 10 (Dividends). In addition, it is understood that where a person loans shares (or other rights the income from which is subject to the same taxation treatment as income from shares) and receives from the borrower an obligation to pay an amount equivalent to any dividend distribution made with respect to the shares or other rights loaned during the term of such loan, such person shall be treated as the beneficial owner of the dividend paid with respect to such shares or other rights for purposes of the application of Article 10 to any such equivalent amount.

VII. In reference to Article 10 (Dividends) and subparagraph 8 b) ii) of Article 26 (Limitation on Benefits)

For the purpose of Article 10 and subparagraph 8 b) ii) of Article 26 (Limitation on Benefits), it is understood that depository receipts or trust certificates of shares will be considered to possess the rights attached to the shares which they replace, including the voting rights thereof.

VIII. In reference to paragraph 3 of Article 10 (Dividends), paragraph 3 of Article 11 (Branch Tax) and paragraph 7 of Article 26 (Limitation on Benefits)

It is understood that a resident that would qualify for benefits under subparagraph 3 a) of Article 10 (Dividends) or Article 11 (Branch Tax), but does not do so because it acquired the relevant shareholding on or after October 1st, 1998, is not prevented from requesting a determination from the competent authority pursuant to subparagraph 3 d) of that Article, so long as it also does not meet the requirements of 3 b) and 3 c).

IX. In reference to paragraph 1 of Article 14 (Capital Gains)

In determining for purposes of paragraph 1 of Article 14 (Capital Gains) whether the assets of a corporation resident in the United States consist, directly or indirectly, for the greater part of real property situated in the United States and whether the stock of such corporation is a “United States real property interest”, the United States confirms that it will take into account the fair market value of all of the assets of the corporation, including intangible business assets such as goodwill, whether or not appearing as an asset on the balance sheet for tax purposes, going concern value and intellectual property.

X. In reference to paragraph 8 of Article 14 (Capital Gains)

It is understood that paragraph 8 of Article 14 (Capital Gains) shall not apply to an alienation of property by a resident of one of the States if the tax that would otherwise be imposed on such alienation by the other State cannot reasonably be imposed or collected at a later time. For example, under the domestic law of the United States, a foreign corporation that qualifies as a “United States real property holding corporation” is taxed in some circumstances if it transfers its assets to a United States corporation in a reorganization. In such a case, only if the shareholders of such foreign corporation agree to reduce basis (if and only to the extent available) by “closing agreement” can the tax that otherwise would be imposed on such alienation be reasonably imposed or collected at a later time.

XI. In reference to paragraph 4 of Article 19 (Pensions, Annuities, Alimony)

It is understood that the term “other public pensions” as used in paragraph 4 of Article 19 (Pensions, Annuities, Alimony) is intended to refer to United States tier 1 Railroad Retirement benefits.

XII. In reference to paragraphs 7, 8, 9 and 10 of Article 19 (Pensions, Annuities, Alimony)

It is understood that the term “exempt pension trust” includes those arrangements that are treated as exempt pension trusts for purposes of Article 35 (Exempt Pension Trusts).

XIII. In reference to paragraph 11 of Article 19 (Pensions, Annuities, Alimony)

It is understood that the competent authorities of both States will consult with a view to agreeing rules that will reduce the burden of the undertakings required of exempt pension trusts. Such rules will also seek to reduce the burden on the members or beneficiaries which may arise under Netherlands law.

XIV. In reference to paragraph 4 of Article 24 (Basis of Taxation)

  • a) It is understood that, where, by virtue of paragraph 4 of Article 24 (Basis of Taxation) an item of income is considered by a State to be derived by a person who is a resident of that State, and the same item is considered by the other State to be derived by a person who is a resident of that other State, the paragraph shall not prevent either State from taxing the item as the income of the person considered by that State to have derived the item of income.

    The following example demonstrates the application of the preceding paragraph: Individual Z, a resident of the Netherlands, is the sole member of Y, a U.S. limited liability company (LLC). Y owns X, a U.S. corporation. Y has elected under the U.S. entity classification rules to be taxed as a U.S. corporation. Under Netherlands law, however, Y is treated, in this situation, as a fiscally transparent entity. On date A, X distributes a $100 dividend to Y. On date B, Y distributes a $100 dividend to Z. Under Netherlands law, the dividend from X to Y is considered to be derived by Z. The two States agree that, in these circumstances, the United States is not prevented from exercising full taxing jurisdiction over Y (which is treated as a U.S. corporation) and, accordingly, the United States may tax the dividends from X to Y and from Y to Z in accordance with its domestic law. However, with respect to the dividend from Y to Z, the rate of tax applicable to the dividend shall be determined in accordance with Article 10.

  • b) The competent authority of a State may grant the benefits of the Convention to a resident of the other State with respect to an item of income, even though it is not treated as income of the resident under the laws of that other State, in cases where the income would have been exempt from tax if it had been treated as the income of that resident.

    The following example demonstrates the application of the preceding paragraph:

    Z is an exempt pension trust within the meaning of Article 35 (Exempt Pension Trusts) that is a resident of the Netherlands for purposes of the Convention. Z is a member of Y, a U.S. limited liability company that has elected to be treated as fiscally transparent for U.S. tax purposes. Because of certain characteristics, Y is non-transparent under Netherlands law. Y owns shares in a number of U.S. companies that pay dividends currently. Under the general rule of paragraph 4 of Article 24 (Basis of Taxation), Z would not be entitled to the benefits of Article 10 (Dividends) because the income derived by Y is not treated by the Netherlands as the income of Z. However, the U.S. competent authority may determine that Z is entitled to benefits because Z would be exempt from tax on the income even if it were treated as having derived the income.

XV. In reference to Article 26 (Limitation on Benefits)

It is understood that the term “gross income” means the total revenues derived by a resident of a State from its principal operations, less the direct costs of obtaining such revenues.

XVI. In reference to subparagraph 2 f) and paragraph 3 of Article 26 (Limitation on Benefits)

It is understood that the proof a Dutch resident investment organization (a “beleggingsinstelling” in the sense of Article 28 of the “Wet op de vennootschapsbelasting 1969”) has of the number of its Dutch resident individual and corporate shareholders as a result of the procedure used by such Dutch resident investment organization when claiming a reimbursement of tax withheld on its foreign dividend and interest income under paragraph 1 b) of Article 28 of the “Wet op de vennootschapsbelasting 1969”, can be used by such Dutch investment organization to show that it fulfills the requirements of paragraph 2 f) and paragraph 3 respectively of Article 26 (Limitation on Benefits).

XVII. With reference to paragraphs 2 and 5 of Article 26 (Limitation on Benefits)

The competent authorities may, by mutual agreement, notwithstanding the provisions of these paragraphs, determine transition rules for newly-established business operations, newly-established corporate groups or newly-established headquarters companies.

XVIII. In reference to paragraph 3 of Article 26 (Limitation on Benefits)

The following example demonstrates an application of paragraph 3 of Article 26.

A Netherlands resident company, Y, owns all of the shares in a U.S. resident company, Z.

Y is wholly owned by X, a U.K. resident company that would not qualify for all of the benefits of the U.S.-U.K. income tax treaty but may qualify for benefits with respect to certain items of income under the “active trade or business” test of the U.S.-U.K. treaty.

X, in turn, is wholly owned by W, a French resident-company that is substantially and regularly traded on the Paris Stock Exchange. Z pays a dividend to Y. For purposes of this example, assume that Y does not qualify for benefits under paragraph 2 of Article 26 (Limitation on Benefits). Y does qualify for benefits under paragraph 3 of Article 26, however, assuming that the requirements of subparagraph 3 b) of Article 26 are met. Y is directly owned by X, which is not an equivalent beneficiary within the meaning of subparagraph 8 f) of Article 26 (X does not qualify for all of the benefits of the U.S.-U.K. tax treaty). However, Y is also indirectly owned by W, which is an equivalent beneficiary for purposes of the benefits provided by paragraph 2 a) of Article 10 within the meaning of subparagraph 8 f) of Article 26 (because W is a French resident company whose shares are substantially and regularly traded on a recognized stock exchange, within the meaning of the Limitation on Benefits Article of the U.S.-France income tax treaty). Accordingly, U.S. withholding tax on the dividend from Z to Y will be imposed at a rate of 5% in accordance with subparagraph 2 a) of Article 10.

XIX. In reference to paragraph 4 of Article 26 (Limitation on Benefits)

It is understood that an item of income is to be considered as derived “in connection” with an active trade or business in a State if the activity generating the item in the other state is a line of business which forms a part of, or is complementary to, the trade or business conducted in the first mentioned State. The line of business in the firstmentioned State may be “upstream” to that going on in the other State (e.g., providing inputs to a manufacturing process that occurs in that other State), “downstream” (e.g., selling the output of a manufacturer which is a resident of the other State) or “parallel” (e.g., selling in one State the same sorts of products that are being sold by the trade or business carried on in the other State).

It is understood that an item of income derived from a State would be considered “incidental” to the trade or business carried on in the other State if the item is not produced by a line of business which forms a part of, or is complementary to, the trade or business conducted in that other State by the recipient of the item, but the production of such item facilitates the conduct of the trade or business in that other State. An example of such “incidental” item of income is interest income earned from the short-term investment of working capital or a resident of a State in securities issued by person in the other State.

XX. In reference to subparagraph 4 a) of Article 26 (Limitation on Benefits)

It is understood that for purposes of subparagraph 4 a) of Article 26 (Limitation on Benefits), a bank only will be considered to be engaged in the active conduct of a banking business if it regularly accepts deposits from the public and makes loans to the public, and an insurance company only will be considered to be engaged in the active conduct of an insurance business if its gross income consists primarily of insurance or reinsurance premiums, and investment income attributable to such premiums.

XXI. In reference to paragraph 8 of Article 12 (Interest) and subparagraph 4(a) of

Article 26 (Limitation on Benefits) For the purpose of subparagraph 4 a) of Article 26 (Limitation on Benefits) and paragraph 8 of Article 12(Interest) it is understood that interest derived from group financing or portfolio investments shall be considered to be part of the business of making or managing investments.

XXII. In reference to subparagraph 4 b) of Article 26 (Limitation on Benefits)

It is understood that the substantiality requirement of subparagraph b) is intended to prevent a narrow case of treaty-shopping abuses in which a company attempts to qualify for treaty benefits by engaging in de minimis connected business activities that have little economic cost or effect with respect to the company's business as a whole. Whether a trade or business is substantial for purposes of this paragraph will be determined based on all the facts and circumstances. Such determination will take into account the comparative sizes of the trades or businesses in each Contracting State (measured by reference to asset values, income and payroll expenses), the nature of the activities performed in each Contracting State, and, in cases where a trade or business is conducted in both Contracting States, the relative contributions made to that trade or business in each Contracting State. In making each determination or comparison, due regard will be given to the relative sizes of the U.S. and Netherlands economies.

In any case, however, a trade or business will be deemed substantial if, for the preceding taxable year, or for the average of the three preceding taxable years, the asset value, the gross income, and the payroll expense that are related to the trade or business in the firstmentioned State equal at least 7.5 percent of the resident's (and any related parties') proportionate share of the asset value, gross income and payroll expense, respectively, that generated the income in the other State, and the average of the three ratios exceeds 10 percent. If the resident owns, directly or indirectly, less than 100 percent of an activity conducted in either State, only the resident's proportionate interest in such activity will be taken into account for purposes of the test described in this paragraph. The following examples demonstrate the application of the substantiality requirement.

Example 1 (i) V, a resident of a country that does not have a tax treaty with the Netherlands, wants to acquire a Netherlands financial institution. However, since its country of residence does not have a tax treaty with the Netherlands, any dividends generated by the investment would be subject to a Netherlands withholding tax of 25%. V establishes a U.S. corporation with one office in a small town to provide investment advice to local residents. That U.S. corporation acquires the Netherlands financial institution with capital provided by V.

  • (ii) The Netherlands source income is generated from business activities in the Netherlands that are related to the investment advisory business conducted by the U.S. parent. However, the substantiality test would not be met in this example, so the dividends would remain subject to withholding in the Netherlands at a rate of 25% rather than the rate provided in Article 10 (Dividends).

Example 2 (i) S is a banking organization that is organized and managed and controlled in the Netherlands. S has a large number of local branches and customers in the Netherlands and sufficient employees to provide banking services to those customers. However, because the banking market in the Netherlands is crowded with competitors, S determined that it needed to establish branches outside the Netherlands in order to expand its business. In accordance with that plan, S established branches in several major cities in the United States to engage in the same type of banking business as in the Netherlands. Over time, the U.S. branches have grown significantly, and now are equal in size to the entire Netherlands business of S.

  • (ii) The business activities of the U.S. branches of S are related to the business conducted by S in the Netherlands. Because S has a large number of local branches and employees in the Netherlands, the activities of S in the Netherlands are substantial for purposes of subparagraph 4 b) of Article 26 (Limitation on Benefits).

Example 3 NLCo, a Netherlands corporation, owns 100 percent of the stock of USCo, a U.S. corporation, and 50 percent of the stock of NLSub, a Netherlands corporation. NLCo does not directly conduct an active trade or business. USCo and NLSub are actively engaged in the music business. USCo has a number of employees who are responsible for discovering new recording artists. USCo also produces recordings and is responsible for production and distrib ution within the United States. Employees of NLSub are responsible for promoting the recordings in the Netherlands and developing a distribution strategy for the rest of Europe. European sales of U.S. recording artists contribute substantiality to the profitability of USCo.

NLCo receives payments of interest and dividends from USCo. In order for these payments to be entitled to treaty benefits under paragraph 4 of Article 26, NLCo must be considered to be engaged in the active conduct of a trade or business in the Netherlands. Under subparagraph 4 b), because NLCo and USCo are related persons, the activities conducted in the Netherlands and attributed to NLCo must be substantial in relation to the activities conducted by USCo. NLCo will be deemed to satisfy this requirement if the ratio of the assets, income and payroll attributable to NLCo to the assets, income and payroll attributable to USCo are at least 10 percent and each ratio is at least 7.5 percent.

For each of the four most recently concluded taxable years, the asset values, gross income and payroll expenses of these corporations that are attributable to the trade or business were as follows:

USCo

NLSub

Assets

$300

$50

Income

50

10

Payroll

60

10

NLCo has no assets, income or payroll that are attributable to the trade or business. The assets, income and payroll of NLSub that are related to the trade or business may be attributed to NLCo, however, under subparagraph c), since NLCo is connected to NLSub by reason of its 50% beneficial ownership in NLSub. Accordingly, 50 percent of NLSub's assets, income and payroll are attributed to NLCo. The amounts attributed to NLCo and the percentage of USCo's corresponding amounts are as follows:

NLCo

NLCo as a Percentage of USCo

Assets

8.3

$25

Income

10.0

5

Payroll

8.3

5

Since none of these percentages is greater than 10 percent, NLCo does not meet the requirements for the safe harbor described above. Moreover, application of the threeyear average rule does not change the result, since the relevant amounts for the three preceding years (and the resulting ratios) are equal to those for the first preceding taxable year.

Nevertheless, NLCo will still qualify for benefits with respect to dividends received from USCo. The activities performed by NLSub are substantial in relation to those of USCo, taking into account the contributions of each company to the overall business of the group.

XXIII. In reference to subparagraph 5 a) of Article 26 (Limitation on Benefits)

  • a) For the purpose of subparagraph 5 a) of Article 26 (Limitation on Benefits) it is understood that the activities referred to in that subparagraph must be performed in the State of residence of the person performing such activities.

  • b) It is understood that for purposes of paragraph 5 a) of Article 26 (Limitation on Benefits) a person will be considered to be engaged in ``supervision and administration" activities, only if it engages in a number of the kinds of activities listed below. For example, a person will be considered a headquarters company if it performs a significant number of the following functions for the group: group financing (which cannot be its principal function), pricing, marketing, internal auditing, internal communications and management. A simple comparison of the amount of gross income that the headquarters company derives from its different activities cannot be used alone to determine whether group financing is, or is not, the company's principal function. The above-mentioned functions are intended to be suggestive of the types of activities in which a headquarters company will be expected to engage; it is not intended to be exhaustive. Furthermore, it is understood that in determining if a substantial portion of the overall supervision and administration of the group is provided by the headquarters company, the activities it performs as a headquarters company for the group it supervises must be substantial in comparison to the same activities for the same group performed within the multinational.

For example, a Japanese corporation establishes a subsidiary in the Netherlands to function as a headquarters company for its European and North American operations. The Japanese corporation also has two other subsidiaries functioning as headquarter companies; one for the African operations and one for the Asian operations. The Dutch headquarters company is the parent company for the subsidiaries through which the European and North American operations are carried on. The Dutch headquarters company supervises the bulk of the pricing, marketing, internal auditing, internal communications and management for its group. Although the Japanese overall parent sets the guidelines for all of its subsidiaries in defining the world-wide group policies with respect to each of these activities, and assures that these guidelines are carried out within each of the regional groups, it is the Dutch headquarters company that monitors and controls the way in which these policies are carried out within the group of companies that it supervises. The capital and payroll devoted by the Japanese parent to these activities relating to the group of companies the Dutch headquarter company supervises is small, relative to the capital and payroll devoted to these activities by the Dutch headquarters company. Moreover, neither the other two headquarter companies, nor any other related company besides the Japanese parent company, perform any of the abovementioned headquarter activities with respect to the group of companies that the Dutch headquarter company supervises. In the above case the Dutch headquarters company will be considered to provide a substantial portion of the overall supervision and administration of the group it supervises.

XXIV. In reference to paragraph 7 of Article 26 (Limitation on Benefits)

  • a) It is understood that a company resident in one of the States will be granted under paragraph 7 of Article 26 (Limitation on Benefits) all the benefits of the Convention otherwise accorded to residents of a State with respect to the income it derives from the other State if it satisfies any other specified conditions for the obtaining of such benefits and if:

    • 1. shares representing more than 30 percent of the aggregate vote and value of all of its shares are owned, directly or indirectly, by persons who are qualified persons by reason of subparagraphs a), b), clause i) of subparagraph c), or subparagraphs d) or e) of paragraph 2 of Article 26;

    • 2. shares representing more than 70 percent of the aggregate vote and value of all its shares (and at least 50 percent of any disproportionate class of shares) are owned, directly or indirectly, by seven or fewer persons who are equivalent beneficiaries within the meaning of subparagraph 8 f); and

    less than 50 percent of the company's gross income for the taxable year in which the item of income arises is paid or accrued, directly or indirectly, to persons who are not equivalent beneficiaries, in the form of payments that are deductible for the purposes of the taxes covered by the Convention in the State of which the company is a resident (but not including arm's length payments in the ordinary course of business for services or tangible property and payments in respect of financial obligations to a bank, provided that where such bank is not a resident of a Contracting State such payment is attributable to a permanent establishment of that bank located in one of the Contracting States).

  • b) The competent authorities agree to use reasonable efforts to make a determination pursuant to paragraph 7 within six months of receiving from the taxpayer all necessary information. Further, the competent authorities of both States will meet semi-annually to discuss the status of all cases in which a determination has been requested.

XXV. In reference to subparagraph 2 c) and subparagraph 8 a) ii) of Article 26 (Limitation on Benefits)

A company that is listed on the Paris or Brussels stock exchanges that, together with the Amsterdam Stock Exchange, constitute Euronext, will be treated as satisfying the listing requirement of paragraph 2(c) so long as securities regulators in the Netherlands continue to supervise the functioning of the portion of the exchange that is located in the Netherlands. If the functioning or supervision of Euronext change substantially, the competent authority of the Netherlands will notify the competent authority of the United States and the two competent authorities will consider whether such treatment remains appropriate and whether adjustments should be made to achieve the purpose of this paragraph.

XXVI. In reference to subparagraphs 8 d) ii) and 8 e) iii) of Article 26 (Limitation on Benefits)

  • a) In making the determination in subparagraph 8 d) ii), it is understood that the determination is based on an assessment of the decision making activities of all of the executive officers and senior management employees who are me mbers of the Executive Board or the Board of Directors of the company, as the case may be, unless such persons merely provide formal approval of decisions that are in fact made by others. If the executive officers of direct or indirect subsidiaries of the company perform the policymaking functions that are normally the responsibility of the Executive Board or Board of Directors of a corporate group, such as those described in subparagraph 8 e) iii), they will be deemed to be members of the Executive Board or the Board of Directors of the company for these purposes. If there are special voting or other arrangements that indicate that the board members (including persons described in the preceding sentence) do not in fact share equally in decision making, those persons will be considered only to the extent that they are responsible for making the decisions described in subparagraph 8 e) iii).

  • b) If a company that is a resident of the Netherlands and is regularly traded on one or more recognized stock exchanges is a parent company for an integrated group of companies that includes another parent company that is also regularly traded on one or more recognized stock exchanges and that other parent company is a resident of a state in the primary economic zone of the Netherlands that has an income tax treaty with the United States that provides for the same or lower rates of withholding with respect to dividends, branch tax, interest and royalties as are provided in Articles 10 (Dividends), 11 (Branch Tax), 12 (Interest) and 13 (Royalties) of the Convention in comparable circumstances, then the first-referenced company will be treated as satisfying the requirements of subparagraph 8) e) iii) with respect to the location of staffs if the staffs conduct more of the activities described therein in the Netherlands and that other state than in any state other than the Netherlands and that other state. For this purpose, an “integrated group of companies” is a group of companies that includes the two parent companies described in the preceding sentence and chains of subsidiaries in which the parent companies have joint economic ownership.

XXVII. In reference to paragraph 5 of Article 29 (Mutual Agreement Procedure).

  • A It is understood that the States will in any case exchange diplomatic notes as provided in paragraph 5 of Article 29 (Mutual Agreement Procedure), when the experience within the European Communities with regard to the application of the Convention on the elimination of double taxation in connection with the adjustment of profits of associated enterprises, signed on 23 July 1990, or the application of paragraph 5 of Article 25 of the tax convention between the United States of America and the Federal Republic of Germany for the avoidance of double taxation and the prevention of fiscal evasion with respect to taxes on income and capital and to certain other taxes, signed on 29 August 1989, has proven to be satisfactory to the competent authorities of both States. After a period of three years after the entry into force of the Convention, the competent authorities shall consult in order to determine whether the conditions for the exchange of diplomatic notes have been fulfilled.

  • B If the competent authorities of both States agree to submit a disagreement regarding the interpretation or application of this Convention in a specific case to arbitration according to paragraph 5 of Article 29, the following procedures will apply:

    • 1. If, in applying paragraphs 1 to 4 of Article 29, the competent authorities fail to reach an agreement within two years of the date on which the case was submitted to one of the competent authorities, they may agree to invoke arbitration in a specific case, but only after fully exhausting the procedures available under paragraphs 1 to 4 of Article 29. The competent authorities will not generally accede to arbitration

      with respect to matters concerning the tax policy or domestic law of either State.

    • 2. The competent authorities shall establish an arbitration board for each specific case in the following manner:

      • a) An arbitration board shall consist of not fewer than three members. Each competent authority shall appoint the same number of members, and these members shall agree on the appointment of the other member(s).

      • b) The other member(s) of the arbitration board shall be from either State or from another OECD member country. The competent authorities may issue further instructions regarding the criteria for selecting the other member(s) of the arbitration board.

      • c) Arbitration board member(s) (and their staffs) upon their appointment must agree in writing to abide by and be subject to the applicable confidentiality and disclosure provisions of both States and the Convention. In case those provisions conflict, the most restrictive condition will apply.

    • 3. The competent authorities may agree on and instruct the arbitration board regarding specific rules of procedure, such as appointment of a chairman, procedures for reaching a decision, establishment of time limits, etc. Otherwise, the arbitration board shall establish its own rules of procedure consistent with generally accepted principles of equity.

    • 4. Taxpayers and/or their representatives shall be afforded the opportunity to present their views to the arbitration board.

    • 5. The arbitration board shall decide each specific case on the basis of the Convention, giving due consideration to the domestic laws of the States and the principles of international law. The arbitration board will provide to the competent authorities an explanation of its decision. The decision of the arbitration board shall be binding on both States and the taxpayer(s) with respect to that case. While the decision of the arbitration board shall not have precedential effect, it is expected that such decisions ordinarily will be taken into account in subsequent competent authority cases involving the same taxpayer(s), the same issue(s), and substantially similar facts, and may also be taken into account in other cases where appropriate.

    • 6. Costs for the arbitration procedure will be borne in the following manner:

      • a) Each State shall bear the cost of remuneration for the member(s) appointed by it, as well as for its representation in the proceedings before the arbitration board;

      • b) the cost of remuneration for the other member(s) and all other costs of the arbitration board shall be shared equally between the States; and

      • c) the arbitration board may decide on a different allocation of costs.

        However, if it deems appropriate in a specific case, in view of the nature of the case and the roles of the parties, the competent authority of one of the States may require the taxpayer(s) to agree to bear that State's share of the costs as a prerequisite for arbitration.

    • 7. The competent authorities may agree to modify or supplement these procedures; however, they shall continue to be bound by the general principles established herein.

XXVIII. In reference to paragraph 7 of Article 26 (Limitation on Benefits)

  • a) For purposes of paragraph 7 of Article 26 (Limitation on Benefits), in determining whether the establishment, acquisition, or maintenance of a corporation resident of one of the States has or had as one of its principal purposes the obtaining of benefits under this Convention, the competent authority of the State in which the income in question arises may consider the following factors (among others):

    • 1. The date of incorporation of the corporation in relation to the date that this Convention entered into force;

    • 2. The continuity of the historical business and ownership of the corporation;

    • 3. The business reasons for the corporation residing in its State of residence;

    • 4. The extent to which the corporation is claiming special tax benefits in its country of residence;

    • 5. The extent to which the corporation's business activity in the other State is dependent on the capital, assets, or personnel of the corporation in its State of residence; and

    • 6. The extent to which the corporation would be entitled to treaty benefits comparable to those afforded by this Convention if it had been incorporated in the country of residence of the majority of its shareholders.

  • b) It is understood that a company resident of one of the States will be granted the treaty benefits under paragraph 7 of Article 26 (Limitation on Benefits) with respect to the income it derives from the other State, if such company:

    • 1. Holds stocks and securities the income from which is not predominantly from sources in the other State;

    • 2. Has widely dispersed ownership; and

    • 3. Employs in its state of residence a substantial staff actively engaged in trades of stocks and securities owned by the company. It is further understood that paragraph 7 of Article 26 will not apply if any of the abovementioned factors is absent.

  • c. It is understood that in applying paragraph 7 of Article 26 (Limitation on Benefits), the legal requirements for the facilitation of the free flow of capital and persons within the European Communities, together with the differing internal income tax systems, tax incentive regimes, and existing tax treaty policies among member states of the European Communities, will be considered. Under such paragraph, the competent authority is instructed to consider as its guideline whether the establishment, acquisition or maintenance of a company or the conduct of its operations has or had as one of its principal purposes the obtaining of benefits under this Convention. The competent authority may, therefore, determine under a given set of facts, that a change in circumstances that would cause a company to cease to qualify for treaty benefits under paragraphs 2 and 3 of Article 26 need not necessarily result in a denial of benefits. Such changed circumstances may include a change in the state of residence of a major shareholder of a company, the sale of part of the stock of a Netherlands company to a person resident in another member state of the European Communities, or an expansion of a company's activities in other member states of the European Communities, all under ordinary business conditions. The competent authority will consider these changed circumstances (in addition to other relevant factors normally considered under paragraph 7 of Article 26) in determining whether such a company will remain qualified for treaty benefits with respect to income received from United States sources. If these changed circumstances are not attributable to tax avoidance motives, this also will be considered by the competent authority to be a factor weighing in favor of continued qualification under paragraph 7 of Article 26.

  • d. When a corporation resident in one of the States that is entitled to benefits under Article 26 (Limitation on Benefits) acquires a controlling interest in a corporation resident in a third state that in turn owns a controlling interest in a second corporation resident in the first- mentioned State, that second corporation may not be entitled to the benefits of the Convention due to the provisions of subparagraph 2 c) ii) of Article 26 with respect to income derived from sources within the other State. It is understood that in these circumstances the competent authority of the other State, in considering a request for benefits under the Convention under paragraph 7 of Article 26, will consider favorably a plan of reorganization submitted by the second corporation resident in the first- mentioned State, if such plan would result in the second corporation being entitled to the benefits of the Convention within a reasonable transition period (determined without regard to paragraph 7 of Article 26).

XXIX. In reference to paragraph 8 h) of Article 26 (Limitation on Benefits)

In order to meet the “regularly traded” test under subparagraph 8 h) of Article 26 (Limitation on Benefits), a person claiming benefits under the Convention need not prove that it has not engaged in, but may need to rebut evidence that it has engaged in, a pattern of trades on a recognized stock exchange in order to meet these tests.

XXX. In reference to Article 27 (Offshore Activities)

It is understood that transport of supplies or personnel between one of the States and a location where activities are carried on off-shore in that State or between such locations is to be considered as transport between places in that State.

XXXI. In reference to paragraph 5 of Article 29 (Mutual Agreement Procedure)

  • a. It is understood that the States will in any case exchange diplomatic notes as provided in paragraph 5 of Article 29 (Mutual Agreement Procedure), when the experience within the European Communities with regard to the application of the Convention on the elimination of double taxation in connection with the adjustment of profits of associated enterprises, signed on 23 July 1990, or the application of paragraph 5 of Article 25 of the tax convention between the United States of America and the Federal Republic of Germany for the avoidance of double taxation and the prevention of fiscal evasion with respect to taxes on income and capital and to certain other taxes, signed on 29 August 1989, has proven to be satisfactory to the competent authorities of both States. After a period of three years after the entry into force of the Convention, the competent authorities shall consult in order to determine whether the conditions for the exchange of diplomatic notes have been fulfilled.

  • b. If the competent authorities of both States agree to submit a disagreement regarding the interpretation or application of this Convention in a specific case to arbitration according to paragraph 5 of Article 29, the following procedures will apply:

  • 1. If, in applying paragraphs 1 to 4 of Article 29, the competent authorities fail to reach an agreement within two years of the date on which the case was submitted to one of the competent authorities, they may agree to invoke arbitration in a specific case, but only after fully exhausting the procedures available under paragraphs 1 to 4 of Article 29. The competent authorities will not generally accede to arbitration with respect to matters concerning the tax policy or domestic law of either State.

  • 2. The competent authorities shall establish an arbitration board for each specific case in the following manner:

    • A) An arbitration board shall consist of not fewer than three members. Each competent authority shall appoint the same number of members, and these members shall agree on the appointment of the other member(s).

    • B) The other member(s) of the arbitration board shall be from either State or from another OECD member country. The competent authorities may issue further instructions regarding the criteria for selecting the other member(s) of the arbitration board.

    • C) Arbitration board member(s) (and their staffs) upon their appointment must agree in writing to abide by and be subject to the applicable confidentiality and disclosure provisions of both States and the Convention. In case those provisions conflict, the most restrictive condition will apply.

  • 3. The competent authorities may agree on and instruct the arbitration board regarding specific rules of procedure, such as appointment of a chairman, procedures for reaching a decision, establishment of time limits, etc. Otherwise, the arbitration board shall establish its own rules of procedure consistent with generally accepted principles of equity.

  • 4. Taxpayers and/or their representatives shall be afforded the opportunity to present their views to the arbitration board.

  • 5. The arbitration board shall decide each specific case on the basis of the Convention, giving due consideration to the domestic laws of the States and the principles of international law. The arbitration board will provide to the competent authorities an explanation of its decision. The decision of the arbitration board shall be binding on both States and the taxpayer(s) with respect to that case. While the decision of the arbitration board shall not have presidential effect, it is expected that such decisions ordinarily will be taken into account in subsequent competent authority cases involving the same taxpayer(s), the same issue(s), and substantially similar facts, and may also be taken into account in other cases where appropriate.

  • 6. Costs for the arbitration procedure will be borne in the following manner:

    • A) Each State shall bear the cost of remuneration for the member(s) appointed by it, as well as for its representation in the proceedings before the arbitration board;

    • B) The cost of remuneration for the other member(s) and all other costs of the arbitration board shall be shared equally between the States; and

    • C) The arbitration board may decide on a different allocation of costs. However, if it deems appropriate in a specific case, in view of the nature of the case and the roles of the parties, the competent authority of one of the States may require the taxpayer(s) to agree to bear that State's share of the costs as a prerequisite for arbitration.

  • 7. The competent authorities may agree to modify or supplement these procedures; however, they shall continue to be bound by the general principles established herein.

XXXII. In reference to Article 30 (Exchange of Information and Administrative Assistance)

If a United States “reporting corporation” (as defined for purposes of section 6038A of the United States Internal Revenue Code) that is a United States resident, or a United States permanent establishment of a United States “reporting corporation” that is not a United States resident, has neither possession of nor access to records that may be relevant to the United States income tax treatment of any transaction between it and a foreign “related party” (as defined in section 6038A of the United States Internal Revenue Code), and such records are under the control of a Netherlands resident and are maintained outside the United States, then the United States shall request such records from the Netherlands through an exchange of information under Article 30 (Exchange of Information and Administrative Assistance) before issuing a summons for such records to the United States “reporting corporation”, provided that under all the circumstances presented, the records will be obtainable through the request on a timely and efficient basis. For purposes of this paragraph, records will be considered to be available on a timely and efficient basis if they can be obtained within 180 days of the request or such other period agreed upon in mutual agreement between the competent authorities, except where the statute of limitations may expire in a shorter period. Similar principles shall apply with respect to the application of section 6038C.

XXXIII. In reference to Article 30 (Exchange of Information and Administrative Assistance)

Pursuant to paragraph 2 thereof, which provides that the competent authorities shall endeavor to provide information in the form of depositions of witnesses and authenticated copies of unedited original documents, it is understood that the competent authorities of the States will work together to develop mutual procedures that reconcile differences in internal domestic laws and procedures with the aim of ensuring that information is provided in a form that facilitates its use in judicial proceedings in the requesting State.

XXXIV. In reference to paragraph 1 of Article 30 (Exchange of Information and Administrative Assistance)

It is understood that persons concerned with the “administration” of taxes, as that term is used in paragraph 1 of Article 30 (Exchange of Information and Administrative Assistance) include, in the United States, the “tax-writing committees of Congress” and the “General Accounting Office”. Information exchanged under the Convention that is otherwise confidential under the Convention may be received under the same requirement of confidentiality by these bodies and may be used only in the performance of their role of overseeing the administration of United States tax laws. Congress's and the “General Accounting Office's” role in overseeing the administrative of United States tax law is understood to be limited to ensuring that the administration of the tax law by the executive branch is honest, efficient, and consistent with legislative intent.

XXXV. In reference to Article 31 (Assistance and Support in Collection)

It is understood that in applying Article 31 (Assistance and Support in Collection) the following shall be taken into account:

  • 1. The requested State shall not be obliged to accede to the request of the applicant State:

    • A) If the applicant State has not pursued all appropriate collection action in its own jurisdiction;

    • B) In those cases where the administrative burden for the requested State is disproportionate to the benefit to be derived by the applicant State.

  • 2. The request for administrative assistance in the recovery of a tax claim shall be accompanied by:

    • A) An official copy of the instrument permitting enforcement in the applicant State;

    • B) Where appropriate, certified copies of any other document required for recovery;

    • C) A certificatio n by the competent authority of the applicant State that, under the laws of that State, the revenue claim has been finally determined. For the purposes of this Article, a revenue claim is finally determined when the applicant State has the right under its internal law to collect the revenue claim and all administrative and judicial rights of the taxpayer to restrain collection in the applicant State have lapsed or been exhausted.

  • 3. A revenue claim of the applicant State that has been finally determined may be accepted for collection by the competent authority of the requested State and, subject to the provisions of paragraph 7 below, if accepted shall be collected by the requested State as though such revenue claim were the requested State's own revenue claim finally determined in accordance with the laws applicable to the collection of the requested State's own taxes.

  • 4. Where an application for collection of a revenue claim in respect of a taxpayer is accepted:

    • A) By the United States, the revenue claim shall be treated by the United States as an assessment under United States laws against the taxpayer as of the time the application is received; and

    • B) By the Netherlands, the revenue claim shall be treated by the Netherlands as an amount payable under appropriate Netherlands law, the collection of which is not subject to any restriction.

  • 5. Nothing in this Article shall be construed as creating or providing any rights of administrative or judicial review of applicant State's finally determined revenue claim by the requested State, based on any such rights that may be available under the laws of either State. If, at any time pending execution of a request for assistance under this Article, the applicant State loses the right under its internal law to collect the revenue claim, the competent authority of the applicant State shall promptly withdraw the request for assistance in collection.

  • 6. Subject to this paragraph, amounts collected by the requested State pursuant to this Article shall be forwarded to the competent authority of the applicant State. Unless the competent authorities of the States otherwise agree, the ordinary costs incurred in providing collection assistance shall be borne by the requested State and any extraordinary costs so incurred shall be borne by the applicant State.

  • 7. The requested State may allow deferral of payment or payment by installments, if its laws or administrative practice permit it to do so in similar circumstances, but it shall first inform the applicant State. Any interest received by the requested State as a result of the allowance of a deferral of payment or payment by installments will be transferred to the competent authority of the applicant State.

  • 8. A revenue claim of an applicant State accepted for collection shall not have in the requested State any priority accorded to the revenue claims of the requested State.

  • 9. The competent authorities may under this Article grant assistance in collecting any tax deferred by operation of paragraph 8 of Article 14 (Capital Gains).

  • 10. The competent authorities of the States shall agree upon the mode of application of this Article. The competent authorities of the States may further agree to modify or supplement these procedures, however, they shall continue to be bound by the general principles established herein.

XXXVI. In reference to paragraph 2 of Article 32 (Limitations of Articles 30 and 31)

It is understood that the competent authorities of each State shall use all reasonable efforts to obtain and provide information respecting interests in a person in response to a request from the other State. Paragraph 2 of Article 32 (Limitations of Articles 30 and 31) does not, however, create an obligation on the competent authorities of either State to obtain and provide information respecting interests in a person unless such information can be obtained without giving rise to disproportionate difficulties.

XXXVII. In reference to paragraph 2 of Article 35 (Exempt Pension Trusts)

For the purpose of paragraph 2 of Article 35 (Exempt Pension Trusts), a person is considered to be a related person if more than 80% of the vote or value of any class of the shares is owned by the person deriving the income.

XXXVIII. In General

It is understood that the two Governments shall consult together at regular intervals regarding the terms, operation and application of the Convention to ensure that it continues to serve the purposes of avoiding double taxation and preventing fiscal evasion and shall, where they consider it appropriate, conclude further Protocols to amend the Convention. The first such consultation shall take place no later than December 31st in the fifth year following the date on which the Protocol enters into force in accordance with the provisions of Article 10 of the Protocol. Further consultations shall take place thereafter at intervals of no more than five years.

Notwithstanding the preceding paragraph, either Government may at any time request consultations with the other Government on matters relating to the terms, operation and applicatiøn of the Convention which it considers require urgent resolution.

Nr. I

DEPARTMENT OF STATE WASHINGTON

Washington D.C., March 8, 2004

Excellency,

I have the honor to refer to the Protocol signed today between the United States of America and the Kingdom of the Netherlands Amending the Convention for the Avoidance of Double Taxation and the Prevention of Fiscal Evasion with Respect to Taxes on Income and to propose on behalf of the Government of the United States the following:

In the course of the negotiations leading to the conclusion of the Protocol signed today, the negotiators developed and agreed upon the Understanding that is attached to this note. The Understanding is a statement of intent setting forth a common understanding and interpretation of certain provisions of the Protocol reached by the delegations of the United States and the Kingdom of the Netherlands on behalf of their respective governments. These understandings and interpretations are intended to give guidance both to the taxpayers and the tax authorities of our two countries in interpreting these provisions. It was further decided that this Understanding will supersede the Understanding accompanying the 1992 Convention and the related exchange of notes accompanying the 1993 Protocol.

If the understandings and interpretations in the Understanding are acceptable, this note and your note reflecting such acceptance will memorialize the understandings and interpretations that the parties have reached.

Accept, Excellency, renewed assurances of my highest consideration.

For the Secretary of State:

ELIZABETH JONES

His Excellency

Boudewijn van Eenennaam

Ambassador of the Kingdom of the Netherlands

Nr. II

Washington D.C., March 8, 2004

Mr. Secretary,

I have the honor to confirm receipt of your Note of today's date which reads as follows:

[Red: (Zoals in Nr. I)]

I Have the honor to inform you, that my Government agrees to the above.

Accept, Your Excellency, the expression of my highest consideration.

B. J. VAN EENENNAAM

Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden

State Department

of the United States of America

Terug naar begin van de pagina