Bepaling scores op labels
Hieronder volgt een functionele omschrijving van de verschillende labels.
Algemeen
De patiëntenpopulatie bestaat uit unieke patiënten voor wie binnen een bepaalde tijdspanne
een verzekerde dbc-zorgprestatie geopend is bij een hoofdbehandelaar (subtrajecten
met zorgtype 11, 21 of 13). Zorgtype 51 zal alleen meelopen bij het label complexe
ok en behandelintensiteit.
Er worden twee referentiegroepen onderscheiden:
Nieuwe aanvragers vallen in de referentiegroep 2: overige instellingen.
Alle patiëntgebonden labels worden berekend op concernniveau, per jaar, waarbij gekeken
wordt naar de openingsdatum van de dbc. Voor de telling van het aantal unieke patiënten
wordt gebruik gemaakt van een geldig BSN.
Label 1. : behandelintensiteit
Stap 1: bereken profielzwaarte per traject in de DIS-data
Gebruikt worden kostprijzen per activiteit voor onderlinge weging van alle voorkomende
zorgactiviteiten binnen een traject. De activiteiten binnen de zorgprofielklassen
20, 89 en 99 worden hierbij uitgesloten. Behalve bij de zorgproductgroep 990027 medisch
specialistische revalidatiezorg (MSRZ) en de hartrevalidatie worden ook activiteiten
binnen zorgprofielklasse 14 uitgesloten. Voor ontbrekende kostprijzen wordt de gemiddelde
kostprijs van de zorgprofielklasse genomen.
Zorgtype 51 zal meegenomen worden als het subtraject gekoppeld kan worden aan een
initieel of vervolg dbc. De IC-zorgactiviteiten (zorgprofielklasse 18 en 19) wegen
niet mee in het bepalen van de zorgzwaarte.
Stap 2: bereken profielzwaarte-index per traject in de DIS-data
We zetten per traject in de DIS-data de profielzwaarte af tegen de landelijk gemiddelde
profielzwaarte van datzelfde dbc-zorgproduct.
Stap 3: behandelintensief
We definiëren trajecten als behandelintensief bij meer dan twee standaarddeviaties
afwijking ten opzichte van het landelijk gemiddelde.
In deze laatste stap is een transformatie (natuurlijke logaritme) toegepast op de
berekende profielzwaarte. Zodoende wordt de rechtsscheefheid in de verdeling van profielzwaarte
tegengegaan en kan een zo robuust en zuiver mogelijke standaarddeviatie worden bepaald.
Voor kostprijzen die kleiner dan 0,01 zijn wordt een vervangende waarde genomen van
–6. Kostprijzen van 0 cent worden uitgesloten van de berekening.
Een (unieke) patiënt kan gedurende het jaar meerdere trajecten doorlopen. Wanneer
bij één traject sprake is van hoge behandelintensiteit, wordt de patiënt als hoog
behandelintensief geclassificeerd.
Alleen het aantal unieke patiënten die hieraan voldoen, per zorgaanbieder worden geteld.
Label 2. : unieke zorg
Per diagnose, zorgtype, specialisme en patiëntkenmerk wordt gekeken of de BBAZ ontvangers
meer dan 85% van de totale dbc’s aan zorg leveren. De volgende vier patiëntkenmerken
worden daarbij achtereenvolgens bekeken:
Vervolgens wordt het aantal unieke patiënten per instelling geteld die volgens bovenstaande
operationalisatie unieke zorg krijgen.
Voor leeftijdscategorieën wordt de volgende leeftijdsgroepen opgesteld:
Categorie 0: 0 tot en met 14 jaar
Categorie 1: 15 tot en met 24 jaar
Categorie 2: 25 tot en met 44 jaar
Categorie 3: 45 tot en met 64 jaar
Categorie 4: 65 tot en met 74 jaar
Categorie 5: 75 tot en met 84 jaar
Categorie 6: 85 en ouder
Voor geslacht wordt aangesloten bij de verschillende geslachtsvormen die voorkomen
in de DIS.
Voor de indeling op sociaal economische status wordt gebruik gemaakt van de gegevens
op postcodeniveau van het SCP. De scores die door het SCP worden gepubliceerd zijn
omgezet in categorieën op basis van afwijkingen ten opzichte van het gemiddelde. Hiervoor
worden drie categorieën onderscheiden:
Laag (1): Gemiddelde minimaal één keer standaarddeviatie of minder.
Middel (2): Gemiddelde (tussen min één en plus één keer standaarddeviatie)
Hoog (3): Gemiddelde plus één standaarddeviatie of meer.
Voor de reistijdentabel wordt gebruik gemaakt van de meest recent beschikbare reistijdentabel
van GEODAN voor alle postcodes in Nederland. Alle reistijden zijn weergegeven tussen
alle mogelijke combinaties van postcodes. De reistijd van de postcode van de patiënt
en het adres van de instelling wordt vervolgens bepaald. Op basis van de reistijden
worden drie categorieën onderscheiden:
Categorie Kort: minder dan 30 minuten
Categorie Midden: 30 of meer en minder dan 60 minuten
Categorie Lang: 60 of meer minuten
Label 3. : multispecialistische zorg
Dit label identificeert patiënten die binnen een instelling zorg ontvangen van diverse
poortspecialismen. Hierbij wordt gekeken naar het specialisme waar het subtraject
op geregistreerd is, en het uitvoerend specialisme van een zorgactiviteit bij een
patiënt binnen een bepaalde diagnosegroep. Patiënten worden gemarkeerd als ze zorg
hebben ontvangen van drie of meer poortspecialismen.
Hier wordt een uitzondering op gemaakt: Indien het subtraject is geregistreerd op
een niet poortspecialisme, en het uitvoerende specialisme is gelijk aan het behandelend
specialisme waar het subtraject op geregistreerd is, wordt deze ook meegenomen als
specialisme voor de bepaling van het label.
Voor de diagnosegroepen wordt gebruik gemaakt van de diagnosegroepentabel. De diagnosegroep
omschrijvingen ‘X’, ‘Traject’, ‘Intercollegiaal consult’, ‘Screening’ en ‘Geen DRG’
worden uitgesloten.
Vervolgens wordt het aantal unieke patiënten per instelling geteld die volgens bovenstaande
operationalisatie multispecialistische zorg krijgen.
Label 4. : complexe operatie
Binnen de set van operatieve verrichtingen wordt gekeken in hoeverre een operatieve-verrichting:
Met patiënten wordt de totale patiëntenpopulatie bedoeld. Hiervoor gebruiken we de
meest recent beschikbare inwonersaantallen van het CBS op peildatum 31 december van
ieder jaar. De operatieve verrichtingen die worden onderscheiden worden gebaseerd
op de zorgactiviteiten met ZPK code 5 (Operatieve verrichtingen).
Bij het identificeren van complexe ok loopt zorgtype 51 ook mee. Een patiënt kan dus
topreferent worden door een complexe ok verrichting door een subtraject met een zorgtype 51.
Het aantal unieke patiënten met zo’n operatie wordt per instelling geteld.
Label 5. : zeldzame diagnose
Een diagnose wordt als zeldzaam gekenmerkt als de diagnose per jaar in de totale patiëntenpopulatie
bij minder dan 1 op de 100.000 mensen wordt vastgesteld.
Met mensen wordt bedoeld de totale patiëntenpopulatie van Nederland. Hiervoor gebruiken
we de meest recent beschikbare inwonersaantallen van het CBS op peildatum 31 december
van ieder jaar.
Het aantal unieke patiënten die aan dit criterium voldoet wordt per instelling geteld.
Label 6. : Tertiaire verwijzing
Het gaat hier om het aantal unieke patiënten dat eerder in een ander ziekenhuis behandeld
werd en daarna doorverwezen is. We kijken hiervoor naar de initiële en vervolg dbc’s
(zorgtype 11 en 21 in de DIS) waarvan de begindatum maximaal 1,5 jaar ligt na de begindatum
van de dbc van een andere zorgaanbieder. Om te kunnen scoren op dit label dient een
instelling tenminste verwijzingen te ontvangen naar 3 verschillende poortspecialismen.
Voor dit label wordt op twee manieren bekeken of een patiënt aan deze eis voldoet.
Hiervoor hanteren we een verwijzercriterium en een BSN-criterium. Bij het BSN-criterium
moet een instelling boven een bepaalde drempelwaarde scoren. In de volgende alinea’s
worden de verschillende methodes uitgelegd:
Criterium verwijzer:
Via de DIS-registratie van het ziekenhuis wordt nagegaan hoeveel patiënten verwezen
zijn vanuit een andere instelling (met uitzondering van de Spoed Eisende Hulp). Deze
patiënten moeten ook daadwerkelijk (op basis van BSN) maximaal 1,5 jaar voorafgaand
aan de gegeven zorg aanwezig zijn in de ziekenhuisadministratie van een ander ziekenhuis.
Voor de instellingen die de DIS niet voldoende volledig hebben aangeleverd (minimaal
80%) wordt niet geverifieerd of de patiënt een dbc in een ander ziekenhuis heeft ontvangen
volgens bovenstaande methode. Voor deze instellingen wordt gebruik gemaakt van de
verwijsadministratie van de instelling zelf om vast te stellen of de patiënten binnen
1,5 jaar behandeld zijn in een ander ziekenhuis. Hiervoor baseren we ons enkel op
de verwijsadministratie van het ziekenhuis zelf (variabele code_zelfverwijzer_cd met
als waarde “06”). De BSN controle laten we dan los.
Criterium BSN:
De BSN methode analyseert welke patiënten in de periode van 1,5 jaar zoals hierboven
beschreven in verschillende ziekenhuizen zijn behandeld zonder dat hiervoor een specifieke
verwijzing is geregistreerd.
Om het BSN-criterium te bepalen worden de volgende stappen doorlopen:
Stap 1: Vaststellen van relevante landelijke verwijspatronen:
-
• Vaststellen van landelijke verwijspatronen tussen specialismen
Allereerst gaan we op zoek naar zorg die aan elkaar gelieerd zijn. Hiervoor baseren
we ons op bestaande verwijzingen van BBAZ-ontvangers tussen specialismen die gemiddeld
of meer dan gemiddeld voorkomen in een bepaalde periode. Voor deze verwijzingen berekenen
we een landelijk gemiddeld verwijspatroon. Verwijspatronen die gemiddeld of meer dan
gemiddeld voorkomen worden meegenomen als tertiaire verwijzing indien sprake is van
een gelijke Diagnose registratie groep (DRG) bij de behandeling in de verschillende
instellingen, of indien het een van de belangrijkste DRG's betreft bij de doorverwijzing.
-
• Vaststellen van belangrijkste landelijke verwijspatronen.
Om te bepalen of een DRG in de categorie belangrijkste DRG's valt wordt op basis van
omvang een lijst met DRG's opgesteld waarbij tenminste 80% van de doorverwijzingen
wordt geselecteerd voor de relevante verwijspatronen. De DRG's: KGEN-01 en 'GEEN'
worden uitgesloten.
Stap 2: Het bepalen van drempelwaarde voor instellingen.
Een ziekenhuis met een sterk derdelijns karakter voor een bepaalde DRG/diagnose zal
naar verwachting relatief veel tertiaire verwijzingen hebben. Om een onderscheid te
maken tussen een tertiaire verwijzing en een terugverwijzing (voor niet-tertiaire
zorg), wordt gebruik gemaakt voor een drempelwaarde op basis van het aandeel verwijzingen
op basis van het 06-criterium. Bij het bepalen van de drempelwaarde worden de volgende
stappen doorlopen:
-
• Het aandeel derdelijnsverwijzingen (via 06-criterium) per DRG/diagnose voor alle nieuw
binnenkomende patiënten (zorgtype 11) wordt bepaald per jaar en instelling. Dit is
exclusief patiënten die verwezen zijn vanuit dezelfde instelling (code zelfverwijzer=’07’)
en patiënten die binnenkomen via de SEH (code zelfverwijzer = ‘01’ en ‘03’).
-
• Er wordt één drempelwaarde bepaald voor alle DRG’s per jaar door een mediaan over
alle aandelen derdelijnsverwijzingen te berekenen. Met het berekenen van één centrummaat
over alle DRG’s wordt er recht gedaan aan de complexiteit van zorg waarbij minder
complexe zorg eerder onder de drempelwaarde zal liggen.
Stap 3: Het toepassen van de drempelwaarde per instelling
Alle doorverwijzingen die zijn geïdentificeerd door het BSN-criterium zijn pas geldig
als de instelling met zijn derdelijnsverwijzingen voor de desbetreffende DRG ook boven
de drempelwaarde ligt.
Bij bepaling van de labelscore worden uiteindelijk unieke patiënten gelabeld die voldoen
aan het BSN criterium en/of aan criterium verwijzer.
Label 7. : multimorbide patiënten
Het gaat hier om patiënten jonger dan 50 jaar met vier of meer verschillende diagnosegroepen
gedurende de laatste twee kalenderjaren.
Bij deze analyse telt een patiënt ook als multimorbide als hij/zij bij meerdere zorgaanbieders
is behandeld. We tellen het aantal unieke jonge multimorbide patiënten.
De volgende diagnosegroepen worden hier uitgesloten:
De diagnosegroepen: 'KGEN-01', 'Z35', 'S06 ', 'S42-0', 'S42-S52', 'S62-S102', 'S62-S103',
'S72', 'S82', 'S82-2', 'S83', 'S92', 'S93', 'GEEN' en alle diagnosegroepen die beginnen
met en ‘S1’.
Daarnaast worden de volgende diagnosegroep omschrijvingen uitgesloten: ‘X’, ‘Traject’,
‘Intercollegiaal consult’, ‘Screening’.