Regeling servicekosten

Geraadpleegd op 03-04-2026.
Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 17 maart 2026, nr. 2026-0000097711 tot de wijze van berekening en maximering van de servicekosten voor woonruimten (Regeling servicekosten) [KetenID WGK0027964]

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,

Gelet op artikel 237, lid 3, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

Besluit:

Artikel 1

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

De wijze van berekening van de servicekosten en de maximering daarvan, bedoeld in artikel 237, lid 3, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek vindt plaats overeenkomstig bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 2

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

[Red: Wijzigt de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte.]

Artikel 3

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Deze regeling treedt in werking op het moment waarop de Wet van 23 april 2025 tot wijziging van Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en enkele andere wetten in verband met de modernisering van het systeem van servicekosten in werking treedt.

Artikel 4

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling servicekosten.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,

E. Boekholt-O'Sullivan

Bijlage 1. De wijze van berekening van servicekosten

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Bijlage bij artikel 1

§ 1. Warmte en koude

  • Voor de levering of doorlevering van verwarmd tapwater, warmte en koude lucht als bedoeld in paragraaf 1 van de bijlage bij het Besluit servicekosten kan een redelijke vergoeding in rekening worden gebracht, die wordt berekend overeenkomstig hetgeen bepaald in deze paragraaf.

  • In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    • a. Vaste kosten: kosten voor de levering of doorlevering van verwarmd tapwater, warmte en koude lucht, waarop het gebruikersgedrag van de huurder geen invloed heeft, met uitzondering van de kapitaals- en onderhoudslasten van een verwarmd tapwater, warmte- of koude-leverende installatie die als onroerende aanhorigheid aan de gehuurde woonruimte is verbonden. Onder vaste kosten worden in ieder geval verstaan:

      • i. De kosten voor het leveren van verwarmd tapwater, warmte en koude lucht, ten behoeve van gemeenschappelijke ruimten;

      • ii. De kosten voor roerende warmtemeters en warmtekostenverdelers;

      • iii. De kosten in verband met de onbemeterde warmteafgifte door inpandige leidingen;

    • b. Variabele kosten: kosten voor de levering of doorlevering van verwarmd tapwater, warmte en koude lucht die toe te rekenen zijn aan de eindgebruiker op grond van individueel gebruik voor de huurder.

  • De vaste kosten worden verdeeld over het aantal woonruimten waarop deze betrekking hebben, hierbij kan worden gekozen voor een gelijke verdeling per woonruimte of een verdeling op basis van de oppervlakte van de betreffen woonruimten, waarbij:

    • a. De kosten voor het leveren van verwarmd tapwater, warmte en koude lucht voor het verwarmen en koelen van de gemeenschappelijke gedeelten, wordt bepaald door het gebruik van warmtemeters of warmtekostenverdelers. In geval er geen (werkende) warmtemeters of warmte kostenverdelers zijn, wordt een verdeling worden gemaakt op basis van een andere kostenverdeelsystematiek die door de verhuurder op grond van artikel 7:259, tweede lid, BW aan de huurder inzichtelijk wordt gemaakt;

    • b. De kosten in verband met onbemeterde warmteafgifte door inpandige leidingen wordt bepaald door het bepalen van een redelijk, door de verhuurder op grond van artikel 7:259, tweede lid, BW aan de huurder inzichtelijk te maken, aandeel van deze onbemeterde warmteafgifte in relatie tot de totale warmteafgifte, waarbij een aandeel van 35% in ieder geval wordt gezien als redelijk.

  • De variabele kosten dienen overeenkomstig het verbruik op basis van warmtemeters of warmtekostenverdelers, over de woonruimten te worden verdeeld. Alleen wanneer er geen (werkende) warmtemeters of warmtekostenverdelers zijn, wordt er een verdeling gemaakt op basis van een andere kostenverdeelsystematiek die door de verhuurder op grond van artikel 7:259, tweede lid, BW aan de huurder inzichtelijk wordt gemaakt.

  • Vaste kapitaals- en onderhoudslasten van een verwarmd tapwater, warmte- of koude-leverende installatie die als onroerende aanhorigheid aan de gehuurde woonruimte is verbonden, kunnen niet via de servicekosten worden verrekend.

§ 2. Elektriciteit, gas en water

  • Voor de levering of doorlevering van elektriciteit, gas en water zoals bedoeld in paragraaf 2 van de bijlage bij het Besluit servicekosten, kan een redelijke vergoeding in rekening worden gebracht, die wordt berekend overeenkomstig hetgeen bepaald in deze paragraaf.

  • In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    • a. Vaste kosten: kosten voor de levering of doorlevering van elektriciteit, gas en water waarop het gebruikersgedrag van de huurder geen invloed heeft, met uitzondering van de kapitaals- en onderhoudslasten van installaties die als onroerende aanhorigheid aan de gehuurde woonruimte zijn verbonden. Onder vaste kosten worden in ieder geval verstaan:

      • De kosten voor het leveren van elektriciteit, gas en water, ten behoeve van de gemeenschappelijke gedeelten en voor het gebruik van de gemeenschappelijke voorzieningen;

      • De kosten voor verbruiksmeters;

    • b. Variabele kosten: kosten voor de levering of doorlevering van elektriciteit, gas en water die toe te rekenen zijn aan de eindgebruiker op grond van individueel gebruik voor de huurder.

  • De vaste kosten worden gelijk verdeeld over het aantal woonruimte waarop deze betrekking hebben, waarbij de kosten voor het leveren van elektriciteit, gas en water, voor het verbruik in de gemeenschappelijke gedeelten en voor het gebruik van de gemeenschappelijke voorzieningen, wordt bepaald door het gebruik van verbruikersmeters. Wanneer er geen (werkende) verbruikmeters zijn, wordt een verdeling worden gemaakt op basis van een andere kostenverdeelsystematiek die door de verhuurder op grond van artikel 7:259, tweede lid, BW aan de huurder inzichtelijk wordt gemaakt.

  • De variabele kosten dienen overeenkomstig het verbruik op basis van meters of kostenverdelers over de woonruimten te worden verdeeld. Alleen wanneer er geen (werkende) meters of kostenverdelers zijn, wordt er een verdeling gemaakt op basis van een andere kostenverdeelsystematiek.

  • Indien er in een complex naast een woonfunctie, sprake is van gebruik van elektriciteit, gas en water door andere gebruiksgroepen (bijvoorbeeld bedrijfsruimten) dan moet de toerekening van de kosten afzonderlijk voor elke gebruikersgroep worden uitgevoerd. Deze kostenverdeling is noodzakelijk om het onderscheid voor huurders van woonruimte inzichtelijk te maken en vindt plaats op basis van het totale gebruik van de gebruikersgroepen, gemeten door de individuele meters binnen de betreffende gebruikersgroepen.

  • De kapitaals- en onderhoudslasten van aan de huurder in gebruik gegeven roerende zonnepanelen kunnen in rekening worden gebracht conform de methode beschreven in paragraaf 3. De kapitaals- en onderhoudslasten van zonnepanelen die onroerend aanhorig aan de gehuurde woonruimte zijn kunnen niet via de servicekosten worden verrekend.

§ 3. Roerende zaken

  • Voor mede ter beschikking gestelde roerende zaken als bedoeld in paragraaf 3 van de bijlage bij het Besluit servicekosten, kan een redelijke vergoeding in rekening worden gebracht, die wordt berekend overeenkomstig hetgeen bepaald in deze paragraaf.

  • De vergoeding bestaat uit (een combinatie van) van de volgende kostenposten:

    • a. afschrijvingskosten gebaseerd op de aanschafkosten aangevuld met eventuele leverings- of montagekosten. Deze kosten moeten worden afgeschreven over de verwachte levensduur van de betreffende roerende zaak;

    • b. onderhoudskosten.

  • Wanneer sprake is van mede ter beschikking gestelde roerende zaken in een gemeenschappelijke gedeelte, dan wordt de vergoeding gelijk verdeeld over het aantal woonruimten die gebruik kunnen maken van het gemeenschappelijke gedeelte.

  • Voor de volgende categorieën roerende zaken wordt maximaal 50% van de kosten die op basis van de hierboven beschreven berekeningsmethode zijn berekend als vergoeding in rekening gebracht bij de huurder:

    • a. Roerende brandbeveiligingsmiddelen, zoals bijvoorbeeld brandblussers en blusdekens;

    • b. Roerende beveiligingscamera’s.

    Brandbeveiligingsmiddelen en beveiligingscamera’s die als onroerende aanhorigheid aan het woonruimtegedeelte van het gehuurde dan wel in aan de gemeenschappelijke gedeelten zijn verbonden, kunnen niet via de servicekosten worden verrekend.

  • De verhuurder moet op grond van artikel 7:259, tweede lid, BW voor de huurder inzichtelijk maken voor welke roerende zaken een vergoeding in rekening wordt gebracht en hoe deze vergoeding is opgebouwd. Wanneer is sprake is van regulier periodiekonderhoud waarbij de tussenperiode tussen twee onderhoudsbeurten langer is dan twaalf maanden, is kunnen deze onderhoudskosten gelijk worden verdeeld over de betreffende kalenderjaren.

  • Reparatiekosten voor roerende zaken kunnen niet bij de huurder via de servicekosten in rekening worden gebracht. Indien een roerende zaak stuk is gegaan door het handelen van de huurder vindt afrekening uitsluitend met deze betreffende huurder plaatst buiten de afrekening van de servicekosten om.

§ 4. Kleine herstellingen

  • Voor kleine herstellingen als bedoeld in paragraaf 4 van de bijlage bij het Besluit servicekosten kan een redelijke vergoeding in rekening worden gebracht, die wordt berekend overeenkomstig hetgeen bepaald in deze paragraaf.

  • De redelijke vergoeding bestaat uit de volgende kostenposten:

    • a. arbeidskosten, gebaseerd op een urenverantwoording vermenigvuldigd met een uurtarief.

    • b. materiaalkosten.

  • Indien het kleine herstellingen aan een gemeenschappelijk gedeelte betreft, worden de kosten gelijk verdeeld over het aantal woonruimten die gebruik kunnen maken van het gemeenschappelijke gedeelte.

§ 5. Toezicht, beveiliging en vuil

  • Voor het verrichten van diensten in het kader van toezicht, veiligheid en een goede bewoning door de huurders als bedoeld in paragraaf 5 van de bijlage bij het Besluit servicekosten kan een redelijke vergoeding in rekening worden gebracht, die wordt berekend overeenkomstig hetgeen bepaald in deze paragraaf.

  • De redelijke vergoeding betreft de volgende kostenposten:

    • a. arbeidskosten, gebaseerd op een urenverantwoording vermenigvuldigd met een uurtarief;

    • b. materiaalkosten.

  • De kosten worden gelijk verdeeld over het aantal woonruimte waar deze betrekking op hebben.

  • Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd voor een gemeenschappelijk gedeelte, worden de kosten daarvan gelijk verdeeld over het aantal woonruimten die gebruik kunnen maken van het gemeenschappelijke gedeelte.

  • De vergoeding voor in het kader van toezicht, veiligheid en een goede bewoning, in gebruik gegeven roerende zaken, wordt berekend overeenkomstig paragraaf 3. Roerende zaken.

§ 6. Signaallevering

  • Voor signaallevering als bedoeld in paragraaf 6 van de bijlage bij het Besluit servicekosten, kan een redelijke vergoeding in rekening worden gebracht, die wordt berekend overeenkomstig hetgeen bepaald in deze paragraaf.

  • Het betreft de volledige kosten die de verhuurder maakt in het kader van centrale opvang, verstrekking ten behoeve van de gemeenschappelijke gedeelten en doorlevering van een signaal voor radio, televisie, computer, internet of andere elektronische apparatuur.

  • De vergoeding voor ter beschikking gestelde roerende elektronische apparatuur voor het opvangen en het doorleveren van het signaal wordt berekend overeenkomstig paragraaf 3. Roerende zaken.

  • De vergoeding voor signaallevering ten behoeve van toezicht en beveiliging wordt berekend overeenkomstig paragraaf 5. Toezicht, beveiliging en vuil.

    Wanneer het signaal bedoeld is voor meerdere woonruimten of gemeenschappelijke gedeelten, worden de kosten gelijk verdeeld over de woonruimten.

  • Voor het ten behoeve van de woonruimten betalen van vastrechtkosten en gesprekskosten van een alarmtelefoon in de lift naar de meldkamer, geldt dat de totale kosten die volgen uit de afrekening gelijk worden verdeeld over het aantal woonruimten waarvoor de lift beschikbaar is gesteld.

§ 7. Verzekeringen en fondsvorming

  • Voor de verzekeringen en fondsvorming als bedoeld in paragraaf 7 van de bijlage bij het Besluit servicekosten, kan een redelijke vergoeding in rekening worden gebracht, die wordt berekend overeenkomstig hetgeen bepaald in deze paragraaf.

  • Het betreft de volledige kosten die de verhuurder voor de premie van de verzekering of de inleg in het fonds.

  • De kosten die toebehoren aan de verzekering van een gemeenschappelijk gedeelte worden gelijk verdeeld over de woonruimten die gebruik kunnen maken van het gemeenschappelijke gedeelte.

  • De maandelijkse inleg in een fonds wordt berekend op basis van de jaarlijkse kosten voor de geleverde zaken en diensten die uit het fonds worden betaald. Deze worden gelijk verdeeld over alle woonruimten.

  • De maximale maandelijkse inbreng in een fonds bedraagt maximaal € 6 en de omvang van het fonds mag maximaal drie keer de jaaropbrengst zijn.

  • Overstijgen de gemaakte kosten de omvang van een fonds, dan wordt het restbedrag niet via paragraaf 4. Kleine herstellingen of paragraaf 5. Toezicht, beveiliging en vuil, bij de huurder in rekening worden gebracht.

§ 8. Administratiekosten

  • Voor administratiekosten als bedoeld in paragraaf 8 van het de bijlage bij het Besluit servicekosten, kan een redelijke vergoeding in rekening worden gebracht, die wordt berekend overeenkomstig hetgeen bepaald in deze paragraaf.

    • a. Voor de administratieve kosten die gemaakt worden in verband met de servicekosten, bedoeld in paragrafen 1 en 2, geldt, een maximumpercentage van 2% van de totale servicekosten die worden berekend overeenkomstig de betreffende paragraaf.

    • b. Voor de administratieve kosten die gemaakt worden om de verdeling te berekenen geldt voor de servicekosten, bedoeld in paragrafen 3 tot en met 7, een maximumpercentage van 5% van de totale servicekosten.

  • Er kan per woonruimte een bedrag van minimumbedrag van € 7,50 per kalenderjaar per woonruimte voor de administratie kosten in rekening worden gebracht, ook als dit bedrag de bovenstaande maximumpercentages overschrijdt.

  • Het totaal aan administratiekosten bedraagt niet meer dan € 75,00 per kalenderjaar per woonruimte.

Toelichting bij bijlage 1

§ 1. Warmte en koude

Paragraaf 1 gaat over de levering of doorlevering door de verhuurder van verwarmd tapwater, warmte en koude lucht, aan woonruimten en gemeenschappelijke ruimten. De levering van gas of elektriciteit waarmee de huurder zelf warmte of koude creëert valt onder paragraaf 2. Delen van de warmte- of koude-leverende installatie die als onroerende aanhorigheid onderdeel uitmaken van de gehuurde woonruimte of de gemeenschappelijke ruimten, kunnen niet via de servicekosten worden verrekend.1

Paragraaf 1 maakt een onderscheid tussen vaste en variabele kosten. Daarbij zijn vaste kosten gedefinieerd als kosten waar het gebruikersgedrag van de huurder geen invloed heeft. Met deze benadering wordt aangesloten bij NEN 7440 die in praktijk door verhuurders wordt toegepast. Deze regeling geeft geen limitatieve opsomming van kosten die als vast moeten worden gezien. De vaste kosten worden gelijk verdeeld over de woonruimte waar deze betrekking op hebben. Hierbij kan worden gekozen voor een gelijke verdeling per woonruimte of een verdeling op basis van de oppervlakte van de betreffen woonruimten. Voor de variabele kosten geldt het uitgangspunt dat deze overeenkomstig het verbruik over de woonruimten worden verdeeld. Hiervoor is het gebruik van een warmtemeter of warmtekostenverdelers noodzakelijk. Alleen als er geen (werkende) meters zijn, kan de verhuurder tot een andere redelijke kostenverdeling komen.

De kosten voor het gebruik en aflezen warmtemeters en warmtekostenverdelers worden als onderdeel van de vaste kosten in rekening worden gebracht. Kosten voor het uitlezen van de meters, het verdelen van de kosten en het opstellen van de servicekosten jaarrekening zijn onderdeel van de administratiekosten, bedoeld in paragraaf 8. Deze zijn gemaximeerd op 2% van de totale kosten voor de levering of doorlevering van verwarmd tapwater, warmte en koude lucht.

In paragraaf 1 wordt gesproken over de kosten in verband met onbemeterde warmteafgifte door inpandige leidingen. Hiervoor kan de verhuurder een redelijk aandeel van de totale warmteafgifte voor het gebouw in de berekening betrekken. Een aandeel van 35% gezien wordt in ieder geval gezien als een redelijke verdeling2. Deze berekeningsmethoden kunnen worden gebruikt maar worden niet verplicht gesteld. Tevens dient de verhuurder de gekozen berekeningsmethoden op grond van artikel 7:259, tweede lid, BW inzichtelijk voor de huurder te maken. Indien in een complex naast een woonfunctie, sprake is van warmte- of koude gebruik door andere gebruiksgroepen (bijvoorbeeld bedrijfsruimten) dan moet de toerekening van de kosten afzonderlijk voor elke gebruikersgroep worden uitgevoerd. Deze kostenverdeling is noodzakelijk om het onderscheid voor huurders van woonruimte inzichtelijk te maken en vindt plaats op basis van het totale gebruik van de gebruikersgroepen, gemeten door de individuele meters binnen de betreffende gebruikersgroepen. Alleen de kosten voor de gebruiksgroepen die betrekking hebben op de woonfunctie kwalificeren als servicekosten.

§ 2. Elektriciteit, gas en water

Deze paragraaf gaat uitsluitend over de levering of doorlevering door de verhuurder van elektriciteit, gas en water. Deze paragraaf kent dezelfde opbouw en systematiek als paragraaf 1.

De afrekening van zonnepanelen vindt plaatst volgens de systematiek die hoort bij paragraaf 3 Roerende zaken. De opbrengsten van de zonnepanelen (de opgewekte elektriciteit en eventueel saldering of terugleververgoeding) worden verdeeld overeenkomstig hetgeen verhuurder en huurder daarover hebben afgesproken bij het aangaan van de servicekosten. In beginsel zal dit neerkomen op de situatie waarin de huurder een bedrag betaalt voor het gebruik van de zonnepanelen en daarvoor 100% van de opbrengsten ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken door bijvoorbeeld een lagere vergoeding overeen te komen voor het gebruik van de zonnepanelen waarbij ook een lager percentage van de opbrengsten aan de huurder toekomen. Het is aan de verhuurder om, op grond van artikel 7:259, tweede lid, BW inzichtelijk te maken hoe de verdeling is en wat de verhouding is tot de vergoeding die de huurder betaalt voor de zonnepanelen. De kapitaal- en onderhoudslasten voor onroerende zonnepanelen kunnen niet via de servicekosten in rekening worden gebracht, deze panelen zijn immers onderdeel van het gehuurde waarvoor de huurder huurprijs betaalt.

§ 3. Roerende zaken

Indien roerende zaken mede ter beschikking worden gesteld aan de huurder, kan hiervoor een vergoeding in rekening worden gebracht. Onderdeel van de bedoelde vergoeding zijn de afschrijvingskosten gebaseerd op de aanschafkosten aangevuld met eventuele leverings- of montagekosten. Deze kosten worden afgeschreven over de verwachte levensduur van de betreffende roerende zaak. Daarbij dient rekening te worden gehouden met een eventuele restwaarde. Hiermee sluit de regeling aan bij de gangbare bedrijfseconomische benadering. De te hanteren afschrijvingstermijnen worden in deze regeling niet voorgeschreven. Het is aan de verhuurder die te bepalen. Deze regeling biedt nadat een roerende zaak is afgeschreven, geen mogelijkheid tot herwaardering. De volledige daadwerkelijk gemaakte kosten zijn dan immers reeds door de huurder via de servicekosten betaald. Indien er na het gebruik door de huurder nog een restwaarde is, moet hiermee rekening worden gehouden door deze in mindering te brengen bij het berekenen van de vergoeding. Ook eventuele kosten voor onderhoud kunnen als onderdeel van de gebruikersvergoeding in rekening worden gebracht. Indien onderhoud bijvoorbeeld om de twee of drie jaar plaatsvindt, biedt deze regeling de mogelijkheid deze kosten per kalenderjaar te verrekenen. Hiervoor is gekozen om sterke schommelingen in de jaarlijkse onderhoudskosten te voorkomen. Deze regeling maakt voorts onderscheid tussen onderhoud- en reparatiekosten. Wanneer de huurder een vergoeding heeft betaald en daarmee het recht heeft de goederen te gebruiken, is het niet redelijk dat de huurder aanvullend moet betalen mocht het betreffende goed stuk gaan.

Voor de verbruiksvergoeding van roerende zonnepanelen geldt dat de afrekening plaats vindt conform de systematiek behorende bij deze paragraaf. De opbrengsten van de zonnepanelen komen toe aan de huurder. Daarmee wordt de opgewekte elektriciteit en eventueel saldering of terugleververgoeding bedoeld. De opbrengsten komen tevens toe aan de huurder in situaties waarbij de zonnepanelen onroerend aanhorig aan het gehuurde zijn. De kapitaal- en onderhoudslasten voor onroerende zonnepanelen kunnen niet via de servicekosten in rekening worden gebracht, deze panelen zijn immers onderdeel van het gehuurde waarvoor de huurder huurprijs betaalt.

Voor de gebruiksvergoeding voor roerende brandbeveiligingsmiddelen (zoals brandblussers en blusdekens) en beveiligingscamera’s mag maximaal 50% van de kosten die overeenkomstig paragraaf 3 mogen worden gerekend, in de doorberekening aan de huurder worden meegenomen. Dit vanuit de overweging dat genoemde roerende zaken óók in het belang van de verhuurder zijn en dat het daarmee niet uitsluitend en volledig om aan de huurder in gebruik gegeven roerende zaken gaat. Brandbeveiligingsmiddelen die als onroerende aanhorigheid aan de gehuurde woonruimte zijn verbonden, kunnen niet via de servicekosten worden verrekend.

§ 4. Kleine herstellingen

Het begrip kleine herstellingen is in deze regeling uitsluitend van toepassing op kleine herstellingen zoals bedoeld in het Besluit kleine herstellingen. Om kleine herstellingen als servicekosten in rekening te mogen brengen bij huurders moeten huurder en verhuurder dit in de huurovereenkomst overeen zijn gekomen.3 De redelijke vergoeding bestaat uit arbeidskosten (gebaseerd op een urenverantwoording vermenigvuldigd met een uurtarief), aangevuld met materiaalkosten. Deze regeling bepaalt geen redelijk of maximum uurtarief. Het schoonhouden van de gemeenschappelijke ruimten is onderdeel van de kleine herstellingen.4 Kosten hiervoor worden gelijk verdeeld over het aantal woonruimte die gebruik kunnen maken van de gemeenschappelijk ruimte.

§ 5. Toezicht, beveiliging en vuil

De redelijke vergoeding voor het verrichten van diensten in het kader van toezicht, beveiliging en vuil als bedoeld in paragraaf 5 van het Besluit servicekosten, bestaat uit arbeidskosten (gebaseerd op een urenverantwoording vermenigvuldigd met een uurtarief), aangevuld met materiaalkosten. De kosten worden gelijk verdeeld over het aantal woonruimte waar deze betrekking op hebben, dit geldt ook voor de kosten voor werkzaamheden die worden ten behoeve van gemeenschappelijke gedeelten. Deze regeling bepaalt geen redelijk of maximum uurtarief. De vergoeding voor in het kader van toezicht, veiligheid en vuil, in gebruik gegeven roerende zaken, wordt berekend overeenkomstig paragraaf 3. Roerende zaken. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om vuilcontainers of pakketkluizen. De kosten voor het gebruik van bijvoorbeeld een zaklamp door de huismeester of een beveiliger, valt binnen de materiaalkosten zoals bedoeld in paragraaf 5. Het betreft hier immers geen roerende zaak die mede ter beschikking is gesteld aan de huurder.

§ 6. Signaallevering

Voor diensten in het kader van centrale opvang, verstrekking ten behoeve van de gemeenschappelijke gedeelten en doorlevering van een signaal voor radio, televisie, computer, internet of andere elektronische apparatuur, geldt dat de redelijke vergoeding bestaat uit de volledige kosten die de verhuurder daarvoor maakt. Wanneer deze kosten zijn gemaakt ten behoeve van meerdere woonruimten of gemeenschappelijke gedeelten, worden de kosten gelijk verdeeld over de woonruimten. De vergoeding voor de aan de huurder mede ter beschikking gestelde roerende elektronische apparatuur wordt berekend overeenkomstig paragraaf 3. De signaallevering ten behoeve van toezicht en beveiliging is onderdeel van de materiaalkosten uit paragraaf 5.

§ 7. Verzekeringen en fondsvorming

Op basis van het Besluit servicekosten is het mogelijk om een gemeenschappelijk fonds te vormen. In de praktijk gaat het veelal om fondsen voor het kunnen verrichten van kleine herstellingen. Het gaat om relatief lage kosten, waarbij het afrekenen van de daadwerkelijk gemaakte kosten in de praktijk onnodig ingewikkeld zou zijn. Het in te richten fonds biedt dan een praktische oplossing in het belang van zowel de huurder als de verhuurder. Om te borgen dat het om kleine bedragen gaat en om ervoor te zorgen dat de administratieve last laag kan blijven, stelt deze regeling een maximum aan de maandelijkse inleg van het fonds en de totale omvang. Wanneer ervoor is gekozen om bepaalde kosten via een fonds te verrekenen, is het niet mogelijk om eventueel aanvullende of resterende kosten alsnog op een andere wijze in rekening te brengen. Dit vanuit de overweging dat de huurder ervan uit moet kunnen gaan dat met de maandelijkse bijdrage aan het fonds de betreffende kosten worden gedekt en er niet achteraf nog een aanvullende rekening volgt.

§ 8. Administratiekosten

Voor alle administratieve handelingen om tot een servicekostenafrekening te komen, kan de verhuurder administratiekosten bij de huurder in rekening brengen. In deze paragraaf 8 wordt een maximum gesteld aan deze administratiekosten. Hiervoor is gekozen omdat het specificeren van de daadwerkelijk gemaakte administratiekosten in de praktijk tot een onredelijke hoge administratieve lasten kan leiden, die ook niet in verhouding staat tot de omvang van de kosten in deze paragraaf.

Voor de administratiekosten die worden gemaakt om tot een afrekening van paragraaf 1 en 2 te komen, geldt een maximumpercentage voor de administratiekosten van 2% van de totale kosten als bedoeld in die paragrafen. Voor de overige paragrafen (3 tot en met 7) geldt een maximumpercentage van 5%. Dit heeft te maken met de gemiddelde servicekosten per categorie, die voor de servicekosten uit paragraaf 1 en 2 veel hoger zijn. Voorts geldt een maximumbedrag voor het totaal aan administratiekosten van € 75,00 per kalenderjaar per woonruimte en tevens een minimumbedrag van € 7,50 per kalenderjaar. Een minimumbedrag is nodig omdat een eindafrekening van de servicekosten ook kan resulteren in een klein of negatief bedrag; ook in die gevallen moet het mogelijk blijven redelijke administratiekosten in rekening te brengen. Het maximumbedrag van € 75,00 aan administratiekosten geldt per kalenderjaar en nadrukkelijk niet per afrekening. Dit kalenderjaar betreft het kalenderjaar, bedoeld in artikel 7:259 tweede lid BW, waarin de verplichting is opgenomen dat de verhuurder de huurder elk kalenderjaar een afrekening van de servicekosten stuurt. In het geval dat bijvoorbeeld de kosten voor elektriciteit, gas en water afzonderlijk van de overige servicekosten worden afgerekend, dan mag het totaal aan administratiekosten het gestelde jaarlijkse maximum niet overschrijden.

  1. Dit is benadrukt in de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:61 (Acantus). ^ [1]
  2. De HC hanteerde deze 35% voorheen ook in het Beleidsboek Servicekosten. ^ [2]
  3. Dit volgt uit paragraaf 4 van het Besluit servicekosten. ^ [3]
  4. Bijlage, onderdeel p, van het Besluit kleine herstellingen. ^ [4]