1. Achtergrond
Economische groei en werkgelegenheid zijn onlosmakelijk verbonden met handhaving van
de Nederlandse positie in de internationale handels- en investeringsstromen. Ruim
35% van ons inkomen wordt in het buitenland verdiend, handel bedraagt meer dan 85%
van het BBP en levert 2,6 miljoen voltijdbanen op. De ambitie van overheid en bedrijfsleven
is handhaving van de positie op ‘traditionele’ markten en versterking van de positie
op ‘nieuwe’ markten. Het midden- en kleinbedrijf (MKB) is sterk afhankelijk van de
binnenlandse markt en het is cruciaal dat ook zij kunnen internationaliseren en profiteren
van groeikansen.
Onbekendheid met buitenlandse markten en de complexiteit daarvan vormen barrières
die risico’s en kosten met zich meebrengen. Nederlandse MKB-ondernemingen kunnen daardoor
kansen mislopen, mede omdat banken en investeerders het risico in bepaalde landen
(opkomende markten) hoog inschatten en voorzichtig zijn met financieren en investeren.
Dit terwijl er ondanks eventuele extra risico’s juist kansen zijn voor Nederlandse
ondernemingen om bedrijfsactiviteiten uit te breiden naar het buitenland. Daarnaast
bepaalt de omvang van de MKB-onderneming de financiële slagkracht van een onderneming
om zich op nieuwe markten te begeven. Kleine ondernemingen hebben niet altijd de financiële
middelen om hun product op een nieuwe markt te introduceren.
In het geval van ontwikkelingslanden kunnen deze Nederlandse ondernemingen een belangrijke
en positieve impuls geven aan verdere lokale ontwikkeling. Export en investeringen
kunnen een bijdrage leveren aan duurzame economische groei en lokale werkgelegenheid,
aan overdracht van kennis, vaardigheden en technologie en aan verbetering van lokale
productiekracht.
De minister wil met het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 (hierna: subsidieprogramma
of DHI), net als in het ‘Subsidieprogramma DHI 2019–2023’ en het ‘Subsidieprogramma
DHI’ dat in 2024 en 2025 was opengesteld, de economische activiteiten van Nederlandse
ondernemingen stimuleren die een bijdrage leveren aan het oplossen van bovengenoemde
barrières, waardoor kansen gecreëerd worden om nieuwe activiteiten op nieuwe markten
te ontplooien. Met het subsidieprogramma wordt een bijdrage geleverd aan de uitvoering
van de SDG-agenda2.
Ook in deze subsidieprogramma periode zet de minister weer in om de drempels voor
groene activiteiten te verlagen om zo meer groene banen en duurzame export te verwezenlijken.
Dit betekent dat als ondernemingen kunnen aantonen dat de subsidiabele activiteiten
groen zijn ze in aanmerking kunnen komen voor extra financiering (zie paragraaf 4.7).
Daarnaast wil de minister het subsidieprogramma uitbreiden met subsidie voor marktvalidaties
waarmee startups een betere en snellere toegang kunnen krijgen tot nieuwe buitenlandse
afzetmarkten (zie onderdeel d van paragraaf 4.4.). Juist voor startups geldt dat het
vinden van de juiste product-marktfit een grote uitdaging is, zeker als het gaat om
het buitenland. Ook andere knelpunten kunnen de marktentree belemmeren. Met een marktvalidatie
kunnen technische, commerciële, economische of juridische knelpunten door middel van
onderzoek worden weggenomen. In 2026 wordt voor marktvalidaties van startups maximaal
€ 1 miljoen gereserveerd binnen het totale beschikbare budget voor DHI, om te testen
of het aan de voornoemde behoefte voldoet.
4. Subsidieprogramma DHI 2026–2030
4.1. Doel en doelgroep
Het subsidieprogramma heeft als doel om Nederlandse MKB-ondernemingen te ondersteunen
bij het voorbereiden op export en investeringen in het buitenland. Het subsidieprogramma
geeft mede invulling aan het beleid gericht op internationalisering van het Nederlandse
MKB. Internationaal ondernemen is een belangrijk element in het streven naar duurzame
economische groei in Nederland.
Het subsidieprogramma geeft tevens invulling aan de synergie tussen handel enerzijds
en hulp anderzijds binnen de agenda van de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en
Ontwikkelingshulp, waarin stimulering van internationalisering van het MKB en bijdrage
aan lokale en inclusieve economische groei samengaan. Met name voor ontwikkelingslanden
geldt dat gezocht wordt naar ontwikkelingsrelevante economische activiteiten van het
Nederlandse MKB dat daar marktkansen ziet.
De hoofddoelstelling van het subsidieprogramma is:
Het verhogen en versterken van het aantal Nederlandse ondernemingen dat succesvol
internationaliseert door in een vroege fase te onderzoeken of een export-/investeringsproject
haalbaar is of om te demonstreren dat een bepaalde technologie toepasbaar is of door
knelpunten voor marktentree voor startups weg te nemen. Voor projecten in ontwikkelingslanden
geldt dat hiermee tevens een positieve bijdrage wordt geleverd aan de lokale ontwikkeling
van de landen waar deze internationaliseringen plaatsvinden.
Specifieke doelstellingen van het subsidieprogramma zijn:
-
– Het vergroten van het aantal Nederlandse ondernemingen dat zich (sterker) positioneert
in nieuwe markten door het wegnemen van (financiële) knelpunten, als verdere stap
in de internationalisering van deze ondernemingen;
-
– Het vergroten van de Nederlandse export;
-
– Het vergroten van de Nederlandse investeringen in het buitenland.
En via bovenstaande 3 doelstellingen tevens het leveren van een bijdrage aan duurzame
lokale economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden, in de vorm van groei van de
lokale werkgelegenheid, duurzame overdracht van kennis, vaardigheden en technologie
en verbetering van lokale productiekracht, in geval projecten in deze landen plaatsvinden.
4.2. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie
Met het subsidieprogramma wil de minister Nederlandse MKB-ondernemingen ondersteunen
en samenwerkingsverbanden namens welke een penvoerder een subsidie aanvraagt.
Een samenwerkingsverband bestaat uit twee of meer exporterende of investerende Nederlandse
ondernemingen, waaronder ten minste één MKB-onderneming. De penvoerder moet een Nederlandse
MKB-onderneming zijn en een substantieel aandeel in het project hebben.
Als er sprake is van een samenwerkingsverband, dan kunnen ook grotere ondernemingen
(in de zin van niet-MKB) subsidiemiddelen verkrijgen, voor zover dit binnen dat samenwerkingsverband
noodzakelijk is voor het MKB waarmee zij samenwerken, en als in die samenwerking het
accent op het MKB ligt.
-
a. Alleen Nederlandse binnen het project exporterende en/of in het buitenland investerende
(MKB-) ondernemingen, met substantiële activiteiten in Nederland, komen voor subsidie
in aanmerking;
-
b. Voor de aanvrager en de projectpartners geldt dat de reguliere activiteiten en/of
strategie van de aanvrager logisch aansluiten bij het project;
-
c. De aanvrager dient substantiële omzet te hebben gerealiseerd, waarbij de gemiddelde
jaaromzet over de laatste 3 kalenderjaren voorafgaand aan de aanvraag ten minste € 100.000
bedraagt. Dit vereiste is niet van toepassing:
-
i. als de aanvrager een startup is die subsidie vraagt voor een marktvalidatie (paragraaf
4.4., onderdeel d); en/of
-
ii. als de technologie die in het buitenland op de markt wordt gebracht onafhankelijk
gevalideerd is en wordt aangetoond dat de aanvrager externe financiering van rechtspersonen
ontvangt waarmee de groei van de bedrijfsactiviteiten in het buitenland gefinancierd
kan worden.
-
d. De aanvrager dient minimaal 3 FTE in Nederland in loondienst te hebben. Dit vereiste
is niet van toepassing:
-
i. als de aanvrager aantoonbaar aannemelijk maakt dat de uitvoeringscapaciteit gewaarborgd
is door middel van structurele inzet van ingehuurde zelfstandigen; en/of
-
ii. als de aanvrager aantoonbaar aannemelijk maakt de productie van de te exporteren technologie
structureel uit te besteden aan externe Nederlandse producenten, en de continuïteit
van de activiteiten is zowel tijdens het project als daarna gewaarborgd.
-
e. De aanvrager beschikt aantoonbaar over voldoende relevante kennis en ervaring om het
project succesvol te kunnen uitvoeren en om de beoogde export of investering te kunnen
realiseren.
-
f. De aanvrager maakt onderbouwd aannemelijk in staat te zijn de eigen bijdrage voor
de uitvoering van het project en voor de beoogde export of investering te kunnen bekostigen.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie moet de aanvrager een integriteitsbeleid6 hebben en procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven
binnen de eigen organisatie. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om
grensoverschrijdend gedrag, daaronder onder andere begrepen seksuele misdragingen,
jegens medewerkers en derden, bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag
betrekking heeft, door de projectpartners (als er sprake is van een samenwerkingsverband)
en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend
geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen
en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een
tijdige melding van incidenten aan RVO is gewaarborgd.
4.3. Adviestraject
Als een aanvrager overweegt een aanvraag voor subsidie in te gaan dienen, dan zal
er een verplicht adviestraject plaatsvinden aan de hand van een daartoe ingediende
‘quick scan’. Meer informatie hierover staat op www.rvo.nl/dhi.
Met de verwerking van een verzoek om advies is tot twee weken gemoeid. Het adviestraject
eindigt met een advies van een RVO-adviseur aan de potentiële aanvrager. De uitkomst
van het adviestraject is niet bindend. Het is aan de aanvrager om wel of niet een
subsidieaanvraag in te dienen. Als vervolgens besloten wordt om een aanvraag in te
dienen, is en blijft het altijd de verantwoordelijkheid van de aanvrager om aan te
tonen dat aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen wordt voldaan.
4.4. Subsidiabele activiteiten
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van dit subsidieprogramma
moet de aanvraag betrekking hebben op een planmatige integrale aanpak van activiteiten
die bijdragen aan één gezamenlijk doel.
Het project moet gericht zijn op het bereiken van de doelen in paragraaf 4.1. en betrekking
hebben op activiteiten in niet meer dan één doelland, tenzij er valide overwegingen
van effectiviteit of doelmatigheid zijn om activiteiten naar een naburig land uit
te breiden.
Er kan subsidie worden aangevraagd voor de projecten a tot en met d:
-
a.
Demonstratieproject
Het demonstreren van een door de aanvrager zelf ontwikkelde Nederlandse technologie
in het doelland, waarbij de toegevoegde waarde van de technologie in een reële praktijksituatie
in het doelland aan een brede groep potentiële afnemers wordt aangetoond en waarmee
een knelpunt voor marktentree wordt weggenomen. Om de brede doelgroep te kunnen overtuigen
worden de resultaten die uit de demonstratie voortkomen ook met de brede doelgroep
gedeeld. Er is ten minste sprake van een werkend prototype, klaar voor commerciële
toepassing.
-
b.
Haalbaarheidsstudie
In een haalbaarheidsstudie onderzoekt een aanvrager voor de beoogde buitenlandse afnemer
of een investering door deze afnemer in de te leveren technologie in het doelland
technisch en/of commercieel haalbaar is. Het eindresultaat is een rapport om de afnemer
te overtuigen de technologie van de exporteur aan te schaffen. Het is mogelijk om
in één studie twee investeringen voor twee potentiële afnemers te onderzoeken als
overwegingen van effectiviteit of doelmatigheid dat noodzakelijk maken. Een kleine
test kan onderdeel uitmaken van het project als de situatie dat noodzakelijk maakt.
-
c.
Investeringsvoorbereidingsproject
Een project dat wordt uitgevoerd door een aanvrager die de intentie heeft om te investeren
in het buitenland. Met investeren wordt bedoeld dat in het doelland een nieuwe productie-
of dienstenfaciliteit, niet zijnde een verkoopkantoor, wordt neergezet. De investering
dient logischerwijze voort te vloeien uit de huidige activiteiten, core business en
strategie van de Nederlandse onderneming. Het project kan een kleine test- of proefproductie
bevatten als de situatie dat noodzakelijk maakt.
-
d.
Marktvalidatie van startups
Een activiteit in de doelmarkt waarmee startups met een eigen, uitontwikkelde en bewezen
effectieve technologie een concreet knelpunt voor het betreden van de nieuwe doelmarkt
kunnen wegnemen. De marktvalidatie is een technische, commerciële, juridische en/of
economische validatie van de technologie in de doelmarkt en kan elementen van een
demonstratieproject, een haalbaarheidsstudie of een investeringsvoorbereidingsproject
bevatten. De marktvalidatie wordt uitgevoerd in samenwerking met een lokale partij
(een partij waarmee de aanvrager in samenwerking een project uitvoert, deze partij
beschikt over de noodzakelijke expertise om de marktvalidatie te faciliteren). Het
mag geen onderzoek en/of productontwikkelingsactiviteiten (met uitzondering van het
testen van een prototype) of activiteiten gericht op promotie of verkoop betreffen.
4.5. Niet subsidiabele activiteiten
In ieder geval wordt geen subsidie verleend voor de volgende activiteiten:
-
– Onderzoek en productontwikkeling, met uitzondering van het testen van een prototype
binnen een marktvalidatie van startups;
-
– Verkoop(gerelateerde)activiteiten, algemene promotionele activiteiten, activiteiten
gerelateerd aan algemeen promotiemateriaal;
-
– Activiteiten gericht op algemeen marktonderzoek;
-
– Demonstratie van de betreffende technologie aan slechts één potentiële afnemer en/of
op een beurs of tentoonstelling;
-
– Activiteiten die leiden tot een verlies aan arbeidsplaatsen in Nederland;
-
– Activiteiten die als export- of investeringsactiviteiten zijn aan te merken, waarbij
moet worden gedacht aan:
-
• Projecten waarbij vooraf of tijdens het project een technologie aan de betrokken gastheer
wordt verkocht;
-
• Projecten waarbij in het kader van een proefproductie al een aanzienlijke investering
wordt gedaan;
-
– Leningen op revolverende financiering aan derde partijen.
Voorts wordt geen subsidie verleend voor steenkolenprojecten en voor de exploratie
en ontwikkeling van nieuwe voorraden olie en gas in het buitenland, noch voor activiteiten
op bestaande voorraden olie en gas, behalve daar waar sprake is van verbetering van
de milieuprestatie en/of veiligheid en/of gezondheid en op voorwaarde dat de economische
levensduur van de fossiele infrastructuur niet wordt verlengd.
4.6. Duur van de projecten en samenloop
De projecten in het kader van het subsidieprogramma moeten worden uitgevoerd binnen
een maximale termijn van:
-
– 3 jaar voor een demonstratieproject;
-
– 2 jaar voor een haalbaarheidsstudie en investeringsvoorbereidingsproject;
-
– 1 jaar voor een marktvalidatie van startups.
Per aanvrager kan hoogstens sprake zijn van één DHI-subsidieverlening tegelijkertijd,
dat wil zeggen dat gedurende de periode waarin een subsidieontvanger bezig is met
de uitvoering van een onder het DHI-subsidieprogramma gesubsidieerd project, er geen
andere subsidie onder dit subsidieprogramma wordt verleend. Voor marktvalidaties van
startups geldt daarnaast dat per aanvrager maximaal twee keer per jaar subsidie kan
worden verleend.
4.7. Omvang van de subsidie
De subsidie bedraagt per aanvraag ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten tot een
maximum van:
-
– € 200.000 voor demonstratieprojecten;
-
– € 100.000 voor haalbaarheidsstudies;
-
– € 100.000 voor investeringsvoorbereidingsprojecten.
-
– € 25.000 voor marktvalidaties van startups
In het geval van projecten, met uitzondering van marktvalidatie van startups, die
positief uit de toets voor groene projecten komen geldt een subsidiepercentage van ten hoogste
70% van de subsidiabele kosten, tot bovengenoemde maximale bedragen. Deze toets wordt
verricht aan de hand van het Toetsingskader groene projecten opgenomen in Annex 2
bij deze beleidsregels.
Positief betekent dat de kernactiviteit bijdraagt aan één of meer van de in het Toetsingskader genoemde categorieën van vergroeningsdoelen
en een substantiële bijdrage levert aan de betreffende vergroeningsdoelen, zonder
daarbij – en goed onderbouwd – schade te berokkenen aan de andere categorieën.
Met kernactiviteit wordt bedoeld: de specifieke technologie die centraal staat in de aanvraag. Met de
subsidie wordt een onderneming geholpen om een ‘technologie’ op een nieuwe markt te
brengen. Die technologie, of de directe uitwerking ervan, moet vergroenend zijn, ten
einde in aanmerking te kunnen komen voor het hogere subsidiepercentage en moet bijdragen
aan de transitie naar een groeninclusieve toekomstbestendige economie.
Met substantieel wordt hier bedoeld: de bijdrage aan de vergroening moet centraal staan (of op z’n
minst een grote rol spelen) bij de implementatie van de betreffende technologie, en
mag niet slechts een beperkt neveneffect (bijvangst) zijn.
DHI-subsidies worden verstrekt onder de toepassing van de De-minimisverordening. Hiervoor
geldt een maximaal drempelbedrag van € 300.000 voor 3 jaren per onderneming, waarbij
een groep van ondernemingen gezien wordt als één onderneming. Vanaf 1 januari 2026
wordt de de-minimissteun in een verplicht (Europees) register opgenomen7. De de-minimisverklaring blijft wel als aanvraagvereiste gelden.
Het deel van de totale subsidiabele kosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt
moet door de aanvrager zelf worden gefinancierd, dit wordt ook wel de eigen bijdrage
genoemd. Deze mag niet worden gefinancierd met middelen die verkregen zijn door middel
van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het
Ministerie van Buitenlandse Zaken inclusief de begroting voor Buitenlandse Handel
en Ontwikkelingshulp.
Een financiële bijdrage van derden (bijvoorbeeld van de buitenlandse klant of van
een overheidspartij) in de kosten van het project leidt tot een even zo grote verlaging
van het subsidiebedrag.
5. Subsidiabele kosten
Ten aanzien van de met het project gemoeide kosten geldt dat er sprake moet zijn van
minimaal € 50.000 aan subsidiabele kosten.
5.1. Uitgangspunten
Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen
bij het bepalen van de subsidie gelden de volgende uitgangspunten:
-
– voor kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd voor
de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt gevraagd wordt geen subsidie
verleend;
-
– voor kosten gemaakt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag wordt geen subsidie
verleend;
-
– de subsidie mag enkel worden aangewend voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor
de subsidie wordt gevraagd en mag niet worden verpand;
-
– voor kosten voor projectmanagement, waaronder het opstellen van rapportages aan RVO,
wordt geen subsidie verleend;
-
– voor personeelskosten voor deskresearch, zoals het raadplegen van openbare bronnen,
wordt geen subsidie verleend;
-
– de interne kosten worden zonder winstopslag in aanmerking genomen;
-
– kosten in het buitenland worden aan lokale maatstaven getoetst.
5.2. Subsidiabele kosten
-
a. Personeelskosten: het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken
expert(s) ten behoeve van het project hebben gemaakt vermenigvuldigd met € 87,50 waarin
zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen.
Hierbij geldt een maximum van € 700 per dag. Voor personeel in het buitenland kan
een uurtarief naar lokale maatstaven worden vastgesteld tot ten hoogste € 87,50. Een
expert is een medewerker (in dienst of in opdracht werkzaam) die over aantoonbare
expertise beschikt op het onderdeel waarop deze in een project functioneel wordt ingezet,
niet zijnde ondersteunende werkzaamheden en blijkend uit het cv.
-
b. Afschrijvingskosten van activa, met uitzondering van grond en bestaande gebouwen,
gedurende de looptijd van het project. De grondslag voor het bepalen van de afschrijvingskosten
is de aanschafprijs, rekening houdend met de eventuele restwaarde en vermeerderd met
eventuele aanpassingskosten. Voor het bepalen van de economische afschrijving worden
vaste afschrijvingstermijnen gehanteerd:
-
c. Verblijfkosten: de maximale vergoeding voor verblijfkosten is het aantal overnachtingen
maal de logies- en overige kosten conform de Tarieflijsten verblijfkosten buitenlandse
dienstreizen8, geldend op de startdatum van het project.
-
d. Kosten derden: op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde kosten, waaronder internationale
reiskosten en interlokale reiskosten buiten Nederland op basis van economy class.
Waarbij geldt tot een maximum van 50% van de totale projectkosten voor wat betreft
demonstratieprojecten, investeringsvoorbereidingsprojecten en marktvalidaties van
startups en 25% voor wat betreft haalbaarheidsstudies. Voornoemde maximering geldt
niet voor de kosten derden die bestaan uit personele kosten van met de aanvrager of
projectpartner verbonden ondernemingen. Voor de inhuur van experts, bijvoorbeeld ZZP-ers,
wordt een maximum uurtarief van € 87,50 gehanteerd.
Voor demonstratieprojecten geldt dat de kosten voor tijdbesteding in Nederland niet
hoger mogen zijn dan de begrote kosten voor tijdbesteding in het buitenland.
Voor investeringsvoorbereidingsprojecten geldt dat de kosten voor tijdbesteding in
Nederland en tijdbesteding in het buitenland samen maximaal € 75.000 mogen bedragen.
Als er een proefproductie wordt uitgevoerd, kan hiervoor extra tijdbesteding worden
begroot.
Voor de verschillende soorten projecten dient een begroting te worden aangeleverd
conform het model opgenomen op de RVO website9.
5.3. Niet-subsidiabele kosten
Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:
-
– kosten voor het ontwikkelen van de aanvraag en het aanvragen van subsidie en andere
kosten die ten behoeve van de indiening van de aanvraag zijn gemaakt;
-
– financieringskosten en rentevergoedingen;
-
– omzetbelasting;
-
– kosten veroorzaakt door inflatie en wisselkoersschommelingen;
-
– kosten van tenaamstelling en instandhouding van rechten van intellectueel eigendom;
-
– kosten van eigen software van de aanvrager of projectpartner(s);
-
– kosten voor aanschaf van licenties en software, voor zover deze niet exclusief voor
het project worden aangeschaft;
-
– kosten voor daadwerkelijke certificering van een technologie;
-
– kosten voor aanpassing van de betreffende technologie, voor zover deze niet specifiek
zijn, niet direct gerelateerd zijn aan het doel van het project en daarvoor niet noodzakelijk
zijn en niet in redelijke verhouding tot de totale projectkosten staan;
-
– kosten voor het ontwikkelen van trainingsprogramma’s;
-
– invoerheffingen.
6. Aanvraag
6.1. Vereisten
De aanvraag wordt ingediend in de Nederlandse of Engelse taal met gebruikmaking van
een daartoe op www.rvo.nl/dhi beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde
bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO.
De aanvraag bevat in ieder geval:
-
– Quickscancode van het ontvangen RVO-advies;
-
– Indien van toepassing: machtiging van projectpartners aan de penvoerder;
-
– Projectplan;
-
– Begroting met een hieraan aansluitend activiteitenplan;
-
– Ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring voor zowel de aanvrager als, in het
geval van een samenwerkingsverband, de overige projectpartners;
-
– Voor een project in een ontwikkelingsland een bijlage over de ontwikkelingsrelevantie
van het project;
-
– Voor haalbaarheidsstudies: een intentieverklaring van de buitenlandse potentiële afnemer;
-
– Voor demonstratieprojecten: een intentieverklaring van de gastheer als het demonstratieproject
wordt uitgevoerd bij een externe organisatie die als gastheer optreedt;
-
– Voor investeringsvoorbereidingsprojecten: een intentieverklaring van een onderneming
in het doelland als deze onderneming mede zal gaan investeren in het investeringsproject;
-
– Voor marktvalidatie van startups: een offerte of intentiebrief van de betrokken lokale
partij;
-
– Indien van toepassing: ondertekende samenwerkingsovereenkomst die de medewerking van
de projectpartners aan de uitvoering van het project en de naleving van de gemaakte
afspraken waarborgt, evenals de naleving van de aan een subsidieverlening te verbinden
verplichtingen.
-
– Cv’s van de experts die onder de tijdbesteding Nederland en het buitenland worden
opgevoerd;
-
– De meest recente (indien aanwezig goedgekeurde) jaarrekening van de aanvrager10.
De aanvrager verklaart dat hij op de hoogte is van, en zal handelen in overeenstemming
met, de OESO-richtlijnen11. Dit betekent dat er gepaste zorgvuldigheid (due diligence) wordt toegepast in overeenstemming
met deze richtlijnen om (potentiële) negatieve effecten op mens en milieu in eigen
activiteiten en de waardeketen te identificeren en waar nodig aan te pakken, en hier
transparant over te communiceren. Ook wordt verklaard dat er geen activiteiten worden
ondernomen die op de FMO-uitsluitingenlijst12 staan.
Na het indienen van de aanvraag kan de aanvrager worden gevraagd een MVO-zelfscan
in te vullen13. Dit is een korte vragenlijst die inzicht biedt in de stappen van gepaste zorgvuldigheid
en de toepassing hiervan door de onderneming. RVO kan naar aanleiding van de ingevulde
MVO-zelfscan contact opnemen.
6.2. Herstelperiode
In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de minister (met gebruikmaking
van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens
gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen. De kans dat de aanvraag
dan moet worden afgewezen in verband met uitputting van de beschikbare subsidiemiddelen
neemt in dit geval wel toe.
Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende
onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een
subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan
aanvragen gestelde vereisten en criteria.
Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen
is niet voldoende, tenzij in de aanvraagdocumenten uitdrukkelijk is aangegeven dat
daarmee (geheel of gedeeltelijk) kan worden volstaan. Als onderdelen van de aanvraagdocumenten
niet worden ingevuld, loopt de aanvrager het risico op afwijzing van de aanvraag.
7. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen
De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke
subsidieverstrekking in het kader van dit subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld
met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in dit subsidieprogramma
zijn neergelegd.
De aanvragen worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, waarbij
het moment geldt waarop de aanvraag is ontvangen dan wel in geval waarin om aanvulling
is gevraagd (zie paragraaf 6.2) het moment waarop de aanvulling is ontvangen. Vanaf
het moment dat aannemelijk is dat de middelen op basis van de beoordeling van eerder
binnengekomen aanvragen zullen worden uitgeput, wordt de behandeling van later binnengekomen
aanvragen aangehouden. Als blijkt dat eerdere aanvragen worden afgewezen, zullen de
latere complete aanvragen op volgorde van binnenkomst worden beoordeeld. Mochten op
één zelfde tijdstip binnengekomen aanvragen in geval van toekenning de voor de betreffende
openstelling beschikbare middelen overtreffen, dan wordt de volgorde van behandeling
bepaald door middel van loting.
Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen dient de aanvraag te voldoen aan de
hiervoor, in het bijzonder in hoofdstuk 4 tot en met 6, opgenomen vereisten. Slechts
de aanvragen die daaraan voldoen worden inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de
hierna volgende criteria.
-
1.
Criteria voor demonstratieprojecten
-
a. Er is sprake van een introductie van een eigen technologie van de betrokken Nederlandse
onderneming(en) op een voor de onderneming nieuwe doelmarkt.
-
b. De technologie is uitontwikkeld; Technology Readiness Level 8 of 914.
-
c. Het lukt de onderneming(en) niet of niet op korte termijn om zonder overheidsondersteuning
de nieuwe markt te betreden door onbekendheid met die betreffende buitenlandse markten
en de complexiteit daarvan.
-
d. De inzet van de demonstratie is dat de toegevoegde waarde van de technologie in een
reële praktijksituatie in het doelland wordt aangetoond aan een brede groep potentiële
afnemers, niet zijnde consumenten.
-
e. De omvang en duur zijn niet groter dan noodzakelijk om de toegevoegde waarde van de
technologie aan te tonen.
-
f. Er is sprake van een noodzaak om de technologie in het land te demonstreren om deze
te kunnen introduceren.
-
g. Er wordt voldoende bijgedragen aan de positionering van de betreffende Nederlandse
onderneming(en) in het land.
-
h. Onderbouwd en aannemelijk gemaakt is dat binnen 3 jaar na uitvoering van de demonstratie
de betrokken Nederlandse onderneming(en) (gezamenlijk) export met een omvang van ten
minste tienmaal het subsidiebedrag zal/zullen realiseren, of in het geval van projecten
in ontwikkelingslanden met een omvang van ten minste vijfmaal het subsidiebedrag.
-
2.
Criteria voor haalbaarheidsstudies
-
a. Een buitenlandse potentiële afnemer moet door middel van een studie overtuigd worden
dat de beoogde investering in Nederlandse technologie technisch en/of commercieel
in het land haalbaar is. Deze afnemer geeft door middel van een intentieverklaring
aan dat er een voornemen bestaat tot samenwerking met de betrokken Nederlandse onderneming(en)
bij de totstandkoming van de investering.
-
b. Vóór aanvang van de studie bestaat voldoende duidelijkheid over de omvang van de markt,
de beoogde opzet van de investering, de locatie, de exploitatie, de financiering en
de lokale impact. De studie heeft als doel om de details rond de voorgenomen investering
helder te krijgen. In de studie wordt de beoogde investering ontworpen op hoofdlijnen
(basic design).
-
c. De technologie is uitontwikkeld’; Technology Readiness Level 8 of 9.
-
d. De studie resulteert in een rapport in de vorm van een businessplan of een projectplan,
op basis waarvan de buitenlandse potentiële afnemer een investeringsbesluit kan nemen.
-
e. Er is een noodzaak dat de betrokken Nederlandse onderneming(en) een haalbaarheidsstudie
uitvoert/uitvoeren waarmee de buitenlandse potentiële afnemer in staat wordt gesteld
een investeringsbesluit te nemen.
-
f. Onderbouwd en aannemelijk is gemaakt dat de beoogde investering leidt tot export van
Nederlandse technologieën door de betrokken Nederlandse onderneming(en) met een omvang
van ten minste tienmaal het subsidiebedrag, of in het geval van studies in ontwikkelingslanden
met een omvang van ten minste vijfmaal het subsidiebedrag.
-
3.
Criteria voor investeringsvoorbereidingsprojecten
-
a. Het project moet worden uitgevoerd door de betrokken Nederlandse onderneming(en) om
duidelijk te krijgen dat de voorgenomen investering technisch en/of commercieel haalbaar
is met een duidelijk plan van aanpak en gedefinieerde uitgangspunten.
-
b. Vóór aanvang van het project bestaat voldoende duidelijkheid over de omvang van de
markt, de beoogde opzet van de investering, de locatie, de exploitatie, de benodigde
financiering en de lokale impact. Het project heeft als doel de details rond de voorgenomen
investering nader helder te krijgen of te valideren. Tijdens het project worden de
grootste risico’s voor de investering onderzocht en worden de uitgangspunten gevalideerd.
-
c. De uitkomst van het project is een rapport met bevindingen van het onderzoek die relevant
zijn voor het te nemen investeringsbesluit. Als een proefproductie deel uitmaakt van
het project is een beschrijving van de uitvoering en de conclusies voor de voorgenomen
investering opgenomen in het rapport.
-
d. Onderbouwd en aannemelijk gemaakt is, dat als de voorgenomen investering haalbaar
blijkt, de aanvrager binnen 3 jaar na uitvoering van het project de aanvrager een
investering in het doelland zal doen met een omvang van ten minste vijfmaal het subsidiebedrag.
-
e. De beoogde investering heeft een positieve substantiële impact op de Nederlandse aanvrager
en daarmee op de Nederlandse economie.
-
4.
Criteria voor marktvalidaties van startups
-
a. Er sprake is van een introductie van een eigen zelf ontwikkelde technologie van de
betrokken onderneming(en) op een voor de onderneming nieuwe doelmarkt.
-
b. De technologie is uitontwikkeld; Technology Readiness Level 8 of 9.
-
c. Overheidsondersteuning is nodig om een of meer concrete knelpunten voor marktentree
op de doelmarkt weg te nemen, niet zijnde de consumentenmarkt.
-
d. De marktvalidatie heeft betrekking op het testen, onderzoeken of aantonen van de technische,
commerciële, juridische en/of economische haalbaarheid van de technologie in de doelmarkt,
niet zijnde activiteiten gericht zijn op productontwikkeling of op marketing/verkoop.
-
e. De marktvalidatie wordt uitgevoerd in samenwerking met een lokale partij die over
de noodzakelijke expertise beschikt om de marktvalidatie te faciliteren. Voor de inzet
wordt een offerte of intentiebrief aangeleverd.
-
f. Onderbouwd en aannemelijk gemaakt is dat binnen 3 jaar na de marktvalidatie de betrokken
Nederlandse onderneming(en) export naar de doelmarkt of investeringen in het doelland
met een omvang van minimaal 5 maal het subsidiebedrag zal/zullen realiseren.
-
5.
Beleidsmatige criteria voor alle aanvragen
-
a. Onbekendheid met de buitenlandse markt. Aanvrager is niet eerder commercieel actief
geweest op de doelmarkt. Als dit wel het geval is, moet de aanvrager overtuigend hebben
gemotiveerd dat er sprake is van risico’s die veroorzaakt worden door complexe omstandigheden
waardoor subsidie noodzakelijk is om de vervolgstap op de markt te kunnen zetten.
-
b. Onderbouwd en aannemelijk gemaakt is dat er een rechtvaardiging is voor het ontvangen
van overheidsondersteuning en dat het project noodzakelijk is om de buitenlandse markt
te kunnen betreden.
-
c. In het geval van de uitvoering van een project in ontwikkelingslanden moet het project
substantieel ontwikkelingsrelevant zijn.
-
d. Het project mag geen negatief effect hebben op de Nederlandse economie en/of werkgelegenheid
in Nederland.
-
e. Onderbouwd aannemelijk is gemaakt dat na de projectperiode de doelmarkt de betreffende
technologie kan bekostigen/financieren, dan wel dat de uiteindelijke investering gefinancierd
kan worden.
-
6.
Criteria ter beoordeling van de beoogde uitvoering van een project voor alle aanvragen
-
a. De uitvoering moet voldoen aan de volgende vereisten:
-
– Doelstellingen, knelpunten en beoogde resultaten zijn voldoende duidelijk, reëel,
meetbaar en tijdgebonden.
-
– Het projectplan en het activiteitenplan zijn voldoende duidelijk, logisch en gespecificeerd.
-
– Voor de uitvoering worden slechts experts betrokken die aantoonbaar over voldoende,
relevante en specifieke kennis en ervaring beschikken en die noodzakelijk zijn om
het project succesvol uit te voeren.
-
– Het project is lokaal geborgd, dan wel zijn er lokaal maatregelen genomen om ervoor
te zorgen dat het project succesvol wordt opgezet en uitgevoerd.
-
– De projectbegroting moet voldoen aan redelijkheid en noodzakelijkheid.
-
– Het projectplan dient een adequate risicoanalyse en adequate mitigerende maatregelen
te bevatten.
-
b. Het project is in overeenstemming met de IMVO richtlijnen15 en beschreven is dat het project geen negatieve effecten heeft op onderwerpen als
milieu, arbeidsomstandigheden en land- en mensenrechten.
-
c. De belangrijkste IMVO risico’s zijn in kaart zijn gebracht en er zijn maatregelen
geformuleerd om de belangrijkste IMVO risico’s te mitigeren. Als enkele project specifieke
MVO onderwerpen bij aanvraag nog onzeker zijn dan moeten deze minimaal onderdeel te
zijn van de studie.
Ter ondersteuning van de beoordeling kan RVO verificatieactiviteiten uitvoeren ter
controle van de in de aanvraag gemaakte aannames en stellingnames. Tevens kan door
verificatie informatie die nodig is voor een goede beoordeling van de kwaliteit van
de aanvraag verzameld worden.
RVO kan de ambassade vragen om deel te nemen aan de beoordeling van de aanvragen.
RVO kan tijdens de inhoudelijke beoordeling ook advies inwinnen bij externe experts.
8. Afwijzingsgronden
Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het aan
het bepaalde in dit subsidieprogramma of als de beschikbare subsidiemiddelen ontoereikend
zijn.
Aanvragen ten behoeve van transacties in een land waarop een sanctieregime van de
Veiligheidsraad en/of van de Europese Unie van toepassing is, zullen met extra zorg
beoordeeld worden. In geen geval mag de beoogde transactie leiden tot overtreding
of ontduiking van de sancties of tot ondergraving van het Nederlandse beleid ten aanzien
van het onder sancties vallende land. Het VR- en EU-sanctiebeleid wordt – uiteraard
– in alle gevallen gehandhaafd. Vigerend exportbeleid en restricties die hieruit voortvloeien,
zoals betreffende export van strategische goederen, worden in alle gevallen gehandhaafd.
Subsidie kan ook worden geweigerd als verstrekking niet verenigbaar is met kenbaar
Nederlandse beleid op het gebied van de buitenlandse betrekkingen, de buitenlandse
handel en de ontwikkelingshulp, zie artikel 10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken16.
10. Verplichtingen
In de subsidieverleningsbeschikking zal in ieder geval worden opgenomen dat de subsidieontvanger
de plicht heeft om aan RVO te melden wanneer hij niet (geheel) aan de verplichtingen
van de subsidie kan voldoen en/of de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet
(geheel) kan uitvoeren.
Ook wordt als subsidieverplichting opgenomen dat de subsidieontvanger en de eerste
wezenlijke toeleverancier geen gebruik mogen maken van kinderarbeid en/of dwangarbeid17, noch voor het project waar de aanvraag betrekking op heeft, noch voor andere activiteiten.
De subsidieontvanger dient eventuele feiten of omstandigheden die wijzen op kinder-
of dwangarbeid bij deze organisaties onverwijld te melden bij RVO.
Subsidieontvangers moeten signalen of omstandigheden die duiden op betrokkenheid bij
een schending van de OESO-richtlijnen onmiddellijk melden aan RVO, waaronder schendingen
van mensenrechten of significante milieuschade. Wanneer over een subsidieontvanger
een melding is (of wordt) ingediend bij het Nederlandse Nationaal Contactpunt (NCP)
voor de OESO-richtlijnen, moeten subsidieontvangers dit melden bij RVO en medewerking
verlenen aan het NCP.