Beleidsregel experiment verlenging en verfijning ruimte in onderwijstijd

[Regeling vervalt per 31-12-2031.]
Geraadpleegd op 12-04-2026.
Toekomstige tekst vanaf 01-08-2027.
Ga naar eerste onderdeel, gewijzigd per 01-08-2027.

Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 februari 2026, nr. PO/55072181, houdende regels voor een vervolgexperiment ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek naar flexibele vakanties in het kader van de onderwijstijd in het primair onderwijs (Beleidsregel experiment vervolg en verfijning van ruimte in onderwijstijd)

De Staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 2 van de Experimentenwet onderwijs, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 71 van de Wet op het primair onderwijs;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;

  • experiment: experiment vervolg en verfijning van ruimte in;

  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • school: school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;

  • WMS: Wet medezeggenschap op scholen;

  • WPO: Wet op het primair onderwijs;

  • WPO BES: Wet primair onderwijs BES.

Hoofdstuk 2. Het experiment

Artikel 2. Het doel van het experiment

Het doel van het experiment is om bij deelnemende scholen te onderzoeken:

  • a. wat het afwijken van de in artikel 3 genoemde regels over de invulling en organisatie van de onderwijstijd bij de deelnemende scholen voor effecten heeft op in ieder geval de thema’s: onderwijskwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid;

  • b. welke randvoorwaarden voorwaardelijk waren om positieve effecten te verkrijgen; en

  • c. of de uitkomsten van het experiment voldoende grond bieden voor het aanpassen van wet- en regelgeving en onder welke voorwaarden.

Artikel 3. Het experiment verlenging en uitbreiding ruimte in onderwijstijd

  • 1 Met het experiment verlenging en uitbreiding van ruimte in onderwijstijd wordt vervolg gegeven aan het experiment ruimte in onderwijstijd1.

  • 2 Het experiment bevat twee groepen deelnemers:

    • a. maximaal 40 scholen in de interventiegroep; en

    • b. maximaal 20 scholen in de controlegroep.

  • 3 Het bevoegd gezag dat met een school deelneemt aan de interventiegroep mag op die school afwijken van:

    • a. de bij ministeriële regeling vastgestelde zomer-, kerst- en meivakantie2 en;

    • b. het bepaalde ten aanzien van het aantal vierdaagse schoolweken in artikel 8, zevende lid, onderdeel b subonderdelen 1 en 2 van de WPO, artikel 10, vijfde lid, onderdeel b van de WPO BES en artikel 12, eerste lid, onderdeel b van de WEC, met dien verstande dat leerlingen in 8 schooljaren ten minste 7.520 uren onderwijs ontvangen.

  • 4 Het bevoegd gezag mag voor een school die deelneemt aan de controlegroep niet afwijken van de wettelijke eisen, genoemd in het derde lid.

  • 5 Bij een lagere hoeveelheid deelnemers, als bedoeld in het tweede lid, worden deze aantallen naar rato aangepast en indien nodig afgerond naar boven.

  • 6 Indien in totaal minder dan 30 scholen een aanvraag indienen voor deelname aan het experiment, komt de controlegroep te vervallen.

Artikel 4. De aanvraagprocedure en voorwaarden voor deelname

  • 1 Het bevoegd gezag dat met een school wil deelnemen aan het experiment kan bij de minister een aanvraag doen.

  • 2 De aanvraag voor deelname aan het experiment kan worden gedaan in de periode van 9 april 2026 9:00 uur tot en met 30 april 2026 13:00 uur. De aanvraag kan worden ingediend via het digitale aanvraagformulier dat te vinden is op de website van DUS I: www.dus-i.nl. Aanvragen ingediend na 30 april 2026 13:00 uur worden afgewezen.

  • 3 Een school kan slechts aan één experiment van de minister dat ziet op de hoeveelheid onderwijstijd deelnemen.

  • 4 Een school waarvan de kwaliteit van het onderwijs door de Inspectie van het Onderwijs, blijkens de lijst gepubliceerd op https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwerpen/toezicht-2017/zeer-zwakke-scholen/bo op 1 april 2026, is beoordeeld als ‘zeer zwak’ kan niet deelnemen aan het experiment, genoemd in artikel 3.

  • 5 Het bevoegd gezag overlegt bij de aanvraag:

    • a. de naam en het nummer van het bevoegd gezag;

    • b. de instellingscode van de school;

    • c. de gegevens van de contactpersoon die bevoegd is om namens het bevoegd gezag op te treden met betrekking tot deze aanvraag;

    • d. een verklaring dat de medezeggenschapsraad van de school die wil deelnemen, genoemd in artikel 3 van de WMS, instemt met deelname of verlenging van deelname aan het experiment;

    • e. een verklaring dat bij het niet geselecteerd zijn voor deelname in de controlegroep, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, de school deel zal nemen in de groep bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b;

    • f. een verklaring dat een school die deelneemt aan dit experiment, niet ook zal deelnemen aan het experiment Vervolg andere dag- en weekindeling of een ander experiment van de minister dat ziet op de hoeveelheid onderwijstijd; en

    • g. een verklaring dat de kwaliteit van het onderwijs op de school waarvoor de aanvraag wordt gedaan niet door de Inspectie van het Onderwijs is beoordeeld als ‘zeer zwak’.

  • 6 Bij de aanvraag voor deelname aan het experiment kan tevens een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 12 worden ingediend.

Artikel 5. Selectie en beslistermijn

  • 1 Voor toelating tot het experiment beoordeelt de minister of de aanvraag voldoet aan de voorwaarden uit artikel 4.

  • 2 De aanvragen worden door middel van loting gerangschikt.

  • 3 De minister beslist door middel van de rangschikking welke scholen deelnemen in de interventiegroep en welke scholen deelnemen in de controlegroep, en bij meer dan 60 aanvragen welke scholen niet kunnen deelnemen aan het experiment.

  • 4 In afwijking van het tweede lid komen scholen met de nummers 17OF, 17NR, 17OV, 13JJ, 30UX, 30KD, 29YJ, 16IQ, 18VV, 18TV, 16WT, 31DF, 13RY, 23UB, 06PG, 07BZ, 30XD, 08VV, 05AI en 17ZG komen in ieder geval in de interventiegroep.

  • 5 De minister besluit uiterlijk binnen 13 weken na sluiting van de aanvraagtermijn op de aanvragen, bedoeld in artikel 4, tweede lid.

Artikel 6. Looptijd en beëindiging van het experiment

  • 1 Het experiment begint op 1 augustus 2026 en eindigt op 31 juli 2030. De datalevering ten behoeve van het experiment eindigt uiterlijk op 31 december 2030.

  • 2 Scholen die deelnemen aan het experiment voldoen vanaf de start van het schooljaar 2031–2032 weer aan de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 2.

  • 3 Een school heeft tot uiterlijk 31 juli 2027 om zich voor te bereiden op de praktische uitvoering van het experiment en melding te doen. Als niet uiterlijk op 31 juli 2027 melding is gedaan als bedoeld in artikel 7, trekt de minister het besluit tot toekenning van deelname in.

  • 4 De minister kan een besluit tot toekenning van deelname aan het experiment intrekken op de gronden, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Experimentenwet onderwijs.

  • 5 De minister trekt een besluit tot toekenning van deelname aan het experiment, genoemd in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, onverwijld in als de Inspectie van het Onderwijs, blijkens een rapport als bedoeld in artikel 20 van de Wet op het onderwijstoezicht, oordeelt dat de kwaliteit van het onderwijs op de deelnemende school ‘zeer zwak’ is.

Artikel 7. Melding plan gereed en beëindiging van deelname aan het experiment

  • 1 Een school van een bevoegd gezag die deelneemt aan de interventiegroep kan pas gebruik maken van de in artikel 3 geboden mogelijkheden, nadat het bevoegd gezag melding heeft gemaakt bij het onderzoeksbureau, genoemd in artikel 8, van het gereed zijn van het plan voor de deelname en na de instemming van de medezeggenschapsraad. Indien het plan op schoolniveau inhoudelijk wordt gewijzigd, is opnieuw instemming van de medezeggenschapsraad nodig.

  • 2 De melding, genoemd in het eerste lid, bevat in ieder geval:

    • a. de naam en het nummer van het bevoegd gezag;

    • b. de instellingscode van de school;

    • c. de gegevens van de contactpersoon die bevoegd is om namens het bevoegd gezag op te treden met betrekking tot deze aanvraag;

    • d. een experimenteerplan waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°. de gekozen invulling van de geboden ruimte, zoals voortvloeiend uit artikel 2, met daarbij in ieder geval een beschrijving van het doel, de voorgenomen activiteiten en de beoogde opbrengsten van het experiment zoals vormgegeven;

      • 2°. de didactische visie en filosofie van het onderwijs, waarbij in ieder geval ook wordt ingegaan op de visie op de organisatie en invulling van de onderwijstijd;

      • 3°. de regels voor en planning van de schooltijden, de vakanties en, indien van toepassing, de individuele roosters van leerlingen gedurende de looptijd van het experiment;

      • 4°. het beleid betreffende de inzet van personeel tijdens het experiment en de wijze waarop het team bij totstandkoming en de uitvoering van dit beleid betrokken wordt;

      • 5°. het toelatingsbeleid, dat voldoet aan artikel 40, eerste lid, van de WPO; en

      • 6°. een toelichting per onderwerp bedoeld in de subonderdelen 2° tot en met 5°, hoe de ten aanzien van die onderwerpen gemaakte keuzes samenhangen met de gekozen invulling, bedoeld in subonderdeel 1°.

    • e. een bewijs van instemming van de medezeggenschapsraad op het plan op schoolniveau.

  • 3 Indien een wijziging plaatsvindt in de gegevens, bedoeld in het tweede lid, dan wel indien een school de deelname aan het experiment beëindigt, meldt het bevoegd gezag dit per ommegaande bij het onderzoeksbureau. Het onderzoeksbureau geeft dit door aan de minister.

  • 4 De wijziging of afmelding, genoemd in het derde lid, bevat:

    • a. de naam en het nummer van het bevoegd gezag;

    • b. de instellingscode van de school waarop de afmelding betrekking heeft;

    • c. bij afmelding: de reden voor afmelding; en

    • d. bij afmelding: of de datalevering doorgang vindt na de afmelding.

Artikel 8. Onderzoek en evaluatie

  • 1 Scholen die deelnemen aan dit experiment werken mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat gericht is op het verschaffen van inlichtingen aan de minister ten behoeve van de ontwikkeling van het experiment en het beleid.

  • 2 Bij het onderzoek zal in ieder geval inzichtelijk worden gemaakt op welke wijze en in welke mate scholen gebruik hebben gemaakt van de geboden afwijkingsmogelijkheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan:

    • a. de frequentie van de afwijkingen en het type afwijkingen; en

    • b. de impact van het onder a bedoelde op de kwaliteit, kansengelijkheid, werkdruk, de omgang met de personeelstekorten, continuïteit en de organisatie van het onderwijs van de deelnemende scholen.

  • 3 De minister schakelt een onderzoeksbureau in ten behoeve van de meldingen, genoemd in artikel 7 en het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 3. Subsidie

Artikel 9. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling.

Artikel 10. Te subsidiëren activiteiten

De minister kan aan een bevoegd gezag subsidie verstrekken als tegemoetkoming in de kosten voor het leveren van de data ten behoeve van het onderzoek in het kader van het experiment.

Artikel 11. Subsidieplafond en verdeling

  • 1 Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is een bedrag beschikbaar van maximaal € 999.840.

  • 2 Per deelnemende school is een bedrag beschikbaar van € 16.664.

Artikel 12. Aanvraag subsidie

Een subsidieaanvraag kan gelijktijdig met de aanvraag tot deelname tot het experiment, genoemd in artikel 4, worden gedaan.

Artikel 13. Verplichtingen subsidie

De subsidieontvanger is verplicht tot datalevering ten behoeve van het experiment, genoemd in artikel 10.

Artikel 14. Betaling

De minister betaalt het subsidiebedrag in vier jaarlijkse termijnen.

Artikel 15. Vaststelling, besteding en verantwoording subsidie

  • 1 In afwijking van artikel 9.1, vierde lid, onderdeel a, wordt de subsidie verleend binnen 13 weken na sluiting van de aanvraagtermijn en wordt de subsidie vastgesteld binnen 22 weken na het moment van de jaarverslaggeving over het laatste jaar van de besteding van de activiteiten.

  • 2 De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in bijlage 4 van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

  • 3 Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 16. Intrekken beleidsregel

De Beleidsregel experiment ruimte in onderwijstijd wordt ingetrokken per 1 augustus 2027.

Artikel 17. Verlenging van het experiment

[Wijziging per 01-08-2027.]

Indien naar aanleiding van het onderzoek naar het experiment wordt besloten tot aanpassing van de wettelijke voorschriften, genoemd in artikel 2, kan de minister besluiten de termijn waarop scholen weer dienen te voldoen aan de wettelijke vereisten, als bedoeld in artikel 6, tweede lid, te verlengen tot de inwerkingtreding van de nieuwe wettelijke voorschriften.

Artikel 18. Inwerkingtreding

  • 1 Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van artikel 17, dat in werking treedt met ingang van 1 augustus 2027.

  • 2 Deze beleidsregel vervalt met ingang van 31 december 2031.

Artikel 19. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel experiment verlenging en verfijning ruimte in onderwijstijd.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

K.M. Becking

  1. Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 19 februari 2020, nr. PO/BenS/17873009, houdende regels voor een experiment ruimte in onderwijstijd in het basisonderwijs (Beleidsregel experiment ruimte in onderwijstijd). ^ [1]
  2. Regeling van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 7 juni 2024, nr. 46071358, houdende regels voor de vaststelling van de kerstvakantie 2025, 2026, 2027, 2028, en 2029, de meivakantie in 2026, 2027, 2028, 2029 en 2030 en de spreiding en vaststelling van de zomervakantie 2026, 2027, 2028, 2029 en 2030 (Regeling vaststelling schoolvakanties 2025–2030). ^ [2]