Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan 2026

[Regeling vervalt per 01-02-2031.]
Geraadpleegd op 25-02-2026.
Geldend van 20-02-2026 t/m heden.

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 9 februari 2026, nr. IENW/BSK-2026/15968, houdende tijdelijke regels ter stimulering van demonstraties binnen het Maritiem Masterplan 2026 (Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan 2026) [KetenID WGK 028498]

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • experimentele ontwikkeling: ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • grote onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • Human Capital-activiteiten: activiteiten als bedoeld in bijlage 2;

  • industrieel onderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • DS-JMDP: Digitale Samenwerking-Joint Maritime Digital Platform als bedoeld in bijlage 2;

  • Kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;

  • kleine onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • Maritiem Masterplan: samengevat Maritiem Masterplan zoals opgenomen in bijlage 1;

  • middelgrote onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

  • Nederlandse onderneming: onderneming die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, met een hoofdvestiging of nevenvestiging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen k en l, van de Handelsregisterwet 2007, in Nederland;

  • O&D-project: Onderzoek- en Demonstratieproject; samenhangend geheel van activiteiten van ontwerp, ontwikkeling, demonstratie en monitoring van een technologie aan boord van het schip, bestaande uit experimentele ontwikkeling, eventueel aangevuld met industrieel onderzoek, door ten minste twee ondernemingen en daarnaast eventueel bestaande uit niet-economisch industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door één of meer onderzoeksorganisaties dat onafhankelijk wordt uitgevoerd met het oog op meer kennis en een beter inzicht, gericht op het verduurzamen en versterken van de maritieme sector;

  • O&O&I-steunkader: Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2022/C 414/01 (PbEU 2022, C 414);

  • onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder ff, van het O&O&I-steunkader;

  • RVO: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft als doel het stimuleren van onderzoek naar en demonstraties van duurzame energielijnen teneinde de maritieme sector te verduurzamen en te versterken.

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten

  • 1 De minister kan aan een aanvrager subsidie verstrekken voor een O&D-project.

  • 2 Een O&D-project bevat een samenhangend geheel van activiteiten die passen binnen de doelstellingen en kaders van het Maritiem Masterplan en valt onder een van de volgende energielijnen, als genoemd in bijlage 1.

  • 3 Een O&D-project bestaat uit een fase ontwerpen en ontwikkelen en een fase demonstreren en monitoren.

Artikel 4. Aanvrager

  • 1 Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door een samenwerkingsverband.

  • 2 De penvoerder van een samenwerkingsverband is een Nederlandse onderneming.

  • 3 Een samenwerkingsverband bevat ten minste twee niet aan elkaar verbonden ondernemingen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 4 Binnen acht weken na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening verstrekt de aanvrager een overeenkomst waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld.

Artikel 5. Subsidiabele kosten

  • 1 Als subsidiabele kosten komen uitsluitend in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdelen a tot en met e, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 Onder artikel 25, derde lid, onderdeel e, van de algemene groepsvrijstellingsverordening vallen ook meerkosten van brandstof voor methanol, waterstof, ammoniak en bio-ethanol, en kosten om voor de demonstratie noodzakelijke infrastructuur aan te leggen, voor zover die kosten rechtstreeks uit het project voortvloeien.

  • 3 Als standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven worden gehanteerd:

    • a. een berekening op basis van integrale kostensystematiek;

    • b. een berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten; of

    • c. een forfaitair vastgesteld uurtarief voor loonkosten.

Artikel 6. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing integrale kostensystematiek

  • 1 Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel a, worden de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager berekend.

  • 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendrager te vermenigvuldigen met het ingevolge het eerste lid berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief.

Artikel 7. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing kosten per kostendrager met opslag

  • 1 Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel b, worden de directe loonkosten per uur vermenigvuldigd met het aantal uren dat direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt.

  • 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid berekende bedrag te vermeerderen met:

    • a. een vaste opslag voor indirecte kosten van 50 procent van de loonkosten;

    • b. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn; en

    • c. aan derden betaalde kosten.

  • 3 Voor zover er geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de berekening van de kosten van de arbeid uitgegaan van € 80,– per uur.

Artikel 8. Berekening met forfaitair uurtarief loonkosten

  • 1 Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel c, wordt een uurtarief gehanteerd van € 80,– per uur.

  • 2 De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid gehanteerde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt en te vermeerderen met:

    • a. kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn; en

    • b. aan derden betaalde kosten.

Artikel 9. Hoogte subsidie

  • 1 De subsidie bedraagt ten hoogste:

    • a. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek door een onderneming;

    • b. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling door een onderneming;

    • c. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op niet-economisch industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie.

  • 2 De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, worden verhoogd met:

    • a. 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen;

    • b. 15 procentpunten, indien voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3 Van de totaal verleende subsidie aan het project bestaat ten hoogste 15% uit subsidiëring van meerkosten methanol, waterstof, ammoniak en bio-ethanol en ten hoogste 10% uit subsidiëring van kosten om de voor demonstratie noodzakelijke infrastructuur aan te leggen.

  • 4 Van de totaal verleende subsidie aan het project bestaat ten hoogste 20% uit niet-economisch industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie.

  • 5 De subsidie bedraagt ten hoogste € 8 miljoen per project.

  • 6 De subsidie bedraagt per onderneming, of per groep verbonden ondernemingen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening, ten hoogste 80% van de totaal verleende subsidie aan het project.

  • 7 Ten minste 50% van de subsidiabele kosten van de deelnemers aan het samenwerkingsverband wordt gemaakt door Nederlandse ondernemingen.

  • 8 De subsidiabele kosten bedragen niet minder dan € 25.000,– per deelnemer aan het samenwerkingsverband.

Artikel 10. Subsidieplafond en wijze van verdelen

  • 1 Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2026 in totaal ten hoogste € 33,6 miljoen, met als specifiek subsidieplafond:

    • a. voor O&D-projecten waarvan de totaal aangevraagde subsidie minder dan € 4 miljoen bedraagt: € 12 miljoen;

    • b. voor O&D-projecten waarvan de totaal aangevraagde subsidie € 4 miljoen of meer bedraagt: € 21,6 miljoen.

  • 2 De minister verdeelt het beschikbare bedrag op basis van de volgorde van rangschikking van de aanvragen.

  • 3 Indien twee of meer aanvragen op dezelfde plaats in de rangschikking terechtkomen, wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.

  • 4 Indien het beschikbare bedrag voor een van de in het eerste lid genoemde onderdelen na toepassing van het tweede lid niet wordt uitgeput, wordt het resterende bedrag indien mogelijk toegekend aan het eerstvolgende project in de rangschikking binnen het andere onderdeel.

  • 5 Er wordt slechts aan één project dat valt binnen de energielijnen ammoniak of bio-ethanol, bedoeld in bijlage 1, subsidie verleend.

Artikel 11. Rangschikkingscriteria

  • 1 De minister kent aan een O&D-project een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer toevoegt aan de huidige stand van de techniek;

    • b. de aanpak voor het bewijzen van de effectiviteit en betrouwbaarheid van het energiesysteem beter is;

    • c. de opschaalbaarheid en het verdienvermogen voor de strategische deelmarkten groter is;

    • d. de ketensamenwerking en Nederlandse betrokkenheid groter is;

    • e. de bijdrage van het project aan de samenwerking binnen het Maritiem Masterplan hoger is conform de beoordelingscriteria in bijlage 2, door:

      • i. de bijdrage aan het DS-JMDP; en

      • ii. de bijdrage aan human capital-activiteiten.

  • 2 De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 20 punten toe.

Artikel 12. Adviescommissie

  • 1 Er is een Adviescommissie O&D-projecten 2026, die tot taak heeft de minister te adviseren omtrent de rangschikking en toekenning van punten op basis van de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 11.

  • 2 De commissie bestaat uit ten minste 3 en ten hoogste 5 leden.

  • 3 De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de minister voor een termijn van ten hoogste één jaar benoemd.

Artikel 13. Aanvraagperiode

De aanvraag voor subsidieverlening kan worden ingediend van 19 mei 2026, 9.00 uur tot en met 3 november 2026, 17.00 uur.

Artikel 14. Aanvraag

  • 1 Een aanvraag om subsidie heeft betrekking op één energielijn.

  • 2 Een aanvrager dient de aanvraag bij de minister in door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.

  • 3 Onverminderd artikel 10 van het Kaderbesluit bevat de aanvraag ten minste:

    • a. een projectplan, door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO;

    • b. een gespecificeerde begroting, die een goed inzicht geeft in de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO;

    • c. de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 15. Afwijzingsgronden

Onverminderd de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit wordt een subsidieaanvraag afgewezen indien:

  • a. er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • b. er sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • c. de werkzaamheden aan het project reeds zijn aangevangen voordat de aanvraag voor dat project is ingediend;

  • d. er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij door dezelfde lidstaat toegekende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard;

  • e. de subsidieverstrekking niet in overeenstemming is met enige andere bepaling van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • f. het aantal bij rangschikking toegekende punten in totaal minder is dan 70;

  • g. het aantal bij rangschikking toegekende punten aan een van de criteria genoemd in artikel 11, eerste lid, onderdelen a tot en met d, minder is dan 10;

  • h. het aantal bij rangschikking toegekende punten aan een van de subonderdelen genoemd in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, minder is dan 5;

  • i. de subsidiabele kosten minder dan € 500.000,– per O&D-project bedragen; of

  • j. al subsidie is verstrekt voor hetzelfde project op grond van de Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan.

Artikel 16. Beschikking tot verlening

Voor zover de subsidie wordt verleend ten laste van de nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat, wordt in de beschikking tot verlening van een subsidie vermeld dat de verlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de Wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 17. Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1 Met de uitvoering van een O&D-project wordt gestart binnen 6 maanden na de subsidieverlening.

  • 2 De maximale looptijd van het project is 6 jaar, waarvan maximaal 3 jaar voor de fase ontwerpen en ontwikkelen, zoals bedoeld in artikel 3, derde lid.

  • 3 Het O&D-project is uiterlijk op 31 juli 2033 afgerond.

Artikel 18. Verplichtingen voor onderzoeksorganisaties

  • 1 Indien in het O&D-project niet-economisch industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderzoeksorganisatie wordt verricht:

    • a. wordt voorafgaand aan de start van het O&D-project een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de deelnemers aan het O&D-project over de wijze waarop wordt omgegaan met de bijdrage in de kosten, het delen in de risico’s en uitkomsten, de verspreiding van de resultaten en de toegang tot en de regels voor de toewijzing van intellectuele eigendomsrechten;

    • b. worden de projectactiviteiten door de onderzoeksorganisatie:

      • i. uitgevoerd in daadwerkelijke samenwerking, als bedoeld in paragraaf 1.3, onderdeel 16, onder h, van het O&O&I-steunkader, met ondernemingen; en

      • ii. in de boekhouding opgenomen als niet-economische activiteiten; en

    • c. draagt de onderzoeksorganisatie er zorg voor dat:

      • i. de resultaten van de activiteiten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, ruim kunnen worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, volledig aan haar worden toegekend;

      • ii. uit de activiteiten ontstane intellectuele eigendomsrechten, alsmede daarmee verband houdende toegangsrechten, aan de verschillende samenwerkende deelnemers worden toegekend op een wijze die een passende afspiegeling is van hun werkpakketten, bijdragen en respectieve belangen; of

      • iii. het van de deelnemende ondernemingen een vergoeding ontvangt die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit het samenwerkingsproject die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen.

  • 2 Het absolute bedrag van financiële en niet-financiële bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de activiteiten van de onderzoeksorganisatie die de betrokken intellectuele eigendomsrechten hebben opgeleverd, kan op de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdeel iii, in mindering worden gebracht.

  • 3 De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdeel iii, stemt overeen met de marktprijs indien:

    • a. het bedrag van de vergoeding is vastgesteld via een publieke, open en transparante concurrerende verkoopprocedure;

    • b. een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat de prijs overeenstemt met de marktprijs;

    • c. de onderzoeksorganisatie als verkoper kan aantonen dat zij heeft onderhandeld over de vergoeding om, rekening houdende met haar algemene doelstellingen, maximaal economisch voordeel te behalen op het tijdstip dat de overeenkomst betreffende de vergoeding wordt afgesloten; of

    • d. in de gevallen waarin de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, de onderneming een voorkeursrecht geeft ten aanzien van het door de onderzoeksorganisatie gegenereerde intellectuele eigendomsrecht, wanneer hieraan voor de onderzoeksorganisatie het recht is gekoppeld derden te verzoeken om economisch meer voordelige aanbiedingen, zodat de onderneming haar aanbod daaraan moet aanpassen.

  • 4 De voorwaarden van een overeenkomst, gesloten ingevolge het derde lid, onderdeel c, wijken niet af van voorwaarden die onafhankelijke ondernemingen overeen zouden komen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding.

Artikel 19. Verplichtingen betreffende voorlichting

  • 1 Op verzoek van de minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het verspreiden van de resultaten van de op grond van deze regeling gesubsidieerde activiteiten.

  • 2 De subsidieontvanger verstrekt gedurende de looptijd van het O&D-project jaarlijks een voortgangsrapportage over het project die de minister kan gebruiken voor de openbare brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan.

  • 3 De subsidieontvanger maakt de niet bedrijfsgevoelige kennis en informatie die met het project worden opgedaan na afloop van het project openbaar in een verslag dat naar het oordeel van de minister van voldoende kwaliteit is.

  • 4 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt vanaf de datum van de beschikking tot subsidieverlening tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

  • 5 De informatie, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt verstrekt met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld formulier dat wordt geplaatst op de website van RVO.

Artikel 20. Voorschot

  • 1 De minister verstrekt ambtshalve een voorschot, verdeeld over de volgende termijnen:

    • a. ten hoogste 15% bij de indiening van de samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 4, vierde lid;

    • b. ten hoogste 50% op het moment dat de energielijn zoals die ingebouwd gaat worden op de werf arriveert;

    • c. ten hoogste 15% bij de start van de monitoring.

  • 2 De minister verstrekt het resterende bedrag bij de vaststelling van de subsidie.

Artikel 21. Subsidievaststelling

  • 1 De aanvrager dient bij de minister een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in door middel van een daartoe vastgesteld formulier dat beschikbaar is via de website van RVO.

  • 2 Onverminderd artikel 24 van het Kaderbesluit worden bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a. een omschrijving van de projectresultaten van het O&D-project;

    • b. op welke wijze het O&D-project heeft bijgedragen aan het doel, bedoeld in artikel 2, en de energielijnen, bedoeld in artikel 3, tweede lid.

Artikel 22. Staatssteun

De subsidie voor de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 3, bevat voor zover een O&D-project betrekking heeft op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling door een onderneming staatssteun en wordt gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 23. Evaluatie

De minister publiceert uiterlijk op 1 februari 2031 een tussentijds verslag en uiterlijk op 31 december 2033 een eindverslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk.

Artikel 24. Inwerkingtreding en horizonbepaling

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 februari 2031, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd.

Artikel 25. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan 2026.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

R. Tieman

Bijlage 1

Maritiem Masterplan: Toelichting op de vijf energielijnen

0. Het Maritiem Masterplan als kader.

Het ontwikkelen en toepassen van nieuwe technologieën is nodig om ervoor te zorgen dat schepen op korte termijn hun broeikasgas uitstoot significant reduceren en uiteindelijk klimaatneutraal kunnen gaan varen. De technische uitdagingen om de duurzaamheidsdoelen te halen zijn groot. Daarnaast maakt de diversiteit aan schepen, vaarroutes, en verschillende werkzaamheden die met de schepen worden uitgevoerd dat er geen sprake is van één oplossing voor de gewenste duurzaamheidstransitie. Daarom wordt er binnen de kaders van het Maritiem Masterplan gekeken naar vijf energielijnen: waterstof, methanol en Carbon Capture gekoppeld aan een methanol of LNG aandrijflijn, zowel voor nieuw te bouwen schepen als voor verbouw en hergebruik van bestaande schepen (retrofit). Ammoniak en bio-ethanol zijn een uitbreiding ten opzichte van de Tijdelijke subsidieregeling Maritiem Masterplan en komt de wens vanuit de sector tegemoet.

Het doel van het Maritiem Masterplan is om binnen een cyclische Nederlandse maritieme innovatieketen betrouwbare, concurrerende en modulaire klimaatneutrale schepen te ontwikkelen, te bouwen en te gebruiken. Binnen het Maritiem Masterplan ligt de focus op onderzoek en demonstratie. Het is de bedoeling de komende jaren circa 30 schepen te bouwen dan wel te retrofitten waarmee wordt gedemonstreerd dat er een verduurzamingsslag te maken valt, met klimaatneutrale schepen als uiteindelijk doel. De demonstratieschepen in de vijf energielijnen worden ondersteund door de digitale samenwerking (de programmalijn Digitaal Samenwerken – Joint Maritime Digital Platform, DS-JMDP) en een Human Capital programmalijn.

1. Energielijn Waterstof

Waterstof lijkt een van de belangrijke bouwstenen in een hernieuwbare energie-infrastructuur, omdat het middels elektrolyse relatief eenvoudig geproduceerd kan worden uit hernieuwbare elektriciteit en water. Het is een essentiële pijler voor een schoon en duurzaam energiesysteem. Hernieuwbare waterstof lijkt een kansrijke brandstof om zo laag mogelijke broeikasgasemissies in de keten te realiseren, met name voor maritieme toepassingen met een beperkte energiebehoefte en een relatief korte operatieduur. Waterstof als alternatieve brandstof voor schepen is vooral relevant voor kust- en binnenvaart en complexe werkschepen.

Waterstof kan worden omgezet naar voortstuwingsenergie op een schip door middel van een verbrandingsmotor die waterstof als brandstof gebruikt, maar het kan ook middels een brandstofcel die waterstof direct omzet in elektrische energie. Deze laatste variant heeft onder andere als voordeel dat er sprake is van een hogere efficiëntie.

Waterstof kan op verschillende manieren worden opgeslagen. De energielijn waterstof is open voor de verschillende beschikbare opslagvormen van waterstof, waaronder gecomprimeerd (gasvormig), cryogeen (vloeibaar), gebonden aan een vaste stof (bijvoorbeeld natriumboorhydride) of een vloeistof (LOHC).

Ammoniak als waterstofdrager:

Indien ammoniak als waterstofdrager wordt ingezet dient de bunkering ervan in de zeehaven en zo ver mogelijk van bewoond gebied plaats te vinden. Vanwege de veiligheidsrisico’s voor de omgeving in de binnenvaart, heeft het gebruik van ammoniak als waterstofdrager slechts betrekking op projecten voor de zeevaart. Bij gecombineerde vormen van aandrijving wordt uitsluitend de primaire aandrijving op waterstof gesubsidieerd. Daarnaast moet de aanvrager aantonen dat het project past binnen de kaders gesteld in de kabinetsvisie op waterstofdragers1.

Doelstellingen energielijn waterstof:

  • 1. Technologie verder ontwikkelen tot Technology Readiness Level (hierna: TRL) en System Readiness Level (hierna: SRL) 8 van motor- en brandstofceltechnologie, voor alle vereiste vermogens in een (modulair) energiesysteem;

  • 2. Onderzoek doorlopen om te leren wat nodig is in het ontwerp van de schepen om de technologieën op een veilige manier te integreren – dit maakt de weg vrij voor meer schepen in de toekomst, doordat duidelijk wordt hoe deze schepen veilig gebouwd moeten worden en wat de mogelijkheden zijn; en

  • 3. Technologieën demonstreren aan boord van schepen tijdens de daadwerkelijke vaart en operatie om aan te tonen dat waterstof veilig kan worden ingezet en commercieel worden gebruikt. Hierbij wordt rekening gehouden met de verschillende eindmarkten, vanwege de verschillende operationele en economische eisen en verschillende regels en risico’s omtrent certificering.

2. Energielijn Methanol

Methanol is als brandstof vooral geschikt voor schepen met een lange operatieduur en bijhorende actieradius. Het is een efficiënt en duurzaam te produceren vloeibare hernieuwbare brandstof. De energiedichtheid per liter is relatief hoog in vergelijking met andere alternatieve brandstoffen: ongeveer de helft van dieselolie en bijna het zesvoudige van waterstof. Bovendien zijn de bunkerprocedures nagenoeg gelijk aan het bunkeren van dieselolie.

Hoewel de eerste motoren al omgebouwd zijn voor operatie op methanol, en methanol brandstofcelsystemen worden ontwikkeld, is deze technologie en de markt voor methanol toepassing nog sterk in ontwikkeling.

Een belangrijke focus van de energielijn methanol is om verbrandingsmotoren en brandstofcelsystemen verder te ontwikkelen voor alle vereiste vermogens en deze op een veilige manier te gaan gebruiken in het energiesysteem, en om de operatie van complexe energiesystemen op methanol te demonstreren in een operationele omgeving.

Een veilig en betrouwbaar ontwerp van de methanol aandrijflijn is essentieel voor sector acceptatie. Het is tevens belangrijk om de betrouwbaarheid en concurrerende exploitatie van schepen op methanol tijdens de operatie van de demonstratieschepen aan te tonen.

Voor een succesvolle uitrol van een methanol demonstratieproject zal de ontwikkeling van de supply chain zoals het vervoer van methanol over land en de vergunningen voor bunkeren meegenomen moeten worden in het projectplan. Om de sector inzage te geven in de uitstoot van het methanol energiesysteem wordt het meten en rapporteren over broeikasgassen, waaronder koolstofdioxide (CO2), stikstofoxides (NOx), onverbrande koolwaterstoffen (UHC) en fijnstof (PM), meegenomen in het projectplan.

Doelstellingen energielijn methanol:

  • 1. Technologie verder ontwikkelen tot TRL en SRL 8 van motor- en brandstofceltechnologie, voor alle vereiste vermogens in een (modulair) energiesysteem;

  • 2. Demonstreren van een veilig en betrouwbaar ontwerp van het brandstof- en veiligheidssysteem (onder andere bunkers, kofferdam, leidingen, ontluchting en besturingssysteem);

  • 3. Aantonen van betrouwbare en concurrerende exploitatie van schepen op methanol, onder andere gericht op technische en veiligheidsaspecten en op financiële haalbaarheid; en

  • 4. Het verder ontwikkelen van de wijze waarop toelevering van methanol aan het schip geregeld is.

3. Energielijn Onboard Carbon Capture and Storage (OCCS)

Deze energielijn is gericht op het ontwikkelen van technologieën en strategieën om de eigen CO2 uitstoot van methanol en LNG-aangedreven schepen significant te verminderen. Carbon Capture houdt in dat CO2-emissies worden opgevangen voordat ze in de atmosfeer worden uitgestoten. De technologie van veilige opslag aan boord is naast de afvang een belangrijk aandachtspunt. Door een combinatie van deze technologieën en strategieën kan de toepassing van methanol en LNG nagenoeg vrij van broeikasgasemissies worden. De huidige stand van de Carbon Capture technologie realiseert 70% CO2 afvang. In deze regeling is 70% afvang dan ook het uitgangspunt voor verdere uitstootreductie.

Doelstellingen energielijn onboard Carbon Capture and Storage:

  • 1. Technologie verder ontwikkelen tot TRL en SRL 8 van CO2 afvang- en opslagtechnologie, voor alle vereiste vermogens in een (modulair) energiesysteem;

  • 2. Demonstreren van een veilig en betrouwbaar ontwerp van de CO2 afvang- en opslagtechnologie (onder andere uitlaatintegratie, opslag, optimalisatie van amines, leidingen en besturingssysteem); en

  • 3. Aantonen van betrouwbare en concurrerende exploitatie van schepen met een onboard Carbon Capture and Storage-installatie, onder andere gericht op technische en veiligheidsaspecten en op financiële haalbaarheid.

4. Energielijn Ammoniak

Het gebruik van ammoniak is in de zeevaart in opkomst als duurzaam alternatief (indien het uit hernieuwbare bronnen wordt geproduceerd) voor de energietransitie. Het gebruik ervan krijgt steeds meer momentum en ammoniak wordt breder toegepast.

Een belangrijke eigenschap van ammoniak is dat de verbranding geen directe CO2-uitstoot genereert. Wel vragen de mogelijke emissies van NOx en lachgas (N2O) bijzondere aandacht, net als de toxiciteit van de brandstof zelf. Hierdoor ligt de nadruk op veilige omgang met ammoniak en het verder ontwikkelen van motor- en brandstofcelsystemen die deze emissies minimaliseren en gecontroleerd kunnen inzetten in het maritieme energiesysteem.

De energielijn Ammoniak richt zich op het ontwikkelen en demonstreren van betrouwbare en veilige verbrandingsmotoren en brandstofcelsystemen voor alle vereiste vermogens, zodat de sector ervaring opdoet met deze technologie. Omdat ammoniak een toxische en potentieel risicovolle stof is, moet het ontwerp van de aandrijflijn – inclusief bunkers, leidingen, ventilatie, detectiesystemen en noodvoorzieningen – aantoonbaar veilig zijn voor zowel de fysieke omgeving als voor het aquatisch milieu. Vanwege de veiligheidsrisico’s voor de omgeving in de binnenvaart, heeft deze energielijn slechts betrekking op projecten die zien op het gebruik van ammoniak als bunkerbrandstof voor de zeevaart. Bij de aanvraag wordt een risicoanalyse gericht op veilige toepassing bijgevoegd. Daarnaast moet de aanvrager aantonen dat het project past binnen de kaders gesteld in de kabinetsvisie op waterstofdragers2. Bij gecombineerde vormen van aandrijving wordt uitsluitend de primaire aandrijving op ammoniak gesubsidieerd.

Doelstellingen ammoniak programmalijn:

  • 1. Technologie verder ontwikkelen tot TRL en SRL 8 voor verbrandingsmotoren en brandstofcelsystemen op ammoniak;

  • 2. Demonstreren van een veilig en betrouwbaar ontwerp van het brandstof- en veiligheidssysteem (o.a. bunkers, leidingen, ventilatie, detectie- en besturingssystemen);

  • 3. Aantonen van betrouwbare en concurrerende exploitatie van schepen op ammoniak, inclusief evaluatie van technische prestaties, veiligheidsaspecten en economische haalbaarheid; en

  • 4. Inzicht geven in de milieuprestaties door het meten en rapporteren van emissies van ammoniak-aandrijfsystemen, inclusief NOx, N2O en overige emissiecomponenten.

5. Energielijn bio-Ethanol

Bio-ethanol is vooral geschikt voor schepen met een korte tot middellange operatieduur. Het is een vloeibare, duurzaam te produceren brandstof uit biogene grondstoffen. De energiedichtheid per liter is lager dan die van diesel maar hoger dan die van methanol en waterstof. Bio-ethanol is goed mengbaar met water, biologisch afbreekbaar en kan worden geproduceerd uit uiteenlopende biomassastromen.

Omdat bio-ethanol van de eerste generatie de voedselketen beïnvloedt, valt dit niet binnen deze energielijn. De tweede generatie (en hoger), geproduceerd uit niet-voedselrijke biomassa zoals houtafval en stro, geldt als duurzame oplossing en valt wel binnen deze energielijn. Daarnaast moet de gebruikte brandstof voldoen aan de eisen zoals gesteld in de RED III3 en FuelEU Maritime4.

Ethanol kan eenvoudig worden opgeslagen en gebunkerd met grotendeels de bestaande infrastructuur, vergelijkbaar met methanol of conventionele brandstoffen. Hoewel ethanolmotoren in andere sectoren al bestaan, is verdere ontwikkeling en demonstratie in de maritieme omgeving noodzakelijk. Zowel aanpassingen aan verbrandingsmotoren als de toepassing van ethanol-brandstofcellen vragen aandacht om te voldoen aan maritieme eisen voor vermogen, veiligheid en betrouwbaarheid.

De energielijn richt zich op het ontwikkelen, testen en demonstreren van ethanol-energiesystemen voor alle relevante vermogensklassen. Voor sectoracceptatie is een veilig en betrouwbaar ontwerp cruciaal, met voorzieningen voor opslag, leidingen, ventilatie en veiligheidssystemen. Demonstraties moeten aantonen dat concurrerende exploitatie mogelijk is, met duidelijke emissiereducties (CO2, NOx, PM en UHC).

Tot slot vormt de supply chain – van duurzame productie en transport tot bunkeren – een integraal onderdeel van de energielijn, inclusief vergunningverlening, logistiek, certificering van herkomst en borging van duurzaamheidscriteria.

Doelstellingen bio-Ethanol programmalijn:

  • 1. Technologie verder ontwikkelen tot TRL en SRL 8 voor ethanol-verbrandingsmotoren en brandstofcelsystemen, geschikt voor de vereiste vermogensklassen in modulaire energiesystemen;

  • 2. Demonstreren van een veilig en betrouwbaar ontwerp van het ethanol-brandstof- en veiligheidssysteem (onder andere bunkers, kofferdam, leidingen, ventilatie, detectie en besturing);

  • 3. Aantonen van betrouwbare en concurrerende exploitatie van schepen op bio-ethanol, met nadruk op technische prestaties, veiligheid, brandstofkosten en operationele haalbaarheid; en

  • 4. Inzicht geven in de milieuprestaties door het meten en rapporteren van emissies van ethanol-energiesystemen (CO2e, NOx, UHC en PM).

Bijlage 2

1. Digitaal samenwerken – Joint Maritime Digital Platform (DS-JMDP)

Voor de succesvolle ontwikkeling en opschaling van nieuwe energielijnen is het cruciaal dat samenwerkingsverbanden actief kennis en inzichten delen over prestaties, gebruik en geleerde lessen in de verschillende levensfasen van een schip (ontwerp, bouw en operatie). Alleen dan kunnen andere projecten – binnen en buiten het samenwerkingsverband – profiteren van de opgedane ervaringen, en ontstaat de gewenste versnelling in de doorontwikkeling van deze technologieën.

Daarom is een goede aansluiting op de programmalijn Digitaal Samenwerken – JMDP van strategisch belang. Digitaal Samenwerken – Joint Maritime Digital Platform (DS-JMDP) is een faciliterend digitaal samenwerkingsplatform, ingericht om het cyclische innovatieproces, het modulair ontwikkelen, bouwen en het efficiënte operationeel gebruik te ondersteunen. DS-JMDP is geen centrale databank, maar faciliteert digitaal samenwerken door, waar gewenst en nodig, het organiseren van beveiligde toegang en gebruik van elkaars data en modellen zodat deze effectief tussen organisaties kunnen worden uitgewisseld en toegepast.

Het DS-JMDP levert hiervoor drie centrale bouwstenen:

  • 1. Een structuur voor uniformiteit van data, modellen en referentie architecturen voor scheepssystemen om het hergebruik van deze informatie mogelijk te maken;

  • 2. Een maritiem afsprakenstelsel met sector brede afspraken over data-uitwisseling en digitaal samenwerken;

  • 3. Een datadeel-infrastructuur die veilige en betrouwbare uitwisseling van data tussen partijen technisch ondersteunt.

Beoordeling op aansluiting bij DS-JMDP

O&D-projecten worden mede beoordeeld op de mate waarin zij bijdragen aan het DS-JMDP. Samenwerkingsverbanden kunnen hiervoor kiezen uit een set DS-JMDP-pakketten, elk met een bijbehorend puntenaantal. In totaal zijn voor het onderdeel DS-JMDP maximaal 10 punten te behalen. Een project moet minimaal 5 punten behalen om voor subsidie in aanmerking te komen. Pakket 1 en pakket 2 kunnen daarom meerdere keren worden gekozen.

Pakket

Beschrijving

Punten

1. Nieuwe use case

Het O&D-project brengt een inhoudelijke uitdaging, vraagstuk of use case in rond het ontwikkelen en toepassen van de drie verschillende vormen van Digital Twins (digital model, digital shadow en digital twin) en rond het delen van informatie binnen het samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband levert input voor de ontwikkeling van de drie centrale DS-JMDP bouwstenen en adopteert de uitkomsten.

Dit pakket omvat een use case met inhoudelijke uitdagingen rond data-uitwisseling en digitale samenwerking rond Digital Twins. Meer informatie over Digital Twins is beschikbaar via https://www.digitaalsamenwerken.org.

Wanneer kennis of gevalideerde (simulatie)modellen via het DS-JMDP breder gedeeld kunnen worden dan alleen binnen het O&D samenwerkingsverband, wordt een extra punt toegekend.

Zie de verdere toelichting over dit pakket onder deze tabel.

3 punten per use case,

1 extra punt per use case wanneer de uitkomsten van de use case met anderen dan de deelnemers aan het samenwerkingsverband gedeeld mag worden.

2. Aansluiten bij bestaande Use Case

Een samenwerkingsverband kan zich aansluiten bij een bestaande use case. Dit pakket omvat het implementeren van betreffende use case binnen het samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband levert daarnaast input voor de ontwikkeling van de drie centrale DS-JMDP bouwstenen en adopteert de uitkomsten hiervan. Een lijst van de bestaande use cases is beschikbaar via https://www.digitaalsamenwerken.org.

2 punten per use case

3. Afsprakenstelsel

Het samenwerkingsverband participeert actief en draagt daarmee bij aan de ontwikkeling van het maritieme afsprakenstelsel rond digitaal samenwerken (één van de drie centrale DS-JMDP bouwstenen). Deelnemers aan het samenwerkingsverband zijn elk jaar bij minimaal 4 bijeenkomsten actief aanwezig.

1 punt

4. Challenges

Tijdens de looptijd van de programmalijn DS-JMDP worden verschillende Challenges (case-studies, hackatons, etc) georganiseerd om de betrokkenheid van de sector bij digitaal samenwerken te vergroten. In deze korte en intensieve activiteiten werken studenten- of bedrijventeams samen aan praktijkgerichte vraagstukken rond maritieme digitalisering.

Het samenwerkingsverband brengt gedurende de looptijd van het project minimaal drie vraagstukken over Digital Twins of digitaal samenwerken in de keten in, inclusief de bijbehorende expertise. Daarnaast omvat dit pakket het begeleiden van de deelnemende teams en zitting nemen in de jury.

1 punt

Keuzepakket 1 Nieuwe use case: toelichting

Het resultaat van dit pakket bestaat uit:

  • Bijdragen aan een sectorbrede opbrengst, door het bundelen van inzichten en randvoorwaarden uit meerdere samenwerkingsverbanden, waarmee gezamenlijke standaarden, afspraken en voorzieningen worden opgebouwd;

  • Een praktijkvoorbeeld binnen het samenwerkingsverband, waarin de meerwaarde van digitale samenwerking, data-uitwisseling en de toepassing van Digital Twins aantoonbaar wordt gemaakt – als pilot of demonstrator richting de sector.

Het samenwerkingsverband levert in dit pakket de kennis, praktijkervaring en voorbeelden aan die essentieel zijn om tot gedeelde inzichten en sectorafspraken te komen. De O&D-projecten functioneren daarbij tevens als fieldlabs waarin de bouwblokken van DS-JMDP waar mogelijk worden getest, toegepast en doorontwikkeld.

Beschrijving van de use case

Een O&D project scoort punten door in de aanvraag concreet de use case te omschrijven. Wanneer gevalideerde modellen via het DS-JMDP breder gedeeld worden dan slechts met de deelnemers aan het samenwerkingsverband wordt een extra punt toegekend. De beschrijving van de use case bevat de volgende onderdelen:

  • Huidige situatie:

    • Beschrijf de huidige situatie (IST) en welk probleem rond digitaal samenwerken, digitaal uitwisselen van informatie en digital twins moet worden opgelost?

  • Kenmerken van de Use case:

    • Welke fase? Ontwerp, Bouw of Operatie

    • Welke deelnemers: welke deelnemers aan het samenwerkingsverband zijn betrokken bij deze use case?

    • Welke soort digital twin? Digital model, Digital Shadow of Digital Twin

  • Gewenste situatie:

    • Beschrijf de gewenste situatie van de use case (SOLL)

    • Beschrijf hierbij welke data wordt uitgewisseld.

  • Waardepotentieel: beschrijf wat de toegevoegde waarde is voor het samenwerkingsverband als dit wordt opgelost.

    • Denk aan zaken als: potentiële omzetstijging, efficiëntie, voorkomen van faalkosten, verbetert risico beheer, etc.

  • Uitdagingen: benoem de uitdagingen voor het realiseren van deze use case

  • Kennisdeling: Wordt kennis, gevalideerde digitale modellen en geleerde lessen breder gedeeld dan alleen met de deelnemers aan het samenwerkingsverband?

  • Tot slot: wat is het belangrijkste voor het samenwerkingsverband in dit proces van data uitwisseling in de ketensamenwerking?

2. Human capital in O&D-projecten

Introductie

Het Maritiem Masterplan richt zich op de ontwikkeling, bouw en het gebruik van klimaatneutrale schepen die op waterstof, methanol of met toepassing van carbon capture gaan varen. Daarmee start het plan de energietransitie van de maritieme sector in Nederland, geeft het een impuls aan de Nederlandse economie en investeert het in de maritieme autonomie van Nederland en Europa. Uitvoering van het Maritiem Masterplan levert potentieel een extra toegevoegde waarde van 33–40 miljard euro op tot 2050. Dit potentieel kan echter alleen benut worden als de maritieme beroepsbevolking, studenten en zij-instromers (carrière switchers en zogenoemd onbenut arbeidspotentieel) vanaf het begin worden meegenomen in deze transitie. De maritieme energietransitie is namelijk niet alleen een technologische transitie, maar vooral ook een maatschappelijke transitie en dient als zodanig benaderd te worden. Om mensen optimaal in deze transitie mee te nemen wordt de Learning Community Maritiem Masterplan opgericht.

Learning Community Maritiem Masterplan

De Learning Community Maritiem Masterplan is een actief platform voor publieke en private partijen waar kennis wordt uitgewisseld, ervaringen worden gedeeld en waar gezamenlijk wordt geleerd en geïnnoveerd. De fysieke omgeving (fieldlabs) van de Learning Community wordt gevormd door de O&D-projecten.

Deze fieldlabs brengen (zowel virtueel als fysiek) diverse belanghebbenden samen: van maritieme professionals tot onderzoekers, lectoren, practoren, docenten, en studenten. De Learning Community biedt hiermee een relevante praktijkomgeving waarin iedereen – zowel studenten als werkenden – van elkaar kan leren, waar ruimte is voor zowel theoretische kennis als praktische ervaringen. Het doel is niet alleen het snelle verspreiden van kennis en informatie, maar ook het bevorderen van samenwerking en het stimuleren van nieuwe ideeën.

Binnen het Maritiem Masterplan vormt de Learning Community een essentiële brug tussen bestaande kennis en de innovaties die nodig zijn voor het bouwen van en varen met klimaatneutrale schepen. In deze community staan samenwerking, co-creatie en leren in de praktijk centraal. Werken, leren en innoveren gaan er hand in hand. Door actief deel te nemen, bereiden mensen zich optimaal voor op de maritieme arbeidsmarkt van de toekomst.

Aansluiting human capital op O&D-projecten

Om deze visie op human capital te kunnen realiseren moet er een duidelijke aansluiting worden gewaarborgd tussen de O&D-projecten en de human capital agenda. Hiervoor is het belangrijk dat de O&D-projecten bereid zijn om kennis te delen met het maritiem onderwijs- en bijscholingslandschap. Tegelijkertijd levert dit de samenwerkingsverbanden een directe toegang tot het talent van de toekomst en nieuwe kennis uit het praktijkgericht onderzoek. Dit kan op verschillende manieren vormgegeven worden. Omdat realisatie van de learning community belangrijk is voor zowel het onderwijs als het bedrijfsleven, worden de O&D-projectvoorstellen niet alleen op technologische en strategische factoren geëvalueerd, maar ook op hun aansluiting op de human capital agenda. Hiertoe kunnen de aanvragers verschillende ‘human capital pakketten’ toevoegen aan hun projecten. Elk pakket levert een bepaald aantal punten op waarvan het totaal wordt meegewogen in de rangschikking van de O&D-projecten.

Human capital pakketten

Aanvragers kunnen één of meerdere pakketten kiezen uit onderstaand overzicht, elk met een bijbehorend puntenaantal. Een O&D-project moet minimaal 5 punten behalen om voor subsidie in aanmerking te komen. De punten van de verschillende geselecteerde pakketten worden bij elkaar opgeteld. De minister kent maximaal 10 punten toe aan het project in de rangschikking.

Pakket

Beschrijving

Punten

Praktijkgericht onderzoek

De aanvrager verbindt zich gedurende de looptijd van het project aan het praktijkgericht onderzoek.

De aanvrager levert vraagstukken aan waar lectoren en practoren samen met studenten mee aan de slag gaan. Deze vraagstukken worden onderdeel van een langjarige kennisagenda waarmee samenwerkingsverbanden weer direct toegang krijgt tot nieuwe, waardevolle kennis.

Samenwerkingsverbanden leveren, in overleg met de betrokken docent-onderzoekers, kennis en informatie aan die nodig is voor het onderzoek door studenten. Onderdeel van dit pakket is nauwe betrokkenheid bij de uitvoering; de O&D projecten fungeren immers als fieldlab.

In het projectplan doet de aanvrager voorstellen voor inhoudelijke uitdagingen die onderdeel kunnen uitmaken van het praktijkgericht onderzoek. Daarnaast geeft de aanvrager aan op welke manier binnen het samenwerkingsverband de samenwerking met het praktijkgericht onderzoek wordt vormgegeven: welke deelnemer van het samenwerkingsverband is hiervoor het aanspreekpunt en hoe betrekt deze de andere deelnemers bij het praktijkgericht onderzoek.

4

Student Challenge

Studenten gaan in een challenge aan de slag met één of meer uitdagingen die vanuit het O&D-project wordt aangeleverd. Challenges zijn relatief kortdurende activiteiten (bijvoorbeeld een case-study of hackaton) waarbij groepen studenten werken aan een concreet vraagstuk in relatie tot het O&D-project, waarvan de resultaten beschikbaar komen voor het project.

Dit pakket omvat deelname aan minimaal 1 challenge per jaar gedurende tenminste 4 jaren binnen de looptijd van het project. Het samenwerkingsverband levert een vraagstuk aan en brengt (tijdens of in aanloop naar de challenge) de bijbehorende expertise uit het project in.

2

Expert werkgroep curriculum vernieuwing

Dit pakket omvat het aanleveren van inhoudelijke ondersteuning bij de ontwikkeling van nieuwe of vernieuwde onderwijsmodules. Dit kan bijvoorbeeld door het aanleveren van kennis en materiaal dat in de lessen kan worden gebruikt.

Het samenwerkingsverband stelt hiertoe minimaal 1 deelnemer ter beschikking om desgevraagd deel te nemen aan de ontwikkelteams die door het onderwijs worden gevormd t.b.v. (V)MBO en HBO. Dit vraagt een inzet van ca. 4 dagdelen per jaar.

2

Gastlessen

Dit pakket omvat het verzorgen van gastlessen in het onderwijs door medewerkers van bedrijven en onderzoeksinstellingen die betrokken zijn bij de O&D-projecten. Op deze manier wordt diepgaander en persoonlijker invulling geven aan de specifieke context waarbinnen schepen worden ontwikkeld. Binnen dit pakket worden gedurende tenminste 4 jaar, binnen de looptijd van het project, 2 tot 4 gastlessen per jaar verzorgd voor studenten of professionalisering van docenten.

In het projectplan wordt concreet aangegeven welke deelnemers aan het samenwerkingsverband op welke kennisgebieden de gastlessen kunnen verzorgen.

2

Young Professional Programma (YPP)

Dit pakket omvat het toevoegen van een Young Professional aan het projectteam.

Het YPP neemt voor de duur van 2 jaar een Young Professional in dienst die gedurende het programma bij verschillende deelnemers aan het samenwerkingsverband aan de slag gaat om een bijdrage te leveren aan de uitvoering van het project.

De deelnemers dragen zorg voor de financiering van de Young Professional (salaris en programma-fee). Het programma is gericht op jongeren die recent zijn afgestudeerd aan MBO of HBO. De deelnemers zorgen voor de dagelijkse begeleiding; het programma verzorgt de werving, ontwikkeling en coaching van de Young Professionals.

Het is mogelijk meerdere Young Professionals aan te stellen binnen het project; voor elke YP worden 4 punten toegekend.

4

Sociale transitie

Onderzoek en interventies inclusiviteit

Deelname aan het sector brede onderzoek naar inclusiviteit dat door Stichting Nederland Maritiem Land (NML) in samenwerking met Rotterdam School of Management wordt uitgevoerd. Op basis van de resultaten worden door Stichting NML regelmatig interventies aangeboden aan de deelnemers aan het onderzoek.

1

Sociale transitie

Onderzoek en interventies leercultuur

Deelname aan onderzoek naar de leercultuur binnen de organisatie. Op basis van de resultaten worden door Stichting NML regelmatig interventies aangeboden aan de deelnemers aan het onderzoek.

1

  1. Kabinetsvisie Waterstofdragers dd. 22 november 2024, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/11/22/kamerbrief-kabinetsvisie-waterstofdragers ^ [1]
  2. Kabinetsvisie Waterstofdragers dd. 22 november 2024, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/11/22/kamerbrief-kabinetsvisie-waterstofdragers ^ [2]
  3. Richtlijn (EU) 2023/2413 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2018/2001, Verordening (EU) 2018/1999 en Richtlijn 98/70/EG wat de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen betreft, en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad ^ [3]
  4. Verordening (EU) 2023/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende het gebruik van hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen in het zeevervoer, en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG ^ [4]