Beleidsregel bestuurlijke boetes Inspectie JenV – Wki

Geraadpleegd op 25-02-2026.
Geldend van 04-02-2026 t/m heden.

Beleidsregel bestuurlijke boetes Inspectie JenV – Wki

De Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie JenV) heeft het volgende beleid vastgesteld waarin is vastgelegd hoe de hoogtes van bestuurlijke boetes als bedoeld in artikel 5:40, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden bepaald. Dit boetebeleid heeft betrekking op boetes die worden opgelegd voor overtredingen van of krachtens de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki), het Besluit kwaliteit incassodienstverlening (Bki) en de Regeling kwaliteit incassodienstverlening (Rki). De toezichthoudende ambtenaren die werken bij de Inspectie JenV zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wki, zoals bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Wki.1

Met de Beleidsregel bestuurlijke boetes Inspectie JenV – Wki (beleidsregel) beoogt de Inspectie JenV enerzijds inzicht te geven in de relevante omstandigheden die van invloed zijn op de hoogte van de bestuurlijke boete. Anderzijds biedt deze beleidsregel de Inspectie JenV de nodige flexibiliteit om in individuele gevallen maatwerk toe te passen.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. – Definities

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Artikel 2. – Reikwijdte

Deze beleidsregel is van toepassing op bestuurlijke boetes die op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wki, worden opgelegd voor overtredingen van de bepalingen als bedoeld in artikel 11, 12 en 13 van de Wki en artikel 5:20, eerste lid, van de Awb.

Hoofdstuk 2. Bepalen hoogte bestuurlijke boete

Artikel 3. – Vaststellen wettelijke boetecategorie

Categorie-indeling, boetebandbreedtes en verhogingsregelingen

Op grond van artikel 16, derde lid, van de Wki zijn de overtredingen van de Wki en onderliggende regelgeving waarvoor de Inspectie JenV een bestuurlijke boete kan opleggen, ingedeeld in de categorieën I, II en III.2 Voor deze overtredingen gelden wettelijke boetemaxima die zijn opgenomen in de onderstaande tabel.

Daarnaast zijn in de Wki twee verhogingsregelingen van overeenkomstige toepassing verklaard. In deze gevallen kan categorie IV van toepassing zijn:3

  • De Wed bepaalt dat wanneer de waarde van de goederen met betrekking tot welke de overtreding is begaan of die geheel of gedeeltelijk door middel van een overtreding zijn verkregen, hoger is dan een kwart van het maximum van de boete, een boete kan worden opgelegd van de naast hogere categorie.4

  • Het WvSr bepaalt dat wanneer een overtreding wordt begaan door een rechtspersoon of, onder meer, vennootschap onder firma, indien de boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een boete kan worden opgelegd van de naast hogere categorie.5

Hierbij gelden de volgende boetebandbreedtes6:

Categorie

Overtreding

Boetebandbreedte

Boetemaximum1

Categorie I

Artikel 11 van de Wki

(naamgebruik en contactgegevens)

€ 3,– t/m € 515,–

€ 515,–

Categorie II

Artikel 12 van de Wki (personeel)

Artikel 5:20 van de Awb (medewerkingsplicht)

€ 3,– t/m € 5.150,–

€ 5.150,–

Categorie III

Artikel 13 van de Wki (kwaliteitseisen)

€ 3,– t/m € 10.300,–

€ 10.300,–

Categorie IV

Verhogingsregeling

€ 3,– t/m € 25.750,–

€ 25.750,–

1Per overtreding.

Artikel 4. – Stappen boeteoplegging

  • 1 De Inspectie JenV hanteert een stappenplan voor het vaststellen van de boete wegens één of meerdere overtredingen die is of zijn ingedeeld in een categorie, zoals bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregel.

  • 2 De boetehoogtes van overtredingen die zijn ingedeeld in de in artikel 3 vermelde categorieën, worden bepaald aan de hand van de volgende stappen:

    Stappenplan

    Omschrijving

    Stap 1

    Basisbedrag

    Stap 2

    Ernst en/of duur

    Stap 3

    Mate van verwijtbaarheid

    Stap 4

    Overige omstandigheden

    Stap 5

    Recidive

    Stap 6

    Financiële draagkracht

  • 3 Bij toepassing van dit stappenplan neemt de Inspectie JenV de bij wet vastgestelde boetemaxima, de toepasselijke bepalingen van (hoofdstuk 5 van) de Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht.

    Stap 1: Basisbedrag

    De Inspectie JenV stelt allereerst per overtreding het toepasselijke basisbedrag voor de boete vast op basis van artikel 3 (overtreden artikel en boetecategorie). Dit basisbedrag wordt vervolgens als uitgangspunt genomen voor de stappen 2 tot en met 6. In de stappen 2 tot en met 6 kan het basisbedrag per overtreding worden verhoogd (tot ten hoogste het maximum van de boetebandbreedte) of verlaagd (tot ten laagste het minimum van die bandbreedte), afhankelijk van de mate waarin boeteverlagende of boeteverhogende omstandigheden daartoe aanleiding geven. Om deze boeteverlagende en/of boeteverhogende omstandigheden te kunnen toepassen, wordt als basisbedrag altijd de helft van de maximum boetebandbreedte (boetemaximum) genomen. Deze werkwijze maakt maatmerk mogelijk.

    Categorie

    Overtreding

    Boetebandbreedte

    Basisbedrag1

    Boetemaximum2

    Categorie I

    Artikel 11 van de Wki

    (naamgebruik en contactgegevens)

    € 3,– t/m € 515,–

    € 258,–

    € 515,–

    Categorie II

    Artikel 12 van de Wki (personeel)

    Artikel 5:20 van de Awb (medewerkingsplicht)

    € 3,– t/m € 5.150,–

    € 2.575,–

    € 5.150,–

    Categorie III

    Artikel 13 van de Wki (kwaliteitseisen)

    € 3,– t/m € 10.300,–

    € 5.150,–

    € 10.300,–

    Categorie IV

    Verhogingsregeling

    € 3,– t/m € 25.750,–

    € 12.875,–

    € 25.750,–

    1Voor de wijze van afronding zie artikel 5 van de beleidsregel.

    2Per overtreding.

    Stap 2: Ernst en/of duur

    • a. In het basisbedrag ligt reeds een gemiddelde ernst en duur van de overtreding besloten. De Inspectie JenV verlaagt of verhoogt het boetebedrag per overtreding met 15%, indien de ernst en/of duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.

    • b. Bij de toepassing van deze stap houdt de Inspectie JenV, voor zover van toepassing en van belang, onder meer rekening met de volgende omstandigheden, al dan niet in onderlinge samenhang bezien:

      • de omvang van de overtreding (waarbij het bijvoorbeeld gaat om het aantal betrokken schuldenaren, het aantal dossiers of het al dan niet structurele karakter van een overtreding);

      • de omvang van de schade;

      • de duur van de overtreding;

      • de maatschappelijke impact van de overtreding (zoals geschaad vertrouwen in de markt);

      • de mogelijke economische impact van de overtreding op de markt (zoals verstoring van het gelijke speelveld).

    Stap 3: Mate van verwijtbaarheid

    • a. In het basisbedrag ligt een gemiddelde mate van verwijtbaarheid van de overtreder besloten. De Inspectie JenV verlaagt of verhoogt het boetebedrag zoals vastgesteld na stap 2 per overtreding met maximaal 15%, indien de verwijtbaarheid van de overtreder een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.

    • b. Voor zover van toepassing en van belang, houdt de Inspectie JenV bij de toepassing van deze stap onder meer rekening met de volgende omstandigheden, al dan niet in onderlinge samenhang bezien:

      • de overtreder wordt geacht bekend te zijn met de voor hem geldende (wettelijke) eis;

      • de mate waarin de overtreding voortvloeit uit of inherent is aan een vaste werkwijze of het bedrijfsmodel van de overtreder en/of de mate waarin de (bedrijfs)cultuur heeft bijgedragen aan de overtreding;

      • de mate waarin de overtreding willens en wetens is begaan (voorbeeldvragen: heeft de overtreding zich voorgedaan ondanks serieuze inspanningen om deze te voorkomen, is bewust het risico genomen dat de overtreding zich zou voordoen?);

      • de belemmering van een toezichthouder in de uitoefening van zijn taak;7

      • de professionaliteit van de overtreder ten aanzien van de geschonden wettelijke vereisten (waarbij het bijvoorbeeld gaat om een grote, gevestigde ondernemer of een relatief kleine, net gestarte onderneming);

      • de mate waarin de overtreder uit financieel-economische motieven heeft gehandeld en andere door hem te respecteren belangen daaraan ondergeschikt heeft gemaakt.

    Stap 4: Overige omstandigheden

    De Inspectie JenV kan het op basis van de stappen 1 tot en met 3 berekende boetebedrag per overtreding verlagen op grond van onderstaande bijzondere omstandigheden, al dan niet in onderlinge samenhang bezien. De Inspectie JenV past deze stap toe met een maximum van 15%.

    Opstelling overtreder

    De Inspectie JenV kan rekening houden met de opstelling van de overtreder met betrekking tot de medewerking aan het onderzoek. De Inspectie JenV kan daarbij onder meer de volgende omstandigheden, al dan niet in onderlinge samenhang bezien, betrekken, waarbij het voor de Inspectie JenV van belang is dat het gaat om verregaande vormen van medewerking in de periode tot het vaststellen van het rapport:

    • de overtreder heeft, voordat hij bekend was met het onderzoek van de Inspectie JenV, concrete en specifieke maatregelen getroffen ter beëindiging van de overtreding;

    • de overtreder heeft uit eigen beweging en zo spoedig mogelijk nadat hij van de overtreding kennisnam, concrete, specifieke en effectieve maatregelen getroffen om de overtreding te beëindigen en herhaling van de overtreding te voorkomen;

    • de overtreder heeft volledig, onafhankelijk en adequaat onderzoek verricht of laten verrichten naar de overtreding en heeft de uitkomsten daarvan op eigen initiatief met de Inspectie JenV gedeeld;

    • de overtreder heeft uit eigen beweging degenen aan wie door de overtreding schade is berokkend, schadeloos gesteld.

    Andere bijzondere omstandigheden

    Daarnaast kunnen bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die in het voorgaande niet zijn betrokken, maar die in het kader van de evenredigheid voor het bepalen van de hoogte van de boete wel relevant (kunnen) zijn. De Inspectie JenV zal deze omstandigheden per specifiek geval bezien.

    Stap 5: Recidive

    Indien sprake is van recidive van een overtreding, hanteert de Inspectie JenV in beginsel een verhoging van 25% van het voor die overtreding door middel van voorgaande stappen vastgestelde boetebedrag, mits het wettelijk vastgestelde boetemaximum niet wordt overschreden. Bij overschrijding stelt de Inspectie JenV de boete op het boetemaximum vast.

    Stap 6: Financiële draagkracht

    • a. Bij het vaststellen van de boete houdt de Inspectie JenV zo nodig rekening met de financiële omstandigheden waarin de overtreder verkeert. De Inspectie JenV biedt de overtreder de mogelijkheid via een formulier zijn financiële draagkracht te onderbouwen. Indien aannemelijk is dat het op grond van de stappen 1 tot en met 6 berekende boetebedrag de draagkracht van de overtreder overstijgt, gaat de Inspectie JenV in beginsel tot matiging over. Bij de beoordeling of aanleiding bestaat tot matiging, kan de Inspectie JenV rekening houden met de omstandigheden waaronder de verminderde of onvoldoende draagkracht is ontstaan alsmede met op korte termijn verwachte positieve financiële resultaten van de overtreder.

    • b. Uitgangspunt voor de omvang van de matiging is dat de Inspectie JenV de boete niet verder matigt dan tot een bedrag dat de overtreder redelijkerwijs geacht wordt te kunnen voldoen, zo nodig met het aangaan van een betalingsregeling bij het Centraal Justitieel Incassobureau.

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

Artikel 5. – Afronding boetebedragen

Op grond van dit beleid vastgestelde boetes worden als volgt afgerond:

  • bij een getal van 4 of lager achter de komma, wordt naar beneden afgerond; en

  • bij een getal van 5 of hoger achter de komma, wordt naar boven afgerond.

De afronding vindt na elke stap plaats.

Artikel 6. – Meerdere overtredingen

Indien een rapport meerdere overtredingen betreft, kan de Inspectie JenV – in plaats van elke overtreding afzonderlijk te beboeten – een boete opleggen voor het geheel van deze overtredingen.

Artikel 7. – Citeertitel en inwerkingtreding

Dit beleid wordt aangehaald als ‘Beleidsregel bestuurlijke boetes Inspectie JenV – Wki’ en treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

’s-Gravenhage, 8 januari 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, de Inspectie Justitie en Veiligheid,

Namens deze:

De waarnemend inspecteur-generaal Inspectie Justitie en Veiligheid

E.G.M. Huijzer

  1. Stcrt. 2024, 10434. ^ [1]
  2. Artikel 23, vierde lid, van het WvSr. ^ [2]
  3. Artikel 16, vierde lid, van de Wki. ^ [3]
  4. Artikel 6, eerste lid, laatste zin, van de Wed. ^ [4]
  5. Artikel 23, zevende en achtste lid, van het WvSr. ^ [5]
  6. Artikel 16, derde lid, van de Wki, juncto artikel 23, vierde lid, van het WvSr. ^ [6]
  7. Met deze omstandigheid wordt geen rekening gehouden bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 5:20, derde lid, van de Awb. ^ [7]