Per 1 januari 2026 is een groot aantal regelingen gewijzigd. Mogelijk zijn deze wijzigingen nog niet doorgevoerd in de geconsolideerde tekst en ziet u nog een oude versie. Raadpleeg bij twijfel de bekendmaking.

Beleidsregel duurzaam herstel 2026

Geraadpleegd op 09-01-2026.
Geldend van 01-01-2026 t/m heden.

Besluit van het Instituut Mijnbouwschade Groningen van 20 november 2025 houdende de vaststelling van een beleidsregel met betrekking tot het toekennen van een tegemoetkoming in de vorm van een subsidie in natura voor een maatregel die nodig is om te bewerkstelligen dat de schade waarvoor door het Instituut Mijnbouwschade Groningen in het kader van zijn wettelijke taakuitoefening op grond van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding wordt toegekend, duurzaam kan worden hersteld (Beleidsregel Duurzaam herstel 2026)

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • Instituut: het Instituut Mijnbouwschade Groningen;

  • gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

  • gebrek aan de constructie: een bestaand gebrek aan de constructie van een gebouw voor zover het geen schade betreft;

  • herstelmaatregel: een aan de hand van het op de website van het Instituut geplaatste technisch kader vastgestelde herstelmaatregel die passend en redelijk is gelet op het geconstateerde gebrek aan de constructie, niet zijnde een herstelmaatregel als bedoeld in de laatstelijk vastgestelde Werkinstructie Herstel & Calculatie, zoals geplaatst op de website van het Instituut;

  • samenloop: samenloop als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Tijdelijke wet Groningen;

  • schade: schade zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Tijdelijke wet Groningen, daaronder begrepen de kosten van iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade als bedoeld in artikel 184 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek;

  • technisch kader: laatstelijk vastgesteld technisch kader voor de toepassing van Duurzaam herstel, zoals geplaatst op de website van het Instituut;

  • tegemoetkoming: tegemoetkoming in natura om schade duurzaam te herstellen als bedoeld in artikel 2, tiende lid, van de Tijdelijke wet Groningen, zijnde een subsidie in natura;

  • verergerde schade: fysieke schade aan een gebouw die substantieel in omvang is toegenomen ten opzichte van de daaraan voorafgaande schadeopname in opdracht van de NAM, het CVW de TCMG of het Instituut;

  • verklaring de-minimissteun: verklaring van de aanvrager dat de door het Instituut toe te kennen tegemoetkoming niet zal leiden tot een overschrijding van het de-minimisplafond, bedoeld in de van toepassing zijnde verordening van de Europese Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;

  • werkwijze: laatstelijk vastgestelde Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen als bedoeld in artikel 10 van de Tijdelijke wet Groningen;

  • wet: Tijdelijke wet Groningen;

  • woning: onroerende zaak die, of het deel van een onroerende zaak dat, naar aard en inrichting bestemd is om als woning te dienen en volgens de Landelijke Voorziening Basisregistraties Adressen en Gebouwen een woonfunctie heeft;

  • WOZ-waarde: waarde, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, zoals deze voor het constructief onderzoek als bedoeld in artikel 3 is vastgesteld.

Artikel 2. Ingangsvoorwaarden tegemoetkoming Duurzaam herstel

  • 1 Het Instituut kan bij de behandeling van aanvragen om vergoeding van fysieke schade aan een gebouw aan aanvrager naast de vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de wet bij separaat besluit een tegemoetkoming toekennen indien:

    • a. het betreffende gebouw een woning is;

    • b. zich op het adres van het gebouw als gevolg van aardbevingen uit het Groningenveld of de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk, in de periode tot 1 januari 2026 ten minste viermaal een trillingssnelheid heeft voorgedaan van ten minste 5 mm/s, te berekenen via de methode van Bommer, met een overschrijdingskans van 1%;

    • c. aanvrager instemt met vergoeding van de schade in de vorm van herstel aannemer Instituut als bedoeld in artikel 2.11 van de werkwijze, of bij een individuele maatwerkbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 2a van de werkwijze, in de vorm van herstel in natura;

    • d. geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.13, tweede lid, onderdeel a, b, of c, van de Werkwijze, met uitzondering van een tegemoetkoming bestaande uit sloop en nieuwbouw van het gebouw;

    • e. de aanvrager maximaal eenmaal eerder een tegemoetkoming is toegekend, of, indien de aanvraag voor een tegemoetkoming wordt ingediend namens meerdere personen gezamenlijk, geen van de aanvragers tweemaal eerder een tegemoetkoming is toegekend; en

    • f. is voldaan aan de voorwaarden genoemd in het derde en vierde lid, ook buiten de gevallen dat het Instituut een aanvrager heeft benaderd voor het indienen van een aanvraag.

  • 2 Het Instituut kan geheel of gedeeltelijk afwijken van het eerste lid, onderdeel c, indien de schade zoals opgenomen in het advies van de deskundige over de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade aan het gebouw, bedoeld in artikel 12 van de wet, geheel of gedeeltelijk is hersteld nadat de schade is opgenomen, maar voordat het Instituut een besluit heeft genomen op de aanvraag om vergoeding van fysieke schade.

  • 3 Een tegemoetkoming wordt uitsluitend toegekend op aanvraag. Hiertoe benadert het Instituut een eigenaar van een woning voor het doen van een aanvraag voor een tegemoetkoming nadat het Instituut aan de hand van het advies van de deskundige over de aanvraag tot vergoeding van fysieke schade aan het gebouw, bedoeld in artikel 12 van de wet, heeft vastgesteld dat:

    • a. er sprake is van nieuwe schade, met inbegrip van schade die na eerder herstel opnieuw is ontstaan, of verergerde schade aan het gebouw;

    • b. de schade minimaal schadetype D3 betreft zoals omschreven in het technisch kader, of, indien de schade eerder is hersteld en gedeeltelijk is teruggekomen, het aannemelijk is dat bij eerdere schadeopname in opdracht van de NAM, het CVW de TCMG of het Instituut schade van minimaal schadetype D3 aan het gebouw is vastgesteld, die vermoedelijk mede is veroorzaakt door eenzelfde gebrek aan de constructie van het gebouw dat kans geeft op herhaalde schade door aardbevingen of mijnbouwactiviteiten aan dat gebouw; en

    • c. aan ten minste een van de volgende voorwaarden is voldaan:

      • i. voor het betreffende gebouw is in totaal een bedrag gelijk aan of groter dan € 5.000 inclusief btw aan schadevergoeding voor het herstel van schades, die minimaal schadetype D3 betreffen als bedoeld in onderdeel b, toegekend door de NAM, het CVW de burgerlijke rechter, de TCMG of het Instituut of wordt toegekend door het Instituut, waarbij vergoedingen voor constructieve maatregelen, bijkomende kosten, de overlastvergoeding en de vergoeding voor wettelijke rente buiten beschouwing worden gelaten;

      • ii. de schade, bedoeld in onderdelen a en b, bevindt zich in de buitengevel; of

      • iii. er is sprake van samenloop.

  • 4 De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt ingediend namens alle rechthebbenden van het gebouw en bevat ten minste:

    • a. een verklaring dat de aanvrager, bij de keuze voor een individuele maatwerkbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 2a van de werkwijze instemt met een vaste eenmalige en finale vergoeding ter hoogte van € 2.000,– voor alle bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast die zijn veroorzaakt door de fysieke schade, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, onderdeel d, en het derde lid, onderdelen b, c en d alsmede waardedaling als bedoeld in hoofdstuk 3 en immateriële schade als bedoeld in hoofdstuk 4 van de werkwijze; en

    • b. een verklaring de-minimissteun indien de tegemoetkoming toekomt of mede toekomt aan een onderneming in de zin van artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

  • 5 Indien dat voor het herstel van het gebrek aan de constructie van de woning noodzakelijk is, kan de aanvraag mede betrekking hebben op een gebouw of deel van een gebouw van dezelfde eigenaar dat constructief met de woning verbonden is, maar geen woning betreft.

Artikel 3. De procedure

  • 1 Het Instituut deelt aan de aanvrager mee binnen welke termijn de aanvrager een besluit op de aanvraag voor een tegemoetkoming kan verwachten.

  • 2 Het Instituut nodigt de aanvrager uit voor het verrichten van een schouw, zijnde een visuele inspectie van het vermeende gebrek aan de constructie. Na de schouw en indien noodzakelijk, laat het Instituut constructief onderzoek naar de constructie van het gebouw uitvoeren door een onafhankelijke deskundige. Het Instituut deelt aan de aanvrager mee op welke termijn het nader constructief onderzoek plaatsvindt. Indien het gebouw tevens is opgenomen in het programma van aanpak, bedoeld in artikel 13g, eerste lid, van de wet, kunnen de schouw en het constructief onderzoek worden uitgevoerd in het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 13i, eerste lid, van de wet.

  • 3 Het Instituut neemt op basis van de uitkomsten van de schouw of het nader constructief onderzoek een besluit over het al dan niet toekennen van een tegemoetkoming en, indien aan de orde, over de aard en omvang van de herstelmaatregel waarvoor de tegemoetkoming wordt toegekend.

  • 4 Indien het Instituut op basis van de schouw of het constructief onderzoek voornemens is een tegemoetkoming toe te kennen, doet het Instituut een voorstel voor een tegemoetkoming en voor een herstelmaatregel met inachtneming van het bepaalde in deze beleidsregel en het technisch kader. Indien een of meer andere gebouwen constructief verbonden zijn met het gebouw waarvoor een voorstel voor tegemoetkoming wordt gedaan en herstel van het gebrek aan de constructie alleen mogelijk is als ook de constructie van dat andere gebouw of die andere gebouwen wordt hersteld, doet het Instituut het voorstel eveneens aan de eigenaren van dat andere gebouw of die andere gebouwen. Indien het technisch kader is gewijzigd na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, kan het Instituut het eerder geldende technisch kader toepassen als dat leidt tot een meer passende herstelmaatregel, mits dit doelmatig is.

  • 5 Een tegemoetkoming wordt geweigerd indien:

    • a. niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 2;

    • b. naar het oordeel van het Instituut geen proportionele herstelmaatregel mogelijk is;

    • c. de aanvrager niet instemt met de door het Instituut voorgestelde herstelmaatregel;

    • d. de kosten van de te treffen maatregelen in natura hoger zijn dan mogelijk is op grond van artikel 4, derde, vierde, vijfde of zesde lid, tenzij de aanvrager het verschil wenst te bekostigen en binnen de door het Instituut gestelde termijn overgaat tot bijbetaling;

    • e. de eigenaar van het gebouw waarmee de woning constructief verbonden is, niet instemt met Duurzaam herstel;

    • f. door keuzes van de aanvrager het niet mogelijk is binnen een redelijke termijn tot Duurzaam herstel over te gaan; of

    • g. de in artikel 4, tweede lid, bedoelde kosten op andere wijze aan de aanvrager zijn of worden vergoed.

  • 6 Indien het Instituut op basis van de schouw of het constructief onderzoek voornemens is geen tegemoetkoming toe te kennen, stelt het Instituut de eigenaar van het gebouw voorafgaand aan het nemen van een besluit in de gelegenheid binnen een door het Instituut te bepalen termijn een zienswijze te geven op dat voornemen.

Artikel 4. Aard en omvang tegemoetkoming Duurzaam herstel

  • 1 De tegemoetkoming wordt in de vorm van te treffen maatregelen in natura toegekend. Indien de maatregelen noodzakelijkerwijs mede herstel van schade omvatten waarvoor eerder al een vergoeding is toegekend, wordt de eerder voor die schade toegekende vergoeding niet in mindering gebracht op de tegemoetkoming.

  • 2 De tegemoetkoming bedraagt 100% van de kosten van de te treffen maatregelen in natura en de kosten die het directe gevolg zijn van het treffen van die maatregelen.

  • 3 De tegemoetkoming:

    • a. is niet hoger dan 100% van de WOZ-waarde van de onroerende zaak; en

    • b. heeft maximaal een waarde van € 500.000, inclusief btw, per gebouw.

  • 4 Het Instituut kan in afwijking van het derde lid, de waarde van het gebouw op een andere wijze bepalen, indien de WOZ-waarde vanwege de geconstateerde constructieve gebreken aanzienlijk is verlaagd. In dat geval bepaalt het Instituut de waarde van de onroerende zaak als ware er geen constructieve gebreken.

  • 5 In afwijking van het derde lid, geldt voor Rijksmonumenten geen maximum, tenzij de tegemoetkoming disproportioneel is in verhouding tot de WOZ-waarde van het Rijksmonument.

  • 6 Indien de WOZ-beschikking bepaalt dat er sprake is van een object dat bestaat uit een woongedeelte en een niet-woongedeelte, kan het Instituut, in afwijking van het derde lid, bepalen dat voor de maximale tegemoetkoming wordt uitgegaan van de waarde van de woning op basis van de WOZ-waarde van het woongedeelte en, indien redelijk, de WOZ-waarde van de niet-woning of een deel daarvan.

Artikel 5. Intrekking Beleidsregel duurzaam herstel en overgangsrecht

  • 2 Indien het niet toekennen van Duurzaam herstel aan een woning met een postcode opgenomen in een bijlage van de Beleidsregel duurzaam herstel naar het oordeel van het Instituut leidt tot onaanvaardbare verschillen bij de toekenning van tegemoetkomingen voor Duurzaam herstel, kan het Instituut afwijken van artikel 2, eerste lid, sub b.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Groningen, 20 november 2025

H.C.D. Korvinus

Voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

E.C.M. van Schie

Plaatsvervangend voorzitter, tevens bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

B.J. Wierenga

Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen

S.F.M. Wortmann

Bestuurslid Instituut Mijnbouwschade Groningen