Inleiding
In deze Beleidsregel handhaving (hierna: Beleidsregel) wordt ingegaan op het beleid
dat het college van toezicht (hierna: het college) toepast voor de handhaving van
de bepalingen met betrekking tot door de dekens uitgeoefend toezicht en klachtbehandeling.
Het uitgangspunt hierbij is dat de onder toezicht staande dekens zich uit eigen beweging
normconform gedragen. Reguliere contactmomenten in het kader van systeemtoezicht dragen
hieraan bij. Het college van toezicht en de dekens in de elf arrondissementen hebben
ook een gezamenlijk doel om de kwaliteit en integriteit van de advocatuur te bevorderen.
De dekens zijn verantwoordelijk voor het toezicht op advocaten en de behandeling van
klachten over advocaten in hun arrondissement. Het college ziet met een onafhankelijke
blik van buiten toe op de werking van het toezicht en de klachtbehandeling. Waar regulier
systeemtoezicht niet het gewenste effect heeft of naar verwachting zal hebben, kan
normconform gedrag worden bereikt door de inzet van handhavingsinstrumenten.
1.1. Over de Beleidsregel Handhaving
In deze Beleidsregel wordt het handhavingsbeleid van het college uiteengezet. Het
geeft inzicht in de uitgangspunten (hoofdstuk 2) en de factoren die voor het college
van belang zijn bij het bepalen van de inzet van handhavingsinstrumenten (hoofdstuk
3).
Tot slot wordt uiteengezet op welke wijze het college verantwoording aflegt over de
inzet van handhavingsinstrumenten (hoofdstuk 4) en het moment en de wijze van inwerkingtreding
(hoofdstuk 5).
1.2. Juridische status
De regels die in deze Beleidsregel worden gesteld, gelden als beleidsregels in de
zin van artikel 45h van de Advocatenwet. Met de publicatie van de Beleidsregel op zijn website draagt het college bij aan
het inzichtelijk maken van zijn optreden als systeemtoezichthouder en de effecten
van het toezicht.
1. Uitgangspunten bij handhaving
Een deskundige en integere advocatuur is het hogere doel waar dekens en het college
gezamenlijk voor staan. Het college heeft als taak om te borgen dat het toezicht en
de klachtbehandeling door dekens goed wordt uitgevoerd, dat wil zeggen: zichtbaar,
onafhankelijk, effectief, professioneel en consistent. Gelet op de gedeelde verantwoordelijkheid
gaat het college in beginsel uit van gerechtvaardigd vertrouwen dat de dekens uit
eigen beweging normconform handelen. Waar regulier systeemtoezicht niet het gewenste
effect heeft of naar verwachting zal hebben, kan normconform gedrag worden bereikt
door de inzet van handhavingsinstrumenten.
Het college zoekt bij handhaving altijd naar een passende balans tussen enerzijds
het stimuleren van de kwaliteit van het toezicht en de klachtbehandeling door dekens,
en anderzijds het optreden indien toezicht en klachtbehandeling niet aan de gestelde
normen voldoet.
Stimulering vormt de basis. Het college en de dekens hebben een gezamenlijk hoger
doel en een gedeelde intrinsieke motivatie om hieraan bij te dragen. Het aantal dekens
waarop toezicht wordt gehouden is bovendien overzichtelijk. Dit maakt het voor het
college goed mogelijk om gezamenlijk het gesprek over goed toezicht te voeren. Bijvoorbeeld
door ervaringen uit te wisselen, afwegingen te begrijpen en best practices te delen. Ook kan het college individueel gerichte feedback geven.
Optreden kan echter ook noodzakelijk zijn. Het college moet doortastend zijn en kunnen
sanctioneren, indien het toezicht of de klachtbehandeling niet aan de gestelde normen
voldoet. Dit is een voorwaarde voor goed toezicht en bovendien noodzakelijk voor geloofwaardig
toezicht.
Uitgangspunten bij handhaving
Het college hanteert de volgende uitgangspunten bij handhaving:
-
•
Optreden gericht op bereiken normconform gedrag: bij het optreden van het college staat het bevorderen van normconform gedrag centraal.
Het college streeft ernaar dat alle dekens zich uit eigen beweging normconform gedragen.
Het college zorgt ervoor dat normen kenbaar, helder en na te leven zijn voor dekens.
Waar dit niet tot het gewenste resultaat leidt, wordt normconform gedrag afgedwongen
door inzet van handhavingsinstrumenten.
-
•
Optreden zodra bekend met een overtreding: als het college binnen zijn systeemtoezichthoudende taak bekend raakt met de niet-naleving
van een regel door een deken, is handhavend optreden door het college het uitgangspunt.
De wijze waarop het college dat zal doen, hangt af van de concrete situatie en het
beoogde toezichteffect. Dit uitgangspunt laat onverlet dat het college met het oog
op de beschikbare capaciteit prioriteiten in de handhaving stelt.
-
•
Optreden afhankelijk van inhoud en strekking norm: de aard en de reactie van het college op een normschending wordt overwegend bepaald
door de inhoud en strekking van de overtreden norm.
-
•
Optreden op effectieve wijze: het optreden van het college is gericht op het bereiken van normconform gedrag en
het beëindigen van normschendingen. De keuze voor de inzet van een handhavingsinstrument
en de wijze waarop dit instrument wordt ingezet, hangt af van de omstandigheden van
het geval. Voor iedere situatie wordt bepaald welk handhavingsinstrument het meest
effectief en efficiënt is.
-
•
Optreden overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk bestuur: het optreden van het college is in overeenstemming met de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur: het rechtszekerheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel,
het verbod van willekeur, het verbod van misbruik van bevoegdheid, het proportionaliteitsbeginsel,
het fair play beginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Dat betekent
onder meer dat het college, voordat hij optreedt, alle feiten zorgvuldig onderzoekt
en, waar nodig, om nadere informatie verzoekt en de belangen van de betrokken belanghebbenden
afweegt. De dekens leveren desgevraagd ontbrekende informatie aan het college aan.
2. Handhavingsinstrumentarium
Als het college besluit tot handhaving over te gaan, dan heeft hij een handhavingsinstrumentarium
tot zijn beschikking, bestaande uit:
Dit handhavingsinstrumentarium kent de vorm van een ladder en staat volgordelijk van
zwakkere, informele handhavingsinstrumenten naar sterkere, formele handhavingsinstrumenten.
Advies en stimulering
Het college zal er in de eerste plaats naar streven om via het geven van advies of
stimulering dekens te bewegen tot een verbetering van het toezicht. Te denken valt
aan het bespreekbaar maken van verwachtingen ten aanzien van toezichtactiviteiten,
het benoemen van verbeterpunten en het maken van vervolgafspraken om te constateren
of er opvolging is gegeven aan de adviezen. Ook zal het college, waar mogelijk en
nodig, zijn hulp aanbieden aan de deken voor het bereiken van het gewenste resultaat.
Het college kan de dekens aansporen om een beleidsregel op te stellen, wanneer zij
voor een bepaald aspect geen beleidsregel hebben of de werkwijze of toepassing van
een bestaande beleidsregel in de praktijk op een onwenselijke wijze uiteenloopt. Wanneer
de dekens na aansporing geen beleidsregel opstellen of niet tot overeenstemming kunnen
komen, kan het college besluiten om zelf de beoogde regels vast te stellen.
Normoverdragend gesprek
Als advies of stimulering niet het gewenste effect heeft, kan het college een deken
uitnodigen voor een normoverdragend gesprek. In een normoverdragend gesprek worden
zo nodig eerder afgegeven signalen opnieuw met de deken besproken en worden er concrete
afspraken gemaakt voor de opvolging van aandachtspunten en acties.
Het normoverdragend gesprek wordt door een of meer collegeleden gevoerd, in aanwezigheid
van de secretaris van het college.
Van het normoverdragend gesprek wordt een verslag gemaakt, dat aan de betrokken deken
wordt gestuurd. De deken krijgt daarbij de mogelijkheid om opmerkingen bij het verslag
te maken.
Aanwijzing
Het geven van een aanwijzing is een wettelijke bevoegdheid op grond van artikel 45b van de Advocatenwet. De algemeen deken kan, in zijn hoedanigheid als voorzitter van het college van toezicht,
een aanwijzing geven aan een lokale deken met betrekking tot de uitoefening van het
toezicht, gehoord de overige leden van het college van toezicht.
De algemeen deken kan zijn aanwijzingsbevoegdheid ook gebruiken om bijvoorbeeld een
of meer dekens een beleidsregel te laten maken.
Verzoek tot schorsing in of ontheffing van de taakuitoefening
Op grond van artikel 45c lid 2 van de Advocatenwet kan het college het hof van discipline verzoeken om een deken te schorsen in de taakuitoefening
bij een ernstig vermoeden voor het bestaan van feiten of omstandigheden die tot ontslag
zouden kunnen leiden (zie daarvoor verzoek tot ontslag).
Daarnaast zijn er andere situaties die los staan van de dekenale taakuitoefening,
waarbij het aan het college is om het hof van discipline te verzoeken een deken te
schorsen in of te ontheffen van de taakuitoefening. Artikel 45c van de Advocatenwet bepaalt in welke gevallen en hoe deze zogenoemde ‘gebonden bevoegdheden’ door het
college en het hof van discipline moeten worden gebruikt. Het gaat dan om situaties
als een verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, onder curatelestelling,
faillissement, surséance van betaling, schuldsanering of gijzeling wegens schulden.
Verzoek tot ontslag
Het college van toezicht kan de jaarlijkse vergadering van de orde schriftelijk verzoeken
een deken van de orde in het arrondissement te ontslaan en in zijn plaats een andere
deken te kiezen, wegens tekortschieten in de taakuitoefening, wegens ongeschiktheid
of onbekwaamheid voor de functie dan wel andere zwaarwegende in de persoon van betrokkene
gelegen redenen (artikel 45d Advocatenwet).
Weging van de handhavingsinstrumenten
Binnen het handhavingsinstrumentarium betreft advies en stimulering de lichtste vorm
van interventie die het college ter beschikking staat, terwijl het verzoek tot schorsing/ontheffing
of ontslag de zwaarste vorm betreft:
In het algemeen geldt dat het college waar mogelijk eerst meer informele handhavingsmiddelen
inzet om de taakuitoefening van een of meer dekens zal trachten bij te sturen. Het
gaat dan bijvoorbeeld om advies en stimulering of een normoverdragend gesprek. Als
dat niet het gewenste effect heeft, zet het college een formeel handhavingsinstrument
in. Het gaat dan om een door de algemeen deken te geven aanwijzing of om een verzoek
tot schorsing of ontslag van de deken.
Hoe weegt het college welk handhavingsmiddel ingezet wordt?
Bij het bepalen welke vorm van handhavend optreden op zijn plaats is, weegt het college
de ernst van het handelen of nalaten van de deken af tegen de mate van verwijtbaarheid
die de deken treft.
Gradaties van de ernst van niet-naleving
De ernst van niet-naleving is een afweging bij het bepalen van een passende handhavingsactie.
De zwaarte van de interventie neemt toe naarmate de niet-naleving ernstiger is:
Gradaties van de verwijtbaarheid van de deken
De mate van verwijtbaarheid van de deken is een volgende afweging bij het bepalen
van een passende handhavingsactie. De zwaarte van de interventie neemt toe naarmate
de verwijtbaarheid van de deken groter is:
Koppeling ernst niet naleving en mate verwijtbaarheid
De ernst van niet-naleving versus de verwijtbaarheid van de deken zijn beide elementen
in de uiteindelijke afweging bij het bepalen van wat een passende actie is. De stelregel
is als volgt: de zwaarte van de interventie neemt toe naarmate de niet-naleving ernstiger is en
de verwijtbaarheid van de deken groter is. Op basis van deze afweging bepaalt het college welke actie hij inzet. Daarbij geldt
dat deze matrix een richtlijn is. Het is een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid.
Een lichtere of zwaardere actie dan wat de matrix voorschrijft kan worden ondernomen,
indien het college oordeelt dat de specifieke omstandigheden van de situatie hierom
vragen. Uiteraard zal het college dat dan in voorkomende gevallen nader motiveren.
De cijfers hieronder corresponderen met de handhavingsmiddelen van figuur 1 op pagina
6.
Relevante factoren
Bij de ernst van de overtreding en mate van verwijtbaarheid worden de volgende factoren
betrokken bij de keuze voor het in te zetten handhavingsinstrument zijn onder meer:
-
• in hoeverre de overtreding zelf is gemeld door de deken aan het college;
-
• in hoeverre de deken medewerking heeft verleend aan het onderzoek van het college;
-
• of de overtreder uit eigen beweging de overtreding heeft beëindigd;
-
• wat de duur van de overtreding is geweest;
-
• of er sprake is van recidive;
-
• in hoeverre de overtreder reeds eerder is aangesproken op andersoortige overtredingen
dan de onderhavige;
-
• in hoeverre de overtreding het gevolg is van een (bewust) onjuist beleid binnen het
ordebureau;
-
• in welke mate door de overtreding derden zijn benadeeld en in hoeverre zij zijn ingelicht;
-
• in welke mate door de overtreding voordeel is verkregen;
-
• wat de financiële draagkracht van de overtreder is;
-
• wat de impact van de overtreding is (intern/extern/maatschappelijk/politiek);
-
• status van de ondertoezichtstaande deken en de daarmee gepaard gaande voorbeeldfunctie.
3. Verantwoording
Met het oog op verantwoording tracht het college zo veel mogelijk transparant te zijn
over zijn inzet van toezicht- en handhavingsinstrumenten. Dit komt – waar mogelijk
– onder meer tot uitdrukking in de werkplannen, voortgangsrapportages, jaarverslagen,
en andere uitingen van het college.