Het CIZ besluit of mensen die een Wlz-indicatie aanvragen, werkelijk aangewezen zijn
op zorg vanuit de Wlz. Hiervoor zijn vier afwegingskaders beschreven.
2.1. Afwegingskader blijvende Wlz-toegang
Met dit afwegingskader onderzoekt het CIZ of iemand is aangewezen op de Wlz conform artikel 3.2.1, eerste lid, Wlz.
|
Artikel 3.2.1, eerste lid, Wlz:
Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden
is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige
zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische
of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke,
lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:
1. Permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde,
of
2. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante
momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen,
1. Door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg
nodig heeft, of door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van
taken nodig heeft.
|
Op grond van artikel 3.2.1, zesde lid, Wlz komen jeugdigen met (enkel) een psychische stoornis niet in aanmerking voor de Wlz. Voor hen is de Jeugdwet van toepassing.
Afwegingskader Wlz artikel 3.2.1 eerste lid
Indien reeds blijvende Wlz-toegang is verleend, neemt het CIZ op basis van artikel 3.2.1, eerste lid, Wlz in combinatie met jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep7 enkel stap 1, 2 en 6 van bovenstaand afwegingskader.8
2.1.1. Stap 1: De aanvraag
We stellen vast of we de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Daarvoor hebben we
ten minste deze gegevens nodig:
-
• Naam en adres (artikel 4:2, eerste lid, Awb);
-
• Gewenste zorg (= omschrijving van het gevraagde besluit conform artikel 4:2, eerste lid, Awb);
-
• Burgerservicenummer (artikel 3.2.3, derde lid, Wlz);
-
• Handtekening (artikel 4:2, eerste lid, Awb) van:
-
• Informatie die voor de beslissing op de aanvraag nodig is10 zoals informatie over de ziekte, aandoening en het functioneren van de persoon (artikel 4:2, tweede lid, Awb).
We kunnen het recht op Wlz-zorg vaststellen als een persoon verzekerd is voor de Wlz (art. 2.1.1 jo. 3.2.3, eerste lid, Wlz). Eerst stellen we de identiteit van deze persoon vast (artikel 9.1.1, zesde lid, Wlz). Vervolgens gaan we na of de persoon die een indicatie aanvraagt, verzekerd is voor
de Wlz (artikel 3.1, derde lid, Rlz).
Om vast te stellen of iemand recht heeft op Wlz-zorg en zo ja, welk zorgprofiel, onderzoeken
we de situatie van de persoon. Wanneer we relevante informatie missen, vragen we die
alsnog op. Als die informatie niet wordt aangeleverd, is een volledig onderzoek niet
mogelijk. Dan kunnen we besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen (artikel 4:5 Awb).
Het is ook mogelijk dat iemand met een Wlz-indicatie een aanvraag doet om de indicatie
in te trekken. Ook dan doen we een volledig onderzoek. Als in stap 6 is vastgesteld
dat de persoon niet (meer) voldoet aan de toegangscriteria, dan kunnen we de indicatie
beëindigen. Als de persoon wel voldoet aan de toegangscriteria, kunnen we de indicatie
alleen beëindigen na afstemming met de andere domeinen.
2.1.2. Stap 2: In kaart brengen van de zorgsituatie
We onderzoeken welke ziekte(n), aandoening(en), stoornis(sen) en/of beperking(en)
de persoon heeft. Eventuele lopende behandelingen en de ziektebiografie nemen we daarbij
mee. We bekijken de objectieve aard en mate van de beperkingen. Het gaat om beperkingen
bij activiteiten die relevant zijn voor de zorgvraag. Op grond hiervan bepalen we
of er geen, één of meerdere grondslagen zijn voor de Wlz.
De grondslag psychische stoornis wordt ook bij een jeugdige vastgesteld. Als de grondslag
psychische stoornis bij een jeugdige de enige grondslag is, is er voor de jeugdige
geen toegang tot de Wlz en wordt het onderzoek afgesloten in stap 2.
We baseren ons in het onderzoek op (inter)nationaal erkende classificatie-instrumenten
zoals:
-
• ICD-10 (International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems,
versie 10);
-
• De DSM-511 (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) en
-
• ICF (International Classification of Functioning, Disability and Health).
De stoornissen en beperkingen van de persoon leggen we vast (zie bijlage 1) en lichten we zo nodig toe in tekst.
2.1.3. Stap 3: Vaststellen ‘permanent toezicht’ of ‘24 uur per dag zorg in de nabijheid’
We stellen vast of de persoon vanwege de in stap 2 vastgestelde ziekte(n), aandoening(en),
stoornissen en/of beperking(en) is aangewezen op:
-
a. permanent toezicht om escalatie of ernstig nadeel te voorkomen, of
-
b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid omdat hij zelf niet in staat is om op relevante
momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen,
-
1. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg
nodig heeft, of
-
2. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.
Het ‘ernstig nadeel’ leggen we vast (zie Hoofdstuk 1 definities).
Ad a
Permanent toezicht is het hele etmaal onafgebroken toezicht en actieve observatie
om dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheid te signaleren. Hierdoor kan
altijd tijdig worden ingegrepen, waarmee escalaties van onveilige, gevaarlijke of
(levens)bedreigende situaties op het gebied van de gezondheid en/of het gedrag voorkomen
worden. Bij mensen die behoefte hebben aan permanent toezicht kan dus elk moment iets
(ernstig) mis gaan.
Ad b.1
Het gaat hier om:
-
• Mensen met fysieke problemen vanwege een somatische ziekte of lichamelijke handicap;
-
• Die niet altijd op relevante momenten hulp kunnen vragen of niet altijd erkennen dat
ze behoefte hebben aan zorg, vanwege fysieke problemen en de gevolgen daarvan voor
het psychisch functioneren (bijvoorbeeld vanwege vermoeidheid, vertraagd denken, verminderde
alertheid en concentratie); en
-
• Bij wie dan het wachten op de zorgverlener bij ongeplande zorgmomenten mogelijk ernstig
nadeel zal opleveren gezien de medische situatie/prognose. Het nadeel kan niet voorkomen
worden door inzet van zorg op geplande momenten of op afroep. Er kan bijvoorbeeld
risico zijn op complicaties, zoals verwaarlozing of het oplopen van lichamelijk letsel
ten gevolge van bedlegerigheid, een slechte voedingstoestand of tekorten in de zelfzorg.
Ad b.2
Het gaat hier om:
-
• Mensen die niet goed kunnen beoordelen wat ze moeten doen of laten in verschillende
dagelijkse situaties;
-
• Waardoor voortdurend begeleiding of overname van taken nodig is om ernstig nadeel
voor henzelf te voorkomen.
De persoon heeft problemen op het gebied van sociale redzaamheid, gedrag, psychisch
functioneren of geheugen en oriëntatie. Men kan de consequenties van eigen handelen
niet overzien. Door stoornissen in de realiteitszin, in het gedrag of het gevoelsleven
of door cognitieve stoornissen dan wel een combinatie hiervan, is begeleiding en toezicht
nodig op meerdere momenten van de dag. De zorgverlener moet de persoon op (onverwachte)
momenten helpen om een oordeel te vormen over essentiële zaken in het dagelijkse leven.
Zonder die hulp kan ernstig nadeel ontstaan omdat de persoon onvoldoende regie en
regelvermogen heeft.
2.1.4. Stap 4: Vaststellen of de zorgbehoefte blijvend is
In deze stap stellen we vast of de behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag
zorg in de nabijheid zoals is vastgesteld in stap 3 blijvend is. Daarvoor onderzoeken
we of de persoon vanwege zijn ziekte, aandoening, stoornissen en beperkingen blijvend
(levenslang) is aangewezen op permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
Er is geen toegang tot de Wlz als er mogelijkheden zijn voor zodanige (functionele) verbetering of (gedeeltelijk)
herstel – bijvoorbeeld vanwege behandeling12 van de ziekte, aandoening, stoornissen en/of beperkingen – dat (nog) niet kan worden
vastgesteld of de behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid
blijvend is.
Onderbouwing van de blijvendheid kan worden gevonden in de levensloop (onder meer
school en werk), de behandelgeschiedenis (welke interventies zijn al gedaan met welk
resultaat) en de prognose door een ter zake kundige (is de verwachting dat het functioneren
van de persoon nog zodanig kan verbeteren dat hij zelf op relevante momenten hulp
kan inroepen om ernstig nadeel te voorkomen).
Bij kinderen kijken we niet alleen naar de eventuele mogelijkheden van (functionele)
verbetering of herstel, maar ook naar de ontwikkelingsmogelijkheden. Een kind krijgt
pas toegang tot de Wlz als we kunnen vaststellen dat het, ondanks deze ontwikkeling, ook in de toekomst
zal zijn aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht.
2.1.5. Stap 5: Uitzonderingen op de toegangscriteria
Soms krijgt een persoon die voldoet aan de toegangscriteria uit stap 1 tot en met
4 toch geen toegang tot de Wlz omdat hij, zoals bepaald in artikel 3.1.5 Blz, zorg dient te krijgen uit een ander domein (zie punt 1–3). Een andere mogelijkheid
is dat een persoon geen toegang krijgt tot de Wlz omdat er sprake is van gebruikelijke
zorg (zie punt 4 en hoofdstuk 4). De uitzonderingen op de toegangscriteria lichten
we hieronder nader toe.
1). Verpleging en verzorging voor kinderen vanuit de Zvw
Artikel 3.1.5 onder b Blz:
|
De verzekerde heeft geen recht op zorg ingevolge de wet indien hij minderjarig is
en voornamelijk in verband met complexe somatische problematiek of een lichamelijke
handicap is aangewezen op verpleging en verzorging als bedoeld in artikel 2.10 Besluit
zorgverzekering (Bzv).
|
Dit artikel zegt het volgende: Een kind waarbij is vastgesteld dat er een blijvende
behoefte is aan permanent toezicht of 24 uurs zorg in de nabijheid vanwege complexe
somatische problematiek of een lichamelijke handicap, heeft geen toegang tot de Wlz als dit voornamelijk vanwege een noodzaak voor geneeskundige, verpleegkundige zorg
en toezicht is. De Zvw is voor deze zorg voorliggend. Het kan bijvoorbeeld gaan om toezicht met een verpleegkundige
blik om tijdig in te grijpen bij afwijkingen in de vitale lichaamsfuncties (ademhaling,
bloeddruk, bewustzijn et cetera) of om verpleegkundige handelingen zoals het toedienen
van zuurstof, intraveneuze medicatie toediening of parenterale voeding.
Als er ook sprake is van een verstandelijke beperking
Is al op jonge leeftijd duidelijk dat het kind ook een verstandelijke beperking heeft,
dan zou de zorg zowel onder de Zvw als onder de Wlz kunnen vallen. Het aangrijpingspunt van de zorg is hiervoor bepalend.
-
• Zolang het aangrijpingspunt medische zorg is, krijgt het kind de verpleging en verzorging
uit de Zvw.
-
• Verschuift het aangrijpingspunt van de medische zorg naar de gehandicaptenzorg dan
is een indicatie voor de Wlz mogelijk.
2). Palliatief terminale zorg
Mensen zonder Wlz-indicatie die palliatief terminale zorg nodig hebben, krijgen die
zorg uit de Zvw (artikel 3.1.5, onder a, Blz).
Mensen met een Wlz-indicatie die palliatief terminale zorg uit de Wlz gaan ontvangen, hebben hiervoor geen herindicatie van het CIZ nodig. Hiervoor dient
contact opgenomen te worden met het zorgkantoor.
Het zorgprofiel ‘Verstandelijke gehandicapt (VG) wonen met begeleiding en verzorging’
(zorgprofiel VG03) valt voor kinderen niet onder de Wlz (zie artikel 3.1.5, onder c, Blz). Zij zijn aangewezen op de Jeugdwet13. Overige VG-zorgprofielen kunnen voor kinderen wel vanuit de Wlz worden geboden.
Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor jeugdhulp in de zin van ondersteuning,
hulp en zorg voor jeugdigen met opvoed- en opgroeiproblemen, met psychische en psychiatrische
problemen of stoornissen of met een beperking. Gemeenten zijn ook verantwoordelijk
voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en de jeugdreclassering. Deze
vormen van hulp en ondersteuning worden nooit vanuit de Wlz geleverd.
4). Gebruikelijke zorg
Gebruikelijke zorg in de Wlz is de dagelijkse verzorging, opvoeding, toezicht en stimulering van de ontwikkeling
die (pleeg)ouders/wettelijk vertegenwoordigers aan kinderen geacht worden te bieden,
al dan niet aangevuld met zorg uit de Jeugdwet of de Zvw.
Is duidelijk dat een kind vanwege zijn grondslag, stoornissen en beperkingen blijvend
is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid (stap 1 tot en met 4 van het
afwegingskader)? Is er geen sprake van zorg uit een ander domein zoals hierboven beschreven?
Dan wegen we af of het kind al redelijkerwijs is aangewezen op zorg uit de Wlz, of dat er nog sprake is van gebruikelijke zorg. Zie hiervoor hoofdstuk 4, Gebruikelijke
zorg.
2.1.6. Stap 6: Vaststellen van het recht op Wlz-zorg
In deze stap beoordelen we of de persoon recht heeft op Wlz-zorg. Zo ja, dan stellen
we vast:
-
• Welk zorgprofiel het best past;
-
• Of het kenmerk ‘meerzorg’ van toepassing is;
-
• Wat de ingangsdatum voor de Wlz-zorg is;
-
• Hoe lang de indicatie geldig is.
2.1.6.1. Het best passend zorgprofiel
In de Rlz (bijlage A bij artikel 2.1) zijn de zorgprofielen beschreven. De zorgprofielen zijn
ingedeeld in sectoren, bijvoorbeeld verpleging en verzorging (VV), lichamelijk gehandicapt
(LG) of Geestelijke gezondheidszorg Wonen (GGZ-W).
Het zorgprofiel moet passen bij de grondslag(en), stoornissen en beperkingen en de
daaruit voortvloeiende actuele zorgbehoefte. Voor iedere grondslag is een reeks zorgprofielen
beschikbaar. Het uitgangspunt is dat een zorgprofiel uit een sector gekozen wordt
als de grondslag uit die sector aanwezig is. Als iemand meer dan één grondslag heeft,
kijken we eerst naar de grondslag met de meeste invloed op de zorgbehoefte (zie hiervoor
Hoofdstuk 3, Grondslagen, onder 3.2 Aandachtspunten). Als de bijbehorende profielen
niet voldoende aansluiten bij de zorgbehoefte, kunnen we kiezen voor een profiel dat
beter bij de actuele zorgbehoefte van de cliënt past. Dit kan als beperkingen elkaar
beïnvloeden, of op grond van leeftijdsgebonden cliëntkenmerken of specifieke gedragsproblemen.
De grondslagen ‘somatische aandoening of beperking’ en ‘lichamelijke handicap’ kunnen
bijvoorbeeld een vergelijkbare zorgbehoefte met zich meebrengen. Het verschil tussen
de sectoren VV en LG heeft te maken met de aard van het begeleidingsdoel in relatie
tot de levensfase. De zorgprofielen LG zijn meer gericht op stabilisatie en ontwikkeling,
terwijl de zorgprofielen VV meer aandacht hebben voor begeleiding bij achteruitgang
in de ouderenzorg. Soms past een VV-profiel het beste bij iemand met een grondslag
lichamelijke handicap en andersom.
Zie ook bijlage 2, Specifieke criteria voor het bepalen van het passende zorgprofiel.
2.1.6.2. Meerzorg
Soms is meer zorg nodig dan beschikbaar is vanuit het best passende zorgprofiel.
Mensen met een passend zorgprofiel die meerzorg willen, kunnen dat rechtstreeks bij
het zorgkantoor aanvragen. Het zorgkantoor kan dan een onderzoek naar meerzorg starten.
Meerzorg is mogelijk bij de zorgprofielen zoals beschreven in artikel 2.2, eerste lid, sub a, Rlz.
Het CIZ kan in vier specifieke situaties aan het zorgkantoor het kenmerk ‘onderzoek
doen naar meerzorg’ meegeven (artikel 2.2, tweede lid, Rlz). Het zorgkantoor onderzoekt vervolgens of en zo ja hoeveel meerzorg de persoon nodig
heeft.
We geven het kenmerk mee als een aanvraag wordt ingediend voor Wlz-zorg én uit ons
onderzoek blijkt dat iemand recht heeft op een zorgprofiel én:
-
1. Invasieve beademing nodig heeft, of
-
2. Non-invasieve beademing nodig heeft, of
-
3. Recht heeft op zorgprofiel ‘VG wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging’
(VG05) en permanent toezicht nodig heeft vanwege zwaar complexe somatische problematiek,
of
-
4. Recht heeft op zorgprofiel ‘VG wonen met begeleiding en volledige verzorging en verpleging’
(VG08) en permanent toezicht nodig heeft vanwege zwaar complexe somatische problematiek.
Ad 1 en 2:
Beademing wil zeggen dat de ademhaling volledig of ter ondersteuning mechanisch door
apparatuur wordt overgenomen. Dit kan continu het geval zijn. Maar ook intermitterend,
bijvoorbeeld alleen gedurende de nacht of mede ‘on demand’14 (de apparatuur schakelt automatisch in als de persoon niet zelf ademhaalt). De beademing
gebeurt via een tracheostoma (invasief) of via een mond-/neuskap (non-invasief).
De volgende zaken vallen niet onder beademing:
-
• Incidentele beademing via de tracheostoma met een ballon, al dan niet bij calamiteiten.
Er is geen sprake van continue of intermitterende beademing naast dit incidentele
gebruik van de beademingsballon;
-
• Zuurstoftoediening via een ‘brilletje’, flowsnor, tracheostoma of anderszins;
-
• Bewaking van het zuurstofgehalte in het bloed met een saturatiemeter;
-
• Het hebben van een tracheostoma;
-
• Apparatuur bij slaapapneu.
Ad 3 en 4:
Het gaat hierbij om personen met (naast de aandoeningen en beperkingen die tot genoemde
zorgprofielen leiden) zwaar complexe somatische problematiek of een lichamelijke handicap,
die als gevolg van deze somatische/lichamelijke problematiek een behoefte hebben aan
verzorging of verpleging waarbij permanent toezicht noodzakelijk is gericht op de
fysieke functies, waarbij de ouders/hulpverleners actief de vitale lichaamsfuncties
van de persoon moeten controleren. Het gaat hier bijvoorbeeld om actieve controle
van de ademhaling, het slikken, het bewustzijn, inwendige- of onderhuidse bloedingen,
de bloeddruk en de lichaamstemperatuur. Bij afwijkingen kan gevaar ontstaan, bijvoorbeeld
acute zuurstofdaling door bijvoorbeeld een ademstilstand of een obstructie van de
ademhaling, een zwaar epileptisch insult of een shock. Direct ingrijpen is daarom
noodzakelijk, bijvoorbeeld (extra) zuurstof toedienen, uitzuigen, medicatie toedienen
of reanimeren.
2.1.6.3. Ingangsdatum en geldigheidsduur
Het CIZ oordeelt en beslist binnen zes weken na de datum waarop de aanvraag is ingediend
(artikel 3.2.4, eerste lid, Blz).
Ingangsdatum
Hoofdregel: De ingangsdatum van het besluit is de datum waarop het CIZ de beslissing neemt.
De ingangsdatum van de geïndiceerde zorg kan soms ook na de datum van het indicatiebesluit
liggen. Bijvoorbeeld bij een indicatie voor jongeren die pas toegang tot de Wlz hebben vanaf hun 18e verjaardag, of aansluitend aan behandeling.
De ingangsdatum van de geïndiceerde zorg kan in beginsel niet liggen vóór de datum
van het indicatiebesluit. Als uitgangspunt is zorg in de thuissituatie verzekerd via
de Zvw of bestaat er aanspraak op maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in de Wmo 2015 of Jeugdwet, totdat er door het CIZ een Wlz-indicatie afgegeven is.15
Uitzondering:
Als een persoon vanwege bijzondere omstandigheden al met spoed is opgenomen in een
instelling kan hierop een uitzondering gemaakt worden (artikel 3.2.4, tweede lid, Blz).
Het gaat bij bijzondere omstandigheden bijvoorbeeld om:
-
1 Een acute onvoorziene verandering in de gezondheidssituatie van de persoon waarbij
al direct na de medische diagnostiek en behandeling duidelijk is dat de persoon blijvend
is aangewezen op zorg vanuit de Wlz. Het kan ook gaan om een persoon die nog thuis woont dankzij mantelzorg eventueel
aangevuld met zorg en ondersteuning vanuit de gemeente of zorgverzekering. Als de
mantelzorg acuut en onverwacht uitvalt kan het nodig zijn om de persoon direct op
te nemen in een instelling.
-
2 Een aanvraag voor voortzetting van de opname aansluitend aan geriatrische revalidatie
of eerstelijns verblijf (Zvw), bij beëindiging van de forensische status van een persoon die Wlz-zorg behoeft
of na het toewijzen van een status bij asielzoekers. In deze gevallen is veelal sprake
van een plotselinge wijziging in de situatie van de persoon.
Het CIZ beslist in bovenstaande gevallen binnen twee weken. Voorwaarde is dat er voldoende
(medische) informatie bij de aanvraag beschikbaar is. De ingangsdatum van de indicatie
is dan de datum dat de aanvraag bij het CIZ is binnengekomen of maximaal vijf kalenderdagen
daarvoor als de zorg eerder is gestart dan de aanvraagdatum16.
Let op: het is niet mogelijk om een indicatiebesluit met terugwerkende kracht te verzilveren
in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb), modulair pakket thuis (mpt) of volledig
pakket thuis (vpt).
Overgangsperiode
Soms stellen we een indicatie voor zorg vanuit de Wlz naar beneden bij. Dan is een overgangsperiode mogelijk17. We houden dan rekening met de mate waarin de lopende indicatie omlaag gaat, met
bestaande verplichtingen vanuit de lopende indicatie en met de individuele situatie
van de persoon.
Een overgangsperiode is ook mogelijk als een persoon na afronding van de behandeling
in een (Sterk Gedragsgestoord) Licht Verstandelijk Gehandicapt ((SG)LVG)-instelling,
nog wel zorg nodig heeft, maar na het onderzoek door het CIZ niet blijkt te voldoen
aan de toegangscriteria van de Wlz. Het CIZ kan de (SG)LVG-indicatie verlengen. De persoon kan dan langer blijven wonen
in de instelling waar hij behandeling met verblijf heeft gekregen zodat er tijd is
om de overgang te regelen. Het CIZ hanteert hiervoor een maximum termijn van drie
maanden.
Geldigheidsduur
Een indicatiebesluit is voor onbepaalde tijd geldig, conform artikel 3.2.5 Blz, met uitzondering van de in hoofdstuk 3 van de Rlz genoemde indicatiebesluiten:
-
• Zorgprofielen LVG en SGLVG zijn maximaal drie jaar geldig (zie paragraaf 2.2.5);
-
• Zorgprofielen GGZ-B zijn maximaal drie jaar geldig (zie paragraaf 2.3);
-
• Zorgprofiel ’herstelgerichte behandeling met verpleging en verzorging in een instelling’
(zorgprofiel VV9B) is maximaal 6 maanden geldig.
Verdragsgerechtigden of in het buitenland wonende personen die verzekerd zijn
Het CIZ beoordeelt Wlz-aanvragen van verdragsgerechtigden en van in het buitenland
wonende personen die Wlz-verzekerd zijn op grond van artikel 5.2.1 Blz. We houden daarbij rekening met de verwachte verblijfsduur van de zorgvrager in Nederland.
De indicatie is maximaal zes maanden geldig en kan eenmalig met maximaal zes maanden
verlengd worden.
2.1.6.4. Informatie bij besluit
Het CIZ kan aanvullende informatie vastleggen en doorgeven aan het zorgkantoor, zodat
het zorgkantoor makkelijker tot zorgrealisatie kan komen. Deze informatie hoort niet
bij het indicatiebesluit en heeft geen rechtsgevolg. Er kan daarom geen bezwaar tegen
worden gemaakt.
Als aanvullende informatie bij het indicatiebesluit kan worden vermeld:
-
1. De vorm waarin de persoon de zorg wil ontvangen (bijvoorbeeld pgb of opname in een
instelling).
Onderstaande zorgprofielen kunnen conform artikel 5.5 Rlz niet in een pgb worden geleverd:
-
1 VV Herstelgerichte behandeling met verpleging en verzorging (VV9B);
-
2 LVG Wonen met intensieve behandeling en begeleiding, kleine groep (LVG03);
-
3 LVG Wonen met zeer intensieve behandeling en begeleiding (LVG04);
-
4 LVG Besloten wonen met zeer intensieve behandeling en begeleiding (LVG05);
-
5 LVG Behandeling in een SGLVG behandelcentrum (SGLVG01);
-
6 GGZ Beveiligd wonen vanwege extreme gedragsproblematiek met zeer intensieve begeleiding
(GGZW5).
Het zorgkantoor beslist of iemand voor een pgb in aanmerking komt, niet het CIZ.
-
2. Indien bekend, registreert het CIZ de voorkeursleverancier van de persoon.
2.1.6.5. Het indicatiebesluit
Het resultaat van alle voorgaande stappen is een indicatiebesluit conform wet- en
regelgeving. Uitkomsten kunnen zijn:
-
• Wel recht op Wlz-zorg;
-
• Geen recht op Wlz-zorg;
-
• We nemen de aanvraag niet in behandeling (zie stap 1 van het afwegingskader, paragraaf 2.1.1).
De persoon ontvangt het indicatiebesluit met een deugdelijke motivering voor de beslissing
(artikel 3:46 Awb).
Indien de persoon het besluit ontvangt zoals hij gevraagd heeft, kan het CIZ gebruik
maken van een standaard besluitbrief (artikel 3:48, eerste lid, Awb). Als de persoon toch een uitgebreide motivering wenst, verstrekken we die (artikel 3:48,
tweede lid, Awb).
Is de Wlz-indicatie toegekend? Dan staat in elk geval vermeld in het besluit:
-
• De resultaten van het voorbereidend onderzoek;
-
• De aandoeningen, beperkingen, stoornissen of handicaps waardoor de persoon op zorg
is aangewezen;
-
• Het zorgprofiel (eventueel met het kenmerk ‘onderzoek doen naar meerzorg’);
-
• De ingangsdatum en geldigheidsduur (artikel 3.2.3 Blz).
Tegen het indicatiebesluit staat bezwaar en beroep open conform de Awb.
We zetten het indicatiebesluit in het indicatieregister. De huisarts wordt geïnformeerd
over het indicatiebesluit als de persoon hiervoor toestemming heeft gegeven.
2.2. Afwegingskader tijdelijke toegang voor mensen met een licht verstandelijke handicap
en gedragsproblemen
Deze paragraaf beschrijft het afwegingskader voor meerderjarigen met een licht verstandelijke
handicap en gedragsproblemen conform artikel 3.2.1, derde lid, Wlz.
|
Artikel 3.2.1, derde lid, Wlz:
In afwijking van het eerste lid heeft een meerderjarige verzekerde recht op zorg voor
zover hij vanwege een combinatie van een licht verstandelijke handicap en gedragsproblemen:
a. Tijdelijk behoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid
als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, of
b. Volgens zijn behandelaar is aangewezen op het afmaken van een onder de Jeugdwet aangevangen behandeling met verblijf.
|
De hoofdregel is dat mensen alleen recht hebben op Wlz-zorg als zij blijvend behoefte
hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. In artikel 3.2.1, derde lid, Wlz staat een uitzondering op deze regel.
Tekst uit de memorie van toelichting (bladzijde 13):
‘Uitzondering: volwassenen met een licht verstandelijke beperking (LVG)
In de HLZ-brief van 25 april 2013 staat dat de zzp’s LVG 1–5 voor kinderen tot achttien
jaar onderdeel worden van de nieuwe Jeugdwet. Ook na het bereiken van de achttienjarige
leeftijd kan nog behoefte zijn aan deze zorg, bijvoorbeeld omdat de behandeling die
vóór het achttienjarige levensjaar is gestart nog niet is afgerond. Ook kan het voorkomen
dat pas na het bereiken van de achttienjarige leeftijd wordt vastgesteld dat deze
vorm van zorg de meest aangewezen is in verband met de gedragsproblematiek van de
licht verstandelijk beperkte jongvolwassene. Het gaat hierbij om integrale behandelzorg
in een verblijfssetting met permanent toezicht of 24 uur per dag zorg nabij die wordt
ingezet voor een bepaalde periode. Na deze behandelperiode kan de cliënt zijn aangewezen
op een andere vorm van zorg vanuit de Wlz danwel kan de cliënt worden ondersteund
door de gemeente en/of zorgverzekeraar. Bij deze groep cliënten is er dus niet in
alle gevallen sprake van een blijvende behoefte aan zorg. Toch heeft de regering het
noodzakelijk geacht deze groep cliënten onder de reikwijdte van de Wlz te brengen.
De continuïteit van de ingezette behandeling prevaleert, naar de mening van de regering,
boven het bereiken van de leeftijd van achttien jaar. Tevens vindt de regering het
van belang dat deze vorm van integrale behandelzorg ook beschikbaar is voor jongvolwassenen.
De regering maakt daarom voor deze groep een uitzondering op het uitgangspunt dat
er sprake dient te zijn van een blijvende zorgbehoefte.’
Het gaat hierbij om (jong)volwassenen die zijn aangewezen op integrale multidisciplinaire
behandeling in een LVG of SGLVG behandelinstelling, zoals beschreven in de zorgprofielen
voor maximaal 3 jaar (artikel 2.5 en artikel 3.2, eerste lid, Rlz). Deze integrale multidisciplinaire behandeling kan alleen worden geleverd binnen
de hiertoe door het zorgkantoor gecontracteerde instellingen.
Afwegingskader Wlz artikel 3.2.1 derde lid
Voor de mensen met een licht verstandelijke beperking en gedragsproblemen, die een
aanvraag doen op basis van artikel 3.2.1, derde lid, onder a, volgen we het afwegingskader in de linker kolom (stap 1a tot en met 5a).
Voor jongvolwassenen die voortzetting van de behandeling vragen aansluitend aan de
Jeugdwet op basis van artikel 3.2.1, derde lid, onder b, geldt de rechterkolom (stap 1b tot en met 5b).
Voor hen is het alleen van belang dat:
-
• De behandelaar aangeeft dat voortzetting van de (integrale, multidisciplinaire) behandeling
in een LVG-behandelinstelling noodzakelijk is, en
-
• Het CIZ onderzoek doet naar de actuele ziekte(s)/aandoening(en) en het actuele beeld
van stoornissen en beperkingen (waaronder de ernst van de gedragsproblemen), en
-
• Het CIZ op basis van dit beeld het best passende zorgprofiel uit de reeks LVG indiceert,
voor maximaal 3 jaar.
2.2.1. Stap 1a en 1b: De aanvraag
We stellen eerst vast of we de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Dit gebeurt conform
stap 1 van het afwegingskader blijvende toegang (paragraaf 2.1.1). Daarnaast stellen
we vast of het gaat om een aanvraag:
Stap 1a: Als het gaat om situatie a doorlopen we stappen 2a tot en met 5a.
Stap 1b: Als het gaat om situatie b is er toegang tot de Wlz. De behandelaar geeft aan dat (en wanneer/hoe lang) voortzetting van deze behandeling
in een LVG-behandelinstelling nodig is. Het CIZ toetst niet aan de toegangscriteria
van de Wlz18.
2.2.2. Stap 2a en 2b: In kaart brengen van de zorgsituatie
In deze stap onderzoeken we de actuele zorgsituatie; zie hiervoor stap 2 van het afwegingskader
blijvende toegang (paragraaf 2.1.2).
Stap 2a: We stellen voor stap 2a ook vast of er sprake is van een licht verstandelijke beperking19 en gedragsproblemen.
Stap 2b: Voor jongvolwassenen die voortzetting LVG behandeling na jeugdzorg nodig hebben is
er toegang tot de Wlz omdat de behandelaar heeft aangegeven dat voorzetting van deze behandeling noodzakelijk
is. Dit geldt ook als we geen grondslag VG kunnen vaststellen. We brengen de actuele
zorgsituatie in kaart, zodat we in stap 5b het best passende zorgprofiel kunnen vaststellen.
Licht verstandelijke handicap20
Een licht verstandelijke handicap valt onder de grondslag VG zoals beschreven in het
hoofdstuk grondslagen. Er is sprake van een licht verstandelijke handicap als:
-
• De persoon een normscore van tussen de 50 en 75 behaalt op een algemene en voor die
persoon valide intelligentietest, en
-
• Er dusdanige beperkingen in het adaptief functioneren zijn vastgesteld dat de persoon
aangewezen is op blijvende ondersteuning om de deficiënties in het adaptief vermogen
te beperken ten einde ernstig nadeel te voorkomen, en
-
• Deze beperkingen al tijdens de vroege21 ontwikkelingsleeftijd ontstaan zijn; beperkingen in het cognitief en adaptief functioneren
die na het 18e levensjaar ontstaan zonder aanwijzingen in de voorgeschiedenis passen niet bij het
beeld van een persoon met een verstandelijke handicap22.
Op grond van historische overwegingen worden mensen met een IQ tussen de 75 en 85
ook gerekend tot de doelgroep LVG in het kader van deze integrale behandeling als
wordt voldaan aan de volgende criteria:
-
• Een persoon behaalt een normscore van tussen de 75 en 85 op een algemene en voor die
persoon valide intelligentietest, en
-
• Door de verstandelijke beperkingen heeft de persoon ernstige of zeer ernstige beperkingen
in het adaptief vermogen. Daardoor is deze afhankelijk van intensieve ondersteuning
op minimaal één van deze domeinen: het conceptuele, sociale en praktische domein.
De ondersteuning is nodig om ernstig nadeel te voorkomen, en
-
• Deze beperkingen zijn gedurende de vroege23ontwikkelingsleeftijd ontstaan; beperkingen in het cognitief en adaptief functioneren
die na het 18e levensjaar ontstaan zonder aanwijzingen in de voorgeschiedenis passen niet bij het
beeld van een persoon met een verstandelijke beperking24.
Gedragsproblemen
Bij de doelgroep LVG gaat het om ernstige tot zeer ernstige gedragsproblemen, waardoor
veel of continu sturing, regulering, behandeling, ondersteuning en toezicht nodig
is. Er kan sprake zijn van (verbaal) agressief gedrag, destructief gedrag, manipulatief
gedrag, ongecontroleerd en/of ontremd gedrag. Ook seksueel grensoverschrijdend gedrag
kan voorkomen. Bij de doelgroep SGLVG is sprake van ernstige, complexe gedragsproblematiek.
De bepaling van de ernst van de gedragsproblemen ontlenen we aan een medisch of gedragskundig
rapport.
2.2.3. Stap 3a: Tijdelijke behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg
in de nabijheid
In deze stap stellen we vast of de meerderjarige persoon vanwege een combinatie van
een licht verstandelijke beperking en gedragsproblemen (ten minste) tijdelijk behoefte
heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid als bedoeld in
de Wlz (paragraaf 2.1.3).
2.2.4. Stap 4a: Noodzaak voor integrale multidisciplinaire behandeling in een (SG)LVG
behandelinstelling
In deze stap stellen we vast of er een noodzaak is voor integrale multidisciplinaire
behandeling in een (SG)LVG behandelinstelling, zoals beschreven in de memorie van
toelichting bladzijde 13.
LVG-behandelinstelling (zorgprofiel LVG)
Het gaat om jongvolwassenen (18 tot 23 jaar) met een licht verstandelijke beperking
in combinatie met gedragsproblemen en vaak ook psychische stoornissen. Er is vaak
sprake van meervoudige problematiek en/of problemen in de gezinssituatie zoals mishandeling,
verwaarlozing, verslaving of seksueel misbruik.
Een betrokken behandelaar moet in de aanvraag de noodzaak tot een integrale, multidisciplinaire
behandeling in een LVG-behandelinstelling onderbouwen.
Bij de LVG-profielen zijn de volgende toelatingscriteria in combinatie vereist:
-
• Behandelperspectief/prognose. Uit de onderzoeksgegevens moet blijken dat de gevraagde
behandeling het persoonlijk en maatschappelijk functioneren van de persoon potentieel
kan verbeteren. De behandeling moet een multidisciplinair karakter hebben, gecoördineerd
door een Wlz-behandelaar. Tijdens de intake- en diagnostiekfase moet gebleken zijn
dat intramurale opname met behandeling noodzakelijk is.
-
• Er is bij aanvang van de behandeling sprake van ernstige gedragsproblemen.
-
• Het aanbod is (binnen de Wlz) gericht op jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar oud.
SGLVG-behandelcentrum (zorgprofiel SGLVG)
Het gaat hierbij om mensen met een licht verstandelijke beperking en ernstige gedragsproblemen
al dan niet in combinatie met psychiatrische problemen. De problematiek komt tot uiting
in alle facetten van het leven: (gezins)systeem, wonen, werken en vrije tijd. De problemen
versterken elkaar, zijn vaak onderling met elkaar verweven en de samenhang tussen
deze problemen is complex. De behandeling van deze problemen moet aansluiten bij het
cognitieve niveau van de persoon. De gedragswetenschappelijke en de psychiatrische
behandeling zijn met elkaar verweven.
Een betrokken behandelaar moet in de aanvraag de noodzaak tot een integrale, multidisciplinaire
behandeling in een SGLVG-behandelcentrum onderbouwen.
Bij het SGLVG-profiel zijn de volgende toelatingscriteria in combinatie vereist:
-
• Beperkingen in het intellectueel en adaptief functioneren die zijn ontstaan in de
ontwikkelingsperiode, een IQ tussen 50–85 en complexe gedragsproblemen, vaak met een
psychische stoornis.
-
• Opname is nodig om het behandelperspectief en de behandelprognose vast te stellen.
De verwachting is dat de behandeling leidt tot vermindering van klachten.
-
• Een integrale multidisciplinaire behandeling is nodig vanwege de problematiek.
-
• Er is sprake van ernstige handelingsverlegenheid van de omgeving vanwege de problematiek.
-
• Eerdere behandelingen in de GGZ of de VG-sector hebben onvoldoende of geen resultaat
gehad.
-
• De behandeling wordt gestart op verzoek van een verwijzer.
2.2.5. Stap 5a en 5b: Recht op Wlz-zorg
In stap 5a stellen we vast of er tijdelijke toegang is tot deze zorgprofielen en zo ja, welk
zorgprofiel het best passend is.
Stap 5b:Deze jongvolwassenen hebben toegang tot deze zorgprofielen omdat ze volgens de behandelaar
zijn aangewezen op het afmaken van een onder de Jeugdwet aangevangen behandeling met verblijf. Op basis van de informatie van de behandelaar
en de zorgsituatie zoals vastgesteld in stap 2b bepalen we het best passende zorgprofiel
uit de reeks LVG.
De zorgprofielen (SG)LVG hebben een maximale geldigheidsduur van drie jaar. Zie verder
stap 6 van het afwegingskader blijvende toegang (paragraaf 2.1.6). Deze zorgprofielen
kunnen alleen worden geleverd in door het zorgkantoor gecontracteerde (SG)LVG instellingen.
2.3. Afwegingskader tijdelijke toegang voor mensen met een psychische stoornis in
verband met voortgezet verblijf (GGZ-B)
In deze paragraaf beschrijven we de afweging voor de tijdelijke toegang van mensen
met een psychische stoornis conform artikel 3.2.2 Wlz. Het betreft de voortzetting van verblijf en de daarbij behorende medisch noodzakelijke
geneeskundige zorg
-
a. Vanwege het bereiken van de maximumduur voor zorg op grond van de zorgverzekering,
of
-
b. Vanwege het aflopen van de geldigheidsduur van een eerder afgegeven zorgprofiel GGZ-B,
of
-
c. Bij een gewijzigde zorgbehoefte binnen het voortgezet verblijf.
|
Artikel 3.2.2 Wlz:
1. Een verzekerde met een psychische stoornis wiens recht op verblijf en de daarbij
behorende medisch noodzakelijke geneeskundige zorg op grond van zijn zorgverzekering
beëindigd is omdat de krachtens zijn zorgverzekering geldende maximumduur voor die
zorg is bereikt, heeft aansluitend recht op voortzetting van deze zorg gedurende een
onafgebroken periode van maximaal drie jaar.
2. Na afloop van de periode, bedoeld in het eerste lid, kan de zorg telkens voor een
onafgebroken periode van maximaal drie jaar verder worden voortgezet.
3. Een onderbreking van ten hoogste negentig dagen wordt niet als onderbreking beschouwd.
4. Een verzekerde heeft slechts recht op zorg als bedoeld in het eerste en tweede
lid voor zover hij daar naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige
zorgverlening redelijkerwijs op is aangewezen.
|
Mensen met een psychische stoornis, zorgprofielen GGZ-B
Mensen met een psychische stoornis hebben op grond van de Zvw maximaal drie jaar recht op verblijf en de daarbij behorende medisch noodzakelijke
geneeskundige zorg. Als deze zorg meer dan drie jaar noodzakelijk is, kan de zorg
maximaal drie jaar (onafgebroken) doorgaan vanuit de Wlz (artikel 3.2.2 Wlz).
Het CIZ toetst bij aanvragen voor een zorgprofiel GGZ-B niet aan de toegangscriteria
van de Wlz te weten: grondslag, blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid of
permanent toezicht en ernstig nadeel.
Het zorgprofiel GGZ-B is maximaal drie jaar geldig. Verlenging daarna is telkens met
periodes van maximaal drie jaar mogelijk als de persoon volgens de behandelaar nog
is aangewezen op voortzetting van verblijf vanwege psychiatrische behandeling en/of
medisch noodzakelijke geneeskundige zorg.
Welk zorgprofiel indiceren we?
-
a. Als de behandelaar heeft vastgesteld dat de persoon na drie jaar verblijf en de daarbij
behorende medische noodzakelijke geneeskundige zorg uit de Zvw is aangewezen op voortzetting van deze zorg, dan stelt het CIZ op basis van de actuele
zorgbehoefte van de persoon het best passende zorgprofiel vast in de reeks GGZ-B.
-
b. Als de behandelaar heeft vastgesteld dat na afloop van de geldigheid van het zorgprofiel
GGZ-B voortzetting van deze zorg nodig is indiceren we hetzelfde zorgprofiel.
-
c. Als de zorgbehoefte zodanig is gewijzigd dat het geïndiceerde GGZ-B profiel niet meer
passend is, maar het verblijf en de daarbij behorende psychiatrische behandeling volgens
de behandelaar nog wel noodzakelijk is, dan stelt het CIZ op basis van de actuele
zorgbehoefte van de persoon het best passende zorgprofiel vast in de reeks GGZ-B.
De zorgprofielen in de sector GGZ-B (GGZ-B 3 tot en met 7) kunnen op basis van artikel 3.3.4 Wlz alleen worden geleverd in een gecontracteerde instelling.
Heeft de persoon deze zorg niet meer nodig maar heeft hij wel blijvend behoefte aan
Wlz-zorg? Dan gelden de reguliere toegangscriteria voor de Wlz (paragraaf 2.1).
2.4. Recht op zorg bij een onvrijwillige opname in een instelling op grond van een
rechterlijke machtiging
Soms beslist de rechter dat iemand onvrijwillig moet wordt opgenomen in een Wzd-accommodatie.
Artikel 10.5.1 Wlz regelt het recht op zorg (en de bekostiging daarvan) voor personen die worden opgenomen
in een instelling door middel van een RM op grond van de Wzd en voor wie die zorg niet kan worden bekostigd uit de (reguliere) Wlz, de Wmo 2015, de Jeugdwet of de Zvw.
De wettekst is als volgt:
-
1. Een persoon die door middel van een rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 24 of 28a van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten is aangewezen op verblijf in een instelling heeft gedurende de geldigheidsduur van
die machtiging doch ten hoogste gedurende het verblijf in een instelling recht op
zorg als bedoeld in artikel 3.1.1, voor zover deze persoon geen toepassing geeft aan artikel 3.2.3 of het verblijf niet wordt bekostigd op grond van een zorgverzekering als bedoeld
in de Zorgverzekeringswet, op grond van de Jeugdwet of op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
-
2. Bij de toepassing van het eerste lid zijn de artikelen 3.1.2, 3.1.3, 3.2.1, 3.2.3, 3.2.4, 3.2.6, 3.3.1 tot en met 3.3.4, 3.3.6, 3.3.6a en 4.2.1, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, niet van toepassing.
-
3. Het recht op zorg als bedoeld in het eerste lid wordt ambtshalve vastgesteld door
het CIZ.
-
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over
de vaststelling van een indicatiebesluit indien toepassing wordt gegeven aan het eerste
lid.
In de toelichting25 staat het volgende over dit artikel:
Dit artikel regelt het recht op zorg -en daarmee de bekostiging van zorg- op basis
van een rechterlijke machtiging voor die gevallen waarin de persoon geen recht op
zorg heeft of krijgt op grond van de Wlz, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015,
de Jeugdwet of de Zorgverzekeringswet. Geregeld wordt dat alle personen waarvoor een
rechterlijke machtiging wordt afgegeven verzekerd zijn van de bekostiging van de voor
hen noodzakelijke zorg. Dit artikel vormt een sluitstuk als de rechter het verblijf
noodzakelijk acht en gebleken is dat bekostiging daarvan op grond van de (reguliere)
Wlz, de Wmo 2015, de Jeugdwet of de Zorgverzekeringswet niet mogelijk is. De personen
die op basis van deze bepaling toegang krijgen tot de Wlz krijgen echter geen volledige
toegang tot alle keuzemogelijkheden die deze te bieden heeft. De rechter kan immers
alleen een machtiging afgeven voor onvrijwillige opname. Hierom wordt het alleen mogelijk
gemaakt om zorg in natura te ontvangen in de vorm van verblijf in een Wzd-accommodatie.
Het artikel is een vangnetregeling. Als een zorgaanbieder een persoon heeft opgenomen
op basis van een RM en hij de zorg niet bekostigd kan krijgen uit de ‘reguliere’ Wlz (conform afwegingskaders in paragraaf 2.1, 2.2 en 2.3), de Jeugdwet, Wmo 2015 of Zvw kan hij een aanvraag bij het CIZ doen om op basis van dit artikel het recht op zorg
vast te stellen. Dit geldt ook als de persoon voor wie een RM is afgegeven weigert
een Wlz-indicatie aan te vragen.26
De zorgaanbieder geeft daarbij gemotiveerd en onderbouwd aan dat bekostiging op basis
van de reguliere opties niet mogelijk is en levert voldoende informatie aan om te
kunnen beoordelen wat een passend zorgprofiel is.
Het CIZ kan dan een indicatie afgeven voor de duur van de RM.