Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Klimaat en Groene Groei van 18 juni 2025, nr.
WJZ / 99237560;
Gelet op de artikelen 1.4, derde lid, 1.7, tweede en derde lid, 2.2, tweede en derde lid, 2.5, zesde lid, 2.6, zesde lid, 2.18, tweede lid, 2.21, tweede lid, 2.25, tweede en vierde lid, 2.34, vijfde lid, 2.46, tweede lid, 2.50, derde lid, 2.51, tweede lid, 2.53, tweede lid, 2.56, eerste en tweede lid, 2.68, tweede lid, 3.8, derde lid, 3.18, eerste lid, 3.26, eerste en tweede lid, 3.27, vijfde lid, 3.36, eerste lid, 3.40, derde en vierde lid, 3.41, tweede lid, 3.47, tweede en vierde lid, 3.64, tweede lid, 3.74, 3.75, 3.79, 3.85, 3.87, vierde lid, 3.90, 3.96, 3.100, vijfde lid, 3.102, 3.103, tweede lid, 3.107, derde lid, 3.118, vierde lid, 4.4, vierde lid, 4.22, vierde lid, 5.1, tweede lid, 5.12, tweede lid, 5.27, eerste lid, van de Energiewet, artikel 5 van de Metrologiewet en de artikelen 4.3, eerste lid, 5.11, eerste lid, en 5.12, derde lid, van Omgevingswet;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 september 2025,
nr. W19.25.00151/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Klimaat en Groene Groei van 28 oktober
2025, nr. WJZ / 100821074;
Hebben goedgevonden en verstaan: