Per 1 januari 2026 is een groot aantal regelingen gewijzigd. Mogelijk zijn deze wijzigingen nog niet doorgevoerd in de geconsolideerde tekst en ziet u nog een oude versie. Raadpleeg bij twijfel de bekendmaking.

Tijdelijke regeling realisatiestimulans

[Regeling vervalt per 01-01-2031.]
Geraadpleegd op 09-01-2026.
Geldend van 01-01-2026 t/m heden.

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 4 november 2025 nr. 2025-0000035295, houdende regels met betrekking tot het verstrekken van een specifieke uitkering ten behoeve van de stimulering van de bouw van betaalbare woningen (Tijdelijke regeling realisatiestimulans)

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

  • betaalbare woning:

  • college: college van burgemeester en wethouders.

  • NPLV-gebied: elk van de gebieden opgesomd in bijlage 1 en 2 bij deze regeling.

  • Minister: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.

    start van de bouwwerkzaamheden:

    • a. bij nieuwbouw en flexwoningen: Het begin van bouwactiviteiten van een toegestaan bouwwerk waarover het bevoegd gezag is geïnformeerd of waarvan de feitelijke bouw is aangevangen door minimaal de aanleg van de fundering (waartoe niet het bouwrijp maken van een terrein wordt gerekend). Als start van bouwwerkzaamheden geldt:

      • I. het ontgraven van de grond ten behoeve van de funderingswerkzaamheden van het bouwwerk; óf

      • II. indien de funderingswerkzaamheden (met name heiwerk) plaatsvinden vóór het ontgraven van de grond, dan de start van het heiwerk ten behoeve van het bouwwerk; of

      • III. het boren c.q. slaan van een zich onder het perceel van het onderhavige bouwwerk bevindende bron ten behoeve van (bijvoorbeeld) een Warmte- en Koudeopslaginstallatie; en

      als start van bouwwerkzaamheden geldt niet:

      • i. het plaatsen van één of meerdere bouwketen;

      • ii. het plaatsen van containers ten behoeve van opslag van materialen;

      • iii. het inrichten en/of omheinen en/of uitzetten van het bouwterrein;

      • iv. het slaan van de ‘officiële’ eerste heipaal, tenzij deze paal echt als eerste wordt geslagen;

      • v. het slaan van een eventueel noodzakelijke damwand;

      • vi. het slopen van eventueel nog bestaande opstallen;

      • vii. het ontgraven van de grond ten behoeve van bijvoorbeeld saneringswerkzaamheden of de grondwaterhuishouding;

      • viii. het bouwrijp maken van het terrein.

    • b. bij verbouw: toegestane verbouwactiviteiten van een ter plaatse toegestaan bestaand bouwwerk, waarbij sprake is van minimaal constructieve maatregelen aan het bestaande bouwwerk en/of de toevoeging van vierkante meters ruimten met woonfunctie, waaronder in ieder geval transformatie, splitsen en optoppen. Als ‘aanvang verbouw gebouw’ geldt:

      • i. het toevoegen/aanpassen van een nieuwe draagstructuur;

      • ii. het aanleggen/aanpassen van een additionele nutsvoorziening;

      • iii. het toevoegen van ontsluitingsroutes in het gebouw;

      • iv. bij optoppen betreft het startmoment het plaatsen van een woning op het dak of het aanbrengen van constructieve voorzieningen;

      • v. bij transformatie betreft het startmoment de eerste bouwkundige verbouwhandeling die voortkomt uit de onderliggende omgevingsvergunning; of

      • vi. bij splitsen betreft het startmoment het realiseren van gescheiden toegangen tot de woningen, het plaatsen van woningscheidende wanden of het realiseren van fysiek gescheiden nutsvoorzieningen.

  • woning: een zelfstandige woonruimte, een gebouw bestaande uit onzelfstandige woonruimten, of een woonwagen.

Hoofdstuk 2. Realisatiestimulans per betaalbare woning

Artikel 2.1. Specifieke uitkering per betaalbare woning

  • 1 De minister verstrekt een specifieke uitkering aan een gemeente op basis van het aantal door nieuwbouw of verbouw te realiseren betaalbare woningen indien er sprake is van de start van bouwwerkzaamheden ten behoeve van deze woningen.

  • 2 De minister verstrekt uitsluitend een uitkering aan een gemeente op basis van het aantal woningen waarvan de start van de bouwwerkzaamheden heeft plaatsgevonden tussen 1 januari 2025 en 31 december 2029.

Artikel 2.2. Hoogte van de uitkering per betaalbare woning

  • 1 De hoogte van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, bedraagt per betaalbare woning € 7.000,– exclusief btw.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de minister de hoogte van de specifieke uitkeringen in een jaar aanpassen op basis van een verdeling naar rato op basis van het aantal betaalbare woningen bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, per gemeente van het beschikbare uitkeringsplafond als dat onvoldoende is om alle in aanmerking komende gevallen volledig te honoreren.

  • 3 In afwijking van het eerste lid kan de hoogte van de specifieke uitkering per betaalbare woning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, per gemeente met maximaal 33 procent verlaagd worden indien de gemeentelijke woningbouwprogrammering van die gemeente leidt tot een evidente overschrijding van de nationale of regionale betaalbaarheidsdoelstellingen met betrekking tot woningbouwprogrammering.

Artikel 2.3. Uitkeringsplafond

In totaal is ten hoogste € 1.486.000.000 beschikbaar voor specifieke uitkeringen op basis van artikel 2.1.

Artikel 2.4. Wijze van betaling en het besluit tot verstrekking

  • 1 Het college zendt jaarlijks aan de minister informatie over de start van bouwwerkzaamheden ten behoeve van het aantal betaalbare woningen als bedoeld in artikel 2.1, in het voorafgaande jaar in de gemeente.

  • 2 Op basis van de informatie, bedoeld in het eerste lid, stelt de minister de specifieke uitkeringen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, per gemeente vast.

  • 3 De minister stelt het besluit, bedoeld in het tweede lid, uiterlijk vast op 31 december van het jaar na het jaar waarin de start van de bouwwerkzaamheden van de betreffende betaalbare woningen per gemeente hebben plaatsgevonden.

  • 4 Het besluit, bedoeld in het tweede lid, vermeldt in elk geval:

    • a. het totale bedrag van de specifieke uitkering; en

    • b. het moment van uitbetaling van de specifieke uitkering.

  • 5 Indien het college constateert dat ten opzichte van de door haar verstrekte informatie bedoeld in het eerste lid, over een kalenderjaar meer of minder betaalbare woningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, moeten worden opgegeven, kan het dit in de informatieverstrekking in het daaropvolgende jaar aangeven en kan dit worden verrekend door de minister.

Hoofdstuk 3. Opslagen

§ 3.1. Openbare ruimte en collectieve maatschappelijke voorzieningen NPLV-gebieden

Artikel 3.1. Specifieke uitkering voor maatregelen openbare ruimte en collectieve maatschappelijke voorzieningen NPLV

  • 1 De minister verstrekt een specifieke uitkering aan een gemeente voor de financiering van activiteiten ter verbetering van bovenplanse openbare ruimte en collectieve maatschappelijke voorzieningen in een NPLV-gebied welke plaatsvinden tussen 1 januari 2025 en 31 december 2029.

  • 2 De activiteiten bedoeld in het eerste lid zijn in ieder geval activiteiten gericht op:

    • a. de inrichting van de openbare ruimte die een samenhang heeft met de woningbouw;

    • b. het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid van de leefomgeving in het NPLV-gebied; of

    • c. het realiseren of herstructureren van collectieve maatschappelijke voorzieningen om de leefbaarheid van het NPLV-gebied te bevorderen en de veiligheid te vergroten en die een samenhang hebben met de woningbouw in het NPLV-gebied.

  • 3 De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor btw die is verschuldigd over kosten voor zover het bedrag van de btw in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds.

Artikel 3.2. Hoogte van de specifieke uitkering

  • 1 De reservering van het bedrag voor de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, is per gemeente inclusief btw vastgesteld en opgenomen in bijlage 1.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de hoogte van de specifieke uitkeringen in dat jaar aangepast worden op basis van een verdeling naar rato van het beschikbare uitkeringsplafond op basis van de gemaakte kosten aan activiteiten als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, als het uitkeringsplafond onvoldoende is om alle in aanmerking komende gevallen volledig te honoreren.

Artikel 3.3. Uitkeringsplafond

In totaal is ten hoogste € 180.000.000 beschikbaar voor specifieke uitkeringen op basis van artikel 3.1.

Artikel 3.4. Wijze van betaling en besluit tot uitkering

  • 1 Het college zendt in het jaar volgend op het begrotingsjaar aan de minister informatie over de activiteiten als genoemd in artikel 3.1, eerste lid.

  • 2 Op basis van de informatie, bedoeld in het eerste lid, stelt de minister de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, per gemeente vast.

  • 3 De minister stelt het besluit over de toekenning van specifieke uitkeringen uiterlijk vast op 31 december in het jaar na het jaar waarin de kosten zijn gemaakt ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid per gemeente hebben plaatsgevonden.

  • 4 Indien het college constateert dat ten opzichte van de door haar verstrekte informatie bedoeld in het eerste lid, over een kalenderjaar meer of minder is uitgegeven aan de activiteiten als genoemd in artikel 3.1, eerste lid, kan het dit in de informatieverstrekking in het daaropvolgende jaar aangeven en kan dit worden verrekend door de minister.

§ 3.2. Ambtelijke capaciteit voor woningbouw in NPLV-gebieden

Artikel 3.5. Specifieke uitkering capaciteitsondersteuning woningbouw in NPLV-gebieden

  • 1 De minister verstrekt een specifieke uitkering aan een gemeente voor de financiering van capaciteitsondersteuning voor de uitvoering van de woningbouwopgave in een NPLV-gebied welke plaatsvinden tussen 1 januari 2025 en 31 december 2029.

  • 2 Dit betreft in ieder geval de capaciteitsondersteuning die noodzakelijk is voor de uitvoering van de in artikel 3.1, eerste lid, genoemde activiteiten.

  • 3 De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor btw die is verschuldigd over kosten voor zover het bedrag van de btw in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds.

Artikel 3.6. Hoogte van de specifieke uitkering

  • 1 De reservering van het bedrag voor de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, is per gemeente inclusief btw vastgesteld en opgenomen in bijlage 2.

  • 2 In afwijking van het eerste lid kan de hoogte van de specifieke uitkeringen in dat jaar aangepast worden op basis van een verdeling naar rato van het beschikbare uitkeringsplafond op basis van de gemaakte kosten aan capaciteitsondersteuning als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, als het uitkeringsplafond onvoldoende is om alle in aanmerking komende gevallen volledig te honoreren.

Artikel 3.7. Uitkeringsplafond

In totaal is ten hoogste € 50.000.000 beschikbaar voor specifieke uitkeringen op basis van artikel 3.5.

Artikel 3.8. Wijze van betaling en besluit tot uitkering

  • 1 Het college zendt in het jaar volgend op het begrotingsjaar aan de minister informatie over de capaciteitsondersteuning bedoeld in artikel 3.5, eerste lid.

  • 2 Op basis van de informatie, bedoeld in het eerste lid, stelt de minister de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, per gemeente vast.

  • 3 De minister stelt het besluit over de toekenning van specifieke uitkeringen uiterlijk vast op 31 december in het jaar na het jaar waarin de kosten zijn gemaakt voor de capaciteitsondersteuning bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, per gemeente.

  • 4 Indien het college constateert dat ten opzichte van de door haar verstrekte informatie bedoeld in het eerste lid, over een kalenderjaar meer of minder is uitgegeven aan capaciteitsondersteuning als genoemd in artikel 3.5, eerste lid, kan het dit in de informatieverstrekking in het daaropvolgende jaar aangeven en kan dit worden verrekend door de minister.

Hoofdstuk 4. Overige en slotbepalingen

Artikel 4.1. Informatievoorziening na toekenning

  • 1 Het college informeert de minister op verzoek over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering aan de gemeente is verstrekt.

  • 2 Het college verleent op verzoek van de minister medewerking en verstrekt informatie ten behoeve van de voortgang en evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van deze regeling.

Artikel 4.2. Verantwoording en terugvordering

  • 2 Als blijkt dat de uitkering onrechtmatig is verleend, niet volledig is besteed aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel of het onrechtmatig verleende deel door Onze Minister worden teruggevorderd.

Artikel 4.3. Evaluatiebepaling

De minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze regeling aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.

Artikel 4.4. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026 en vervalt met ingang van vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

M.C.G. Keijzer

Bijlage 1. bij artikel 3.1., eerste lid, van de Tijdelijke regeling realisatiestimulans

NPLV-gebied

Totaal gereserveerd budget Bovenplanse openbare ruimte en collectieve maatschappelijke voorzieningen, incl. btw

Amsterdam Nieuw-West

€ 19.035.000

Amsterdam Zuidoost

€ 19.735.000

Arnhem Oost

€ 14.223.908

Breda Noord

€ 12.095.234

Delft West

€ 11.311.000

Den Haag Zuidwest

€ 23.739.086

Dordrecht West

€ 5.491.586

Groningen Noord

€ 12.071.044

Heerlen Noord

€ 10.000.000

Leeuwarden Oost

€ 7.200.000

Nieuwegein Centrale As

€ 3.034.000

Roosendaal Ring

€ 6.045.000

Rotterdam Zuid

€ 13.300.000

Schiedam Nieuwland-Oost

€ 9.239.000

Tilburg Noordwest

€ 13.179.200

Utrecht Overvecht

€ 7.403.000

Vlaardingen Westwijk

€ 7.323.111

Zaandam Oost

€ 10.000.000

Bijlage 2. bij artikel 3.5., eerste lid, van de Tijdelijke regeling realisatiestimulans

NPLV-gebied

Totaal gereserveerd budget Tijdelijke capaciteitsondersteuning, incl. btw

Amsterdam Nieuw-West

€ 3.750.000

Amsterdam Zuidoost

€ 4.500.000

Arnhem Oost

€ 250.000

Breda Noord

€ 5.000.000

Delft West

€ 1.500.000

Den Haag Zuidwest

€ 4.500.000

Dordrecht West

€ 3.800.000

Groningen Noord

€ 1.500.000

Heerlen Noord

€ 4.300.000

Leeuwarden Oost

€ 0

Nieuwegein Centrale As

€ 1.935.000

Roosendaal Ring

€ 2.500.000

Rotterdam Zuid

€ 8.000.000

Schiedam Nieuwland-Oost

€ 2.605.000

Tilburg Noordwest

€ 4.743.000

Utrecht Overvecht

€ 1.350.000

Vlaardingen Westwijk

€ 2.400.000

Zaandam Oost

€ 7.050.000