Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 28 april 2025,
nr. IenW/BSK-2025/87465, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 4aud, eerste, tweede en vijfde lid, 4aue, eerste en derde lid,
37, derde lid, 40, tweede lid, 48, zesde lid, 50, eerste lid, onder b, tweede en vierde
lid, 51a, eerste en tweede lid, 52b, 70b, eerste en derde lid, 70n, eerste lid, 73,
tweede lid, onder b, 81, eerste lid, 99, derde lid, 159, onder b, 169a, tweede lid,
en artikel 174d, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 26, vierde lid,
van de Archiefwet en artikel 38 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 juni 2025, nr. W17.25.00103/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 6 oktober
2025, nr. IenW/BSK-2025/249805, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan: