Per 1 januari 2026 is een groot aantal regelingen gewijzigd. Mogelijk zijn deze wijzigingen nog niet doorgevoerd in de geconsolideerde tekst en ziet u nog een oude versie. Raadpleeg bij twijfel de bekendmaking.

Besluit kinderopvang BES

Wijziging(en) zonder datum inwerkingtreding aanwezig. Zie het wijzigingenoverzicht.
Geraadpleegd op 09-01-2026.
Geldend van 01-01-2026 t/m heden.

Besluit van 25 september 2025, houdende regels en nadere regels omtrent de kwaliteit, financiering en gegevensverwerking ten behoeve van kinderopvang in Caribisch Nederland (Besluit kinderopvang BES) [KetenID WGK013827]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 mei 2025, nr. 2025-0000110181, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

Gelet op de artikelen 2.1, derde lid, 2.2, tweede lid, 2.3, derde en vijfde lid, 2.4, vierde lid, 2.6, vierde lid, 2.10a, achtste lid, 2.14, vierde lid, 2.15, vierde lid, 2.17, 2.19, vijfde lid, 3.2, vijfde lid, 3.3, tweede lid, 3.4, derde lid, 3.5, 3.7, tweede lid, 3.11, tweede lid, 3.16, vijfde lid, 4.7, 5.11, tweede lid, van de Wet kinderopvang BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 juli 2025, nr. W12.25.00120/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 september 2025, nr. 2025-0000211455, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begrippen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • basisgroep: vaste groep kinderen in de buitenschoolse opvang;

  • stamgroep: vaste groep kinderen in de dagopvang;

  • stamgroepruimte: binnenspeelruimte waar de stamgroep hoofdzakelijk aanwezig is;

  • wet: Wet kinderopvang BES.

Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen kindercentrum en gastouderopvang

Paragraaf 2.1. Algemene bepalingen

Artikel 2.1. Uitzonderingen op de acceptatieplicht

Omstandigheden als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van de wet zijn:

  • a. binnen het kindercentrum of de voorziening voor gastouderopvang is geen plek om het kind te plaatsen;

  • b. de houder of gastouder:

    • 1°. kan niet de ondersteuning bieden die het kind nodig heeft; en

    • 2°. als gevolg daarvan kan voor dat kind of andere kinderen binnen het kindercentrum of de voorziening voor gastouderopvang geen verantwoorde kinderopvang worden geboden;

  • c. de houder of gastouder vraagt geen kinderopvangvergoeding aan voor het kind en ontvangt geen kinderopvangvergoeding voor andere kinderen binnen het kindercentrum of de voorziening voor gastouderopvang; of

  • d. de houder of gastouder verwacht redelijkerwijs dat de ouder de ouderbijdrage niet zal voldoen en uiterlijk zes maanden voor de beoogde ingangsdatum van de nieuwe kinderopvangovereenkomst is de kinderopvangvergoeding beëindigd op grond van artikel 3.3, derde lid, onderdeel c, van de wet in het kader van een voorgaande kinderopvangovereenkomst tussen de houder of gastouder en de ouder.

Artikel 2.2. Verantwoorde kinderopvang

In het kader van het bieden van verantwoorde kinderopvang draagt de houder of gastouder ervoor zorg dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden:

  • a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen;

  • b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving;

  • c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden;

  • d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij; en

  • e. de speelleeromgeving taalrijk is en gekenmerkt wordt door positieve en hoogwaardige interacties met en tussen kinderen.

Artikel 2.3. Deskundige bij strafbare feiten in de kinderopvang

[Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht.]

Dit onderdeel is (nog) niet in werking getreden; zie het wijzigingenoverzicht.

Paragraaf 2.2. Veiligheids- en gezondheidsbeleid bij een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang

Artikel 2.4. Veiligheids- en gezondheidsbeleid

  • 1 De houder of gastouder stelt voor elk kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang een veiligheids- en gezondheidsbeleid vast als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de wet.

  • 2 De houder of gastouder draagt er zorg voor dat er bij de kinderopvang conform het veiligheids- en gezondheidsbeleid wordt gehandeld.

Artikel 2.5. Inhoud van het veiligheids- en gezondheidsbeleid bij een kindercentrum

  • 1 Het veiligheids- en gezondheidsbeleid bij een kindercentrum bevat:

    • a. een concrete beschrijving van de wijze waarop de houder samen met de beroepskrachten ervoor zorgdraagt dat het veiligheids- en gezondheidsbeleid een continu proces is van het vormen van beleid, implementeren, evalueren en actualiseren;

    • b. een concrete beschrijving van de risico’s die de opvang van kinderen bij het desbetreffende kindercentrum met zich brengt, waarbij wordt ingegaan op:

      • 1°. de voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de veiligheid of gezondheid van kinderen; en

      • 2°. het risico op grensoverschrijdend gedrag door beroepskrachten, beroepskrachten in opleiding, stagiairs, vrijwilligers, overige aanwezige volwassenen en kinderen;

    • c. een actueel en concreet omschreven plan van aanpak over de maatregelen om de risico’s, bedoeld in onderdeel b, in te perken, waaronder de termijn waarbinnen maatregelen worden genomen, en de handelwijze indien deze risico’s zich verwezenlijken, onverminderd de werkwijze, bedoeld in de artikelen 2.11 en 2.12 van de wet;

    • d. een beschrijving in algemene zin van de wijze waarop kinderen wordt geleerd om te gaan met risico’s waarvan de gevolgen voor de veiligheid en gezondheid van kinderen beperkt zijn en welke derhalve geen risico’s vormen als bedoeld in onderdeel b;

    • e. een concrete beschrijving van de wijze waarop de houder ervoor zorgdraagt dat het actuele veiligheids- en gezondheidsbeleid en de evaluaties daarvan inzichtelijk zijn voor de beroepskrachten, beroepskrachten in opleiding, stagiairs, vrijwilligers en ouders; en

    • f. een concrete beschrijving van de wijze waarop achterwacht is geregeld, indien op grond van artikel 2.13, zevende of achtste lid, slechts een beroepskracht in het centrum aanwezig is.

  • 2 In het plan van aanpak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, beschrijft de houder hoe deze de dagopvang zodanig organiseert dat een beroepskracht, beroepskracht in opleiding of stagiair de werkzaamheden uitsluitend kan verrichten terwijl deze gezien of gehoord kan worden door een andere volwassene.

Artikel 2.6. Inhoud van het veiligheids- en gezondheidsbeleid bij een voorziening voor gastouderopvang

Het veiligheids- en gezondheidsbeleid bij een voorziening voor gastouderopvang bevat een concrete beschrijving van:

  • a. de risico’s die de opvang van kinderen bij de desbetreffende voorziening voor gastouderopvang met zich brengt, waarbij wordt ingegaan op de voornaamste risico’s met grote gevolgen voor de veiligheid of gezondheid van kinderen;

  • b. de maatregelen om de risico’s, bedoeld in onderdeel a, in te perken waaronder de termijn waarbinnen maatregelen worden genomen, en de handelwijze indien deze risico’s zich verwezenlijken, onverminderd de werkwijze, bedoeld in artikel 2.13 van de wet; en

  • c. de wijze waarop achterwacht als bedoeld in artikel 2.18 is geregeld.

Paragraaf 2.3. Opleidings-, scholings- en ervaringseisen

Artikel 2.7. Bewijsstukken met betrekking tot opleidings- en ervaringseisen

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden en bewijsstukken worden aangewezen met betrekking tot de opleidings- en ervaringseisen voor beroepskrachten of gastouders.

Artikel 2.8. Opleidings- en ervaringseisen voor beroepskrachten bij een kindercentrum

  • 4 In afwijking van het eerste, tweede en derde lid is het toegestaan dat een beroepskracht niet beschikt over een opleiding tot pedagogisch medewerker of een opleiding met een pedagogische component op ten minste het niveau, bedoeld in die leden, als die beroepskracht:

    • a. geboren is voor of in het jaar 1975;

    • b. reeds voor 1 januari 2026 werkzaam was in de kinderopvang op Bonaire, Sint Eustatius of Saba; en

    • c. ten minste vijftien jaren ervaring heeft in de kinderopvang.

Artikel 2.9. Aanwezigheid van een beroepskracht met middenkaderopleiding bij een kindercentrum

Gedurende ten minste de helft van de dagdelen per week waarin op een locatie van een kindercentrum kinderopvang plaatsvindt, zet de houder daar een beroepskracht in die beschikt over een opleiding tot pedagogisch medewerker of een opleiding met een pedagogische component, op ten minste het niveau, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel d, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel d, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES.

Artikel 2.10. Opleidingseisen voor gastouders

Een gastouder beschikt over een opleiding tot pedagogisch medewerker of een opleiding met een pedagogische component, op ten minste het niveau:

Artikel 2.11. Scholingseisen eerste hulp

  • 1 De houder of gastouder draagt er zorg voor dat er gedurende de kinderopvang te allen tijde ten minste één volwassene aanwezig is die gekwalificeerd is voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de kwalificatie, bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 2.4. Stabiliteit van de opvang, groepsgrootte en inzet pedagogisch medewerkers

Artikel 2.12. Stabiliteit van de kinderopvang in een kindercentrum

  • 1 In een kindercentrum vindt de kinderopvang plaats in stamgroepen of basisgroepen.

  • 2 Een kind wordt opgevangen in één stamgroep of basisgroep.

  • 3 De grootte van de stamgroep of basisgroep wordt afgestemd op de leeftijd van de kinderen daarin, waarbij naarmate de kinderen daarin ouder zijn, deze uit meer kinderen mag bestaan.

  • 4 Onverminderd het derde lid, volgt de maximale grootte van:

    • a. stamgroepen uit bijlage 1 bij dit besluit; en

    • b. basisgroepen uit bijlage 2 bij dit besluit.

  • 5 De houder deelt de ouders en het kind mee tot welke stamgroep het kind behoort en welke beroepskracht dan wel beroepskrachten op welke dag aan de desbetreffende stamgroep zijn toegewezen.

  • 6 Binnen een stamgroep of basisgroep wordt zo veel mogelijk gewerkt met vaste beroepskrachten.

  • 7 In de dagopvang wordt een kind gedurende de week in ten hoogste twee verschillende stamgroepruimtes opgevangen.

  • 8 Indien kinderen bij activiteiten als bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel b:

    • a. de stamgroep of basisgroep verlaten, zijn het eerste, tweede en vierde lid niet van toepassing;

    • b. de stamgroepruimte verlaten, is het zevende lid niet van toepassing.

  • 9 Indien een stamgroep wordt gecombineerd met een basisgroep volgt de maximale grootte van de gecombineerde groep uit bijlage 3 bij dit besluit.

Artikel 2.13. Aantal beroepskrachten in een kindercentrum en beroepskracht-kindratio

  • 1 Het aantal in te zetten beroepskrachten op een stamgroep of basisgroep wordt afgestemd op het aantal daarin aanwezige kinderen, waarbij naarmate de kinderen ouder zijn, minder beroepskrachten hoeven te worden ingezet.

  • 2 Onverminderd het eerste lid volgt de verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen:

    • a. voor stamgroepen uit bijlage 1 bij dit besluit;

    • b. voor basisgroepen uit bijlage 2 bij dit besluit; en

    • c. voor gecombineerde groepen uit bijlage 3 bij dit besluit.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kunnen voor ten hoogste drie uren per dag minder beroepskrachten worden ingezet, indien:

    • a. per dag ten minste tien aaneengesloten uren opvang wordt geboden;

    • b. de kaders, bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel a, in acht worden genomen;

    • c. gedurende die tijd ten minste de helft van het aantal beroepskrachten, vereist op grond van het tweede lid, wordt ingezet; en

    • d. indien het buitenschoolse opvang betreft, dit gebeurt op vrije dagen van de basisschool of tijdens de schoolvakanties.

  • 4 In afwijking van het tweede lid kunnen bij buitenschoolse opvang voor en na de dagelijkse schooltijd en gedurende vrije middagen van de basisschool voor ten hoogste een half uur per dag minder beroepskrachten worden ingezet, indien gedurende die tijd ten minste de helft van het aantal beroepskrachten, vereist op grond van het tweede lid, wordt ingezet.

  • 5 Indien kinderen bij een activiteit als bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, onderdeel b, de stamgroep of basisgroep verlaten, leidt dit niet tot een verlaging van het totaal aantal minimaal in te zetten beroepskrachten op of vanuit het kindercentrum ten opzichte van de situatie direct voorafgaand aan de activiteit.

  • 6 In de dagopvang kan de afwijkende inzet, bedoeld in het derde lid, op de dagen van de week verschillen, met dien verstande dat de afwijkende inzet niet per week verschilt.

  • 7 Indien op grond van het tweede lid slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, is tevens een volwassene beschikbaar die telefonisch bereikbaar is en die binnen vijftien minuten in het kindercentrum aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit. De houder informeert de bij het kindercentrum werkzame personen over de naam en het telefoonnummer van deze persoon.

  • 8 Indien op grond van het derde of vierde lid slechts één beroepskracht op het kindercentrum wordt ingezet, is ter ondersteuning van deze beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig.

Artikel 2.14. Overzicht van ingezette beroepskrachten en presentielijsten

De houder toont aan, door middel van een overzicht van de ingezette beroepskrachten en presentielijsten van kinderen, inclusief een indicatie van aankomst- en vertrektijden:

Artikel 2.15. Teamkwalificatie

  • 1 Het totaal minimum aantal in te zetten beroepskrachten op de locatie waar de houder een kindercentrum exploiteert, dat wordt gevormd door de optelsom van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op de afzonderlijke stamgroepen of basisgroepen binnen die locatie, bestaat gedurende de opvang:

  • 2 Bij de inzet van beroepskrachten als bedoeld in artikel 2.8, derde lid:

    • a. draagt de houder zorg voor begeleiding; en

    • b. houdt de houder rekening met de ervaring en expertise waarover zij op dat moment beschikken.

  • 3 Bij de inzet van beroepskrachten in opleiding of stagiairs:

    • a. wordt te allen tijde binnen de betreffende stamgroep, basisgroep of gecombineerde stamgroep en basisgroep ook ten minste een beroepskracht ingezet als bedoeld in artikel 2.8;

    • b. draagt de houder zorg voor begeleiding; en

    • c. houdt de houder rekening met de opleidingsfase waarin zij zich op dat moment bevinden.

Artikel 2.16. Mentor

  • 1 Aan ieder kind wordt een mentor toegewezen.

  • 2 De mentor is een beroepskracht op de stamgroep of basisgroep van het kind.

  • 3 De mentor:

    • a. bespreekt de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders; en

    • b. is aanspreekpunt voor de ouders bij vragen over de ontwikkeling en het welbevinden van het kind.

Artikel 2.17. Groepsgrootte bij een voorziening voor gastouderopvang

Bij een voorziening voor gastouderopvang worden maximaal:

  • a. zes kinderen in de leeftijd tot 13 jaar gelijktijdig opgevangen, waarbij eigen kinderen tot 10 jaar worden meegerekend;

  • b. vijf kinderen tot vier jaar gelijktijdig opgevangen; en

  • c. vier kinderen tot twee jaar gelijktijdig opgevangen, waarvan maximaal twee kinderen tot één jaar.

Artikel 2.18. Achterwacht bij een voorziening voor gastouderopvang

Gedurende de kinderopvang is een volwassene beschikbaar die telefonisch bereikbaar is en die binnen vijftien minuten in de voorziening voor gastouderopvang aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit.

Paragraaf 2.5. Activiteitenprogramma bij een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang

Artikel 2.19. Activiteitenprogramma

  • 1 Het activiteitenprogramma bij een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang is gevarieerd en bevat activiteiten die:

    • a. de ontspanning van het kind bevorderen; en

    • b. de ontwikkeling van het kind stimuleren.

  • 2 Het activiteitenprogramma past bij de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de kinderen in de stamgroep, basisgroep of groep in de gastouderopvang.

Paragraaf 2.6. Bijzonderheden in de ontwikkeling van een kind

Artikel 2.20. Pedagogische ondersteuning en advies

Tot de taken met betrekking tot pedagogische ondersteuning en advies, bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, van de wet, behoort de houder, de beroepskracht of de gastouder pedagogisch te ondersteunen en te adviseren over het aanbieden van verantwoorde kinderopvang binnen een basisgroep, stamgroep of groep in de gastouderopvang met een kind met mogelijk een bijzonderheid in diens ontwikkeling.

Artikel 2.21. Signaleren van bijzonderheden

Indien de houder of gastouder bijzonderheden signaleert in de ontwikkeling van een kind:

  • a. overleggen de houder en de betrokken beroepskrachten of de gastouder met de verlener van pedagogische ondersteuning en advies als bedoeld in artikel 2.3, vierde lid, van de wet, indien de ouders hiermee hebben ingestemd; en

  • b. legt de houder of gastouder dit vast in het dossier van het kind.

Artikel 2.22. Reflecteren op bijzonderheden in de ontwikkeling van een kind

De houder reflecteert periodiek op de ontwikkeling van het kind met de betrokken beroepskrachten, indien bijzonderheden in de ontwikkeling van een kind zijn gesignaleerd.

Paragraaf 2.7. Pedagogisch en educatief beleid bij een kindercentrum

Artikel 2.23. Pedagogisch en educatief beleid

  • 1 Elk kindercentrum beschikt over een pedagogisch en educatief beleidsplan.

  • 2 De houder draagt er zorg voor dat er bij het aanbieden van kinderopvang conform het pedagogisch en educatief beleidsplan wordt gehandeld.

  • 3 De houder maakt het pedagogisch en educatief beleid schriftelijk bekend aan de ouders die gebruikmaken van kinderopvang in het kindercentrum, met uitzondering van het plan van aanpak, de planning en de periodieke evaluatie van de kwaliteitsdoelen, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel h.

Artikel 2.24. Inhoud van het pedagogisch en educatief beleid

  • 1 Een pedagogisch en educatief beleidsplan in een kindercentrum bevat ten minste een concrete beschrijving van:

    • a. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan verantwoorde kinderopvang als bedoeld in artikel 2.2;

    • b. de wijze waarop bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning;

    • c. de wijze waarop de mentor, bedoeld in artikel 2.16, de verkregen informatie over de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders bespreekt en de wijze waarop aan de ouders en het kind bekend wordt gemaakt welke beroepskracht de mentor is van het kind;

    • d. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen of basisgroepen en de wijze waarop wordt voldaan aan artikel 2.13, tweede lid;

    • e. de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe stamgroep of basisgroep waarin zij zullen worden opgevangen;

    • f. het activiteitenprogramma en het dagritme;

    • g. de voertaal in het kindercentrum;

    • h. de kwaliteitsdoelen die de houder wil behalen en een plan van aanpak, planning en periodieke evaluatie daarvan;

    • i. de verdeling van taken, rollen en verantwoordelijkheden binnen het kindercentrum;

    • j. de wijze waarop de houder samenwerkt met ouders om de ontwikkeling van het kind te stimuleren; en

    • k. indien het dagopvang betreft, de wijze waarop:

      • 1°. ontwikkel- en leerachterstanden worden voorkomen en bestreden;

      • 2°. de ontwikkeling van het kind wordt gevolgd en gestimuleerd en daarbij naar een doorlopende ontwikkellijn met het basisonderwijs wordt gestreefd; en

      • 3°. met instemming van de ouders kennis over de ontwikkeling van het kind wordt overgedragen aan de school bij de overgang van het kind naar het basisonderwijs.

  • 2 Indien van toepassing bevat het pedagogisch en educatief beleidsplan, in aanvulling op het eerste lid, tevens een concrete beschrijving van:

    • a. de kaders waarbinnen met inachtneming van artikel 2.13, derde of vierde lid, verantwoord afgeweken kan worden van de personele inzet, bedoeld in artikel 2.13, tweede lid;

    • b. de aard en de organisatie van de activiteiten waarbij kinderen de stamgroep, stamgroepruimte of basisgroep kunnen verlaten;

    • c. het beleid ten aanzien van flexibele opvang;

    • d. de taken die beroepskrachten in opleiding, beroepskrachten als bedoeld in artikel 2.8, derde lid, stagiairs en vrijwilligers kunnen uitvoeren en de wijze waarop zij hierbij worden begeleid en ingezet;

    • e. indien het dagopvang betreft, de wijze waarop bij toepassing van artikel 2.12, zesde lid, de emotionele veiligheid van en stabiliteit voor de betreffende kinderen wordt geborgd; en

    • f. indien het buitenschoolse opvang betreft, de omgang met de basisgroep bij activiteiten in groepen groter dan dertig kinderen.

Artikel 2.25. Educatief beleid omtrent voorschoolse educatie in de dagopvang

De houder gebruikt voor de voorschoolse educatie in de dagopvang een programma dat:

  • a. de ontwikkeling van kinderen op een gestructureerde, samenhangende en spelende wijze stimuleert;

  • b. gericht is op ten minste de aandachtsgebieden taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen;

  • c. inhoudelijk past bij de Caribische context;

  • d. past bij de ontwikkelfase waarin de kinderen zich bevinden;

  • e. bijdraagt aan de soepele overgang tussen de kinderopvang en het basisonderwijs.

Paragraaf 2.8. Eisen aan ruimtes bij een kindercentrum

Artikel 2.26. Eisen aan ruimtes bij een kindercentrum

  • 1 De binnen- en buitenruimtes waar kinderen verblijven gedurende de tijd dat zij in een kindercentrum worden opgevangen, zijn veilig, toegankelijk en passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.

  • 2 Een kindercentrum beschikt per in het kindercentrum aanwezig kind over ten minste 3 m2 binnenspeelruimte.

  • 3 Een kindercentrum beschikt per in het kindercentrum aanwezig kind over ten minste 3 m2 vaste buitenspeelruimte.

  • 4 De binnenspeelruimte is zodanig geventileerd dat sprake is van een gezond binnenmilieu.

  • 5 Elke stamgroep beschikt over een afzonderlijke vaste stamgroepruimte.

  • 6 Passend voor spelactiviteiten ingerichte binnenruimtes buiten de stamgroepruimte worden naar evenredigheid aan de groepen van het kindercentrum toebedeeld.

  • 7 Een kindercentrum beschikt voor kinderen tot de leeftijd van anderhalf jaar over een op het aantal aanwezige kinderen afgestemde afzonderlijke slaapruimte.

  • 8 De buitenspeelruimte:

    • a. is schaduwrijk; en

    • b. grenst aan het gebouw waarin het kindercentrum is gevestigd.

Artikel 2.27. Gebruik van porches bij een kindercentrum

  • 1 Een porch kan tot maximaal 18 m2 worden meegerekend voor het minimale aantal vierkante meters binnenspeelruimte, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, indien de porch:

    • 1°. direct grenst aan het kindercentrum;

    • 2°. beschikt over een permanente en stevige constructie;

    • 3°. is gebouwd op een vaste ondergrond;

    • 4°. is voorzien van een omheining; en

    • 5°. overdekt is.

  • 2 Porches worden niet ingezet als afzonderlijke stamgroepruimte.

Hoofdstuk 3. Financiering

Artikel 3.1. Structurele kinderopvang

  • 3 Onverminderd het tweede lid wordt onder incidentele afwezigheid in ieder geval niet verstaan: onafgebroken afwezigheid gedurende meer dan drie maanden, buiten de schoolvakanties van scholen voor het basisonderwijs in het openbare lichaam.

Artikel 3.2. Verstrekken van kinderopvangvergoeding per kwartaal

Het op aanvraag verstrekken van kinderopvangvergoeding, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de wet, geschiedt per kwartaal.

Artikel 3.3. Peildatum voor verstrekken kinderopvangvergoeding

De datum, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, van de wet is de laatste dag van het kwartaal waarin de kinderopvang start.

Artikel 3.4. Hoogte van de kinderopvangvergoeding

  • 1 Voor de dagopvang bij een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang bedraagt de kinderopvangvergoeding per dagdeel per kind over de periode:

    • a. tot en met 31 december 2025: USD 23,38 op Bonaire, USD 25,94 op Sint Eustatius en USD 27,58 op Saba;

    • b. van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026: USD 28,10 [Red: per 1 januari 2026: USD 28,99] op Bonaire, USD 31,20 [Red: per 1 januari 2026: USD 32,19] op Sint Eustatius en USD 33,17 [Red: per 1 januari 2026: USD 34,32] op Saba;

    • c. van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2027: USD 30,42 [Red: per 1 januari 2026: USD 31,38] op Bonaire, USD 33,76 [Red: per 1 januari 2026: USD 34,83] op Sint Eustatius en USD 35,90 [Red: per 1 januari 2026: USD 37,04] op Saba;

    • d. van 1 januari 2028 tot en met 31 december 2028: USD 31,83 [Red: per 1 januari 2026: USD 32,84] op Bonaire, USD 35,32 [Red: per 1 januari 2026: USD 36,44] op Sint Eustatius en USD 37,55 [Red: per 1 januari 2026: USD 38,74] op Saba;

    • e. van 1 januari 2029 tot en met 31 december 2029: USD 33,31 [Red: per 1 januari 2026: USD 34,37] op Bonaire, USD 36,98 [Red: per 1 januari 2026: USD 38,15] op Sint Eustatius en USD 39,31 [Red: per 1 januari 2026: USD 40,56] op Saba;

    • f. vanaf 1 januari 2030: USD 34,48 [Red: per 1 januari 2026: USD 35,57] op Bonaire, USD 38,27 [Red: per 1 januari 2026: USD 39,48] op Sint Eustatius en USD 40,69 [Red: per 1 januari 2026: USD 41,98] op Saba.

  • 2 Voor de buitenschoolse opvang bij een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang bedraagt de kinderopvangvergoeding per dagdeel per kind over de periode:

    • a. tot en met 31 december 2025: USD 26,44 op Bonaire, USD 29,35 op Sint Eustatius en USD 31,21 op Saba;

    • b. van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026: USD 26,44 [Red: per 1 januari 2026: USD 27,28] op Bonaire, USD 29,35 [Red: per 1 januari 2026: USD 30,28] op Sint Eustatius en USD 31,21 [Red: per 1 januari 2026: USD 32,20] op Saba;

    • c. van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2027: USD 27,96 [Red: per 1 januari 2026: USD 28,85] op Bonaire, USD 31,04 [Red: per 1 januari 2026: USD 32,02] op Sint Eustatius en USD 32,99 [Red: per 1 januari 2026: USD 34,04] op Saba;

    • d. van 1 januari 2028 tot en met 31 december 2028: USD 29,14 [Red: per 1 januari 2026: USD 30,06] op Bonaire, USD 32,35 [Red: per 1 januari 2026: USD 33,38] op Sint Eustatius en USD 34,39 [Red: per 1 januari 2026: USD 35,48] op Saba;

    • e. van 1 januari 2029 tot en met 31 december 2029: USD 30,40 [Red: per 1 januari 2026: USD 31,36] op Bonaire, USD 33,74 [Red: per 1 januari 2026: USD 34,81] op Sint Eustatius en USD 35,88 [Red: per 1 januari 2026: USD 37,02] op Saba;

    • f. vanaf 1 januari 2030: USD 31,38 [Red: per 1 januari 2026: USD 32,37] op Bonaire, USD 34,84 [Red: per 1 januari 2026: USD 35,94] op Sint Eustatius en USD 37,03 [Red: per 1 januari 2026: USD 38,20] op Saba.

  • 3 De kinderopvangvergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt per dagdeel per kind dat jonger is dan een jaar verhoogd met:

    • a. USD 6,46 [Red: per 1 januari 2026: USD 6,66] op Bonaire;

    • b. USD 7,16 [Red: per 1 januari 2026: USD 7,40] op Sint Eustatius; en

    • c. USD 7,62 [Red: per 1 januari 2026: USD 7,86] op Saba.

  • 4 Indien de bedragen, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, worden gewijzigd, verstrekt Onze Minister de gewijzigde kinderopvangvergoeding met ingang van het kwartaal nadat de wijziging heeft plaatsgevonden.

  • 5 Op de aanspraak op kinderopvangvergoeding die voorafgaat aan de wijziging, bedoeld in het vierde lid, en gedurende het kwartaal waarin die wijziging heeft plaatsgevonden, blijft dit besluit, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan die wijziging, van toepassing.

Artikel 3.5. Wijziging hoogte kinderopvangvergoeding

  • 1 De bedragen, bedoeld in artikel 3.4, eerste, tweede en derde lid, worden jaarlijks aangepast met ingang van 1 januari, overeenkomstig de ontwikkeling van de consumentenprijsindexcijfers voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba van het derde kwartaal van het lopende jaar, vergeleken met het derde kwartaal van het voorafgaande jaar, zoals blijkt uit de bekendmaking door het Centraal Bureau voor de Statistiek.

  • 2 Indien de toepassing van het eerste lid zou leiden tot verlaging van de bedragen, bedoeld in artikel 3.4, eerste, tweede of derde lid:

    • a. worden die bedragen in afwijking van het eerste lid ongewijzigd vastgesteld; en

    • b. wordt de procentuele verlaging die op grond van onderdeel a achterwege is gelaten bij de eerstvolgende toepassing van het eerste lid en voor zover nodig tevens bij de daaropvolgende toepassingen alsnog in aanmerking genomen, telkens met overeenkomstige toepassing van de aanhef en onderdeel a.

  • 3 De overeenkomstig het eerste of tweede lid gewijzigde bedragen:

Artikel 3.6. Voorschot

  • 1 Onze Minister kan op aanvraag van de houder of gastouder een voorschot als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van de wet verstrekken, indien:

    • a. per aanvraag het voorschot niet meer dan een kwartaal betreft; en

    • b. kinderopvangovereenkomsten zijn gesloten voor het aantal dagdelen waarvoor het voorschot wordt verstrekt.

  • 2 Onze Minister kan op aanvraag van de houder of gastouder het verstrekte voorschot verhogen, indien de houder of gastouder na de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, op grond van nieuwe kinderopvangovereenkomsten substantieel meer dagdelen kinderopvang zal verzorgen dan waarop het oorspronkelijke voorschot was gebaseerd.

Artikel 3.7. Hoogte van de ouderbijdrage tot en met 31 december 2026

  • 1 De hoogte van de maandelijkse ouderbijdrage per kind over de periode tot en met 31 december 2026 betreft het bedrag, bedoeld in het tweede lid, naar rato verminderd met het verschil tussen het maximale aantal dagdelen, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, van de wet, voor de betreffende maand en het aantal dagdelen kinderopvang in die maand dat voor dat kind volgt uit de kinderopvangovereenkomst van de ouder met de houder of gastouder.

  • 2 De hoogte van de maandelijkse ouderbijdrage bij het maximale aantal dagdelen per maand, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, van de wet, betreft over de periode tot en met 31 december 2026:

    • a. indien het de dagopvang betreft:

      • 1°. USD 100 op Bonaire;

      • 2°. USD 75 op Saba; en

      • 3°. USD 75 op Sint Eustatius.

    • b. indien het de buitenschoolse opvang betreft:

      • 1°. USD 100 op Bonaire;

      • 2°. USD 40 op Saba; en

      • 3°. USD 40 op Sint Eustatius.

Artikel 3.8. Hoogte van de ouderbijdrage vanaf 1 januari 2027

De hoogte van de ouderbijdrage per dagdeel per kind bedraagt vanaf 1 januari 2027 4,17% van de op dat moment geldende hoogte van de kinderopvangvergoeding, bedoeld in:

Hoofdstuk 4. Gegevensverwerking

Artikel 4.1. Verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van doorstroom naar het basisonderwijs

  • 1 De persoonsgegevens, bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, van de wet, betreffen persoonsgegevens over de ontwikkeling van het kind op de dagopvang omtrent:

    • a. taalvaardigheden;

    • b. rekenvaardigheden;

    • c. motorische vaardigheden; of

    • d. sociaal-emotionele vaardigheden.

  • 2 De school waar basisonderwijs wordt gegeven bewaart de persoonsgegevens, bedoeld in het eerste lid, op een plaats die enkel toegankelijk is voor:

    • a. de ouders van het betreffende kind; of

    • b. personen die de persoonsgegevens nodig hebben voor de uitoefening van onderwijstaken.

Artikel 4.2. Verstrekking van persoonsgegevens van het Europese deel van Nederland naar Bonaire, Sint Eustatius of Saba

  • 2 De persoonsgegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b of d, kunnen betreffen:

    • a. met betrekking tot de houder of gastouder:

      • 1°. naam;

      • 2°. administratie- of ID-nummer;

      • 3°. contactgegevens;

      • 4°. geboortedatum;

      • 5°. opleiding; of

      • 6°. verklaring omtrent het gedrag;

    • b. met betrekking tot de beroepskracht:

      • 1°. verklaring omtrent het gedrag; en

      • 2°. diploma’s en aanvullende bewijsstukken omtrent opleiding, ervaring en scholing;

  • 3 De persoonsgegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kunnen betreffen, met betrekking tot de houder of gastouder:

    • a. naam;

    • b. administratie- of ID-nummer;

    • c. contactgegevens; of

    • d. geboortedatum.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 5.1. Overgangsrecht met betrekking tot de teamkwalificatie bij kindercentra en de binnenspeelruimte bij de buitenschoolse opvang

Tot en met 31 december 2030 geldt in afwijking van:

  • a. artikel 2.15, eerste lid:

    • 1°. onderdeel a, dat het totaal minimum aantal in te zetten beroepskrachten voor minimaal de helft uit beroepskrachten als bedoeld in dat onderdeel bestaat;

    • 2°. onderdeel b, dat het totaal minimum aantal in te zetten beroepskrachten voor maximaal de helft uit beroepskrachten als bedoeld in dat onderdeel bestaat; en

  • b. artikel 2.26, tweede lid, dat de binnenspeelruimte, bedoeld in dat lid, bij buitenschoolse opvang ten minste 2,5 m2 betreft.

Artikel 5.2. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 25 september 2025

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J.N.J. Nobel

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

K.M. Becking

Uitgegeven de achtste oktober 2025

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F. van Oosten

Bijlage 1. als bedoeld in de artikelen 2.12, vierde lid, onderdeel a, en 2.13, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit kinderopvang BES

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een stamgroep wordt bepaald op basis van tabel 1 (op grond van artikel 2.13, tweede lid, onderdeel a, van dit besluit). De tabel wordt toegepast in de volgorde waarin zij onderstaand zijn opgenomen. De maximale grootte van een stamgroep volgt uit tabel 1 (op grond van artikel 2.12, vierde lid, onderdeel a, van dit besluit).

Tabel 1. Berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en de maximale grootte van stamgroepen
 

Leeftijd kinderen

Minimaal aantal beroepskrachten

Maximaal aantal kinderen

Minimaal aantal beroepskrachten

Maximaal aantal kinderen

Horizontale stamgroepen (zelfde leeftijd)

0 tot 1

1

4

2

8

1 tot 2

1

6

2

12

2 tot 4

1

8

2

16

Verticale stamgroepen (gemengde leeftijden)

0 tot 2

1

51

2

102

0 tot 4

1

63

2

124

2 tot 4

1

8

2

16

1 Waarvan maximaal drie kinderen van 0 tot 1 jaar.

2 Waarvan maximaal zes kinderen van 0 tot 1 jaar.

3 Waarvan maximaal drie kinderen van 0 tot 1 jaar.

4 Waarvan maximaal zes kinderen van 0 tot 1 jaar.

Bijlage 2. als bedoeld in de artikelen 2.12, vierde lid, onderdeel b, en 2.13, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit kinderopvang BES

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een basisgroep wordt bepaald op basis van tabel 2 (op grond van artikel 2.13, tweede lid, onderdeel b, van dit besluit). De maximale grootte van een basisgroep volgt uit tabel 2 (op grond van artikel 2.12, vierde lid, onderdeel b, van dit besluit).

Tabel 2. Berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en de maximale grootte van basisgroepen

Leeftijd kinderen

Minimaal aantal beroepskrachten

Maximaal aantal kinderen

Minimaal aantal beroepskrachten

Maximaal aantal kinderen

4 tot 7

1

10

2

20

7 tot leeftijd waarop basisschool eindigt

1

12

2

24

4 tot leeftijd waarop basisschool eindigt

1

111

2

222

1 Waarvan maximaal acht kinderen van 4 tot 7 jaar.

2 Waarvan maximaal tien kinderen van 4 tot 7 jaar.

Bijlage 3. als bedoeld in de artikelen 2.12, negende lid, en 2.13, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit kinderopvang BES

Op het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten in relatie tot het aantal aanwezige kinderen in een combinatiegroep met dagopvang en buitenschoolse opvang is Bijlage 1, Tabel 1, onderdelen «verticale stamgroepen», van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «2 tot 4» gelezen moet worden: «2 tot de leeftijd waarop het basisonderwijs eindigt». Dit is op grond van artikel 2.13, tweede lid, onderdeel c, van dit besluit.

Op de maximale grootte van een combinatiegroep is Bijlage 1, Tabel 1, onderdelen «verticale stamgroepen», van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «2 tot 4» gelezen moet worden: «2 tot de leeftijd waarop het basisonderwijs eindigt». Dit is op grond van artikel 2.12, negende lid, van dit besluit.