Per 1 januari 2026 is een groot aantal regelingen gewijzigd. Mogelijk zijn deze wijzigingen nog niet doorgevoerd in de geconsolideerde tekst en ziet u nog een oude versie. Raadpleeg bij twijfel de bekendmaking.

Beleidsregel tariefopbouw prestaties in de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg

Geraadpleegd op 09-01-2026.
Geldend van 01-01-2026 t/m heden.

Beleidsregel tariefopbouw prestaties in de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg

Gelet op artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdelen b, c en e, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), juncto artikel 2 van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wet marktordening gezondheidszorg (Bub Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven en prestatiebeschrijvingen vast te stellen en met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in artikel 56a van de Wmg.

Gelet op artikel 52, aanhef en onderdeel e, van de Wmg, worden tarieven die uit de voorliggende beleidsregel voortvloeien ambtshalve vastgesteld door de NZa.

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • Acute psychiatrische hulpverlening: hulpverlening die deel uitmaakt van de geneeskundige ggz en welke gericht is op personen in een crisissituatie waarvan het vermoeden bestaat dat zij een acute psychiatrische stoornis hebben. De zorg wordt geleverd conform de generieke module acute psychiatrie;

  • Beschikbaarheidbijdrage mvo ggz (bb mvo ggz): de beschikbaarheidbijdrage medische vervolgopleidingen ggz

  • Consult: direct, ononderbroken en zorginhoudelijk contact tussen zorgaanbieder en (forensische) patiënt of naasten van de patiënt;

  • Directe kosten: kosten die direct toewijsbaar zijn aan prestaties;

  • Forensische zorg: zorg als omschreven bij of krachtens artikel 1.1, tweede lid, van de Wet forensische zorg;

  • Fte: de fulltime-equivalent is de rekeneenheid om aan te duiden welk deel van een fulltime omvang het betreft;

  • Geneeskundige ggz: geneeskundige geestelijke gezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet;

  • Indirecte kosten: alle niet-directe kosten;

  • Instelling: een zorgaanbieder die als instelling is aangemerkt in bijlage C bij het Landelijk Kwaliteitsstatuut;

  • Kostprijs: de aan elke afzonderlijke prestatie toegerekende kosten;

  • Kostprijsmodel: model dat begrippen, definities, rekenregels, verdeelsleutels en praktische aanwijzingen bevat die een beschrijving vormen van de wijze waarop kostprijzen berekend worden;

  • Kostprijsonderzoek: het proces om te komen tot kostprijzen voor ggz-Zvw, ggz-fz, de ggz-Wlz-prestaties voor zover het gaat om verblijf met behandeling en vergoedingsbedragen in het kader van de bb mvo ggz;

  • Nhc: de normatieve huisvestingscomponent (nhc) is een productie gebonden normatieve vergoeding voor (vervangende) (nieuw)bouw en instandhouding.

  • Nic: de normatieve inventariscomponent (nic) is een productie gebonden normatieve vergoeding voor investeringen in inventaris.

  • NZa: Nederlandse Zorgautoriteit, als genoemd in artikel 3 van de Wmg;

  • Prestatie: Een zorgproduct gedefinieerd door de NZa, zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel j van de Wmg;

  • Productie: de aantallen van alle prestaties in het kader van het zorgprestatiemodel, de verblijfsprestaties Wlz met behandeling en de vergoedingen in het kader van ggz-opleidingen, die voldoen aan alle eisen daaraan gesteld, geleverd in het uitvraagjaar; voor zover het ZPM of Wlz-prestaties betreft onafhankelijk óf en door wie die prestaties betaald worden een en ander zoals bekend op het moment van de uitvraag;

  • Setting: het onderscheid tussen vormen van zorg binnen het Zorgprestatiemodel op basis van benodigde infrastructuur en inzet van verschillende disciplines;

  • Tarief: prijs voor een prestatie, een deel van een prestatie of geheel van prestaties van een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1 sub k van de Wmg.;

  • Verblijfsdag: dag en daaropvolgende nacht dat een patiënt gedurende een periode van klinische opname in een instelling verblijft. De eerste verblijfsdag is de dag dat de patiënt voor 20:00u is opgenomen;

  • vrijgevestigde: een zorgaanbieder die als vrijgevestigde is aangemerkt in bijlage C bij het Landelijk Kwaliteitsstatuut;

  • Wfz: Wet forensische zorg;

  • Wlz: Wet langdurige zorg;

  • Wlz-prestaties: de Wlz-zorgprestaties beschreven in bijlage 1;

  • Wmg: Wet marktordening gezondheidszorg;

  • Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning;

  • Zorg: zorg als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wmg en forensische zorg als omschreven bij of krachtens artikel 1.1, tweede lid, van de Wfz;

  • Zorgaanbieder: Zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1, onderdeel c van de Wmg;

  • Zorgkantoor: een ingevolge artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wlz voor een bepaalde regio aangewezen Wlz-uitvoerder;

  • ZPM: het Zorgprestatiemodel dat met ingang van 1 januari 2022 van kracht is voor de geneeskundige ggz en forensische zorg;

  • Zvw: Zorgverzekeringswet;

Artikel 2. Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheid om tarieven vast te stellen voor de prestaties in de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (ggz) en de forensische zorg (fz).

Artikel 3. Reikwijdte

Deze beleidsregel is van toepassing op geestelijke gezondheidszorg, als omschreven bij of krachtens de Zvw, de forensische zorg als omschreven bij of krachtens de Wfz, op Wlz-ggz verblijf inclusief behandeling (ggz-wonen en ggz-b) als omschreven bij of krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz).

Voor zover geen sprake is van zorg als omschreven in de vorige zin, is deze beleidsregel van toepassing op handelingen1 of werkzaamheden2 op het terrein van geestelijke gezondheidszorg, als omschreven bij of krachtens de Zvw, de forensische zorg als omschreven bij of krachtens de Wfz, verblijf inclusief behandeling (ggz-wonen en ggz-b) als omschreven bij of krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz), uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van personen, ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) of door personen als bedoeld in artikel 34 van de Wet BIG.

Artikel 4. Opbouw van tarieven

  • 4.1 De tarieven voor prestaties in de ggz en fz zijn in beginsel opgebouwd uit de werkelijke kosten voor zorg, zoals gemeten in het kostprijsonderzoek over het jaar 2023. Daar waar werkelijke kosten niet beschikbaar zijn, zoals voor de arbeidskosten van de vrijgevestigde praktijkhouders, passen we normatieve elementen toe,dit wordt verder uitgewerkt in artikel 6 en 7.

    De kostprijzen worden, indien van toepassing, aangevuld met een normatieve toeslag voor huisvesting, inventaris en ondernemingsfinanciering zoals verder uitgewerkt in artikel 9r van deze beleidsregel.

    De groepsconsulten zijn setting onafhankelijk en voor de tariefbepaling worden de kostprijzen gebruikt van de aanbieders die zorg verlenen in setting 2 tot en met 8. Dit geldt ook voor de toeslagen ‘Reistijd tot 25 minuten – ggz’ (TC0009) en ‘Reistijd vanaf 25 minuten – ggz’ (TC0010).

  • 4.2 De tarieven worden jaarlijks aangepast aan het geldende prijspeil op basis van indexatie. Hiervoor worden verschillende prijsindexcijfers gehanteerd, zoals beschreven in artikel 12 van deze beleidsregel.

  • 4.3 Als tarieven van prestaties op een andere wijze zijn opgebouwd dan de hierboven beschreven wijze, dan wordt dit apart toegelicht in deze beleidsregel of in een sectorspecifieke verantwoording bij een nieuwe release van de regelgeving en tarieven.

Artikel 5. Kostprijsonderzoek naar kostprijzen 2023

  • 5.1

De NZa heeft een kostprijsonderzoek uitgevoerd naar de kostprijzen 2023 in de ggz en fz. De manier waarop de NZa dit kostprijs heeft uitgevoerd is vastgelegd in de beleidsregel Kostprijsonderzoek ggz-en fz- instellingen en MVO ggz – BR/REG-24139 en de beleidsregel Kostprijsonderzoek over 2023 ten behoeve van tarieven ggz Setting 1- BR/ REG-24153 en in het verantwoordingsdocument behorende bij dat kostprijsonderzoek.

Artikel 6. Kostprijsberekening Setting 1

  • 6.1

    Overzicht van de prestaties

    In de berekening en toetsing van kostprijzen 2023 onderscheidt de NZa onderstaande groepen prestaties:

    Prestaties zoals opgenomen in de Beleidsregel prestaties en tarieven ggz en fz met kenmerk BR/REG-26134a en opvolgers:

    • consulten

    • toeslagen op de consulten

    • overige prestaties.

    Tenzij anders vermeld baseren we kostprijzen 2023 op de gegevens die blijken uit de uitvraag over het jaar 2023.

    Voor de prestaties Intercollegiaal overleg, kort (OV0007), Intercollegiaal overleg, lang (OV0008) en Niet basispakketzorg consult (OV0012) indexeren we de bestaande tarieven.

  • 6.2

    Berekenen van kostprijzen bij vrijgevestigden3

    Door de uitvraag als bedoeld in artikel 5.1 van deze beleidsregel zijn de gerealiseerde kosten en de geleverde productie 2023 in beeld. De kostprijs 2023 per prestatie wordt in beginsel berekend door de toegerekende totaal kosten 2023 voor een bepaalde prestatie te delen door de productie van die prestatie in 2023.

    • a) In het zorgprestatiemodel zijn er voor de vrijgevestigden tarieven die verschillen tussen de acht beroepscategorieën. In het proces naar die tarieven wordt daarom onderscheid gemaakt tussen die beroepen. Dat geldt ook voor alle tussenstappen genoemd in dit artikel.

    • b) Bij de vrijgevestigden bepaalt de NZa de praktijkkosten, waaronder de huisvestingskosten, op basis van de uitvraag. De praktijkkosten worden naar rato van het aandeel van de FZ en Zvw-opbrengsten in het kader van het zorgprestatiemodel ten opzichte van de totale zorgopbrengsten meegenomen in de kosten. Bepaalde praktijkkosten worden uitgesloten, zie lid c.

    • c) De basis voor de beloning voor de ingezette arbeid voor vrijgevestigde praktijkhouders leidt de NZa af uit een afzonderlijk functiewaarderingsonderzoek uitgevoerd door Berenschot. In de arbeidskosten worden ook de kosten van een pensioenvoorziening, een arbeidsongeschiktheidsvoorziening en vergoeding voor kortdurende ziekten meegenomen. Wanneer er binnen de beroepsgroep een verplichting is voor één of meer van deze verzekeringen, dan neemt de NZa de werkelijke uitgaven als kosten 2023.

      Daar waar er geen verplichte verzekering geldt, wordt een normatieve vergoeding toegevoegd aan de arbeidskosten. De in de uitvraag 2023 aangeleverde praktijkkosten voor niet-verplichte verzekeringen (voor pensioen, arbeidsongeschiktheid en kortdurende ziekte) worden dan uitgesloten. De wijze waarop deze normatieve vergoeding berekend wordt is beschreven in het Verantwoordingsdocument behorende bij het kostprijsonderzoek over 2023. De door Berenschot bepaalde nac is de vergoeding voor een fulltime werkende praktijkhouder.

    • d) Uitgangspunt is dat een praktijkhouder maximaal één fte werkzaam is. Vervolgens wordt bepaald in welke mate iemand fulltime werkt. Voor een praktijkhouder die minder dan fulltime werkt, wordt een evenredig lagere nac gerekend in de kostprijsberekening. Een praktijkhouder wordt als fulltime werkend meegenomen als hij/zij gemiddeld minimaal 36 uur per week werkt en meer dan 46 weken per jaar werkt. Wanneer een praktijkhouder ook andere zorg levert, dan wordt het toegekende nac-bedrag daar ook voor gecorrigeerd.

    • d) De kosten zoals bepaald onder b, c en d vormen de totale kosten 2023 voor de betreffende zorgaanbieder en worden door de NZa vergeleken met de opgegeven productie 2023 om tot kostprijzen 2023 te komen. De samenhang tussen gewerkte uren en normatieve arbeidskosten en andere kosten is zo veel mogelijk in lijn met de methodiek die de NZa gebruikt voor de andere genoemde beroepsbeoefenaren met een eigen praktijk.

    • e) Bij de toerekening van de kosten 2023 naar prestaties 2023 zijn door de NZa in principe de tariefverhoudingen van de herziene tarieven 2023 gebruikt. Het stond de vrijgevestigde vrij om deze verhoudingen in het uitvraagformulier voor dit kostprijsonderzoek te wijzigen. Een vrijgevestigde kon hierbij enkel de verhoudingen aanpassen van de type prestaties die hij/zij daadwerkelijk geleverd heeft in 2023. De NZa heeft hierbij controles ingebouwd en heeft, conform toetsingskader in artikel 8, analyses uitgevoerd op de individuele kostprijzen en uitbijters.

Artikel 7. Kostprijsberekening instellingen

  • 7.1

    Wijze van kostprijsberekening

    Door het kostprijsonderzoek zijn de gerealiseerde kosten en de geleverde productie 2023 in beeld. De kostprijs per prestatie 2023 wordt in beginsel berekend door de toegerekende totaal kosten 2023 voor een bepaalde soort prestatie te delen door de productie 2023 van die prestatie.

    In de beleidsregel Kostprijsonderzoek ggz-en fz-instellingen en MVO ggz met kenmerk BR-REG-24139 en de beleidsregel Kostprijsonderzoek over 2023 ten behoeve van tarieven ggz Setting 1 met kenmerk BR-24153, voor respectievelijk instellingen en vrijgevestigden hebben we beschreven hoe de NZa kostprijzen en vervolgens tarieven berekent vanuit de opgehaalde informatie uit de uitvraag bij zorgaanbieders over het jaar 2023.

  • 7.2

    Berekening van kostprijzen en tarieven die niet gebaseerd zijn op de uitvraag over het jaar 2023

    Voor de volgende prestaties worden de tarieven op een andere wijze bepaald dan op basis van de uitkomsten uit het kostprijsonderzoek als bedoeld in artikel 4.1 van deze beleidsregel.

    • a) Zorgmachtiging Wet verplichte ggz; dit tarief wordt geïndexeerd

    • b) De prestaties binnen acute ggz kennen een vast tarief. Het vaste tarief voor de consulten is gelijk aan het maximumtarief van dezelfde beroepen en tijdsranges voor de setting 'outreachend' en 'diagnostiek'. Het vaste tarief voor reistijd acute ggz is gelijk aan het maximumtarief van de toeslag reistijd ggz. Het vaste tarief voor de verblijfsdagen is gelijk aan het maximumtarief van dezelfde verblijfscategorie (zonder beveiligingsniveau). De tarieven zijn ter dekking van het budget acute ggz. De methodiek waarbij de gedeclareerde tarieven voor acute zorg een voorschot zijn op een eindafrekening, die gebaseerd is op afspraken met verzekeraars, blijft hiermee intact.

    • c) Forensisch psychiatrisch toezicht (fz) dit tarief wordt geïndexeerd

    • d) Overige prestatie Tbs-fz; dit tarief wordt geïndexeerd

    • e) Rijbewijskeuringen; tarief wordt overgenomen van MSZ.

    • f) Electroconvulsietherapie fz regulier; dit tarief wordt geïndexeerd

    • g) Schriftelijke informatieverstrekking (met toestemming patiënt) aan derden; dit tarief wordt geïndexeerd. Aangezien deze prestatie afgeleid is van een MSZ-prestatie is de verhouding materieel/personeel ook gebaseerd op die van de MSZ, en wel 33/67 waardoor de indexatie anders is dan bij de ggz.

    • h) Toeslag psychodiagnostiek; dit tarief wordt geïndexeerd.

    • i) Toeslag Contingency-management; dit tarief wordt niet geïndexeerd.

    • j) Toeslag extreem vlucht- en beheersgevaarlijk; dit tarief wordt geïndexeerd.

    • k) Verblijfsdagen ggz E tot en met G met complexe somatische comorbiditeit deze tarieven worden geïndexeerd.

    • l) Toeslag spravato; het tarief wordt ontleend aan de meest recente apotheekinkoopprijs.

    • m) Vpt; tarieven worden één op één overgenomen uit Wlz, met dien verstande dat bij vpt met dagbesteding hier de nhc-verhoging als gevolg van verduurzaming en brandveiligheid doorgevoerd is.

    • n) ZZP-VG en H152 Begeleiding speciaal 1 NAH; tarieven worden gebaseerd op de kostprijzen uit de Wlz

    • o) ZZP-C inclusief dagbesteding; zijn afgeleid door de procentuele mutatie over te nemen van de ZZP’s met dezelfde zorgzwaarte exclusief dagbesteding

    • p) ZZP-C 6 exclusief dagbesteding; kwam niet voor in de uitvraag en is modelmatig ingepast aan de hand van de wel voorkomende ZZP-C-prestaties

    • q) H811 t/m H813 dagbesteding VG; tarieven worden gebaseerd op de kostprijzen uit de Wlz.

    • r) H328 behandeling; dit tarief wordt geïndexeerd.

    • s) Prestaties met een vrij tarief; hiervoor worden geen tarieven vastgesteld.

Artikel 8. Toetsingskader ten aanzien van kostprijsberekening

Via een toetsingskader is de betrouwbaarheid en representativiteit beoordeeld van de kostprijzen. Dit toetsingskader is voor vrijgevestigden vastgelegd in Beleidsregel Kostprijsonderzoek over 2023 ten behoeve van tarieven ggz Setting 1 met kenmerk BR-REG-24153. Voor de instellingen is dit vastgelegd in beleidsregel Kostprijsonderzoek ggz-en fz-instellingen en MVO ggz met kenmerk BR/REG-24139.

Er zijn prestaties die zowel voorkomen bij instellingen als bij vrijgevestigden daarvan worden de resultaten samengevoegd voor het toetsingskader wordt toegepast.

Artikel 9. Tariefopbouw

  • 9.1

    Tariefopbouw

    Dit artikel beschrijft het beleid dat de NZa hanteert om na toepassing van het toetsingskader van kostprijzen tot tarieven te komen. Ook wordt beschreven hoe tarieven worden vastgesteld voor prestaties waarbij er een andere basis is dan de kosten uitvraag.

  • 9.2

    Uitgangspunten

    De NZa heeft in de ‘Beleidsregel Algemeen kader tariefprincipes’ (BR/REG-21152) en Afronding tarieven- AL/BR-0031, waarin opgenomen welke uitgangspunten de NZa hanteert bij het vaststellen van tarieven. Het beleid voor de tarieven in de Zvw, Wlz en de fz sluit hierop aan.

  • 9.3

    Ondernemingsfinanciering en huisvestingskosten vrijgevestigden

    In de tarieven voor vrijgevestigden wordt een vergoeding opgenomen voor de financiering van materiele vaste activa en werkkapitaal. Deze posten samen worden geacht deels gefinancierd te zijn via eigen vermogen en deels met rentedragende financiering (vreemd vermogen).

    Om rentedragende financiering te kunnen bekostigen worden de werkelijk betaalde rentekosten 2023 als opgehaald uit het onderzoek meegenomen in de kostprijzen 2023.

    Op basis van de uitvraag is bepaald wat de werkelijke omvang is van het eigen vermogen ten opzichte van het totaal vermogen. De verhouding eigen en vreemd vermogen is gemaximeerd op 30%. Voor het aanhouden van eigen vermogen, waarmee bovenstaande posten deels gefinancierd worden, berekenen we een vergoeding tegen een rentepercentage opgebouwd uit de risicovrije premie, de marktrisicopremie en het specifieke risico van de zorgmarkt. Dit onderdeel noemen we ook wel de VGREV, vergoeding gederfd rendement eigen vermogen, en voegen we toe aan de berekende landelijke kostprijzen 2023.

    Als het gaat om huisvestings- en inventariskosten zijn de over 2023 uitgevraagde werkelijke kosten verwerkt in de kostprijzen en dus in de tarieven.

  • 9.4

    Normatieve huisvestingscomponent en normatieve inventariscomponent bij instellingen

    In de tarieven van de instellingen is een normatieve vergoeding opgenomen voor de huisvestingskosten. De wijze waarop deze vergoeding is berekend, voor zover het gaat om verblijfsdagen, is opgenomen in de vigerende ‘Beleidsregel normatieve huisvestingscomponent (nhc) en normatieve inventariscomponent (nic) gespecialiseerde ggz, forensische zorg en langdurige zorg’.

    De kosten van de kapitaallasten bij verblijfsdagen maken integraal onderdeel uit van de verblijfsprestatie. De wijze waarop deze kosten worden bepaald, staat beschreven in de ‘Beleidsregel normatieve huisvestingscomponent (nhc) en normatieve inventariscomponent (nic) gespecialiseerde ggz, forensische zorg en langdurige zorg’ met kenmerk BR/REG-26.126

    Voor verblijfsprestaties met beveiligingsniveau 2, 3 en 4 in de geneeskundige ggz wordt de nhc-component van de forensische zorg overgenomen.

    De kosten van kapitaallasten bij consulten, overige prestaties en toeslagen maken integraal onderdeel uit van deze prestaties. De wijze waarop deze kosten zijn opgebouwd, staat beschreven in de ‘Eindrapportage Kapitaallasten bij behandeling’ van juli 2019. In deze rapportage staat beschreven hoe de huisvestingskosten per activiteit geïndexeerd worden.

    De kosten voor investeringen in de inventaris zijn voor alle prestaties onderdeel van de reguliere kostprijzen.

  • 9.5

    Ondernemingsfinanciering instellingen

    De kosten voor het financieren van de instelling maken onderdeel uit van de tarieven in de ggz en fz: financiering van huisvesting, werkkapitaal, rente inventaris én, en een vergoeding voor de inzet van eigen vermogen dat wordt aangehouden als buffer om calamiteiten op te vangen.

    In de tarieven voor het zorgprestatiemodel wordt een vergoeding berekend voor het gederfd rendement op het eigen vermogen dat wordt aangehouden. Dit is gebaseerd op de werkelijke verhoudingen in de balansen van de in het onderzoek betrokken instellingen en gemaximeerd rekening houdend met weerstandsvermogen, liquide middelen en quick ratio, een en ander zoals beschreven in de Verantwoording tariefopbouw 2026. Het rentepercentage is opgebouwd uit de risicovrije premie, de marktrisicopremie en het specifieke risico van de zorgmarkt.

    De NZa past voor de kosten van het financieren van werkkapitaal een opslag toe op de kostprijzen. Deze opslag is gebaseerd op de euriborrente plus 2%. Voor rente op inventaris wordt volgens bestendig beleid een vaste toeslag gehanteerd van 0,41%.

Artikel 10. Ontwikkelingen na bronjaar 2023

Significante en objectiveerbare ontwikkelingen na het bronjaar 2023 kunnen leiden tot aanpassingen in bovengenoemde uitgangspunten. In de periode 2024 tot en met 2025 was daarvan in de ggz geen sprake, in de Verantwoording tarieven ggz en fz 2026 b-release zijn de overwegingen hierover beschreven.

Voor de fz is er een kwaliteitskader afgesproken. Hieruit volgt dat DJI kwaliteitsgelden ontvangt in 2023, 2024 en 2025 en deze kwaliteitsgelden via de max-max-tarieven uitkeert aan de fz zorgaanbieders. Dit betreffen, voor de toevoeging in 2024 en 2025, objectiveerbare en significante meerkosten met een structureel karakter (ook naar 2026 en verder) die niet gemeten zijn in het peiljaar van het KPO 2023. Voor het deel van deze extra gelden 2024 en 2025 die louter zien op fz-prestaties zal de NZa die gelden toerekenen aan de betreffende fz- prestaties. In het geval er na 2023 nieuwe prestaties ontstaan, wordt in het onderhoudsoverleg besproken hoe daar tarieven voor worden bepaald.

Artikel 11. Wijzigingen in wet- en regelgeving

Zoals beschreven, zijn de werkelijke kosten in 2023 het uitgangspunt en voor de tarieven. Indien ten tijde van de uitvoering van het kostprijsonderzoek veranderingen in wet- en regelgeving en/of verplichte kwaliteitsstandaarden bekend zijn die leiden tot een objectief kwantitatief vast te stellen verandering in de verwachte kosten, verwerkt de NZa deze in de tarieven indien dit naar het oordeel van de NZa tevens significant is.

Artikel 12. Indexering

Kosten en tarieven worden geïndexeerd naar het prijspeil van het jaar waarin de tarieven zullen gelden. Dit vindt plaats op basis van prijsindexcijfers zoals die door VWS met behulp van een aanwijzing worden opgelegd. Het kostprijsonderzoek levert kostprijzen van 2023 op, die vervolgens worden geïndexeerd tot het prijsniveau 2026.

Omdat de definitieve prijsindexcijfers niet vóór het vaststellen van tarieven bekend zijn, worden voorlopige prijsindexcijfers gehanteerd. De definitieve prijsindexcijfers landen in de indexatie van tarieven voor het opvolgende jaar.

Tarief jaar t = Tarief jaar t-1 / (1+voorlopige index t-1) * (1+definitieve index t-1) * (1+voorlopige index jaar t)

Voor de verschillende prestaties wordt dit als volgt uitgewerkt:

  • a) ZPM-prestaties

    Voor de ZPM-prestaties geldt vervolgens dat indexering plaatsvindt op basis van een verhouding tussen het prijsindexcijfer personele kosten en het prijsindexcijfer materiële kosten. De volgende verhouding wordt toepast:

    • 90% index personele kosten en 10% materiele kosten voor Niet-basispakketzorg consult,

    • 67% index personele kosten en 33% materiele kosten voor Schriftelijke informatieverstrekking (met toestemming patiënt) aan derden,

    • 85% index personele kosten en 15% materiële kosten voor de tarieven van consulten, verblijfsdagen, overige prestaties en toeslagen op consulten en verblijfsdagen.

    • 75% index personele kosten en 25% materiële kosten voor tarieven van zzp-c prestaties.

    Als prestaties, of onderdelen van prestaties, zijn afgeleid van andere prestaties of andere sectoren, dan volgt de NZa in beginsel de indexatie van die sector.

  • b) Spravato: hier nemen we jaarlijks de meest recente apotheekinkoopprijs op.

Artikel 13. Intrekken oude beleidsregel(s)

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze beleidsregel worden de volgende Beleidsregels ingetrokken:

  • Beleidsregelkostprijsonderzoek ggz en fz, met kenmerk BR/REG-18163;

  • Beleidsregel tariefopbouw prestaties in de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg, met kenmerk BR/REG-25137;

  • Beleidsregel Kostprijsonderzoek over 2023 ten behoeve van tarieven ggz Setting 1, met kenmerk BR/REG-24153;

  • Beleidsregel Kostprijsonderzoek ggz- en fz-instellingen en MVOggz, met kenmerk BR/REG-24139.

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze beleidsregel wordt de volgende al wel gepubliceerde maar nog niet in werking getreden beleidsregel ingetrokken:

Artikel 14. Toepasselijkheid voorafgaande beleidsregel, inwerkingtreding en bekendmaking en citeertitel

De volgende beleidsregels blijven van toepassing op besluiten en aangelegenheden die hun grondslag vinden in die beleidsregel en die betrekking hebben op de periode waarvoor die beleidsregel gold:

  • Beleidsregelkostprijsonderzoek ggz en fz, met kenmerk BR/REG-18163;

  • Beleidsregel tariefopbouw prestaties in de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg, met kenmerk BR/REG-25137;

  • Beleidsregel Kostprijsonderzoek over 2023 ten behoeve van tarieven ggz Setting 1, met kenmerk BR/REG-24153;

  • Beleidsregel Kostprijsonderzoek ggz- en fz-instellingen en MVO ggz, met kenmerk BR/REG-24139.

Artikel 15. Inwerkingtreding en bekendmaking

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder e, van de Bekendmakingswet, zal deze beleidsregel in de Staatscourant worden geplaatst.

De beleidsregel ligt ter inzage bij de NZa en is te raadplegen op www.nza.nl.

Artikel 16. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel tariefopbouw prestaties in de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg.

  1. Het betreft hier de handelingen bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2°, van de Wmg. ^ [1]
  2. Het betreft hier de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, aanhef en eerste lid, onderdeel c, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wmg. ^ [2]
  3. Op 2 juli 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland vonnis gewezen in kort geding van de LVVP cs (Zaaknummer: C/16/593263 / KG ZA 25-206). In dit vonnis heeft de rechtbank de NZa opgelegd om bij het bepalen van de tarieven voor vrijgevestigde psychologen en psychotherapeuten voor het contractjaar 2026 geen gebruik te maken van een methodiek waarbij de normatieve arbeidscomponent (nac) wordt gemaximeerd op een werkweek van 36 uur en 46 werkweken per jaar. Als gevolg van deze uitspraak geldt voorgaande onderdeel van het nac berekening niet voor de vrijgevestigde gz-psychologen (beroepscategorie B06), de klinisch (neuro)psychologen (beroepscategorie B03) en de psychotherapeuten (beroepscategorie B07). Dit onderdeel van de beleidsregel is om die reden niet van toepassing op de vrijgevestigde gz-psychologen (beroepscategorie B06), de klinisch (neuro)psychologen (beroepscategorie B03) en de psychotherapeuten (beroepscategorie B07). De NZa zal voor 2026 voor deze beroepen terugvallen op de 2025 kostprijzen en vervolgens de reguliere indexering toepassen. ^ [3]