Per 1 januari 2026 is een groot aantal regelingen gewijzigd. Mogelijk zijn deze wijzigingen nog niet doorgevoerd in de geconsolideerde tekst en ziet u nog een oude versie. Raadpleeg bij twijfel de bekendmaking.

Beleidsregels vergunningverlening kansspelen op afstand 2026

Geraadpleegd op 09-01-2026.
Geldend van 01-01-2026 t/m heden.

Beleidsregels van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit inzake vergunningen voor het op afstand organiseren van kansspelen 2026 (Beleidsregels vergunningverlening kansspelen op afstand 2026)

Paragraaf 1. Definities en toepassing

Artikel 1.1. Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. Toepassing

Deze beleidsregels hebben betrekking op het indienen van een aanvraag vanaf 1 januari 2026 voor het op afstand organiseren van kansspelen, op de beoordeling daarvan door de raad van bestuur en op voorschriften en beperkingen die aan de vergunning kunnen worden verbonden.

Paragraaf 2. Algemene bepalingen

Artikel 2.1. Aanvraag

De aanvraag wordt ingediend via het formulier op het speciaal daartoe bestemde gedeelte op de website van de Kansspelautoriteit dat is bedoeld voor de reguliere behandeling van een aanvraag.

Artikel 2.2. Aanvraagprocedure vergunninghouders

  • 1 Een vergunninghouder dient zijn aanvraag in via het formulier op het speciaal daartoe bestemde gedeelte op de website van de Kansspelautoriteit dat is bedoeld voor de aanvraagprocedure voor vergunninghouders.

  • 2 Voor zover in deze beleidsregels de aanvraagprocedure voor vergunninghouders mogelijk wordt gemaakt, verklaart de vergunninghouder op het in het eerste lid genoemde formulier, per onderdeel van zijn aanvraag, dat hij voldoet aan alle voor dat onderdeel geldende wet- en regelgeving voor het organiseren van kansspelen op afstand.

  • 3 De aanvraagprocedure voor vergunninghouders is niet van toepassing op:

    • a. een onderdeel van de aanvraag waarin relevante wijzigingen als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van het Besluit hebben plaatsgevonden waarover de vergunninghouder de raad van bestuur niet heeft geïnformeerd; of

    • b. als een vergunninghouder bij een onderdeel niet overeenkomstig het tweede lid naar waarheid kan verklaren dat hij voldoet aan alle voor dat onderdeel geldende wet- en regelgeving voor het organiseren van kansspelen op afstand.

    In dat geval verstrekt de vergunninghouder alle bij dat onderdeel van de aanvraag vereiste documenten en informatie.

  • 4 Onverlet hetgeen in dit artikel is bepaald verstrekt een vergunninghouder op verzoek van de raad van bestuur nadere informatie of documenten per onderdeel van de aanvraag, indien daar naar het oordeel van de raad van bestuur aanleiding toe is.

  • 5 Indien daar naar het oordeel van de raad van bestuur aanleiding toe is, kan de raad van bestuur bepalen dat de aanvraagprocedure voor vergunninghouders voor een of meerdere onderdelen van de aanvraag niet van toepassing is op een vergunninghouder.

Artikel 2.3. Taal

  • 1 De formulieren als bedoeld in artikelen 2.1 en 2.2, de daarbij behorende bijlagen en alle overige bij de aanvraag behorende bescheiden of documenten worden ingevuld dan wel aangeleverd in de Nederlandse taal, tenzij anders is bepaald.

  • 2 Onverminderd hetgeen in het eerste lid is bepaald, kan de raad van bestuur de aanvrager verzoeken ook originele exemplaren van vertaalde bescheiden of documenten aan te leveren.

Artikel 2.4. Exitplan

  • 1 Een aanvrager verstrekt bij zijn aanvraag een exitplan, dat is bedoeld voor de situatie dat de aanvrager als vergunninghouder bij het eindigen van een vergunning het spelaanbod afwikkelt, ongeacht op welk moment, op welke wijze en om welke reden de vergunning eindigt, en voor de situatie dat hij het spelaanbod bij het staken daarvan afwikkelt voordat de vergunning eindigt.

  • 2 Door het in het eerste lid bedoelde exitplan vergewist de aanvrager zich van alle wettelijke en overige verplichtingen die betrekking hebben op het afwikkelen van het spelaanbod en het eindigen van de vergunning.

  • 3 De aanvrager beschrijft in het in het eerste lid bedoelde exitplan in ieder geval:

    • a. de juridische, financiële, fiscale, organisatorische, technische, en communicatieve aspecten van het afwikkelen van het spelaanbod, in het bijzonder voor zover die afwikkeling betrekking heeft op de verhouding met zijn (voormalige) spelers en met de Kansspelautoriteit;

    • b. hoe hij waarborgt dat hij alle verplichtingen volledig en tijdig en gedocumenteerd nakomt;

    • c. hoe hij waarborgt dat hij tijdens de afwikkeling goed bereikbaar blijft voor zijn (voormalige) spelers en voor de Kansspelautoriteit, welke vaste contactpersoon hij hiervoor tijdens de afwikkeling beschikbaar en bereikbaar houdt en hoe hij zijn (voormalige) spelers en de Kansspelautoriteit over diens contactgegevens informeert;

    • d. de wijze van afwikkeling en uitbetaling aan de spelers van de spelerstegoeden en de maatregelen die hij zal nemen indien het terugbetalen van enig spelerstegoed niet mogelijk blijkt als gevolg van toedoen of nalaten van spelers of een andere omstandigheid die niet aan hem kan worden toegerekend, ondanks vergaande inspanningen van zijn kant;

    • e. de wijze waarop hij bij het eindigen van de vergunning zal voldoen aan de verplichtingen en de termijnen die betrekking hebben op de in de controledatabank opgenomen gegevens, zoals bedoeld in artikel 4.13 van de Regeling kansspelen op afstand en op alle overige wettelijke verplichtingen en termijnen die betrekking hebben op het bewaren en archiveren van gegevens.

Artikel 2.5. Beleidsregels informatieplicht

Een aanvrager verstrekt bij zijn aanvraag een document waarin hij beschrijft hoe hij waarborgt dat hij voldoet aan het bepaalde in artikel 5.1, tweede lid, van het Besluit kansspelen op afstand, conform de wijze en de onderwerpen zoals beschreven in de Beleidsregels informatieplicht.

Paragraaf 3. Integriteitsbeoordeling

Artikel 3.1. Betrouwbaarheidstoets en Bibob-toets

De raad van bestuur onderwerpt een aanvraag in alle gevallen aan een beoordeling van de betrouwbaarheid als bedoeld in artikel 31i, eerste lid, van de wet en op grond van de wet Bibob.

Artikel 3.2. Betrouwbaarheidstoets vergunninghouders

Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een vergunninghouder vraagt de raad van bestuur in eerste instantie geen gegevens op die de vergunninghouder al heeft verstrekt in het kader van de aanvraag van de huidige vergunning of in het kader van de in artikel 5.1 van het Besluit kansspelen op afstand genoemde meldplicht.

Artikel 3.3. Vonnis van Nederlandse rechter

De betrouwbaarheid van een aanvrager staat onder andere niet buiten twijfel als bedoeld in artikel 31i, eerste lid, van de wet, als de aanvrager geen uitvoering heeft gegeven aan een onherroepelijk vonnis dan wel aan een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van een Nederlandse rechter.

Paragraaf 4. Integriteitsbeleid

Artikel 4.1. Integriteitsbeleid

  • 1 Ten behoeve van de beoordeling of de aanvrager voldoende heeft gewaarborgd dat de risico’s op fraude met en misbruik van kansspelen en de risico’s op witwassen en financieren van terrorisme worden onderkend en worden voorkomen en dat leidinggevenden, personen op sleutelposities en personen die bij het organiseren van kansspelen met spelers in aanraking komen betrouwbaar zijn, verstrekt de aanvrager bij zijn aanvraag een exemplaar van zijn integriteitsbeleid, waaruit in ieder geval blijkt:

    • a. dat de inventarisatie, analyse en evaluatie van integriteitsrisico’s voldoen aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften; en

    • b. hoe het integriteitsbeleid intern wordt geïmplementeerd en toegepast.

Artikel 4.2. Beoordeling integriteitsbeleid

Bij de beoordeling van het in artikel 4.1, eerste lid, genoemde integriteitsbeleid betrekt de raad van bestuur in ieder geval de volgende aspecten:

  • a. de functies die de aanvrager heeft aangemerkt als integriteitsgevoelig;

  • b. de door de aanvrager gehanteerde procedures bij de beoordeling van de functies die hij heeft aangemerkt als integriteitsgevoelig;

  • c. de wijze waarop de aanvrager de betrouwbaarheid beoordeelt van de personen die de functies vervullen die de aanvrager heeft aangemerkt als integriteitsgevoelig; en

  • d. de maatregelen die de aanvrager treft met het oog op een integere bedrijfsvoering.

Artikel 4.3. Aanvraagprocedure voor vergunninghouders

Paragraaf 5. Continuïteit

Artikel 5.1. Verklaringen

  • 1 Ten behoeve van de beoordeling of de continuïteit van de aanvrager, als bedoeld in artikel 31g, vierde lid, van de wet, redelijkerwijs is gewaarborgd, verstrekt de aanvrager bij zijn aanvraag in ieder geval het ingevulde formulier dat daartoe beschikbaar is gesteld op www.kansspelautoriteit.nl/formulier-continuiteit, waarin de aanvrager verklaart dat er geen sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden en dat hij evenmin bekend is met nog aanhangige procedures ter vaststelling van één of meer van de volgende omstandigheden:

    • a. de aanvrager verkeert niet in staat van faillissement en er is geen sprake van liquidatie;

    • b. aan de aanvrager is geen surseance van betaling verleend;

    • c. op het vermogen van de aanvrager rust geen executoriale beslaglegging; of

    • d. indien er wel sprake is van executoriale beslaglegging, komt een zorgvuldige bedrijfsvoering met betrekking tot het aanbieden van de kansspelen waarvoor de vergunning is aangevraagd, daardoor redelijkerwijs niet in gevaar.

  • 2 De verklaring van de aanvrager mag niet ouder zijn dan dertig dagen voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag wordt ingediend.

Artikel 5.2. Bevestiging

  • 1 Indien daar naar het oordeel van de raad van bestuur aanleiding toe is, verstrekt de aanvrager op verzoek van de raad van bestuur een assurancerapport of een rapport van feitelijke bevindingen, ter bevestiging van de verklaring van de aanvrager als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid.

  • 2 Het assurancerapport of rapport van feitelijke bevindingen als bedoeld in het eerste lid is opgesteld en ondertekend door een auditor:

    • a. als bedoeld in Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2016 betreffende de wettelijke controle van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen; en

    • b. die is ingeschreven in een openbaar register als bedoeld in artikel 15 van Richtlijn 2006/43/EG.

Artikel 5.3. Aanvraagprocedure voor vergunninghouders

  • 1 Een vergunninghouder verklaart overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 dat van de in artikel 5.1 genoemde omstandigheden geen sprake is en dat hij evenmin bekend is met nog aanhangige procedures tot vaststelling van dergelijke omstandigheden.

Paragraaf 6. Betalingstransacties

Artikel 6.1. Veilig verloop van betalingen

Ten behoeve van de beoordeling of passende waarborgen zijn getroffen voor een veilig verloop van de betalingen tussen de aanvrager en de speler, als bedoeld in artikel 31l, tweede lid, onderdeel a, van de wet, verstrekt de aanvrager bij zijn aanvraag in ieder geval het ingevulde ‘Formulier betaalinstrumenten’ dat daartoe ter beschikking is gesteld op www.kansspelautoriteit.nl/formulier-betaalinstrumenten.

Artikel 6.2. Aanvraagprocedure voor vergunninghouders

Een vergunninghouder verklaart overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 dat hij voldoet aan de in het in artikel 6.1 genoemde formulier vermelde vereisten.

Paragraaf 7. Voorziening spelerstegoeden

Artikel 7.1. Voorzieningen

De tegoeden van de spelers, als bedoeld in artikel 31l, tweede lid, onderdeel b, en artikel 31l, derde lid, van de wet, zijn in ieder geval voldoende afgescheiden van ander vermogen, indien de aanvrager aantoont dat hij passende maatregelen heeft getroffen die waarborgen dat deze tegoeden te allen tijde kunnen worden uitgekeerd, door middel van:

  • a. gebruikmaking van een Nederlandse stichting derdengelden; of

  • b. een andere voorziening die voldoet aan de in artikel 7.6 genoemde vereisten.

Artikel 7.2. Aantonen bestaan maatregelen

  • 1 De aanvrager toont het bestaan aan van de voorzieningen die hij heeft getroffen voor het waarborgen van de tegoeden van spelers. Daartoe verstrekt hij in ieder geval de documenten als bedoeld in artikel 7.3.

  • 2 Indien de aanvrager ten tijde van zijn aanvraag nog niet in staat is om het daadwerkelijke bestaan van de door hem getroffen voorziening voor het waarborgen van de tegoeden van spelers aan te tonen, dan toont hij in ieder geval de opzet van de betreffende voorziening aan. Daartoe overlegt hij in ieder geval de documenten als bedoeld in artikel 7.4. De aanvrager toont het bestaan van de voorziening voor het waarborgen van de tegoeden van spelers alsnog aan uiterlijk twee maanden na verlening van de gevraagde vergunning.

Artikel 7.3. Documentatievereisten aantonen bestaan van de voorziening

  • 1 De aanvrager toont het bestaan aan van de door hem genomen voorziening voor het waarborgen van de tegoeden van spelers door het volgende over te leggen:

    • a. een beschrijving van de door hem getroffen voorziening en de documentatie behorende bij de door hem getroffen voorziening; en

    • b. het ingevulde ‘Formulier Spelerstegoeden’ dat daartoe ter beschikking is gesteld op www.kansspelautoriteit.nl/formulier-spelerstegoeden.

  • 2 Indien daar naar het oordeel van de raad van bestuur aanleiding toe is, verstrekt de aanvrager op verzoek van de raad van bestuur een assurancerapport of een rapport van feitelijke bevindingen.

  • 3 Het assurancerapport of rapport van feitelijke bevindingen als bedoeld in het tweede lid is opgesteld en ondertekend door een auditor:

    • a. als bedoeld in Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2016 betreffende de wettelijke controle van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen; en

    • b. die is ingeschreven in een openbaar register als bedoeld in artikel 15 van Richtlijn 2006/43/EG.

Artikel 7.4. Documentatievereisten aantonen opzet van de voorziening

De aanvrager toont de opzet van de door hem te treffen voorziening voor het waarborgen van de tegoeden van spelers aan door bij de aanvraag het volgende over te leggen:

  • a. een beschrijving van de maatregelen die hij zal gaan treffen voor het waarborgen van de tegoeden van spelers, welke gepaard gaat met eventueel reeds aanwezige documenten die het gestelde onderbouwen; en

  • b. het ingevulde ‘Formulier Spelerstegoeden’ dat daartoe ter beschikking is gesteld op www.kansspelautoriteit.nl/formulier-spelerstegoeden.

Artikel 7.5. Nederlandse stichting derdengelden

Ten behoeve van de beoordeling of gebruikmaking van een in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel a, genoemde Nederlandse stichting derdengelden voldoende waarborgen biedt dat de tegoeden van de spelers voldoende zijn afgescheiden van ander vermogen, verstrekt de aanvrager in ieder geval:

  • a. de oprichtingsakte of de statuten van de stichting, waaruit blijkt dat de stichting tot doel heeft de afscheiding en het beheer van spelerstegoeden van een of meerdere vergunninghouders;

  • b. een uittreksel uit het handelsregister van de stichting, niet ouder dan zestig dagen voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag is ingediend;

  • c. een volledige en ondertekende overeenkomst tussen de aanvrager en de stichting, waaruit volgt dat de stichting voldoet aan de in het eerste lid en onderdeel b, c en d, van het vierde lid, van artikel 3.19 van de Regeling kansspelen op afstand opgenomen vereisten; uit de overeenkomst blijkt tevens hoe de uitkering van tegoeden aan spelers door de stichting is gewaarborgd in het geval van financiële problemen bij de aanvrager, waaronder in ieder geval van faillissement of liquidatie van de aanvrager en na verlening van surseance van betaling aan de aanvrager; en

  • d. verklaringen omtrent het gedrag of buitenlandse equivalenten daarvan, van de bestuurders van de stichting en de leden van de raad van toezicht van de stichting, waaruit blijkt dat de aanvrager zich heeft vergewist van de betrouwbaarheid van de bestuurders van de stichting en de leden van de raad van toezicht van de stichting.

Artikel 7.6. Andere voorziening

Ten behoeve van de beoordeling of een voorziening als bedoeld in artikel 7.1, onderdeel b, voldoende waarborgen biedt dat de tegoeden van de spelers voldoende zijn afgescheiden van ander vermogen, verstrekt de aanvrager:

  • a. een beschrijving van de door hem getroffen maatregelen, die gepaard gaat met documenten die het gestelde onderbouwen; uit de beschrijving blijkt in ieder geval:

    • i. hoe de tegoeden van de spelers worden afgescheiden van het andere vermogen of anderszins worden gewaarborgd;

    • ii. wie de beheerder is, dat wil zeggen: door wie de tegoeden van de spelers namens de aanvrager worden beheerd;

    • iii. namens wie de tegoeden van de speler worden beheerd;

    • iv. dat de beheerder de spelerstegoeden enkel kan gebruiken voor het verrichten van betalingstransacties overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de wet;

    • v. dat de beheerder zijn werkzaamheden onafhankelijk van de aanvrager en niet onder diens verantwoordelijkheid verricht;

    • vi. dat de beheerder de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften naleeft en zijn werkzaamheden zodanig uitvoert dat het toezicht op de naleving van de wet en de gestelde voorschriften niet wordt belemmerd;

    • vii. dat de beheerder de speler van wie het tegoed wordt beheerd, onverwijld de bedragen betaalt die die speler toekomen nadat het verzoek daartoe door of namens die speler is gedaan;

    • viii. dat de beheerder de spelerstegoeden enkel aanwendt voor het verrichten van betalingstransacties overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de wet;

    • ix. dat de aanvrager jegens de beheerder uitsluitend aanspraak maakt op betaling van gelden die namens hem worden beheerd;

    • x. welke maatregelen de beheerder neemt om onrechtmatige transacties met de tegoeden van de spelers tegen te gaan;

    • xi. dat het door de derde voor de aanvrager afgescheiden of anderszins gewaarborgde vermogen voldoende is om de tegoeden van de spelers volledig te dekken;

    • xii. welke maatregelen zijn genomen om de tegoeden van de spelers uit keren of te doen uitkeren aan de rechthebbende spelers in het geval de samenwerking tussen de aanvrager en de beheerder van die tegoeden van de spelers wordt beëindigd; en

  • b. indien de verzekering of afscheiding van de spelerstegoeden plaatsvindt via een financiële onderneming, een document waaruit blijkt dat die financiële onderneming ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen en die in ieder geval is geverifieerd aan de hand van gegevens uit de openbare registers van De Nederlandsche Bank; en

  • c. een toelichting waarin de aanvrager motiveert waarom de door hem gekozen voorziening minimaal dezelfde juridische waarborgen biedt als de in artikel 7.1, eerste lid, onderdeel a, genoemde voorziening. Indien de aanvrager gebruik maakt van een voorziening waarop wettelijke voorschriften van een andere jurisdictie dan Nederland van toepassing zijn, bevat de toelichting mede een beschrijving van de relevante wettelijke voorschriften van de betreffende jurisdictie met betrekking tot die voorziening.

Artikel 7.7. Aanvraagprocedure voor vergunninghouders

  • 1 Een vergunninghouder verklaart overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 dat hij voldoet aan de in artikel 7.5 of 7.6 genoemde vereisten.

  • 2 Voor zover een vergunninghouder voor zijn bestaande vergunning gebruik maakt van een voorziening die op grond van deze beleidsregels niet meer is toegestaan, toont hij, in afwijking van het in het eerste lid bepaalde, het bestaan of de opzet van een andere voorziening voor spelerstegoeden aan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.3 of 7.4.

Paragraaf 8. Financiële zekerheidstelling

Artikel 8.1. Financiële zekerheid

  • 1 De aanvrager stelt financiële zekerheid voor het nakomen van zijn financiële verplichtingen, als bedoeld in artikel 5.4 van het Besluit kansspelen op afstand. De hoogte van de financiële zekerheidstelling ten tijde van de vergunningverlening bedraagt € 50.000.

  • 2 De aanvrager stelt de financiële zekerheid ter hoogte van het in het vorige lid genoemde bedrag in de vorm van:

    • a. een bankgarantie;

    • b. een waarborgsom;

    • c. een borgtocht; of

    • d. een andere vorm die gelijkwaardig is aan de in onderdeel a, b of c genoemde vormen.

  • 3 Ten behoeve van de beoordeling of de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde bankgarantie voldoende zekerheid biedt voor het nakomen van zijn financiële verplichtingen, verstrekt de aanvrager bij zijn aanvraag in ieder geval:

    • a. een digitaal en fysiek exemplaar van de volledige en ondertekende overeenkomst tussen de aanvrager en de bank die de bankgarantie afgeeft, waaruit in ieder geval blijkt:

      • i. voor welk doel de bankgarantie is verleend;

      • ii. wie de begunstigde is van de bankgarantie;

      • iii. welke partijen betrokken zijn bij de bankgarantie;

      • iv. welke partijen zekerheden verlenen;

      • v. onder welke voorwaarden de bankgarantie is verleend;

      • vi. welke looptijd de bankgarantie heeft; en

      • vii. voor welk bedrag, uitgedrukt in euro’s, de bankgarantie is afgesloten.

    • b. een document waaruit blijkt dat de bankgarantie is afgegeven door een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen en die in ieder geval is geverifieerd aan de hand van gegevens uit de openbare registers van De Nederlandsche Bank.

  • 4 Indien de aanvrager financiële zekerheid stelt in een van de in het eerste lid, onderdeel c of d, genoemde vormen, dient hij aannemelijk te maken dat de door hem gekozen vorm minimaal gelijkwaardig is aan de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde bankgarantie.

Artikel 8.2. Aanvraagprocedure voor vergunninghouders

Een vergunninghouder verklaart overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 dat hij voldoet aan de in artikel 8.1 genoemde vereisten.

Paragraaf 9. Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme

Artikel 9.1. Antiwitwasbeleid

  • 2 Voor aanvragen voor een vergunning voor het op afstand organiseren van weddenschappen geldt als aanvullende verplichting dat in het antiwitwasbeleid ook de risico’s ten aanzien van matchfixing zijn verwerkt.

Artikel 9.2. Cliëntenonderzoek

Artikel 9.3. Melden ongebruikelijke transacties

Bij de beoordeling van de wijze waarop de in artikel 9.1, eerste lid, onderdeel b, genoemde verplichting wordt uitgevoerd, betrekt de raad van bestuur in ieder geval de werkwijze omtrent de melding van een ongebruikelijke transactie, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wwft.

Artikel 9.4. Aanvraagprocedure voor vergunninghouders

Een vergunninghouder verklaart overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 dat hij voldoet aan de in artikel 9.1 genoemde vereisten.

Paragraaf 10. Sanctiewet 1977

Artikel 10.1. Verklaring

Ten behoeve van de beoordeling of voldoende is gewaarborgd dat de kansspelen op afstand overeenkomstig de bij of krachtens de Sanctiewet 1977 gestelde voorschriften zullen worden georganiseerd en dat het toezicht op naleving en de handhaving van de Sanctiewet 1977 doelmatig en doeltreffend kan worden uitgeoefend, als bedoeld in artikel 31c, eerste lid, van de wet, verklaart de aanvrager bij zijn aanvraag in ieder geval dat hij de kansspelen op afstand overeenkomstig de bij of krachtens de Sanctiewet 1977 gestelde voorschriften organiseert.

Paragraaf 11. Uitbestedingen

Artikel 11.1. Uitbesteding

  • 1 De aanvrager verstrekt bij zijn aanvraag:

    • a. zijn uitbestedingsbeleid;

    • b. een verklaring van de aanvrager waaruit blijkt dat de aanvrager zich heeft vergewist dat de derden aan wie de aanvrager werkzaamheden uitbesteedt de wet, de Wwft en de Sanctiewet 1977 naleven; en

    • c. een overzicht van de werkzaamheden die worden uitbesteed of zullen worden uitbesteed en een overzicht van de derden aan wie de werkzaamheden worden uitbesteed of zullen worden uitbesteed.

  • 2 Indien daar naar het oordeel van de raad van bestuur aanleiding toe is, verstrekt de aanvrager de relevante uitbestedingsovereenkomsten en service level agreements waarom de raad van bestuur verzoekt.

  • 3 De documenten als bedoeld in het tweede lid kunnen in de Engelse taal worden overgelegd. Ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag kan de raad van bestuur de aanvrager verzoeken een Nederlandse vertaling van deze documenten over te leggen.

Artikel 11.2. Beoordeling uitbestedingsbeleid

  • 1 Bij de beoordeling van het in artikel 11.1, eerste lid, onderdeel a, genoemde uitbestedingsbeleid betrekt de raad van bestuur in ieder geval de volgende aspecten:

    • a. welke taken en werkzaamheden worden uitbesteed aan een derde;

    • b. welke risico’s zijn verbonden aan het uitbesteden van taken en werkzaamheden aan een derde en hoe deze risico’s worden afgedekt; en

    • c. hoe de aanvrager toezicht houdt op de uitbestede taken en werkzaamheden.

  • 2 Met betrekking tot het uitbesteden van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde taken en werkzaamheden aan een derde, acht de raad van bestuur het in ieder geval niet mogelijk dat de taken en werkzaamheden van de leden van het bestuur of de functionaris als bedoeld in artikel 31h, vierde lid van de wet, worden uitbesteed aan een derde.

  • 3 Bij de beoordeling van de in het eerste lid, onderdeel b, genoemde risico’s betrekt de raad van bestuur in ieder geval:

    • a. hoe wordt gewaarborgd dat de aanvrager zich voldoende vergewist en passende maatregelen treft met betrekking tot de naleving van de voorschriften gesteld bij of krachtens de wet, de Wwft of de Sanctiewet 1977 door de derde;

    • b. hoe de geschiktheid en de betrouwbaarheid van de derde worden gewaarborgd; en

    • c. hoe de transparantie en kenbaarheid met betrekking tot de aanvrager voor de consument worden gewaarborgd.

  • 4 Bij de beoordeling van het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde toezicht betrekt de raad van bestuur in ieder geval:

    • a. hoe wordt gewaarborgd dat toezicht door de aanvrager op de naleving van de voorschriften gesteld bij of krachtens de wet, de Wwft of de Sanctiewet 1977 bij de derde mogelijk is;

    • b. hoe wordt gewaarborgd dat toezicht door de raad van bestuur op de naleving van de voorschriften gesteld bij of krachtens de wet en de Wwft bij de derde mogelijk is;

    • c. dat de getroffen maatregelen jegens de derde schriftelijk worden vastgelegd.

Artikel 11.3. Aanvraagprocedure voor vergunninghouders

Een vergunninghouder verklaart overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 dat hij voldoet aan de in artikel 11.1 genoemde vereisten.

Paragraaf 12. Cruks

Artikel 12.1. Aansluiting CRUKS

  • 1 De raad van bestuur stelt op de website www.kansspelautoriteit.nl/aansluiten-cruks de aansluitprocedure voor CRUKS beschikbaar en maakt via deze website bekend hoe organisaties op CRUKS aangesloten kunnen worden, welke bescheiden zij daarvoor moeten verstrekken en aan welke vereisten zij moeten voldoen.

  • 2 Ten behoeve van de beoordeling of de organisatie van de aanvrager aangesloten kan worden op CRUKS verstrekt de aanvrager het vrijgave-advies van de Kansspelautoriteit dat hij heeft ontvangen na het succesvol doorlopen van de in het eerste lid genoemde aansluitprocedure.

Artikel 12.2. Aanvraagprocedure voor vergunninghouders

  • 1 Een vergunninghouder verklaart overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 dat hij voldoet aan de in artikel 12.1 genoemde vereisten.

  • 2 Een vergunninghouder verklaart dat zijn organisatie is aangesloten op CRUKS in overeenstemming met de meest recente aansluitprocedure zoals bedoeld in artikel 12.1, eerste lid, en dat zijn leverancier van de daarvoor benodigde ICT-voorzieningen niet is gewijzigd sinds het laatst afgegeven vrijgave-advies van de Kansspelautoriteit als bedoeld in artikel 12.2, tweede lid.

Paragraaf 14. Intern toezicht

Artikel 14.1. Stelsel van intern toezicht

Ten behoeve van de beoordeling of de aanvrager zorg draagt voor een stelsel van intern toezicht, als bedoeld in artikel 3.6 van het Besluit kansspelen op afstand, verstrekt hij een overzicht hoe het stelsel van intern toezicht is ingericht en welke functionarissen dit toezicht uitoefenen.

Artikel 14.2. Aanvraagprocedure voor vergunninghouders

Een vergunninghouder verklaart overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 dat hij voldoet aan de in artikel 3.6 van het Besluit kansspelen op afstand genoemde vereisten en derhalve dat hij een stelsel van intern toezicht heeft ingericht, uitgeoefend door een of meer functionarissen.

Paragraaf 15. Controledatabank

Artikel 15.1. Beoordeling van de controledatabank

  • 3 De documenten, als bedoeld in het tweede lid, kunnen in de Engelse taal worden aangeleverd.

Artikel 15.2. Testprogramma

  • 1 Ten behoeve van de beoordeling of de controledatabank, als bedoeld in artikel 5.3 van het Besluit kansspelen op afstand, naar behoren functioneert, stelt de aanvrager de raad van bestuur in staat zijn controledatabank te onderwerpen aan een testprogramma dat in ieder geval betrekking heeft op:

    • a. de technische verbindingen tussen de controledatabank van de aanvrager en de Kansspelautoriteit;

    • b. de gegevensverwerking, als bedoeld in de ‘Guidelines for data transfers’ van het op de website www.kansspelautoriteit.nl/inrichten-cdb gepubliceerde ‘Data Model for the remote gambling data safe’;

    • c. de scripts en logging die worden gebruikt om de data van de aanvrager te kunnen ontvangen; en

    • d. de onderdelen die specifiek betrekking hebben op de aanvrager.

  • 3 Voorafgaand aan het uitvoeren van het testprogramma, als bedoeld in het eerste lid, stelt de raad van bestuur een individueel testprogramma vast per aanvrager, aan de hand van de door de aanvrager aangeleverde documenten.

  • 4 De raad van bestuur kan een aanvrager meerdere malen in de gelegenheid stellen om het individuele testprogramma te doorlopen. Als gedurende de eerste keer dat het testprogramma wordt doorlopen blijkt dat sprake is van een aanwijsbare tekortkoming van de kant van de aanvrager, wordt het testprogramma pas herhaald nadat de aanvrager deze tekortkoming heeft hersteld.

  • 5 Indien de raad van bestuur onvoldoende vertrouwen heeft dat de aanvrager in staat is het testprogramma succesvol te doorlopen, kan de raad van bestuur besluiten het in het derde lid genoemde testprogramma pas weer uit te voeren na een door de raad van bestuur te bepalen periode. Van onvoldoende vertrouwen is in ieder geval sprake als:

    • a. twee pogingen om de uitvoering van het testprogramma in te plannen zijn mislukt en dit te wijten is aan tekortkomingen van de aanvrager; of

    • b. twee of meer onderdelen als genoemd in het eerste lid niet succesvol zijn doorlopen en dit te wijten is aan tekortkomingen van de aanvrager.

Artikel 15.3. Aanvraagprocedure voor vergunninghouders

  • 1 Een vergunninghouder verklaart overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 dat hij voldoet aan de in artikel 15.1, eerste lid, genoemde vereisten.

  • 2 Een vergunninghouder verstrekt een actueel beheersingsplan en een bewijs van conformiteitsbeoordeling overeenkomstig het op de website van de Kansspelautoriteit gepubliceerde ‘Vragenformulier CDB – KOA-aanvraag’.

  • 3 Een vergunninghouder verklaart dat hij zijn beheersingsplan heeft geïmplementeerd.

  • 4 Een vergunninghouder stelt de raad van bestuur in staat zijn controledatabank te onderwerpen aan een testprogramma als bedoeld in artikel 15.2. De vergunninghouder voldoet aan alle voor deze integratietest bepaalde eisen.

Paragraaf 16. Spelsysteem

Artikel 16.1. Keuring

  • 3 Indien daar naar het oordeel van de raad van bestuur aanleiding toe is, verstrekt de aanvrager de keuringsrapporten waarom de raad van bestuur verzoekt.

Artikel 16.2. Aanvraagprocedure voor vergunninghouders

  • 1 Een vergunninghouder verklaart overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 dat zijn spelsysteem op de datum van aanvraag is gekeurd volgens de daarvoor geldende voorschriften zoals bedoeld in paragraaf 2 van het Besluit kansspelen op afstand.

  • 2 In afwijking van artikel 2.2, derde lid, is de aanvraagprocedure voor vergunninghouders niet van toepassing voor het deel van zijn spelsysteem dat op de datum van de aanvraag niet volgens deze voorschriften is gekeurd.

Paragraaf 17. Wervings- en reclamebeleid

Artikel 17.1. Wervings- en reclamebeleid

Ten behoeve van de beoordeling of de aanvrager voldoende heeft gewaarborgd dat zijn wervings- en reclameactiviteiten voldoen aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of de aanvrager voldoende maatregelen heeft getroffen om de naleving daarvan te verankeren in systemen, procedures en afspraken, zowel intern als extern, verstrekt de aanvrager bij zijn aanvraag een exemplaar van zijn reclamebeleid, waaruit in ieder geval blijkt:

  • a. dat voldoende is gewaarborgd dat de wervings- en reclameactiviteiten zullen voldoen aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften; en

  • b. hoe het reclamebeleid wordt geïmplementeerd en toegepast.

Artikel 17.2. Zorgvuldige en evenwichtige vormgeving

Bij de beoordeling van het in artikel 17.1 genoemde reclamebeleid betrekt de raad van bestuur in ieder geval de volgende aspecten:

Artikel 17.3. Kwetsbare groepen van personen

Bij de beoordeling van het in artikel 17.1 genoemde reclamebeleid betrekt de raad van bestuur in ieder geval hoe wordt gewaarborgd dat:

  • a. de wervings- en reclameactiviteiten niet gericht zijn op minderjarigen; en

  • b. de wervings- en reclameactiviteiten niet gericht zijn op jongvolwassenen tussen de 18 en 24 jaar; en

  • c. de wervings- en reclameactiviteiten niet gericht zijn op personen die kenmerken van risicovol spelgedrag vertonen; en

  • d. de wervings- en reclameactiviteiten van de aanvrager niet gericht zijn op personen die zich hebben uitgesloten van deelname aan de door hem georganiseerde kansspelen.

Artikel 17.4. Interne implementatie en toepassing

Bij de beoordeling van de implementatie en toepassing van het reclamebeleid, als bedoeld in artikel 17.1, onderdeel b, betrekt de raad van bestuur in ieder geval de volgende aspecten:

  • a. hoe de implementatie en effectieve toepassing van het reclamebeleid binnen de organisatie van de aanvrager is gewaarborgd;

  • b. welke functionaris binnen de organisatie van de aanvrager verantwoordelijk is voor het implementeren, evalueren en actualiseren van het reclamebeleid en of daarmee deze functie gedegen is ingericht en ingebed in de organisatie;

  • c. welke functionaris binnen de organisatie van de aanvrager verantwoordelijk is voor reclamecampagnes en of daarmee deze functie gedegen is ingericht en ingebed in de organisatie;

  • d. hoe de aanvrager in samenwerking met derden bij wervings- en reclameactiviteiten waarborgt dat de wettelijke verplichtingen worden nageleefd; en

  • e. hoe het reclamebeleid past binnen het algemene compliancebeleid van de aanvrager.

Paragraaf 18. Verslavingspreventie

Artikel 18.1. Verslavingspreventiebeleid en andere documenten

Ten behoeve van de beoordeling of de aanvrager voldoende heeft geborgd dat de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot verslavingspreventie worden nageleefd, verstrekt de aanvrager bij zijn aanvraag in ieder geval:

Paragraaf 19. Aanvullende voorschriften

Artikel 19.1. Voorschriften

De raad van bestuur verbindt in ieder geval de volgende voorschriften aan de vergunning:

  • a. De vergunninghouder meldt, voordat hij start met het aanbieden van kansspelen, en daarna bij elke wijziging, bij de Kansspelautoriteit alle merknamen, domeinnamen en applicatienamen die hij gebruikt bij het aanbieden van kansspelen onder deze vergunning. De melding gebeurt volgens de op de website van de Kansspelautoriteit voorgeschreven wijze;

  • b. Onverlet het bepaalde in artikel 4a tweede lid, van de Wet op de kansspelen maakt de vergunninghouder bij wervings- en reclameactiviteiten voor kansspelen in ieder geval geen gebruik van persoonsgegevens waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze zijn verkregen in het kader van deelname van die personen aan een kansspel waarvoor de raad van bestuur geen vergunning heeft verleend als bedoeld in deze wet; en

  • c. Bij de inschrijving als bedoeld in artikel 4.11 van het Besluit kansspelen op afstand maakt de vergunninghouder geen gebruik van gegevens met betrekking tot spelers, waarover hij reeds beschikte voordat hem een vergunning is verleend op grond van de Wet op de kansspelen. Bij deze inschrijving maakt de vergunninghouder evenmin gebruik van gegevens met betrekking tot spelers, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze zijn verworven door een andere aanbieder van kansspelen die ten tijde van die verwerving niet beschikte over een vergunning die is verleend op grond van de Wet op de kansspelen;

  • d. Bij en na het eindigen van de vergunning en bij en na het staken van het spelaanbod handelt de vergunninghouder overeenkomstig het exitplan, dat hij bij de aanvraag van de vergunning heeft verstrekt;

  • e. De vergunninghouder geeft onverwijld uitvoering aan onherroepelijke vonnissen en aan uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnissen van een Nederlandse rechter.

Paragraaf 20. Preventie herhaling overtredingen en beoordeling toezichtervaring vergunninghouders

Voor de toepassing van deze paragraaf begrijpt de raad van bestuur onder vergunninghouder tevens voormalige vergunninghouder.

Artikel 20.1. Maatregelen ter voorkoming van herhaling van eerdere overtredingen

  • 1 Een vergunninghouder verstrekt bij zijn aanvraag een document waarin hij beschrijft welke concrete maatregelen hij heeft genomen ter zake van alle overtredingen van de wet- en regelgeving voor het organiseren van kansspelen op afstand waarop de raad van bestuur hem heeft aangesproken.

  • 2 Uit de in het eerste lid bedoelde maatregelen moet in ieder geval blijken:

    • a. over welk concreet lerend vermogen en welke deskundigheid de vergunninghouder beschikt en hoe hij dit toepast binnen zijn organisatie als gevolg van het door de raad van bestuur uitgeoefende toezicht en ten behoeve van de naleving van de wet- en regelgeving voor het organiseren van kansspelen op afstand;

    • b. hoe de vergunninghouder concreet voorkomt dat de in het eerste lid bedoelde overtredingen of soortgelijke overtredingen zich nogmaals kunnen voordoen.

Artikel 20.2. Weging toezichtervaring ten behoeve van vergunningverlening

  • 1 Bij de beoordeling van de aanvraag van een vergunninghouder weegt de raad van bestuur in ieder geval de informatie die door het toezicht op de naleving als bedoeld in titel Vla van de wet ten aanzien van de vergunninghouder door de raad van bestuur is verkregen en bij de raad van bestuur berust (hierna: toezichtervaring).

  • 2 De raad van bestuur weegt de toezichtervaring ten behoeve van de op grond van artikel 31a, derde lid, van de wet te verrichten afweging. De weging van de toezichtervaring is er in het bijzonder op gericht om vast te stellen of de raad van bestuur aanleiding ziet tot:

    • a. het weigeren van de vergunning;

    • b. het verlenen van de vergunning onder een of meer beperkingen;

    • c. het aan de vergunning verbinden van een of meer bijzondere voorschriften;

    • d. het na vergunningverlening uitoefenen van gerichter toezicht.

  • 3 Tot de toezichtinformatie die de raad van bestuur relevant kan achten voor de beoordeling van de aanvraag van een vergunninghouder, behoort ook:

    • a. de informatie die ten aanzien van de vergunninghouder bij de raad van bestuur berust en die anders dan uit de aanvraag of door het houden van toezicht is verkregen;

    • b. de houding van beleidsbepalers, leidinggevenden, personen op sleutelposities en de bestuurs- en organisatiecultuur van de vergunninghouder.

Artikel 20.3. Sancties en overige toezichtinformatie

  • 2 Tot de in het eerste lid bedoelde sancties behoren in ieder geval:

    • a. een bestuurlijke boete;

    • b. een last onder dwangsom; en

    • c. een last onder bestuursdwang.

  • 3 Bij de weging zoals bedoeld in artikel 20.2, tweede lid, betrekt de raad van bestuur ook andere aan de vergunninghouder opgelegde maatregelen en overige toezichtinformatie.

  • 4 Tot de in het derde lid bedoelde maatregelen en overige toezichtinformatie behoren in ieder geval:

    • a. een waarschuwing;

    • b. een sommatie;

    • c. een (bindende) aanwijzing;

    • d. een normoverdragend gesprek;

    • e. een voorgenomen besluit tot het opleggen van een sanctie, indien het voorgenomen besluit niet heeft geresulteerd in een definitief besluit; en

    • f. de relevante toezichtinformatie, zoals in ieder geval alle correspondentie over de vaststelling van een overtreding.

Artikel 20.4. Betrekken buitenlands equivalent toezichtinformatie

  • 1 Bij de beoordeling van de aanvraag van een vergunninghouder kan de raad van bestuur door buitenlandse (kansspel)toezichthouders en autoriteiten aan de vergunninghouder opgelegde sancties en maatregelen betrekken.

  • 2 Tot de in het eerste lid bedoelde sancties en maatregelen behoren in ieder geval de buitenlandse equivalenten van de in artikel 20.3 genoemde sancties en andere maatregelen.

Artikel 20.5. Weging context sancties en maatregelen

Bij de weging zoals bedoeld in artikel 20.2, tweede lid, waaronder wordt begrepen de weging van een sanctie of maatregel als bedoeld in artikel 20.3 of 20.4, betrekt de raad van bestuur in ieder geval:

  • a. de ernst van de aan de sanctie of maatregel ten grondslag liggende gedraging of gedragingen;

  • b. de verwijtbaarheid van de vergunninghouder bij de aan de sanctie of maatregel ten grondslag liggende gedraging of gedragingen;

  • c. de opstelling van de vergunninghouder ten aanzien van de sanctie of maatregel;

  • d. eerdere sancties of maatregelen die zijn opgelegd aan de vergunninghouder voor eenzelfde of een vergelijkbare gedraging;

  • e. het tijdsverloop sinds de aan de sanctie of maatregel ten grondslag liggende gedraging of gedragingen; en

  • f. het tijdsverloop sinds het opleggen van de sanctie of maatregel.

Den Haag, 26 augustus 2025

De raad van bestuur van de Kansspelautoriteit,

M.C.J. Groothuizen

Voorzitter