3. Onderwijskundige aspecten
3.1. Inleiding
In de volgende paragrafen worden de vakinhoudelijke kwaliteitseisen uitgewerkt voor:
-
○ de wettelijk verplichte domeinen Getallen, Verhoudingen, Meten en Meetkunde en Verbanden
van het terrein Rekenen;
-
○ de wettelijk verplichte (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging, én de optionele domeinen
Schrijven en Mondelinge taalvaardigheid en het eveneens optionele aspect Woordenschat
van het terrein Papiamentu;
-
○ de wettelijk verplichte taalactiviteiten receptief Lezen (inclusief het aspect woordenschat)
en receptief Luisteren en kijken, én de optionele productieve en interactieve taalactiviteiten,
taalcompetenties en taalstrategieën van het terrein Nederlands als vreemde taal.
Bovenstaande opsomming is in lijn met het Toetsbesluit PO en de Wet doorstroomtoetsen po. Voor alle wettelijk verplichte en optionele (sub)domeinen en taalactiviteiten, taalcompetenties
en taalstrategieën zijn in deze regeling kwaliteitseisen geformuleerd.
Naast de wettelijk verplichte én optionele (sub)domeinen, taalactiviteiten, taalstrategieën
en taalcompetenties staat het de toetsaanbieder vrij om extra kennisgebieden aan de
doorstroomtoets toe te voegen, bijv. aardrijkskunde. De score die de leerling op deze
extra kennisgebieden haalt, mag de toetsaanbieder toevoegen aan het leerlingrapport.
Deze extra kennisgebieden tellen niet mee voor het berekende toetsadvies en tellen
ook niet mee voor de berekende score op de referentie- en ERK-niveaus. Alle toetsopgaven
van de wettelijk verplichte en optionele (sub)domeinen, taalactiviteiten, taalstrategieën
en taalcompetenties, én de extra kennisgebieden worden inhoudelijk door een adviseur
van het CvTE beoordeeld. Zie in dit kader de kwaliteitseisen in Hoofdstuk 3.2. Dit
beoordelingskader schrijft niet voor wat de minimale en maximale toetslengte in aantal
toetsvragen van een doorstroomtoets moet zijn. Eveneens worden er geen richtlijnen
gegeven over de verhouding van het aantal toetsvragen tussen de wettelijk verplichte
en optionele (sub)domeinen, taalactiviteiten, taalstrategieën en taalcompetenties,
én extra kennisgebieden. Verder worden er ook geen richtlijnen gegeven voor het aantal
toetsvragen per referentie- en/of ERK-niveau. Dit om de aanbieder de mogelijkheid
te geven volgens de eigen zienswijze een compleet beeld van de leerlingen te kunnen
geven.
3.2. Inhoudsvaliditeit doorstroomtoets
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen
met JA worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
V1
|
Is de toetsmatrijs een adequate representatie van het meetdoel voor:
○ de wettelijk verplichte domeinen van het terrein Rekenen;
○ de wettelijk verplichte (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging van het terrein Papiamentu,
en de – indien van toepassing – optionele (sub)domeinen;
○ de wettelijk verplichte taalactiviteiten receptief Lezen (inclusief het aspect woordenschat)
en receptief Luisteren en kijken van het terrein Nederlands als vreemde taal, en de
– indien van toepassing – optionele productieve en interactieve taalactiviteiten,
taalcompetenties en taalstrategieën?
|
ja/nee
|
|
V2
|
Zijn de toetsopgaven – inclusief ankeropgaven en eventuele zaai-opgaven – correct
geconstrueerd en voldoen deze aan de kwaliteitscriteria voor de inhoudsvaliditeit
(zijnde de relevantie van de inhoud van de toets)?
|
ja/nee
|
Toelichting V1: De toetsmatrijs is een adequate representatie van het meetdoel voor in ieder geval:
-
○ de wettelijk verplichte domeinen van het terrein Rekenen;
-
○ de wettelijk verplichte (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging van het terrein Papiamentu,
en de – indien van toepassing – optionele (sub)domeinen;
-
○ de wettelijk verplichte taalactiviteiten receptief lezen (inclusief het aspect woordenschat)
en receptief luisteren en kijken van het terrein Nederlands als vreemde taal, en de
– indien van toepassing – optionele productieve en interactieve taalactiviteiten,
taalcompetenties en taalstrategieën.
De toetsmatrijs is een adequate representatie van het meetdoel. Dat betekent eveneens
dat er via de toetsmatrijs wordt voldaan aan de eisen uit de Toetswijzer doorstroomtoets
po Bonaire.
Er is sprake van een adequate representatie wanneer de toetstermen het meetdoel representeren.
Dit blijkt uit het gegeven dat:
-
○ de leerdoelen zijn geoperationaliseerd in observeerbare en meetbare toetstermen die
ieder voor zich aansluiten bij de beschrijvingen en indeling van de referentie- en
ERK- niveaus voor de wettelijk verplichte en, indien van toepassing, optionele (sub)domeinen,
taalactiviteiten, taalstrategieën en taalcompetenties van de terreinen Rekenen, Papiamentu
en Nederlands als vreemde taal;
-
○ de toetsmatrijs in ieder geval bevat: (1) het aantal vragen met bijbehorende scorepunten
per vraag, (2) de toetsvorm en/of het type vragen, (3) de verdeling over de (sub)domeinen,
taalactiviteiten, taalstrategieën en taalcompetenties, (4) de verdeling van de verschillende
vraag- en teksttypes in de toets, (5) de verdeling over de referentie- en ERK-niveaus.
-
○ in het geval van een CAT dat de aanbieder verantwoordt hoe de wettelijk verplichte
en, indien van toepassing, optionele (sub)domeinen, taalactiviteiten, taalstrategieën
en taalcompetenties van de terreinen Rekenen, Papiamentu en Nederlands als vreemde
taal op representatieve wijze voor alle individuele leerlingen aan bod komen.
Toelichting V2: In de Checklist voor het beoordelen van de kwaliteit van observatie-categorieën en
toetsopgaven staan de constructievoorschriften voor toetsvragen en de vijf kwaliteitscriteria
(relevantie, objectiviteit, efficiëntie, specificiteit en neutraliteit) beschreven.
De toetsopgaven – inclusief ankeropgaven en eventuele zaai-opgaven – moeten hieraan
voldoen voor:
-
○ de wettelijk verplichte domeinen van het terrein Rekenen;
-
○ de wettelijk verplichte (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging van het terrein Papiamentu,
en de – indien van toepassing – optionele (sub)domeinen;
-
○ de wettelijk verplichte taalactiviteiten receptief lezen (inclusief het aspect woordenschat)
en receptief luisteren en kijken van het terrein Nederlands als vreemde taal, en de
– indien van toepassing – optionele productieve en interactieve taalactiviteiten,
taalcompetenties en taalstrategieën.
Indien in de doorstroomtoets ook optionele productieve vaardigheden worden getoetst,
levert de aanbieder een beoordelaarsschema in, aangevuld met informatie over de beoordelaarsovereenstemming.
In het geval een item niet voldoet aan de kwaliteitscriteria voor inhoudsvaliditeit,
moet het betreffende item te worden verwijderd of vervangen. Indien de adviseur twijfelt
over de mate waarin een item voldoet aan de kwaliteitscriteria, wordt de aanbieder
verzocht om te reflecteren op de kwaliteit. Daarnaast moet de aanbieder beargumenteren
door middel van een inhoudelijke en psychometrische onderbouwing waarom de toetsopgave
wel óf niet volledig voldoet aan de kwaliteitscriteria. Dit kan resulteren in één
van de volgende opties:
-
1. de toetsopgave wordt verwijderd;
-
2. de toetsopgave wordt aangepast (minimale aanpassing met weinig impact);
-
3. de toetsopgave wordt – op basis van de inhoudelijke en/of psychometrische onderbouwing
– goedgekeurd.
Indien een opgave op basis van punt 2 of 3 wordt behouden, moet deze toetsopgave bij
de afname gemonitord te worden door de toetsaanbieder. Na de operationele afname analyseert
de toetsaanbieder het functioneren van deze toetsopgave (KF2).
3.3. Terrein Rekenen
Het Referentiekader onderscheidt voor het terrein Rekenen vier wettelijk verplichte
domeinen, te weten Getallen (g), Verhoudingen (vh), Meten en meetkunde (m/mk) en Verbanden
(vb). In de doorstroomtoets moeten alle domeinen getoetst worden. Dit betekent dat
de doorstroomtoets moet voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen aan het terrein Rekenen.
De gestelde vakinhoudelijke kwaliteitseisen voor deze vier domeinen en de vereiste
verdeling van de toetsopgaven over de domeinen in de toetsmatrijs en de toetssamenstelling
zijn opgenomen in de Toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire.
Een individuele rekenopgave kan betrekking hebben op meerdere domeinen van het terrein
Rekenen. In dat geval moet de aanbieder dit duidelijk vermelden, bijvoorbeeld door
te kiezen voor het domein dat het beste past bij het beoogde toetsdoel van de betreffende
opgave. Tevens moet de aanbieder dan toelichten op welke wijze er wordt voldaan aan
de voorgeschreven verdeling van toetsopgaven over de domeinen van het terrein Rekenen.
Voor het terrein Rekenen zijn de referentieniveaus 1F en 1S leidend.
3.3.1. Verdeling toetsopgaven over domeinen in toetsmatrijs en toetssamenstelling
De doorstroomtoets bevat opgaven uit alle domeinen uit het referentiekader Rekenen.
Het betreft de domeinen Getallen (g), Verhoudingen (vh), Meten en meetkunde (m/mk)
en Verbanden (vb).
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen
met JA of N.V.T. worden beantwoord.
De opgaven moeten in de toets als volgt over de domeinen zijn verdeeld:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
D.G
|
Ligt het percentage aangeboden toetsopgaven uit het domein Getallen tussen de 30%
en 40% van het totaal aantal aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen?
|
ja/nee
|
|
D.Vh
|
Ligt het percentage aangeboden toetsopgaven uit het domein Verhoudingen tussen de
20% en 30% van het totaal aantal aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen?
|
ja/nee
|
|
D.M/mk
|
Ligt het percentage aangeboden toetsopgaven uit het domein Meten & meetkunde tussen
de 20% en 30% van het totaal aantal aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen?
|
ja/nee
|
|
D.Vb
|
Ligt het percentage aangeboden toetsopgaven uit het domein Verbanden tussen de 15%
en 20% van het totaal aantal aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen?
|
ja/nee
|
|
D.1
|
Verantwoordt de toetsaanbieder (o.a. met het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden)
op basis van welke beslisregel (het algoritme in het geval van een CAT en het module-design
in het geval van een MST) de vereiste verdeling van toetsopgaven over de domeinen
wordt gehaald?
|
ja/nee/n.v.t.
|
Toelichting D.G t/m D.Vb: De gestelde percentages toetsopgaven per domein gelden voor zowel papieren toetsen,
lineaire digitale toetsen, adaptieve toetsen op itemniveau (CAT) en adaptieve toetsen
op moduleniveau (MST).
Toelichting D.1: Alleen van toepassing bij een digitale adaptieve toets (CAT of MST). Naast het algoritme
of module-design is de werking van de beslisregel aan te tonen door middel van het
opleveren van enkele toetspaden, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd.
3.3.2. Verdeling toetsopgaven over onderdelen
Elk domein is opgebouwd uit drie onderdelen:
-
A. Notatie, taal en betekenis, waarbij het gaat om de uitspraak, schrijfwijze en betekenis
van getallen, symbolen en relaties en om het gebruik van wiskundetaal.
-
B. Met elkaar in verband brengen, waarbij het gaat om het verband tussen begrippen, notaties,
getallen en dagelijks spraakgebruik.
-
C. Gebruiken, waarbij het er om gaat rekenkundige vaardigheden in te zetten bij het oplossen
van problemen.
De toets bevat opgaven uit alle onderdelen.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen
met JA of N.V.T. worden beantwoord.
De relatieve (procentuele) verdeling van opgaven over de onderscheiden onderdelen
is als volgt:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
O.A
|
Is iedere toetsopgave, met uitzondering van onderdeel A, onder één onderdeel geplaatst?
|
ja/nee
|
|
O.B
|
Is het percentage aangeboden toetsopgaven uit onderdeel B ten minste 20 procent van
het totaal aantal aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen?
|
ja/nee
|
|
O.C
|
Is het percentage aangeboden toetsopgaven uit onderdeel C ten minste 30 procent van
het totaal aantal aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen?
|
ja/nee
|
|
O.D
|
Verantwoordt de toetsaanbieder (o.a. met het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden)
op basis van welke beslisregel (het algoritme in het geval van een CAT en het module-design
in het geval van een MST) de vereiste verdeling van toetsopgaven over de onderdelen
wordt gehaald?
|
ja/nee/n.v.t.
|
Toelichting O.A: Voor onderdeel A wordt geen minimum vereist omdat deze inhouden ook kunnen worden
gebruikt en toegepast bij de inhouden van onderdeel B en onderdeel C.
Toelichting O.A t/m O.C: De gestelde percentages toetsopgaven per domein gelden voor zowel papieren toetsen,
lineaire digitale toetsen, computergestuurde adaptieve toetsen op itemniveau (CAT)
en adaptieve toetsen op moduleniveau (MST).
Toelichting O.D: Alleen van toepassing bij een digitale adaptieve toets (CAT of MST). Naast het algoritme
of module-design is de werking van de beslisregel aan te tonen door middel van het
opleveren van enkele toetspaden, die voldoen aan de vereiste verdeling van toetsopgaven
over de onderdelen, zoals die door de beslisregel worden gegenereerd.
3.3.3. Opgaven met en zonder context
In het terrein Rekenen van een doorstroomtoets moeten zowel opgaven met context als
opgaven zonder context (zogenoemde ‘kale opgaven’) worden opgenomen.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen
met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
C1
|
Is minstens 20% en maximaal 35% van alle aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen
een kale opgave?
|
ja/nee
|
|
C2
|
Is minstens 65% en maximaal 80% van alle aangeboden toetsopgaven van het terrein Rekenen
een contextopgave?
|
ja/nee
|
|
C3
|
Verantwoordt de toetsaanbieder (o.a. met het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden)
op basis van welke beslisregel (het algoritme in het geval van een CAT en het module-design
in het geval van een MST) de vereiste percentuele verdelingen zoals in C1 t/m C2 geschetst
worden gehaald?
|
ja/nee/n.v.t.
|
Toelichting C1 t/m C2: De gestelde percentages gelden voor zowel papieren toetsen, lineaire digitale toetsen,
computergestuurde adaptieve toetsen op itemniveau (CAT) en adaptieve toetsen op moduleniveau
(MST).
Toelichting C3: Alleen van toepassing bij een digitale adaptieve toets (CAT of MST). Een toetsaanbieder
van adaptieve toetsen (CAT en MST) toont naast het algoritme of module-design met
de werking van de beslisregel aan, door middel van het opleveren van enkele toetspaden,
zoals die door de beslisregel worden gegenereerd, de vereiste percentuele verdelingen
zoals in C1 t/m C2 geschetst.
3.3.4. Gebruik uitrekenpapier
Kwaliteitseis
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen
met JA worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
K1
|
Mogen de leerlingen bij het beantwoorden van alle (digitale) toetsopgaven fysiek en/of
niet programmeerbaar uitrekenpapier gebruiken?
|
ja/nee
|
|
K2
|
Wordt in de handleiding voor leraren en/of het toetsreglement aangegeven dat zij leerlingen
nadrukkelijk moeten wijzen op het toegestane gebruik van fysiek en/of niet programmeerbaar
uitrekenpapier bij het beantwoorden van alle (digitale) toetsopgaven?
|
ja/nee
|
3.3.5. Gebruik rekenmachine
Kwaliteitseis
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, moet deze vraag met JA
worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
R1
|
Mogen de leerlingen bij maximaal 20% van de (digitale) toetsopgaven een niet-grafische
en/of niet-programmeerbare rekenmachine gebruiken?
|
ja/nee
|
Toelichting: Gebruik van een niet-grafische en/of niet-programmeerbare rekenmachine is bij maximaal
20% van de toetsopgaven toegestaan. Gebruik van een grafische en/of programmeerbare
rekenmachine is niet toegestaan.
3.3.6. Context Bonaire
Kwaliteitseis
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, moeten alle vragen met
JA worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
BR1
|
Zijn alle opgaven en daar bijhorende materialen (zoals teksten en luisterfragmenten)
beschikbaar gesteld in het Nederlands?
|
ja/nee
|
|
BR2
|
Is het Nederlandse taalgebruik in de rekenopgaven voldoende afgestemd op de Bonairiaanse
doelgroep?
|
ja/nee
|
|
BR3
|
Houden de rekenopgaven binnen het domein Meten en Meetkunde voldoende rekening met
de Bonairiaanse context van de onderdelen temperatuur, tijd en geld?
|
ja/nee
|
Toelichting BR1: Het taalgebruik in het terrein Rekenen is volledig het Nederlands. Alle opgaven en
daar bijhorende materialen (zoals teksten en luisterfragmenten) moeten daarom volledig
in het Nederlands beschikbaar worden gesteld.
Toelichting BR2: Het taalgebruik dat gehanteerd wordt voor de rekenopgaven moet afgestemd worden op
de groep leerlingen voor wie de toets bestemd is. In het geval van de doorstroomtoets
po Bonaire betreft het taalgebruik een complex fenomeen, waarin het Nederlands de
instructietaal is, maar als vreemde taal wordt getoetst. Minder algemeen gangbare
begrippen en woorden kunnen worden verduidelijkt in woorden dan wel met geschikt beeldmateriaal.
Hierdoor wordt het taalgebruik een minder belemmerende factor bij het omzetten van
de context naar een rekenwiskundig probleem.
Toelichting BR3: Binnen het domein Meten en Meetkunde horen de onderdelen temperatuur, tijd en geld.
Op Bonaire is er in de dagelijkse context geen sprake van grote temperatuurverschillen.
Leerlingen moeten hier wel bekend mee zijn en berekeningen mee uit kunnen voeren.
Voor het onderdeel tijd is een aandachtspunt dat tijd een ander soort rol speelt in
de Bonairiaanse situatie. Leerlingen zijn minder gericht op horloges en klokkijken
doordat hun dagelijkse situatie dat minder van ze vraagt dan leerlingen in Europees
Nederland. Daarnaast is het belangrijk dat tijden op Bonaire op een andere manier
worden benoemd dan in Europees Nederland. 15:40 uur wordt bijvoorbeeld benoemd als
’20 minuten voor 4 uur’. Ten aanzien van het onderdeel geld is de munteenheid op Bonaire
de Amerikaanse dollar. Deze eenheid moet bij voorkeur bij het onderdeel geldrekenen
gebruikt worden, behalve als het gaat om het omrekenen van koersen.
3.4. Terrein Papiamentu
In de doorstroomtoets po Bonaire worden voor wat betreft het terrein Papiamentu de
wettelijk verplichte domeinen Lezen (paragraaf 3.5.2) en Begrippenlijst en Taalverzorging,
daaronder niet begrepen het subdomein Begrippenlijst, (paragraaf 3.5.3) getoetst.
Aanvullend hierop kunnen optioneel één of meerdere van de domeinen Schrijven (paragraaf
3.5.4) en Mondelinge taalvaardigheid (paragraaf 3.5.5) en het aspect Woordenschat
(paragraaf 3.5.6) worden getoetst. De gestelde vakinhoudelijke kwaliteitseisen zijn
opgenomen in de Toetswijzer voor de doorstroomtoets po Bonaire.
Voor het terrein Papiamentu is alleen het referentieniveau 1F leidend.
3.4.1. Context Bonaire
Kwaliteitseis
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, moet de volgende vraag
met JA worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
BP1
|
Zijn alle opgaven en daar bijhorende materialen (zoals teksten en luisterfragmenten)
beschikbaar gesteld in het Papiamentu?
|
ja/nee
|
Toelichting BP1: Het taalgebruik in het terrein Papiamentu is volledig het Papiamentu. Alle opgaven
en daar bijhorende materialen (zoals teksten en luisterfragmenten) moeten daarom volledig
in het Papiamentu beschikbaar worden gesteld.
3.4.2. Wettelijk verplicht domein: Lezen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: van L1.1 t/m L1.3 moeten tenminste twee van de drie vragen met JA worden beantwoord.
Van L5.1 en L5.2 moet tenminste één van de twee vragen met JA worden beantwoord.
-
2. Tekstkenmerken: vraag L2.1, L.2.2 en L6 moeten met JA worden beantwoord.
-
3. Kenmerken van de taakuitvoering: alle vragen (L3.1 t/m L3.7a en L7.1 t/m L7.4a) moeten
met JA of N.V.T. worden beantwoord.
-
4. Opgavenkenmerken: vraag L4 en L8 moeten met JA worden beantwoord.
3.4.2.1. Subdomein Zakelijke Teksten
Kwaliteitseisen
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
L1.1
|
Lezen de leerlingen minimaal één informatieve tekst en maken ze daar opdrachten bij?
|
ja/nee
|
|
L1.2
|
Lezen de leerlingen minimaal één betogende of beschouwende tekst en maken ze daar
opdrachten bij?
|
ja/nee
|
|
L1.3
|
Lezen de leerlingen minimaal één instructieve tekst en maken ze daar opdrachten bij?
|
ja/nee
|
Tekstkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
L2.1
|
Voldoen de teksten die de leerlingen lezen aan de algemene omschrijving (inhoud en
context) en aan de tekstkenmerken structuur, informatiedichtheid, stijl (zinsbouw
en woordgebruik) en de functie van beeldmateriaal, zoals nader omschreven in het Referentiekader
Papiamentu?
|
ja/nee
|
|
L2.2
|
Zijn de teksten qua inhoud, structuur, lay-out en stijl die de leerlingen lezen divers
en in hun oorsprong zo veel als mogelijk authentiek?
|
ja/nee
|
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
L3.1
|
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering leesdoel bepalen getoetst?
|
ja/nee
|
|
L3.2
|
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering begrijpen en interpreteren getoetst?
|
ja/nee
|
|
L3.3
|
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering woordenschat en strategieën getoetst?
|
ja/nee
|
|
L3.4
|
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering samenvatten getoetst?
|
ja/nee
|
|
L3.5
|
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering opzoeken getoetst?
|
ja/nee
|
|
L3.6
|
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering evalueren getoetst?
|
ja/nee
|
|
L3.7
|
Worden in de toets de verschillende kenmerken van de taakuitvoering evenwichtig getoetst
binnen het subdomein zakelijke teksten?
|
ja/nee
|
|
L3.7a
|
Verantwoordt de toetsaanbieder (o.a. met het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden)
op basis van welke beslisregel (het algoritme in het geval van een CAT en het module-design
in het geval van een MST) wordt gegarandeerd dat een evenwichtige verdeling tussen
opgaven rond zakelijke teksten wordt behaald?
|
ja/nee/n.v.t.
|
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
L4
|
Wordt in de formulering van de opgaven gebruik gemaakt van relevante begrippen uit
de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader Papiamentu en wel met name uit de categorieën
Taal en communicatie, Teksten, Literatuur, Betekenis en (Taal)leerproces?
|
ja/nee
|
Toelichting L2.2: Qua inhoud, structuur, lay-out en stijl zijn de teksten die de leerlingen lezen divers.
De teksten zijn in hun oorsprong zoveel mogelijk authentiek; dat neemt niet weg dat
aanpassingen mogelijk of noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld ten behoeve van betere aansluiting
bij het niveau of ten behoeve van mogelijke opgaven.
Toelichting L3.7: Evenwichtig wil zeggen dat de in L3.1 tot en met L3.6 genoemde kenmerken gezamenlijk
een representatieve weergave zijn van de inhoud van het betreffende subdomein van
het terrein Papiamentu.
Toelichting L3.7a: Alleen van toepassing bij een digitale adaptieve toets (CAT of MST). Naast het algoritme
of module-design moet de werking van de beslisregel worden aangetoond door middel
van het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden, zoals die door de beslisregel
worden gegenereerd.
Toelichting L4: De aanbieder levert o.a. een overzicht met daarin per categorie de gebruikte begrippen
uit de Begrippenlijst van het Referentiekader Papiamentu verdeeld over de kenmerken
van de taakuitvoering.
3.4.2.2. Subdomein Fictionele teksten
Kwaliteitseisen
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
L5.1
|
Lezen de leerlingen minimaal één verhalende tekst en maken ze daar opdrachten bij?
|
ja/nee
|
|
L5.2
|
Lezen de leerlingen minimaal één poëzietekst en maken ze daar opdrachten bij?
|
ja/nee
|
Tekstkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
L6
|
Voldoen de teksten die de leerlingen lezen aan algemene omschrijving (inhoud en context)
en aan de tekstkenmerken structuur, stijl en de functie van beeldmateriaal, zoals
nader omschreven in het Referentiekader Papiamentu?
|
ja/nee
|
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
L7.1
|
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering ‘begrijpen en interpreteren: kenmerken
van fictie’ getoetst?
|
ja/nee
|
|
L7.2
|
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering ‘begrijpen en interpreteren: tekstsoorten’
getoetst?
|
ja/nee
|
|
L7.3
|
Wordt in de toets als kenmerk van de taakuitvoering ‘relatie tekst – werkelijkheid’
getoetst?
|
ja/nee
|
|
L7.4
|
Worden in de toets de verschillende kenmerken van de taakuitvoering evenwichtig getoetst
binnen het subdomein fictionele, narratieve en literaire teksten?
|
ja/nee
|
|
L7.4a
|
Verantwoordt de toetsaanbieder (o.a. met het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden)
op basis van welke beslisregel (het algoritme in het geval van een CAT en het module-design
in het geval van een MST) wordt gegarandeerd dat een evenwichtige verdeling tussen
opgaven rond fictionele, narratieve en literaire teksten wordt behaald?
|
ja/nee/n.v.t.
|
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
L8
|
Wordt in de formulering van de opgaven gebruik gemaakt van relevante begrippen uit
de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader Papiamentu en wel met name uit de categorieën
Taal en communicatie, Teksten, Literatuur, Betekenis en (Taal)leerproces.
|
ja/nee
|
Toelichting L7.4: Evenwichtig wil zeggen dat de in L7.1 t/m L7.3 genoemde kenmerken gezamenlijk een
representatieve weergave zijn van de inhoud van het betreffende subdomein van het
terrein Papiamentu.
Toelichting L7.4a: Alleen van toepassing bij een digitale adaptieve toets (CAT of MST). Naast het algoritme
of module-design moet de werking van de beslisregel worden aangetoond door middel
van het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden, zoals die door de beslisregel
worden gegenereerd.
3.4.3. Wettelijk verplicht subdomein: Taalverzorging
Kwaliteitseisen
De leerlingen worden getoetst op verschillende taalverzorgingscategorieën, zoals gespecificeerd
in TV1 t/m TV4.
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten de vragen TV1 t/m TV4 met
JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
TV1
|
Worden de leerlingen getoetst op verschillende categorieën van spellingsproblemen
en -regels?
|
ja/nee
|
|
TV1.a
|
Worden de leerlingen getoetst op regels voor lettergreepgrenzen?
|
ja/nee
|
|
TV1.b
|
Worden de leerlingen getoetst op regels voor woordgrenzen?
|
ja/nee/n.v.t.
|
|
TV1.c
|
Worden de leerlingen getoetst op overige regels?
|
ja/nee/n.v.t.
|
|
TV1.d
|
Worden de leerlingen getoetst op interpunctie (hoofdletters en leestekens)?
|
ja/nee
|
|
TV2
|
Verantwoordt de toetsaanbieder dat er een evenwichtige verdeling is van opgaven binnen
en tussen spelling en interpunctie?
|
ja/nee
|
|
TV3
|
Verantwoordt de toetsaanbieder (o.a. met het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden)
op basis van welke beslisregel (het algoritme in het geval van een CAT en het module-design
in het geval van een MST) wordt gegarandeerd dat een evenwichtige verdeling tussen
opgaven rond spelling en interpunctie wordt behaald?
|
ja/nee/n.v.t.
|
|
TV4
|
Worden de spelling en interpunctieopgaven voldoende actief getoetst m.b.v. dictee-opgaven?
|
ja/nee
|
Toelichting TV1.b en TV1.c: Deze kwaliteitseisen toetsen inhouden op 2F niveau. Deze twee kwaliteitseisen kunnen
daarom met niet van toepassing worden beantwoord aangezien de doorstroomtoets po Bonaire
vooralsnog het 1F niveau toetst.
Toelichting TV2: Evenwichtig wil zeggen dat de in TV1.a tot en met TV1.d genoemde categorieën van
spellingsregels gezamenlijk een representatieve weergave zijn van de inhoud van het
betreffende subdomein Taalverzorging van het terrein Papiamentu.
Toelichting TV3: Alleen van toepassing bij een digitale adaptieve toets (CAT of MST). Naast het algoritme
of module-design moet de werking van de beslisregel worden aangetoond door middel
van het opleveren van enkele (voorbeeld)toetspaden, zoals die door de beslisregel
worden gegenereerd.
Toelichting TV4: Spelling en interpunctie moeten voornamelijk actief getoetst worden, m.b.v. dictee-opgaven.
De toets spelling kan tevens een aantal meerkeuzeopgaven omvatten (passieve toetsing);
deze opgaven zijn dan echter indicatief voor een niveau boven 1F.
3.4.4. Optioneel domein: Schrijven
Kwaliteitseisen schrijven via indirecte meting
Beslisregel schrijven indirecte meting:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: S1.1 moet met JA worden beantwoord. van S1.2 t/m S1.5 moeten tenminste drie
van de vier vragen met JA worden beantwoord.
-
2. Kenmerken van de taakuitvoering: de vragen bij S2 moeten met JA worden beantwoord.
-
3. Opgavenkenmerken: de vraag S3 moet met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
S1.1
|
Voldoen de gebruikte tekstsoorten aan de algemene omschrijving uit het RKP?
|
ja/nee
|
|
S1.2
|
Lezen de leerlingen tekstsoorten uit de schrijftakencategorie: informatieve teksten?
|
ja/nee
|
|
S1.3
|
Lezen de leerlingen tekstsoorten uit de schrijftakencategorie: betogende en beschouwende
teksten?
|
ja/nee
|
|
S1.4
|
Lezen de leerlingen tekstsoorten uit de schrijftakencategorie: instructieve teksten?
|
ja/nee
|
|
S1.5
|
Lezen de leerlingen tekstsoorten uit de schrijftakencategorie: expressieve teksten?
|
ja/nee
|
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
S2.1
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze teksten reviseren of beoordelen op het kenmerk
van de taakuitvoering: afstemming op doel?
|
ja/nee
|
|
S2.2
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze teksten reviseren of beoordelen op het kenmerk
van de taakuitvoering: afstemming op publiek?
|
ja/nee
|
|
S2.3
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze teksten reviseren of beoordelen op het kenmerk
van de taakuitvoering: afstemming op samenhang?
|
ja/nee
|
|
S2.4
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze teksten reviseren of beoordelen op het kenmerk
van de taakuitvoering: woordgebruik en zinsbouw?
|
ja/nee
|
|
S2.5
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze teksten reviseren of beoordelen op het kenmerk
van de taakuitvoering: vormgeving?
|
ja/nee
|
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
S3
|
Wordt in de formulering van de opgaven gebruik gemaakt van relevante begrippen uit
de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader en wel met name uit de categorieën
Taal en communicatie, Teksten, Literatuur en Betekenis?
|
ja/nee
|
Kwaliteitseisen schrijven directe meting
Beslisregel schrijven directe meting:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: S4.1 en S4.2 moeten met JA worden beantwoord. Van S4.3 en S4.4 moet tenminste
één van de twee vragen met JA worden beantwoord.
-
2. Kenmerken van de taakuitvoering: de vragen bij S5 moeten met JA worden beantwoord.
-
3. Opgavenkenmerken: de vragen S6.1 en S6.2 moeten met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
S4.1
|
Schrijven de leerlingen minimaal twee tekstvormen uit de schrijftakencategorie: informatieve
teksten?
|
ja/nee
|
|
S4.2
|
Schrijven de leerlingen minimaal twee tekstvormen uit de schrijftakencategorie: betogende
en beschouwende teksten?
|
ja/nee
|
|
S4.3
|
Schrijven de leerlingen minimaal twee tekstvormen uit de schrijftakencategorie: instructieve
teksten?
|
ja/nee
|
|
S4.4
|
Schrijven de leerlingen minimaal twee tekstvormen uit de schrijftakencategorie: expressieve
teksten?
|
ja/nee
|
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
S5.1
|
Worden de teksten die de leerlingen schrijven beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering:
afstemming op doel?
|
ja/nee
|
|
S5.2
|
Worden de teksten die de leerlingen schrijven beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering:
afstemming op publiek?
|
ja/nee
|
|
S5.3
|
Worden de teksten die de leerlingen schrijven beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering:
samenhang?
|
ja/nee
|
|
S5.4
|
Worden de teksten die de leerlingen schrijven beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering:
woordgebruik en zinsopbouw?
|
ja/nee
|
|
S5.5
|
Worden de teksten die de leerlingen schrijven beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering:
vormgeving?
|
ja/nee
|
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
S6.1
|
Voldoen onderwerp en context van de schrijfopdrachten aan de algemene omschrijving
van het RKP?
|
ja/nee
|
|
S6.2
|
Wordt in de formulering van de opdracht gebruik gemaakt van relevante begrippen uit
de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader en wel met name uit de categorieën
Taal en communicatie, Teksten, Literatuur en Betekenis.
|
ja/nee
|
3.4.5. Optioneel domein: Mondelinge taalvaardigheid
Kwaliteitseisen mondelinge taalvaardigheid via indirecte meting
A. Subdomein Gesprekken
Kwaliteitseisen
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid indirecte meting, subdomein Gesprekken:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: van M1.1 t/m M1.3 moeten twee van de drie vragen met JA worden beantwoord.
-
2. Kenmerken van de taakuitvoering: de vragen M2.1 t/m M2.5 moeten met JA worden beantwoord.
M2.6 mag met JA of NEE worden beantwoord.
-
3. Opgavenkenmerken: de vraag M3 moet met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M1.1
|
Luisteren en beoordelen de leerlingen gesprekken uit de takencategorie: informatieve
gesprekken?
|
ja/nee
|
|
M1.2
|
Luisteren en beoordelen de leerlingen gesprekken uit de takencategorie: betogende
gesprekken?
|
ja/nee
|
|
M1.3
|
Luisteren en beoordelen de leerlingen gesprekken uit de takencategorie: menings- en
besluitvormende gesprekken?
|
ja/nee
|
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M2.1
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze gesprekken beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering:
afstemming op doel?
|
ja/nee
|
|
M2.2
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze gesprekken beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering:
afstemming op gesprekspartner(s)?
|
ja/nee
|
|
M2.3
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze gesprekken beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering:
beurten nemen en bijdragen aan samenhang?
|
ja/nee
|
|
M2.4
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze gesprekken beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering:
woordgebruik?
|
ja/nee
|
|
M2.5
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze gesprekken beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering:
non-verbale communicatie?
|
ja/nee
|
|
M2.6
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze gesprekken beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering:
spreektechniek en zinsbouw?
|
ja/nee
|
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M3
|
Wordt in de formulering van de opgaven gebruik gemaakt van relevante begrippen uit
de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader en wel met name uit de categorieën
Taal en communicatie, Teksten, Betekenis en Klanken.
|
ja/nee
|
B. Subdomein Spreken
Kwaliteitseisen
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid indirecte meting, subdomein Spreken:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: van M4.1 t/m M4.4 moeten twee van de vier vragen met JA worden beantwoord (taak
is minimaal één keer aanwezig).
-
2. Kenmerken van de taakuitvoering: de vragen M5.1 t/m M5.6 moeten met JA worden beantwoord.
M5.7 mag met JA of NEE worden beantwoord.
-
3. Opgavenkenmerken: de vraag M6 moet met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M4.1
|
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: informatieve teksten?
|
ja/nee
|
|
M4.2
|
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: betogende en beschouwende teksten?
|
ja/nee
|
|
M4.3
|
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: instructieve teksten?
|
ja/nee
|
|
M4.4
|
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: expressieve teksten?
|
ja/nee
|
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M5.1
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering:
samenhang?
|
ja/nee
|
|
M5.2
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering:
afstemming op doel?
|
ja/nee
|
|
M5.3
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering:
afstemming op publiek?
|
ja/nee
|
|
M5.4
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering:
woordgebruik?
|
ja/nee
|
|
M5.5.
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering:
non-verbale communicatie?
|
ja/nee
|
|
M5.6
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering:
visuele ondersteuning?
|
ja/nee
|
|
M5.7
|
Maken leerlingen opgaven waarin ze beoordelen op het kenmerk van de taakuitvoering:
spreektechniek en zinsbouw?
|
ja/nee
|
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M6
|
Wordt in de formulering van de opgaven gebruik gemaakt van relevante begrippen uit
de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader en wel met name uit de categorieën
Taal en communicatie, Teksten, Betekenis en Klanken?
|
ja/nee
|
Kwaliteitseisen mondelinge taalvaardigheid via directe meting
A. Subdomein Gesprekken
Kwaliteitseisen
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid directe meting, subdomein Gesprekken:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: van M7.1 t/m M7.3 moeten twee van de drie vragen met JA worden beantwoord (taak
is minimaal één keer aanwezig).
-
2. Kenmerken van de taakuitvoering: de vragen M8.1 t/m M8.6 moeten met JA worden beantwoord.
M8.7 mag met JA of NEE worden beantwoord.
-
3. Opgavenkenmerken: de vragen bij M9 moet met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M7.1
|
Nemen de leerlingen deel aan gesprekken uit de takencategorie: informatieve gesprekken?
|
ja/nee
|
|
M7.2
|
Nemen de leerlingen deel aan gesprekken uit de takencategorie: betogende gesprekken?
|
ja/nee
|
|
M7.3
|
Nemen de leerlingen deel aan gesprekken uit de takencategorie: menings- en besluitvormende
gesprekken?
|
ja/nee
|
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M8.1
|
Worden de gesprekken die leerlingen voeren beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering:
gespreksstrategie en inhoud bepalen?
|
ja/nee
|
|
M8.2
|
Worden de gesprekken die leerlingen voeren beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering:
afstemming op doel?
|
ja/nee
|
|
M8.3
|
Worden de gesprekken die leerlingen voeren beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering:
afstemming op de gesprekspartner(s)?
|
ja/nee
|
|
M8.4
|
Worden de gesprekken die leerlingen voeren beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering:
beurten nemen en bijdragen aan samenhang?
|
ja/nee
|
|
M8.5
|
Worden de gesprekken die leerlingen voeren beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering:
woordgebruik?
|
ja/nee
|
|
M8.6
|
Worden de gesprekken die leerlingen voeren beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering:
non-verbale communicatie?
|
ja/nee
|
|
M8.7
|
Worden de gesprekken die leerlingen voeren beoordeeld op het kenmerk van de taakuitvoering:
spreektechniek en zinsbouw?
|
ja/nee
|
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M9.1
|
Voldoen onderwerp en context van de opdrachten aan de algemene omschrijving van het
RKP?
|
ja/nee
|
|
M9.2
|
Wordt in de formulering van de opdracht gebruik gemaakt van relevante begrippen uit
de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader en wel met name uit de categorieën
Taal en communicatie, Teksten, Betekenis en Klanken?
|
ja/nee
|
B. Subdomein Luisteren
Kwaliteitseisen
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid directe meting, subdomein Luisteren:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: van M10.1 t/m M10.4 moeten drie van de vier vragen met JA worden beantwoord
(taak is minimaal één keer aanwezig).
-
2. Tekstkenmerken: de vragen bij M11 moeten met JA worden beantwoord.
-
3. Kenmerken van de taakuitvoering: de vragen M12.1 t/m M12.3 moeten met JA worden beantwoord.
M12.4 mag met JA of NEE worden beantwoord.
-
4. Opgavenkenmerken: de vraag M13 moet met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M10.1
|
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: informatieve teksten?
|
ja/nee
|
|
M10.2
|
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: betogende en beschouwende teksten?
|
ja/nee
|
|
M10.3
|
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: instructieve teksten?
|
ja/nee
|
|
M10.4
|
Luisteren en maken leerlingen opdrachten bij: expressieve teksten?
|
ja/nee
|
Tekstkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M11.1
|
Voldoen de teksten die de leerlingen luisteren aan de algemene omschrijving (inhoud
en context) en aan de tekstkenmerken structuur, informatiedichtheid, stijl (zinsbouw
en informatiedichtheid), tekstlengte, relatie tussen gesproken tekst en beeld, tempo,
accent en articulatie zoals nader omschreven in het Referentiekader?
|
ja/nee
|
|
M11.2
|
Betreffen de teksten zowel video- én audiofragmenten?
|
ja/nee
|
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M12.1
|
Wordt tijdens het luisteren getoetst of leerlingen de luistertekst kunnen: begrijpen
en interpreteren?
|
ja/nee
|
|
M12.2
|
Wordt tijdens het luisteren getoetst of leerlingen van de luistertekst beheersen:
woordenschat en strategieën?
|
ja/nee
|
|
M12.3
|
Wordt tijdens het luisteren getoetst of leerlingen de luistertekst kunnen: samenvatten?
|
ja/nee
|
|
M12.4
|
Wordt tijdens het luisteren getoetst of leerlingen de luistertekst kunnen: evalueren?
|
ja/nee
|
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M13
|
Wordt in de formulering van de opgaven gebruik gemaakt van relevante begrippen uit
de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader en wel met name uit de categorieën
Taal en communicatie, Teksten, Literatuur, Betekenis en (Taal)leerproces?
|
ja/nee
|
C. Subdomein Spreken
Kwaliteitseisen
Beslisregel mondelinge taalvaardigheid directe meting, subdomein Spreken:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: minimaal 2 van de 4 vragen bij M14 moeten met JA worden beantwoord.
-
2. Kenmerken van de taakuitvoering: de vragen M15.1 t/m M15.7 moeten met JA of N.V.T.
worden beantwoord. M15.8 mag met JA of NEE worden beantwoord.
-
3. Opgavenkenmerken: de vragen bij M16 moeten met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M14.1
|
Voeren leerlingen spreektaken uit bij: informatieve teksten?
|
ja/nee
|
|
M14.2
|
Voeren leerlingen spreektaken uit bij: betogende en beschouwende teksten?
|
ja/nee
|
|
M14.3
|
Voeren leerlingen spreektaken uit bij: instructieve teksten?
|
ja/nee
|
|
M14.4
|
Voeren leerlingen spreektaken uit bij: expressieve teksten?
|
ja/nee
|
Kenmerken van de taakuitvoering:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M15.1
|
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: spreekstrategie
en inhoud bepalen?
|
ja/nee
|
|
M15.2
|
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: samenhang?
|
ja/nee
|
|
M15.3
|
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op
doel?
|
ja/nee
|
|
M15.4
|
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: afstemming op
publiek?
|
ja/nee
|
|
M15.5
|
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: woordgebruik?
|
ja/nee
|
|
M15.6
|
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: non-verbale communicatie?
|
ja/nee
|
|
M15.7
|
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: visuele ondersteuning?
|
ja/nee/n.v.t.
|
|
M15.8
|
Wordt de spreektaak beoordeeld op de kenmerk van de taakuitvoering: spreektechniek
en zinsbouw?
|
ja/nee
|
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
M16.1
|
Voldoen onderwerp en context van de opdrachten aan de algemene omschrijvingen van
het RKP?
|
ja/nee
|
|
M16.2
|
Wordt in de formulering van de opdracht gebruik gemaakt van relevante begrippen uit
de Begrippenlijst (1F) van het Referentiekader en wel met name uit de categorieën
Taal en communicatie, Teksten, Betekenis en Klanken?
|
ja/nee
|
3.4.6. Optioneel: Woordenschat
Kwaliteitseis
Beslisregel Woordenschat:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, geldt de volgende beslisregel:
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
W1
|
Worden de leerlingen getoetst met opgaven die te herleiden zijn tot aanduidingen van
woordenschat binnen de domeinen mondelinge taalvaardigheid, lezen en schrijven van:
○ het tekstkenmerk ‘stijl’ (waaronder woordgebruik) bij luisteren en lezen;
○ de kenmerken van de taakuitvoering: ‘woordgebruik’ bij gesprekken, spreken en schrijven;
‘woordenschat en -strategieën’ bij luisteren en lezen?
|
ja/nee
|
|
W2
|
Hebben de opgaven betrekking op zowel inhouds- als functiewoorden en op zowel minder
frequente alledaagse woorden (inclusief uitdrukkingen) als algemene schooltaalwoorden?
|
ja/nee
|
|
W3
|
Hebben de opgaven betrekking op zowel de breedte als de diepte van de woordenschat?
|
ja/nee
|
|
W4
|
Maken woordafleidstrategieën geen deel uit van de woordenschat opgaven (aangezien
deze al in het kader van lezen worden getoetst)?
|
ja/nee
|
3.5. Terrein Nederlands als vreemde taal
In de doorstroomtoets po Bonaire wordt voor wat betreft het terrein Nederlands als
vreemde taal de wettelijk verplichte taalactiviteiten receptief Lezen (§ 3.6.2) (inclusief
het aspect Woordenschat (§ 3.6.3)) en receptief Luisteren en kijken (§ 3.6.4) getoetst.
Aanvullend hierop kunnen optioneel de productieve en interactieve activiteiten spreken
(§ 3.6.5), gesprekken voeren (§ 3.6.6), en schrijven (§ 3.6.7), taalstrategieën (§ 3.6.8)
en taalcompetenties (§ 3.6.9) worden getoetst.
Voor het terrein Nederlands als vreemde taal zijn de ERK-niveau A2 en B1 leidend.
3.5.1. Context Bonaire
Kwaliteitseis
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, moet de volgende vraag
met JA worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
BN1
|
Zijn alle opgaven en daar bijhorende materialen (zoals teksten en luisterfragmenten)
beschikbaar gesteld in het Nederlands?
|
ja/nee
|
Toelichting BN1: Het taalgebruik in het terrein Nederlands als vreemde taal is volledig het Nederlands.
Alle opgaven en daar bijhorende materialen (zoals teksten en luisterfragmenten) moeten
daarom volledig in het Nederlands beschikbaar worden gesteld.
3.5.2. Wettelijk verplichte taalactiviteit: receptief Lezen
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: van LZ1.1 t/m LZ1.4 moeten tenminste drie van de vier vragen met JA worden
beantwoord.
-
2. Tekstkenmerken: de vragen bij LZ2.1 en LZ2.2 dienen met JA te worden beantwoord. Bij
LZ2.3 t/m LZ2.6 moeten tenminste drie van de vier vragen met JA worden beantwoord.
-
3. Opgavenkenmerken: Bij LZ3.1 t/m LZ3.4 moeten tenminste drie van de vier vragen met
JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
LZ1.1
|
Lezen leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie
met leesactiviteit: correspondentie lezen?
|
ja/nee
|
|
LZ1.2
|
Lezen leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie
met leesactiviteit: oriënterend lezen?
|
ja/nee
|
|
LZ1.3
|
Lezen leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie
met leesactiviteit: lezen ter informatie en argumentatie?
|
ja/nee
|
|
LZ1.4
|
Lezen leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie
met leesactiviteit: instructies lezen?
|
ja/nee
|
Tekstkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
LZ2.1
|
Lezen de leerlingen en maken zij opdrachten bij teksten van minimaal 3 van de verschillende
subcategorieën met leesactiviteiten behorende bij het niveau A2 én B1?
|
ja/nee
|
|
LZ2.2
|
Sluiten de teksten aan bij de Bonairiaanse context?
|
ja/nee
|
|
LZ2.3
|
Sluiten de teksten die de leerlingen lezen aan bij de algemene omschrijvingen van
leesvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en de hoofdkenmerken
voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met leesactiviteit: correspondentie
lezen?
|
ja/nee
|
|
LZ2.4
|
Sluiten de teksten die de leerlingen lezen aan bij de algemene omschrijvingen van
leesvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en de hoofdkenmerken
voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met leesactiviteit: oriënterend
lezen?
|
ja/nee
|
|
LZ2.5
|
Sluiten de teksten die de leerlingen lezen aan bij de algemene omschrijvingen van
leesvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en hoofdkenmerken voor
de verschillende niveaus voor de subcategorie met leesactiviteit: lezen ter informatie
en argumentatie?
|
ja/nee
|
|
LZ2.6
|
Sluiten de teksten die de leerlingen lezen aan bij de algemene omschrijvingen van
leesvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en hoofdkenmerken voor
de verschillende niveaus voor de subcategorie met leesactiviteit: instructies lezen?
|
ja/nee
|
Toelichting LZ2.2: Bij de keuze van onderwerpen van de leesteksten worden de criteria ‘vertrouwde, alledaagse
onderwerpen’ en ‘van persoonlijk belang’ nader geduid als ‘passend bij de Caribische
context’. Deze context wordt gekenmerkt door bijvoorbeeld de ligging en geografie
van Bonaire, de meertalige situatie, en door culturele en talige aspecten van het
maatschappelijke verkeer.
Toelichting LZ2.3 t/m LZ2.6: In de toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire staan de algemene omschrijvingen van
leesvaardigheid, sleutelbegrippen en hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus
beschreven.
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
LZ3.1
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
leesvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de subcategorie
met leesactiviteit: correspondentie lezen?
|
ja/nee
|
|
LZ3.2
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
leesvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de subcategorie
met leesactiviteit: oriënterend lezen?
|
ja/nee
|
|
LZ3.3
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
leesvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de subcategorie
met leesactiviteit: lezen ter informatie en argumentatie?
|
ja/nee
|
|
LZ3.4
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
leesvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de subcategorie
met leesactiviteit: instructies lezen?
|
ja/nee
|
Toelichting LZ3.1 t/m LZ3.4: In de toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire staan de algemene omschrijvingen van
leesvaardigheid en can-do statements voor de verschillende niveaus beschreven.
3.5.3. Wettelijk verplicht aspect: Woordenschat receptief Lezen
Woordenschat komt in het ERK aan bod bij receptief communicatieve taalstrategieën
en bij communicatieve taalcompetenties onder de noemers ‘bereik’ en ‘beheersing’.
De toetswijzer schrijft voor dat Woordenschat wordt meegenomen als aspect van receptief
lezen. Dit betekent dat het aan bod komt in de context van het lezen van teksten.
Voor Woordenschat wordt geen aparte cesuur opgesteld maar er wordt wel voor dit specifieke
aspect gerapporteerd binnen de vaardigheid receptief lezen.
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: van de vragen WO1.1 t/m WO1.4 moeten 3 van de 4 vragen met JA worden beantwoord.
Van de vragen WO1.5 t/m WO1.8 moeten ook 3 van de 4 vragen met JA worden beantwoord.
-
2. Tekstkenmerken: Indien een vraag bij WO1 met JA is beantwoord, moet de congruerende
vraag bij WO2 ook met JA worden beantwoord. De eventuele overige vraag kan met NEE
worden beantwoord.
-
3. Opgavenkenmerken: Indien een vraag bij WO1 met JA is beantwoord, moet de congruerende
vraag bij WO3 ook met JA worden beantwoord. De eventuele overige vraag kan met NEE
worden beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
WO1.1
|
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen
en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: correspondentie
lezen?
|
ja/nee
|
|
WO1.2
|
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen
en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: oriënterend
lezen?
|
ja/nee
|
|
WO1.3
|
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen
en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: lezen ter
informatie en argumentatie?
|
ja/nee
|
|
WO1.4
|
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen
en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: instructies
lezen?
|
ja/nee
|
|
WO1.5
|
Maken leerlingen minimaal 1 opdracht voor bereik en/of beheersing van de woordenschat
bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: correspondentie lezen?
|
ja/nee
|
|
WO1.6
|
Maken leerlingen minimaal 1 opdracht voor bereik en/of beheersing van de woordenschat
bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: oriënterend lezen?
|
ja/nee
|
|
WO1.7
|
Maken leerlingen minimaal 1 opdracht voor bereik en/of beheersing van de woordenschat
bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: lezen ter informatie
en argumentatie?
|
ja/nee
|
|
WO1.8
|
Maken leerlingen minimaal 1 opdracht voor bereik en/of beheersing van de woordenschat
bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met leesactiviteit: instructies lezen?
|
ja/nee
|
Tekstkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
WO2.1
|
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte
niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie
met leesactiviteit: correspondentie lezen?
|
ja/nee
|
|
WO2.2
|
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte
niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie
met leesactiviteit: oriënterend lezen?
|
ja/nee
|
|
WO2.3
|
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte
niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie
met leesactiviteit: lezen ter informatie en argumentatie?
|
ja/nee
|
|
WO2.4
|
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte
niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie
met leesactiviteit: instructies lezen?
|
ja/nee
|
|
WO2.5
|
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte
niveaus voor bereik en/of beheersing van de woordenschat van de subcategorie met leesactiviteit:
correspondentie lezen?
|
ja/nee
|
|
WO2.6
|
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte
niveaus voor bereik en/of beheersing van de woordenschat van de subcategorie met leesactiviteit:
oriënterend lezen?
|
ja/nee
|
|
WO2.7
|
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte
niveaus voor bereik en/of beheersing van de woordenschat van de subcategorie met leesactiviteit:
lezen ter informatie en argumentatie?
|
ja/nee
|
|
WO2.8
|
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling leest aan bij de sleutelbegrippen voor de geschikte
niveaus voor bereik en/of beheersing van de woordenschat van de subcategorie met leesactiviteit:
instructies lezen?
|
ja/nee
|
Toelichting WO2.1 t/m W2.8: De sleutelbegrippen voor WO2.1 t/m WO2.8 zijn te vinden in het ERK via: https://taalunie.org/publicaties/216/gemeenschappelijk-europees-referentiekader-voor-talen-leren-onderwijzen-beoordelen.
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
WO3.1
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte
niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met
leesactiviteit: correspondentie lezen?
|
ja/nee
|
|
WO3.2
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte
niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met
leesactiviteit: oriënterend lezen?
|
ja/nee
|
|
WO3.3
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte
niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met
leesactiviteit: lezen ter informatie en argumentatie?
|
ja/nee
|
|
WO3.4
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte
niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met
leesactiviteit: instructies lezen?
|
ja/nee
|
|
WO3.5
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijving van linguïstisch
bereik en de can-do statements van het geschikte niveau voor bereik en/of beheersing
van de woordenschat van de subcategorie met leesactiviteit: correspondentie lezen?
|
ja/nee
|
|
WO3.6
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijving van linguïstisch
bereik en de can-do statements van het geschikte niveau voor bereik en/of beheersing
van de woordenschat van de subcategorie met leesactiviteit: oriënterend lezen?
|
ja/nee
|
|
WO3.7
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijving van linguïstisch
bereik en bij de can-do statements van het geschikte niveau voor bereik en/of beheersing
van de woordenschat de subcategorie met leesactiviteit: lezen ter informatie en argumentatie?
|
ja/nee
|
|
WO3.8
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij bij de algemene omschrijving van
linguïstisch bereik en de can-do statements van het geschikte niveau voor bereik en/of
beheersing van de woordenschat van de subcategorie met leesactiviteit: instructies
lezen?
|
ja/nee
|
Toelichting WO3.1 t/m W3.8: De algemene omschrijving van linguïstisch bereik en de can-do statements voor WO3.1
t/m WO3.8 zijn te vinden in het ERK via: https://taalunie.org/publicaties/216/gemeenschappelijk-europees-referentiekader-voor-talen-leren-onderwijzen-beoordelen.
3.5.4. Wettelijk verplichte taalactiviteit: receptief Luisteren en kijken
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: van LU1.1 t/m LU1.5 moeten tenminste vier van de vijf vragen met JA worden
beantwoord.
-
2. Tekstkenmerken: van LU2.1 t/m LU2.5 moeten tenminste vier van de vijf vragen met JA
worden beantwoord. De vragen bij LU2.6 en LU2.7 moeten met JA worden beantwoord.
-
3. Opgavenkenmerken: van LU3.1 t/m LU3.5 moeten tenminste vier van de vijf vragen met
JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
LU1.1
|
Luisteren leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie
met luister- en kijkactiviteit: gesprek tussen andere sprekers begrijpen?
|
ja/nee
|
|
LU1.2
|
Luisteren leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie
met luister- en kijkactiviteit: luisteren als lid van een aanwezig publiek?
|
ja/nee
|
|
LU1.3
|
Luisteren leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie
met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar mededelingen en instructies?
|
ja/nee
|
|
LU1.4
|
Luisteren leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie
met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar radio en geluidsopnamen?
|
ja/nee
|
|
LU1.5
|
Luisteren leerlingen en maken zij opdrachten bij minimaal 1 tekst van de subcategorie
met luister- en kijkactiviteit: tv, film en video kijken?
|
ja/nee
|
Tekstkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
LU2.1
|
Sluiten de teksten die de leerlingen luisteren aan bij de algemene omschrijvingen
van luister- en kijkvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en
de hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met luister-
en kijkactiviteit: gesprek tussen andere sprekers begrijpen?
|
ja/nee
|
|
LU2.2
|
Sluiten de teksten die de leerlingen luisteren aan bij de algemene omschrijvingen
van luister- en kijkvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en
de hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met luister-
en kijkactiviteit: luisteren als lid van een aanwezig publiek?
|
ja/nee
|
|
LU2.3
|
Sluiten de teksten die de leerlingen luisteren aan bij de algemene omschrijvingen
van luister- en kijkvaardigheid (qua niveau en onderwerp, de sleutelbegrippen en de
hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met luister- en
kijkactiviteit: luisteren naar mededelingen en instructies?
|
ja/nee
|
|
LU2.4
|
Sluiten de teksten die de leerlingen luisteren aan bij de algemene omschrijvingen
van luister- en kijkvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en
de hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met luister-
en kijkactiviteit: luisteren naar radio en geluidsopnamen?
|
ja/nee
|
|
LU2.5
|
Sluiten de teksten die de leerlingen luisteren aan bij de algemene omschrijvingen
van luister- en kijkvaardigheid (qua niveau en onderwerp), de sleutelbegrippen en
de hoofdkenmerken voor de verschillende niveaus voor de subcategorie met luister-
en kijkactiviteit: tv, film en video kijken?
|
ja/nee
|
|
LU2.6
|
Luisteren de leerlingen en maken zij opdrachten bij teksten van minimaal 4 van de
verschillende subcategorieën met luister- en kijkactiviteiten behorende bij het niveau
A2 én B1?
|
ja/nee
|
|
LU2.7
|
Sluiten de teksten aan bij de Bonairiaanse context?
|
ja/nee
|
Toelichting LU2.1 t/m LU2.5: In de toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire staan de algemene omschrijvingen van
luister- en kijkvaardigheid (qua niveau en onderwerp), sleutelbegrippen en hoofdkenmerken
voor de verschillende niveaus beschreven.
Toelichting LU2.7: Bij de keuze van onderwerpen van de luisterteksten worden de criteria ‘vertrouwde,
alledaagse onderwerpen’ en ‘van persoonlijk belang’ nader geduid als ‘passend bij
de Caribische context’. Deze context wordt gekenmerkt door bijvoorbeeld de ligging
en geografie van Bonaire, de meertalige situatie, en door culturele en talige aspecten
van het maatschappelijke verkeer.
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
LU3.1
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
luister- en kijkvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de
subcategorie met luister- en kijkactiviteit: gesprekken tussen andere sprekers begrijpen?
|
ja/nee
|
|
LU3.2
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
luister- en kijkvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de
subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren als lid van een aanwezig publiek?
|
ja/nee
|
|
LU3.3
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
luister- en kijkvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de
subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar mededelingen en instructies?
|
ja/nee
|
|
LU3.4
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
luister- en kijkvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de
subcategorie met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar radio en geluidsopnamen?
|
ja/nee
|
|
LU3.5
|
Sluiten de opgaven die leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van luister-
en kijkvaardigheid en de can-do statements van het juiste niveau voor de subcategorie
met luister- en kijkactiviteit: tv, film en video kijken?
|
ja/nee
|
Toelichting LU3.1 t/m LZ3.5: In de toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire staan de algemene omschrijvingen van
luister- en kijkvaardigheid (qua niveau en onderwerp) en can-do statements voor de
verschillende niveaus beschreven.
3.5.5. Optioneel aspect: Woordenschat receptief Luisteren en kijken
Woordenschat komt in de toetswijzer ook aan bod bij de taalactiviteit receptief luisteren
en kijken onder de noemer receptief communicatieve taalstrategieën. In tegenstelling
tot woordenschat bij receptief lezen, hoeft woordenschat bij receptief luisteren en
kijken niet verplicht getoetst te worden.
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: van de vragen WL1.1 t/m WL1.5 moeten 4 van de 5 met JA worden beantwoord.
-
2. Tekstkenmerken: indien een vraag bij WL1 met JA wordt beantwoord, moet de congruerende
vraag bij WL2 ook met JA worden beantwoord. De eventuele overige vraag kan met NEE
worden beantwoord.
-
3. Opgavenkenmerken: indien een vraag bij WL1 met JA wordt beantwoord, moet de congruerende
vraag bij WL3 ook met JA worden beantwoord. De eventuele overige vraag kan met NEE
worden beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
WL1.1
|
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen
en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit:
gesprek tussen andere sprekers begrijpen?
|
ja/nee
|
|
WL1.2
|
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen
en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit:
luisteren als lid van een aanwezig publiek?
|
ja/nee
|
|
WL1.3
|
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen
en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit:
luisteren naar mededelingen en instructies?
|
ja/nee
|
|
WL1.4
|
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen
en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit:
luisteren naar radio en geluidsopnamen?
|
ja/nee
|
|
WL1.5
|
Maken leerlingen minimaal 1 woordenschatopdracht voor de strategie: aanwijzingen herkennen
en afleiden bij minimaal 1 tekst van de subcategorie met luister- en kijkactiviteit:
tv, film en video kijken?
|
ja/nee
|
Tekstkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
WL2.1
|
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling luistert aan bij de sleutelbegrippen voor de
geschikte niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie
met luister- en kijkactiviteit: gesprek tussen andere sprekers begrijpen?
|
ja/nee
|
|
WL2.2
|
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling luistert aan bij de sleutelbegrippen voor de
geschikte niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie
met luister- en kijkactiviteit: luisteren als lid van een aanwezig publiek?
|
ja/nee
|
|
WL2.3
|
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling luistert aan bij de sleutelbegrippen voor de
geschikte niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie
met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar mededelingen en instructies?
|
ja/nee
|
|
WL2.4
|
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling luistert aan bij de sleutelbegrippen voor de
geschikte niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie
met luister- en kijkactiviteit: luisteren naar radio en geluidsopnamen?
|
ja/nee
|
|
WL2.5
|
Sluit(en) de tekst(en) die de leerling luistert aan bij de sleutelbegrippen voor de
geschikte niveaus voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie
met luister- en kijkactiviteit: tv, film en video kijken?
|
ja/nee
|
Toelichting W2.1 t/m WL2.5: De sleutelbegrippen voor WL2.1 t/m WL2.5 zijn te vinden in het ERK via: https://taalunie.org/publicaties/216/gemeenschappelijk-europees-referentiekader-voor-talen-leren-onderwijzen-beoordelen.
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
WL3.1
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte
niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met
luister- en kijkactiviteit: gesprek tussen andere sprekers begrijpen?
|
ja/nee
|
|
WL3.2
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte
niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met
luister- en kijkactiviteit: luisteren als lid van een aanwezig publiek?
|
ja/nee
|
|
WL3.3
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte
niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met
luister- en kijkactiviteit: luisteren naar mededelingen en instructies?
|
ja/nee
|
|
WL3.4
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte
niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met
luister- en kijkactiviteit: luisteren naar radio en geluidsopnamen?
|
ja/nee
|
|
WL3.5
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements van het geschikte
niveau voor de strategie: aanwijzingen herkennen en afleiden van de subcategorie met
luister- en kijkactiviteit: tv, film en video kijken?
|
ja/nee
|
Toelichting WL3.1 t/m W3.5: De can-do statements voor WL3.1 t/m WL3.5 zijn te vinden in het ERK via: https://taalunie.org/publicaties/216/gemeenschappelijk-europees-referentiekader-voor-talen-leren-onderwijzen-beoordelen.
3.5.6. Optionele taalactiviteit: productief Spreken
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: van SP1.1 t/m SP1.5 moeten tenminste twee van de vijf vragen met JA worden
beantwoord.
-
2. Opgavenkenmerken: indien de vraag bij de subcategorie met spreekactiviteit bij SP1
met JA is beantwoord, moeten de corresponderende vragen bij SP2 ook met JA worden
beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
SP1.1
|
Spreken leerlingen en maken zij minstens één opdracht bij de subcategorie met spreekactiviteit:
ervaringen beschrijven?
|
ja/nee
|
|
SP1.2
|
Spreken leerlingen en maken zij minstens één opdracht bij de subcategorie met spreekactiviteit:
informatie geven?
|
ja/nee
|
|
SP1.3
|
Spreken leerlingen en maken zij minstens één opdracht bij de subcategorie met spreekactiviteit:
een pleidooi houden?
|
ja/nee
|
|
SP1.4
|
Spreken leerlingen en maken zij minstens één opdracht bij de subcategorie met spreekactiviteit:
openbare mededelingen doen?
|
ja/nee
|
|
SP1.5
|
Spreken leerlingen en maken zij minstens één opdracht bij de subcategorie met spreekactiviteit:
een publiek toespreken?
|
ja/nee
|
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
SP2.1
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
mondelinge productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau
voor de subcategorie met spreekactiviteit: ervaringen beschrijven?
|
ja/nee
|
|
SP2.2
|
Zijn de communicatieve situaties (specificatie van het beoogde publiek, een realistische
spreektaak, prettige afnamesetting en passende spreekduur) voldoende helder geformuleerd
voor de subcategorie met spreekactiviteit: ervaringen beschrijven?
|
ja/nee
|
|
SP2.3
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
mondelinge productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau
voor de subcategorie met spreekactiviteit: informatie geven?
|
ja/nee
|
|
SP2.4
|
Zijn de communicatieve situaties (specificatie van het beoogde publiek, een realistische
spreektaak, prettige afnamesetting en passende spreekduur) voldoende helder geformuleerd
voor de subcategorie met spreekactiviteit: informatie geven?
|
ja/nee
|
|
SP2.5
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
mondelinge productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau
voor de subcategorie met spreekactiviteit: een pleidooi houden?
|
ja/nee
|
|
SP2.6
|
Zijn de communicatieve situaties (specificatie van het beoogde publiek, een realistische
spreektaak, prettige afnamesetting en passende spreekduur) voldoende helder geformuleerd
voor de subcategorie met spreekactiviteit: een pleidooi houden?
|
ja/nee
|
|
SP2.7
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
mondelinge productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau
voor de subcategorie met spreekactiviteit: openbare mededelingen doen?
|
ja/nee
|
|
SP2.8
|
Zijn de communicatieve situaties (specificatie van het beoogde publiek, een realistische
spreektaak, prettige afnamesetting en passende spreekduur) voldoende helder geformuleerd
voor de subcategorie met spreekactiviteit: openbare mededelingen doen?
|
ja/nee
|
|
SP2.9
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
mondelinge productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste niveau
voor de subcategorie met spreekactiviteit: een publiek toespreken?
|
ja/nee
|
|
SP2.10
|
Zijn de communicatieve situaties (specificatie van het beoogde publiek, een realistische
spreektaak, prettige afnamesetting en passende spreekduur) voldoende helder geformuleerd
voor de subcategorie met spreekactiviteit: een publiek toespreken?
|
ja/nee
|
Toelichting SP2.1, SP2.3, SP2.5, SP2.7, SP2.9: In de toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire staan de algemene omschrijvingen van
productief spreken (qua niveau en onderwerp) en de sleutelbegrippen voor de verschillende
niveaus beschreven. In de wijziging op het Toetsbesluit staan de can-do statements voor de verschillende niveaus beschreven.
3.5.7. Optionele taalactiviteit: productief Mondelinge interactie (gesprekken voeren)
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: de vragen bij GS1 moeten met JA of NEE worden beantwoord.
-
2. Gesprekskenmerken: indien de vraag bij de subcategorie met gespreksactiviteit bij
GS1 met JA is beantwoord, moet de corresponderende vraag bij GS2 ook met JA worden
beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
GS1.1
|
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie
met gespreksactiviteit: een gesprekspartner begrijpen?
|
ja/nee
|
|
GS1.2
|
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie
met gespreksactiviteit: conversatie?
|
ja/nee
|
|
GS1.3
|
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie
met gespreksactiviteit: informele discussie (met vrienden)?
|
ja/nee
|
|
GS1.4
|
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie
met gespreksactiviteit: formele discussie (vergaderingen)?
|
ja/nee
|
|
GS1.5
|
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie
met gespreksactiviteit: doelgerichte samenwerking?
|
ja/nee
|
|
GS1.6
|
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie
met gespreksactiviteit: goederen en diensten verkrijgen?
|
ja/nee
|
|
GS1.7
|
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie
met gespreksactiviteit: interviewen en geïnterviewd worden?
|
ja/nee
|
|
GS1.8
|
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie
met gespreksactiviteit: informatie-uitwisseling?
|
ja/nee
|
|
GS1.9
|
Houden leerlingen gesprekken en maken zij minstens één opdracht van de subcategorie
met gespreksactiviteit: gebruik van telecommunicatie?
|
ja/nee
|
Gesprekskenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
GS2.1
|
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen
van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste
niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: een gesprekspartner begrijpen?
|
ja/nee
|
|
GS2.2
|
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen
van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste
niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: conversatie?
|
ja/nee
|
|
GS2.3
|
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen
van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste
niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: informele discussie (met vrienden)?
|
ja/nee
|
|
GS2.4
|
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen
van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste
niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: formele discussie (vergaderingen)?
|
ja/nee
|
|
GS2.5
|
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen
van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste
niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: doelgerichte samenwerking?
|
ja/nee
|
|
GS2.6
|
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen
van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste
niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: goederen en diensten verkrijgen?
|
ja/nee
|
|
GS2.7
|
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen
van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste
niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: interviewen en geïnterviewd worden?
|
ja/nee
|
|
GS2.8
|
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen
van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste
niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: informatie-uitwisseling?
|
ja/nee
|
|
GS2.9
|
Sluiten de gesprekken die de leerlingen voeren aan bij de algemene omschrijvingen
van mondelinge interactie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste
niveau voor de subcategorie met gespreksactiviteit: gebruik van telecommunicatie?
|
ja/nee
|
Toelichting GS2.1 t/m GS2.9: In de toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire staan de algemene omschrijvingen van
productief mondelinge interactie (gesprekken voeren) (qua niveau en onderwerp) en
de sleutelbegrippen voor de verschillende niveaus beschreven. In de wijziging op het
Toetsbesluit staan de can-do statements voor de verschillende niveaus beschreven.
3.5.8. Optionele taalactiviteit: productief Schriftelijk (schrijven)
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: de vragen bij SR1.1 t/m SR1.2 moeten met JA worden beantwoord. De vragen bij
SR1.3 en SR1.4 moeten met JA of NEE worden beantwoord.
-
3. Opgavenkenmerken: de vragen bij SR2.1 t/m SR2.4 moeten met JA worden beantwoord. Indien
de vraag bij de subcategorie met schrijfactiviteit bij SR1.3 of SR1.4 met JA is beantwoord,
moeten de corresponderende vragen bij SR2.5 t/m SR2.8 ook met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
SR1.1
|
Schrijven leerlingen en maken zij opdrachten (waarvan in ieder geval minstens twee
opdrachten op niveau B1) bij de subcategorie met schrijfactiviteit: creatief schrijven?
|
ja/nee
|
|
SR1.2
|
Schrijven leerlingen en maken zij opdrachten (waarvan in ieder geval minstens twee
opdrachten op niveau B1) bij de subcategorie met schrijfactiviteit: correspondentie?
|
ja/nee
|
|
SR1.3
|
Schrijven leerlingen en maken zij minstens één opdracht bij de subcategorie met schrijfactiviteit:
schriftelijke verslagen en essays?
|
ja/nee
|
|
SR1.4
|
Schrijven leerlingen en maken zij minstens één opdracht bij de subcategorie met schrijfactiviteit:
notities, berichten en formulieren?
|
ja/nee
|
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
SR2.1
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
schriftelijke productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste
niveau voor de subcategorie met schrijfactiviteit: creatief schrijven?
|
ja/nee
|
|
SR2.2
|
Zijn de communicatieve situaties (een realistische schrijftaak, prettige afnamesetting
en passende schrijftijd) voldoende helder geformuleerd voor de subcategorie met schrijfactiviteit:
creatief schrijven?
|
ja/nee
|
|
SR2.3
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
schriftelijke productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste
niveau voor de subcategorie met schrijfactiviteit: correspondentie?
|
ja/nee
|
|
SR2.4
|
Zijn de communicatieve situaties (een realistische schrijftaak, prettige afnamesetting
en passende schrijftijd) voldoende helder geformuleerd voor de subcategorie met schrijfactiviteit:
correspondentie?
|
ja/nee
|
|
SR2.5
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
schriftelijke productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste
niveau voor de subcategorie met schrijfactiviteit: schriftelijke verslagen en essays?
|
ja/nee
|
|
SR2.6
|
Zijn de communicatieve situaties (een realistische schrijftaak, prettige afnamesetting
en passende schrijftijd) voldoende helder geformuleerd voor de subcategorie met schrijfactiviteit:
schriftelijke verslagen en essays?
|
ja/nee
|
|
SR2.7
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de algemene omschrijvingen van
schriftelijke productie, de can-do statements en de sleutelbegrippen van het juiste
niveau voor de subcategorie met schrijfactiviteit: notities, berichten en formulieren?
|
ja/nee
|
|
SR2.8
|
Zijn de communicatieve situaties (een realistische schrijftaak, prettige afnamesetting
en passende schrijftijd) voldoende helder geformuleerd voor de subcategorie met schrijfactiviteit:
notities, berichten en formulieren?
|
ja/nee
|
Toelichting SR2.1, SR2.3, SR2.5 en SR2.7: In de toetswijzer doorstroomtoets po Bonaire staan de algemene omschrijvingen van
productief schriftelijk (schrijven) (qua niveau en onderwerp) en de sleutelbegrippen
voor de verschillende niveaus beschreven. In de wijziging op het Toetsbesluit staan de can-do statements voor de verschillende niveaus beschreven.
3.5.9. Optioneel: Strategieën
Strategieën worden onderscheiden voor de taalactiviteiten. Deze zijn ingedeeld in:
receptieve strategieën, productieve strategieën, interactieve strategieën, mediation
en strategieën om een tekst te vereenvoudigen. Bij receptieve strategieën gaat het
om het herkennen en afleiden van aanwijzingen uit tekst (bij receptief lezen) en context
(bij receptief luisteren en kijken). Deze can-do beschrijvingen hebben voornamelijk
betrekking op woordenschat en zijn aan daarom al aan bod gekomen bij 3.6.3 en 3.6.5.
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: de vragen bij SA1 moeten met JA of NEE worden beantwoord.
-
2. Opgavenkenmerken: indien de vraag bij de strategie bij SA1 met JA is beantwoord, moet
de corresponderende vraag bij SA2 ook met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
SA1.1
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de productieve strategie: planning?
|
ja/nee
|
|
SA1.2
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de productieve strategie: compensatie?
|
ja/nee.
|
|
SA1.3
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de productieve strategie: monitoring en herstel?
|
ja/nee
|
|
SA1.4
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de productieve strategie: interactie?
|
ja/nee
|
|
SA1.5
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de interactieve strategie: de beurt nemen?
|
ja/nee
|
|
SA1.6
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de interactieve strategie: samenwerken?
|
ja/nee
|
|
SA1.7
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de interactieve strategie: vragen om opheldering?
|
ja/nee
|
|
SA1.8
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de mediatiestrategie: strategieën om een
nieuw concept uit te leggen?
|
ja/nee
|
|
SA1.9
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de mediatiestrategie: strategieën om een
tekst te vereenvoudigen?
|
ja/nee
|
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
SA2.1
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor de productieve strategie: planning?
|
ja/nee
|
|
SA2.2
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor de productieve strategie: compensatie?
|
ja/nee
|
|
SA2.3
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor de productieve strategie: monitoring en herstel?
|
ja/nee
|
|
SA2.4
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor de productieve strategie: interactie?
|
ja/nee
|
|
SA2.5
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor de interactieve strategie: de beurt nemen?
|
ja/nee
|
|
SA2.6
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor de interactieve strategie: samenwerken?
|
ja/nee
|
|
SA2.7
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor de interactieve strategie: vragen om opheldering?
|
ja/nee
|
|
SA2.8
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor de mediatiestrategie: strategieën om een nieuw concept
uit te leggen?
|
ja/nee
|
|
SA2.9
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor de mediatiestrategie: strategieën om een tekst te vereenvoudigen?
|
ja/nee
|
Toelichting SA2.1 t/m SA2.9: De website van de Taalunie (https://taalunie.org/publicaties/216/gemeenschappelijk-europees-referentiekader-voor-talen-leren-onderwijzen-beoordelen) moet worden geraadpleegd voor de can-do statements en de sleutelbegrippen.
3.5.10. Optioneel: Taalcompetenties
De communicatieve taalcompetenties beschrijven de verschillende aspecten van de taalbeheersing
in de communicatie: algemeen linguïstisch bereik, beheersing en bereik van de woordenschat,
grammaticale nauwkeurigheid, fonologische beheersing, orthografische beheersing, sociolinguïstische
trefzekerheid, flexibiliteit, het woord (de beurt) nemen, thematische ontwikkeling,
coherentie en cohesie, propositionele nauwkeurigheid, en vloeiendheid. Beheersing
en bereik van de woordenschat wordt in deze paragraaf niet meegenomen aangezien dit
al aan bod komt bij paragraaf 3.6.3.
Kwaliteitseisen
Beslisregel:
Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, gelden de volgende beslisregels:
-
1. Taken: de vragen bij CO1 moeten met JA of NEE worden beantwoord.
-
2. Opgavenkenmerken: indien de vraag bij de taalcompetentie bij CO1 met JA is beantwoord,
moet de corresponderende vraag bij CO2 ook met JA worden beantwoord.
Taken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
CO1.1
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: algemeen linguïstisch
bereik?
|
ja/nee
|
|
CO1.2
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: grammaticale nauwkeurigheid?
|
ja/nee
|
|
CO1.3
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: fonologische beheersing?
|
ja/nee
|
|
CO1.4
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: orthografische beheersing?
|
ja/nee
|
|
CO1.5
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: sociolinguïstische trefzekerheid?
|
ja/nee
|
|
CO1.6
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: flexibiliteit?
|
ja/nee
|
|
CO1.7
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: het woord (de beurt)
nemen?
|
ja/nee
|
|
CO1.8
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: thematische ontwikkeling?
|
ja/nee
|
|
CO1.9
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: coherentie en cohesie?
|
ja/nee
|
|
CO1.10
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: propositionele nauwkeurigheid?
|
ja/nee
|
|
CO1.11
|
Maken leerlingen minstens één opgave bij de taalcompetentie: vloeiendheid?
|
ja/nee
|
Opgavenkenmerken:
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
CO2.1
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor taalcompetentie: algemeen linguïstisch bereik?
|
ja/nee
|
|
CO2.2
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor taalcompetentie: grammaticale nauwkeurigheid?
|
ja/nee
|
|
CO2.3
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor taalcompetentie: fonologische beheersing?
|
ja/nee
|
|
CO2.4
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor taalcompetentie: orthografische beheersing?
|
ja/nee
|
|
CO2.5
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor taalcompetentie: sociolinguïstische trefzekerheid?
|
ja/nee
|
|
CO2.6
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor taalcompetentie: flexibiliteit?
|
ja/nee
|
|
CO2.7
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor taalcompetentie: het woord (de beurt) nemen?
|
ja/nee
|
|
CO2.8
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor taalcompetentie: thematische ontwikkeling?
|
ja/nee
|
|
CO2.9
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor taalcompetentie: coherentie en cohesie?
|
ja/nee
|
|
CO2.10
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor taalcompetentie: propositionele nauwkeurigheid?
|
ja/nee
|
|
CO2.11
|
Sluiten de opgaven die de leerlingen maken aan bij de can-do statements en de sleutelbegrippen
van het juiste niveau voor taalcompetentie: vloeiendheid?
|
ja/nee
|
ToelichtingCO2.1 t/mCO2.11: De website van de Taalunie (https://taalunie.org/publicaties/216/gemeenschappelijk-europees-referentiekader-voor-talen-leren-onderwijzen-beoordelen) moet worden geraadpleegd voor de can-do statements en de sleutelbegrippen.
3.6. Representatie van de toetsopgaven op de verschillende niveaus
Voor Rekenen zijn zes referentieniveaus beschreven: 1F, 1S, 2F, 2S, 3F en 3S. Voor
het terrein Rekenen zijn dit voor het po de niveaus 1F en 1S. Voor Papiamentu zijn
vier referentieniveaus beschreven: 1F, 2F, 3F en 4F. Voor het terrein Papiamentu is
dit voor het po alleen het niveau 1F. Voor Nederlands als vreemde taal zijn zes ERK-niveaus
beschreven: A1, A2, B1, B2, C1 en C2. Voor het terrein Nederlands als vreemde taal
zijn dit voor het po de niveaus A2 en B1.
Dit betekent dat, in lijn met de Toetswijzer PO, de doorstroomtoets, ongeacht de toetsvorm,
toetsopgaven moet bevatten die de inhouden van alle niveaus voor het PO meten.
Kwaliteitseis
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseis te voldoen, moeten de vragen TN1
t/m TN3 met JA worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
TN1
|
Zijn de opgaven van de toets voor het terrein Rekenen evenwichtig samengesteld qua
referentieniveaus 1F en 1S?
|
ja/nee
|
|
TN2
|
Zijn de opgaven van de toets voor het terrein Papiamentu evenwichtig samengesteld
over het referentieniveau 1F?
|
ja/nee
|
|
TN3
|
Zijn de opgaven van de toets voor het terrein Nederlands als vreemde taal evenwichtig
samengesteld qua ERK-niveaus A2 en B1?
|
ja/nee
|
Toelichting TN1 t/m TN3: Dit moet uit de toetsmatrijs naar voren komen. Dat wil zeggen dat in de toetsmatrijs
de verhouding van de vragen van de referentie- en ERK-niveaus is gespecificeerd en
dat in zowel de toetsmatrijs als in de varianten van de doorstroomtoets de verhouding
van de vragen over alle niveaus evenwichtig is. Evenwichtig wil zeggen dat het aantal
en de verhouding vragen gezamenlijk inhoudelijk de referentie en ERK-niveaus van de
terreinen representeren, een en ander conform de voorschriften uit de Toetswijzer
PO.
Een CAT moet voor elke individuele leerling voor de drie terreinen een uitspraak over
het behaalde niveau geven. In het geval van een CAT is er verantwoord hoe elk niveau
op representatieve wijze voor alle individuele leerlingen aan bod komt. De aanbieder
kan dit verantwoorden aan de hand van de toetsmatrijs, aangevuld met de procesbeschrijving
van hoe het algoritme werkt, aangevuld met enkele mogelijke itemsets inclusief de
daarin aangeboden toetsopgaven en inclusief een toelichting op het daarbij geldende
stopcriterium, aangevuld met enkele toetspaden uit het design inclusief de daarin
aangeboden toetsopgaven.
Elke routing binnen het MST design moet voor de terreinen een uitspraak over het behaalde
niveau geven. In het geval van een MST is er verantwoord hoe het niveau van de terreinen
op een bij de moeilijkheidsgraad van de betreffende route passende wijze voor alle
individuele leerlingen aan bod komt. De aanbieder kan dit verantwoorden aan de hand
van de toetsmatrijs, aangevuld met de beschrijving van de samenstelling van het MST
design, aangevuld met enkele toetspaden uit het design inclusief de daarin aangeboden
toetsopgaven.
4. Organisatorische aspecten
4.1. Leerlingrapport
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen
met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
LR1
|
Stelt de toetsaanbieder voor elke individuele leerling die de doorstroomtoets aflegt
een leerlingrapport op?
|
ja/nee
|
|
LR2
|
Bevat het leerlingrapport het toetsadvies, uitgedrukt in één van de toetsadviescategorieën?
|
ja/nee
|
|
LR3
|
Geeft het leerlingrapport aan welk referentieniveau Rekenen de leerling beheerst?
|
ja/nee
|
|
LR4
|
Geeft het leerlingrapport aan welk referentieniveau Lezen voor Papiamentu de leerling
beheerst?
|
ja/nee
|
|
LR5
|
Geeft het leerlingrapport aan welk referentieniveau Taalverzorging voor Papiamentu
de leerling beheerst?
|
ja/nee
|
|
LR6
|
Geeft het leerlingrapport aan welk ERK-niveau receptief Lezen (inclusief Woordenschat)
voor Nederlands als vreemde taal de leerling beheerst?
|
ja/nee
|
|
LR7
|
Geeft het leerlingrapport aan welk ERK-niveau receptief Luisteren en kijken voor Nederlands
als vreemde taal de leerling beheerst?
|
ja/nee
|
|
LR8
|
Bevat het leerlingrapport een deugdelijke toelichting bij het toetsadvies en de beheersing
van de referentie- en ERK-niveaus van de leerling die (ook) voor leerlingen, ouders,
verzorgers, voogden en afnemers begrijpelijk is?
|
ja/nee
|
|
LR9
|
Zijn de andere uit te geven rapporten naast het leerlingrapport, en/of niet verplichte
gegevens op het leerlingrapport, deugdelijk en helder voor de beoogde gebruiker?
|
ja/nee/n.v.t.
|
Toelichting LR1: De toetsaanbieder geeft één of meerdere (model)rapportages ter beoordeling. Wanneer
er meer dan één variant van het leerlingrapport bestaat, moeten al deze varianten
aangeboden worden, met een uitleg wanneer welke variant wordt gebruikt. Aangezien
alle varianten aan de eisen moeten voldoen, worden alle voorbeeldrapporten beoordeeld
op de kwaliteitseisen LR2 tot en met LR8. Mochten er rapporten ontbreken (d.w.z. LR1
= nee), dan krijgt de toetsaanbieder een onvoldoende voor ‘leerlingrapport’. Wanneer
het leerlingrapport wel wordt aangeboden, worden de kwaliteitseisen LR2 tot en met
LR8 beoordeeld op basis van die versie(s) van het leerlingrapport.
Toelichting LR2: De toetsaanbieder moet in het leerlingrapport een toetsadvies geven. De aanbieder
hanteert hierbij de door de rijksoverheid vastgestelde toetsadviescategorieën. Dit
toetsadvies is gebaseerd op in ieder geval de resultaten van de wettelijk verplichte
(sub)domeinen van Rekenen, voor Papiamentu Lezen en Taalverzorging, én voor Nederlands
als vreemde taal de taalactiviteiten receptief Lezen (inclusief het aspect Woordenschat)
en receptief Luisteren en kijken. Aanvullend mag de toetsaanbieder in de bepaling
van het toetsadvies ook één of meerdere van de optionele (sub)domeinen, taalactiviteiten,
taalstrategieën en taalcompetenties van Papiamentu en Nederlands als vreemde taal
meenemen die in dit kader in Hoofdstuk 3 beschreven zijn. In de wetenschappelijke
verantwoording moet zijn aangegeven op basis van metingen van welke (sub)domeinen,
taalactiviteiten, taalstrategieën en taalcompetenties het toetsadvies tot stand is
gekomen.
Toelichting LR3: In het leerlingrapport moet aangegeven zijn op welk referentieniveau de leerling
gepresteerd heeft op het terrein Rekenen. In het leerlingrapport moet in ieder geval
aangegeven worden in welk van de volgende drie categorieën de leerlingprestatie past:
onder niveau 1F, op niveau 1F, of op streefniveau 1S. Hoewel in de theorie de categorieën
elkaar niet uitsluiten, en de leerling ook op een hoger niveau zou kunnen presteren
dan het maximaal gegeven niveau, is in deze regeling vastgesteld dat in de rapportage
een leerlingprestatie in één (niet meer en niet minder) van deze drie categorieën
geclassificeerd wordt.
Toelichting LR4: In het leerlingrapport moet aangegeven zijn op welk referentieniveau de leerling
gepresteerd heeft op het domein Lezen bij het terrein Papiamentu. In het leerlingrapport
moet in ieder geval aangegeven worden in welk van de volgende twee categorieën de
leerlingprestatie past: onder niveau 1F of op niveau 1F. Hoewel in de theorie de categorieën
elkaar niet uitsluiten, en de leerling ook op een hoger niveau zou kunnen presteren
dan het maximaal gegeven niveau, is in deze regeling vastgesteld dat in de rapportage
een leerlingprestatie in één (niet meer en niet minder) van deze twee categorieën
geclassificeerd wordt.
Toelichting LR5: In het leerlingrapport moet aangegeven zijn op welk referentieniveau de leerling
gepresteerd heeft op het subdomein Taalverzorging bij het terrein Papiamentu. In het
leerlingrapport moet in ieder geval aangegeven worden in welk van de volgende twee
categorieën de leerlingprestatie past: onder niveau 1F of op niveau 1F. Hoewel in
de theorie de categorieën elkaar niet uitsluiten, en de leerling ook op een hoger
niveau zou kunnen presteren dan het maximaal gegeven niveau, is in deze regeling vastgesteld
dat in de rapportage een leerlingprestatie in één (niet meer en niet minder) van deze
twee categorieën geclassificeerd wordt.
Toelichting LR6: In het leerlingrapport moet aangegeven zijn op welk ERK-niveau de leerling gepresteerd
heeft op de taalactiviteit receptief Lezen bij het terrein Nederlands als vreemde
taal. Er moet extra aandacht worden besteed aan het aspect Woordenschat. In het leerlingrapport
moet in ieder geval aangegeven worden in welk van de volgende drie niveaus de leerlingprestatie
past: onder niveau A2, niveau A2 of niveau B1. Hoewel in de theorie de categorieën
elkaar niet uitsluiten, en de leerling ook op een hoger niveau zou kunnen presteren
dan het maximaal gegeven niveau, is in deze regeling vastgesteld dat in de rapportage
een leerlingprestatie in één (niet meer en niet minder) van deze twee categorieën
geclassificeerd wordt.
Toelichting LR7: In het leerlingrapport moet aangegeven zijn op welk ERK-niveau de leerling gepresteerd
heeft op de taalactiviteit receptief Luisteren en kijken bij het terrein Nederlands
als vreemde taal. In het leerlingrapport moet in ieder geval aangegeven worden in
welk van de volgende drie niveaus de leerlingprestatie past: onder niveau A2, niveau
A2 of niveau B1. Hoewel in de theorie de categorieën elkaar niet uitsluiten, en de
leerling ook op een hoger niveau zou kunnen presteren dan het maximaal gegeven niveau,
is in deze regeling vastgesteld dat in de rapportage een leerlingprestatie in één
(niet meer en niet minder) van deze twee categorieën geclassificeerd wordt.
Toelichting LR8: Bij het rapport moet een toegankelijke toelichting worden geboden, waarin begrijpelijke
handvatten gegeven worden voor de interpretatie van het toetsadvies en de beheersing
van de referentie- en ERK-niveaus van de leerling door diverse betrokkenen. De aanbieder
toont aan dat de rapportage begrijpelijk is voor verschillende doelgroepen, te weten
leerlingen, ouders, verzorgers, voogden en afnemers.
Toelichting LR9: Deze kwaliteitseis is niet van toepassing als er naast het leerlingrapport geen andere
rapporten worden uitgegeven en/of het leerlingrapport geen niet verplichte gegevens
vermeldt. De kwaliteitseis is van toepassing als de toetsaanbieder één of meerdere
(model)rapportages zoals bijvoorbeeld een groepsrapportage, schoolrapportage of bovenschoolse
rapportage uitgeeft. Bij de uitgegeven rapporten moet een toegankelijke toelichting
worden geboden aan de beoogde gebruiker, waarin begrijpelijke handvatten gegeven worden
voor de interpretatie van gerapporteerde gegevens. De aanbieder toont aan dat de rapportage
begrijpelijk is voor verschillende doelgroepen, te weten leerkrachten, intern begeleiders,
en directeuren of vertegenwoordigers van schoolbesturen of samenwerkingsverbanden.
4.2. Leerlingen
De doorstroomtoets is in principe geschikt voor alle leerlingen, ook voor leerlingen
met een specifieke ondersteuningsbehoefte, met uitzondering van leerlingen die onder
de ontheffingsgronden vallen.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen
met JA worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
LL1
|
Kunnen alle leerlingen, ook met specifieke ondersteuningsbehoeften (uitgezonderd leerlingen
die vallen onder de ontheffingsgronden), deelnemen aan de toets?
|
ja/nee
|
|
LL1.a
|
Wordt de toets zo geschikt als mogelijk gemaakt, al dan niet door extra ondersteuning,
voor leerlingen met een visuele beperking, zoals leerlingen die slechtziend of volledig
kleurenblind zijn?
|
ja/nee
|
|
LL1.b
|
Wordt de toets zo geschikt als mogelijk gemaakt, al dan niet door extra ondersteuning,
voor dove/slechthorende leerlingen?
|
ja/nee
|
|
LL1.c
|
Is de toets aantoonbaar geschikt, al dan niet door extra ondersteuning, voor leerlingen
met een taalontwikkelingsstoornis (TOS)?
|
ja/nee
|
|
LL1.d
|
Is de toets aantoonbaar geschikt, al dan niet door extra ondersteuning, voor leerlingen
met dyslexie?
|
ja/nee
|
|
LL1.e
|
Is de toets aantoonbaar geschikt, al dan niet door extra ondersteuning, voor leerlingen
met ernstige rekenproblemen of dyscalculie?
|
ja/nee
|
|
LL1.f
|
Is de toets aantoonbaar geschikt, al dan niet door extra ondersteuning, voor leerlingen
met een motorische beperking?
|
ja/nee
|
|
LL1.g
|
Is de toets aantoonbaar geschikt, al dan niet door extra ondersteuning, voor leerlingen
met ondersteuningsbehoeften voortkomend uit chronische/langdurige ziekte, een psychische
aandoening en/of gedragsproblemen of voortkomend uit hier niet nader gespecificeerde
beperkingen?
|
ja/nee
|
|
LL2
|
Staat in de handleiding en/of toetsreglement voor de afnemer bij de toets in volledigheid
beschreven op welke wijze de toets rekening houdt met leerlingen met ondersteuningsbehoeften?
|
ja/nee
|
|
LL2.a
|
Staat in de handleiding en/of toetsreglement omschreven welke hulpmiddelen tijdens
de toetsafname zijn toegestaan voor leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften?
|
ja/nee
|
|
LL2.b
|
Staat omschreven in de handleiding en/of toetsreglement welke aanpassingen in de afnamecondities
mogelijk zijn?
|
ja/nee
|
|
LL2.c
|
Is de toets plaatsonafhankelijk af te nemen?
|
ja/nee
|
|
LL2.d
|
Wordt beschreven wat de mogelijkheden zijn als de geboden ondersteuning niet toereikend
is?
|
ja/nee
|
Toelichting LL1: Er is automatisch voldaan aan kwaliteitseis LL1 wanneer is voldaan aan de kwaliteitseisen
LL1a t/m LL1g.Dit houdt het volgende in:
-
○ De aanbieder neemt bij het maken van de toets zoveel mogelijk elementen op die zorgen
dat de toets voor alle leerlingen (digitaal) toegankelijk is. Waar mogelijk worden
de richtlijnen uit de WCAG 2.1 toegepast. Bij de itemconstructie wordt generiek minstens
op de volgende wijze rekening gehouden met (digitale) toegankelijkheid: richtlijnen
voor kleurgebruik en contrast bij items, richtlijnen met betrekking tot een ondubbelzinnige
lay-out en tekstuele vormgeving, richtlijnen met betrekking tot figuurlijk taalgebruik
(als dat geen toetsdoel is) en richtlijnen met betrekking tot het gebruik van ik,
gebiedende wijs en vraagzinnen.
-
○ De toets kent geen tijdslimiet en het is mogelijk om pauzes te nemen.
-
○ De toets voorziet in een voorleesfunctie. De wijze waarop kan per toets(soort) verschillen.
Waar de bovengenoemde standaard onvoldoende tegemoet komt aan de doelgroepen genoemd
onder LL1.a t/m LL1.g is aantoonbaar geprobeerd de belemmeringen die deze leerlingen
ervaren bij het maken van de toets weg te nemen door de mogelijkheid tot inzet van
hulpmiddelen of ondersteuning en/of aanpassing van de afnamecondities.
Toelichting LL1.a: De toets wordt door de aanbieder (op bestelling) geleverd in een format dat zich
leent voor de hulpmiddelen die door leerlingen met een visuele beperking worden gebruikt
en met inachtneming van de toetseisen inhoudelijk geschikt zijn gemaakt voor de leerlingen
met een visuele beperking. De toetsaanbieder specificeert dit per type visuele beperking
volledig kleurenblind of slechtziend).
Leerlingen die volledig kleurenblind zijn
Bij de constructie van de toets is rekening gehouden met leerlingen die volledig kleurenblind
zijn. Dit kan onder andere door kleurgebruik alleen ondersteunend te laten zijn. Daarnaast
is er bijvoorbeeld de mogelijkheid tot het aanbieden van een zwart/wit-variant.
Relevant voor de normering is dat de aanbieder er rekening mee houdt dat het ontbreken
van een kleuren(afbeelding) geen invloed heeft op de moeilijkheid van het item. Dit
houdt in dat de inhoud en de structuur van het item duidelijk en begrijpelijk moeten
zijn, ongeacht het gebruik van kleur.
Bij twijfel mag de leerling gebruik maken van de volgende procedure: voor kleurenblinde
leerlingen kan een opzoekhulp worden ingezet die op verzoek van de leerling de kleur
van een door de leerling aangewezen vlakdeel benoemt, of een door de leerling aangewezen
kleur aanwijst in toets of hulpmiddel.
(Zeer) slechtziende leerlingen
Een aanbieder houdt bij het maken van de toets rekening met (digitale) toegankelijkheid
voor leerlingen met een visuele beperking, middels bijvoorbeeld contrast, mogelijkheid
tot inzoomen en mogelijkheid tot het gebruik van hulpmiddelen, waaronder audio-ondersteuning
en gebruik van een brailleleesregel.
Een aanbieder maakt waar mogelijk aanvullende aanpassingen voor (zeer) slechtziende
leerlingen voor de toegankelijkheid van hun toets. Bijvoorbeeld door gebruik te maken
van digitale brailleleesregels, tekenboeken of het aanbieden van een braillevariant.
Het uitgangspunt is dat zo min mogelijk wordt afgeweken van de reguliere toetsen.
Daar waar gekozen wordt om de toets aan te passen, verantwoordt de aanbieder deze
aanpassingen.
Het aanbieden van een brailleversie van de doorstroomtoets is facultatief.
Toelichting LL1.b: De toets wordt zo geschikt als mogelijk gemaakt, al dan niet door extra ondersteuning,
voor dove/slechthorende leerlingen. De aanbieder kan daarnaast eventueel (op bestelling)
een aangepaste toets leveren indien de toets gebruikmaakt van functioneel geluid (zoals
bijvoorbeeld bij dictee-opgaven).
Toelichting LL1.c: De aanbieder geeft aan hoe rekening is gehouden met leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis
(TOS). Hierbij kan gedacht worden aan de mogelijkheid tot het inzetten van de voorleesfunctie
en mogelijke aanpassingen in de afnamecondities, zoals het werken met een afdekblad
en het markeren van tekst.
Toelichting LL1.d: De aanbieder geeft aan hoe bij de lay-out en typografie met deze doelgroep rekening
wordt gehouden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een schreefloos lettertype met minimale
puntgrootte 12, afstand tussen letters, woorden, regels en alinea’s, gebruik van witruimte
en een eenduidige, rustige lay-out.
Als een leerling door dyslexie moeite heeft met het lezen van teksten op beeldscherm,
moet de leerling gebruik kunnen maken van een door de aanbieder geleverde voorleesfunctie.
Bij een papieren versie moet de aanbieder (op vraag) een versie leveren die geschikt
is voor voorleessoftware. De wijze waarop kan per toets(soort) verschillen.
Andere voorbeelden van hulpmiddelen ter ondersteuning van deze doelgroep zijn de beschikbaarheid
van een zoomfunctie en een markeerstift.
Toelichting bij LL1.e: Voor leerlingen met dyscalculie wordt geen aangepaste toets geleverd.
In de afnamecondities kan (bijvoorbeeld door in de planning meer pauzes of spreiding
van de toetsmomenten op te nemen) rekening worden gehouden met deze ondersteuningsbehoefte.
De aanbieder benoemt de eventuele mogelijkheden in diens verantwoordingsdocumenten.
Toelichting LL1.f: De aanbieder beschrijft hoe de toets toegankelijk is gemaakt voor leerlingen met
motorische beperkingen. Digitale toetsen moeten afgenomen kunnen worden met alleen
het toetsenbord in plaats van met de muis en bij schriftelijke toetsen moet de mogelijkheid
geboden worden tot het typen van antwoorden op een antwoordblad. Indien het niet mogelijk
is de toets volledig toetsenbordbedienbaar te maken, beargumenteert de aanbieder waarom
dit niet mogelijk is. Indien het voor een leerling desondanks niet mogelijk is de
fysieke handelingen uit te voeren die nodig zijn om de toets te maken, wordt in de
handleiding beschreven dat de leerling dan gebruik kan maken van een hulp ter ondersteuning,
zoals een schrijfhulp, die antwoorden noteert op aanwijzing van de leerling.
Toelichting bij LL1.g: De aanbieder toont aan welke ondersteuning wordt geboden voor andere beperkingen
zoals hier genoemd. Voor bijvoorbeeld leerlingen met ondersteuningsbehoeften voortkomend
uit ziekte, psychische aandoeningen en/of gedragsproblemen geeft de aanbieder aan
welke aanpassingen mogelijk zijn in de wijze van afnemen en van welke hulpmiddelen
zij gebruik kunnen maken tijden de afname. De aanbieder benoemt daarbij expliciet
welke aanpassingen en hulpmiddelen voor deze doelgroepen extra aandacht behoeven,
waarbij gedacht kan worden aan het bieden van voldoende tijd, een prikkelarme werkomgeving
of individuele afname, extra structureren van wijze van afname en regels die daarbij
gelden.
Toelichting LL2: De vorm van de ondersteuning staat beschreven in de handleiding en/of toetsreglement,
waaronder de wijze waarop rekening gehouden wordt met doelgroepen in de itemconstructie,
door het aanbod van varianten van de toets, de beschikbaarheid van hulpmiddelen en/of
via de afnamecondities.
De aanbieder schrijft voor dat bij alle toets(vorm)en alle onderdelen de hulpmiddelen
zijn toegestaan binnen de gegeven kaders van de vigerende regelingen. In de Toetswijzer
PO staat van een aantal hulpmiddelen voorgeschreven dat deze altijd zijn toegestaan
of wanneer al dan niet deze zijn toegestaan. Aanvullend kan een aanbieder andere hulpmiddelen
toestaan.
De aanbieder wijst de afnemer er in de handleiding en/of toetsreglement op dat er
geen tijdslimiet bestaat en dat de afnemer zelf kan besluiten wat een passende afnameduur
(spreiding van de toetsonderdelen over de dag, pauzes e.d.) is bij leerlingen met
ondersteuningsbehoeften. Daarnaast wijst de aanbieder de afnemer op de mogelijkheid
van de voorleesfunctie voor alle leerlingen die op basis van hun ondersteuningsbehoefte
hier gebruik van moeten kunnen maken.
Toelichting LL2.a: Hulpmiddelen voor leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften kunnen in twee
categorieën opgesplitst worden. Enerzijds gaat het om hulpmiddelen die al in de toets(omgeving)
zijn opgenomen of ingebouwd. Anderzijds gaat het om de mogelijkheid tot het inzetten
van hulpmiddelen van de school of leerling zelf. Bij deze tweede categorie is het
belangrijk dat de toets toegankelijk is voor deze hulpmiddelen. De aanbieder beschrijft
beide categorieën in de handleiding voor de afnemer en/of toetsreglement.
Toelichting LL2.b: De aanbieder geeft aan welke aanpassingen in de afnamecondities mogelijk zijn en
beschrijft hier ten minste de mogelijkheden voor het bieden van voldoende tijd (langer
dan de gegeven tijdsindicatie), de inzet van pauzes en de mogelijkheid tot individuele
afname. Voor veel aanpassingen in de afnamecondities geldt dat deze voor alle leerlingen
ingezet zouden kunnen worden. Voor leerlingen met ondersteuningsbehoeften vragen deze
afnamecondities echter extra aandacht. De aanbieder beschrijft de mogelijke aanpassingen
in de handleiding voor de afnemer en/of toetsreglement en wijst de afnemer erop dat
de afnamecondities voor leerlingen met ondersteuningsbehoeften extra aandacht vragen.
Toelichting LL2.c: Wanneer een leerling aantoonbaar niet in de gelegenheid is om de toets op school
te maken, kan de toets op een andere locatie worden afgenomen. Denk hierbij aan leerlingen
die in het ziekenhuis liggen, of thuiszittende leerlingen. De aanbieder beschrijft
in de handleiding welke (technische) randvoorwaarden hieraan verbonden zijn en hoe
de school afname op een andere locatie kan organiseren.
Toelichting LL2.d: De aanbieder toont aan wat er aan maatwerk mogelijk is indien het beschreven aanbod
aan hulpmiddelen, toetsvarianten en aanpassingen van afnamecondities niet toereikend
zijn voor een leerling met specifieke ondersteuningsbehoeften.
4.3. Afname doorstroomtoets
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen
met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
A1
|
Staat in het toetsreglement/de afnamehandleiding adequaat beschreven hoe een leerling
tijdens een tweede afnamemoment (omdat die bij de eerste afname was verhinderd) de
toets alsnog kan maken?
|
ja/nee
|
|
A2.1
|
Staat in het toetsreglement/de afnamehandleiding vermeld hoe de directeur de leerlingen
voor de toets moet aanmelden?
|
ja/nee
|
|
A2.2
|
Staat in het toetsreglement/de afnamehandleiding vermeld welke hulpmiddelen leerlingen
wel én niet mogen gebruiken?
|
ja/nee
|
|
A2.3
|
Staat in het toetsreglement/de afnamehandleiding vermeld hoe en wanneer scholen incidenten
voor, tijdens en na de afname moeten en kunnen melden bij de toetsaanbieder?
|
ja/nee
|
|
A2.4
|
Staan in het toetsreglement/de afnamehandleiding de voorwaarden aan de (wijze van)
geheimhouding van de toetsopgaven door de deelnemende scholen beschreven?
|
ja/nee
|
|
A2.5
|
Staan in het toetsreglement/de afnamehandleiding de voorwaarden aan de wijze waarop
toezicht op de leerlingen wordt gehouden beschreven?
|
ja/nee
|
|
A2.6
|
Staat in het toetsreglement/de afnamehandleiding vermeld op welke wijze de toetsopgaven
aan het bevoegd gezag ter beschikking worden gesteld?
|
ja/nee
|
|
A2.7
|
Staan in het toetsreglement/de afnamehandleiding de eisen beschreven waar de ICT omgeving
(computerconfiguratie) op de school aan moet voldoen om de digitale toets af te kunnen
nemen?
|
ja/nee/n.v.t.
|
|
A3
|
Staatin het toetsreglement/de afnamehandleiding vermeld op welke wijze de afnamecondities
moeten bijdragen aan optimale prestaties van de leerlingen?
|
ja/nee
|
Toelichting A1: In het toetsreglement en/of de afnamehandleiding is beschreven hoe leerlingen, die
bij de eerste afname waren verhinderd, alsnog bij een tweede afnamemoment de doorstroomtoets
kunnen maken.
Toelichting A2.1 t/m A2.7:
In het toetsreglement en/of de afnamehandleiding is de volgende informatie gegeven:
-
○ A2.1: Hoe moet de schooldirecteur (of andere verantwoordelijke) de leerlingen voor
de toets aanmelden?
-
○ A2.2: Welke hulpmiddelen mogen de leerlingen wel én niet gebruiken?
-
○ A2.3: Hoe en wanneer scholen incidenten voor, tijdens en na de afname bij de toetsaanbieder
kunnen en moeten melden?
-
○ A2.4: Welke voorwaarden worden er gesteld aan de (wijze van) geheimhouding van de
toetsopgaven door de schooldirecteur (of andere verantwoordelijke) en de afnemers?
-
○ A2.4: Welke voorwaarden zijn er verbonden aan de wijze waarop toezicht op de leerlingen
moet worden gehouden?
-
○ A2.5: Op welke wijze worden de toetsopgaven aan het bevoegd gezag ter beschikking
gesteld?
-
○ A2.6: Op welke wijze worden de toetsopgaven aan het bevoegd gezag ter beschikking
gesteld?
-
○ A2.7: Wat zijn de eisen waar de ICT omgeving (computerconfiguratie) op de school aan
moet voldoen om de digitale toets af te kunnen nemen? Deze kwaliteitseis is niet van
toepassing indien de ingediende toets niet digitaal wordt afgenomen.
Bij het evalueren van deze vragen kijkt de adviseur niet alleen of deze informatie
er is, maar ook of deze duidelijk is en geen tegenstrijdigheden bevat. Mocht achteraf
blijken dat in de praktijk de door de aanbieder verstrekte informatie en communicatie
dusdanig verwarrend en/of tegenstrijdig is dat dit een negatieve impact heeft op de
afname en/of de resultaten van de leerlingen, dan kan dit in de jaarlijkse evaluatie
van de toets een negatief oordeel opleveren.
Toelichting A3: Staat in het het toetsreglement en/of de afnamehandleiding vermeld op welke wijze
de afnamecondities moeten bijdragen aan optimale prestaties van de leerlingen? Denk
aan voldoende tijd om de toets te kunnen maken en een goede voorbereiding van leerlingen
op de afname van de toets.
4.4. Beveiligingsaspecten
Indien de aanbieder ISO 27001 is gecertificeerd, volstaat het om dit certificaat inclusief
een verklaring van toepasbaarheid (c.q. de scope van het certificaat) aan te leveren.
Indien voorgaande wordt aangeleverd, zijn onderstaande kwaliteitseisen (RB1 t/m RB5)
alvast voldoende verantwoord.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen
met JA worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
RB1
|
Heeft de toetsaanbieder een toetsveiligheidsplan opgesteld met daarin opgenomen een
risicoanalyse en een PDCA cyclus voor het beschermen van de beschikbaarheid, integriteit
en vertrouwelijkheid van informatie (BIV)?
|
ja/nee
|
|
RB1.1
|
Zijn de functies en verantwoordelijkheden van de functionarissen van de toetsaanbieder
die betrokken zijn bij de inhoud en de beveiliging van de doorstroomtoets beschreven?
|
ja/nee
|
|
RB1.2
|
Hebben de functionarissen van de toetsaanbieder die betrokken zijn bij de inhoud en
de beveiliging van de doorstroomtoets aantoonbaar een geheimhoudingsverklaring ondertekend?
|
ja/nee
|
|
RB1.3
|
Beschermt de toetsaanbieder het toetsconstructieproces door middel van een PDCA cyclus
van beveiligingsprocedures, inclusief aantoonbare maatregelen ter voorkoming van het
voortijdig uitlekken van de toetsinhoud?
|
ja/nee
|
|
RB1.4
|
Is voor het toetsafnameproces een PDCA cyclus van beveiligingsmaatregelen geïmplementeerd,
inclusief aantoonbare maatregelen ter voorkoming van het voortijdig uitlekken van
de toetsinhoud?
|
ja/nee
|
|
RB1.5
|
Zijn de fysieke en elektronische locaties waar de toetsaanbieder examens, systemen
en materialen bewaart, aantoonbaar voldoende beveiligd?
|
ja/nee
|
|
RB1.6
|
Is de digitale en fysieke informatie omtrent de examenketen zowel tijdens opslag als
verzending aantoonbaar voldoende beveiligd?
|
ja/nee
|
|
RB1.7
|
Verzorgt de toetsaanbieder periodiek training over beveiligingsbewustheid aan haar
functionarissen die betrokken zijn bij de inhoud en de beveiliging van de doorstroomtoets?
|
ja/nee
|
|
RB2
|
Waarborgt de toetsaanbieder, met behulp van passende technische en organisatorische
beveiligingsmaatregelen, de privacy en persoonsgegevens van de afnemer, leerling en
ouder conform de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)?
|
ja/nee
|
|
RB3
|
Heeft de toetsaanbieder een gedegen en compleet actieplan voor het omgaan met diefstal
van (delen van) de toetsinhoud en voor het doen verwijderen van internetpagina’s die
(delen van) de toetsinhoud onthullen?
|
ja/nee
|
|
RB4
|
Heeft de toetsaanbieder een gedegen en compleet fraudepreventieplan opgesteld met
daarin opgenomen een PDCA cyclus voor de beveiliging van het toetsproces en de toetsinhoud?
|
ja/nee
|
|
RB4.1
|
Zijn er gedegen en complete procedures voor het ontdekken en evalueren van verdachte
toetsresultaten en wijzigingen in kenmerken van toetsonderdelen en toetsscores in
de loop van de tijd?
|
ja/nee
|
|
RB4.2
|
Controleert de toetsaanbieder regelmatig het internet en andere media op het bekend
raken van (delen) van de inhoud van de toets of andere niet-openbare informatie over
de doorstroomtoets?
|
ja/nee
|
|
RB5
|
Heeft de toetsaanbieder voldoende verantwoord hoe de toets(omgeving) beveiligd wordt?
|
ja/nee
|
|
RB6
|
Heeft de toetsaanbieder voldoende verantwoord hoe een leerling tijdens een tweede
afnamemoment (omdat die bij de eerste afname was verhinderd) binnen de wettelijke
gestelde termijn de toets alsnog kan maken en hoe deze eventueel verschilt van de
toets van het eerste afnamemoment?
|
ja/nee
|
|
RB7.1
|
Heeft de toetsaanbieder voldoende verantwoord hoe wordt voorzien in een terugvaloptie,
die in het geval van kleine incidenten op leerling-, klas- of schoolniveau volgens
een bijbehorend calamiteitenplan kan worden ingezet?
|
ja/nee
|
|
RB7.2
|
Heeft de toetsaanbieder voldoende verantwoord hoe wordt omgegaan met binnengekomen
incidenten van scholen en hoe deze meldingen worden geëvalueerd?
|
ja/nee
|
|
RB7.3
|
Heeft de toetsaanbieder voldoende verantwoord hoe er richting het onderwijsveld gecommuniceerd
wordt over eventuele incidenten (d.w.z. via welke kanalen en welke inhoud)?
|
ja/nee
|
Toelichting RB1 t/m RB5: De aanbieder moet overzichtelijk per kwaliteitseis aangeven hoe daar aan is voldaan.
Een voorbeeld daarvan is de verwijzing naar een verwerkersovereenkomst, waar op de
kwaliteitseisen RB1 t/m RB5 wordt ingegaan. Daarbij moet bewijslast worden overlegd
van de bij BI.2, BI.3 en BI.4 gevraagde documenten, processen, contracten en protocollen.
De verantwoordelijkheid voor het goed gebruik van de toets en de daarmee verzamelde
informatie in de dagelijkse praktijk ligt bij de school / de eindgebruiker zelf.
Toelichting RB6: De toetsaanbieder beschrijft helder hoe een leerling tijdens een tweede afnamemoment
(omdat die bij de eerste afname was verhinderd) binnen de wettelijke gestelde termijn
alsnog de toets kan maken. De toetsaanbieder vermeldt daarnaast adequaat hoe eventueel
deze toets verschilt van de toets van het eerste afnamemoment en waarom de toetsaanbieder
hiervoor wel/niet kiest. Dit is informatie die niet per se in het toetsreglement en/of
de afnamehandleiding wordt opgenomen en daarom extra is voor de adviseur t.o.v. de
verantwoording van kwaliteitseis A1.
Toelichting RB7.1: Het doel van de terugvaloptie is dat in het geval van een incident of onregelmatigheid
de toetsaanbieder tijdig een terugvaloptie beschikbaar heeft zodat de leerling toch
een doorstroomtoets van de initiële toetsaanbieder kan afnemen tijdens de afname-
of inhaalperiode.
De toetsaanbieder beschrijft in een bijbehorend calamiteitenplan de procedure ter
voorbereiding op incidenten en calamiteiten. Hierin moet in ieder geval vastgelegd
worden hoe de door de aanbieder geboden terugvaloptie van de doorstroomtoets eruitziet:
bijvoorbeeld een itembank waaruit kan worden gekozen voor verschillende digitale versies
of verschillende versies van een papieren toets. Ook moet het risico dat iteminhoud
openbaar komt worden afgedekt.
Toetsaanbieders zijn bovendien zelf verantwoordelijk voor het in de gaten houden van
signalen vanuit scholen, het onderwijsveld en sociale media dat hun doorstroomtoets
mogelijk niet aan de voorwaarden voor doorgang vinden voldoet.
Toelichting RB7.2: De toetsaanbieder beschrijft in een calamiteitenplan hoe scholen incidenten bij de
toetsaanbieder kunnen melden en welke procedures klaarliggen om hiermee om te gaan.
En hoe eventuele incidenten intern beoordeeld worden. Daarbij wordt ook vermeld hoe
deze meldingen gearchiveerd worden, in het kader van evaluatie (en indien mogelijk
openbaarheid).
Toelichting RB7.3: De toetsaanbieder beschrijft in een calamiteitenplan hoe er richting het onderwijsveld
gecommuniceerd wordt over eventuele incidenten (d.w.z. via welke kanalen en welke
inhoud)?
5. Psychometrische aspecten
5.1. Inleiding
De toetsaanbieder moet nieuw geconstrueerde items pretesten. Dit om de psychometrische
kwaliteit van de items te schatten, om van daaruit te kunnen bepalen welke items mogen
worden gebruikt bij de definitieve toetssamenstelling.
De psychometrische kwaliteitsbeoordeling van de doorstroomtoets door de adviseur in
opdracht van het CvTE bestaat uit de volgende stappen:
-
1. Pretestprocedure voor het valideren van nieuw geconstrueerde items, uit te voeren
door de toetsaanbieder en bestaande uit:
-
a. Steekproefkader en samenstelling steekproef (paragraaf 5.2.1);
-
b. Kalibratie en kwaliteit van items (paragraaf 5.2.2);
-
c. Toetssamenstelling na pretest (paragraaf 5.2.3).
-
2. Normering, uit te voeren zoals beschreven in de separate Regeling Beoordelingsnormen Doorstroomtoets po Bonaire, en bestaande uit:
-
a. Het door de toetsaanbieder aanleveren van de ruwe itemscores en de analyses, waarna
een adviseur deze controleert;
-
b. Toepassen van cesuren van referentieniveaus en toetsadviezen.
-
c. Het door de toetsaanbieder vaststellen van de behaalde referentie- en ERK-niveaus
en het toetsadvies per leerling.
-
3. Beoordeling van de kwaliteit en het functioneren van de doorstroomtoets (rapportage
achteraf) zoals beschreven in de eisen KF1 t/m KF4, Hoofdstuk 5.4, te verwerken tot
één rapportage.
In het geval van een MST, geldt dat voor wat betreft de psychometrische kwaliteitseisen
uit Hoofdstuk 5 het CvTE per kwaliteitseis mag beoordelen of en welke van de eisen
voor een lineaire doorstroomtoets en/of en welke van de eisen voor een computergestuurde
adaptieve doorstroomtoets op itemniveau (CAT) van toepassing zijn.
5.2. Pretestprocedure
Om nieuwe items in te kunnen zetten in een operationele afname, moeten deze eerst
gepretest worden. De dataverzameling van deze nieuwe items kan twee doelen dienen:
-
○ Doel A (basis-kwaliteitscontrole): dataverzameling van nieuwe items ten behoeve van
een basis-kwaliteitscontrole. Hierbij wordt onder andere de itemkwaliteit geëvalueerd
aan de hand van itemstatistieken uit de klassieke testtheorie. Na de dataverzameling
selecteert de toetsaanbieder de items die in aanmerking komen voor gebruik in de operationele
toets.
-
○ Doel B (basis-kwaliteitscontrole + additionele dataverzameling): in aanvulling op
bovenstaande beschrijving van doel A worden bij dit doel aanvullend de verzamelde
data gebruikt in de kalibratie na de operationele afname. Dat is vooral relevant bij
een MST of CAT, waarbij de afname niet zo ingericht kan zijn dat van te voren bepaald
kan worden dat de opgaven door voldoende leerlingen gemaakt zullen worden. Voor een
MST of een CAT wordt deze dataverzameling gebruikt voor het schatten van itemparameters
ten behoeve van de adaptieve module.
De dataverzameling kan worden uitgevoerd aan de hand van twee scenario’s:
-
○ Scenario 1: de aanbieder neemt een aparte proeftoets af bij een representatieve steekproef
waarin de items worden afgenomen onder omstandigheden die vergelijkbaar zijn met de
operationele afname.
-
○ Scenario 2: nieuwe items worden gezaaid in de operationele afname. Items mogen voor
een leerling niet herkenbaar zijn als zaai-item.
De pretestprocedure bestaat in beide scenario’s uit drie stappen: 1) Steekproefkader
en samenstelling steekproef vaststellen (paragraaf 5.2.1), 2) Kalibratie en kwaliteit
van items vaststellen met de verzamelde pretestdata (paragraaf 5.2.2), en 3) Definitieve
doorstroomtoets samenstellen (paragraaf 5.2.3).
5.2.1. Steekproefkader en samenstelling steekproef
De onderwijskundig goed geconstrueerde items worden gepretest volgens de kwaliteitseisen
voor het steekproefkader en de samenstelling van de steekproef.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen
met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
N1
|
Is de steekproef groot genoeg?
|
ja/nee
|
|
N2
|
Is de steekproef relevant?
|
ja/nee
|
|
N3
|
Wordt het afnamedesign dat is gebruikt in de pretest adequaat beschreven en verantwoord?
|
ja/nee
|
Toelichting N1: De aanbieder geeft aan via welk scenario en met welke doel de nieuwe items zijn gepretest.
Vervolgens geeft de aanbieder aan door hoeveel leerlingen ieder nieuw item is gepretest.
Het aantal observaties als voldoende gezien wanneer iedere opgave door minstens 200
leerlingen gemaakt is. Uiteraard geven meer gegevens meer zekerheid. Indien doel B
wordt nagestreefd moet rekening worden gehouden met het minimumaantal observaties
dat per item wordt vereist voor de kalibratie na operationele afname (zie kwaliteitscriterium
NR1). Het staat de aanbieder vrij om zowel de gegevens van de reguliere bo-leerlingen
als de s(b)o-leerlingen te gebruiken, mits er geen sprake is van DIF (zie kwaliteitscriterium
KA2).
Gekloonde opgaven zijn in beginsel nieuwe opgaven, en worden zo ook beoordeeld. Wanneer
er sprake is van (zeer) kleine wijzigingen, zoals de aanpassing van een munteenheid
(van euro naar dollar), of de aanpassing van een naam (bijvoorbeeld ten behoeve van
inclusie), waarbij de opgave inhoudelijk hetzelfde blijft, dan kunnen dergelijke items
als onveranderd gezien worden. De toetsaanbieder moet dan wel duidelijk aangeven welke
(inhoudelijke) aanpassing gedaan is, bij voorkeur met een rationale waaruit blijkt
waarom de aanpassing geen impact heeft.
Wanneer de gekloonde opgave in termen van relevantie en/of objectiviteit verandert
ten opzichte van het originele item, dan is er wel sprake van een nieuwe opgave. Meer
specifiek is er sprake van een nieuwe opgave wanneer:
-
○ de gekloonde opgave een relatie heeft met een ander of gewijzigd leerdoel;
-
○ de gekloonde opgave naar verwachting een andere of gewijzigde moeilijkheidsgraad heeft;
-
○ de gekloonde opgave naar een ander of gewijzigd modelantwoord leidt.
Wanneer eerder al data verzameld zijn bij het item in een andere vorm moet ook bij
kleine wijzigingen het gekloonde item een nieuw label krijgen.
Toelichting N2: De steekproef moet relevant zijn voor de toepassing.
-
1) Er is aangegeven hoe de steekproef getrokken is;
-
2) Er is aangegeven onder welke omstandigheden de data verzameld zijn;
-
3) Er is aangegeven hoe de steekproef zich verhoudt tot de toetspopulatie;
-
4) Er is aangegeven of en hoeveel S(B)O scholen hebben mee gedaan.
Als bij (2) de omstandigheden afwijken van de werkelijke afname, wordt aangegeven
welke impact verwacht wordt en hoe daar in de selectie van opgaven voor de operationele
afname rekening mee is gehouden.
In het geval van scenario 2 moet de aanbieder aantonen dat de populatie voor de zaai-items
niet structureel anders is dan de populatie van de niet-zaai-items.
Toelichting N3: Het afnamedesign van de pretest wordt door de aanbieder uiteengezet. Wanneer er sprake
is van doel B is het van belang dat de parameters per (sub)domein of taalactiviteit op dezelfde
schaal liggen. Hiervoor is het van belang dat er sprake is van een afnamedesign waarbij
dit mogelijk is. Dit design wordt aangeleverd en bevat – indien van toepassing – in
ieder geval informatie over:
-
○ het totaal aantal boekjes (‘booklets’);
-
○ aantal observaties per boekje;
-
○ het aantal items dat tussen de opgavenboekjes onderling overlapt;
-
○ het aantal items, en de kwaliteit van de items, dat de pretest verbindt met de bestaande
schaal.
Wanneer de pretest gedaan wordt door middel van zaai-opgaven in de afname dan wordt
aangegeven hoe dat zaai-design er uitziet.
Wanneer de pretestdata zijn verzameld met een CAT is het niet zinvol om het hele onvolledige
design weer te geven, omdat iedere leerling dan in principe een unieke verzameling
items maakt. Indien mogelijk moet het – indien sprake is van doel B – wel duidelijk
zijn hoe deze data verbonden worden aan de bestaande schaal na kalibratie van afgelopen
operationele afname.
Ook moet duidelijk zijn op welke posities de verschillende opgaven ingezet zijn, zodat
door de toetsaanbieder op gedegen en complete wijze beargumenteerd kan worden op welke
wijze er rekening is gehouden met vermoeidheids- en/of volgorde effecten.
5.2.2. Itemkalibratie en toetskwaliteit
Na het verzamelen van de observaties voert de toetsaanbieder een kalibratie uit met
de verzamelde testdata. In het geval dat opgaven al eerder zijn afgenomen (bij een
itembank of bij pretestgegevens) kan er een schaal gekalibreerd worden die op basis
van de afnamegegevens bestendigd moet worden. Op basis van de afnamegegevens kunnen
de (goed functionerende) zaai-items op de schaal geplaatst worden. In de kalibratie
schat de toetsaanbieder de itemparameters, zodat de kwaliteit van de gepreteste items
kan worden vastgesteld.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen
met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
KA1
|
Zijn de nieuwe items psychometrisch gezien van voldoende kwaliteit?
|
ja/nee
|
|
KA2
|
Heeft er gedegen DIF-onderzoek plaatsgevonden ten aanzien van de nieuwe gepreteste
items?
|
ja/nee
|
|
KA3
|
Worden beslisregels voor adaptieve toetsen geëxpliciteerd?
|
ja/nee/n.v.t.
|
|
KA4
|
Zijn de metingen van de individuele leerlingen voldoende betrouwbaar om uitspraken
op individueel niveau te kunnen doen?
|
ja/nee
|
|
KA5
|
Past het psychometrisch model wat gebruikt wordt voor de toetssamenstelling bij de
data?
|
ja/nee
|
Toelichting KA1: De toetsaanbieder selecteert de gepreteste items die psychometrisch gezien van voldoende
kwaliteit zijn om te kunnen gebruiken in de samen te stellen doorstroomtoets. Dat
betekent dat de toetsaanbieder op gedegen en complete wijze onderbouwt dat de geselecteerde
items aan minimaal de volgende eisen voldoen:
-
○ de moeilijkheidsgraad is passend voor het meetdoel en de doelgroep (d.w.z. voor lineaire
toetsen vergelijkbaar met een p-waarde tussen de gokkans en 0,95 en voor adaptieve
toetsen passend bij de moeilijkheidsgraad van het betreffende design en/of toetspad);
-
○ het discriminerend vermogen is vergelijkbaar met een rir-waarde > 0,15, rekening houdend
met de beperkte vaardigheidsrange van de leerlingen in het geval van een adaptieve
toets;
-
○ de kwaliteit van de afleiders van meerkeuze-opgaven wordt geëvalueerd middels a- en
rar-waarden. Deze moet de aanbieder presenteren. Bij het selecteren van een item met
een rar-waarde > 0,05 moet de aanbieder voor dat item aangeven waarom dit item is
meegenomen. Voor items die worden gepretest in een adaptieve pretest is het de aanbieder
toegestaan om afleider-thetacorrelaties (IRT-variant op de klassieke rar-waarde waarbij
theta is gebaseerd op de scores items minus het betreffende item) te berekenen, waarvoor
0,05 eveneens als grenswaarde geldt.
-
○ de interbeoordelaarsovereenstemming, in het geval van open vragen, vergelijkbaar is
met een interbeoordelaarsovereenstemmingscoëfficiënt > 0,80.
De toetsaanbieder verantwoordt op gedegen en complete wijze de keuze voor de geselecteerde
items die in aanmerking komen voor de doorstroomtoets en waarom items die niet aan
deze eisen voldoen onder gegeven omstandigheden toch zijn mee genomen.
Toelichting KA2: De toetsaanbieder beschrijft op gedegen en complete wijze hoe ze onderzoek naar DIF
heeft uitgevoerd. Dit wordt gedaan door – indien van toepassing en indien voldoende
observaties per categorie – een DIF-analyse op itemniveau uit te voeren ten aanzien
van of over:
-
○ Proeftoetsboekjes;
-
○ Eilanden;
-
○ Eventueel: Leerjaren.
Hiervoor geldt:
De grafische weergaven en DIF-statistieken moeten aan worden geleverd voor ieder item,
dus ook voor de items waarbij geen indicatie is gevonden van DIF. Wanneer een item
met een indicatie van DIF desondanks wordt geselecteerd voor de operationele afname
moet de aanbieder aantonen dat het verwachte effect op de behaalde (referentie) en
ERK-niveaus en behaalde toetsadviezen verwaarloosbaar is.
Toelichting KA3 (alleen van toepassing voor adaptieve toetsen): Een adaptieve toets is een toets die zich aanpast aan het individuele vaardigheidsniveau
van de persoon die de toets maakt. In plaats van alle deelnemers dezelfde set vragen
voor te leggen, past een adaptieve toets de complexiteit van de vragen aan op basis
van de correctheid van de eerdere antwoorden van de deelnemer. Het idee hierachter
is dat hierdoor een efficiënte schatting van het vaardigheidsniveau van de leerling
kan worden verkregen. Derhalve moeten van dit type doorstroomtoets de beslisregels
of de algoritmes voor de samenstelling van de toets zijn geëxpliciteerd.
Voor een CAT moet de toetsaanbieder op gedegen en complete wijze verantwoorden:
-
1. Hoe de toets wordt gestart;
-
2. Hoe de keuze voor een volgend item en wordt gemaakt;
-
3. Wanneer de toets wordt beëindigd (maximum aantal items en standard error).
Voor een MST moet de toetsaanbieder op gedegen en complete wijze verantwoorden:
-
1. Hoe de toets wordt gestart;
-
2. Hoe de keuze voor het volgende blokje wordt gemaakt;
-
3. Wanneer de toets wordt beëindigd.
Naast dat de beslisregels voor de samenstelling van de toets geëxpliciteerd moeten
zijn, is het belangrijk dat tevens beslisregels geëxpliciteerd zijn om dekking van
het inhoudelijke domein te waarborgen per individuele afname. Dit houdt in dat indien
er bijvoorbeeld vier verschillende domeinen van rekenen worden bevraagd, de beslisregels
van de adaptieve toets ervoor moeten zorgen dat ook uit alle domeinen voldoende opgaven
worden afgenomen.
Toelichting KA4:
De schattingsfout van iedere geschatte vaardigheid moet beperkt zijn voor de nieuw
in te zetten operationele toets. Het evalueren van de meetnauwkeurigheid op verschillende
posities op de latente vaardigheidsschaal wordt aan de hand van onderstaande vragen
beoordeeld:
-
○ Is er een gedegen en complete beschrijving van de procedure, waaruit blijkt dat de
meetnauwkeurigheid op de juiste manier wordt berekend?
-
○ Is de verdeling van schattingsfouten op de vaardigheidsschattingen grafisch weergegeven,
zowel voor de schaal waarop de (referentie)niveaus gegeven worden, als de schaal waarop
de toetsadviezen gegeven worden?
-
○ Is de hoogte van de meetnauwkeurigheid rond de cesuurpunten van de referentieniveaus
groter dan 0,70?
-
○ Is de meetnauwkeurigheid rond de cesuurpunten vergelijkbaar voor de verschillende
cesuurpunten van de toetsadviezen?2
Toelichting KA5:
Alle psychometrische modellen werken met aannames en voorwaarden waaraan voldaan moet
worden, wil het model bruikbaar zijn. Past het – voor de toetssamenstelling gebruikte
model – bij de data? De aanbieder moet de itemfit grafisch onderbouwen. Daarnaast
moet de aanbieder een passingsmaat hanteren en de resultaten onderbouwen.
5.2.3. Toetssamenstelling
Na afronding van de kalibratie van de nieuwe items, stelt de toetsaanbieder de definitieve
doorstroomtoets samen.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen
met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
T1
|
Bevat de doorstroomtoets in ieder geval vragen met een moeilijkheidsgraad rondom het
referentieniveau 1F voor het terrein Papiamentu en tussen de cesuur van:
○ referentieniveau 1F en 1S voor het terrein Rekenen;
○ ERK-niveau A2 en B1 voor het terrein Nederlands als vreemde taal?
|
ja/nee
|
|
T2
|
Bevat de doorstroomtoets het door het CvTE voorgeschreven minimaal aantal ankeritems
voor het wettelijk verplichte terrein Rekenen, de (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging
van het terrein Papiamentu en de taalactiviteiten receptief Lezen (inclusief het aspect
woordenschat) en receptief Luisteren en kijken van het terrein Nederlands als vreemde
taal, én is de volledige subset van ankeritems op de in de Regeling Beoordelingsnormen Doorstroomtoets po Bonaire beschreven wijze opgenomen in de (varianten van de) doorstroomtoets?
|
ja/nee/n.v.t.
|
|
T3
|
Wordt het afnamedesign dat is gebruikt in de operationele afname adequaat beschreven
en verantwoord?
|
ja/nee/n.v.t.
|
|
T4
|
Bestaat een papieren toets of een lineaire digitale toets jaarlijks volledig uit nieuwe
items voor het wettelijk verplichte terrein Rekenen, de (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging
van het terrein Papiamentu en de taalactiviteiten receptief Lezen (inclusief het aspect
woordenschat) en receptief Luisteren en kijken van het terrein Nederlands als vreemde
taal, met uitzondering van de items van het anker?
|
ja/nee/n.v.t.
|
|
T5
|
Is er in het geval van een CAT of MST sprake van een adequate verversingsstrategie
en wordt de toets dus voldoende ververst over de jaren?
|
ja/nee/n.v.t.
|
|
T6
|
Heeft de itembank van een CAT separaat voor het wettelijk verplichte terrein Rekenen,
de (sub)domeinen Lezen en Taalverzorging van het terrein Papiamentu en de taalactiviteiten
Lezen (inclusief het aspect woordenschat) en Luisteren van het terrein Nederlands
als vreemde taal een omvang van minimaal 6x het aantal unieke items van de maximale
operationele toetsversie?
|
ja/nee/n.v.t.
|
Toelichting T1: Voor zowel een MST als papieren en digitale lineaire doorstroomtoets geldt dat de
toets voor het terrein Rekenen in ieder geval vragen moet bevatten die inhoudelijk
aansluiten bij de referentieniveaus 1F en 1S en die een moeilijkheidsgraad tussen
de cesuur van referentieniveau 1F en 1S hebben. Voor zowel een MST als papieren en
digitale lineaire doorstroomtoets geldt dat de toets voor het terrein Papiamentu in
ieder geval vragen moet bevatten die inhoudelijk aansluiten bij het referentieniveau
1F en die een moeilijkheidsgraad rondom de cesuur van referentieniveau 1F heeft. Daarnaast
geldt voor zowel een MST als papieren en digitale lineaire doorstroomtoets dat de
toets voor het terrein Nederlands als vreemde taal in ieder geval vragen moet bevatten
die inhoudelijk aansluiten bij de ERK-niveaus A2 en B1 en die een moeilijkheidsgraad
tussen de cesuur van ERK-niveau A2 en B1 hebben. In het geval van een CAT is de itemselectie
geoptimaliseerd rond de opeenvolgende vaardigheidsschattingen. De aanbieder presenteert
hiertoe per domein grafisch een verdeling van moeilijkheidsparameters samen met de
cesuren.
Toelichting T2: Indien van toepassing is het door het CvTE toegewezen subset van ankeritems opgenomen
in (de varianten van) de doorstroomtoets. Eventuele (minimale) aanpassingen op deze
items zijn alleen toegestaan met akkoord en na beoordeling van het CvTE.
De door het CvTE toegewezen subset van ankeritems moet op een zodanige wijze over
de toets worden verspreid, dat de positie in de toets zo min mogelijk invloed op de
prestatie van de leerling heeft en de ankeritems qua lay-out en tekstuele vormgeving
niet als opvallend afwijkend in de toets herkenbaar zijn, een en ander zoals gespecificeerd
in de Regeling Beoordelingsnormen Doorstroomtoets PO Bonaire.
Toelichting T3 (alleen van toepassing voor een lineaire toets of MST): De aanbieder beschrijft het afnamedesign dat wordt gebruikt in de operationele afname.
Hiertoe wordt beschreven hoe de items zijn verdeeld over verschillende toetsversies/toetspaden.
Het is mogelijk dat de toetsversies/toetspaden anders ingericht of verminderd moeten
worden door een terugloop in aanmeldingen. De aanbieder beschrijft afnamescenario’s
die afhankelijk zijn van het aantal aanmeldingen, of ze geeft aan waarom verschillende
afnamescenario’s niet nodig worden geacht.
Toelichting T4 (alleen van toepassing voor lineaire toetsen): Een lineaire toets bestaat jaarlijks volledig uit nieuwe gekalibreerde items voor
het wettelijk verplichte terrein Rekenen, het domein Lezen en subdomein Taalverzorging
van het terrein Papiamentu en de taalactiviteiten receptief Lezen (inclusief het aspect
woordenschat) en receptief Luisteren en kijken van het terrein Nederlands als vreemde
taal, met uitzondering van de items van het anker. De noodzakelijkheid van het anker
moet voldoende worden uitgelegd.
Toelichting T5 (alleen van toepassing bij al eerder erkende of vastgestelde adaptieve
toetsen): In het geval van een MST of een CAT, moet er sprake zijn van een adequate jaarlijkse
verversingsstrategie en moet de toets ook over de jaren voldoende worden ververst.
Daarbij geldt het volgende:
-
a. De aanbieder hanteert jaarlijks een adequate verversingsstrategie voor de opgaven
van de itembank. De toetsaanbieder geeft op gedegen en complete wijze aan hoeveel
procent van de opgaven is ververst en onderbouwt dat de toegepaste vernieuwing voldoende
is om overmatige blootstelling van items te voorkomen (exposure control).
-
b. Items die uitgelekt lijken, moeten verwijderd worden. De toetsaanbieder geeft op gedegen
en complete wijze aan hoeveel items er vermoedelijk zijn uitgelekt en hoeveel van
deze items uit de itembank zijn verwijderd.
-
c. Voor items die in het vorige jaar door het algoritme niet geselecteerd zijn, geeft
de toetsaanbieder op gedegen en complete wijze aan, waarom deze niet of wel uit de
itembank zijn verwijderd.
Toelichting T6: Deze kwaliteitseis is alleen van toepassing voor een CAT.
5.3. Normering ten behoeve van leerlingrapportage
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen
met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
NR1
|
Zijn er voldoende observaties per item?
|
ja/nee
|
|
NR2
|
Is de gekozen normeringsmethode voldoende omschreven?
|
ja/nee
|
|
NR3
|
Zijn de gerapporteerde scores voldoende nauwkeurig?
|
ja/nee/n.v.t.
|
Toelichting NR1: Ieder item heeft een minimumaantal observaties van 300 indien gebruik wordt gemaakt
van het 1PL-model, en van 600 observaties indien gebruik wordt gemaakt van het 2PL-model.
Deze aantallen zijn eventueel aangevuld met pretestdata die verkregen zijn met doel
B voor ogen of eerdere afnamejaren. Observaties uit alle onderwijstypen kunnen gebruikt
worden.
Toelichting NR2: Wordt de door de aanbieder gekozen normeringsmethode voldoende omschreven en onderbouwd?
Zodra de gehanteerde methode afwijkt van de methode zoals omschreven in de Regeling Beoordelingsnormen doorstroomtoets PO Bonaire (bijvoorbeeld een normering via een discrete (standaard)scoreschaal of verschillen
in de meegekalibreerde onderwijstypen), moet de toetsaanbieder de gehanteerde normering
duiden en moet de aanbieder aangeven hoe de scores op de eigen scoreschaal zijn berekend
uit de latente vaardigheden op de afzonderlijke onderdelen en/of uit de GLV-scores.
Toelichting NR3: Indien de uiteindelijke rapportageschaal afwijkt van de latente schaal waarop de
cesuren zijn vastgesteld, moet de toetsaanbieder de nauwkeurigheid van de rapportage
weergeven via een tabel (verwarringsmatrix) en mogelijke verschillen tussen de latente
schaal en de rapportageschaal verantwoorden. Hierbij geldt dat classificatie van behaalde
toetsadviezen en behaalde referentieniveaus op basis van de getransformeerde toetsscores
niet meer dan 5% mag afwijken van de classificatie van behaalde toetsadviezen en behaalde
referentieniveaus op basis van de normering. De 5% geldt zowel voor de referentieniveaus
als bij de toetsadviezen voor het totaal. Bij de verwarringsmatrices is het dus niet
toegestaan dat meer dan 5% van de observaties buiten de diagonaal valt.
Indien de aanbieder niet werkt met getransformeerde toetseigen scores is deze eis
voor de betreffende aanbieder niet van toepassing.
5.4. Kwaliteit en functioneren van de doorstroomtoets (rapportage achteraf)
Deze kwaliteitseisen zijn alleen van toepassing voor al eerder afgenomen toetsen.
Kwaliteitseisen
Beslisregel: Om aan deze categorie kwaliteitseisen te voldoen, moeten alle vragen
met JA of N.V.T. worden beantwoord.
|
Code
|
Vragen
|
Mogelijke antwoorden
|
|
KF1
|
Verantwoordt de toetsaanbieder op een gedegen manier of en waarom opgaven met inhoudelijke
fouten, psychometrisch disfunctioneren, DIF of te weinig waarnemingen al dan niet
zijn meegenomen voor de scorerapportage?
|
ja/nee/n.v.t.
|
|
KF2
|
Reflecteert de toetsaanbieder via een analyse op het functioneren van de toetsopgaven
die op basis van adequate onderbouwing zijn opgenomen in de operationele afname?
|
ja/nee/n.v.t.
|
|
KF3
|
Zijn verschillen in percentage referentie- en ERK-niveaus voldoende verantwoord?
|
ja/nee/n.v.t.
|
|
KF4
|
Zijn verschillen in de verdeling van populatievaardigheden ten opzichte van de verantwoording
van het afgelopen jaar en de onderdelen onderling voldoende verantwoord?
|
ja/nee/n.v.t.
|
De toetsaanbieder verantwoordt jaarlijks na de toetsafname-periode de kwaliteit en
het functioneren van de afgenomen doorstroomtoets op basis van de bovengenoemde vier
kwaliteitscriteria. Er wordt beoordeeld of de inhoud van de informatie die door de
toetsaanbieder is aangeleverd voldoet aan de vooraf gestelde eisen. Voor een nieuwe
aanbieder zijn deze eisen bij de eerste evaluatie niet van toepassing.
Toelichting KF1: De aanbieder presenteert het aantal wel en het aantal niet meegenomen items voor
de scorerapportage naar de leerlingen wegens:
-
1. een inhoudelijke fout;
-
2. psychometrisch disfunctioneren;
-
3. DIF;
-
4. te weinig waarnemingen.
Daarbij wordt verantwoord waarom de meegenomen items in de scorerapportage zijn meegenomen.
Voor (3) geldt: indien er voldoende observaties zijn worden DIF-analyses uitgevoerd
tussen:
-
○ Pretest en operationele afname, indien pretestdata worden meegenomen in de kalibratie
na operationele afname;
-
○ Operationele afnames, indien data van operationele afnames van de jaren hiervoor worden
meegenomen in de kalibratie na operationele afname;
-
○ Schooltypes (regulier bo vs. s(b)o) indien van toepassing.
Verder geldt:
De grafische weergaven en DIF-statistieken moeten aan worden geleverd voor ieder item,
dus ook voor de items waarbij geen indicatie is gevonden van DIF. Wanneer een item
met een indicatie van DIF desondanks wordt meegenomen ten behoeve van de scorerapportage
moet de aanbieder aantonen wat het effect is van de inzet van het betreffende item
op de behaalde referentieniveaus en behaalde toetsadviezen.
Toelichting KF2: Indien bij de beoordeling van de afgelopen indiening er bij kwaliteitseis V2 afspraken
zijn gemaakt over het monitoren van het functioneren van specifieke toetsopgaven,
moet de aanbieder de resultaten van de inhoudelijke en psychometrische analyse aanleveren.
Toelichting KF3: De toetsaanbieder moet informatie verstrekken over de percentages referentie- en
ERK-niveaus van het wettelijk verplichte terrein Rekenen, het domein Lezen en subdomein
Taalverzorging van het terrein Papiamentu, en taalactiviteit receptief lezen – inclusief
aspect woordenschat – en receptief luisteren en kijken van het terrein Nederlands
als vreemde taal (en optionele (sub)domeinen en taalactiviteiten van de terreinen
Papiamentu en Nederlands als vreemde taal) plus een overzicht van de percentages toetsadviezen
van dit jaar ten opzichte van het vorige jaar (in tabelformaat). Verschillen tussen
de beide jaren worden door de toetsaanbieder getoetst. Betekenisvolle verschillen
tussen beide jaargangen worden door de aanbieder verklaard.
Toelichting KF4: De aanbieder moet inzicht geven in de populatieverdeling van de vaardigheid. Hiertoe
worden populatieparameters (gemiddelde en standaarddeviatie) en de schattingsfout
op de populatieparameters gegeven. De verdelingen grafisch inzichtelijk gemaakt. In
deze informatie wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende onderwijstypen.
Eventuele verschillen ten opzichte van de rapportage achteraf van het afgelopen jaar
worden getoetst. Betekenisvolle verschillen tussen beide jaargangen worden door de
aanbieder verklaard. Eventuele verschillen ten opzichte van de landelijke normering
worden verklaard.