Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse

[Regeling vervalt per 30-09-2028.]
Geraadpleegd op 21-07-2024.
Geldend van 28-10-2023 t/m 31-12-2023

Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 26 september 2023, nr. WJZ/ 36713828, houdende regels over de subsidiëring van de realisatie en exploitatie van productie-installaties voor waterstof (Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse)

De Minister voor Klimaat en Energie,

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en h, en 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;

Besluit:

§ 1. Algemeen

Artikel 1.1. (begripsbepalingen)

In deze regeling wordt verstaan onder:

§ 2. Criteria voor subsidieverstrekking

Artikel 2.1. (verstrekken van subsidie)

De Minister verstrekt op aanvraag aan een onderneming subsidie bestaande uit:

  • a. een subsidiedeel voor de realisatie van een waterstofproductie-installatie; en

  • b. een subsidiedeel voor de productie van volledig hernieuwbare waterstof met die waterstofproductie-installatie.

Artikel 2.2. (criteria)

  • 1 De subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien:

    • a. het nominale elektrische inputvermogen van de elektrolyser minimaal 0,5 MW en maximaal 50 MW is;

    • b. de volledig hernieuwbare waterstof wordt geproduceerd door elektrolyse van water tot zuurstof en waterstof;

    • c. de broeikasgasemissiereductie van het totaal aan de geproduceerde volledig hernieuwbare waterstof en waterstof die niet volledig hernieuwbaar is samen ten minste 70% is gedurende de periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat in het geval ook waterstof die niet volledig hernieuwbaar is, wordt geproduceerd; en

    • d. de waterstofproductie-installatie:

      • 1°. met een directe lijn is gekoppeld aan een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit wind- of zonne-energie;

      • 2°. met een aansluiting is gekoppeld aan het elektriciteitsnet; of

      • 3°. zowel met een directe lijn is gekoppeld aan een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit wind- of zonne-energie als met een aansluiting is gekoppeld aan het elektriciteitsnet.

  • 2 Bij het aantonen dat wordt voldaan aan het eerste lid, onderdeel c, is voor de subsidieontvanger gedelegeerde verordening (EU) 2023/1185 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.3. (volledig hernieuwbare waterstof)

  • 1 Indien de subsidie wordt verstrekt voor een direct gekoppelde waterstofproductie-installatie, wordt de geproduceerde waterstof voor de toepassing van deze regeling als volledig hernieuwbaar aangemerkt indien de subsidieontvanger voldoet aan de artikelen 3 en 8 van gedelegeerde verordening (EU) 2023/1184.

  • 2 Indien de subsidie wordt verstrekt voor een netgekoppelde waterstofproductie-installatie, wordt de geproduceerde waterstof voor de toepassing van deze regeling als volledig hernieuwbaar aangemerkt indien de subsidieontvanger:

    • a. voldoet aan de artikelen 4 tot en met 8, 10 en 11 van gedelegeerde verordening (EU) 2023/1184, waarbij de hernieuwbare stroomafnameovereenkomsten, bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7, van die verordening betrekking hebben op de levering van hernieuwbare elektriciteit uit wind- of zonne-energie; en

    • b. beschikt over het bewijs van afboeking van garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit.

  • 3 Indien de subsidie wordt verstrekt voor een dubbelgekoppelde waterstofproductie-installatie, wordt de geproduceerde waterstof voor de toepassing van deze regeling als volledig hernieuwbaar aangemerkt indien de subsidieontvanger:

    • a. voldoet aan de artikelen 3 tot en 8, 10 en 11 van gedelegeerde verordening (EU) 2023/1184, waarbij de hernieuwbare stroomafnameovereenkomsten, bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7, van die verordening betrekking hebben op de levering van hernieuwbare elektriciteit uit wind- of zonne-energie; en

    • b. beschikt over het bewijs van afboeking van garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit.

  • 4 De garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, zijn uitgegeven voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit wind- of zonne-energie waarvoor hernieuwbare stroomafnameovereenkomsten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a, zijn getekend.

Artikel 2.4. (subsidieplafond en openstellingstermijn)

  • 1 Het subsidieplafond bedraagt € 245.600.000.

  • 2 Een aanvraag voor subsidie kan worden ingediend in de periode van donderdag 30 november 2023, 9:00 uur, tot donderdag 14 december 2023, 17:00 uur.

  • 3 Per adres, of bij het ontbreken daarvan per kadastrale aanduiding, waarop de waterstofproductie-installatie wordt geplaatst, kan in de periode, bedoeld in het tweede lid, ten hoogste één aanvraag voor subsidie worden ingediend.

§ 3. Algemene bepalingen over de aanvraag voor subsidieverlening en de besluitvorming daarover

Artikel 3.1. (verdeling subsidieplafond)

  • 1 De Minister verdeelt het subsidieplafond in de volgorde van rangschikking van de aanvragen voor subsidie waarop niet met toepassing van artikel 3.11 afwijzend wordt beslist.

  • 2 De rangschikking vindt plaats op rangschikkingsbedrag waarbij geldt dat hoe lager het rangschikkingsbedrag van een aanvraag is, hoe hoger de aanvraag wordt gerangschikt, met inachtneming van het derde tot en met zesde lid.

  • 3 Indien de hoogst gerangschikte aanvraag een direct gekoppelde waterstofproductie-installatie of een dubbelgekoppelde waterstofproductie-installatie betreft, is de tweede aanvraag in de rangschikking de aanvraag die het laagste rangschikkingsbedrag heeft van de aanvragen voor netgekoppelde waterstofproductie-installaties.

  • 4 Indien de hoogst gerangschikte aanvraag een netgekoppelde waterstofproductie-installatie betreft, is de tweede aanvraag in de rangschikking de aanvraag die het laagste rangschikkingsbedrag heeft van alle aanvragen voor direct gekoppelde waterstofproductie-installaties en alle aanvragen voor dubbelgekoppelde waterstofproductie-installaties.

  • 5 Indien blijkt dat twee of meer aanvragen in aanmerking komen als eerste of tweede in de rangschikking, bedoeld in het derde of vierde lid, stelt de Minister de onderlinge rangschikking van deze aanvragen vast met loting.

  • 6 Op het moment dat het subsidieplafond zou worden overschreden door honorering van twee of meer aanvragen met hetzelfde rangschikkingsbedrag, stelt de Minister de onderlinge rangschikking van deze aanvragen vast met loting.

Artikel 3.2. (rangschikkingsbedrag €/MW)

  • 1 Het rangschikkingsbedrag, bedoeld in artikel 3.1, is het aangevraagde subsidiebedrag in € per MW nominaal elektrisch inputvermogen van de elektrolyser.

  • 2 Het rangschikkingsbedrag wordt berekend met de formule:

    rangschikkingsbedrag = (investeringssubsidiebedrag in € + het maximum exploitatiesubsidiebedrag in €) : nominaal elektrisch inputvermogen van de elektrolyser.

  • 3 Bij het bepalen van het investeringssubsidiebedrag, bedoeld in het tweede lid, blijft een eventuele verhoging voor een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, buiten beschouwing.

Artikel 3.3. (gegevens aanvraag)

  • 1 Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend bij de Minister met gebruikmaking van een middel dat door de Minister beschikbaar wordt gesteld.

  • 2 De aanvraag bevat in ieder geval:

    • a. de naam, het adres en het rekeningnummer van de subsidieaanvrager;

    • b. het adres, of bij het ontbreken daarvan de kadastrale aanduiding, waarop de waterstofproductie-installatie wordt geplaatst;

    • c. de periode die het exploitatiesubsidiedeel zal beslaan, bestaande uit ten minste zeven en ten hoogste vijftien achtereenvolgende, hele jaren;

    • d. een projectplan waarin is opgenomen:

      • 1°. de activiteiten ter realisatie van de waterstofproductie-installatie met ten minste drie mijlpalen en een tijdschema met de geplande startdatum van de activiteiten en de geplande datum waarop de waterstofproductie-installatie zal zijn gerealiseerd;

      • 2°. een begroting, per component, van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 5.4;

    • e. indien van toepassing: gegevens waarmee de subsidieaanvrager kan aantonen dat hij een kleine of middelgrote onderneming is.

  • 3 Bij de aanvraag vermeldt de subsidieaanvrager of voor hem opbrengsten of vermeden kosten voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer.

Artikel 3.4. (gegevens subsidieparameters)

  • 1 Bij een aanvraag voor subsidie wordt vermeld:

    • a. het nominale elektrische inputvermogen van de elektrolyser;

    • b. het investeringssubsidiebedrag;

    • c. het maximum exploitatiesubsidiebedrag;

    • d. de totale hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof in kg in de periode die het exploitatiesubsidiedeel zal beslaan;

    • e. de totale hoeveelheid te produceren waterstof die niet volledig hernieuwbaar is in kg in de periode die het exploitatiesubsidiedeel zal beslaan;

    • f. de productieprijs van volledig hernieuwbare waterstof.

  • 2 De aanvraag gaat vergezeld van de technische specificatie van de leverancier van de elektrolyser waarop het nominale elektrische inputvermogen van de elektrolyser is aangegeven.

Artikel 3.5. (vergunningen)

  • 2 Indien geen vergunning als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is, gaat de aanvraag vergezeld van de vergunning die op grond van artikel 6.5, aanhef en onderdeel c, van de Waterwet noodzakelijk is om gebruik te maken van een waterstaatswerk of een daartoe behorende beschermingszone.

Artikel 3.6. (haalbaarheidsstudie)

  • 1 Een aanvraag voor subsidie gaat vergezeld van een haalbaarheidsstudie.

  • 2 De haalbaarheidsstudie bevat in ieder geval:

    • a. een omschrijving van de waterstofproductie-installatie;

    • b. een waterstofopbrengstberekening met de verwachte hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare en de verwachte hoeveelheid waterstof die niet volledig hernieuwbaar is per kalenderjaar in de periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat;

    • c. een financieringsplan voor de investering in de waterstofproductie-installatie;

    • d. inzicht in het eigen vermogen van de subsidieaanvrager;

    • e. een exploitatieberekening met de verwachte kosten en opbrengsten van de waterstofproductie-installatie;

    • f. een intentieverklaring van een financier voor de financiering van de investering in de waterstofproductie-installatie, indien:

      • 1°. het eigen vermogen, anders dan het aangevraagde investeringssubsidiedeel, minder dan 20% van de kosten van de investering in de waterstofproductie-installatie bedraagt; of

      • 2°. de subsidieaanvrager meer dan één aanvraag heeft ingediend in de periode voor het aanvragen van subsidie, genoemd in artikel 2.4, tweede lid, en het eigen vermogen, anders dan het aangevraagde investeringssubsidiedeel, minder dan 20% van de totale kosten van de investeringen in de waterstofproductie-installaties bedraagt.

  • 3 De exploitatieberekening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, bevat:

    • a. een specificatie van de investeringskosten per component van de waterstofproductie-installatie;

    • b. een overzicht van de kosten en baten van de exploitatie van de waterstofproductie-installatie, waarbij gedurende de periode die het exploitatiesubsidiedeel zal beslaan geen rekening wordt gehouden met toekomstige inkomsten uit hernieuwbare brandstofeenheden als bedoeld in artikel 9.7.3.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer;

    • c. een berekening van het financiële rendement van de investering gedurende de levensduur van de waterstofproductie-installatie, waarbij wordt uitgegaan van een levensduur van ten hoogste vijftien jaar.

Artikel 3.7. (toestemming eigenaar locatie)

  • 1 Indien een aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een waterstofproductie-installatie op een locatie waarvan de subsidieaanvrager niet de eigenaar is, gaat de aanvraag vergezeld van de toestemming van de eigenaar of eigenaren voor het plaatsen en in gebruik hebben van de waterstofproductie-installatie op die locatie gedurende de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • 2 De toestemming van de eigenaar of eigenaren wordt overgelegd met gebruikmaking van een middel dat door de Minister beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 3.8. (transportindicatie elektriciteit)

  • 1 Een aanvraag voor subsidie voor een netgekoppelde waterstofproductie-installatie of een dubbelgekoppelde waterstofproductie-installatie gaat vergezeld van een verklaring van een netbeheerder over de beschikbaarheid van transportcapaciteit voor de waterstofproductie-installatie.

  • 2 De verklaring wordt overgelegd met gebruikmaking van een middel dat door de Minister beschikbaar wordt gesteld.

  • 3 De verklaring is niet langer dan drie maanden voorafgaand aan het indienen van de aanvraag afgegeven.

Artikel 3.9. (toestemming informatieverstrekking gemandateerden)

Artikel 3.10. (beslistermijn aanvraag subsidie)

  • 1 De Minister beslist op een aanvraag voor subsidie binnen dertien weken na de laatste dag van de periode voor het aanvragen van de subsidie, genoemd in artikel 2.4, tweede lid.

  • 2 De termijn van dertien weken kan eenmaal met ten hoogste dertien weken worden verlengd.

Artikel 3.11. (afwijzingsgronden)

  • 1 De Minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie indien:

    • a. de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde bepalingen;

    • b. de elektrolyser al eerder in gebruik is geweest;

    • c. de aangevraagde periode die het exploitatiesubsidiedeel zal beslaan, korter is dan zeven of langer dan vijftien achtereenvolgende, hele jaren;

    • d. het onaannemelijk is dat de waterstofproductie-installatie in gebruik wordt genomen binnen vier jaar na subsidieverlening;

    • e. het onaannemelijk is dat de waterstofproductie-installatie in de hele periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat, in gebruik is;

    • f. het onaannemelijk is dat de realisatie of exploitatie van de waterstofproductie-installatie:

      • 1°. uitvoerbaar is;

      • 2°. technisch haalbaar is;

      • 3°. financieel haalbaar is;

      • 4°. economisch haalbaar is;

    • g. het onaannemelijk is dat zal worden voldaan aan de eisen die gelden om waterstof als volledig hernieuwbaar aan te merken, bedoeld in artikel 2.3;

    • h. het onaannemelijk is dat de broeikasgasemissiereductie van het totaal aan de geproduceerde hernieuwbare waterstof en waterstof die niet volledig hernieuwbaar is samen ten minste 70% bedraagt gedurende de periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat, in het geval ook waterstof zal worden geproduceerd die niet volledig hernieuwbaar is;

    • i. één of meer vergunningen die zijn vereist op grond van artikel 3.5 niet zijn verleend;

    • j. onomkeerbare investeringsverplichtingen voor de realisatie van de waterstofproductie-installatie zijn aangegaan voor de datum waarop de aanvraag is ingediend;

    • k. met de in het projectplan opgenomen activiteiten is gestart voor de datum waarop de aanvraag is ingediend;

    • l. het aannemelijk is dat realisatie of exploitatie van de waterstofproductie-installatie ook zonder belangrijke vertraging zouden worden verricht zonder de subsidie;

    • m. de financiële haalbaarheid van de realisatie of exploitatie van de waterstofproductie-installatie afhankelijk is van andere, nog te verkrijgen subsidies;

    • n. op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie al subsidie is verstrekt voor de productie van waterstof met de waterstofproductie-installatie;

    • o. het aangevraagde subsidiebedrag in € per kg te produceren volledig hernieuwbare waterstof hoger is dan € 9/kg.

  • 2 Het aangevraagde subsidiebedrag in € per kg te produceren volledig hernieuwbare waterstof, bedoeld in het eerste lid, onderdeel o, wordt berekend met de formule:

    aangevraagd subsidiebedrag = (aangevraagde investeringssubsidiebedrag in € : aangevraagde totale hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof in kg in de periode die het exploitatiesubsidiedeel zal beslaan) + (aangevraagde productieprijs van volledig hernieuwbare waterstof in € per kg – € 1,7600 per kg waterstof).

Artikel 3.12. (toets passende stimulering)

De Minister kan al ontvangen of genoten overheidssteun of in de toekomst te ontvangen of te genieten overheidssteun voor de realisatie van de waterstofproductie-installatie of voor de productie van volledig hernieuwbare waterstof in mindering brengen op de subsidie die op grond van deze regeling wordt verstrekt, indien die steun er toe leidt dat de totale voor de waterstofproductie-installatie verleende overheidssteun meer bedraagt dan is toegestaan op grond van de verplichtingen die voor de Staat gelden krachtens een verdrag.

Artikel 3.13. (transparantiebepaling)

De Minister maakt binnen zes maanden na de subsidieverlening de informatie bekend over de steunverlening, bedoeld in paragraaf 3.2.1.14, onderdeel 58, aanhef en subonderdeel b, van de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (PbEU 2022/C 80/01).

§ 4. Verplichtingen voor de subsidieontvanger

Artikel 4.1. (certificaat volledig hernieuwbare waterstof en ≥ 70% broeikasgasemissiereductie)

  • 1 De subsidieontvanger is vanaf de datum van ingebruikname van de waterstofproductie-installatie tot aan de datum van de beschikking tot subsidievaststelling in het bezit van een geldig certificaat dat aantoont dat:

    • a. de waterstofproductie-installatie zodanig is ontworpen en de elektriciteits- en waterstofstromen zodanig worden gemeten en geadministreerd dat aantoonbaar volledig hernieuwbare waterstof kan worden geproduceerd;

    • b. de te produceren waterstof als volledig hernieuwbaar kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 2.3; en

    • c. indien met de waterstofproductie-installatie ook waterstof die niet volledig hernieuwbaar is zal worden geproduceerd, de broeikasgasemissiereductie van het totaal aan te produceren volledig hernieuwbare waterstof en waterstof die niet volledig hernieuwbaar is samen tenminste 70% is overeenkomstig artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c.

  • 2 Indien door de Europese Commissie twee of meer vrijwillige nationale of internationale systemen voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong zijn erkend op basis van artikel 30, vierde lid, van richtlijn (EU) 2018/2001, is het certificaat opgesteld met een van deze vrijwillige nationale of internationale systemen.

  • 3 Indien door de Europese Commissie minder dan twee vrijwillige nationale of internationale systemen voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong zijn erkend op basis van artikel 30, vierde lid, van richtlijn (EU) 2018/2001, is het certificaat opgesteld met een erkend vrijwillig nationaal of internationaal systeem voor hernieuwbare gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong of met een vrijwillig nationaal of internationaal systeem voor hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong dat de vaststellingsprocedure door de Europese Commissie, bedoeld in artikel 30, vierde en vijfde lid, van die richtlijn doorloopt.

Artikel 4.2. (verklaring volledig hernieuwbare waterstof en ≥ 70% broeikasgasemissiereductie)

  • 1 De subsidieontvanger zendt vanaf de datum van ingebruikname van de waterstofproductie-installatie tot aan de subsidievaststelling telkens binnen vijf maanden na afloop van ieder kalenderjaar aan de Minister een verklaring waaruit blijkt dat de geproduceerde volledig hernieuwbare waterstof voldoet aan de eisen die zien op volledige hernieuwbaarheid, bedoeld in artikel 2.3, en dat, indien met de waterstofproductie-installatie ook waterstof wordt geproduceerd die niet volledig hernieuwbaar is, de broeikasgasemissiereductie van het totaal aan geproduceerde volledig hernieuwbare waterstof en waterstof die niet volledig hernieuwbaar is tenminste 70% is, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c.

  • 2 De verklaring wordt overgelegd met gebruikmaking van een middel dat door de Minister beschikbaar wordt gesteld.

  • 3 De verklaring bevat ten minste de informatie, bedoeld in artikel 8 van gedelegeerde verordening (EU) 2023/1184, over het voorgaande kalenderjaar.

  • 4 De subsidieontvanger laat de verklaring verifiëren en ondertekenen door de instantie die het certificaat, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, afgeeft.

Artikel 4.3. (realisatie- en ingebruiknametermijn)

  • 1 De subsidieontvanger realiseert de waterstofproductie-installatie zo spoedig mogelijk na de beschikking tot subsidieverlening en neemt de waterstofproductie-installatie in gebruik zo spoedig mogelijk na realisatie maar uiterlijk binnen vier jaar na de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2 De subsidieontvanger realiseert de waterstofproductie-installatie in overeenstemming met het in de aanvraag opgenomen projectplan.

  • 3 De subsidieontvanger heeft de waterstofproductie-installatie in gebruik volgens de gegevens, die zijn opgenomen in de aanvraag voor subsidie, tot aan de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

  • 4 De subsidieontvanger stelt de Minister onverwijld op de hoogte van de datum dat hij waterstofproductie-installatie in gebruik neemt.

  • 5 Zodra aannemelijk is dat vertraging in de realisatie of ingebruikname van de waterstofproductie-installatie zal optreden, stelt de subsidieontvanger de Minister hiervan onverwijld op de hoogte.

Artikel 4.4. (ontheffing)

  • 1 De Minister kan op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger bij vertraging een ontheffing voor ten hoogste één jaar verlenen van de verplichting om de waterstofproductie-installatie binnen vier jaar na de beschikking tot subsidieverlening te realiseren of in gebruik te nemen, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid.

  • 2 De Minister kan op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger bij essentiële wijzigingen van de realisatie van waterstofproductie-installatie ten opzichte van het projectplan of van de ingebruikname van de waterstofproductie-installatie ten opzichte van de gegevens, die zijn opgenomen in de aanvraag voor subsidie, een ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in artikel 4.3, tweede of derde lid.

  • 3 Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 4.5. (waterstofproductie-installatie in Nederland)

De waterstofproductie-installatie wordt in stand gehouden in Nederland, de territoriale zee of binnen de Nederlandse exclusieve economische zone.

Artikel 4.6. (voortgangsverslag realisatie waterstofproductie-installatie)

  • 1 De subsidieontvanger dient tot de datum dat de waterstofproductie-installatie is gerealiseerd, telkens één keer per kalenderjaar een voortgangsverslag in bij de Minister over de voortgang van de realisatie van de waterstofproductie-installatie.

  • 2 Het voortgangsverslag bevat:

    • a. een beschrijving van de ervaringen met de realisatie van de productie-installatie van waterstof;

    • b. gegevens over de voortgang van de in het projectplan opgenomen activiteiten, inclusief de realisatie van de mijlpalen en het tijdschema.

Artikel 4.7. (eindverslag realisatie waterstofproductie-installatie)

  • 1 De subsidieontvanger dient binnen dertien weken na de datum waarop de waterstofproductie-installatie in gebruik is genomen, een eindverslag in over de realisatie van de waterstofproductie-installatie.

  • 2 Het eindverslag gaat vergezeld van:

    • a. een beschrijving van de ervaringen met de realisatie van de waterproductie-installatie;

    • b. een gespecificeerde opgave van de gemaakte en betaalde subsidiabele kosten per component als opgenomen in de begroting, waarbij deze kosten zijn berekend en gestaafd met bewijsstukken;

    • c. een overzicht van de ontvangen inkomsten, waaronder al verstrekte subsidies op grond van een andere regeling dan op grond van deze regeling en overige steun voor de realisatie van de waterstofproductie-installatie;

    • d. een nader vast te stellen product van een accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep.

  • 3 Het nader vast te stellen product, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, wordt opgesteld met gebruikmaking van een model dat door de Minister ter beschikking wordt gesteld, en dat in ieder geval een opgave van de investeringskosten die zijn gemaakt en betaald, een opgave van de verstrekte overige subsidies en steun en informatie over de in aftrek te brengen omzetbelasting, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968 bevat.

  • 4 Indien het een directgekoppelde waterstofproductie-installatie of een dubbelgekoppelde waterstofproductie-installatie betreft, gaat het eindverslag vergezeld van hernieuwbare stroomafnameovereenkomsten voor wind- of zonne-energie voor de elektriciteit die gedurende de eerste vijf jaar zal worden gebruikt voor de productie van volledig hernieuwbare waterstof.

  • 5 Het eindverslag wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de Minister beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 4.8. (overzicht kosten en baten toets passende stimulering)

  • 1 De subsidieontvanger zendt de Minister binnen een jaar na de datum waarop de waterstofproductie-installatie in gebruik is genomen of op verzoek van de Minister, voor het bepalen of de totale verleende overheidssteun meer bedraagt dan is toegestaan op grond van de verplichtingen die voor de Staat gelden krachtens een verdrag, bedoeld in artikel 3.12:

    • a. een opgave van de gemaakte kosten van de realisatie van de waterstofproductie-installatie;

    • b. een overzicht van de al ontvangen inkomsten, waaronder de al verstrekte subsidies op grond van een andere regeling dan op grond van deze regeling en overige steun, voor de realisatie of de exploitatie van de waterstofproductie-installatie;

    • c. een overzicht van de nog te ontvangen inkomsten, waaronder nog te verstrekken subsidies op grond van een andere regeling dan op grond van deze regeling en overige steun, voor de realisatie of de exploitatie van de waterstofproductie-installatie;

    • d. een overzicht van de overige kosten en baten van de exploitatie van de waterstofproductie-installatie;

    • e. een nader vast te stellen product van een accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep.

  • 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt met gebruikmaking van een middel dat door de Minister beschikbaar wordt gesteld, waarbij het nader vast te stellen product, bedoeld in onderdeel e, wordt opgesteld met gebruikmaking van een model dat door de Minister ter beschikking wordt gesteld, en dat in ieder geval een opgave van de investeringskosten die zijn gemaakt en betaald, een opgave van de verstrekte overige subsidies en steun en informatie over de in aftrek te brengen omzetbelasting, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968 bevat.

  • 3 De Minister kan de termijn van een jaar, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de subsidieontvanger één keer verlengen met ten minste zes weken en ten hoogste drie maanden.

  • 4 De subsidieontvanger meldt wijzigingen van de al ontvangen en de nog te ontvangen inkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, die van invloed kunnen zijn op hoogte van de totale verleende overheidssteun, aan de Minister.

Artikel 4.9. (voortgangsverslag productie waterstof)

  • 1 De subsidieontvanger dient vanaf de datum waarop de waterstofproductie-installatie in gebruik is genomen tot aan de subsidievaststelling, telkens één keer per twee kalenderjaren een voortgangsverslag in bij de Minister over de voortgang van de productie van de waterstof.

  • 2 Een voorgangsverslag bevat:

    • a. een beschrijving van de ervaringen met het produceren van waterstof met de waterstofproductie-installatie;

    • b. gegevens over de hernieuwbaarheid van de elektriciteit die is ingezet voor het produceren van waterstof;

    • c. monitorgegevens over de productie van waterstof en over het onderhoud en de eventuele uitval van de waterstofproductie-installatie.

Artikel 4.10. (kennisverspreiding)

De Minister kan de voortgangsverslagen, bedoeld in de artikelen 4.6 en 4.9, en het eindverslag, bedoeld in artikel 4.7, gebruiken voor openbare, brede verspreiding van de niet-bedrijfsgevoelige kennis en informatie die zijn opgedaan.

Artikel 4.11. (overige gegevensverstrekking)

  • 1 De subsidieontvanger deelt onverwijld de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot faillietverklaring van hem, tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen over hem schriftelijk mee aan de Minister.

  • 2 De subsidieontvanger deelt onverwijld schriftelijk aan de Minister mee zodra het aannemelijk is dat niet, niet tijdig of niet geheel zal worden voldaan aan verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden.

  • 3 Indien voor de subsidieaanvrager opbrengsten of vermeden kosten gaan voortvloeien of niet meer voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer, meldt hij dit onverwijld schriftelijk aan de Minister.

  • 4 De subsidieontvanger verstrekt op verzoek aan de Minister alle overige bescheiden, gegevens of inlichtingen die nodig zijn voor een beslissing over de subsidie.

Artikel 4.12. (evaluatieverplichting)

De subsidieontvanger verleent tot en met vijf jaar na de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan een evaluatie door de Minister van de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.

§ 5. Investeringssubsidiedeel

Artikel 5.1. (toepassingsbereik paragraaf 5)

Deze paragraaf is van toepassing op het investeringssubsidiedeel.

Artikel 5.2. (berekeningswijze investeringssubsidiebedrag)

  • 1 Indien sprake is van een waterstofproductie-installatie waarvan het nominale elektrische inputvermogen van de elektrolyser groter is dan 0,5 MW en kleiner is dan 30 MW, is het bedrag van het investeringssubsidiedeel de som van de subsidiabele kosten van realisatie van de waterstofproductie-installatie, bedoeld in artikel 5.4.

  • 2 Indien sprake is van een waterstofproductie-installatie waarvan het nominale elektrische inputvermogen van de elektrolyser gelijk aan of groter is dan 30 MW en niet groter is dan 50 MW, is het bedrag van het investeringssubsidiedeel het verschil tussen de som van subsidiabele kosten van realisatie van de waterstofproductie-installatie, bedoeld in artikel 5.4, en de kosten van realisatie van een stoommethaanreforminstallatie, bedoeld in artikel 5.5.

Artikel 5.3. (maximum investeringssubsidiebedrag)

  • 1 Indien sprake is van een waterstofproductie-installatie waarvan het nominale elektrische inputvermogen van de elektrolyser groter is dan 0,5 MW en kleiner is dan 30 MW, bedraagt het investeringssubsidiebedrag:

    • a. ten hoogste 40% van de som van de subsidiabele kosten van realisatie van de waterstofproductie-installatie, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid;

    • b. indien voor de realisatie van de waterstofproductie-installatie al een subsidie is verstrekt op grond van een andere regeling dan op grond van deze regeling, ten hoogste 40% van de som van de subsidiabele kosten van realisatie van de waterstofproductie-installatie, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, verminderd met de al verstrekte subsidie, met dien verstande dat in het geval de uitkomst van deze berekening negatief is, als investeringssubsidiebedrag € 0,00 wordt aangehouden.

  • 2 Indien sprake is van een waterstofproductie-installatie waarvan het nominale elektrische inputvermogen van de elektrolyser gelijk aan of groter is dan 30 MW en niet groter is dan 50 MW, bedraagt het investeringssubsidiebedrag:

    • a. ten hoogste 40% van het verschil tussen de som van subsidiabele kosten van realisatie van de waterstofproductie-installatie en de kosten van realisatie van een stoommethaanreforminstallatie, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid;

    • b. indien voor de realisatie van de waterstofproductie-installatie al een subsidie is verstrekt op grond van een andere regeling dan op grond van deze regeling, ten hoogste het verschil tussen:

      • 1°. 40% van het verschil tussen de som van subsidiabele kosten van realisatie van de waterstofproductie-installatie en de kosten van realisatie van een stoommethaanreforminstallatie, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid; en

      • 2°. de al verstrekte subsidie, met dien verstande dat in het geval de uitkomst van deze berekening negatief is, als investeringssubsidiebedrag € 0,00 wordt aangehouden.

  • 3 Het percentage van 40%, genoemd in het eerste en tweede lid, wordt verhoogd met:

    • a. 20 procentpunten indien de subsidieaanvrager een kleine onderneming is;

    • b. 10 procentpunten indien de subsidieaanvrager een middelgrote onderneming is.

Artikel 5.4. (subsidiabele kosten realisatie waterstofproductie-installatie)

  • 1 Als subsidiabele kosten komen uitsluitend de kosten in aanmerking die nodig zijn voor de realisatie van de waterstofproductie-installatie.

  • 2 Kosten die in ieder geval in aanmerking kunnen komen, zijn kosten van investeringen in:

    • a. gronden en gebouwen;

    • b. machines en apparatuur, waaronder batterijen met een maximaal vermogen van 1 MW per MW nominaal elektrisch inputvermogen van de elektrolyser en een maximale opslagcapaciteit van 2 MWh per MW nominaal elektrisch inputvermogen van de elektrolyser;

    • c. een opslagvoorziening van de hoeveelheid waterstof in kg die de waterstofproductie-installatie in een periode van 24 uur kan produceren;

    • d. materialen of hulpmiddelen;

    • e. immateriële activa;

    • f. aanleg van infrastructuur voor de verbinding van de waterstofproductie-installatie met het elektriciteitsnet en de waterstoftransportleidingen.

  • 3 De volgende kosten komen niet in aanmerking:

    • a. kosten van omzetbelasting die de subsidieaanvrager in aftrek kan brengen;

    • b. kosten die de subsidieaanvrager heeft gemaakt voordat de aanvraag voor subsidie is ingediend.

Artikel 5.5. (kosten realisatie stoommethaanreforminstallatie)

  • 1 De kosten van realisatie van een stoommethaanreforminstallatie in € worden berekend met de formule:

    kosten stoommethaanreforminstallatie = (€ 327.500 x nominaal elektrisch inputvermogen van de elektrolyser) x (gemiddeld aantal verwachte jaarlijkse vollasturen voor volledig hernieuwbare waterstof van de waterstofproductie-installatie : 8.000)

  • 2 Het gemiddeld aantal verwachte jaarlijkse vollasturen, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend met de formule:

    gemiddeld aantal verwachte jaarlijkse vollasturen = verwacht gemiddeld jaarlijks elektriciteitsverbruik van de elektrolyser in de periode die het exploitatiesubsidiedeel zal beslaan : nominaal elektrisch inputvermogen van de elektrolyser.

Artikel 5.6. (verstrekken voorschotten)

  • 1 De Minister verstrekt ambtshalve voorschotten.

  • 2 De voorschotten worden telkens per kwartaal verstrekt voor de te maken kosten in dat kwartaal, waarbij:

    • a. het eerste voorschot binnen twee weken na de start van de activiteiten wordt verstrekt; en

    • b. de daaropvolgende voorschotten telkens binnen twee weken na de eerste dag van het kwartaal worden verstrekt.

  • 3 Als de start van de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, geldt:

    • a. indien op de geplande startdatum, bedoeld in 3.3, tweede lid, onderdeel d, subonderdeel 1°, de beschikking tot subsidieverlening al is verzonden: de startdatum in het projectplan;

    • b. indien op de geplande startdatum de beschikking tot subsidieverlening nog niet is verzonden: de dag na verzending van de beschikking.

Artikel 5.7. (berekeningswijze voorschotten)

  • 1 Een voorschot bedraagt 90% van het investeringssubsidiebedrag dat in het kwartaal voor subsidie in aanmerking komt en wordt berekend volgens de in de bijlage opgenomen werkwijze.

  • 2 Indien de gemaakte subsidiabele kosten tussen twee mijlpalen meer dan 25% afwijken van subsidiabele kosten die zijn opgenomen in de begroting, meldt de subsidieontvanger dit onverwijld aan de Minister.

Artikel 5.8. (bijstellen voorschotten)

  • 1 Binnen dertien weken na ontvangst van het eindverslag, bedoeld in artikel 4.7, stelt de Minister het geheel van verstrekte voorschotten bij aan de hand van het eindverslag.

  • 2 Indien blijkt dat het geheel van verstrekte voorschotten minder bedraagt dan 100% van de het investeringssubsidiebedrag, betaalt de Minister het te weinig betaalde bedrag binnen zes weken na de beschikking tot bijstelling van het voorschot aan de subsidieontvanger.

  • 3 Indien blijkt dat het geheel van verstrekte voorschotten meer bedraagt dan 100% van het investeringssubsidiebedrag, vordert de Minister het teveel betaalde voorschot terug.

§ 6. Exploitatiesubsidiedeel

Artikel 6.1. (toepassingsbereik paragraaf 6)

Deze paragraaf is van toepassing op het exploitatiesubsidiedeel.

Artikel 6.2. (gegevens beschikking subsidieverlening)

In de beschikking tot subsidieverlening wordt in ieder geval opgenomen:

  • a. de periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat;

  • b. de productieprijs van volledig hernieuwbare waterstof;

  • c. de totale hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof in kg in de periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat;

  • d. de jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof in kg, berekend met de formule:

    jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof = totale hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof in kg, bedoeld in onderdeel c : periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat in kalenderjaren;

  • e. de maandelijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof in kg, berekend met de formule:

    maandelijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof = jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof, bedoeld in onderdeel d : 12.

Artikel 6.3. (startdatum periode exploitatiesubsidiedeel)

De periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat, start op de datum van ingebruikname van de waterstofproductie-installatie.

Artikel 6.4. (berekeningswijze exploitatiesubsidiebedrag)

  • 1 Met het bedrag van het exploitatiesubsidiedeel wordt het verschil tussen de productieprijs van volledig hernieuwbare waterstof en de gemiddelde kosten van het produceren van waterstof met een stoommethaanreforminstallatie geheel of gedeeltelijk gecompenseerd.

  • 2 Het bedrag van het exploitatiesubsidiedeel is de som van de bedragen per kalenderjaar berekend over de periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat.

  • 3 Het bedrag per kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend volgens de formule:

    bedrag per kalenderjaar = (hoeveelheid geproduceerde volledig hernieuwbare waterstof in kg in dat kalenderjaar, inclusief de op grond van artikel 6.7 aangemerkte volledig hernieuwbare waterstof uit een eerder kalenderjaar, tot ten hoogste de jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof, inclusief de op grond van artikel 6.6 toegevoegde te produceren volledig hernieuwbare waterstof) x (productieprijs van volledig hernieuwbare waterstof – definitieve correctiebedrag voor dat kalenderjaar).

  • 4 Indien de productieprijs van volledig hernieuwbare waterstof in een kalenderjaar lager is dan het voor dat kalenderjaar vastgestelde definitieve correctiebedrag, wordt voor dat kalenderjaar uitgegaan van een bedrag van € 0,00.

  • 5 Indien de periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat, start op een latere datum dan 1 januari of eindigt op een eerdere datum dan 31 december, bedraagt het bedrag per kalenderjaar voor het eerste kalenderjaar respectievelijk het laatste kalenderjaar van die periode een evenredig deel van dat kalenderjaar.

Artikel 6.5. (maximum exploitatiesubsidiebedrag)

Het maximum exploitatiesubsidiebedrag wordt berekend volgens de formule:

de totale hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof in kg in de periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat x (productieprijs van volledig hernieuwbare waterstof – € 1,7600 per kg waterstof).

Artikel 6.6. (gebankte onderproductie)

  • 1 Indien in een kalenderjaar minder kg volledig hernieuwbare waterstof is geproduceerd dan de jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof, wordt de niet-geproduceerde kg volledig hernieuwbare waterstof toegevoegd aan de jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof in een volgend kalenderjaar, om daarin het productietekort van volledig hernieuwbare waterstof en de gemiste subsidie in te halen.

  • 2 Indien de periode die het exploitatiedeel beslaat, start op een latere datum dan 1 januari, wordt voor het eerste kalenderjaar de niet-geproduceerde kg volledig hernieuwbare waterstof voor een evenredig deel van het eerste kalenderjaar toegevoegd aan de jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof in een volgend kalenderjaar.

  • 3 Indien aannemelijk is dat na afloop van de periode die het exploitatiedeel van de subsidie beslaat minder kg volledig hernieuwbare waterstof zal zijn geproduceerd dan de totale hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof, verlengt de Minister, voordat de periode afloopt, op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger de periode met ten hoogste één jaar.

  • 4 De verlenging, bedoeld in het derde lid, eindigt na afloop van de verlenging of, indien dat eerder is, op het moment dat de totale hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof is geproduceerd.

Artikel 6.7. (gebankte overproductie)

Indien in een kalenderjaar meer kg volledig hernieuwbare waterstof is geproduceerd dan de jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof, wordt die te veel geproduceerde kg tot een hoeveelheid van ten hoogste 25% van de jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof aangemerkt als zijnde geproduceerd in een volgend kalenderjaar, indien in dat volgende kalenderjaar de hoeveelheid geproduceerde volledig hernieuwbare waterstof in kg lager is dan de jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof, inclusief de op grond van artikel 6.6 toegevoegde te produceren volledig hernieuwbare waterstof.

Artikel 6.8. (verstrekken voorschotten)

  • 1 De Minister verstrekt ambtshalve één keer per jaar een voorschot.

  • 2 Het voorschot wordt berekend met de volgende formule:

    voorschot = 100% x (jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof) x (productieprijs van volledig hernieuwbare waterstof – voorlopig correctiebedrag voor dat kalenderjaar).

  • 3 Op verzoek van de subsidieontvanger kan de in een voorgaand kalenderjaar niet-geproduceerde kg volledig hernieuwbare waterstof, bedoeld in artikel 6.6 worden toegevoegd aan de jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof, bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Indien de periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat, start op een latere datum dan 1 januari of eindigt op een eerdere datum dan 31 december, bedraagt het voorlopige voorschot voor het eerste kalenderjaar respectievelijk het laatste kalenderjaar van die periode een evenredig deel van dat kalenderjaar.

Artikel 6.9. (verstrekken maandelijks bedragen)

  • 1 Het voorschot wordt in maandelijkse bedragen uitbetaald.

  • 2 Het maandelijkse bedrag wordt berekend volgens de formule:

    maandelijkse bedrag = 80% x (jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof) x (productieprijs van volledig hernieuwbare waterstof – voorlopig correctiebedrag voor dat kalenderjaar)) : 12.

  • 3 Op verzoek van de subsidieontvanger kan de in een voorgaand kalenderjaar niet-geproduceerde kg volledig hernieuwbare waterstof, bedoeld in artikel 6.6, worden toegevoegd aan de jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof, bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Indien de periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat, start op een latere datum dan 1 januari of eindigt op een eerdere datum dan 31 december, bedraagt het maandelijkse bedrag voor het eerste kalenderjaar respectievelijk het laatste kalenderjaar van die periode een evenredig deel van dat kalenderjaar.

  • 5 De Minister kan het maandelijkse bedrag herberekenen, indien:

    • a. de subsidieontvanger een verzoek tot ontheffing bij essentiële wijzigingen als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, heeft ingediend;

    • b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de verplichting om gegevens te zenden voor het bepalen of totale verleende overheidssteun meer bedraagt dan is toegestaan op grond van de verplichtingen die voor de Staat gelden krachtens een verdrag, bedoeld in artikel 4.8;

    • c. gedurende twee maanden of meer tenminste 50% minder volledig hernieuwbare waterstof is of zal worden geproduceerd dan de maandelijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof;

    • d. in een kalenderjaar tenminste 20% minder volledig hernieuwbare waterstof is of zal worden geproduceerd dan de jaarlijkse gemiddelde hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof;

    • e. de Minister na verlening van het eerste maandelijkse bedrag langer dan een maand geen meetgegevens, bedoeld in artikel 5 of artikel 9 van de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong, heeft ontvangen.

Artikel 6.10. (bijstellen voorschotten)

  • 1 Binnen zeven maanden na afloop van het kalenderjaar stelt de Minister het voorschot bij volgens de berekeningswijze, bedoeld in artikel 6.4, derde, vierde en vijfde lid, aan de hand van:

    • a. de hoeveelheid geproduceerde volledig hernieuwbare waterstof in dat kalenderjaar, bepaald volgens de berekeningswijze, bedoeld in artikel 6.4, derde en vijfde lid:

      • 1°. waarvoor garanties van oorsprong voor hernieuwbare waterstof zijn afgegeven, die zijn omgerekend naar kg waterstof met de omrekenfactor 0,03932 MWh/kg; en

      • 2°. waarvoor aan de hand van de verklaring, bedoeld in artikel 4.2, is vastgesteld dat de waterstof volledig hernieuwbaar is; en

    • b. het voor dat kalenderjaar vastgestelde definitieve correctiebedrag.

  • 2 Indien blijkt dat het geheel van verstrekte maandelijkse bedragen in een kalenderjaar minder bedraagt dan het bijgestelde voorschot voor dat kalenderjaar, verstrekt de Minister het te weinig betaalde bedrag binnen zes weken na de beschikking tot bijstelling van het voorschot aan de subsidieontvanger.

  • 3 Indien blijkt dat het geheel van verstrekte maandelijkse bedragen in een kalenderjaar meer bedraagt dan het bijgestelde voorschot in dat kalenderjaar, brengt de Minister het te veel betaalde bedrag in mindering op het eerstvolgende te verstrekken maandelijkse bedrag en vervolgens op zoveel maandelijkse bedragen als nodig is om het teveel betaalde voorschot volledig te verrekenen. Indien er geen maandelijkse bedragen meer verschuldigd zijn, wordt het teveel betaalde bedrag teruggevorderd.

Artikel 6.11. (productieprijs volledig hernieuwbare waterstof)

  • 1 De productieprijs van volledig hernieuwbare waterstof bestaat uit de som van de subsidiabele kosten van de realisatie van de waterstofproductie-installatie waarvoor geen subsidie is aangevraagd en de kosten van het produceren van volledig hernieuwbare waterstof.

  • 2 De productieprijs van volledig hernieuwbare waterstof bedraagt ten hoogste de uitkomst van de berekening volgens de formule:

    productieprijs van volledig hernieuwbare waterstof in € per kg = (subsidiabele kosten in € voor de realisatie van de waterstofproductie-installatie waarvoor geen investeringssubsidiedeel is verstrekt + kosten van het produceren van volledig hernieuwbare waterstof in € in de periode die het exploitatiedeel beslaat) : totale hoeveelheid te produceren volledig hernieuwbare waterstof in kg in de periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat.

Artikel 6.12. (definitief correctiebedrag)

  • 1 De Minister stelt jaarlijks voor 1 april het definitieve correctiebedrag voor het voorgaande kalenderjaar vast.

  • 2 Het definitieve correctiebedrag bedraagt de som van:

    • a. de gemiddelde kosten van het produceren van waterstof met een stoommethaanreforminstallatie over het voorgaande kalenderjaar;

    • b. de waarde van de garanties van oorsprong voor hernieuwbare waterstof, omgerekend naar € per kg waterstof met de omrekenfactor 0,03932 MWh/kg; en

    • c. de opbrengsten of vermeden kosten die voor de subsidieontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer.

  • 3 Indien het definitieve correctiebedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, lager is dan een bedrag van € 1,7600 per kg waterstof, wordt gerekend met dat bedrag in plaats van met de gemiddelde kosten.

Artikel 6.13. (voorlopig correctiebedrag)

  • 1 De Minister stelt jaarlijks voor 1 november het voorlopige correctiebedrag vast voor het daaropvolgende kalenderjaar.

  • 2 Het voorlopige correctiebedrag bedraagt de som van:

    • a. de gemiddelde kosten van het produceren van waterstof met een stoommethaanreforminstallatie in de periode van 1 september tot en met 31 augustus voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor het voorlopige correctiebedrag wordt vastgesteld;

    • b. de waarde van de garanties van oorsprong voor hernieuwbare waterstof, omgerekend naar € per kg waterstof met de omrekenfactor 0,03932 MWh/kg; en

    • c. de opbrengsten of vermeden kosten die voor de subsidieontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer.

  • 3 Indien het definitieve correctiebedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, lager is dan een bedrag van € 1,7600 per kg waterstof, wordt gerekend met dat bedrag in plaats van met de gemiddelde kosten.

  • 4 Voor 2023 wordt het voorlopige correctiebedrag vastgesteld op:

    • a. € 3,9895/kg waterstof voor gemiddelde kosten voor het produceren van waterstof met een stoommethaanreforminstallatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a;

    • b. € 0,0000/kg waterstof voor de waarde van de garanties van oorsprong voor hernieuwbare waterstof, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b;

    • c. € 0,0000/kg waterstof voor de opbrengsten of vermeden kosten die voor de subsidieontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.

Artikel 6.14. (hernieuwbare stroomafnameovereenkomsten)

Indien sprake is van een netgekoppelde waterstofproductie-installatie of een dubbelgekoppelde waterstofproductie-installatie verstrekt de Minister alleen een voorschot indien het eindverslag, bedoeld in artikel 4.7, vergezeld gaat van de hernieuwbare stroomafnameovereenkomsten voor wind- of zonne-energie voor de elektriciteit die gedurende de eerste vijf jaar zal worden gebruikt voor de productie van volledig hernieuwbare waterstof.

Artikel 6.15. (rekening garanties van oorsprong hernieuwbare waterstof)

De Minister verstrekt het eerste voorschot pas nadat de subsidieontvanger voor de garanties van oorsprong voor hernieuwbare waterstof een rekening heeft als bedoeld in artikel 3 van de Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong.

§ 7. Subsidievaststelling

Artikel 7.1. (aanvraag subsidievaststelling)

  • 1 De subsidieontvanger dient een aanvraag voor subsidievaststelling in binnen zes maanden na de dag waarop de periode die het exploitatiesubsidiedeel beslaat, is verstreken.

  • 2 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de Minister beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 7.2. (subsidievaststelling)

  • 1 De Minister stelt de subsidievaststelling vast binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag voor subsidievaststelling.

  • 2 Indien de aanvraag voor subsidievaststelling niet is ingediend binnen de termijn van zes maanden, bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, stelt de Minister de subsidie ambtshalve vast na afloop van die termijn.

  • 3 Indien de aanvraag tot subsidievaststelling is ingediend voordat het definitieve correctiebedrag, bedoeld in artikel 6.12, is vastgesteld voor het laatste jaar waarin de subsidiabele productie heeft plaatsgevonden, wordt de termijn van dertien weken, bedoeld in het eerste lid, opgeschort en eindigt de termijn dertien weken na de dag dat het definitieve correctiebedrag is vastgesteld.

§ 8. Overgangs-, wijzigings- en slotbepalingen

Artikel 8.2. (inwerkingtreding en vervaldatum)

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2 Deze regeling vervalt vijf jaar na haar inwerkingtreding, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verstrekt.

Artikel 8.3. (citeertitel)

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling opschaling volledig hernieuwbare waterstofproductie via elektrolyse.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 26 september 2023

De Minister voor Klimaat en Energie,

R.A.A. Jetten

Bijlage Bij artikel 5.7, (werkwijze berekening voorschotten investeringssubsidiedeel)

Een voorschot voor het investeringssubsidiedeel wordt als volgt berekend:

  • 1. Uitgangspunt is telkens de periode tussen de mijlpalen zoals die zijn opgenomen in het projectplan. De start van de activiteiten, bedoeld in artikel 5.6, derde lid, wordt daarbij als eerste mijlpaal beschouwd.

  • 2. Bepaald wordt welke periode tussen twee mijlpalen binnen het kwartaal vallen waarvoor een voorschot wordt verleend. De subsidiabele kosten in de periode tussen die twee mijlpalen komen voor voorschot in dat kwartaal in aanmerking.

  • 3. Indien de periode tussen twee mijlpalen meer dan één kwartaal beslaat, worden de subsidiabele kosten van die periode tussen die twee mijlpalen evenredig verdeeld over de betreffende kwartalen.

Naar boven