Subsidieregeling versterking aansluiting beroepsonderwijskolom

[Regeling vervalt per 01-01-2026.]
Geraadpleegd op 14-07-2024.
Geldend van 06-04-2024 t/m heden

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs van 12 juni 2023, nr. 38118126 houdende regels voor de subsidieverstrekking voor het versterken van de aansluiting in de beroepsonderwijskolom (Subsidieregeling versterking aansluiting beroepsonderwijskolom)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs,

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

  • 1 De minister kan aan de penvoerder van een samenwerkingsverband subsidie verstrekken voor het ontwikkelen en duurzaam uitvoeren van een aansluitende opleidingsroute voor leerlingen en studenten.

  • 2 Een samenwerkingsverband bestaat ten minste uit één school of vavo-instelling, één mbo-instelling en één hogeschool, waarbij de mbo-instelling en de vavo-instelling niet dezelfde instelling zijn.

  • 3 De aansluitende opleidingsroute, bedoeld in het eerste lid:

    • a. omvat qua inhoud en opzet op elkaar afgestemde onderwijsprogramma’s voor één of meer vo-, vso- of vavo-opleidingen, één of meer mbo-opleidingen en één of meer hbo-opleidingen;

    • b. leidt op tot beroepen in één of meer tekortsectoren of één of meer sectoren waarvan kan worden aangetoond dat daarvoor een tekort op de arbeidsmarkt is binnen het voedingsgebied op basis van betrouwbare en controleerbare bronnen;

    • c. houdt vanaf het vo, vso of vavo al rekening met mogelijke doorstroom naar het hbo via het mbo, naast blijvende aandacht voor gediplomeerde uitstroom naar werk;

    • d. bevat gezamenlijke leercontexten of leeromgevingen waarin leerlingen en studenten van de verschillende onderwijsinstellingen nader met elkaar kennismaken, ontdekken hoe vervolgopleidingen zijn of samen praktijk- en onderzoeksopdrachten uitvoeren;

    • e. bevat een doorlopende lijn voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding, waarbinnen door de onderwijsinstellingen waar mogelijk over instellingsgrenzen wordt samengewerkt; en

    • f. wordt door een door het samenwerkingsverband aangestelde coördinator gecoördineerd, die tevens dient als contactpersoon voor de minister.

  • 4 De opleidingen, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, waarvoor de aansluitende opleidingsroute zal worden ontwikkeld en uitgevoerd, voldoen in ieder geval aan de volgende vereisten:

    • a. zijn inhoudelijk aan elkaar verwant of sluiten anderszins logisch op elkaar aan, blijkend uit doorstroom in de praktijk;

    • b. de gekozen hbo-opleiding of hbo-opleidingen leiden op tot beroepen in één of meer tekortsectoren of één of meer sectoren waarvan kan worden aangetoond dat daarvoor een tekort op de arbeidsmarkt is binnen het voedingsgebied van de penvoerder op basis van betrouwbare en controleerbare bronnen;

    • c. in de mbo-opleiding of mbo-opleidingen zijn in totaal minimaal dertig studenten ingeschreven die afkomstig zijn van de scholen of vavo-instellingen die deel uitmaken van het samenwerkingsverband, waarbij er van iedere school of vavo-instelling ten minste één leerling of student afkomstig is;

    • d. in de hbo-opleiding of hbo-opleidingen zijn in totaal minimaal vijftien studenten ingeschreven die afkomstig zijn van de mbo-instellingen die deel uitmaken van het samenwerkingsverband, waarbij er van iedere mbo-instelling ten minste één student afkomstig is;

    • e. in de mbo-opleiding of mbo-opleidingen is sprake van een uitval- en switchpercentage van meer dan 15% van de studenten; en

    • f. in de hbo-opleiding of hbo-opleidingen sprake is van een uitval- en switchpercentage van meer dan 15% van de studenten.

  • 5 Onder uitval en switch wordt in het vierde lid, onderdelen e en f, verstaan dat een student tijdens het eerste jaar is gestopt met de opleiding of tijdens het eerste jaar is gewisseld naar een opleiding in een andere sectorkamer of ander sectoronderdeel.

  • 6 In afwijking van het vierde lid:

    • a. is het minimale totaalaantal studenten, genoemd in het vierde lid, onderdelen c en d, vijftien in plaats van dertig respectievelijk acht in plaats van vijftien, indien:

      • 1°. aan de aan het samenwerkingsverband deelnemende mbo-instellingen per mbo-instelling minder dan 10.000 studenten zijn ingeschreven; en

      • 2°. de prognose is dat het aantal studenten aan elk van die mbo-instellingen tot 2037 met minimaal 5% zal afnemen;

    • b. is het minimale aantal studenten dat afkomstig is van elke onderwijsinstelling, genoemd in het vierde lid, onderdelen c en d, alsmede het minimale uitval- en switchpercentage, genoemd in het vierde lid, onderdeel e, niet van toepassing op onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland.

Artikel 4. Aanvraag subsidie

  • 1 De aanvraag kan worden ingediend:

    • a. in het kalenderjaar 2023: gedurende het aanvraagtijdvak van 1 juli 2023 tot en met 15 september 2023, voor subsidieverstrekking in het jaar 2023;

    • b. in het kalenderjaar 2024: gedurende een eerste aanvraagtijdvak van 1 mei 2024 tot en met 31 mei 2024 en, indien het subsidieplafond, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, na behandeling van de aanvragen uit het eerste aanvraagtijdvak nog niet is bereikt, gedurende een tweede aanvraagtijdvak van 15 augustus 2024 tot en met 15 september 2024 voor subsidieverstrekking in het jaar 2024; en

    • c. in het kalenderjaar 2025: gedurende een eerste aanvraagtijdvak van 1 mei 2025 tot en met 31 mei 2025 en, indien het subsidieplafond, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, na behandeling van de aanvragen uit het eerste aanvraagtijdvak nog niet is bereikt, van 15 augustus 2025 tot en met 15 september 2025 voor subsidieverstrekking in het jaar 2025.

  • 2 De minister wijst aanvragen die zijn ingediend buiten de aanvraagtijdvakken, genoemd in het eerste lid, af.

  • 3 De aanvraag bevat:

    • a. een vermelding van de onderwijsinstellingen waaruit het samenwerkingsverband bestaat;

    • b. een vermelding van de gekozen vo-, vso- of vavo-, mbo- en hbo-opleidingen waarvoor de aansluitende opleidingsroute zal worden ontwikkeld en uitgevoerd;

    • c. een onderbouwing van de gekozen opleidingen waarvoor de aansluitende opleidingsroute zal worden ontwikkeld en uitgevoerd, waaruit blijkt dat die opleidingen voldoen aan het bepaalde in artikel 3, vierde lid;

    • d. een afschrift van de afspraken die de aan het samenwerkingsverband deelnemende onderwijsinstellingen met elkaar hebben gemaakt, minimaal bestaande uit afspraken over:

      • 1°. de wijze waarop de onderwijsinstellingen binnen het samenwerkingsverband met elkaar gaan samenwerken ten behoeve van de ontwikkeling, uitvoering en verduurzaming van de aansluitende opleidingsroute;

      • 2°. de voorgenomen verdeling van de subsidiemiddelen tussen de onderwijsinstellingen binnen het samenwerkingsverband;

      • 3°. de wijze van informatieverstrekking en verantwoording aan de penvoerder door de overige onderwijsinstellingen binnen het samenwerkingsverband zodat de penvoerder aan de verplichtingen in deze regeling kan voldoen; en

      • 4°. het aanstellen van de coördinator, bedoeld in artikel 3, derde lid, onder f;

    • e. een beschrijving, aan de hand van eisen, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdelen a en c tot en met e, van de opbouw en inrichting van de huidige onderwijsprogramma’s van de opleidingen waarvoor de aansluitende opleidingsroute zal worden ontwikkeld.

  • 4 De subsidie wordt namens de onderwijsinstellingen in het samenwerkingsverband aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder. De penvoerder is het bevoegd gezag van een mbo-instelling die deelneemt aan het samenwerkingsverband, niet zijnde Scholengemeenschap Bonaire. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welk bevoegd gezag feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

  • 5 De aanvraag wordt elektronisch ingediend met behulp van een aanvraagformulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website www.dus-i.nl.

Artikel 5. Subsidieplafond, wijze van verdeling beschikbare middelen en subsidiebedrag

  • 1 Voor subsidieverstrekking is:

    • a. in het kalenderjaar 2023 een bedrag van € 49,14 miljoen beschikbaar;

    • b. in het kalenderjaar 2024 een bedrag van € 50,40 miljoen beschikbaar; en

    • c. in het kalenderjaar 2025 een bedrag van € 50,40 miljoen beschikbaar.

  • 2 Indien het voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag voor 2023 ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen voor één aansluitende opleidingsroute te kunnen toewijzen, verdeelt de minister het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 3 Indien na toepassing van het tweede lid nog middelen resteren, verdeelt de minister het resterende beschikbare bedrag over een eventuele tweede aansluitende opleidingsroute, voor zover een aanvrager daarvoor subsidie heeft aangevraagd, eveneens op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 4 Indien het voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag voor de kalenderjaren 2024 en 2025 ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, verleent de minister voorrang aan aanvragen van penvoerders aan wie niet eerder op grond van deze regeling subsidie is verstrekt.

  • 5 Indien na toepassing van het vierde lid nog middelen resteren, wordt het tweede lid, totdat het subsidieplafond is bereikt, telkens overeenkomstig toegepast voor penvoerders waaraan steeds eenmaal vaker eerder op grond van deze regeling subsidie is verstrekt.

  • 6 De subsidie bedraagt € 1.260.000,– per aansluitende opleidingsroute.

  • 7 Een penvoerder kan in het kalenderjaar 2023 subsidie aanvragen voor maximaal twee aansluitende opleidingsroutes. Een penvoerder kan in de kalenderjaren 2024 en 2025 per aanvraagtijdvak subsidie aanvragen voor maximaal één aansluitende opleidingsroute.

  • 8 Het zevende lid staat er niet aan in de weg dat een mbo-instelling aan wie als penvoerder in een aanvraagtijdvak subsidie is verstrekt, in het kader van een andere aanvraag in datzelfde tijdvak deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een andere penvoerder, mits die andere penvoerder een andere aansluitende opleidingsroute verzorgt.

Artikel 6. Subsidieverplichtingen

  • 2 De penvoerder begint binnen één jaar na de vaststelling van de subsidie met uitvoering van de activiteiten en ziet er op toe dat binnen drie jaar na de vaststelling van de subsidie met de uitvoering van de ontwikkelde aansluitende opleidingsroute wordt begonnen. Binnen deze termijn van drie jaar zendt de penvoerder tevens een beschrijving van de opbouw en de inrichting van de onderwijsprogramma’s waarvoor de aansluitende opleidingsroute is ontwikkeld zoals omschreven in artikel 3, derde lid, aan de minister.

  • 3 Onverminderd artikel 9 verstrekt de penvoerder namens alle aan het samenwerkingsverband deelnemende onderwijsinstellingen jaarlijks de volgende informatie aan de minister:

    • a. de status van de realisatie en de bijbehorende planning van de aansluitende opleidingsroute;

    • b. de uitgevoerde activiteiten tot dan toe;

    • c. de potentiële risico’s voor de voortgang; en

    • d. een overzicht van eventueel aanvullend benodigde acties om de doelen te bereiken.

  • 4 De penvoerder verstrekt de informatie, bedoeld in het derde lid:

    • a. binnen zes weken vóór het verstrijken van een jaar na vaststelling van de subsidie;

    • b. binnen zes weken vóór het verstrijken van twee jaar na vaststelling van de subsidie; en

    • c. binnen zes weken vóór het verstrijken van drie jaar na vaststelling van de subsidie, waarbij de beschrijving van de voortgang en eventueel aanvullend benodigde acties, bedoeld in het derde lid, onderdelen c en d, betrekking heeft op de uitvoering en verduurzaming van de aansluitende opleidingsroute na afloop van de subsidieperiode.

  • 5 De penvoerder werkt mee aan:

    • a. onderzoek dat de totstandkoming, inhoud en opbouw van de aansluitende opleidingsroutes in kaart brengt; en

    • b. kennisdeling en andere activiteiten rondom aansluitende opleidingsroutes die gedurende en na de subsidieperiode door de minister worden georganiseerd.

  • 6 De penvoerder is verantwoordelijk voor alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke van de onderwijsinstellingen binnen het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

Artikel 7. Besteding subsidie

Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het eventueel niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Artikel 8. Vaststelling en betaling

  • 1 De subsidie wordt direct vastgesteld binnen 13 weken na het sluiten van de desbetreffende aanvraagtermijn.

  • 2 De minister betaalt het subsidiebedrag in drie gelijke delen van € 420.000,– jaarlijks uit. De termijnen worden betaald:

    • a. voor de aanvragen van 2023 in december;

    • b. voor aanvragen van 2024 en 2025 in september, indien de aanvraag is gedaan in het eerste aanvraagtijdvak; of

    • c. voor de aanvragen van 2024 en 2025 in december, indien de aanvraag is gedaan in het tweede aanvraagtijdvak.

Artikel 9. Financiële verantwoording

De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving van de penvoerder overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

Artikel 10. Hardheidsclausule

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing verklaren of daarvan afwijken, voor zover toepassing, gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 11. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2026, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die op grond van deze regeling zijn verstrekt.

Artikel 12. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling versterking aansluiting beroepsonderwijskolom.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R.H. Dijkgraaf

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs,

A.D. Wiersma

Naar boven