Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023

Geraadpleegd op 23-02-2024.
Geldend van 01-07-2023 t/m 31-12-2023

Besluit van 28 maart 2023, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de veiligheid van attractie- en speeltoestellen (Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 24 maart 2022, kenmerk 2346444-1007078-WJZ;

Gelet op de artikelen 1, vierde lid, 4, eerste en derde lid, 5, eerste, tweede en zesde lid, 6, 7, 7a, derde lid, 8, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, 9, onderdeel b, 11a, 13d, vijfde lid, 14, 19, derde lid, en 32b van de Warenwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 juni 2022, no. W13.22.00034/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 maart 2023, kenmerk 3396870-1007078-WJZ;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:

  • aangewezen instelling: een krachtens artikel 7a van de wet met betrekking tot de keuring van attractie- en speeltoestellen aangewezen instelling;

  • attractietoestel: al dan niet permanent geïnstalleerde inrichting ter voortbeweging van personen, die bestemd is voor vermaak of ontspanning en die aangedreven wordt door een niet-menselijke energiebron;

  • attractietoestel van een eenvoudig ontwerp: al dan niet roterend attractietoestel waarmee passagiers een snelheid kunnen bereiken van niet meer dan tien meter per seconde en waarmee passagiers een hoogte kunnen bereiken van niet meer dan vijf meter boven het terrein waarop het attractietoestel staat opgesteld;

  • besluit nr. 768/2008/EG: Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad (PbEU 2008, L 218);

  • beheerder: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de gebruiksfase over een attractie- of speeltoestel beschikt, anders dan de huurder;

  • distributeur: een natuurlijke persoon of rechtspersoon in de toeleveringsketen van attractie- of speeltoestellen, verschillend van de fabrikant, diens gemachtigde of de importeur, die een attractie- of speeltoestel in Nederland verhandelt;

  • fabrikant: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een attractie- of speeltoestel vervaardigt of laat ontwerpen of vervaardigen, dat onder zijn naam of handelsmerk in Nederland wordt verhandeld;

  • gemachtigde: een in Nederland gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die schriftelijk door een fabrikant is gemachtigd om namens hem specifieke taken als bedoeld in artikel R3, tweede lid, van besluit nr. 768/2008/EG te vervullen;

  • huurder: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een attractie- of speeltoestel in Nederland huurt. Hieronder wordt mede verstaan het door een natuurlijke persoon of rechtspersoon in bruikleen nemen van een attractie- of speeltoestel;

  • importeur: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een attractie- of speeltoestel afkomstig uit een derde land of een andere lidstaat van de Europese Unie voor het eerst in Nederland verhandelt;

  • norm: een document, uitgegeven door een deskundig, onafhankelijk instituut, waarin wordt omschreven aan welke eisen een attractie- of speeltoestel moet voldoen, dan wel waarin een omschrijving wordt gegeven van onder meer een keurings-, meet- of berekeningsmethode;

  • speeltoestel: een inrichting bestemd voor vermaak of ontspanning waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt;

  • verhuurder: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een attractie- of speeltoestel in Nederland verhuurt. Hieronder wordt mede verstaan het door een natuurlijke persoon of rechtspersoon in bruikleen geven van een attractie- of speeltoestel;

  • verordening (EU) 2019/515: Verordening (EU) 2019/515 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende de wederzijdse erkenning van goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 764/2008 (PbEU 2019, L 91);

  • wet: Warenwet.

Artikel 2

Dit besluit en de daarop berustende bepalingen zijn eveneens van toepassing op attractie- en speeltoestellen indien deze onroerend zijn.

Artikel 3

Dit besluit is niet van toepassing op:

  • a. attractie- en speeltoestellen die bestemd zijn om uitsluitend buiten het grondgebied van Nederland gebruikt te worden;

  • b. kleine door elektrische energie aangedreven attractietoestellen, waarvan de basis tijdens de aandrijving niet van plaats verandert en die kennelijk bestemd zijn voor de voortbeweging van maximaal drie kinderen; en

  • c. speeltoestellen die als element van hun spel door kinderen onder toezicht worden vervaardigd.

§ 2. Verbodsbepaling

Artikel 4

Het is verboden attractie- of speeltoestellen te vervaardigen, te verhandelen, te gebruiken, of ten aanzien van attractie- of speeltoestellen te handelen, anders dan met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften.

§ 3. Vervaardiging

Artikel 5

  • 1 De fabrikant draagt er zorg voor dat attractie- en speeltoestellen zodanig zijn ontworpen en vervaardigd, zodanige eigenschappen hebben en van zodanige opschriften zijn voorzien, dat zij bij redelijkerwijs te verwachten gebruik geen gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de mens.

  • 2 De fabrikant draagt er zorg voor dat attractie- en speeltoestellen voldoen aan de in bijlage I genoemde voorschriften.

  • 3 De importeur draagt er zorg voor dat de fabrikant die niet in Nederland is gevestigd, het eerste en tweede lid in acht neemt.

Artikel 6

  • 1 Bij ministeriële regeling kunnen normen worden aangewezen en nadere voorschriften worden gesteld voor attractie- en speeltoestellen.

Artikel 7

  • 1 Attractie- en speeltoestellen zijn voorzien van de volgende, onlosmakelijk op of in het toestel aangebrachte, onuitwisbare opschriften of aanduidingen:

    • a. de naam en het adres van de fabrikant of importeur;

    • b. het bouwjaar;

    • c. de serie- of typeaanduiding; en

    • d. het serienummer, voor zover van toepassing.

  • 2 De fabrikant of de importeur, indien de fabrikant niet in Nederland is gevestigd, draagt er zorg voor dat attractie- en speeltoestellen zijn voorzien van de opschriften of aanduidingen, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Een attractietoestel wordt volgens een bij ministeriële regeling te bepalen procedure bij de eerste of eerstvolgende keuring door de aangewezen instelling van een uniek registratienummer voorzien.

  • 4 Het unieke registratienummer, bedoeld in het derde lid, wordt door de aangewezen instelling geregistreerd op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze.

Artikel 8

  • 1 De fabrikant stelt voor attractie- en speeltoestellen een technisch constructiedossier op met inachtneming van bijlage II.

  • 2 De fabrikant of, indien van toepassing, diens gemachtigde bewaart het technisch constructiedossier, bedoeld in het eerste lid, en de keuringsrapportage van de eerste keuring gedurende de technische levensduur van een attractietoestel en houdt het ter beschikking van een aangewezen instelling en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

  • 3 Indien de fabrikant niet in Nederland is gevestigd, zijn de verplichtingen op grond van het tweede lid van toepassing op de importeur.

  • 4 Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op speeltoestellen, met dien verstande dat de bewaartermijn, bedoeld in het tweede lid, beperkt is tot twintig jaar na de laatste productie van het speeltoestel.

  • 5 Degene die een attractie- of speeltoestel rechtstreeks betrekt van een in het buitenland gevestigde leverancier, met een ander voornemen dan om het in de handel te brengen, bedingt, indien het toestel niet vergezeld gaat van een technisch constructiedossier, contractueel dat de leverancier een technisch constructiedossier, overeenkomstig bijlage II, ter beschikking houdt van een aangewezen instelling, met inachtneming van de in het tweede en vierde lid genoemde termijnen.

  • 6 Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan de keuringsrapportage, bedoeld in het tweede lid.

§ 4. Keuring

Artikel 9

  • 1 In serie geproduceerde speeltoestellen en attractietoestellen van een eenvoudig ontwerp die overeenkomstig het typekenmerkende monster zijn vervaardigd, worden voor verhandeling in Nederland gekeurd door een aangewezen instelling.

  • 2 Attractie- en speeltoestellen, anders dan bedoeld in het eerste lid, worden voor ingebruikname gekeurd door een aangewezen instelling.

  • 3 Bij de eerste keuring van in serie geproduceerde speeltoestellen en attractietoestellen van een eenvoudig ontwerp, bedoeld in het eerste lid, kan worden volstaan met de keuring van het typekenmerkende monster.

  • 4 Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke en op welke wijze attractietoestellen periodiek worden gekeurd door een aangewezen instelling. Bij ministeriële regeling kunnen voorts schema's ter bepaling van de keuringsfrequentie voor attractietoestellen worden vastgesteld.

  • 5 Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke en op welke wijze speeltoestellen opnieuw of periodiek worden gekeurd. Indien op grond van de eerste volzin geen regels zijn gesteld ten aanzien van de keuringsfrequentie van speeltoestellen, worden speeltoestellen eenmalig gekeurd door een aangewezen instelling.

Artikel 10

  • 1 De aanvraag van een eerste keuring van een attractie- of speeltoestel wordt ingediend bij slechts één aangewezen instelling.

  • 2 Indien de fabrikant, gevestigd in een derde land of een andere lidstaat van de Europese Unie, reeds een eerste keuring als bedoeld in het eerste lid, van een attractie- of speeltoestel heeft laten uitvoeren en een certificaat van goedkeuring heeft overgelegd aan de importeur, verifieert de importeur of het overgelegde certificaat rechtmatig en geldig is en dat certificaat bij het geleverde attractie- of speeltoestel hoort.

  • 3 Indien blijkt dat het in het tweede lid overgelegde certificaat niet conform dit besluit is afgegeven of niet bij het geleverde toestel hoort, dient de importeur de aanvraag van een eerste keuring van een attractie- of speeltoestel in bij slechts één aangewezen instelling.

  • 4 Indien het attractie- of speeltoestel alleen ter plaatse kan worden gekeurd, vanwege plaatsgebonden veiligheidsaspecten, dient de fabrikant, de importeur, de verhuurder dan wel de beheerder de aanvraag van een eerste keuring van dat toestel in bij slechts één aangewezen instelling.

  • 5 De aanvraag van een periodieke keuring als bedoeld in artikel 9, vierde en vijfde lid, wordt ingediend door de verhuurder dan wel de beheerder, bij slechts één aangewezen instelling.

  • 6 De aanvraag van een keuring omvat:

    • a. de plaats waar het attractie- of speeltoestel is vervaardigd;

    • b. het bouwjaar en het type- en serienummer;

    • c. het in artikel 8 genoemde technisch constructiedossier, indien van toepassing, of de naam en adres van de fabrikant of, indien van toepassing, de importeur, bedoeld in artikel 8, derde lid, waar het technisch constructiedossier beschikbaar is voor de aangewezen instelling; en

    • d. de opgave van de plaats waar het attractie- of speeltoestel kan worden gekeurd.

  • 7 Bij ministeriële regeling kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste, derde, vierde en vijfde lid.

Artikel 11

  • 1 De aangewezen instelling onderzoekt bij een keuring het attractie- of speeltoestel, onderzoekt bij de eerste keuring of het technisch constructiedossier is vervaardigd overeenkomstig bijlage II en beoordeelt bij de eerste keuring of het attractie- of speeltoestel is vervaardigd en ontworpen overeenkomstig het technisch constructiedossier en bijlage I.

  • 2 Bij de tweede en volgende keuringen van attractie- en speeltoestellen hoeft geen beoordeling van het technisch constructiedossier plaats te vinden.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan het technisch constructiedossier van een speeltoestel en een attractietoestel van een eenvoudig ontwerp die overeenkomstig het goedgekeurde, typekenmerkende monster zijn vervaardigd, volgens bij ministeriële regeling te stellen voorschriften, periodiek opnieuw beoordeeld worden door de aangewezen instelling.

  • 4 De aangewezen instelling onderzoekt bij een keuring of de eventuele toepassing van normen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, correct is gebeurd en voert passende onderzoeken en proeven uit om te onderzoeken of het attractie- of speeltoestel overeenstemt met de daarop betrekking hebbende veiligheids- en gezondheidsvoorschriften.

Artikel 12

  • 1 Nadat een keuring heeft plaatsgevonden wordt voor een attractie- of speeltoestel een certificaat van goedkeuring afgegeven door de aangewezen instelling, indien dat toestel naar het oordeel van de aangewezen instelling voldoet aan de in de artikelen 5 tot en met 7 en 8, eerste lid, gestelde voorschriften.

  • 2 Bij toepassing van artikel 9, derde lid, wordt ieder attractie- of speeltoestel dat overeenkomstig het goedgekeurde, typekenmerkende monster is vervaardigd zonder nadere keuring onverwijld van een merk van goedkeuring voorzien door de fabrikant dan wel importeur.

  • 3 De aangewezen instelling draagt er zorg voor dat attractietoestellen die niet overeenkomstig een goedgekeurd, typekenmerkende monster zijn vervaardigd en waarvoor een certificaat van goedkeuring is afgegeven, onverwijld voorzien worden van een merk van goedkeuring.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud, vorm en uiterste geldigheid van certificaten en merken van goedkeuring.

Artikel 13

De aangewezen instelling stelt bij attractie- en speeltoestellen de voor het veilig gebruik relevante conclusies van een keuring en de datum voor wanneer uiterlijk een nieuw certificaat of merk van goedkeuring afgegeven moet zijn op schrift in een keuringsrapportage en verstrekt deze aan de aanvrager.

Artikel 14

  • 1 De aangewezen instelling geeft aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit bericht van de uitslagen van keuringen en de datum waarop een tweede of volgende keuring van het bewuste attractie- of speeltoestel nodig is.

  • 2 De aangewezen instelling die het afgeven van een certificaat of merk van goedkeuring weigert, doet hiervan mededeling aan de overige aangewezen instellingen en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

Artikel 15

  • 1 De fabrikant, importeur, verhuurder dan wel beheerder stelt de aangewezen instelling, die een attractie- of speeltoestel of het typekenmerkend monster daarvan heeft gekeurd, onverwijld in kennis van elke ingrijpende wijziging of reparatie van dat toestel.

  • 2 Indien de taken waarvoor de instelling, bedoeld in het eerste lid, is aangewezen zijn beëindigd, stelt de fabrikant, importeur, verhuurder dan wel beheerder, indien van toepassing diens opvolger, of een andere aangewezen instelling, onverwijld in kennis van elke ingrijpende wijziging of reparatie van het attractie- of speeltoestel.

  • 3 De aangewezen instelling beoordeelt de in het eerste of tweede lid bedoelde wijziging of reparatie op effecten voor de veiligheid of gezondheid van personen en stelt de fabrikant, importeur, verhuurder dan wel beheerder, bedoeld in het eerste of tweede lid, op de hoogte van het oordeel.

  • 4 Indien het oordeel luidt dat de in het eerste of tweede lid bedoelde wijziging of reparatie de veiligheid of gezondheid van personen negatief kan beïnvloeden, vervalt de geldigheid van het betreffende certificaat van goedkeuring en dient degene die de aangewezen instelling in kennis heeft gesteld, overeenkomstig artikel 10 een nieuwe aanvraag in van een keuring van het attractie- of speeltoestel.

  • 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verlenen van een certificaat van goedkeuring na de keuring, bedoeld in het vierde lid, van attractie- of speeltoestellen die overeenkomstig het goedgekeurde, het typekenmerkende monster zijn vervaardigd.

§ 5. Verkeer en gebruik

Artikel 16

  • 1 Attractie- en speeltoestellen gaan vergezeld van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing met aanwijzingen, veiligheidsinstructies, waarschuwingen en andere relevante informatie die de verhuurder dan wel de beheerder in staat stelt dat toestel zodanig te installeren, te monteren, te doen gebruiken, te demonteren, te inspecteren en te onderhouden dat dat toestel geen gevaar oplevert voor de veiligheid of gezondheid van personen.

  • 2 De fabrikant draagt er zorg voor dat attractie- en speeltoestellen vergezeld gaan van een Nederlandse gebruiksaanwijzing, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over veiligheidsinstructies, waarschuwingen en andere relevante informatie op attractie- of speeltoestellen.

Artikel 17

De verhuurder dan wel de beheerder beschikt over een geldig, bij het attractie- of speeltoestel behorend, certificaat van goedkeuring van een aangewezen instelling.

Artikel 18

Alvorens een attractie- of speeltoestel te verhandelen, ziet de distributeur dan wel de importeur erop toe dat:

  • a. indien van toepassing, het toestel voorzien is van een uniek registratienummer, bedoeld in artikel 7, derde lid;

  • b. indien van toepassing, voor het toestel een geldig certificaat van goedkeuring is afgegeven;

  • c. het toestel voorzien is van een technisch constructiedossier; en

  • d. het toestel vergezeld gaat van een Nederlandse gebruiksaanwijzing, bedoeld in artikel 16, eerste lid.

Artikel 19

  • 1 De verhuurder dan wel beheerder draagt er zorg voor dat een attractie- of speeltoestel zodanig is geïnstalleerd, gemonteerd, gedemonteerd wordt, is beproefd, geïnspecteerd, onderhouden en van opschriften is voorzien, dat bij gebruik geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid van personen bestaat.

  • 2 De verhuurder dan wel de beheerder toont met een actueel dossier aan dat aan het eerste lid is voldaan.

  • 3 Het eerste lid is niet van toepassing, indien een attractie- of speeltoestel hetzij afgekeurd is, hetzij onklaar gemaakt, hetzij anderszins kennelijk niet meer voor gebruik bestemd is.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het installeren, monteren, demonteren, beproeven, inspecteren, onderhouden en van opschriften voorzien van attractie- of speeltoestellen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 20

De beheerder dan wel de verhuurder bewaart de documenten bedoeld in artikel 13 die voor het attractie- of speeltoestel tijdens de eerste keuring zijn afgegeven gedurende de levensduur van het toestel. Documenten voor de daaropvolgende keuringen worden tenminste bewaard tot keuringsdocumenten van de volgende keuring afgegeven zijn.

Artikel 21

De verhuurder, huurder dan wel de beheerder van een attractie- of speeltoestel dat voorzien is van een merk van afkeuring, zorgt ervoor dat:

  • a. het attractie- of speeltoestel zodanig is stilgezet of afgesloten dat het niet zonder hulpmiddelen kan worden betreden; en

  • b. op of nabij daarvoor in aanmerking komende punten van het attractie- of speeltoestel een duidelijk opschrift is aangebracht waaruit blijkt dat het toestel niet voor gebruik is bestemd.

Artikel 22

Artikel 4 is niet van toepassing op het tentoonstellen en demonstreren op beurzen, exposities en bij demonstraties van attractie- en speeltoestellen die niet in overeenstemming zijn met dit besluit, mits op een zichtbaar bord is aangegeven dat de betrokken toestellen niet in overeenstemming met dit besluit zijn, en dat zij niet in het verkeer mogen worden gebracht voordat ze door de fabrikant of importeur in overeenstemming met dit besluit zijn gebracht. Bij demonstraties zijn alle passende veiligheidsmaatregelen genomen om de veiligheid en gezondheid van de mens te waarborgen.

Artikel 23

  • 1 De huurder dan wel de beheerder stelt de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en, indien van toepassing, de verhuurder onverwijld in kennis van elk ernstig ongeval dat plaatsvindt met het attractie- of speeltoestel.

  • 2 Onder een ernstig ongeval als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval verstaan, een ongeval:

    • a. met dodelijke afloop;

    • b. met al dan niet blijvend letsel aan een persoon tot gevolg; of

    • c. dat leidt tot onmiddellijke ziekenhuisopname.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de meldingen, bedoeld in het eerste lid.

§ 6. Aangewezen instellingen

Artikel 24

  • 1 Als aangewezen instelling kan worden aangewezen een instelling die:

    • a. rechtspersoonlijkheid heeft;

    • b. haar zetel of een vestiging in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte heeft;

    • c. onafhankelijk is van degenen die bij het resultaat van de uitvoering van de taken waarvoor zij is aangewezen belang hebben;

    • d. beschikt over voldoende deskundigheid en outillage om de uitvoering van de taken waarvoor zij is aangewezen, naar behoren te kunnen vervullen;

    • e. beschikt over een behoorlijke administratie waarin de gegevens die samenhangen met en betrekking hebben op de uitvoering van haar taken, op een systematische wijze zijn vastgelegd. Aan de hand van deze gegevens zijn de (type-)gekeurde attractie- en speeltoestellen afdoende te identificeren; en

    • f. naar behoren functioneert.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 25

De instelling verstrekt jaarlijks aan Onze Minister een afschrift van de polis van de afgesloten verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid tegen alle risico's die voortvloeien uit de uitoefening van de taken waarvoor zij is aangewezen.

Artikel 26

  • 1 Indien een wijziging plaatsvindt in de gegevens op grond waarvan de instelling is aangewezen, doet de instelling hiervan terstond mededeling aan Onze Minister.

  • 2 Indien een instelling voornemens is een of meer van de taken waarvoor zij is aangewezen, te beëindigen, doet de instelling hiervan terstond mededeling aan Onze Minister en de certificaathouders. In dat geval worden door de instelling de gegevens, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder e, overgedragen aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit dan wel, na toestemming van Onze Minister en de certificaathouders, een andere instelling die voor dezelfde taken is aangewezen.

Artikel 27

  • 1 Een aanvraag om aanwijzing gaat vergezeld van het bewijs dat is voldaan aan de criteria, bedoeld in artikel 24, eerste lid, dan wel van een verklaring waaruit de bereidheid blijkt om voor eigen rekening een onderzoek naar het voldoen aan deze criteria te ondergaan.

  • 2 Een aanvraag tot aanwijzing kan worden geweigerd en een aanwijzing kan worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken, indien niet of niet volledig is voldaan aan de bij de wet of bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften.

  • 3 Een aanwijzing kan voorts worden ingetrokken indien de instelling gedurende een aaneengesloten periode van twee jaar geen werkzaamheden, waarvoor zij is aangewezen, heeft uitgevoerd.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Artikel 28

  • 1 De fabrikant of, indien van toepassing, de importeur, voorziet de aangewezen instelling desgevraagd van het technisch constructiedossier en de keuringsrapportages.

  • 2 De aangewezen instelling bewaart voor een attractie- of speeltoestel het technisch constructiedossier en de keuringsrapportages, zolang dat toestel in gebruik is.

  • 3 Indien de taken, waarvoor de instelling is aangewezen, worden beëindigd draagt de instelling het technisch constructiedossier en de keuringsrapportages over aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

§ 7. Overige bepalingen

Artikel 29

  • 1 De verhuurder dan wel de beheerder doet onverwijld na de eerste opbouw of plaatsing van een attractietoestel bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit aangifte van het feit dat hij een attractietoestel voorhanden heeft, onder opgave van de volgende gegevens:

    • a. zijn naam, woon- of verblijfplaats en adres;

    • b. de soort, het type, het bouwjaar en de fabrikant van het attractietoestel; en

    • c. de plaats waar het attractietoestel zich bevindt of, in het geval van een niet permanent geïnstalleerd attractietoestel, de plaatsen waar het zich in de periode van drie maanden na de dag van aangifte zal bevinden.

  • 2 De beheerder en huurder die een attractie- of speeltoestel tijdelijk in Nederland gebruikt, doet tenminste achtenveertig uur voorafgaand aan elke eerste opbouw of plaatsing van dat toestel op Nederlands grondgebied, bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit aangifte van zijn voornemen tot plaatsing of opbouw van dat toestel, onder opgave van de gegevens, vermeld in het eerste lid.

  • 3 Indien degene genoemd in het eerste lid, het attractietoestel, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet langer gebruikt, doet diegene hiervan onverwijld aangifte bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

Artikel 30

Een aangewezen instelling die voornemens is te beoordelen of een attractie- of speeltoestel in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een tot een douane-unie strekkend verdrag dat Nederland bindt, dan wel die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend verdrag dat Nederland bindt, rechtmatig in de handel is gebracht en voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften, neemt hierbij de in verordening (EU) 2019/515 vastgestelde procedure in acht.

§ 8. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 31

Een certificaat afgegeven op grond van artikel 19d van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen en geldend op de dag, onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijft na dat tijdstip van kracht.

Artikel 38

Dit besluit wordt aangehaald als: Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 28 maart 2023

Willem-Alexander

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E.J. Kuipers

Uitgegeven de derde april 2023

De Minister van Justitie en Veiligheid,

D. Yeşilgöz-Zegerius

Bijlage I. Voorschriften met betrekking tot het ontwerp en de vervaardiging van attractie- en speeltoestellen

(bijlage als bedoeld in de artikelen 5 en 11 van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023)

  • 1. Bij het ontwerp en vervaardiging te verwerken veiligheidsbeginselen:

    • a. Een attractie- of speeltoestel dient zodanig te zijn vervaardigd dat het kan functioneren en kan worden afgesteld en onderhouden zonder dat men aan gevaren voor de veiligheid en de gezondheid blootstaat wanneer deze handelingen worden voltrokken onder door de fabrikant vastgestelde omstandigheden.

    • b. De getroffen voorzieningen moeten erop gericht zijn elk gevaar gedurende de te verwachten levensduur van het toestel, ook bij het monteren en demonteren, uit te sluiten, ook wanneer de gevaren het gevolg zijn van te voorziene abnormale omstandigheden.

    • c. Bij het kiezen van de meest passende oplossingen moet de fabrikant de volgende beginselen toepassen in de opgegeven volgorde:

      • de gevaren uitsluiten of zoveel mogelijk beperken door veiligheidsaspecten optimaal te verwerken in het ontwerp en bij de vervaardiging van het toestel;

      • de noodzakelijke beveiligingsvoorzieningen treffen voor gevaren die niet kunnen worden uitgesloten; en

      • informeren over de gevaren die nog aanwezig zijn als gevolg van een niet volledige doelmatigheid van de getroffen beveiligingsvoorzieningen, aangeven of een bijzondere opleiding is vereist en signaleren dat bepaalde persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden gebruikt.

    • d. Bij het ontwerpen en vervaardigen van een attractie- of speeltoestel alsmede bij de opstelling van de gebruiksaanwijzing moet de fabrikant niet alleen uitgaan van een normaal gebruik van het toestel maar tevens van het redelijkerwijze te verwachten gebruik daarvan.

    • e. Een attractie- of speeltoestel dient zodanig te zijn ontworpen dat abnormaal gebruik, indien gevaarlijk, wordt voorkomen. In voorkomend geval dient de gebruiksaanwijzing de aandacht te vestigen op te ontraden gebruik, dat uit ervaring zou kunnen blijken.

    • f. Bij het ontwerpen en vervaardigen van speeltoestellen alsmede bij de opstelling van de gebruiksaanwijzing moet de fabrikant rekening houden met het specifieke gedrag van kinderen.

    • g. Onder de gebruiksomstandigheden waarvoor een attractietoestel is bestemd moeten hinder, vermoeidheid en psychische belasting (stress) van degene die het toestel zal bedienen tot een haalbaar minimum beperkt blijven, rekening houdend met de beginselen van de ergonomie.

    • h. Bij het ontwerpen en de vervaardiging dient de fabrikant rekening te houden met de belemmeringen die degene die het toestel zal bedienen ondervindt door een noodzakelijk of te voorzien gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (bijvoorbeeld schoenen, handschoenen, enzovoort)

  • 2. Met name bij het ontwerp en de vervaardiging in acht te nemen gevaarsaspecten, voor zover van toepassing:

    • a. gevaren ten gevolge van onvoldoende draagkracht van het toestel, rekening houdend met de sterkte, de stijfheid en de vervormingscapaciteit van de toegepaste materialen;

    • b. gevaren ten gevolge van het verlies van evenwicht van het toestel, rekening houdend met de ondersteuning van het toestel en de ondergrond, alsmede mogelijke belastingen van het toestel;

    • c. gevaren ten gevolge van de toegepaste elektrische energie;

    • d. gevaren ten gevolge van de toegepaste mechanische, pneumatische of hydraulische energie;

    • e. gevaren ten gevolge van een defect in het bedieningscircuit of defecten in de energievoorziening;

    • f. gevaren ten gevolge van het gebruik van het toestel, waaronder vallen, snijden, beklemming, afklemming, verstikking, botsen en overbelasting van het lichaam;

    • g. gevaren ten gevolge van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van het toestel, waaronder de toegankelijkheid bij defecten en noodsituaties;

    • h. gevaren ten gevolge van mogelijke interacties van het toestel en de passagiers met de omgeving waaronder omstanders;

    • i. gevaren ten gevolge van het binnenklimaat van omsloten ruimten, waaronder voldoende ventilatie en voldoende verlichting;

    • j. gevaren ten gevolge van gebrekkige onderhoudsmogelijkheden;

    • k. gevaren ten gevolge van het monteren, demonteren en hanteren van het toestel;

    • l. gevaren ten gevolge van brand;

    • m. gevaren ten gevolge van hinderlijke straling;

    • n. gevaren ten gevolge van blootstelling aan chemische stoffen; en

    • o. gevaren ten gevolge van de blootstelling aan biologische verontreiniging.

  • 3. Bij de vervaardiging van een attractie- of speeltoestel door de fabrikant in acht te nemen procedures:

    • a. De fabrikant of importeur moet het nodige onderzoek verrichten en de nodige proeven uitvoeren met de onderdelen, accessoires, beveiligingen of het gehele attractie- of speeltoestel om vast te stellen of het toestel veilig kan worden gemonteerd en in gebruik genomen.

    • b. Een attractie- of speeltoestel moet worden geleverd met alle speciale uitrustingen en accessoires die essentieel zijn voor het voorkomen van gevaren bij montage, inclusief demontage en transport voor bijvoorbeeld kermistoestellen, afstelling, onderhoud en gebruik, uitgezonderd de levering van eventueel benodigde bodemmaterialen bij speeltoestellen.

Bijlage II. Minimum vereisten technisch constructiedossier

(bijlage als bedoeld in de artikelen 8 en 11 van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023)

Het technisch constructiedossier dient in ieder geval te bestaan uit:

  • a. een overzichtsplan van het attractie- of speeltoestel, alsmede de tekeningen en schema’s van de bedieningsschakelingen, voor zover van toepassing;

  • b. gedetailleerde en volledige tekeningen, vergezeld van berekeningen, testresultaten, materiaalcertificaten, enzovoort, aan de hand waarvan kan worden nagegaan of het toestel aan de veiligheids- en gezondheidsvoorschriften voldoet;

  • c. gedetailleerde tekeningen en andere uitvoerige inlichtingen met betrekking tot de bij de fabricage van toestellen gebruikte onderdelen; deze hoeven alleen maar aanwezig te zijn, voor zover kennis daarvan noodzakelijk is voor het controleren van de overeenstemming met het bij of krachtens dit besluit bepaalde;

  • d. een lijst met:

    • gevaren die aan de toepassing van het attractie- of speeltoestel verbonden zijn;

    • de toegepaste normen en voorschriften; en

    • de overige technische specificaties waarmee in het ontwerp rekening is gehouden;

  • e. een beschrijving van de preventieve voorzieningen met het oog op de aan het attractie- of speeltoestel verbonden gevaren;

  • f. ieder technisch verslag of ieder van een instantie of laboratorium verkregen certificaat;

  • g. ingeval het gaat om het typekenmerkend monster: de interne bepalingen die worden toegepast bij de productie van meerdere toestellen of voor de veiligheid regelmatig te vervangen essentiële onderdelen, ter handhaving van de overeenstemming met het, het typekenmerkend monster;

  • h. een exemplaar van de in artikel 16 van dit besluit bedoelde gebruiksaanwijzing en andere verstrekte informatie.

Naar boven