Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars

[Regeling vervalt per 01-01-2028.]
Geraadpleegd op 22-06-2024.
Geldend van 01-01-2024 t/m 07-02-2024

Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, van 29 november 2022, nr. 2022-0000630123, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van subsidie aan verenigingen van eigenaars, woonverenigingen en wooncoöperaties in verband met het stimuleren van verduurzamingsmaatregelen in bestaande woningen (Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars)

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    • aanvullende energiebesparende maatregelen: maatregelen, genoemd in artikel 8;

    • Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187);

    • appartementsrecht: appartementsrecht, bedoeld in artikel 106, eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;

    • basislaadinfrastructuur: het totaal van de infrastructuur behorende bij het oplaadpunt waaronder de hoofdaansluiting en de bekabeling waarop oplaadpunten die voldoen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010 kunnen worden aangesloten. Het oplaadpunt is van de basislaadinfrastructuur uitgezonderd;

    • biobased milieuvriendelijk isolatiemateriaal: isolatiemateriaal waarvan ten minste 70% van de massa bestaat uit biobased materiaal als bedoeld in de EN16575:2014, zoals blijkt uit de materiaalsamenstelling van het product genoemd in de environmental product declaration van de fabrikant en met een maximale milieukostenindicator van 0,85, genoemd in de categorie 1-kaart als bedoeld in de Nationale Milieudatabase van het betreffende product, bij een Rd-waarde van 3,5 m2K/W;

    • bouwbedrijf: bedrijf dat in een handelsregister van een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, is ingeschreven in de sectie bouwnijverheid of een vergelijkbare sectie;

    • bouwbegeleider: een natuurlijk persoon werkzaam bij een onderneming ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel of een handelsregister van een lidstaat van de Europese Unie, die ten minste een Hogere beroepsopleiding Bouwkunde, Bouwtechnische Bedrijfskunde of een gelijkwaardige opleiding heeft voltooid en in de laatste drie jaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag voor deze bouwbegeleiding minimaal twee hoogwaardige, grootschalige verduurzamingprojecten in de bouw begeleid heeft, eventueel met aanvullende ondersteuning van andere interne deskundigen;

    • bouwbegeleiding: begeleiding die wordt geboden door een bouwbegeleider bij het laten uitvoeren van het zeer energiezuinig pakket, eventueel in combinatie met de duurzame warmteopties, een centrale aansluiting op het warmtenet en resterende aanvullende energiebesparende maatregelen tot aan het moment dat de maatregelen in het kader hiervan daadwerkelijk zijn uitgevoerd;

    • bouwinstallatiebedrijf: bedrijf dat in een handelsregister van een lidstaat van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte is ingeschreven in de sectie bouwinstallatiebedrijf of een vergelijkbare sectie;

    • BRL 9500-MWA-W: door de Stichting Kwaliteit voor Installaties Nederland bindend verklaarde Nationale Beoordelingsrichtlijn 9500, zoals vastgesteld op 31 augustus 2011, inclusief latere wijzigingen;

    • centrale aansluiting op een warmtenet: centrale aansluiting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet;

    • certificaathouder: certificaathouder als bedoeld in BRL 9500-MWA-W;

    • DMJOP: duurzaam meerjarenonderhoudsplan voor de delen van een gebouw of groep van gebouwen waarvoor een vereniging verantwoordelijk is voor het beheer en het onderhoud;

    • duurzame warmteopties: maatregelen, genoemd in artikel 7, derde lid;

    • energiebesparende isolatiemaatregelen: maatregelen, genoemd in artikel 7, tweede lid;

    • EP-adviseur: een persoon die voldoet aan de eisen aan de vakbekwaamheid van ‘EP-adviseur’ conform bijlage 2 van BRL 9500-MWA-W;

    • etiket: drukt etiket als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 811/2013 of artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 812/2013;

    • gebouw: bestaand, voor onder meer bewoning bestemde gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, waarvoor een vereniging van eigenaars of een wooncoöperatie is opgericht of waarvan de eigenaar een woonvereniging is;

    • HR-glas: beglazing in bestaande thermische schil en bestaande uit: meervoudig glas met een vacuüm of gasgevulde spouw met een warmte-doorlatingscoëfficiënt met een maximale Ug-waarde (W/m2K) van 1,2 of triple glas met een maximale Ug-waarde (W/m2K) van 0,7, met een nieuw isolerend kozijn met een Uf-waarde kleiner of gelijk aan 1,5 (W/m2K). Voor gebouwen die zijn ingeschreven als monument is de maximale Ug-waarde van isolerende beglazing 3,0 W/m2K of 2,0 W/m2k en de maximale Ud-waarde 2,0 of 1,5 W/m2k;

    • isolerende kozijnpanelen: kozijnpanelen met minimaal dezelfde U-waarde als de glassoort waarmee deze worden gecombineerd in de kozijnen;

    • Kaderbesluit: Kaderbesluit BZK-subsidies;

    • koopwoning: woning van een eigenaar-bewoner. Hieronder vallen tevens een woning die tijdelijk niet bewoond is en te koop staat of waarvan de voormalige eigenaar-bewoner is overleden, maar die bestemd is om als woning gebruikt te worden en een woning die ouders om niet ter beschikking stellen aan hun kinderen;

    • kwaliteitsverklaring: kwaliteitsverklaring als bedoeld in artikel 2.14 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving;

    • meldcode: code beschikbaar gesteld door de Minister:

      • a. per type en merk installatie voor duurzame warmteopties;

      • b. per soort isolatiemateriaal voor energiebesparende isolatiemaatregelen;

      • c. voor monumenten;

    • minister: Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;

    • monument: een gebouw of een deel van een gebouw dat is ingeschreven als:

    • Nul-op-de-Meter-gebouw: gebouw waarvan de som van de ingaande en uitgaande energiestromen voor gebouwgebonden energie bij een normaal leefpatroon op jaarbasis gelijk aan of lager dan nul is en met een additionele energieopwekkingscapaciteit voor gebruikersgebonden energie van ten minste 1.780 kWh voor een appartement;

    • oplaadpunt: oplaadpunt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen, inclusief de eventuele bijbehorende kabels;

    • prestatieverklaring: prestatieverklaring als bedoeld in artikel 2.14 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving;

    • procesbegeleiding: externe begeleiding van het proces binnen een vereniging tot en met de definitieve besluitvorming van de algemene ledenvergadering voor het uitvoeren van advies, verduurzamingsmaatregelen, het zeer energiezuinig pakket of aanvullende energiebesparende maatregelen niet zijnde bouwbegeleiding;

    • productkaart: productkaart als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 811/2013 of artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van Verordening (EU) nr. 812/2013;

    • ruimteverwarmingstoestel: ruimteverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in bijlage I, onderdeel 3 of onderdeel 4, van Verordening (EU) nr. 811/2013 of artikel 2, lid 17 of 18, van Verordening (EU) nr. 813/2013, niet zijnde een lucht-luchtwarmtepomp;

    • technische documentatie: technische documentatie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en bijlage V van Verordening (EU) nr. 811/2013 of artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en bijlage V van Verordening (EU) nr. 812/2013 of productinformatie als bedoeld in bijlage II lid 5 van Verordening (EU) nr. 813/2013;

    • thermische schil: thermische schil als beschreven in ISSO 82.1;

    • thermisch vermogen bij bivalente temperatuur: thermisch vermogen bij bivalente temperatuur als bedoeld in tabel 8 van bijlage V van Verordening (EU) nr. 811/2013 of tabel 2 van bijlage II van Verordening (EU) nr. 813/2013 en het type en vulgewicht van het koudemiddel;

    • thermisch vermogen bij referentieontwerptemperatuur: thermisch vermogen bij referentieontwerptemperatuur als bedoeld in tabel 10 van bijlage VII van Verordening (EU) nr. 811/2013 of tabel 4 van bijlage III van Verordening (EU) nr. 813/2013;

    • vereniging: vereniging van eigenaars, woonvereniging of wooncoöperatie, met uitzondering van beheerverenigingen van parkeerterreinen;

    • vereniging van eigenaars: vereniging van de eigenaars als bedoeld in artikel 112, eerste lid, onderdeel e, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek;

    • verordening (EU) nr. 305/2011: Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van de Europese Unie (PbEU 2011, L 88/5);

    • verordening (EU) nr. 811/2013: Verordening (EU) nr. 811/2013 van de Commissie van 18 februari 2013 ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de energie-etikettering van ruimteverwarmingstoestellen, combinatieverwarmingstoestellen, pakketten van ruimteverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties en pakketten van combinatieverwarmingstoestellen, temperatuurregelaars en zonne-energie-installaties betreft (PbEU 2013, L 239);

    • verordening (EU) nr. 812/2013: Verordening (EU) nr. 812/2013 van de Commissie van 18 februari 2013 ter aanvulling van Richtlijn 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de energie-etikettering van waterverwarmingstoestellen, warmwatertanks en pakketten van waterverwarmingstoestellen en zonne-energie-installaties betreft (PbEU 2013, L 239);

    • verordening (EU) nr. 813/2013: Verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie van 2 augustus 2013 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen betreft;

    • woning: een bestaand appartement, dat een zelfstandige woongelegenheid vormt en als zodanig bewoond is geweest alvorens renovatie plaatsvindt en in de basisregistratie als bedoeld in artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen met een woonfunctie is geregistreerd;

    • wooncoöperatie: wooncoöperatie als bedoeld in artikel 18a van de Woningwet;

    • woonvereniging: vereniging die eigenaar is van één of meer gebouwen en waarvan de leden het recht hebben om in een bepaalde woning die onderdeel uitmaakt van dat gebouw of die gebouwen te wonen;

    • warmteleverancier: leverancier als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet;

    • warmtenet: warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet;

    • wtw: warmteterugwinning;

    • waterverwarmingstoestel: waterverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in artikel 2, onderdeel zeventien, van verordening (EU) nr. 812/2013;

    • zeer energiezuinig pakket: pakket van maatregelen bedoeld in artikel 9.

  • 2 Onder eigenaar-bewoner wordt in deze regeling verstaan een natuurlijke persoon die:

    • a. gerechtigde is van een bestaand appartement en in het desbetreffende appartement zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van dat appartement, waaronder mede begrepen de realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie op grond van deze regeling is aangevraagd, zal hebben;

    • b. zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning, waaronder mede begrepen de realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie op grond van deze regeling is aangevraagd, zal hebben in een woning van een wooncoöperatie en in verband daarmee lid is van die wooncoöperatie; of

    • c. op basis van zijn lidmaatschap van een woonvereniging het recht heeft om in een woning te wonen en daarin zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning, waaronder mede begrepen de realisatie van de activiteiten waarvoor subsidie op grond van deze regeling is aangevraagd, zal hebben.

  • 3 Onder appartement wordt in deze regeling verstaan:

    • a. deel van een gebouw waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht, waarop een appartementsrecht rust met een woonfunctie;

    • b. woning in een gebouw, waarvoor een wooncoöperatie is opgericht; of

    • c. woning in een gebouw van een woonvereniging.

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft als doel verduurzaming te stimuleren in en bij gebouwen van verenigingen, door subsidie te verstrekken voor:

  • a. advisering over energiebesparing, duurzame energie of aansluiting op een warmtenet;

  • b. investeringen in energiebesparende isolatiemaatregelen;

  • c. investeringen in duurzame warmteopties;

  • d. investeringen in een centrale aansluiting op een warmtenet;

  • e. advisering over het plaatsen van oplaadpunten;

  • f. investeringen in de basislaadinfrastructuur voor oplaadpunten.

Artikel 3. Staatssteun

  • 1 Bij de verstrekking van een subsidie op grond van deze regeling van in totaal € 25.000 of meer wordt wat betreft subsidie voor de kosten van energiebesparende isolatiemaatregelen, aanvullende energiebesparende maatregelen en het zeer energiezuinig pakket met uitzondering van bouwbegeleiding, bedoeld in de artikelen 7, tweede lid, 8 en 9, eerste en tweede lid, toepassing gegeven aan artikel 38bis van de Algemene groepsvrijstellingverordening, voor de kosten van duurzame warmteopties wordt toepassing gegeven aan artikel 41 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening en wat betreft subsidie voor de kosten van energieadvies, advies over oplaadpunten en voor bouwbegeleiding wordt toepassing gegeven aan de de-minimisverordening. Voor het installeren van basislaadinfrastructuur wordt toepassing gegeven aan artikel 36a van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 Bij de verstrekking van subsidie op grond van deze regeling van minder dan € 25.000 voor de kosten van verduurzamingsmaatregelen, aanvullende energiebesparende maatregelen, het zeer energiezuinig pakket, de ondersteunende onderzoeken, bedoeld in artikel 5, eerste lid en advies over oplaadpunten en het installeren van basislaadinfrastructuur, bedoeld in de artikelen 5, 7, 8, 9 en 12 wordt toepassing gegeven aan de de-minimisverordening.

Artikel 4. Subsidieplafond

  • 1 Voor subsidieverstrekking op grond van de hoofdstukken II en III geldt tot en met 31 december 2027 een subsidieplafond van € 48.500.000.

  • 2 Voor subsidieverstrekking op grond van hoofdstuk IV geldt tot en met 31 december 2027 een subsidieplafond van € 10.000.000.

  • 3 Het beschikbare bedrag per subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van ontvangst van de aanvragen.

  • 4 Indien er meer aanvragen zijn ontvangen op één dag, waarbij toekenning van al deze aanvragen zou leiden tot overschrijding van het betreffende subsidieplafond wordt, in afwijking van het derde lid, de onderlinge rangorde van die aanvragen door loting vastgesteld.

Hoofdstuk II. Energieadvies of procesbegeleiding of DMJOP

Artikel 5. Activiteiten en voorwaarden: advisering en ondersteuning voor verduurzaming

  • 1 De minister kan aan een vereniging ten behoeve van het gebouw of de groep van gebouwen waarin zich ten minste één koopwoning bevindt subsidie verstrekken voor de volgende ondersteunende onderzoeken, enkelvoudig of gecombineerd:

    • a. advies: het opstellen van een advies over de bouwkundige en energetische staat van het gebouw;

    • b. energiescan, zijnde een vereenvoudigd energieadvies voor mogelijke verduurzamingsmaatregelen voor het gebouw;

    • c. energieadvies, mits het energieadvies voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid;

    • d. een Duurzaam Meerjaren Onderhouds Plan als bedoeld in NEN 2767, mits het plan voldoet aan de eisen, bedoeld in het vierde lid;

    • e. asbestinventarisatie als bedoeld in Persoonscertificaat DIA SCA-code of een Bedrijfscertificaat SCA-code, SC-540 voor asbestinventarisaties;

    • f. gevelonderzoek als bedoeld in, NEN-EN 1996-1-1 en NEN-EN 845-1;

    • g. betonschade-onderzoek dat voldoet aan de CUR 79 klasse II en de herstelofferte conform BRL 2818;

    • h. ventilatie-onderzoek als bedoeld in BRL 8010 richtlijnen ISSO;

    • i. flora- en faunaonderzoek door een ecoloog die werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties die zich aantoonbaar actief inzetten op het gebied van de soorten monitoring of bescherming;

    • j. brandveiligheidsonderzoek door een brandpreventiedeskundige 1, als bedoeld in NEN 6060 & NEN 6079;

    • k. gelijkwaardigheidsonderzoek: mits het gelijkwaardigheidsonderzoek voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid;

    • l. installatie-advies;

    • m. financieel haalbaarheidsonderzoek voor minimaal twee verduurzamingsmaatregelen dat in ieder geval bevat:

      • 1°. investeringen;

      • 2°. terugverdientijd; en

      • 3°. effecten op de woonlasten;

    • n. procesbegeleiding, mits de procesbegeleiding niet wordt uitgevoerd door een lid of een bestuurder van de vereniging. Procesbegeleiding is voor maximaal 60 uur subsidiabel.

  • 2 Het energieadvies is een niet ouder dan twee jaar na indiening van de aanvraag door een EP-adviseur opgesteld rapport dat in ieder geval het volgende bevat: een nauwkeurige omschrijving van de bestaande situatie op basis van een ter plekke door een EP-adviseur uitgevoerde technische en bouwkundige beoordeling van de schil en de installaties van het gebouw of van de groep van gebouwen, alsmede een beschrijving van de mogelijke energiebesparingsmaatregelen en de duurzame warmte- en elektriciteitsopties, met de keuzemogelijkheden en de voor- en nadelen, een inschatting van de investering en van de te realiseren energiebesparing per mogelijk te verrichten maatregel of optie. Een energieadvies maakt de terugverdientijd van de voorgenomen investeringen inzichtelijk, leidt tot een onderbouwde geadviseerde prioritering en geeft uitleg over de mogelijkheden voor het realiseren van een zeer energiezuinig pakket of een Nul-op-de-Meter-gebouw, met een beeld van de typen maatregelen die nodig zouden zijn om dit niveau in het betrokken gebouw of groep van gebouwen te bereiken.

  • 4 Het DMJOP is niet ouder dan twee jaar na indiening van de aanvraag, heeft een doorlooptijd van dertig jaar en bevat behalve de onderhouds-, herstel- en vernieuwingswerkzaamheden die gedurende de looptijd van het plan nodig worden geacht, ook de uitvoering van ten minste twee maatregelen binnen tien jaar, genoemd in het eerste lid. Een DMJOP bevat tevens een kostenberekening van de geplande werkzaamheden en een gelijkmatige toerekening van de kosten aan de onderscheiden jaren.

  • 5 De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, en het derde lid zijn: verduurzamingsmaatregelen en de maatregelen uit het zeer energiezuinig pakket met uitzondering van bouwbegeleiding, als bedoeld in de artikelen 7 en 9.

  • 6 Subsidie op grond van het eerste lid wordt slechts eenmaal per gebouw of groep van gebouwen verstrekt.

  • 7 Op grond van het eerste lid wordt geen subsidie verstrekt, indien voor in dat lid bedoelde activiteiten reeds door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties of een ander bestuursorgaan, niet zijnde een bestuursorgaan van een gemeente, subsidie is verstrekt voor hetzelfde gebouw of groep van gebouwen.

Artikel 6. Aanvraag subsidie voor energieadvies en ondersteunende onderzoeken

  • 2 In afwijking van artikel 11, derde lid, van het Kaderbesluit worden de volgende gegevens en bescheiden op verzoek van de Minister verstrekt:

    • a. het inschrijfnummer van de vereniging bij de Kamer van Koophandel;

    • b. het adres of de kadastrale aanduiding van het gebouw of de gebouwen ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd;

    • c. het aantal appartementen in het gebouw of de groep van gebouwen dat een koopwoning is;

    • d. het bankrekeningnummer waarop het subsidiebedrag dient te worden overgemaakt;

    • e. de naam, het adres en het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel van de certificaathouder die het energieadvies heeft opgesteld, het nummer van het certificaat, alsmede de naam, het adres en het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel van de adviseurs van de overige ondersteunende onderzoeken als bedoeld in artikel 5, eerste lid;

    • f. de naam en het adres van de EP-adviseur die het gebouw heeft opgenomen ten behoeve van het energieadvies alsmede de naam, het adres, het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel en het nummer van het certificaat van de certificaathouder waarvoor hij werkt, indien dit niet de certificaathouder is, bedoeld in onderdeel e;

    • g. een factuur en een betalingsbewijs van alle door de vereniging in opdracht gegeven en afgeronde ondersteunende onderzoeken, bedoeld in artikel 5, eerste lid en, indien van toepassing, het DMJOP en de procesbegeleiding;

    • h. een digitale versie van alle door de vereniging in opdracht gegeven en afgeronde ondersteunende onderzoeken, bedoeld in artikel 5, eerste lid;

    • i. een verklaring dat niet reeds subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, is aangevraagd bij of verstrekt door een ander bestuursorgaan voor hetzelfde gebouw of groep van gebouwen; en

    • j. indien niet alle leden van de vereniging eigenaar-bewoners zijn: een verklaring waaruit blijkt dat die leden niet meer subsidie ontvangen dan is toegestaan op basis van de de-minimisverordening.

Hoofdstuk III. Verduurzamingsmaatregelen, aanvullende energiebesparende maatregelen en het zeer energiezuinig pakket

Artikel 7. Verduurzamingsmaatregelen

  • 1 De Minister verstrekt aan een vereniging ten behoeve van het gebouw of groep van gebouwen op aanvraag subsidie voor:

    • a. energiebesparende isolatiemaatregelen;

    • b. duurzame warmteopties; of

    • c. de centrale aansluiting op een warmtenet.

  • 2 Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen wordt deze verstrekt aan een vereniging ten behoeve van de aanschaf en het door een bouwbedrijf in een woning laten aanbrengen van isolatiemateriaal, dat is voorzien van een prestatieverklaring, voor één of meer van de volgende typen energiebesparende isolatiemaatregelen:

    • a. dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie, waarbij:

      • 1°. minimaal 70% van de oppervlakte van het gehele dak behorend tot de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd;

      • 2°. het toegevoegde isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft en in geval van een monument een Rd-waarde van ten minste 2,5 m2K/W heeft; en

      • 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen;

    • b. gevelisolatie, waarbij:

      • 1°. ten minste 10 m2per appartement van de oppervlakte van de binnen- of buitengevel van de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd; en

      • 2°. het toegevoegde isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft en in geval van een monument een Rd-waarde van ten minste 2,5 m2K/W heeft;

    • c. glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie in de bestaande thermische schil door het vervangen van:

      • 1°. ten minste 8 m2 per appartement van de oppervlakte van glas, kozijnpanelen of deuren door HR++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,5 W/m2K;

      • 2°. ten minste 8 m2 per appartement van de oppervlakte van glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend kozijn met een Uf-waarde van ten hoogste 1,5 W/ m2K, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende kozijnpanelen of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,0 W/m2K;

      • 3°. ten minste 3 m2 per monumentaal appartement van de oppervlakte van glas, kozijnpanelen, deuren met hoogrendementsglas of het plaatsen van voor- of achterzetbeglazing met een Ug-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K of voor kozijnpanelen met een Up-waarde van ten hoogste 3,0 W/m2K of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K; of

      • 4°. ten minste 3 m2 per monumentaal appartement van de oppervlakte van glas, kozijnpanelen, deuren met hoogrendementsglas of het plaatsen van voor- of achterzetbeglazing met een Ug-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K of voor kozijnpanelen met een Up-waarde van ten hoogste 2,0 W/m2K of nieuwe isolerende deuren met een Ud-waarde van ten hoogste 1,5 W/m2K;

    • d. spouwmuurisolatie, waarbij:

      • 1°. ten minste 10 m2per appartement van de oppervlakte van bestaande spouwmuren in de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd;

      • 2°. het toegevoegde isolatiemateriaal een Rd-waarde van ten minste 1,1 m2K/W heeft; en

      • 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen;

    • e. vloer- dan wel bodemisolatie, waarbij:

      • 1°. minimaal 70% van de oppervlakte van de gehele vloer behorend tot de bestaande thermische schil wordt geïsoleerd;

      • 2°. het toegevoegde isolatiemateriaal voor de vloer of bodem een Rd-waarde van ten minste 3,5 m2K/W heeft; en

      • 3°. het aanbrengen van lokaal gespoten PIR of PUR gebeurt met HFK-vrije blaasmiddelen.

  • 3 Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering van duurzame warmteopties wordt deze verstrekt aan een vereniging ten behoeve van de aanschaf en het door een bouwinstallatiebedrijf laten installeren van één of meer van de volgende installaties:

    • a. een ruimteverwarmingstoestel(en) of een waterverwarmingstoestel(en) dat:

      • 1°. is uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp, een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp;

      • 2°. een thermisch vermogen heeft van ten hoogste 400kW bij bivalente temperatuur in geval van een lucht-waterwarmtepomp dan wel bij een referentieontwerptemperatuur in geval van een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp;

      • 3°. het gezamenlijk vermogen niet meer is dan 500kW bij bivalente temperatuur in geval van een lucht-waterwarmtepomp dan wel bij een referentieontwerptemperatuur in geval van een grond-waterwarmtepomp of een water-waterwarmtepomp, indien sprake is van meerdere warmtepompen binnen één installatie;

      • 4°. is voorzien van een etiket, een productkaart en de bijbehorende technische documentatie, indien sprake is van een installatie met een vermogen onder 70kW; of

      • 5°. is voorzien van technische documentatie, indien sprake is van een installatie met een vermogen van 70kW tot ten hoogste 400kW;

      • 6°. behoort tot de energie-efficiëntieklasse A++ of hoger, indien een ruimteverwarmingstoestel een vermogen heeft van minimaal 1 kW en maximaal 70 kW.

    • b. een zonneboiler, waaronder begrepen een zonneboilercombi, bestaande uit een zonne-energie-installatie die:

      • 1°. is bedoeld voor het maken van warm tapwater of voor het leveren van ruimteverwarming in combinatie met het maken van warm tapwater;

      • 2°. een totale apertuuroppervlakte van ten hoogste 200 m2 per verwarmingssysteem of afgiftesysteem heeft;

      • 3°. is voorzien van een productkaart en de bijbehorende technische documentatie; en

      • 4°. is voorzien van een etiket, indien sprake is van een zonneboilercombi.

  • 4 Voor zover de subsidie betrekking heeft op een investering voor de centrale aansluiting op een warmtenet wordt deze verstrekt aan een vereniging ten behoeve van het door een warmteleverancier aansluiten van: een bestaand gebouw op een centrale aansluiting op een warmtenet.

  • 5 Indien niet alle leden van de vereniging eigenaar-bewoners zijn, voldoen de maatregelen, bedoeld in het tweede lid aan de eisen van energiebesparing als bedoeld in artikel 38bis, zesde lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 8. Aanvullende energiebesparende maatregelen

Aanvullende energiebesparende maatregelen zijn:

  • a. het voor de eerste keer aanleggen van een systeem voor CO2-gestuurde ventilatie of het voor de eerste keer aanleggen van een systeem voor balansventilatie met wtw met een rendement van ten minste 90%;

  • b. het dynamisch waterzijdig inregelen van het verwarmingssysteem; en

  • c. het in de woning plaatsen van een energiedisplay dat verbonden is met een slimme meter en inzicht geeft in het gehele actuele energieverbruik in de woning of een thermostaat die het energieverbruik binnen de woning afstemt op het leefgedrag van de bewoners en verbonden is met een energiemanagementsysteem dat inzicht geeft in het gehele actuele energieverbruik in de woning, dan wel een thermostaat die voorzien is van een temperatuurregeling voor afzonderlijke ruimten in de woning.

Artikel 9. Zeer energiezuinig pakket

  • 1 Een zeer energiezuinig pakket is een samenhangend pakket van maatregelen, uitgevoerd in het hele gebouw behorend tot de bestaande thermische schil, dat bestaat uit:

    • a. energiebesparende isolatiemaatregelen en eventueel één of meer aanvullende energiebesparende maatregelen, waarvan de elementen voldoen aan de isolatiewaarden, genoemd in het tweede lid;

    • b. een systeem voor CO2-gestuurde ventilatie of balansventilatie met wtw met een rendement van ten minste 90%; en

    • c. een kierdichtheid die blijkens een luchtdichtheidstest (Qv_10) kar [l/s m2] ten hoogste 0,4 bedraagt.

  • 2 De isolatiewaarden in een zeer energiezuinig pakket zijn:

    • a. voor het dak: ten minste Rc 6,5 [m2K/W];

    • b. voor de gevel: ten minste Rc 5,0 [m2K/W];

    • c. voor de vloer of bodem: ten minste Rc 4,0 [m2K/W];

    • d. triple glas in de bestaande thermische schil met een Ug-waarde van ten hoogste 0,7 [W/m2K]; en

    • e. voor de kozijnen: ten hoogste Uf 1,5 [W/m2K] en voor deuren in de gevel: ten hoogste Ud 1,0 [W/m2K].

  • 3 Het zeer energiezuinig pakket kan mede bouwbegeleiding omvatten, mits deze wordt geboden door een bouwbegeleider als bedoeld in artikel 1, eerste lid.

Artikel 10. Activiteiten en voorwaarden: verduurzamingsmaatregelen, aanvullende energiebesparende maatregelen en het zeer energiezuinig pakket

  • 1 De Minister kan aan een vereniging ten behoeve van een gebouw waarin zich ten minste één koopwoning bevindt subsidie verstrekken voor het na de datum van indiening van de subsidieaanvraag door een bouwbedrijf of bouwinstallatiebedrijf laten uitvoeren van:

    • a. één of meer energiebesparende isolatiemaatregelen over de gehele daarvoor in aanmerking komende oppervlakten van het gebouw of over ten minste de oppervlakten, bedoeld in artikel 7, tweede lid;

    • b. een zeer energiezuinig pakket met uitzondering van bouwbegeleiding, als bedoeld in artikel 9, tweede lid;

    • c. één of meer duurzame warmteopties als bedoeld in artikel 7, derde lid;

    • d. een centrale aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 7, vierde lid; en

    • e. één of meer aanvullende energiebesparende maatregelen als bedoeld in artikel 8.

  • 2 De Minister kan aan een vereniging ten behoeve van een gebouw waarin zich ten minste één koopwoning bevindt subsidie verstrekken voor door een bouwbegeleider te bieden bouwbegeleiding na de datum van indiening van de subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 9, derde lid.

  • 3 Subsidie op grond van het eerste lid, onderdeel e, wordt uitsluitend verstrekt in combinatie met subsidie op grond van het eerste lid, onderdeel a, b, c of d.

  • 4 Subsidie op grond van het eerste en tweede lid wordt per pakket of maatregel slechts eenmaal per gebouw of groep van gebouwen verstrekt.

  • 5 Op grond van het eerste en tweede lid, kan ook subsidie worden verstrekt, indien de bedoelde activiteiten ook uit anderen hoofde zijn of worden gesubsidieerd of gefinancierd.

  • 6 Subsidie op grond van het eerste lid, onderdeel d, wordt uitsluitend verstrekt aan verenigingen met alleen eigenaar-bewoners.

  • 7 In afwijking van het vijfde lid wordt geen subsidie verstrekt ten behoeve van huurwoningen in het gebouw indien de aanvraag is gedaan op grond van artikel 11, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, 2° of 3°, als blijkt dat een begunstigde van staatssteun meer steun ontvangt dan is toegestaan op basis van de de-minimisverordening of algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 9 Voor zover de subsidie die verstrekt wordt aan een vereniging toekomt aan eigenaren van huurwoningen en bij de aanvraag gebruik wordt gemaakt van artikel 11, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, dienen de voor subsidie in aanmerking komende kosten voor energiebesparende isolatiemaatregelen en aanvullende energiebesparende maatregelen en zeer energiezuinig pakket rechtstreeks verband te houden met het behalen van een hoger niveau van energie-efficiëntie en de kosten dienen voor de investering in energie-efficiëntie binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering te kunnen worden vastgesteld als bedoeld in artikel 38bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 10 De aanvrager toont de gelijkwaardigheid van een of meerdere andere maatregelen dan bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, aan door middel van een verklaring van een certificaathouder als bedoeld in BRL 9500-MWA-W, die een gelijkwaardigheidsberekening en een oordeel van de certificaathouder over de gelijkwaardigheid bevat.

Artikel 11. Aanvraag subsidie voor verduurzamingsmaatregelen, aanvullende energiebesparende maatregelen en het zeer energiezuinig pakket

  • 1 Een aanvraag voor subsidie wordt op grond van artikel 10, eerste en tweede lid, in de periode van 23 januari 2023 tot en met 31 december 2027 ingediend met gebruikmaking van een door de Minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.

  • 2 Een vereniging kan ten behoeve van een gebouw op grond van artikel 10, eerste en tweede lid, een aanvraag doen voor een subsidie waarvoor:

    • a. op grond van artikel 17, vierde lid, enkel subsidie wordt verstrekt voor het aandeel koopwoningen binnen de vereniging; of

    • b. op grond van artikel 17, vierde lid, subsidie wordt verstrekt voor het aandeel koopwoningen en het aandeel huurwoningen binnen de vereniging. De subsidie die wordt verstrekt ten behoeve van het aandeel huurwoningen binnen de vereniging, kan staatssteun bevatten en gerechtvaardigd worden door inachtneming van de voorwaarden van:

      • 1°. de de-minimisverordening;

      • 2°. artikel 38bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of

      • 3°. artikel 41 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3 In plaats van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 11, derde lid, van het Kaderbesluit bevat de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam, het post- en bezoekadres, het e-mailadres, het telefoonnummer, het rekeningnummer, het nummer waaronder de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager;

    • b. het adres of de kadastrale aanduiding van het gebouw of de groep van gebouwen ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd of, in het geval het een aanvraag voor een monument betreft, een verklaring dat het gebouw waarvoor subsidie wordt aangevraagd een monument is;

    • c. de meldcode van de investering, en indien er geen meldcode beschikbaar is gesteld, een omschrijving van de investering;

    • d. het aantal appartementen in het gebouw;

    • e. als het een vereniging betreft waarvan niet alle leden eigenaar-bewoner zijn, een opgave van het als percentage uitgedrukte aandeel appartements- of woonrechten in de vereniging van de leden die eigenaar-bewoner zijn, zulks gerelateerd aan het gebouw ten behoeve waarvan de subsidie wordt aangevraagd;

    • f. indien van toepassing, de vermelding dat de aanvraag een subsidie voor een zeer energiezuinig pakket betreft;

    • g. als het een vereniging betreft waarvan niet alle leden eigenaar-bewoner zijn, het aantal appartementen in het gebouw dat koopwoning is;

    • h. het bankrekeningnummer waarop het subsidiebedrag dient te worden overgemaakt;

    • i. een afschrift van een rechtsgeldig besluit waaruit blijkt dat:

      • 1°. de vergadering van eigenaars of de algemene ledenvergadering van de vereniging besloten heeft tot uitvoering van de verduurzamingsmaatregelen en, indien van toepassing, aanvullende energiebesparende maatregelen of het zeer energiezuinig pakket waarvoor subsidie wordt gevraagd; en

      • 2°. namens de vereniging met betrekking tot de uitvoering van die maatregelen of het zeer energiezuinig pakket overeenkomstig de omschrijving in het uitvoerdersformulier, bedoeld in het zevende lid, een offerte is geaccepteerd van het bouwbedrijf dat dit formulier heeft ondertekend;

    • j. indien het een aanvraag voor subsidie voor bouwbegeleiding als bedoeld in artikel 9, derde lid, betreft dient ook de offerte van de bouwbegeleider toegevoegd te worden, inclusief twee door de Minister beschikbaar gestelde referentieformulieren;

    • k. indien het een investering voor een ruimteverwarmingstoestel of een waterverwarmingstoestel als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, betreft, het thermische vermogen bij bivalente of referentieontwerptemperatuur van deze installatie;

    • l. indien het een investering voor een zonneboiler als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel b, betreft, de gegevens ten aanzien van de energetische opbrengst van deze installatie;

    • m. indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op een investering voor dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie in een appartementsgebouw via het isoleren van de bestaande zolder- of vlieringvloer bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, een verklaring van de vereniging dat de zolder of vliering onverwarmd is; of

    • n. indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op een centrale aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 7, vierde lid, voor zover van toepassing, een verklaring van de vereniging dat het bestaande gebouw, waarop de desbetreffende investering betrekking heeft, geen centrale aansluiting op een warmtenet had voordat deze investering plaatsvond.

  • 4 De minister kan aanvullend bewijs opvragen waaruit blijkt dat het gebouw waarvoor subsidie wordt aangevraagd een monument is.

  • 5 De aanvraag voor subsidie die betrekking heeft op een investering door een rechtspersoon of natuurlijke persoon, niet-zijnde eigenaar-bewoner, bevat, onverminderd het eerste lid, de gegevens, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 6 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 1°, bevat naast de gegevens en bescheiden, bedoeld in het derde lid, tevens een verklaring per eigenaar van een of meerdere huurwoningen, waaruit blijkt dat deze begunstigde van staatssteun niet meer steun ontvangt dan is toegestaan op grond van de de-minimisverordening.

  • 7 Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 2° en 3°, bevat naast de gegevens en bescheiden, bedoeld in het derde lid, tevens:

    • a. een verklaring per eigenaar van een of meerdere huurwoningen dat er geen sprake is van:

      • 1°. een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening;

      • 2°. een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening; en

      • 3°. ongeoorloofde cumulatie van steun op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

    • b. De geaccepteerde offertes waarin de maatregelen en de kosten daarvan zijn opgenomen waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • 8 Bij de aanvraag wordt meegezonden een door de Minister beschikbaar gesteld formulier dat is ingevuld en ondertekend door het bouwbedrijf dat een of meer in de artikelen 7, 8 en 9 bedoelde maatregelen zal uitvoeren. Het formulier betreft een omschrijving van de in het gebouw van de vereniging uit te voeren maatregelen onder vermelding, voor zover van belang voor de subsidieverstrekking, van de aantallen en de oppervlakten waarover de onderscheiden maatregelen worden uitgevoerd alsmede een bevestiging van de energetische kwaliteit van de uit te voeren maatregelen.

  • 9 Ingeval de aanvraag tevens betrekking heeft op een of meer andere gelijkwaardige energiebesparende isolatiemaatregelen dan als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b, dan bevat de aanvraag een verklaring waarin aanvrager aangeeft dat hij beschikt over een verklaring als bedoeld in artikel 10, tiende lid.

Hoofdstuk IV. Oplaadpuntenadvies en basislaadinfrastructuur

Artikel 12. Activiteiten en voorwaarden: subsidiabele activiteit

  • 1 De minister kan aan een vereniging subsidie verstrekken voor:

    • a. advisering door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven adviseur over de realisatie van één of meer oplaadpunten op de parkeergelegenheid van het gebouw of groep van gebouwen van een vereniging voor zover zich daarin ten minste één koopwoning bevindt;

    • b. het installeren van basislaadinfrastructuur mits bewoners van een appartement dat in eigendom is van een lid van de vereniging door het installeren van de basislaadinfrastructuur toegang kunnen krijgen tot een oplaadpunt.

  • 2 Subsidie op grond van het eerste lid wordt voor de subsidiabele activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b afzonderlijk slechts eenmaal per gebouw of groep van gebouwen aan een vereniging verstrekt.

  • 3 Een subsidie op grond van het eerste lid, onderdeel a, kan worden verstrekt voor advisering waarbij het schriftelijk advies bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder b, is opgesteld na 5 oktober 2021.

Artikel 13. Activiteiten en voorwaarden: voorwaarden oplaadpuntenadvies en basislaadinfrastructuur

  • 1 De advisering, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel a,:

    • a. is mede gebaseerd op het ter plaatse beschouwen van de parkeergelegenheid waarop het oplaadpunt of de oplaadpunten gerealiseerd zouden worden; en

    • b. resulteert in een schriftelijk advies.

  • 2 Het schriftelijk advies omvat in ieder geval:

    • a. een prognose van de laadbehoefte van de vereniging voor ten minste tien jaar;

    • b. aanbevelingen voor de borging van de brandveiligheid in relatie tot het plaatsen van één of meer oplaadpunten, als de parkeergelegenheid geheel of gedeeltelijk is gelegen in een gebouw;

    • c. aanbevelingen voor de verdeling van de kosten van de oplaadpunten tussen de vereniging en de gebruikers van de oplaadpunten;

    • d. aanbevelingen voor de benodigde elektrische aansluiting en installatie van de oplaadpunten, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op:

      • 1°. de mogelijkheid tot optimale verdeling van de beschikbare stroom over de op te laden voertuigen en het laden op optimale momenten;

      • 2°. de mogelijkheid om het laden tijdelijk te vertragen of te stoppen ter voorkoming van overbelasting van het stroomnetwerk in het gebouw;

      • 3°. borging van de fysieke en digitale veiligheid van de oplaadpunten; en

    • e. een duiding van de relevante wet- en regelgeving en de wijze waarop deze van invloed is op de aanbevelingen, bedoeld onder b en d.

  • 3 Het installeren van de basislaadinfrastructuur omvat de volgende activiteiten:

    • a. het installeren van onderverdeelkasten;

    • b. het installeren van leidingen, leidingdoorvoeren en bekabeling;

    • c. het installeren van een voorziening die het mogelijk maakt om:

      • 1°. beschikbare stroom optimaal te verdelen over de op te laden voertuigen en te laden op optimale momenten; en

      • 2°. het laden tijdelijk te vertragen of te stoppen ter voorkoming van overbelasting van het stroomnetwerk in het gebouw;

    • d. het installeren van een voorziening waarmee de oplaadpunten gelijktijdig kunnen worden uitgeschakeld en dit kenbaar te maken bij de toegang; en

    • e. het installeren van een datanetwerk.

Artikel 14. Aanvraag: oplaadpuntenadvies en basislaadinfrastructuur

  • 1 Een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 12 kan worden ingediend tot en met 31 december 2027.

  • 2 Een vereniging kan ten behoeve van een gebouw op grond van artikel 12, eerste lid, onderdeel b, een aanvraag doen voor een subsidie waarvoor op grond van artikel 17, vierde lid, subsidie wordt verstrekt voor het aandeel koopwoningen en het aandeel huurwoningen binnen de vereniging. De subsidie die wordt verstrekt ten behoeve van het aandeel huurwoningen binnen de vereniging, kan staatssteun bevatten en gerechtvaardigd worden door inachtneming van de voorwaarden van:

    • 1°. de de-minimisverordening;

    • 2°. artikel 36a van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 3 De aanvraag bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel a, bevat:

    • a. het schriftelijke advies, bedoeld in artikel 13, tweede lid;

    • b. een factuur van de adviseur en een betalingsbewijs van de vereniging;

    • c. het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel van de adviseur; en

    • d. indien niet alle leden van de vereniging eigenaar-bewoners zijn: een verklaring waaruit blijkt dat die leden niet meer subsidie ontvangen dan is toegestaan op basis van de de-minimisverordening.

  • 6 De aanvraag, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, bevat:

    • a. een opgave van het aantal parkeerplaatsen;

    • b. een offerte met een technische omschrijving die aantoont dat de basislaadinfrastructuur faciliteert dat bewoners van een appartement dat in eigendom is van een lid van de vereniging toegang kunnen krijgen tot een oplaadpunt en waaruit blijkt welke activiteiten als bedoeld in artikel 13, derde lid, onderdeel zijn van de installatie van de basislaadinfrastructuur;

    • c. een bewijsstuk dat aantoont dat de parkeerplaatsen in eigendom zijn van de leden van de vereniging;

    • d. een positief besluit van de algemene ledenvergadering van de vereniging over de aanleg van de basislaadinfrastructuur; en

    • e. indien niet alle leden van de vereniging eigenaar-bewoners zijn: een verklaring waaruit blijkt dat de leden die niet eigenaar-bewoner zijn, niet meer subsidie ontvangen dan is toegestaan op basis van de de-minimisverordening als het totale subsidiabele bedrag van die leden niet meer dan € 25.000 bedraagt.

  • 7 Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.

Hoofdstuk V. Hoogte subsidie

Artikel 15. Hoogte subsidie energieadvies en overige ondersteunende onderzoeken

De subsidie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, bedraagt 75% van de kosten inclusief btw van het energieadvies, DMJOP, procesbegeleiding en onderzoeken als bedoeld in artikel 5, eerste lid, met een maximum van:

  • a. € 10.000 indien het gebouw of de groep gebouwen bestaat uit maximaal tien woningen;

  • b. € 15.000 indien het gebouw of de groep gebouwen bestaat uit elf tot en met dertig woningen; en

  • c. € 20.000 indien het gebouw of de groep gebouwen bestaat uit meer dan dertig woningen.

Artikel 16. Hoogte subsidie voor investeringen voor duurzame warmteopties

  • 1 De subsidie voor een investering voor duurzame warmteopties bedraagt voor:

    • a. een verwarmingstoestel dat wordt geïnstalleerd en wordt uitgerust met een lucht-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, bij een thermisch vermogen ten behoeve van ruimteverwarming bij bivalente temperatuur:

      • 1°. tot 1 kW lucht-waterwarmtepomp ten behoeve van tapwaterverwarming: € 500;

      • 2°. vanaf 1 kW tot en met 70 kW: € 2.100, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen bij bivalente temperatuur vanaf 1 kW;

      • 3°. van 71 kW of meer: € 1.650, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen hoger dan 1 kW;

    • b. een verwarmingstoestel dat wordt geïnstalleerd en wordt uitgerust met een grond-waterwarmtepomp of met een water-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, bij een thermisch vermogen bij referentieontwerptemperatuur:

      • 1°. tot 1 kW grond-waterwarmtepomp of water-waterwarmtepomp ten behoeve van tapwaterverwarming: € 500;

      • 2°. van 1 kW tot en met 10 kW: € 4.200;

      • 3°. van meer dan 10 kW tot en met 70 kW: € 4.200, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen hoger dan 10 kW;

      • 4°. van 71 kW of meer: € 3.750, vermeerderd met € 150 voor elke kW thermisch vermogen hoger dan 10 kW;

    • c. een zonneboiler als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel b, die wordt geïnstalleerd op of na 1 januari 2024, € 1,02 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van de zonneboiler bij een apertuuroppervlakte van ten hoogste 5 m2, € 0,55 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van een zonneboiler bij een apertuuroppervlakte van meer dan 5 tot ten hoogste 10 m2 en € 0,28 per kWh jaarlijkse zonne-energiebijdrage van een zonneboiler met een apertuuroppervlakte van meer dan 10 m2.

  • 2 De subsidie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, onder 1°, en onderdeel b, onder 1°, wordt verhoogd met:

    • a. € 225, indien de warmtepomp tot 1 kW ten behoeve van tapwaterverwarming blijkens het etiket behoort tot de energie-efficiëntieklasse A+;

    • b. € 450, indien de warmtepomp tot 1 kW ten behoeve van tapwaterverwarming blijkens het etiket behoort tot de energie-efficiëntieklasse A++.

  • 3 De subsidie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a onder 2°, en onderdeel b onder 2° en 3°, wordt verhoogd met:

    € 225, indien de warmtepomp tot en met 70 kW blijkens het etiket behoort tot de energie- efficiëntieklasse A+++ of hoger.

  • 4 De jaarlijkse zonne-energiebijdrage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt voor zonneboilers vastgesteld op:

    • a. 2.799 kWh, minus het jaarlijks aandeel van niet uit zonne-energie verkregen warmte volgens de productkaart conform het capaciteitsprofiel L, en minus het supplementair elektriciteitsgebruik volgens de productkaart, indien er sprake is van een apertuuroppervlakte van ten hoogste 5 m2;

    • b. 4.427 kWh, minus het jaarlijks aandeel van niet uit zonne-energie verkregen warmte volgens de productkaart conform het capaciteitsprofiel XL, en minus het supplementair elektriciteitsgebruik volgens de productkaart, indien er sprake is van een apertuuroppervlakte van meer dan 5 en ten hoogste 10 m2; of

    • c. het product van 1.293 kWh, het totale collectoroppervlak van alle collectoren volgens de productkaart, het collectorrendement volgens de productkaart, de instralingshoekmodifier volgens de productkaart en de verliesfactor van de warmwatertank, bedoeld in het vierde of vijfde lid, indien er sprake is van een apertuuroppervlakte van meer dan 10 m2.

  • 5 Indien de zonneboiler naast warm tapwater tevens ruimteverwarming produceert, wordt de subsidie voor de zonneboiler, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, eenmalig verhoogd met:

    • a. € 225, indien de zonneboiler behoort tot de energie-efficiëntieklasse A+ voor ruimteverwarming;

    • b. € 450, indien de zonneboiler behoort tot de energie-efficiëntieklasse A++ voor ruimteverwarming.

Artikel 17. Hoogte subsidie energiebesparende isolatiemaatregelen en aanvullende energiebesparende maatregelen

  • 1 Indien een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen is aangebracht bedraagt de subsidie voor:

    • a. dakisolatie dan wel zolder- of vlieringvloerisolatie:

      • 1°. voor het isoleren van het dak in de bestaande thermische schil, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, € 30 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op minimaal 70% van de oppervlakte van het gehele dak; en

      • 2°. voor het isoleren van de bestaande zolder- of vlieringvloer in de bestaande thermische schil bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, € 8 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op minimaal 70% van de oppervlakte van de zolder- of vlieringvloer;

    • b. gevelisolatie als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, € 38 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten minste 10 m2per appartement van de oppervlakte van de binnen- of buitengevel van de bestaande thermische schil die wordt geïsoleerd;

    • c. glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie in de bestaande thermische schil, voor zover de totale subsidiabele kosten betrekking hebben op het vervangen van een te isoleren oppervlakte van ten minste:

      • 1°. 8 m2 per appartement van glas, kozijnpanelen of deuren door HR ++ glas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 1°: € 46 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte;

      • 2°. 8 m2 per appartement van glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen: € 20 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door HR ++ glas als bedoeld in subonderdeel 1°;

      • 3°. 8 m2 per appartement van glas, kozijnpanelen of deuren door triple-glas, in combinatie met een nieuw isolerend kozijn met een maximale Uf-waarde (W/m2K) van 1.5, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 2°: € 131 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; of

      • 4°. 8 m2 per appartement van glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen: € 90 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door triple glas, bedoeld in subonderdeel 3°;

      • 5°. 3 m2 per monumentaal appartement van glas, kozijnpanelen of deuren door hoogrendementsglas, eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren of het plaatsen van voor- of achterzetbeglazing als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 3°: € 46 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte;

      • 6°. 3 m2 per monumentaal appartement van glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen: € 20 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door hoogrendementsglas, bedoeld in subonderdeel 5°;

      • 7°. 3 m2 per monumentaal appartement van glas, kozijnpanelen of deuren door hoogrendementsglas eventueel in combinatie met nieuwe isolerende deuren of het plaatsen van voor- of achterzetbeglazing als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 4°: € 85 per vierkante meter van de te isoleren oppervlakte; of

      • 8°. 3 m2 per monumentaal appartement van glas of kozijnpanelen door nieuwe isolerende kozijnpanelen: € 40 per vierkante meter, voor zover de subsidiabele kosten mede betrekking hebben op het vervangen van glas door hoogrendementsglas, bedoeld in subonderdeel 7°;

    • d. spouwmuurisolatie van de bestaande thermische schil als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel d, € 8 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op ten minste 10 vierkante meter per appartement van de oppervlakte van bestaande spouwmuren in de bestaande thermische schil;

    • e. vloer- dan wel bodemisolatie via:

      • 1°. het isoleren van de vloer in de bestaande thermische schil, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel e, € 11 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op minimaal 70% van de oppervlakte van de gehele vloer; en

      • 2°. het isoleren van de bodem in de bestaande thermische schil, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel e, € 6 per vierkante meter te isoleren oppervlakte, voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op minimaal 70% van de oppervlakte van de gehele vloer.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, is voor het isoleren van het dak niet vereist dat 70% van het gehele oppervlakte van het dak wordt geïsoleerd, maar volstaat het volledig isoleren van de hoofd- en nevendaken in de bestaande thermische schil van het gebouw, indien:

    • a. er sprake is van gebouwen met een oppervlakte van het gehele dak voor meer dan 30% aan dakterrassen en balkons die liggen boven woningen van leden van de vereniging; en

    • b. de verduurzaming van die dakterrassen en balkons alleen tegen disproportionele hoge kosten kan worden uitgevoerd. Disproportioneel hoge kosten zijn kosten die ten minste tweemaal hoger liggen ten opzichte van een te isoleren oppervlakte van een dak met een vergelijkbaar oppervlak dat niet uit dakterrassen en balkons bestaat.

  • 3 Wanneer er maar één energiebesparende isolatiemaatregel in totaal wordt uitgevoerd, bedraagt het subsidiebedrag ten hoogste de helft van het subsidiebedrag, genoemd in het eerste en derde lid.

  • 4 Indien een investering voor aanvullende energiebesparende maatregelen als bedoeld in artikel 8, is aangebracht bedraagt de subsidie voor:

    • a. het aanleggen van een ventilatiesysteem overeenkomstig artikel 8, onderdeel a per appartement 30% van de kosten van het ventilatiesysteem met een maximum van: € 1.200;

    • b. het dynamisch waterzijdig inregelen van een verwarmingssysteem overeenkomstig artikel 8, onderdeel b, per appartement: € 150; en

    • c. het plaatsen van een energiedisplay of een thermostaat overeenkomstig artikel 8, onderdeel c, per appartement: € 120.

  • 5 Indien het een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, betreft, wordt het bedrag dat berekend is op grond van het eerste lid vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller het percentage, bedoeld in artikel 11, derde lid, onderdeel e, is en de noemer 100.

  • 6 Indien het een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 1° of 2°, betreft, dan wordt in aanvulling op het bedrag dat resulteert uit de berekening uit het vierde lid, daarbij het bedrag opgeteld dat resulteert uit de volgende berekening: het bedrag dat berekend is op grond van het eerste lid wordt vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller het aantal huurwoningen waarvoor een verklaring als bedoeld in artikel 11, vijfde of zesde lid, is aangeleverd en die aan de voor die verklaring op grond van de de-minimisverordening of algemene groepsvrijstelling geldende voorwaarden voldoet, uitgedrukt als percentage van het totaal aantal appartementen in het gebouw, is en de noemer 100.

Artikel 17a. Biobased milieuvriendelijk isolatiemateriaal

  • 1 Indien is geïnvesteerd in biobased isolatiemateriaal wordt de op grond van artikel 17, eerste tot en met vijfde lid, berekende subsidie per vierkante meter vermeerderd met:

    • a. in geval van dakisolatie: € 5 per m2;

    • b. in geval van zolderisolatie of spouwmuurisolatie: € 1,50 per m2;

    • c. in geval van gevelisolatie: € 6 per m2;

    • d. in geval van vloerisolatie: € 2 per m2; en

    • e. in geval van een investering in bodemisolatie: € 1 per m2.

  • 2 De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden niet gehalveerd in het geval er sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 17, derde lid.

Artikel 18. Hoogte subsidie investeringen voor een centrale aansluiting op een warmtenet

De subsidie voor een investering voor een centrale aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 7, vierde lid, bedraagt bij een vermogen van:

  • 1°. ten hoogste 100 kW: € 3.375;

  • 2°. meer dan 100 kW tot en met 1.240 kW: € 32.503; of

  • 3°. meer dan 1250 kW: € 32.503.

Artikel 19. Hoogte subsidie zeer energiezuinig pakket

  • 1 Voor realisatie van een zeer energiezuinig pakket wordt de subsidie met overeenkomstige toepassing van artikel 17 berekend en vervolgens verhoogd met € 4.000 per appartement.

  • 2 De subsidie voor bouwbegeleiding bij toepassing van het zeer energiezuinig pakket, bedoeld in artikel 9, derde lid, bedraagt 50% van de totale kosten van de activiteit met een maximum van € 20.000.

Artikel 20. Maximale totale subsidie per vereniging

  • 3 Indien het een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel b, onderdeel 2° of 3°, betreft, bedraagt de totale subsidie voor een vereniging op grond van artikel 10, eerste lid, ten hoogste 30% van de voor staatssteun in aanmerking komende kosten van de te treffen energiebesparende isolatiemaatregelen, duurzame warmteopties en aanvullende energiebesparende maatregelen of het zeer energiezuinig pakket.

Artikel 20a. Maximale subsidie oplaadpuntenadvies en basislaadinfrastructuur

  • 1 De subsidie voor een vereniging voor het oplaadpuntenadvies bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel a, bedraagt ten hoogste 75 procent van de kosten voor de advisering, met een maximum van € 1.500.

Hoofdstuk VI. Wijze van subsidieverstrekking

Artikel 21

Artikel 22. Subsidieverstrekking onder opschortende voorwaarde

Voor een investering voor duurzame warmteopties of een centrale aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 7, derde lid, respectievelijk vierde lid, wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat:

  • a. een overeenkomst wordt gesloten met een bouwinstallatiebedrijf of warmteleverancier in verband met de aanschaf van de installatie of installaties dan wel de centrale aansluiting op een warmtenet; en

  • b. de installatie of installaties dan wel de centrale aansluiting op een warmtenet waarop de overeenkomst, bedoeld in onderdeel a, betrekking heeft, zijn geïnstalleerd respectievelijk aangesloten.

Hoofdstuk VII. Subsidieverplichtingen

Artikel 23. Subsidieverplichtingen

  • 1 De subsidieontvanger is verplicht, te rekenen vanaf de datum van de dagtekening van de subsidiebeschikking:

    • a. de energiebesparende isolatiemaatregelen, duurzame warmteopties en de aanvullende energiebesparende maatregelen waarvoor subsidie wordt verstrekt, te laten uitvoeren binnen een termijn van vierentwintig maanden;

    • b. het zeer energiezuinig pakket en de centrale aansluiting op een warmtenet waarvoor subsidie wordt verstrekt, te laten uitvoeren binnen een termijn van zesendertig maanden; en

    • c. het installeren van basislaadinfrastructuur, te laten uitvoeren binnen een termijn van twaalf maanden na subsidieverlening.

  • 2 Indien de uitvoering van de maatregelen binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, buiten de schuld van de subsidieontvanger niet mogelijk is, kan de Minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger eenmaal met ten hoogste twaalf maanden verlengen.

  • 3 De in het kader van de subsidieverlening gevoerde administratie te bewaren tot tien belastingjaren na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 24. Verplichtingen van de subsidieontvanger ten aanzien van duurzame warmteopties

  • 1 Een installatie, waarop de investering voor de duurzame warmteopties betrekking heeft, en waarvoor op grond van deze titel een subsidie is verleend, wordt niet binnen een jaar na de datum van de subsidievaststelling vervreemd.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de vervreemding van een installatie tezamen met het appartementencomplex of gebouw waarin respectievelijk waarop de investering voor duurzame warmteopties is geïnstalleerd.

Hoofdstuk VIII. Afwijzingsgronden

Artikel 25. Afwijzingsgronden

  • 1 De Minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie als er met de uitvoering van de verduurzamingsmaatregelen, aanvullende energiebesparende maatregelen, het zeer energiezuinig pakket en het installeren van basislaadinfrastructuur is begonnen voorafgaand aan de aanvraag.

  • 2 De Minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen indien:

    • a. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een investering ten behoeve van het realiseren van een vergroting van het woonoppervlakte of wooninhoud in ieder geval door:

      • 1°. het realiseren van een nieuwe aanbouw;

      • 2°. het realiseren van een nieuwe dakkapel;

      • 3°. het betrekken van een aan- of inpandige garage bij de woning;

      • 4°. het vergroten van het bestaande dak, gevel, vloer of glasoppervlakte; of

    • b. het een aanvraag voor subsidie betreft voor een woning of gebouw met een bouwjaar of woonfunctie na 1 januari 2013, tenzij een omgevingsvergunning voor dit gebouw overlegd kan worden die voor 1 januari 2013 is afgegeven.

  • 3 De Minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor een investering voor de duurzame warmteopties indien:

    • a. de installatie waar de investering betrekking op heeft, is of wordt geïnstalleerd om te voldoen aan de wettelijke voorschriften, bedoeld in afdeling 4.4 in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving;

    • b. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een gebruikte installatie; of

    • c. het een aanvraag voor subsidie betreft als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdelen a en b, voor een woning met een bouwjaar of woonfunctie na 1 januari 2019, tenzij een omgevingsvergunning voor dit gebouw kan worden overlegd die voor 1 juli 2018 is aangevraagd.

Hoofdstuk IX. Bekendmaking gegevens en subsidievaststelling

Artikel 26. Bekendmaking van gegevens over steunverlening

  • 1 De Minister maakt binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening overeenkomstig artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, de gegevens openbaar, als de subsidie aan een aanvrager voor het aandeel huurwoningen binnen een of meerdere verenigingen meer bedraagt dan € 100.000.

  • 2 De gegevens, bedoeld in dit artikel, blijven voor ten minste tien jaar openbaar beschikbaar.

Artikel 27. Aanvraag tot subsidievaststelling

  • 1 Een aanvraag tot subsidievaststelling bevat ten minste:

    • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de aanvrager, het post- en bezoekadres, het e-mailadres, het telefoonnummer, het rekeningnummer, gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager en voor of het nummer waaronder de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en het door de Minister verstrekte referentienummer;

    • b. de omvang van de vast te stellen subsidie; en

    • c. de kerngegevens voor de onderbouwing van de subsidievaststelling, waaronder de locatie of locaties waar het project is uitgevoerd, en voor zover de investering betrekking heeft op de duurzame warmteopties, de omschrijving van de aard van de installaties die zijn geïnstalleerd.

  • 2 Onverminderd artikel 24, eerste, tweede en derde lid, van het Kaderbesluit gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van:

    • a. een factuur of facturen en betaalbewijs of betaalbewijzen van de aanschaf en installatie van de investering voor duurzame warmteopties en aanvullende energiebesparende maatregelen als bedoeld in artikel 7, derde lid en artikel 8, waaronder begrepen de door het bouwinstallatiebedrijf getekende factuur in geval van contante betaling van deze investeringen, waarop ten minste het betaalde bedrag, de begunstigde en betaaldatum vermeld wordt;

    • b. indien het een investering voor energiebesparende isolatiemaatregelen of een zeer energiezuinig pakket betreft:

      • 1°. een factuur en betaalbewijs als bedoeld in onderdeel a, met daarin ten minste de naam en het adres van de vereniging en het bouwbedrijf dat werkzaamheden betreffende de investering of investeringen heeft uitgevoerd, een omschrijving van het soort energiebesparende isolatiemaatregel of maatregelen uit het zeer energiezuinig pakket en aanverwante werkzaamheden die door het bouwbedrijf uitgevoerd zijn, de naam, het type, het merk, de dikte en indien beschikbaar de meldcode, van het isolatiemateriaal dat gebruikt is en de plaats en bijhorende oppervlakte die in de desbetreffende koopwoning geïsoleerd is;

      • 2°. ten minste één foto per energiebesparende isolatiemaatregel of maatregel uit het zeer energiezuinig pakket, genomen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden door het bouwbedrijf, met daarop zichtbaar de naam, merk, soort, en dikte van het isolatiemateriaal;

      • 3°. indien het een investering voor glas-, kozijnpaneel- of deurisolatie als bedoeld in artikel 7 tweede lid, onderdeel c, betreft, voor zover van toepassing, een kozijnstaat met daarin merk en type van het kozijn en het daarbij behorende frame, glas en binnenwerkse maten van het glas of de kozijnpanelen per kozijn;

    • c. indien het een investering voor duurzame warmteopties betreft, een document waaruit blijkt dat een investering:

      • 1°. in gebruik is genomen;

      • 2°. voldoet aan de technische eisen;

      • 3°. is geïnstalleerd of aangebracht door een bouwinstallatiebedrijf;

    • d. indien subsidie is aangevraagd voor bouwbegeleiding in combinatie met het zeer energiezuinig pakket als bedoeld in artikel 9, derde lid, de factuur en het betalingsbewijs van de bouwbegeleiding en een korte rapportage, waarin de uitgevoerde activiteiten beschreven staan; en

    • e. indien het een investering voor de centrale aansluiting op een warmtenet als bedoeld in artikel 7, vierde lid, betreft, een overeenkomst met een warmteleverancier waaruit blijkt dat het appartementencomplex is aangesloten op een warmtenet.

Hoofdstuk X. Slotbepalingen

Artikel 28. Overgangsregeling

  • 1 De Subsidieregeling energiebesparing eigen huis wordt ingetrokken, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op de subsidies die voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling op grond van de Subsidieregeling energiebesparing eigen huis zijn verstrekt of aangevraagd.

  • 2 Het energieadvies, bedoeld in artikel 5, tweede lid, komt ook voor subsidie in aanmerking als het in de periode tot en met 1 juli 2024 is opgesteld door een persoon die voldoet aan de eisen aan de vakbekwaamheid van ‘EPA-adviseur’ conform bijlage 2 van BRL 9500, deel 2.

Artikel 29. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2023 en vervalt op 1 januari 2028, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die op grond van deze regeling vóór laatstgenoemde datum zijn verstrekt of aangevraagd.

Artikel 30. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,

H.M. de Jonge

Naar boven