Instellingsbesluit Commissie Onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie in de periode 1956–1984

[Regeling vervalt per 01-10-2024.]
Geraadpleegd op 28-05-2024.
Geldend van 01-10-2022 t/m heden

Besluit van de Minister voor Rechtsbescherming van 30 september 2022, nr. 4188692, houdende instelling van de Commissie Onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie in de periode 1956–1984 (Instellingsbesluit Commissie Onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie in de periode 1956–1984)

De Minister voor Rechtsbescherming;

Gelet op artikel 2, eerste lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepaling

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. minister: de Minister voor Rechtsbescherming;

  • b. commissie: de commissie, bedoeld in artikel 2.

Artikel 2. Instelling en taak

  • 1 Er is een Commissie Onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie in de periode 1956–1984.

  • 2 De commissie heeft tot taak onafhankelijk en volgens wetenschappelijke standaarden onderzoek te doen naar de praktijk van binnenlandse afstand en adoptie zoals bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De commissie maakt bij haar onderzoek gebruik van een multimethodische aanpak. De commissie besteedt in haar onderzoek in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten en beschrijft deze in het uiteindelijke onderzoeksrapport:

    • a. de praktijk van binnenlandse afstand en adoptie;

    • b. de rol van de verschillende betrokkenen;

    • c. de sociale, culturele en maatschappelijk context.

  • 4 De commissie kan gedurende het onderzoek aanvullende vragen formuleren, deze onderzoeken en beantwoorden als dit gedienstig is aan haar opdracht.

  • 5 De commissie kan naar aanleiding van haar bevindingen en conclusies aanbevelingen doen.

Artikel 3. Samenstelling, benoeming en ontslag

  • 1 De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier andere leden.

  • 2 De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.

  • 3 De voorzitter wordt door de minister benoemd, de andere leden worden op voordracht van de voorzitter door de minister benoemd. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie.

  • 4 De voorzitter en overige leden kunnen op eigen verzoek, dan wel op verzoek van de commissie wegens zwaarwegende gronden door de minister worden geschorst en ontslagen.

Artikel 4. Leden

Voor de duur van de commissie worden tot lid van de commissie benoemd:

  • a. prof. dr. M. (Micha) de Winter, tevens voorzitter, emeritus hoogleraar maatschappelijke opvoedingsvraagstukken, Universiteit Utrecht;

  • b. prof. mr. drs. M. (Mariëlle) Bruning, hoogleraar Jeugdrecht, Universiteit Leiden;

  • c. prof. dr. T. (Trudy) Dehue, emeritus hoogleraar Theorie en Geschiedenis, Rijksuniversiteit Groningen;

  • d. prof. dr. T. (Trudy) Mooren, bijzonder hoogleraar ‘Family Functioning Following Psychotrauma’, Universiteit Utrecht;

  • e. prof. dr. C. (Carol) van Nijnatten, emeritus hoogleraar Sociale studies van de jeugdzorg, Universiteit Utrecht.

Artikel 5. Instellingsduur

De commissie wordt ingesteld met ingang van 1 oktober 2022 en wordt opgeheven per 1 oktober 2024.

Artikel 6. Secretariaat

  • 1 Voor de duur van de commissie wordt op voordracht van de voorzitter tot secretaris van de commissie benoemd: mevrouw dr. J.M. (Janneke) Wubs. Zij staat aan het hoofd van een ondersteunend secretariaat.

  • 2 Aan het secretariaat kunnen medewerkers worden toegevoegd.

  • 3 De secretaris en de overige medewerkers van het secretariaat zijn voor de uitvoering van hun taken uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie.

  • 4 De secretaris en de medewerkers van het secretariaat zijn geen lid van de commissie.

  • 5 De secretaris wordt geschorst, dan wel ontslagen op verzoek van de voorzitter of op eigen verzoek.

Artikel 7. Werkwijze

  • 1 De commissie stelt een protocol vast over de wijze waarop zij het onderzoek uitvoert, waaronder in ieder geval over de wijze waarop personen door de commissie of door – in opdracht van de commissie werkzame – onderzoekers worden gehoord, daarvan verslag wordt gedaan en op welke wijze de vertrouwelijkheid van informatie wordt geborgd.

  • 2 De commissie bepaalt in het protocol hoe zij, in het kader van hoor en wederhoor, bevindingen voorlegt aan personen of instanties die door deze bevindingen worden geraakt of die daartegen bedenkingen zouden kunnen hebben.

  • 3 De commissie verantwoordt haar werkwijze in het eindrapport.

  • 4 De commissie kan zich door andere personen doen bijstaan voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is.

Artikel 8. Inwinnen van inlichtingen

  • 1 De commissie is bevoegd zich voor het inwinnen van inlichtingen rechtstreeks te wenden tot personen en instellingen en hen te verzoeken die medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onderzoek.

  • 2 Het Ministerie van Justitie en Veiligheid verleent de commissie en andere personen die de commissie bijstaan de verlangde medewerking en toegang tot alle informatie die zij nodig hebben met inachtneming van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en het in artikel 7 bedoelde protocol.

  • 3 De commissie zal zich over de aan haar geboden medewerking verantwoorden in haar eindrapport.

  • 4 De commissie en personen die de commissie bijstaan zijn gerechtigd in het kader van het onderzoek kennis te nemen van gegevens die berusten bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid, ongeacht de merking of rubricering.

  • 5 Op de leden van de commissie, de secretaris en andere personen die de commissie bijstaan, rust een geheimhoudingsplicht. Deze geheimhoudingsplicht geldt in ieder geval voor gemerkte en gerubriceerde gegevens als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 9. Vergoeding

  • 1 Aan de voorzitter van de commissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de toepasselijke salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18, trede 10, van de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. De toepasselijke arbeidsduurfactor wordt vastgesteld op 16/36.

  • 2 Aan de overige leden van de commissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de toepasselijke salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 17, trede 10, van de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. De toepasselijke arbeidsduurfactor wordt vastgesteld op 6/36.

  • 3 Aan de secretaris van de commissie wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de toepasselijke salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 15, trede 5, van de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn. De toepasselijke arbeidsduurfactor wordt voor de duur van 1 oktober 2022 tot 1 januari 2023 vastgesteld op 8/36 en wordt voor de duur van 1 januari 2023 tot 1 oktober 2024 vastgesteld op 16/36.

Artikel 10. Kosten

  • 1 De kosten van de commissie komen, voor zover op basis van een goedgekeurde raming, voor rekening van de minister. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:

    • a. de kosten voor de faciliteiten van vergaderingen en voor secretariële ondersteuning;

    • b. de kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid en het laten verrichten van onderzoek;

    • c. de kosten voor oplevering van het rapport;

    • d. de kosten voor huisvesting en de bedrijfsvoering ten behoeve van de commissie.

  • 2 De commissie biedt zo spoedig mogelijk na haar instelling een raming aan de minister aan ter goedkeuring. Deze raming heeft in ieder geval betrekking op kosten als bedoeld in het eerste lid en is voorzien van een nadere onderbouwing waaruit blijkt dat deze kosten redelijkerwijs passen binnen haar taakstelling en de vooraf door de minister aangegeven budgettaire kaders.

  • 3 Bij de beëindiging van haar werkzaamheden legt de commissie financiële verantwoording af.

Artikel 11. Huisvesting en bedrijfsvoering

  • 1 De commissie verricht haar werkzaamheden op een locatie buiten het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

  • 2 De bedrijfsvoering van de commissie wordt bij een partij buiten het ministerie ondergebracht.

Artikel 12. Eindrapport

  • 1 De commissie rapporteert over haar bevindingen, conclusies en eventuele aanbevelingen in een eindrapport en brengt dit uit aan de minister.

  • 2 Indien onvoorziene omstandigheden naar het oordeel van de commissie in de weg staan aan het tijdig uitbrengen van het eindrapport, dan stelt zij de minister daarvan onverwijld op de hoogte

Artikel 13. Archiefbescheiden

  • 1 Het archief van de commissie wordt uiterlijk een maand na afloop van de

    werkzaamhedenvan de commissie of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van het bestuursdepartement van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

  • 2 Het beheer vindt plaats met inachtneming van de vigerende Archiefwet en -regelgeving.

  • 3 In een protocol worden nadere afspraken en verplichtingen vastgelegd inzake raadpleging, vertrouwelijkheid, openbaarheid, opslag, verwerking, vernietiging, overbrenging ingevolge de Archiefwet naar het Nationaal Archief tussen de onderzoekscommissie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

  • 4 De voorzitter van de commissie ondertekent het protocol namens de commissie.

  • 5 De minister ondertekent het protocol namens het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

Artikel 14. Inwerkingtreding

  • 1 Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2022.

  • 2 Dit besluit vervalt met ingang van 1 oktober 2024.

Artikel 15. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie Onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie in de periode 1956–1984.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift worden gezonden aan betrokkenen dan wel op andere wijze aan hen bekend worden gemaakt.

De Minister voor Rechtsbescherming,

F.M. Weerwind

Naar boven