Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed

[Regeling vervalt per 31-12-2024.]
Geraadpleegd op 18-06-2024.
Geldend van 08-11-2022 t/m 17-09-2023

Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 30 juni 2022, nr. 2022-0000176983, houdende regels met betrekking tot de stimulering van verduurzaming van maatschappelijk vastgoed (Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed)

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • adres: adres als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen;

  • advieskosten: kosten die gemaakt worden voor het laten opstellen van een energieadvies of een advies als bedoeld in bijlage 3 onderdelen A.1, A.2, A.3, K.1 of L.1;

  • algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);

  • eigenaar: eigenaar, erfpachter of opstalhouder van een gebouwde onroerende zaak;

  • energieadvies: advies als bedoeld in bijlage 1;

  • energieadviseur: onderneming die bedrijfsmatig onderzoek doet naar en adviseert over mogelijke te nemen verduurzamingsmaatregelen en die niet werkzaam is bij de eigenaar van het maatschappelijk vastgoed;

  • energielabel: energielabel als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Besluit energieprestatie gebouwen;

  • energieprestatie: berekende of gemeten hoeveelheid energie die nodig is om aan de vraag naar energie te voldoen die verband houdt met een normaal gebruik van een gebouw, waaronder energie die wordt gebruikt voor verwarming, koeling, ventilatie, warmwatervoorziening en verlichting;

  • gebouwde onroerende zaak: gebouwde onroerende zaak of gebouwde onroerende zaken of gedeelten daarvan die staan ingeschreven in de basisregistratie kadaster op één adres of één gebouwde onroerende zaak die staat ingeschreven in de basisregistratie kadaster op meerdere adressen, met uitzondering van gebouwde onroerende zaken of gedeelten daarvan met een woonfunctie als bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012;

  • integraal verduurzamingsproject: project met een hoge duurzaamheidsambitie op basis van een maatregelenpakket dat voortkomt uit een advies, als bedoeld in bijlage 3, onderdelen A.1, A.2, A.3, of L.1;

  • gebruiksoppervlakte: gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;

  • Kaderbesluit: Kaderbesluit BZK-subsidies;

  • maatschappelijk vastgoed:

    • a. gebouwde onroerende zaak in eigendom van een provincie, een gemeente of een waterschap;

    • b. uit ’s Rijks kas bekostigd schoolgebouw of nevenvestiging als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

    • c. gebouwde onroerende zaak in eigendom van een uit ’s Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld in hoofdstuk 1, titel 3, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of hoofdstuk 1, titel 2, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

    • d. gebouwde onroerende zaak in eigendom van een zorgaanbieder met een in bijlage 2, onderdeel A, opgenomen SBI-code;

    • e. gebouwde onroerende zaak in eigendom van een culturele instelling met een door de Belastingdienst aangewezen status als culturele algemeen nut beogende instelling of in eigendom van een culturele instelling gelieerd aan een instelling met een door de Belastingdienst aangewezen status als culturele algemeen nut beogende instelling;

    • f. rijksmonument: monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister, met uitzondering van gebouwen of gedeelten daarvan met een woonfunctie als bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012; of

    • g. gebouwde onroerende zaak met een publieksfunctie in eigendom van kerkgenootschappen, stichtingen, verenigingen of coöperaties met een in bijlage 2, onderdeel B, opgenomen SBI-code, waaronder in elk geval behoort een buurthuis, dorpshuis, wijkcentrum, gebedshuis of gemeenschapscentrum;

  • minister: Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening;

  • portefeuilleroutekaart: een handelingsplan van eigenaren van maatschappelijk vastgoed voor te nemen maatregelen om de CO2-reductie te verminderen;

  • projectkosten: kosten van ontwerp, bouwmateriaal, bouwmaterieel, gebouwgebonden installaties, projectmanagement en arbeid, inclusief kosten voor indexering, sloop en lood- en asbestverwijdering;

  • publieksfunctie: een gebouwde onroerende zaak dat openbaar toegankelijk is voor het publiek of bedoeld is voor gemeenschappelijk gebruik;

  • rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister;

  • rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet;

  • SBI-code: code van de Standaard Bedrijfsindeling zoals gehanteerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek waarmee de economische hoofd- of nevenactiviteit van een bedrijf wordt weergegeven in het handelsregister;

  • verduurzamingsmaatregel: maatregel die aantoonbaar direct leidt tot energiebesparing of reductie van koolstofdioxide-emissies, niet zijnde een gedragsmaatregel.

Artikel 2. Doel van de regeling

Deze regeling heeft tot doel eigenaren van bestaand maatschappelijk vastgoed te stimuleren om te investeren ineen combinatie van verduurzamingsmaatregelen of een integraal verduurzamingsproject ten behoeve van het verbeteren van de energieprestatie van maatschappelijk vastgoed.

Artikel 3. Activiteiten waarvoor een subsidie kan worden verstrekt

  • 1 De minister kan aan een eigenaar van bestaand maatschappelijk vastgoed op aanvraag subsidie verstrekken voor een investering in maatregelen die zijn opgenomen in bijlage 3 en die bestaan uit:

    • a. ten hoogste drie verduurzamingsmaatregelen; of

    • b. een integraal verduurzamingsproject.

  • 2 Op grond van deze regeling wordt slechts subsidie verstrekt voor verduurzamingsmaatregelen of integrale verduurzamingsprojecten die aanvangen vanaf 3 oktober 2022 met uitzondering van de subsidie voor advies als bedoeld in artikel 8, onderdeel b, en artikel 15, onderdeel b, van deze regeling.

Artikel 4. Aanvraagperiode en wijze van indienen

  • 1 Een aanvraag voor een subsidie kan worden ingediend van 3 oktober 2022 tot en met de dag van inwerkingtreding van de Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 1 november 2022, nr. 2022-0000594303, tot wijziging van de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed ter sluiting van het aanvraagloket voor aanvragers in verband met de grote hoeveelheid ingediende aanvragen [Red: 08-11-2022] .

  • 2 Een aanvraag voor een subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat door de minister ter beschikking is gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 5. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1 Het subsidieplafond bedraagt € 150.000.000 tot de dag van inwerkingtreding van de Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 1 november 2022, nr. 2022-0000594303, tot wijziging van de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed ter sluiting van het aanvraagloket voor aanvragers in verband met de grote hoeveelheid ingediende aanvragen [Red: 08-11-2022] .

  • 2 De minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 6. Staatssteun

Artikel 7. Openbaarmaking van gegevens over steunverlening

  • 1 De minister publiceert binnen zes maanden nadat de subsidie is verleend de gegevens, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, als de subsidie aan een project meer bedraagt dan € 500.000.

  • 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, blijven voor ten minste tien jaar openbaar beschikbaar.

Hoofdstuk 2. Subsidie voor (combinaties van) verduurzamingsmaatregelen

Artikel 8. Subsidiabele kosten

  • 1 Een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, kan worden verleend voor:

    • a. de projectkosten van een verduurzamingsmaatregel of een combinatie van maximaal drie verduurzamingsmaatregelen als bedoeld in bijlage 3 voor investeringen in bestaand maatschappelijk vastgoed;

    • b. de advieskosten voor een energieadvies of een advies als bedoeld in bijlage 3 onderdeel L.1; of

    • c. de advieskosten voor een energielabel als bedoeld in bijlage 3, onderdeel K.1.

  • 2 De advieskosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, komen alleen voor subsidie in aanmerking, als een aanvraag voor verstrekking van subsidie voor verduurzamingsmaatregelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is ingediend.

  • 3 Subsidie op grond van het eerste lid wordt slechts eenmaal per gebouwde onroerende zaak verstrekt.

Artikel 9. Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedraagt 30% van de projectkosten van de subsidiabele activiteiten met een minimum bedrag van € 5.000 per aanvraag en een maximum bedrag van € 2.500.000 per gebouwde onroerende zaak.

  • 2 In aanvulling op het eerste lid bedraagt de subsidie voor een energieadvies of een advies als bedoeld bijlage 3, onderdeel L.1, 50% van de advieskosten en voor het laten opstellen van een energielabel als bedoeld bijlage 3, onderdeel K.1, 50% van de certificeringskosten.’

  • 3 Indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op verduurzamingsmaatregelen waar een bestuursorgaan of de Europese Commissie reeds een subsidie voor heeft verstrekt, kan slechts een bedrag aan subsidie worden verstrekt waarmee het maximale subsidiebedrag van die regeling niet wordt overschreden.

Artikel 10. Aanvraagvereisten

In aanvulling op artikel 11, derde lid, van het Kaderbesluit, bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, ten minste:

  • a. het adres of de kadastrale aanduiding van het maatschappelijk vastgoed waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • b. een verklaring dat de aanvraag betrekking heeft op investeringen in verduurzamingsmaatregelen in maatschappelijk vastgoed; en

  • c. een energieadvies dat niet ouder is dan 36 maanden op het moment van de aanvraag; of

  • d. een portefeuilleroutekaart die niet ouder is dan 36 maanden op het moment van de aanvraag en die ingaat op de onderdelen van de rapportage van het energieadvies.

Artikel 11. Afwijzingsgronden

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 12 en 13 van het Kaderbesluit, wijst de minister een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, af voor zover:

  • a. de activiteiten zullen worden verricht in maatschappelijk vastgoed dat niet is gelegen in Nederland;

  • b. er sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening die de aanvraag indient of een onderneming die de aanvraag indient ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • c. er sprake is van een onderneming die inkomsten- of vennootschapsbelasting in Nederland betaalt en zodoende in aanmerking komt voor aftrekposten en fiscale regelingen;

  • d. de subsidie wordt aangevraagd voor maatregelen die zijn uitgevoerd voorafgaand aan de aanvangsdatum als bedoeld in artikel 3, tweede lid;

  • e. de subsidie wordt aangevraagd voor investeringen die worden gedaan om ervoor te zorgen dat voldaan wordt aan reeds vastgestelde Europese regelgeving;

  • f. de subsidie wordt aangevraagd voor erkende maatregelen of het installeren van een energiebeheerssysteem voor maatschappelijk vastgoed ter voldoening aan de energiebesparingsplicht;

  • g. de subsidie wordt aangevraagd voor gebouwde onroerende zaken of gedeelten daarvan met een woonfunctie als bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012;

  • h. de subsidie wordt aangevraagd voor een gebouwde onroerende zaak dat in gebruik is bij een overheidsinstelling met een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m² die niet beschikt over een geldig energielabel; of

  • i. de subsidie wordt aangevraagd voor een kantoorgebouw waarbij de gebruiksoppervlakte van kantoorfuncties 50% of meer beslaat van de totale oppervlakte en de oppervlakte aan kantoorfuncties en nevenfuncties groter is dan 100 m² en dat niet beschikt over ten minste energielabel C, met uitzondering van rijksmonumenten.

Artikel 12. Subsidieverplichtingen

  • 1 Onverminderd artikel 21 van het Kaderbesluit, is de subsidieontvanger verplicht:

    • a. de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt binnen 24 maanden na de subsidieverlening te realiseren; en

    • b. voor subsidies van meer dan € 25.000: de minister te informeren wanneer de activiteiten zijn verricht waarvoor de subsidie is verstrekt, op de in de verleningsbeschikking aangegeven wijze.

  • 2 Indien de uitvoering van de activiteiten binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, buiten de schuld van de subsidieontvanger niet mogelijk is, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger een maal met ten hoogste twaalf maanden verlengen.

  • 3 Indien de aanvraag betrekking heeft op maatschappelijk vastgoed dat vanaf 2012 is opgeleverd dienen de activiteiten ten minste te leiden tot het verduurzamen van de warmtevoorziening ter vervanging van de aansluiting op gas.

Artikel 13. Bevoorschotting en betaling

  • 1 De minister keert bij subsidiebedragen vanaf € 25.000 een voorschot uit van 70% van het verleende bedrag.

  • 2 Het voorschot wordt in een keer betaald.

Artikel 14. Vaststelling

  • 2 De minister stelt een subsidie vanaf € 25.000 als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, vast nadat de aanvrager een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten aan de minister heeft verstrekt.

  • 3 Uit de verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten, bedoeld in het tweede lid, blijkt:

    • a. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;

    • b. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is;

    • c. wat het totale bedrag is van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden;

    • d. dat een energielabel is afgegeven na het uitvoeren van de maatregelen indien dat een onderdeel is van de gesubsidieerde activiteiten is; en

    • e. indien het betreft een subsidie als bedoeld in artikel 12, derde lid: een verklaring dat de aansluiting op gas binnen de gestelde termijn is vervangen.

  • 4 Een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft niet vergezeld te gaan van een controleverklaring.

Hoofdstuk 3. Subsidie voor integrale verduurzamingsprojecten

Artikel 15. Subsidiabele kosten

  • 1 Een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, kan worden verleend voor:

    • a. de projectkosten die betrekking hebben op het pakket aan verduurzamingsmaatregelen welke voortkomen uit een advies als bedoeld in onderdeel b, die leiden tot het verbeteren van de energieprestatie van bestaand maatschappelijk vastgoed;

    • b. de advieskosten, bedoeld in bijlage 3, onderdelen A.1, A.2, A.3, of L.1; of

    • c. de kosten voor een energielabel als bedoeld in bijlage 3, onderdeel K.1.

  • 2 De advieskosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, komen alleen voor subsidie in aanmerking als een aanvraag voor verlening van subsidie voor projectkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is ingediend.

  • 3 Subsidie op grond van het eerste lid wordt slechts eenmaal per gebouwde onroerende zaak verstrekt.

Artikel 16. Hoogte van de subsidie

  • 1 De subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, bedraagt 30% van de projectkosten van de subsidiabele activiteiten met een minimum bedrag van € 25.000 per aanvraag en een maximum bedrag van € 2.500.000 per gebouwde onroerende zaak.

  • 2 In aanvulling op het eerste lid bedraagt de subsidie voor een advies als bedoeld in bijlage 3, onderdelen A1, A2, A3, K.1, of L.1, 50% van de advieskosten.

  • 3 Indien de subsidieaanvraag betrekking heeft op verduurzamingsmaatregelen waar een bestuursorgaan of de Europese Commissie reeds een subsidie voor heeft verstrekt, kan slechts een bedrag aan subsidie worden verstrekt waarmee het maximale subsidiebedrag van die regeling niet wordt overschreden.

Artikel 17. Aanvraagvereisten

In aanvulling op de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 11, derde lid, van het Kaderbesluit, bevat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, ten minste:

  • a. het adres of de kadastrale aanduiding van het maatschappelijk vastgoed waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • b. een verklaring dat de aanvraag betrekking heeft op investeringen in maatschappelijk vastgoed;

  • c. een advies of een rapport als bedoeld in bijlage 3, onderdelen A.1, A.2, A.3 of L.1 dat niet ouder is dan 36 maanden op het moment van de aanvraag; en

  • d. een beschrijving van het maatregelenpakket waar de aanvraag betrekking op heeft met een onderbouwing van de potentiële energiebesparing of potentiële reductie van koolstofdioxide-uitstoot.

Artikel 18. Afwijzingsgronden

  • 1 Onverminderd het bepaalde in de artikelen 12 en 13 van het Kaderbesluit, wijst de minister een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, af voor zover:

    • a. de activiteiten zullen worden verricht in maatschappelijk vastgoed dat niet is gelegen in Nederland;

    • b. er sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening die de aanvraagt indient of een onderneming die de aanvraag indient ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • c. er sprake is van een onderneming die inkomsten- of vennootschapsbelasting in Nederland betaalt en zodoende in aanmerking komt voor aftrekposten en fiscale regelingen;

    • d. de subsidie wordt aangevraagd voor integrale verduurzamingsprojecten die zijn uitgevoerd voorafgaand aan de aanvangsdatum als bedoeld in artikel 3, tweede lid;

    • e. de subsidie wordt aangevraagd voor investeringen die worden gedaan om ervoor te zorgen dat voldaan wordt aan reeds vastgestelde Europese regelgeving;

    • f. de subsidie wordt aangevraagd voor erkende maatregelen of het installeren van een energiebeheerssysteem voor maatschappelijk vastgoed ter voldoening aan de energiebesparingsplicht;

    • g. de subsidie wordt aangevraagd voor gebouwde onroerende zaken of gedeelten daarvan met een woonfunctie als bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012;

    • h. de subsidie wordt aangevraagd voor een gebouw dat in gebruik is bij een overheidsinstelling met een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m² dat niet beschikt over een geldig energielabel; of

    • i. de subsidie wordt aangevraagd voor een kantoorgebouw waarbij de gebruiksoppervlakte van kantoorfuncties 50% of meer beslaat van de totale oppervlakte en de oppervlakte aan kantoorfuncties en nevenfuncties groter is dan 100 m² en dat niet beschikt over ten minste energielabel C, met uitzondering van rijksmonumenten.

Artikel 19. Subsidieverplichtingen

  • 1 Onverminderd artikel 21 van het Kaderbesluit, is de subsidieontvanger verplicht:

    • a. de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt uit te voeren binnen 36 maanden na de subsidieverlening; en

    • b. de minister te informeren wanneer de activiteiten zijn verricht waarvoor de subsidie is verstrekt, op de in de verleningsbeschikking aangegeven wijze.

  • 2 Indien de uitvoering van de activiteiten binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, onder a, buiten de schuld van de subsidieontvanger niet mogelijk is, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger een maal met ten hoogste twaalf maanden verlengen.

  • 3 Indien de aanvraag betrekking heeft op maatschappelijk vastgoed dat vanaf 2012 is opgeleverd dienen de activiteiten ten minste te leiden tot het verduurzamen van de warmtevoorziening ter vervanging van de aansluiting op gas.

Artikel 20. Bevoorschotting en betaling

  • 1 De minister keert een voorschot uit van 70% van het verleende bedrag.

  • 2 Het voorschot wordt in een keer betaald.

Artikel 21. Vaststelling

  • 1 De minister stelt een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, vast nadat de aanvrager een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten aan de minister heeft verstrekt.

  • 2 De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op een bedrag tot ten hoogste het in de verleningsbeschikking genoemde bedrag.

  • 3 Uit de verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten, bedoeld in het tweede lid, blijkt:

    • a. dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;

    • b. wat het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten is;

    • c. wat het totale bedrag is van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden; en

    • d. dat een energielabel is afgegeven na het uitvoeren van de maatregelen indien dat een onderdeel is van de gesubsidieerde activiteiten; en

    • e. indien het betreft een subsidie als bedoeld in artikel 19, derde lid: een verklaring dat de aansluiting op gas binnen de gestelde termijn is vervangen.

  • 4 Een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft niet vergezeld te gaan van een controleverklaring.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 22. Inwerkingtreding en vervaldatum

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2022 en vervalt met ingang van 1 januari 2024, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die op grond van deze regeling vóór laatstgenoemde datum zijn aangevraagd of verstrekt.

Artikel 23. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,

H.M. de Jonge

Bijlage 1. behorende bij artikel 1, van de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed

Energieadvies

Een energieadvies ter verbetering van de energieprestatie van maatschappelijk vastgoed door middel van een verkenning van de mogelijkheden om maatregelen te treffen en bestaande uit een rapportage waarin de mogelijkheden om maatregelen te treffen ter verbetering van de energieprestatie zijn vastgelegd.

Deze rapportage bevat in ieder geval:

  • 1. een technische en functionele beschrijving van het maatschappelijk vastgoed;

  • 2. een overzicht van de energiehuishouding van het maatschappelijk vastgoed van de afgelopen drie jaren voorafgaand aan de subsidieaanvraag;

  • 3. een overzicht van mogelijke energiebesparings- en verduurzamingsmaatregelen en een kwantificering van de beoogde energiebesparing of koolstofdioxide-emissiereductie;

  • 4. een inschatting van de te verwachten investeringskosten en de te verwachten baten (energielastenverlichting);

  • 5. voor afnemers met een energiegebruik van meer dan 25.000 m3 aardgas (of aardgasequivalent) of 50.000 kWh elektriciteit per jaar gelden de volgende aanvullende eisen:

    • i. inzicht in alle maatregelen met een terugverdientijd tot en met vijf jaar;

    • ii. van de energiebalans dient 90% van het totale energiegebruik te worden gespecificeerd, tenzij daar gemotiveerd van afgeweken kan worden; en

    • iii. een helder en eenvoudig plan voor het uitvoeren van de energiebesparende maatregelen.

Bijlage 2. bij artikel 1 van de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed

A. In aanmerking komende SBI-codes van zorgaanbieders

86.10

Ziekenhuizen en geestelijke gezondheids- en verslavingszorg met overnachting

86.10.1

Universitair medische centra

86.10.2

Algemene ziekenhuizen

86.10.3

Categorale ziekenhuizen

86.10.4

Geestelijke gezondheids- en verslavingszorg met overnachting

86.21

Praktijken van huisartsen

86.22

Praktijken van medisch specialisten en medische dagbehandelcentra (geen tandheelkunde)

86.22.1

Praktijken van medisch specialisten en medische dagbehandelcentra (geen tandheelkunde of psychiatrie)

86.22.2

Praktijken van psychiaters en dagbehandelcentra voor geestelijke gezondheids- en verslavingszorg

86.23

Tandartspraktijken

86.23.1

Praktijken van tandartsen

86.23.2

Praktijken van tandheelkundig specialisten

86.9

Paramedische praktijken en overige gezondheidszorg zonder overnachting

86.91

Praktijken van verloskundigen en paramedici

86.91.1

Praktijken van verloskundigen

86.91.2

Praktijken van fysiotherapeuten

86.91.3

Praktijken van psychotherapeuten, psychologen en pedagogen

86.91.9

Overige paramedische praktijken (geen fysiotherapie en psychologie) en alternatieve genezers

86.92.1

Gezondheidscentra

86.92.2

Arbobegeleiding en re-integratie

86.92.3

Preventieve gezondheidszorg (geen arbobegeleiding)

86.92.4

Medische laboratoria, trombosediensten en overig behandelingsondersteunend onderzoek

86.92.5

Ambulancediensten en centrale posten

86.92.9

Samenwerkingsorganen op het gebied van gezondheidszorg en overige gezondheidszorgondersteunende diensten

87.10

Verpleeghuizen

87.20

Huizen en dagverblijven voor verstandelijk gehandicapten

87.30

Huizen en dagverblijven voor niet-verstandelijk gehandicapten en verzorgingshuizen

87.30.1

Huizen en dagverblijven voor niet-verstandelijk gehandicapten

87.30.2

Verzorgingshuizen

87.90

Jeugdzorg en maatschappelijke opvang met overnachting

87.90.1

Jeugdzorg met overnachting en dagverblijven voor jeugdzorg

87.90.2

Maatschappelijk opvang met overnachting

88.10

Maatschappelijke dienstverlening zonder overnachting gericht op ouderen en gehandicapten

88.10.1

Thuiszorg

88.10.2

Welzijnswerk voor ouderen

88.10.3

Ondersteuning en begeleiding van gehandicapten

88.99

Ambulante jeugdzorg, maatschappelijk werk en advies en lokaal welzijnswerk

88.99.1

Ambulante jeugdzorg

88.99.2

Maatschappelijk werk

88.99.3

Lokaal welzijnswerk

88.99.9

Overig maatschappelijk advies, gemeenschapshuizen en samenwerkingsorganen op het gebied van welzijn

47.73

Apotheken

B. In aanmerking komende SBI-codes

88.91

Kinderopvang en peuterspeelzaalwerk

90.04.1

Theaters en schouwburgen

91.01

Culturele uitleencentra en openbare archieven

91.01.1

Openbare bibliotheken

91.01.2

Kunstuitleencentra

91.01.9

Overige culturele uitleencentra en openbare archieven

91.02.1

Musea

91.03

Monumentenzorg

91.04

Dieren- en plantentuinen; natuurbehoud

91.04.1

Dieren- en plantentuinen, kinderboerderijen

94.91.1

Religieuze organisaties

94.91.9

Overige levensbeschouwelijke organisaties

94.92

Politieke organisaties

Bijlage 3. behorende bij artikel 3, eerste lid, van de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed

A. Integraal Gebouw

A.1

Integraal met Maatwerkadvies

Bestemd voor: energieprestatie verbetering van bestaande gebouwen

en bestaande uit: een pakket met maatregelen dat leidt tot een verbetering van ten minste drie labels en minimaal tot label B,

waarbij het energielabel is vastgesteld volgens de bepalingsmethodiek van NTA 8800 opgesteld na 1 januari 2021.

Toelichting: Voor aanvang van de werkzaamheden wordt het referentie label bepaald, na afloop van de werkzaamheden wordt het definitieve label bepaald.

De kosten van beide labelbepalingen komen in aanmerking voor deze regeling.

In plaats van een maatwerkadvies mag ook een gedegen portefeuilleroutekaart worden aangeleverd. Wel moet er een energielabel aangetoond worden die opgesteld is na uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten.

A.2

Integraal Breeam-NL

Bestemd voor: een duurzaam gerenoveerd gebouw (deel) waarvoor een minimale score van 55% op het aspect ‘Asset’ van het keurmerk voor duurzame vastgoedobjecten (BREEAM-NL-In-Use, versie 6) van de Dutch Green Building Council wordt behaald, waarbij voor de volgende categorieën ten minste de genoemde scores worden behaald: 60% op ‘Energie’, 45% op ‘Landgebruik en Ecologie’ en 45% op ‘Materiaalstromen’, wat blijkt uit een vooraf vastgesteld (self assessment) en bij vaststelling een oplever assessment, afgegeven volgens BREEAM-NL-In-Use, versie 6 en goedgekeurd door een erkend en onafhankelijke assessor,

en bestaande uit: de voor renovatie technisch noodzakelijke apparatuur, bouwkundige werken en gebouwgebonden installaties om te voldoen aan bovengenoemde eisen.

A.3

Integraal GPR Gebouw

Bestemd voor: een duurzaam gerenoveerd gebouw(deel) dat voldoet aan de eisen van de maatlat van GPR Gebouw4.3 Bestaande Bouw of GPR Gebouw

4.4 Bestaande Bouw met een score van ten minste 7,0 voor de thema’s Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde, wat blijkt uit een GPR Gebouw ontwerpberekening behorende bij de bouwvergunningaanvraag en de GPR Gebouw opleverberekening bij vaststelling, welke zijn opgesteld door een erkend expert en goedgekeurd door een erkend en onafhankelijke assessor,

en bestaande uit: de voor renovatie technisch noodzakelijke apparatuur, bouwkundige werken en gebouwgebonden installaties om te voldoen aan bovengenoemde eisen.

B. Leefomgeving verkoeling

B.1

Groendak

Bestemd voor: het van beplanting voorzien van het dak van een gebouw(deel),

en bestaande uit: een vegetatielaag, substraatlaag, drainagelaag en al dan niet de volgende onderdelen: een kunstmatige bevloeiing en verankering, constructieve aanpassingen bij bestaande daken en nestelvoorzieningen.

B.2

Groene gevel of muur

Bestemd voor: het van beplanting voorzien van de gevel(s) van een gebouw of beide zijden van een muurconstructie,

en bestaande uit: een van beplanting en substraat of potgrond voorzien frame of bouwblokken, en al dan niet de volgende onderdelen: een gevel beschermende laag, constructieve aanpassingen bij bestaande muren, irrigatieleidingwerk.

C. Bouwkundig aanpassingen in de bestaande thermische schil

C.1

HR-glas

Bestemd voor: beglazing in de bestaande thermische schil

en bestaande uit: meervoudig glas met een vacuüm of gasgevulde spouw of panelen in kozijn met een warmte-doorlatingscoëfficiënt met een maximale U-waarde (W/m2K) van 1,2 of isolerende deur die zijn opgenomen in de ISDE Maatregelenlijst Hoog-rendementsglas, (eventueel) kozijn.

Toelichting: De maatregelenlijst Hoog rendementsglas van de ISDE kunt u hier vinden www.rvo.nl/isde . Het indicatieve subsidiebedrag op de maatregelenlijst heeft betrekking op de ISDE, niet op de Regeling Duurzaam Maatschappelijk vastgoed.

C.2

Isolatie voor dak, gevel, spouw en vloer, van bestaande constructies

Bestemd voor: de verbetering van de isolatie van bestaande thermische schil.

en bestaande uit: toevoegen van

a. isolatiematerialen waarbij de warmteweerstand van de toegevoegde isolatiematerialen Riso,tot = Σ(R1+R2+. +Rn) = Σ((d/λ)1+ (d/λ)2 +.+(d/λ)n) ten minste 3,5 m2.K/W toeneemt; of

b. spouwmuurisolatie, isolatiemateriaal waarbij de warmteweerstand R met ten minste 1,1 m2.K/W toeneemt.

Alleen isolatiematerialen die op de ISDE Maatregelenlijst isolatie staan mogen worden toegepast.

Kiest u bij het type isolatiemaatregel vloerisolatie, spouwmuurisolatie of dakisolatie, voor lokaal gespoten PIR of PUR? Dan moet dit zijn aangebracht met een HFK-vrij blaasmiddel.

Het indicatieve subsidiebedrag op de maatregelenlijst heeft betrekking op de ISDE, niet op de subsidieregeling Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed.

D. Verwarmen, koelen, ventileren

D.1

Warmtepomp(boiler) <70kW

Bestemd voor: het verwarmen en koelen van gebouwen of het nuttig aanwenden van warmte voor de verwarming van tapwater

en bestaande uit: een elektrisch gedreven warmtepomp, met een maximaal thermische vermogen van 70kW, die opgenomen is op de ISDE Apparatenlijst warmtepompen, (eventueel) bronsysteem, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) restwarmte opslagvat, (eventueel) geïntegreerd opslagvat, (eventueel) afgiftenet.

Toelichting:

– De warmtepomp-apparatenlijst van de ISDE is beschikbaar op www.rvo.nl/isde . Het indicatieve subsidiebedrag op de apparatenlijst heeft betrekking op de ISDE, niet op de Regeling Duurzaam Maatschappelijk vastgoed.

– (Thermisch) Vermogen in kW: De hoeveelheid afgegeven warmte van het apparaat ten behoeve van ruimteverwarming, uitgedrukt in kiloWatt, conform EU811/2013

D.2

Warmtepomp > 70kW

Bestemd voor: het verwarmen en koelen van gebouwen

en bestaande uit: elektrisch gedreven warmtepomp, (eventueel) bodemwarmtewisselaar of grondwaterbron, (eventueel) (ijs)buffer, (eventueel) restwarmteopslagvat, (eventueel) aansluiting op het afgiftenet, (eventueel) afgiftenet, (eventueel) noodzakelijke aanpassing van de bestaande elektriciteitsaansluiting;

(Thermisch) Vermogen in kW: De hoeveelheid afgegeven warmte van het apparaat ten behoeve van ruimteverwarming, uitgedrukt in kiloWatt, conform EU811/2013

D.3

Warmtewisselaar voor vrije koeling

Bestemd voor: het verminderen van het energiegebruik van een koelinstallatie door:

a. het bij lage buitenluchttemperaturen koelen van de gebouwen met buitenlucht; of

b. het koelen van gebouwen met oppervlaktewater,

en bestaande uit: warmtewisselaar die de functie van de koelmachine overneemt.

Toelichting:

– Dit is een extra warmtewisselaar parallel aan de koelmachine tussen het gekoeld waternet en de koeltoren of droge koeler op het dak.

– De koelinstallatie zelf en de koeltoren of droge koeler komen niet in aanmerking

D.4

Verdampingskoeling door middel van waterverdamping (adiabatisch)

a. direct werkende adiabatische luchtkoeler

Bestemd voor: het koelen van gebouwen, waarbij de lucht door directe bevochtiging wordt afgekoeld

en bestaande uit: ventilator, bevochtigingsapparatuur, regeling, (eventueel) waterbehandelingsapparatuur, (eventueel) filter.

b. indirect werkende adiabatische luchtkoeler

Bestemd voor: het koelen van bedrijfsgebouwen, waarbij ingaande lucht wordt afgekoeld in een scheidingswarmtewisselaar door een tweede luchtstroom die gekoeld is door middel van bevochtiging

en bestaande uit: ventilatoren, warmtewisselaar, bevochtigingsapparatuur, regeling, (eventueel)

waterbehandelingsapparatuur, (eventueel) filter.

D.5

Luchtdicht maken van luchtkanalen van luchtverdeelsysteem

Bestemd voor: het luchtdicht maken van luchtkanalen die bestemd zijn voor het transporteren van toe- of afvoerlucht in een gebouw,

en bestaande uit: een luchtkanaal van een ventilatiesysteem, waarbij het ventilatiesysteem minimaal voldoet aan luchtdichtheidsklasse (LUKA) C of maximaal ATC 3.

D.6

Laagdebiet afzuigkap in grootkeukens

Bestemd voor: het minimaliseren van het energiegebruik van afzuigsystemen in grootkeukens,

en bestaande uit: een afzuigkap waarin luchttoevoercompartimenten zijn aangebracht voor het inblazen van lucht aan de onderzijde van de luifelranden. De toevoer van de lucht aan de onderzijde van de luifelranden mag maximaal 12% van het afzuigdebiet van de afzuigkap zijn.

D.7

Koude- of warmteterugwinningssysteem uit ventilatielucht

Bestemd voor: het koelen of verwarmen van gebouwen door het benutten van koude of warmte in de afzuiglucht,

en bestaande uit: een luchtbehandelingskast met warmtewisselaar met een rendement van minimaal 80%.

D.8

Luchtbehandelingskast met inbouwde warmtepomp (niet hybride) voor zwembaden

Bestemd voor: ontvochtigen, ventileren en verwarmen van zwembaden

en bestaande uit: een luchtbehandelingskast, voorzien van een warmtepomp, warmteterugwinningsysteem met een rendement van minimaal 65%, automatische regeling, (eventueel) warmtewisselaar voor het verwarmen van zwembadwater (badwatercondensor).

D.9

Faseovergangsmateriaal (PCM)

Bestemd voor: het verminderen van het energiegebruik voor het koelen of verwarmen van gebouwen,

en bestaande uit: faseovergangsmateriaal.

E. Verlichting

E.1

LED-verlichtingssysteem

Bestemd voor: verlichting in en bij gebouwen,

en bestaande uit: LED-verlichtingsarmaturen met een niet uitwisselbare LED-lichtbron en met een specifieke lichtstroom van ten minste 125 lm/W.

Uitwisselbare LED-lichtbronnen, zoals LED-buizen en specifiek voor noodverlichting bestemde noodverlichtingsarmaturen, zijn uitgesloten.

E.2

LED-belichtingssysteem voor podium- of theaterbelichting

Bestemd voor: podium- of theaterbelichting,

en bestaande uit: spot- en/of floodlightarmaturen, (DMX) driver. De powerfactor van het belichtingssysteem moet ten minste 0,90 bedragen.

F. Overige energiebesparing

F.1

HR-elektromotor

Bestemd voor: elektromotor,

en bestaande uit: een elektromotor die voldoet aan minimaal de IE4 efficiency-klasse.

F.2

HR pomp

Bestemd voor: verbetering van werktuigbouwkundige installaties in gebouwen,

en bestaande uit: een hoog rendement circulatie pomp met geïntegreerde toerenregeling (frequentie regelaar).

F.3

Luchtgordijn met sensor gestuurde automatische regeling

Bestemd voor: het verminderen van warmteverlies via openstaande deuren

en bestaande uit: een luchtgordijn voorzien van een binnen- en buitensensor, die de automatische regeling voorziet van meetgegevens van de buiten- en binnentemperatuur en de stand van de deur.

F.4

Energieprestatieverbetering van bestaande liften roltrappen en rolpaden

Bestemd voor: het verbeteren van de energieprestatie van bestaande liften, roltrappen en rolpaden

en bestaande uit: een pakket aan energiezuinige maatregelen waardoor een bestaande lift gaat voldoen aan de energieprestatie-eisen van energielabel A van NEN-EN-ISO 25745-2:2015.

G. Energieregistratie-en bewakingssysteem (EBS)

G.1

Slimme meter met een energieverbruiks-manager/ energiebeheerssysteem voor elektriciteit, aardgas (a.e.) en/of warmte

Bestemd voor: het (realtime) monitoren en visualiseren van het energiegebruik op gas en elektriciteit en eventueel opgewekte energie ten behoeve van verbeterd energiegebruik

en bestaande uit: een slimme meter geïnstalleerd door een erkende installateur, beeldscherm voor publieke visualisatie en (eventueel) energiemanagementsysteem met rapportagefunctie (voor een overzicht van het energieverbruik per dag, week en jaar).

Randvoorwaarden: publieke visualisatie is een verplicht onderdeel van deze maatregel.

H. Duurzame Energie

H.1

Zonnecollectorsysteem voor verwarmen

Bestemd voor: het verwarmen van water of lucht,

en bestaande uit: een zonnecollector, regeleenheid, (eventueel) (rest)warmtebuffer.

H.2

PV (Photovoltaïsch) of PVT (PhotoVoltaisch Termische) panelen

Bestemd voor: het verwarmen van water of lucht en/of opwekking van elektrische energie uit zonlicht met behulp van zonnepanelen,

en bestaande uit:

a: Fotovoltaïsche zonnepanelen of een samenstelling van zonnewarmtecollector en fotovoltaïsche zonnepanelen,inclusief vervanging van bestaande dakisolatie, door dakisolatie zoals genoemd in maatregel C.2 en vervanging van bestaande dakbedekking;

b: Fotovoltaïsche zonnepanelen of een samenstelling van zonnewarmtecollector en fotovoltaïsche zonnepanelen inclusief opslagsysteem, zoals genoemd in maatregelen H.3, H.4 of H.5.

H.3

Warmte- of koudeopslag in de bodem met gebruik van grondwater

Bestemd voor: het opslaan van warmte of koude in de bodem met water als opslagmedium, voor het koelen of verwarmen van gebouwen of processen,

en bestaande uit: gesloten systeem met bijvoorbeeld vaten of slangen die voor onttrekking en injectie worden gebruikt, waterpompen, (eventueel) warmtewisselaar die direct is gekoppeld aan de het systeem, (eventueel) warmte- of koudetransportleiding.

H.4

Grondwarmtewisselaar

Bestemd voor: het koelen of verwarmen van water voor gebruik in gebouwen of processen met behulp van een warmtewisselaar die zich in het grondwater bevindt

en bestaande uit: ondergrondse warmtewisselaar, pomp, (eventueel) water-lucht warmtewisselaar in stallen die de warmte of koude uit de bodem rechtstreeks afgeeft, (eventueel) restwarmteopslagvat.

H.5

Zout(water)batterij

Bestemd voor: de opslag van duurzaam opgewekte energie die wordt gebufferd in een zout(water)batterij

en bestaande uit: zout(water)batterij en (eventuele) regeltechniek en

als aanvullende voorwaarde: Aanwezigheid duurzame energieopwekker op eigen terrein (bijv. zonnecollectoren of pv-panelen) dient te worden aangetoond of tegelijk worden aangevraagd.

I. Lokale energie-uitwisseling

I.1

Intelligent lokale energie-uitwisseling

Bestemd voor: het faciliteren van een intelligent lokaal energienetwerk waarmee vraag en aanbod van diverse energiegebruikers en energiebronnen op elkaar kan worden afgestemd

en bestaande uit: meet- en regelsysteem in combinatie met software voor de real-time koppeling tussen producenten en gebruikers binnen het energienetwerk.

J. Energietransitie

J.1

Infrarood verwarmingspaneel met bewegingssensor en thermostaat

Bestemd voor: aanwezigheid gestuurde ruimteverwarming door middel van warmtestraling met behulp van infraroodpaneel geregeld middels bewegingssensor en thermostaat, voor bijvoorbeeld kleedruimten

en bestaande uit: verwarmingssysteem met een infrarood verwarmingspaneel niet zijnde een warmtestraler, bewegingssensor en thermostaat.

Een randvoorwaarde is dat het infraroodpaneel wordt geregeld middels bewegingssensor EN thermostaat.

J.2

Aansluiting warmte- en/of koudenet (BAK kosten)

Bestemd voor: de aansluiting op warmte- en/of koudenet

en bestaande uit: Aansluiting van warmte-

en/of koude afnemer en distributieleiding.

De kosten vanaf de uitkoppeling van het distributienet tot en met de afleverset komen in aanmerking.

Inpandige kosten, na de afleverset, voor warmte- en/of koudenet aansluiting komen onder deze code niet in aanmerking.

Verzwaren van warmtenet aansluiting komt niet in aanmerking onder deze code.

Toelichting: De aansluiting wordt gerealiseerd door een warmteleverancier.

K. Energielabel

K.1

Opstellen en registreren definitief energielabel

Bestemd voor:het opstellen en registeren van een definitief energielabel

en bestaande uit: de kosten voor het opstellen en registreren van een definitief energielabel.

Het gaat hierbij om de registratie van de Energie Index volgens de Nederlands Technische Afspraak 8800.

L. Monumenten

Het inpassen van energiebesparende maatregelen in een (rijks)monument vraagt om een zorgvuldige aanpak met respect voor de aanwezige monumentale waarden. Het hangt van het individuele monument af of bepaalde maatregelen wel of niet realiseerbaar zijn. Ook kunnen bouwfysische eigenschappen van het monument van invloed zijn op de mogelijkheid tot het toepassen van verduurzamingsmaatregelen. Voorbeeld: veel monumenten hebben geen spouwmuur en derhalve zal isolatie daarvan niet mogelijk zijn. In de regel is voor het toepassen van verduurzamingsmaatregelen een (Wabo)omgevingsvergunning nodig aangezien het gaat om wijziging van het rijksmonument. De gemeente beoordeelt bij de aanvraag of de verduurzamingsmaatregelen mogelijk zijn in relatie tot de monumentale waarde van het desbetreffende (rijks)monument.

L.1

Duurzaam monumenten advies

Bestemd voor: het opstellen van maatwerkadvies

en bestaande uit: maatwerkadvies uitgevoerd volgens de in de beroepsgroep geldende normen, met dien verstande dat daarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige monumentale waarden op basis van een door een bouw- of architectuurhistoricus opgesteld rapport over de aanwezige monumentale waarden.

L.2

Integrale aanpak verduurzaming monumenten

Bestemd voor: de uitvoering van verduurzamingsmaatregelen

en bestaande uit: een pakket aan maatregelen die gebaseerd zijn op het maatwerkadvies zoals omschreven in L1.

Voor subsidies =< € 25.000 geldt minimaal niveau 2. Voor subsidies > 25.000 geldt minimaal niveau 3. De gekozen maatregelen moeten gezamenlijk leiden tot minimaal een energiebesparing op primaire energie van 20%.

L.3

Isolerende beglazing

monumentenglas en binnen/buiten-voorzetramen

Bestemd voor: isolerende beglazing of glascombinaties in de thermische schil

en bestaande uit: isolerend glas met een warmte-doorlatingscoëfficiënt van maximaal 3,0 W/m2K. Dit kan meervoudig glas met een vacuüm of gasgevulde spouw zijn of gelaagd glas.

Toelichting: geldt alleen voor het vervangen van het glas. Kozijnen en deuren zijn uitgesloten.

L.4

Kier dichting

Bestemd voor: het afdichten van kieren rondom raamkozijnen waarmee de luchtdoorlatendheidswaarde van de thermische schil, klasse B, zoals omschreven in de PvE frisse scholen aantoonbaar wordt gerealiseerd,

en bestaande uit: maatregelen om aan bovenstaande voorwaarde te voldoen.

L.5

Isolatie voor gevel, vloer, dak van bestaande constructies

Bestemd voor: de verbetering van de isolatie van bestaande thermische schil,

en bestaande uit:

a. isolatiemateriaalwaarbij de warmteweerstand R = Σ(Rtotaal) = Σ(d/λ) ten minste 2,5 m2.K/W bedraagt;

of

b. spouwmuurisolatie isolatiemateriaal waarbij de warmteweerstand R met ten minste 1,1 m2.K/W toeneemt. Alleen isolatiematerialen die op de ISDE Maatregelenlijst isolatie staan mogen worden toegepast.

Kiest u bij het type isolatiemaatregel vloerisolatie, spouwmuurisolatie of dakisolatie, voor het isolatiemateriaal lokaal gespoten PIR of PUR? Dan moet dit zijn aangebracht met een HFK-vrij blaasmiddel.

Het indicatieve subsidiebedrag op de maatregelenlijst heeft betrekking op de ISDE, niet op de Regeling Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed.

L.6

Bodemisolatie

Bestemd voor: aanpassing van de bestaande thermische schil met bodemisolatie

en bestaande uit: isolatiemateriaal op de bodem van de kruipruimte met een minimale warmteweerstand R = 3,5 m2.K/W, (eventueel) in combinatie met hoogwaardige vloerisolatie (als onderdeel van de begane grondvloer).

L.7

Energiezuinig ventilatiesysteem

Bestemd voor: het koelen of verwarmen van gebouwen door het benutten van koude of warmte in de afzuiglucht

en bestaande uit: luchtbehandelingskast met warmtewisselaar met een rendement van minimaal 68% of CO2-gestuurde ventilatie.

Toelichting technische termen

Frequentie regelaar: Een frequentieregelaar is een apparaat dat wordt gebruikt om het toerental van een elektromotor te regelen. Hierdoor wordt het energieverbruik beperkt.

HFK vrije blaasmiddelen: HFK’s, ook wel CFK’s genoemd, zijn chloorfluorkoolstofverbindingen. Ze worden gemaakt door koolwaterstoffen te nemen en hiervan de waterstofatomen te vervangen met chloor en/of fluoratomen. Ze worden gebruikt als koelmiddel in koelkasten en airconditionings en als drijfgas voor spuitbussen en schuimisolatie. Deze HFK’s worden als milieu onvriendelijk gezien. Inmiddels zijn er fabrikanten die HFK-vrije schuimisolatie produceren die dus geen HFK’s bevat.

IE4 efficiency-klasse: De IE klasse is een aanduiding van de energiezuinigheid van een elektromotor en wordt bepaald volgens de IEC 60034-30. Het typeplaatje van de motor geeft de energiezuinigheid aan, zoals: IE1 = standaard rendement. IE4 = hoog rendement.

λ-waarde: De λ-waarde (lambda-waarde) geeft de warmtegeleiding van het materiaal aan. Hoe lager de λ-waarde, des te beter het materiaal isoleert, dus hoe groter de isolatiewaarde.

Plan van Aanpak Frisse Scholen: Het Programma van Eisen (PvE) Frisse Scholen 2021 helpt bijvoorbeeld schoolbesturen en gemeenten in hun rol als opdrachtgever van verbouw of nieuwbouw. Hiermee kunnen bouw- en ontwerpkosten bespaard worden door de eisen in een vroeg stadium te bepalen. De laatste versie is aangepast op basis van de eisen in het Bouwbesluit 2012 op 1 januari 2021.

(www.frissescholen.nl)

Portefeuilleroutekaart: Verschillende maatschappelijke sectoren hebben een routekaart opgesteld waarin beschreven wordt hoe de sector toewerkt naar de CO2-reductiedoelen voor 2030 en 2050. Portefeuilleroutekaarten zijn voor organisaties binnen die sectoren een middel om inzicht te creëren op de te nemen maatregelen van hun eigen vastgoedportefeuille. Een portefeuilleroutekaart voorziet daarmee in een handelingsplan, welke gebruikt kan worden als onderbouwing voor maatregel A.1.

Powerfactor: De powerfactor of arbeidsfactor is de verhouding tussen het werkelijke vermogen en het schijnbare vermogen in een wisselspanningsinstallatie. De powerfactor geeft aan in hoeverre er sprake is van ongewenst stroomverbruik. In een ideale situatie is de waarde 1

R-waarde: De R-waarde geeft (het warmte-isolerend vermogen) de warmteweerstand van een materiaallaag aan uitgedrukt in m2K/W, vaak gebruikt als isolerende waarde van niet-transparante constructies van de thermische schil zoals muren, vloeren, daken.

Riso,tot:is de som van de warmteweerstanden van de isolatielagen die toegevoegd worden aan de thermische schil.

Specifieke lichtstroom (lm/W): Onder de specifieke lichtstroom wordt hier verstaan de verhouding tussen lichtstroom van het verlichtingssysteem (in lumen) en het daarvoor opgenomen elektrische vermogen (in Watt). De specifiek lichtstroom zegt dus iets over het rendement van het LED armatuur.

Thermische schil: De bestaande thermische schil is de isolerende laag aan de buitenzijde van het gebouw. Wanden, daken, beglazing en deuren, en vloeren grenzend aan de buitenlucht of grond zijn geïsoleerd om kou te weren en warmte binnen te houden. De thermische schil is de 'jas' van het gebouw. De thermische schil is één geheel. Hij wordt gevormd door de bouwkundige constructies, die de verwarmde ruimten omhullen en die hiermee het gebouw afscheiden van de buitenomgeving, bodem of aangrenzende onverwarmde ruimten.

Ter verduidelijking: een scheidingswand tussen twee gebouwen is géén onderdeel van de thermische schil. Ook een verwarmd of onverwarmd bijgebouw dat los staat van het hoofdgebouw is géén onderdeel van de thermische schil, evenals onverwarmde bergingen of serres aan het gebouw. Een aanbouw die in open verbinding staat met een verwarmde ruimte van het hoofdgebouw valt binnen de thermische schil.

Thermische vermogen: De hoeveelheid afgegeven warmte van het apparaat ten behoeve van ruimteverwarming, uitgedrukt in kiloWatt, conform EU811/2013.

U-waarde: De U-waarde is de warmtedoorgangscoëfficiënt, uitgedrukt in W/m²K.

De warmtedoorgangscoëfficiënt is de hoeveelheid warmte die door een constructie gaat per seconde (s) per vierkante meter (m2) per temperatuurverschil (K) tussen de omgevingen langs beide zijden van de constructie (1 Watt = 1 Joule/s).

Bij de isolatie van vloer-, wand- of dakoppervlak wordt meestal de R-waarde gebruikt, bij de isolatie van ramen (glas en kozijn) wordt vaak de U-waarde gebruikt.

Naar boven