Aanwijzing geweldsaanwending opsporingsambtenaar

Geraadpleegd op 08-12-2022.
Geldend van 01-07-2022 t/m heden

Aanwijzing geweldsaanwending opsporingsambtenaar

Samenvatting

Opsporingsambtenaren zijn bevoegd om – in overeenstemming met de geweldsinstructie1 – geweld te gebruiken indien een situatie dit vereist. Geweldgebruik moet worden toegepast binnen de grenzen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid. Bij de toepassing van geweld wordt inbreuk gemaakt op grondrechten van burgers. In alle gevallen waarin geweldstoepassing ernstige gevolgen heeft gehad, wordt daarom effectief, onafhankelijk en voortvarend onderzoek gedaan naar de toedracht onder gezag van het OM. Deze aanwijzing bevat regels voor het onderzoek naar en de beoordeling van functiegerelateerd geweldgebruik door opsporingsambtenaren en voor het informeren van slachtoffers en nabestaanden in dergelijke zaken.

1. Achtergrond

Met de inwerkingtreding van de Wet geweldsaanwending opsporingsambtenaar (hierna: de wet)2 en de wijziging van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: Ambtsinstructie)3 tweede tranche op 1 juli 2022 is de stelselherziening geweldsaanwending opsporingsambtenaar voltooid. De gedachte achter de stelselherziening is dat geweldgebruik door opsporingsambtenaren langs de juiste meetlat moet worden gelegd. Indien een opsporingsambtenaar zich in de uitoefening van zijn functie genoodzaakt ziet geweld te gebruiken, kan daardoor de delictsomschrijving van een algemeen geweldsdelict zoals mishandeling of doodslag worden vervuld. Opsporingsambtenaren zijn echter niet alleen bevoegd om (gepast) geweld te gebruiken; in voorkomende gevallen wordt dit juist van hen verwacht. Waar burgers zich uit een gevaarlijke situatie kunnen terugtrekken, wordt van opsporingsambtenaren juist verwacht dat zij actief optreden om de situatie te beëindigen. Dit betekent dat zij zich in een kwetsbare positie bevinden. Aan die positie wordt onvoldoende recht gedaan indien opsporingsambtenaren zich, naar aanleiding van het in de functie toegepast geweld, direct in termen van het strafrecht moeten verantwoorden en uitsluitend ter zake van algemene geweldsmisdrijven kunnen worden vervolgd. De wet brengt hierin verandering door de introductie van een onderzoeks- en beoordelingskader dat is toegesneden op functiegerelateerd geweldgebruik door opsporingsambtenaren.

2. Reikwijdte

2.1. Opsporingsambtenaren

Deze aanwijzing is van toepassing op alle opsporingsambtenaren die bevoegd zijn om in de uitoefening van de functie (gepast) geweld te gebruiken:

Waar in het vervolg van deze aanwijzing over opsporingsambtenaren wordt gesproken, worden deze opsporingsambtenaren en militairen bedoeld.

2.2. Gevallen van geweldgebruik

Deze aanwijzing is van toepassing op gevallen waarin een opsporingsambtenaar in de uitoefening van de functie geweld heeft toegepast, waarbij:

  • het aanwenden van geweld de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt of er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat het aanwenden van geweld zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt; of

  • gebruik is gemaakt van een vuurwapen met enig lichamelijk letsel tot gevolg;

  • Verder is deze aanwijzing van toepassing op andere gevallen van geweldgebruik door opsporingsambtenaren in functie, welke ter kennis van het OM zijn gekomen en naar aanleiding waarvan de officier van justitie besluit onderzoek in te stellen.

3. Onderzoek

3.1. Inzet van de rijksrecherche

Transparantie over de wijze waarop de overheid uitvoering geeft aan het geweldsmonopolie is cruciaal voor het vertrouwen van de samenleving in het handelen van de overheid. Gedurende een onderzoek naar de toedracht van geweldgebruik door een opsporingsambtenaar moet daarom iedere schijn van partijdigheid worden voorkomen. Indien een opsporingsambtenaar gebruik heeft gemaakt van zijn vuurwapen met een overlijden of enig lichamelijk letsel tot gevolg, wordt daarom onafhankelijk onderzoek verricht door de rijksrecherche onder gezag van de officier van justitie. Dit geldt ook voor ander geweldgebruik door opsporingsambtenaren met de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Indien het toegepaste geweld geen of licht letsel heeft veroorzaakt, kan de officier van justitie een onderzoek naar de toedracht gelasten indien het gebruikte geweld daartoe aanleiding geeft. In die situatie zal, indien het onderzoeksbelang dit toelaat, het door de officier van justitie gelaste onderzoek zo mogelijk worden uitgevoerd door de interne onderzoeksafdeling4 van de opsporingsinstantie waartoe de betrokken opsporingsambtenaar behoort. Indien reeds disciplinair onderzoek is ingesteld door de interne onderzoeksafdeling, wordt het strafrechtelijk onderzoek (feiten- of opsporingsonderzoek) niet door dezelfde medewerkers uitgevoerd.5

3.2. Gezag over het onderzoek

Het gezag over een onderzoek door de rijksrecherche naar de toedracht van een geweldsaanwending, ligt bij het arrondissementsparket dat is gevestigd in het arrondissement waar het geweldgebruik zich heeft voorgedaan. De hoofdofficier van justitie ziet erop toe dat het onderzoek wordt geleid door een zaaksofficier van justitie die voldoende onafhankelijk is ten opzichte van het onderdeel van de bijzondere opsporingsdienst of de politie-eenheid waartoe de opsporingsambtenaar behoort en dat elke schijn van afhankelijkheid wordt voorkomen. De zaaksofficier van justitie informeert de hoofdofficier van justitie over de voortgang en consulteert deze bij relevante beslissingen. Indien de rijksrecherche bijstand behoeft van andere opsporingsambtenaren, dan wordt die verleend door medewerkers van de interne onderzoeksafdeling van de opsporingsdienst waartoe de betrokken opsporingsambtenaar behoort of door medewerkers van een andere politie-eenheid. Forensisch onderzoek wordt verricht door de forensische recherche van een andere politie-eenheid dan die waarbinnen het incident heeft plaatsgevonden. Totdat de rijksrecherche ter plaatse is, treft de lokale politie-eenheid uitsluitend de eerste maatregelen ter bevriezing van de situatie zoals het afzetten van de plaats van het voorval, zorg voor slachtoffers en inventariseren van getuigen. Opsporingshandelingen worden in beginsel niet verricht door de politie-eenheid of opsporingsdienst waartoe de bewuste opsporingsambtenaar behoort.6 In afwijking hiervan kunnen bij dringende noodzakelijkheid, in overleg met de officier van justitie, noodzakelijke opsporingshandelingen, zoals het veiligstellen van bewijs, worden verricht ten behoeve van het onderzoek van de rijksrecherche. Deze handelingen worden door de rijksrecherche gecontroleerd op volledigheid en betrouwbaarheid en, indien daartoe aanleiding bestaat, opnieuw uitgevoerd.

Op de hoofdregel dat het onderzoek naar een geweldsaanwending onder gezag van het lokale arrondissementsparket plaatsvindt, bestaan twee uitzonderingen:

  • (I) een onderzoek naar geweldgebruik door militairen (par. 2.1.) heeft plaats onder gezag van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland, belast met militaire zaken;

  • (II) een onderzoek naar geweldgebruik door leden van de Dienst Speciale Interventies (DSI) geschiedt onder rechtstreekse verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie van arrondissementsparket Midden-Nederland, tenzij de geweldstoepassing in het kader van een reguliere inzet van een Aanhoudings- en Ondersteuningseenheid (AOT) heeft plaatsgevonden.7 Een onderzoek naar de toedracht van geweldgebruik door leden van een AOT tijdens een gecombineerde inzet onder aansturing van de DSI, geschiedt eveneens onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie in Midden-Nederland.8

3.3. Feitenonderzoek of regulier opsporingsonderzoek

Indien een opsporingsambtenaar van de geweldsbevoegdheid gebruikgemaakt heeft, kan de officier van justitie op grond van art. 511a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een feitenonderzoek gelasten. Het feitenonderzoek is, anders dan een opsporingsonderzoek, gericht op de vraag of het geweldgebruik in overeenstemming met de geweldsinstructie9 is geweest, en dus niet gericht op de vraag of de opsporingsambtenaar een strafbaar feit heeft gepleegd. De opsporingsambtenaar wordt in het feitenonderzoek niet aangemerkt als verdachte, noch als getuige.10 Het uitgangspunt is dat een melding als bedoeld in art. 18, tweede lid, Ambtsinstructie binnen een feitenonderzoek wordt onderzocht. Dit is alleen anders indien er direct rechtens relevante twijfel bestaat over de vraag of de opsporingsambtenaar in overeenstemming met de geweldsinstructie heeft gehandeld en een beroep op een (andere) strafuitsluitingsgrond niet aan de orde lijkt. Het gaat hierbij om twijfel bij de zaaksofficier van justitie. Te denken valt aan de situatie waarin uit de feiten en omstandigheden een ernstig vermoeden voortvloeit dat de opsporingsambtenaar niet conform de geweldsinstructie heeft gehandeld, bijvoorbeeld omdat het geweld buitensporig lijkt te zijn geweest. In dat geval staat het de zaaksofficier van justitie vrij om direct een regulier opsporingsonderzoek te gelasten. Daarnaast kunnen de uitkomsten van een feitenonderzoek ertoe leiden dat dusdanige twijfel over de rechtmatigheid van het aangewende geweld ontstaat, dat de zaaksofficier van justitie alsnog een regulier opsporingsonderzoek gelast. De verklaringen die de opsporingsambtenaar gedurende het feitenonderzoek heeft afgelegd kunnen onverkort worden gebruikt in een regulier opsporingsonderzoek, omdat de opsporingsambtenaar als ambtenaar bedoeld in art. 27 lid 3 Sv dezelfde rechten toekomt als een verdachte, waaronder het zwijgrecht. Het ligt evenwel in de rede dat de opsporingsambtenaar opnieuw wordt gehoord als verdachte en in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op de bevindingen uit het feitenonderzoek die aanleiding hebben gegeven om een regulier opsporingsonderzoek te gelasten. De zaaksofficier van justitie doet van de beslissing, om na afronding van het feitenonderzoek een opsporingsonderzoek in te stellen, onverwijld schriftelijk mededeling aan de opsporingsambtenaar.

4. Vervolging

4.1. De vervolgingsbeslissing en de Adviescommissie

De zaaksofficier van justitie legt zijn of haar afdoeningsvoorstel voor aan de hoofdofficier van justitie in het arrondissement waar het geweldgebruik heeft plaatsgevonden. De hoofdofficier van justitie beoordeelt of het geweldgebruik rechtmatig is geweest en beslist over de vervolging van de opsporingsambtenaar. Indien het een voorval betreft waarbij gebruikgemaakt is van een vuurwapen met enig lichamelijk letsel tot gevolg en waarnaar door de rijksrecherche onderzoek is verricht, legt de hoofdofficier van justitie de beoordeling en de voorgenomen afdoeningsbeslissing voor intercollegiale toetsing voor aan de Adviescommissie politieel vuurwapengebruik. Deze interne adviesaanvraag, in de vorm van een ambtsbericht, is verplicht en gaat vergezeld van een kopie van de processen-verbaal van de rijksrecherche (met alle daarbij behorende stukken). De Adviescommissie beoordeelt het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie, verwoordt de toedracht op grond van de ontvangen processen-verbaal en adviseert zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen tien werkdagen na ontvangst over de voorgenomen beslissing. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om andere schietincidenten facultatief voor te leggen aan de Adviescommissie. Het oordeel van de Adviescommissie is niet bindend, maar bedoeld om uniformiteit in de beoordelingen te bewerkstelligen. De hoofdofficier van justitie informeert de zaaksofficier van justitie over zijn of haar afdoeningsbeslissing en stelt de zaak in diens handen. De zaaksofficier van justitie doet onverwijld schriftelijk mededeling van de afdoeningsbeslissing aan de opsporingsambtenaar en stelt de rijksrecherche zo spoedig mogelijk in kennis.

4.2. Gezag over de vervolging

Indien een opsporingsambtenaar wordt gedagvaard wegens in de functie gebruikt geweld, wordt de strafzaak – ingevolge art. 2, derde lid, Sv – aanhangig gemaakt bij de rechtbank Midden-Nederland. De ‘blauwe kamer’ van de rechtbank Midden-Nederland is exclusief bevoegd om van deze zaken kennis te nemen.11 Dit betekent dat alle zaken waarin een opsporingsambtenaar wegens een geweldsaanwending wordt gedagvaard, door het arrondissementsparket Midden-Nederland bij de rechtbank Midden-Nederland moeten worden aangebracht en dat, in die gevallen, het gezag over de vervolging bij dit parket is belegd. Dit volgt uit art. 9, eerste lid, Sv. Zoals in paragraaf 3.2. is opgemerkt, ligt het gezag gedurende het onderzoek bij het parket in het arrondissement waar de geweldsaanwending heeft plaatsgevonden. Dit parket draagt de strafzaak over aan het arrondissementsparket Midden-Nederland indien de hoofdofficier van justitie besluit dat de betrokken opsporingsambtenaar wordt gedagvaard. De hoofdofficier van justitie in Midden-Nederland neemt vervolgens de formele vervolgingsbeslissing. Ingeval de opsporingsambtenaar wordt gedagvaard en de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank Midden-Nederland, kan het OM ter zitting worden vertegenwoordigd door de zaaksofficier van justitie die het onderzoek heeft geleid.12 Een sepotbesluit of een beslissing om een OM-strafbeschikking uit te vaardigen, wordt genomen door het lokale arrondissementsparket dat het gezag over het onderzoek had.13

4.3. Het kwaliteitsdelict van art. 372 Sr en de tenlastelegging

Per 1 juli 2022 bevat het Wetboek van Strafrecht met art. 372 een kwaliteitsdelict dat verwijtbare schending van de geweldsinstructie met bepaalde gevolgen – enig lichamelijk letsel, zwaar lichamelijk letsel of de dood – strafbaar stelt.14 De achtergrond hiervan is dat de beoordeling van door opsporingsambtenaren in de functie toegepast geweld zich in beginsel dient te richten op de vraag of in overeenstemming met de geweldsinstructie is gehandeld, niet over de vraag of er sprake is van schuld of opzet aan een algemeen geweldsmisdrijf. Tegelijkertijd geldt dat wanneer een opsporingsambtenaar geweld aanwendt, vrijwel steeds sprake zal zijn van (voorwaardelijk) opzet op de gevolgen hiervan. Dit betekent dat het handelen in strijd met de geweldsinstructie zowel onder reikwijdte van art. 372 Sr als onder de delictsomschrijving van een algemeen geweldmisdrijf kan vallen. Het is aan de officier van justitie als dominus litis om te bepalen ter zake van welk delict wordt vervolgd. In algemene zin geldt dat art. 372 Sr is bedoeld voor gevallen waarin de opsporingsambtenaar een verwijtbare inschattingsfout heeft gemaakt of verwijtbaar onvoorzichtig is geweest en daardoor geweld toepaste dat niet conform de geweldsinstructie was. Vervolging van een opsporingsambtenaar ter zake van een algemeen geweldsmisdrijf vindt in beginsel uitsluitend plaats bij een opzettelijke (en forse) schending van de geweldsinstructie. In die gevallen is geen plaats voor toepassing van een specifiek op opsporingsambtenaren toegesneden beoordelingskader. Bij het opstellen van de tenlastelegging kiest de officier van justitie tussen het kwaliteitsdelict of de algemene geweldsdelicten: een primair-subsidiair, cumulatief en/of alternatief tenlasteleggen is ingevolge art. 261a Sv onmogelijk.

4.4. Het nemo-teneturbeginsel en het proces-verbaal ex art. 152 Sv

Het nemo-teneturbeginsel behoort tot de kern van art. 6 EVRM en houdt in dat een verdachte niet mag worden gedwongen om aan zijn eigen veroordeling mee te werken15. Tegelijkertijd geldt dat de opsporingsambtenaar die gebruikgemaakt heeft van de geweldsbevoegdheid, daarvan ingevolge art. 152 Sv proces-verbaal dient op te maken. Deze verbaliseringsplicht staat op gespannen voet met het nemo-teneturbeginsel, omdat een proces-verbaal waarin het gebruik van geweld tegen een burger is beschreven wilsafhankelijk materiaal betreft. Voor de vraag of gebruik van zo’n proces-verbaal in een strafzaak tegen de opsporingsambtenaar een schending van art. 6 EVRM oplevert, is bepalend – kort gezegd – of het niet nakomen van de verbaliseringsplicht voor de opsporingsambtenaar een reële optie is. Het niet nakomen daarvan moet als een aanzienlijke belemmering van de strafvorderlijke waarheidsvinding worden beschouwd en kan, als plichtsverzuim, disciplinair worden gesanctioneerd. Hierbij komt dat het niet volledig waarheidsgetrouw verbaliseren, bijvoorbeeld door bepaalde feiten weg te laten waardoor een vertekend beeld van de werkelijkheid ontstaat, onder omstandigheden als meineed kan worden bestraft. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat het niet nakomen van de verbaliseringsplicht geen reële optie is. Daarom is gebruik van een dergelijk proces-verbaal voor het bewijs in een strafzaak tegen de opsporingsambtenaar in kwestie wegens strijd met art. 6 EVRM niet toegestaan en wordt een ex art. 152 Sv opgemaakt proces-verbaal in principe niet bij de processtukken gevoegd.16

5. Informeren van slachtoffers

De toepassing van geweldgebruik door opsporingsambtenaren heeft grote impact op slachtoffers en nabestaanden. Het is belangrijk dat hun positie gedurende het feitenonderzoek gelijk is aan die in een opsporingsonderzoek. Daarom zijn de artt. 51a tot en met 51d Sv ook van toepassing gedurende een feitenonderzoek. Dit betekent onder meer dat de officier van justitie het slachtoffer op de hoogte stelt op het moment dat een feitenonderzoek wordt bevolen. Ook wordt het slachtoffer op diens verzoek geïnformeerd over de voortgang van het onderzoek en verleent de officier van justitie op gelijke wijze toestemming aan slachtoffers om kennis te nemen van relevante bescheiden uit het feitenonderzoek. De beslissing om al dan niet te vervolgen en, zo ja, welke kwalificatie daarbij is gekozen, wordt door de officier van justitie gemotiveerd toegelicht aan slachtoffers en nabestaanden.17

  1. De geweldsinstructie is gedefinieerd in artikel 90novies Sr. ^ [1]
  2. Stb. 2021, 233. ^ [2]
  3. Stb. 2021, 46. ^ [3]
  4. Iedere politie-eenheid beschikt over een afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK). ^ [4]
  5. Vgl. Kamerstukken II 2020–21, 28 844, nr. 220, p. 2. ^ [5]
  6. De afdeling VIK van de politie-eenheid waartoe de opsporingsambtenaar behoort, kan uiteraard wel worden ingeschakeld voor (bijstand aan) het door de officier van justitie gelaste onderzoek. ^ [6]
  7. In dat geval geldt de hoofdregel: het onderzoek geschiedt onder gezag van het parket dat is gevestigd in het arrondissement waar het geweldgebruik heeft plaatsgevonden. ^ [7]
  8. Wanneer de DSI-inzet plaatsvond in het arrondissement Midden-Nederland, onder gezag van de hoofdofficier van justitie van parket Midden-Nederland of van de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket, dan geschiedt het onderzoek naar de geweldsaanwending onder rechtstreekse verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant. ^ [8]
  9. De geweldsinstructie is gedefinieerd in artikel 90novies Wetboek van Strafrecht. ^ [9]
  10. De opsporingsambtenaar wordt gehoord als de ambtenaar als bedoeld in art. 27, derde lid, Sv. ^ [10]
  11. Met uitzondering van strafzaken tegen militairen. Deze worden vervolgd bij de militaire kamer van de rechtbank Oost-Nederland. Onderzoeken naar geweldsaanwendingen door militairen vallen onder het gezag van het arrondissementsparket Oost-Nederland. ^ [11]
  12. Officieren van justitie zijn van rechtswege plaatsvervangend officier van justitie bij de overige arrondissementsparketten (art. 136, vijfde lid, Wet RO). ^ [12]
  13. Indien de opsporingsambtenaar verzet instelt tegen de uitgevaardigde strafbeschikking moet de behandeling hiervan uiteraard worden aangebracht bij de rechtbank Midden-Nederland. ^ [13]
  14. De bepaling is niet van toepassing op geweld dat alleen pijn en geen letsel heeft veroorzaakt. De Minister heeft aangegeven geen aanleiding te zien om deze gevallen onder de reikwijdte van art. 372 Sr te brengen. De Minister is van oordeel dat er in die gevallen voldoende mogelijkheden zijn om disciplinaire maatregelen te nemen (Kamerstukken I 2020–21, 34 641, nr. F, p. 20–21). ^ [14]
  15. Zie bijvoorbeeld EHRM 17 december 1996, ECLI:NL:XX:1996:ZB6862, NJ 1997/699 (Saunders/ Verenigd Koninkrijk). ^ [15]
  16. De in het kader van de meldingsplicht door de ambtenaar verstrekte informatie kan evenmin als bewijs worden gebruikt (zie toelichting op de Ambtsinstructie, Stb. 2020, 144 p. 22). Het nemo-teneturbeginsel staat niet in de weg aan het gebruik als startinformatie voor onderzoek. Vgl. EHRM 19 december 2000, appl. nrs. 29522/95, 30056/96 en 30574/96 (I.J.L. en anderen v. Verenigd Koninkrijk. ^ [16]
  17. De wijze waarop het openbaar ministerie invulling geeft aan zijn taken en bevoegdheden in relatie tot slachtoffers, is nader beschreven in de Aanwijzing slachtofferrechten. ^ [17]
Naar boven