Besluit bekostiging WEC 2022

Geraadpleegd op 07-08-2022.
Geldend van 01-04-2022 t/m 31-07-2022

Besluit van 9 december 2021, houdende voorschriften inzake berekening, toekenning en het beheer van de bekostiging van scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (Besluit bekostiging WEC 2022)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, van 30 september 2021, nr. WJZ/29119624 (12546), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 14c, elfde lid, 14f, tiende lid, 18, derde lid, 45, vijfde lid, 70, derde lid, 88, eerste lid, 113, zesde lid, 114, vierde lid, 115, tweede lid, 116, zesde lid, 145, vijfde lid, en 171, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 7.1.1.2, eerste lid, onderdeel a, van de Jeugdwet, artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel 73, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 november 2021, nr. W05.21.0295/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 7 december 2021, nr. WJZ/30170096 (12546), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt, in alfabetische volgorde, verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Gegevensverstrekking, erkenning borgstelling en aanvang bekostiging nieuwe school

Paragraaf 2. Erkenning en aanvang bekostiging nieuwe school

Artikel 3. Erkenning organisatie borgstelling

  • 1 Het bevoegd gezag van een bijzondere school is aangesloten bij een organisatie van bevoegde gezagen, die zich borg stelt voor terugbetaling van teveel ontvangen bedragen aan het bevoegd gezag.

  • 2 De organisatie, bedoeld in het eerste lid, is rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid en is erkend door Onze Minister.

  • 3 De erkenning, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op verzoek van het bestuur van de organisatie. Het verzoek bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a. een opgave van elk bevoegd gezag waarvoor borg wordt gesteld;

    • b. voor elke school de gemeente waar de school is of, indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, de gemeente of gemeenten waar de hoofdvestiging en de nevenvestiging of nevenvestigingen zijn gelegen;

    • c. de plaats of plaatsen binnen die gemeente of gemeenten;

    • d. de naam van de rechtspersoon onder wiens bestuur de school staat.

  • 4 Het bestuur van de organisatie, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister binnen twee weken op de hoogte van wijzigingen in de gegevens, bedoeld in het derde lid. Deze wijzigingen ontheffen de organisatie niet van de voor het lopende jaar aangegane borgstelling voor een aangesloten bevoegd gezag.

  • 5 Onze Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van het verzoek tot erkenning.

Artikel 4. Aanvang eenmalige startbekostiging nieuwe school

  • 1 Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag van een nieuwe school eenmalig een deel van de bekostiging, bedoeld in de artikel 114 van de wet, toekennen vanaf 1 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin de bekostiging een aanvang neemt.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld over de wijze waarop de bekostiging wordt vastgesteld en verstrekt.

Artikel 5. Vaststelling voorschotten en verrekening van voorschotten

  • 2 Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, meldt het bevoegd gezag uiterlijk op 1 juli voorafgaande aan het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuwe school begint, het vermoedelijk aantal leerlingen op 1 oktober volgend op de datum van ingang van de bekostiging.

  • 3 Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag van een nieuwe school een voorschot verstrekken in afwachting van de vaststelling van de bekostiging voor de periode, bedoeld in artikel 116, tweede lid, onderdeel b, van de wet, op grond van het aantal leerlingen op 1 oktober volgende op de opening van de nieuwe school.

  • 4 Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit de bekostiging, bedoeld in artikel 114, tweede lid, van de wet, berekend overeenkomstig dit besluit, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen, bedoeld in het eerste lid.

  • 5 Het voorschot, bedoeld in het derde lid, bestaat uit de bekostiging, bedoeld in artikel 114, eerste lid, van de wet, berekend overeenkomstig dit besluit, met dien verstande dat wordt gerekend met het aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid.

  • 7 Onze Minister is bevoegd tot verrekening van verstrekte voorschotten met de betalingen die voortvloeien uit de vaststelling van de onderscheiden onderdelen van de bekostiging.

  • 8 Indien Onze Minister een voorschot verleent in gevallen waarin de bekostiging niet tijdig kan worden vastgesteld door omstandigheden die niet aan het bevoegd gezag van de school zijn toe te rekenen, zijn het zesde en het zevende lid van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3. Leerlingentelling en leerlingenadministratie

Artikel 6. Leerlingentelling

  • 1 Voor de toepassing van de wet en dit besluit worden de leerlingen meegeteld die:

    • a. op de teldatum als werkelijk schoolgaand op de school staan ingeschreven, of

    • b. op de teldatum op grond van artikel 12 van het Onderwijskundig besluit WEC tijdelijk buiten de school waar zij staan ingeschreven zijn geplaatst.

  • 3 De termijn van vier weken, bedoeld in het tweede lid, kan bij ministeriële regeling verlengd worden.

  • 4 Een leerling kan op de teldatum slechts op één school voor de bekostiging meetellen.

Artikel 7. Overzicht aantal leerlingen

  • 1 Onze Minister stelt jaarlijks een overzicht vast van de hem ter beschikking staande gegevens over het aantal leerlingen op de teldatum dat bij de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in artikel 13, eerste lid, in aanmerking wordt genomen.

  • 2 Het overzicht wordt uiterlijk acht weken na de teldatum toegezonden aan het bevoegd gezag. Indien toepassing is gegeven aan artikel 6, derde lid, wordt het overzicht uiterlijk vier weken na afloop van de daar bedoelde verlengde termijn toegezonden aan het bevoegd gezag.

  • 3 Het overzicht is onderverdeeld in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond en overige leerlingen.

  • 4 Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt het overzicht tevens onderverdeeld in de leerlingen van de hoofdvestiging en de leerlingen van elk van de nevenvestigingen.

Artikel 8. Inschrijving

  • 1 De directeur van een school schrijft een leerling slechts in na een beslissing van het bevoegd gezag tot toelating van de leerling, of indien de leerling tijdelijk op de school wordt geplaatst op grond van artikel 40, achtste lid, van de wet.

  • 2 De directeur schrijft de leerling in met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het eerst bezoekt.

  • 3 In afwijking van het tweede lid, schrijft de directeur de leerling die de school voor het eerst bezoekt op de eerste schooldag van het schooljaar, in met ingang van 1 augustus van dat schooljaar, tenzij de leerling op 1 augustus de leeftijd van vier jaar nog niet heeft bereikt.

Artikel 9. Uitschrijving

  • 1 De directeur van de school waar een leerling staat ingeschreven, schrijft de leerling, indien deze de school verlaat, uit met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht. De directeur schrijft de leerling die wordt uitgeschreven na de school op de laatste schooldag van het schooljaar te hebben bezocht, uit met ingang van 31 juli van dat schooljaar.

  • 2 Indien de directeur van een school op wiens school de leerling stond ingeschreven binnen vier weken na de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht uit het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in de Wet register onderwijsdeelnemers, een melding ontvangt van de inschrijving van de leerling op een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs, wijzigt de directeur de datum van uitschrijving, bedoeld in het eerste lid, alsnog in de datum van de dag voorafgaande aan de inschrijving op die andere school of die school of instelling voor ander onderwijs.

Artikel 10. Inhoud leerlingenadministratie

  • 1 De directeur van een school draagt er zorg voor dat een overzichtelijke leerlingenadministratie beschikbaar is van:

  • 2 Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen wordt in de leerlingenadministratie een onderverdeling gemaakt naar leerlingen van de hoofdvestiging en leerlingen van elk van de nevenvestigingen.

  • 3 De directeur zorgt dat de leerlingenadministratie op de hoofdvestiging beschikbaar is.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop de leerlingenadministratie wordt ingericht.

Artikel 11. Bewaren gegevens

  • 1 De gegevens, bedoeld in artikel 10, worden in ieder geval gedurende vijf jaar nadat de desbetreffende leerling van de school is uitgeschreven in de leerlingenadministratie bewaard.

  • 2 De gegevens, bedoeld in artikel 10, onderdelen b, c en d, worden binnen acht weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, vernietigd.

Hoofdstuk 4. Vaststelling bekostiging en extra bekostiging

Paragraaf 1. Vaststelling bekostiging

Artikel 13. Vaststelling bekostiging en gewijzigde vaststelling

  • 2 Onze Minister kan de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wijzigen vanwege loonontwikkelingen of andere al dan niet uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.

  • 3 Het bedrag per school, bedoeld in artikel 114, tweede lid, van de wet bedraagt voor scholen voor speciaal onderwijs met op de teldatum minder dan 50 leerlingen respectievelijk 50 leerlingen of meer een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.

  • 4 Het bedrag per school, bedoeld in artikel 114, tweede lid, van de wet bedraagt voor scholen voor voortgezet speciaal onderwijs met op de teldatum minder dan 50 leerlingen respectievelijk 50 leerlingen of meer een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.

  • 5 Voor een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs zijn zowel het derde als het vierde lid van toepassing, voor zover de school onderwijs verzorgt aan leerlingen op zowel het deel van de school voor speciaal onderwijs als op de afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs.

  • 6 Een school die geen leerlingen heeft, komt niet voor bekostiging in aanmerking.

Paragraaf 2. Extra bekostiging

Artikel 14. Extra bekostiging onderwijsachterstanden

  • 1 Voor een school met leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond op de teldatum wordt voor de bestrijding van onderwijsachterstanden extra bekostiging toegekend.

  • 2 De extra bekostiging bestaat uit een bedrag per leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.

Artikel 15. Extra bekostiging schoolbad

  • 2 De aanspraak op extra bekostiging voor de uitgaven voor een schoolbad ontstaat met ingang van de maand na de melding aan Onze Minister van de ingebruikneming daarvan.

  • 3 Bij de melding, bedoeld in het tweede lid, worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a. gegevens over het soort bad;

    • b. de afmetingen van het bad in m3 maximale waterinhoud;

    • c. gegevens over het type bodem;

    • d. een bewijsstuk van de kenmerken van het bad.

  • 4 Wijzigingen van de gegevens, bedoeld in het derde lid worden binnen acht weken doorgegeven aan Onze Minister.

  • 5 De extra bekostiging bestaat uit een bedrag per bad en een bedrag per m3 waterinhoud. Bij een beweegbare bodem wordt de extra bekostiging verhoogd met een bedrag voor de beweegbare bodem.

  • 6 De bedragen voor een schoolbad worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

  • 7 Onze Minister stelt binnen acht weken na de melding van ingebruikneming, bedoeld in het eerste lid, de bekostiging voor dat jaar vast.

  • 8 De aanspraak op de extra bekostiging eindigt met ingang van de maand volgend op de maand waarin het schoolbad buiten gebruik wordt gesteld.

  • 9 De buitengebruikstelling, bedoeld in het achtste lid, wordt binnen acht weken aan Onze Minister gemeld.

Artikel 16. Extra bekostiging brancardlift

  • 1 De aanspraak op extra bekostiging voor installatieonderhoud en elektriciteitsverbruik van een brancardlift ontstaat met ingang van de maand na de melding aan Onze Minister van de ingebruikneming daarvan en eindigt met ingang van de maand volgend op de maand waarin de brancardlift buiten gebruik wordt gesteld.

  • 2 Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt een bewijsstuk van de kenmerken van de lift verstrekt.

  • 3 Binnen acht weken na de buitengebruikstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt dit aan Onze Minister gemeld.

  • 4 De extra bekostiging bestaat uit een bedrag per brancardlift. Het bedrag wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

Hoofdstuk 5. Samenvoeging, opheffing scholen en beëindiging bekostiging

Artikel 17. Samenvoeging

Er is sprake van een samenvoeging als bedoeld in artikel 115, eerste lid, van de wet indien:

  • a. de institutionele fusie, bedoeld in artikel 66a van de wet, die heeft geleid tot de samenvoeging binnen vier weken na de fusiedatum van 1 augustus door het bevoegd gezag bij onze Minister is gemeld;

  • b. alle scholen die onderdeel uitmaken van de fusie op het moment van deze fusie meer dan acht schooljaren bekostigd worden; en

  • c. minimaal 25% van de leerlingen die op 1 februari direct voorafgaande aan de fusie als bekostigde leerling stonden ingeschreven op een bij de fusie opgeheven school voor speciaal onderwijs, school voor voortgezet speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs dan wel voortgezet speciaal onderwijs aan een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs en die op 1 augustus direct volgend op de opheffing als bekostigde leerling ingeschreven staan aan dezelfde soort onderwijs, zijn doorgestroomd naar de fusieschool en staan daar op de fusiedatum als bekostigde leerling ingeschreven.

Artikel 18. Opheffen school

Het bevoegd gezag geeft binnen twee weken na een besluit tot opheffing van de school of een nevenvestiging kennis daarvan aan Onze Minister, gedeputeerde staten, de Inspectie van het onderwijs en, indien het een bijzondere school of een nevenvestiging daarvan betreft, eveneens aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school onderscheidenlijk de nevenvestiging is gelegen.

Artikel 19. Berekening exploitatieoverschot bij opheffing of beëindiging van de bekostiging van de laatste school van een bevoegd gezag

  • 1 Voor de toepassing van artikel 139 van de wet wordt onder exploitatieoverschot verstaan:

    • a. het bedrag van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 114, 117, 118 en 119 van de wet verminderd met de lasten over dat jaar voor zover deze als rechtmatig kunnen worden aangemerkt;

    • b. de reserveringen voor zover afkomstig uit ’s Rijks kas, met inbegrip van de ontvangen rentebaten; en

    • c. voor zover het een niet door een gemeente in stand gehouden school betreft, de niet bestede gedeelten van de uitkeringen op grond van de voorschriften inzake de gemeentelijke overschrijding.

  • 2 Het bevoegd gezag meldt het overeenkomstig het eerste lid berekende saldo, verdeeld naar de onderdelen a en b, respectievelijk c, van het eerste lid, tezamen met het jaarverslag over het laatste jaar waarin de school nog geheel of gedeeltelijk voor bekostiging in aanmerking kwam. De opgave gaat vergezeld van een verklaring omtrent de juistheid van de opgave van een accountant.

  • 3 Indien het exploitatieoverschot van een niet door een gemeente in stand gehouden school mede is opgebouwd uit uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en geen onderscheid kan worden gemaakt met de baten respectievelijk de lasten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, geldt als maatstaf voor de verdeling van eerstbedoeld deel van het exploitatieoverschot tussen Rijk en de desbetreffende gemeente de verhouding tussen het ontvangen bedrag aan bekostiging van het Rijk en het ontvangen bedrag aan uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, van de gemeente in een periode van vijf jaren voorafgaand aan het jaar van de beëindiging van de bekostiging. De verdeling behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

Hoofdstuk 6. Bekostigingscorrecties

Artikel 20. Onderzoek en correcties

  • 1 Onverminderd de bevoegdheid van de Inspectie van het onderwijs op grond van de Wet op het onderwijstoezicht kan Onze Minister een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarverslaggeving, naar de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de bekostiging, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de school.

  • 2 Onze Minister kan correcties aanbrengen op de bekostiging, indien uit het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de bekostiging voor een school onjuist is vastgesteld.

  • 3 Onze Minister doet het bevoegd gezag schriftelijk mededeling van een besluit tot het aanbrengen van een correctie op de bekostiging.

  • 5 De correctie, bedoeld in het tweede lid, wordt, indien de correctie strekt tot verhoging van de bekostiging, binnen acht weken na de mededeling, bedoeld het derde lid, door Onze Minister betaald.

Hoofdstuk 7. Oude eigendoms- en huurscholen

Paragraaf 1. Vergoeding voor en buitengebruikstelling van oude eigendoms- en huurscholen

Artikel 21. Schatting

  • 1 Schattingen welke ingevolge dit hoofdstuk dienen plaats te vinden, geschieden door een commissie van drie deskundigen van wie er een wordt benoemd door de Onderwijsraad, een door het college van burgemeester en wethouders en een door het bevoegd gezag.

  • 2 De commissie beslist bij meerderheid van stemmen. Indien geen meerderheid wordt verkregen, wordt de waarde bepaald op het gemiddelde van de drie schattingsopgaven.

  • 3 Een afschrift van de beslissing wordt aan het gemeentebestuur en het bevoegd gezag verstrekt.

  • 4 De kosten van de schattingen komen ten laste van de gemeente.

Artikel 22. Niet meer verschuldigde vergoeding

De vergoedingen, bedoeld in de paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk, zijn niet langer verschuldigd wanneer de gemeente de eigendom van het terrein en gebouw verkrijgt of wanneer het terrein en gebouw niet meer voor het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de wet, wordt gebruikt.

Paragraaf 2. Eigendomsscholen als bedoeld in artikel 205 van de Lager-onderwijswet 1920

Artikel 23. Vergoeding

  • 1 Voor de terreinen en gebouwen die eigendom zijn van het bevoegd gezag van een bijzondere school en op 1 januari 1921 in gebruik of in aanbouw waren, betaalt de gemeente jaarlijks aan het desbetreffende bevoegd gezag een vergoeding, berekend over de waarde van de terreinen, gebouwen en het meubilair zoals deze ingevolge de Lager-onderwijswet 1920 is geschat.

  • 2 In afwijking van het eerste lid wordt voor gebouwen die niet uitsluitend zijn bestemd voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de wet, de vergoeding berekend over 80% van het voor het desbetreffende gebouw ingevolge de Lager-onderwijswet 1920 geschatte bedrag.

  • 3 De vergoeding, bedoeld in het tweede lid, wordt op gelijke wijze uitbetaald aan een bevoegd gezag dat na 1 januari 1921 de eigendom van terreinen en gebouwen van een bijzondere school die op 1 januari 1921 in gebruik of in aanbouw waren, heeft verkregen of verkrijgt.

  • 4 Voor de toepassing van dit artikel worden onder gebouwen in aanbouw verstaan de gebouwen van een bijzondere school waarvan de ontwerpen voor 1 januari 1921 overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 juni 1912 (Stb. 193) bij het rijksschooltoezicht werden ingediend en die voor 1 juli 1923 zijn voltooid.

Artikel 24. Hoogte vergoeding

  • 1 De vergoeding, bedoeld in artikel 23, bedraagt 5% van de geschatte waarde, onderscheidenlijk het in de tweede volzin van het eerste lid van dat artikel bedoelde bedrag waarover de vergoeding dient te worden berekend.

  • 2 Het college van burgemeester en wethouders kan, op verzoek van het bevoegd gezag van de bijzondere school, bepalen dat in verband met de op het bevoegd gezag rustende geldelijke verplichtingen, gedurende een door hem vast te stellen termijn de vergoeding naar een hoger percentage zal worden berekend.

Artikel 25. Vermindering van de vergoeding

  • 1 Indien voor de bouw van nieuwe lokalen gebruik wordt gemaakt van een gebouw of terrein als bedoeld in artikel 23, of indien overeenkomstig artikel 108 van de wet is vastgesteld dat een gedeelte van een zodanig gebouw of terrein ten gevolge van het in gebruik nemen van nieuwe of andere lokalen blijvend niet meer voor de school wordt gebruikt, wordt de geschatte waarde, bedoeld in dat artikel, verminderd met de geschatte waarde van de niet meer gebruikte lokalen, en wordt over het verschil de vergoeding opnieuw berekend. De nieuw berekende vergoeding gaat in op het tijdstip waarop de lokalen buiten gebruik zijn gesteld.

  • 2 Indien het meubilair in gebouwen als bedoeld in artikel 23 wordt vervangen, wordt de geschatte waarde, bedoeld in dat artikel, verminderd met het bedrag waarop de waarde van het oude meubilair was bepaald, en wordt over het verschil de vergoeding opnieuw berekend. De nieuw berekende vergoeding gaat in op het tijdstip van ingebruikneming van het nieuwe meubilair.

Artikel 26. Vervreemding en buitengebruikstelling

  • 1 Wanneer de gebouwen en terreinen, bedoeld in artikel 23, anders dan ingevolge artikel 58 van de wet worden vervreemd, of zodra voor die gebouwen en terreinen overeenkomstig artikel 108 van de wet is vastgesteld dat zij blijvend niet meer voor het onderwijs aan de school worden gebruikt, betaalt het bevoegd gezag van een bijzondere school aan de gemeente terug het bedrag dat de gemeente aan uitbreiding, verbouwing of vernieuwing van het gebouw en terrein op grond van de bepalingen van de Lager-onderwijswet 1920 of de Overgangswet ISOVSO zoals luidend op 31 december 1996 heeft uitgegeven, verminderd, behoudens voor zover het betreft door de gemeente bekostigde grond, met 2% voor wat betreft de uitbreiding en met 5% voor wat betreft de verbouwing of de vernieuwing, voor elk vol jaar dat is verstreken vanaf het tijdstip waarop de uitgaven zijn gedaan. De terugbetaling kan in termijnen plaatsvinden.

  • 2 Het bevoegd gezag van een bijzondere school betaalt aan de gemeente terug het bedrag dat de gemeente aan uitbreiding, algehele aanpassing, partiële aanpassing, ingrijpend onderhoud of energiebesparende maatregelen op grond van de bepalingen van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals die luidde op 31 december 1996 heeft uitgegeven, verminderd, behoudens voor zover het betreft door de gemeente bekostigde grond, met de ten behoeve van een voorziening als de onderhavige voor de desbetreffende school door het Rijk aan de gemeente verstrekte vergoedingen. De terugbetaling kan in termijnen plaatsvinden.

  • 3 Het bevoegd gezag van een bijzondere school betaalt aan de gemeente het bedrag terug dat de gemeente heeft uitgegeven aan de voorzieningen, bedoeld in artikel 90, eerste lid, onderdelen a, onder 2°, en b, van de wet, verminderd met de uit de gemeentebegroting blijkende afschrijving op het moment van de in het eerste lid bedoelde vaststelling van de buitengebruikstelling, behoudens voor zover het betreft door de gemeente bekostigde grond, voor elk vol jaar dat is verstreken sedert het tijdstip waarop de uitgaven plaats hadden. De terugbetaling kan in termijnen plaatsvinden.

  • 4 Binnen vier weken na de vervreemding of nadat de buitengebruikstelling overeenkomstig artikel 108 van de wet is vastgesteld, draagt het bevoegd gezag van een bijzondere school de roerende zaken, behoudens die welke het bevoegd gezag uit eigen middelen heeft aangeschaft, aan de gemeente in eigendom over.

  • 5 Indien het bevoegd gezag in de onmogelijkheid verkeert het gebouw en terrein tegen een zodanige prijs te verkopen of op andere wijze daaruit zodanige inkomsten te verwerven, dat uit de opbrengst het verschuldigde bedrag kan worden terugbetaald, kan het bevoegd gezag aan zijn verplichtingen voldoen door overdracht van het gebouw en terrein aan de gemeente, dan wel door betaling aan de gemeente van een door gedeputeerde staten vast te stellen vergoeding.

Paragraaf 3. Scholen als bedoeld in artikel 184 van het Besluit buitengewoon onderwijs 1967

Artikel 27. Scholen als bedoeld in artikel 184 van het Besluit buitengewoon onderwijs 1967

  • 1 Voor de gebouwen en terreinen waarvoor voor 1 januari 1989 vergoeding werd genoten op grond van artikel 184 van het Besluit buitengewoon onderwijs 1967, betaalt de gemeente jaarlijks aan het bevoegd gezag een vergoeding gelijk aan het bedrag dat voor huur van de gebouwen en terreinen, met inbegrip van de inrichting, het meubilair en het onderwijsleerpakket, redelijk is te achten, verminderd met de kosten van instandhouding van het gebouw. De vergoeding bedraagt niet meer dan het bedrag dat een redelijke vergoeding oplevert voor een overeenkomstige school, bestemd voor hetzelfde aantal leerlingen, die in normale omstandigheden verkeert. De vergoeding wordt in overleg tussen burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag vastgesteld. Indien voor gebouw en terrein, met inbegrip van de inrichting, het meubilair en het onderwijsleerpakket, een vergoeding uit de openbare kassen is of wordt genoten, wordt de vergoeding dienovereenkomstig verminderd.

  • 2 Aan het bevoegd gezag van een school, niet zijnde een instelling, waarvoor de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt betaald, verstrekt het Rijk jaarlijks een bedrag ter bestrijding van de kosten van de school waarvoor de in het eerste lid bedoelde vergoeding niet is bestemd. De artikelen 12, 15 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 28. Vervreemding en buitengebruikstelling

  • 2 In afwijking van het eerste lid, kan het bevoegd gezag de eigendom van het gebouw overdragen aan de gemeente.

Hoofdstuk 8. Subsidiëring van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen

Artikel 29. Subsidieverstrekking

  • 1 Onze Minister verstrekt per boekjaar subsidie aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 171, eerste lid, van de wet, voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de verstrekking.

Artikel 30. Subsidiebedrag

  • 1 Het subsidiebedrag dat wordt verstrekt aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 171, eerste lid, van de wet, bestaat uit een bedrag dat is bestemd voor personeelskosten voor de leraren die het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs verzorgen en een bedrag dat is bestemd voor overige kosten.

  • 2 Het bedrag dat is bestemd voor personeelskosten kan met maximaal 2% per jaar stijgen ten opzichte van het meest recent vastgestelde subsidiebedrag dat is bestemd voor personeelskosten.

  • 3 Het tweede lid vervalt met ingang van 31 december 2025.

  • 4 Voor het berekenen van de hoogte van het subsidiebedrag wordt uitgegaan van ten hoogste veertig uren per schooljaar door leerlingen te ontvangen godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.

  • 5 Bij het besluit tot verlening van de subsidie verleent Onze Minister voorschotten. Onze Minister stelt bij beschikking het betaalritme vast.

  • 6 Het bedrag dat ten hoogste wordt verstrekt aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 171, eerste lid, van de wet, is het bedrag dat op de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar is voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.

Artikel 31. Nadere regels groepsgrootte en schooljaren

Voor het bepalen van de hoogte van het subsidiebedrag kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over:

  • a. de minimale omvang van de groepsgrootte per stroming binnen het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs; en

  • b. het maximale aantal schooljaren per school waarin godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs wordt gegeven.

Artikel 32. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, kan de subsidie in ieder geval worden geweigerd indien:

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 9 december 2021

Willem-Alexander

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

A. Slob

Uitgegeven de vierde januari 2022

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Naar boven