Kaderbesluit mrb

Geraadpleegd op 25-09-2022.
Geldend van 01-01-2022 t/m heden

Kaderbesluit mrb

De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft het volgende besloten.

Dit besluit is een actualisering van het besluit van 23 november 2015, BLKB2015/1381M gewijzigd bij besluit van 20 augustus 2020, nr. 2020-129396. Alle onderdelen die betrekking hebben op inrichtingseisen zijn opgenomen in het nieuwe besluit inrichtingseisen bpm en mrb. Er is een aanpassing van de werkwijze voor de overgangsregeling oldtimers opgenomen en een onderdeel is verwijderd i.v.m. codificatie. Tot slot is een aantal onderdelen verduidelijkt of geactualiseerd.

1. Inleiding

In dit besluit zijn nieuwe standpunten opgenomen en standpunten aangepast of verduidelijkt over de volgende onderwerpen:

  • Algemeen: alle onderdelen die betrekking hebben op inrichtingseisen (voorheen genummerd onderdelen: 2, 3.1, 7, 10.2 zijn opgenomen in het nieuwe besluit inrichtingseisen bpm en mrb van 16 december 2021, nr. 2021-213898.

  • Vuilnisauto’s (3.2): verduidelijking met extra voorbeeld.

  • Andere motorrijtuigen in gebruik bij ambulance-diensten (3.5.1): verwijzing naar nieuwe Wet ambulancezorgvoorzieningen.

  • Motorrijtuigen in gebruik bij organisaties die zich richten op het voorkomen van de verdrinkingsdood (3.5.2): de eis dat het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt voor activiteiten gericht op het redden van drenkelingen gewijzigd naar nagenoeg uitsluitend zodat deze meer in lijn is met de praktijk.

  • Transito- en exportkenteken (3.9): exportkenteken toegevoegd aan de vrijstelling.

  • Motorrijwielen (voorheen onderdeel 4): verwijderd i.v.m. codificatie in regeling.

  • Verzoek om bijzonder tarief of vrijstelling (4): goedkeuring beperkt voor situaties van aanpassing motorrijtuig.

  • Overgangsregeling oldtimers (5.1): nieuwe werkwijze opgenomen.

  • Einde beschikkingsmacht (7): verduidelijking.

  • Tijdstip betaling (8.1): verduidelijking

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

wet

Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994

besluit

Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994

regeling

Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994

Richtlijn

De richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen

RDW

Dienst Wegverkeer

B/CAP

Belastingdienst/Centrale administratieve processen

AWR

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Wet OB

Wet op de omzetbelasting 1968

Wet personen- vervoer

Wet personenvervoer 2000

Wp-vergunning

een vergunning afgegeven op grond van de Wet personenvervoer 2000

Wegenverkeerswet

Wegenverkeerswet 1994

mrb

motorrijtuigenbelasting

bpm

belasting van personenauto’s en motorrijwielen

Wet bpm

HR

Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992

Hoge Raad

2. Bijzondere tarieven

2.1. Maten en firmanten

Een maatschap kan ondernemer zijn. Omdat een maatschap geen rechtspersoon is, kan het kenteken van een (bestel)auto niet op naam van de maatschap staan. Volgens de ondernemersregeling wordt het lage bestelautotarief toegekend aan de kentekenhouder. Het is niet de bedoeling van de wetgever om maatschappen die ondernemer zijn uit te sluiten van de ondernemersregeling. Dit geldt eveneens voor de firmanten van een vennootschap onder firma.

Goedkeuring

In verband hiermee keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) het volgende goed. Een maat of firmant kan op verzoek als ondernemer worden aangemerkt als een bestelauto die op naam van de maat of de firmant staat meer dan bijkomstig wordt gebruikt ten behoeve van de onderneming van de maatschap of firma waaraan hij deelneemt.

Voor toepassing van de ondernemersregeling is de maat of firmant op wiens naam het kenteken is gesteld degene die de verplichtingen moet nakomen. Als niet langer aan de voorwaarden en beperkingen van de ondernemersregeling wordt voldaan, is de kentekenhouder het voor de auto van toepassing zijnde tarief verschuldigd.

2.2. Kermis- en circuswoonwagens

Een woonwagen is een personenauto waarvan de binnenruimte vaste voorzieningen bevat voor bewoning. Het begrip woonwagen valt per 1 juli 2006 onder de definitie van kampeerauto (artikel 23a, eerste lid, van de wet). Dat wil zeggen dat de personenauto vaste voorzieningen bevat voor het koken, het slapen, het vervoer en het verblijf van personen. Voor deze motorrijtuigen kan het kampeerautotarief worden verleend. Dit tarief bedraagt een kwart van het tarief voor een personenauto. Dat geldt ook voor een tot woonwagen omgebouwde vrachtauto. Dus in beginsel ook voor een tot kermis- of circuswoonwagen omgebouwde vrachtauto.

Goedkeuring

Mede gelet op het bijzondere karakter van het kermis- en circusbedrijf, keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed, dat voor kermis- en circuswoonwagens de verschuldigde belasting een kwart van het zogenoemde vrachtautotarief bedraagt. De houder van de auto moet daartoe een verzoek bij de B/CAP indienen.

Voorwaarden:

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden.

  • Het betreft een motorrijtuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg;

  • De in het kentekenregister opgenomen houder is kermis- of circusexploitant en ondernemer in de zin van de Wet OB 1968;

  • Het motorrijtuig behoort tot het ondernemingsvermogen van de houder als kermis- of circusexploitant;

  • Het motorrijtuig wordt uitsluitend gebruikt in de uitoefening van het kermis- of circusbedrijf.

Als het kenteken van het motorrijtuig niet op naam van de kermis- of circusexploitant is gesteld, moet de kermis- of circusexploitant door de B/CAP aangemerkt worden als ‘afwijkend houder’ (artikel 8 van de wet). De kermis- of circusexploitant moet daartoe een verzoek doen. Als de auto niet in eigendom is verkregen, kan niet aan de eis worden voldaan dat de auto behoort tot het ondernemingsvermogen van de houder. In plaats daarvan moet de kermis- of circusexploitant aantonen dat het motorrijtuig gehuurd of geleased is en wordt gebruikt in het kader van zijn kermis- of circusonderneming.

Het bovenstaande betekent dat deze goedkeuring niet meer van toepassing is, als het motorrijtuig aan een ander wordt verkocht, de tenaamstelling in het kentekenregister wordt gewijzigd, of het huur-/leasecontract wordt beëindigd. Als de nieuwe houder eveneens een kermis- of circusexploitant is, moet een nieuw verzoek bij de B/CAP worden ingediend.

2.3. Kampeerauto’s

Een kampeerauto is gedefinieerd als een personenauto waarvan de binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen en is voorzien van een vaste kook- en slaapgelegenheid (artikel 23a, eerste lid, van de wet). De binnenruimte is de ruimte achter de in de achterste stand geplaatste zitplaatsen van de bestuurder en de bijrijder. Voor een kampeerauto geldt een zelfstandig tarief dat een kwart is van het tarief van een personenauto. Dit tarief is van toepassing op een kampeerauto als wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in het besluit (artikel 5aa van het besluit).

2.3.1. Autobus met kampeervoorziening

Een autobus is gedefinieerd als een motorrijtuig op drie of meer wielen dat is ingericht voor personenvervoer en wel voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen (artikel 2, onderdeel e, van de wet).

Een motorrijtuig kan voldoen aan de inrichtingseisen die zijn gesteld aan een autobus. Hierop is het tarief voor een autobus van toepassing (artikel 25c van de wet). Een dergelijk motorrijtuig kan tevens voorzieningen bevatten als zijn voorgeschreven voor een kampeerauto (artikel 23a, eerste lid, van de wet).

Goedkeuring

In dit verband keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) onder de volgende voorwaarden goed, dat als een motorrijtuig voldoet aan de inrichtingseisen die zijn gesteld aan een autobus en de voorzieningen bevat als zijn voorgeschreven voor een kampeerauto, een kwart van het tarief voor een autobus verschuldigd is.

Voorwaarde:

Voor deze goedkeuring geldt de voorwaarde dat het motorrijtuig op grond van de wegenverkeerswetgeving als autobus is goedgekeurd.

2.4. Combinatie trekker/oplegger

Voor een motorrijtuig kan een bijzonder tarief of vrijstelling motorrijtuigenbelasting worden verleend (artikelen 30 en 72 van de wet). Onder motorrijtuig wordt verstaan een personenauto, bestelauto, motorrijwiel en/of vrachtauto.

Voor vrachtauto’s met een koppelinrichting voor het voortbewegen van een aanhangwagen of oplegger, wordt de verschuldigde motorrijtuigenbelasting berekend over de toegestane maximum massa van de vrachtauto en de hoogste toegestane maximum massa van de aanhangwagen of oplegger die aan de vrachtauto kan worden gekoppeld. Een oplegger of aanhangwagen wordt dus niet afzonderlijk in de heffing betrokken.

Voor de toepassing van een bijzonder tarief of vrijstelling is vereist dat het motorrijtuig voor specifieke doeleinden moet worden gebruikt of een specifieke inrichting moet hebben. Een trekker zal hier in het algemeen niet aan voldoen. Dit zou betekenen dat vrachtautocombinaties bestaande uit een trekker met een specifieke oplegger niet voor een bijzonder tarief of vrijstelling in aanmerking kunnen komen.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) onder de volgende voorwaarden goed, dat voor de toepassing van het bijzondere tarief en de vrijstelling onder het begrip motorrijtuig, mede de combinatie van een trekker met een specifieke oplegger wordt verstaan.

Voorwaarden:

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

  • De combinatie van de trekker en oplegger(s) moet voldoen aan de voor het bijzondere tarief of de vrijstelling gestelde voorwaarden en beperkingen (artikelen 30 en 72 van de wet);

  • In het verzoek om toepassing van het bijzonder tarief of vrijstelling moeten de kentekens van de trekker met de bijbehorende oplegger(s) worden vermeld;

  • De houder verklaart dat de trekker uitsluitend wordt gebruikt voor het voortbewegen van de in het verzoek vermelde oplegger(s). Het is toegestaan dat de trekker zonder oplegger wordt gebruikt om een oplegger op te halen;

  • Het bijzondere tarief of de vrijstelling geldt alleen voor de in de beschikking geduide combinatie van trekker en oplegger(s);

  • De trekker en de oplegger hebben dezelfde houder, dit moet blijken uit een gelijke tenaamstelling van de beide kentekenbewijzen (artikel 8 van de wet (afwijkend houderschap) kan hierbij van toepassing zijn).

Deze goedkeuring geldt niet voor vrachtauto’s met een (willekeurige) aanhangwagen.

3. Vrijstellingen

3.1. Motorrijtuigen ingericht en uitsluitend gebruikt voor aanleg en onderhoud van wegen

Onder voorwaarden wordt vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor de aanleg en het onderhoud van wegen (artikel 72, eerste lid, onderdeel j, van de wet en artikel 19 van het besluit).

De vrijstelling wordt verleend als de houder van het motorrijtuig:

  • zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van wegen; en

  • een verklaring overlegt dat het motorrijtuig is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt voor de aanleg en het onderhoud van wegen.

3.1.1. Inrichting

Een motorrijtuig voor de wegenbouw moet als zodanig zijn ingericht en uitsluitend daarvoor worden gebruikt.

Dit betekent dat:

  • het motorrijtuig zelf één der machines is die de weg aanleggen en onderhouden; en

  • het motorrijtuig rechtstreeks voor het verrichten van de eigenlijke wegenbouwwerkzaamheden moet dienen. Motorrijtuigen die ook andere mogelijkheden van gebruik hebben dan enkel aanleg en onderhoud van wegen, kunnen dus niet onder de vrijstelling worden begrepen. Ook al wordt dat motorrijtuig uitsluitend gebruikt voor de genoemde aanleg en onderhoud.

De inrichting is leidend. De inrichting moet zodanig zijn dat deze alleen dient voor de aanleg en onderhoud van wegen.

Goedkeuring

In afwijking van het bovenstaande keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) het volgende goed.

  • 1. Motorrijtuigen die zijn voorzien van een vaste inrichting die bestaat uit apparatuur om ter plaatse meetwerkzaamheden aan de weg te verrichten om te bepalen welk onderhoud van bestaande wegen noodzakelijk is, voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot de inrichting voor toepassing van de vrijstelling.

  • 2. Apparatuur die buiten het motorrijtuig direct de weg aanlegt of bewerkt, wordt tot de vaste inrichtingen van het motorrijtuig gerekend, als:

    • deze apparatuur rechtstreeks verbonden is met een motorrijtuig dat is voorzien van een specifieke inrichting om (reinigings)materialen naar en van deze apparatuur te verplaatsen;

    • de bewerkingsfunctie buiten het motorrijtuig daarmee samen kan worden uitgevoerd;

    • zonder deze voorziening de apparatuur geen zelfstandige functie heeft.

Voor toepassing van de vrijstelling geldt bij beide goedkeuringen dat het motorrijtuig uitsluitend voor de aanleg en het onderhoud van wegen wordt gebruikt.

Dit betekent dat de volgende motorrijtuigen wel onder de vrijstelling vallen:

  • een plateau- of ladderwagen uitsluitend gebruikt voor de aanleg en het onderhoud van openbare verlichting aan wegen;

  • een asfalt/teer-sproeiwagen met vaste inrichting en uitsluitend gebruikt voor de aanleg en het onderhoud van wegen;

  • een vrachtauto met een vaste inrichting bedoeld en uitsluitend gebruikt voor het verrichten van metingen rechtstreeks aan de weg;

  • een straal-/zuigwagen met een vaste inrichting en uitsluitend gebruikt voor het verwijderen van onderdelen van wegen, zoals wegmarkeringen; en

  • een asfaltzaagauto en een emulsiewagen.

3.1.2. Lenen, verhuren of leasen

De houder van het motorrijtuig moet zich bezighouden met de aanleg en het onderhoud van wegen. Dit betekent dat als wegen worden aangelegd en onderhouden met geleende, gehuurde of geleasete motorrijtuigen, de houder van deze motorrijtuigen niet in aanmerking komt voor de vrijstelling.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) onder de volgende voorwaarden goed, dat de vrijstelling desondanks van toepassing is op geleende, gehuurde of geleasete motorrijtuigen.

Voorwaarden:

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

  • het motorrijtuig wordt feitelijk gebruikt door een bedrijf dat zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van wegen (artikel 19 van het besluit); en

  • de Inspecteur heeft de feitelijke gebruiker aangemerkt als zogenaamde afwijkend houder (artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de wet). Als er geen verzoek om afwijkend houderschap wordt gedaan of de Inspecteur een daartoe strekkend verzoek niet kan inwilligen, is de vrijstelling niet van toepassing en is de uitlener, verhuurder dan wel het leasebedrijf als houder de belasting verschuldigd.

3.2. Vuilnisauto’s

Onder voorwaarden wordt vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt als vuilniswagen (artikel 72, eerste lid, onderdeel h, van de wet, artikel 17 van het besluit). De vrijstelling voor vuilniswagens is ook van toepassing op motorrijtuigen waarmee chemisch afval wordt opgehaald (chemokar) en motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het ledigen van ondergrondse huisvuilcontainers.

3.2.1. Verhuren of leasen van vuilnisauto’s

Voor toepassing van de vrijstelling moet het motorrijtuig in het kentekenregister op naam van een openbaar lichaam staan ingeschreven, of op naam van een bedrijf dat zich bezighoudt met werkzaamheden waarbij deze motorrijtuigen worden ingezet (artikel 17 van het besluit).

Als een vuilniswagen wordt verhuurd of geleased door een bedrijf dat niet zelf die werkzaamheden uitvoert, wordt veelal niet aan die eis voldaan, omdat het kenteken op naam van het verhuur- dan wel leasebedrijf is gesteld.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) onder voorwaarden goed, dat de vrijstelling desondanks van toepassing is op verhuurde of geleasete vuilniswagens.

Voorwaarden:

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

  • het motorrijtuig wordt feitelijk gebruikt door een openbaar lichaam of bedrijf zoals bedoeld in artikel 17 van het besluit; en

  • de Inspecteur heeft de feitelijke gebruiker aangemerkt als zogenoemde afwijkend houder (artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de wet). Als er geen verzoek om afwijkend houderschap wordt gedaan of de Inspecteur een daartoe strekkend verzoek niet kan inwilligen, is de vrijstelling niet van toepassing en is de verhuurder dan wel het leasebedrijf als houder de belasting verschuldigd.

3.3. Straatveegwagens

Onder voorwaarden wordt vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt als straatveegwagen (artikel 72, eerste lid, onderdeel h, van de wet, artikel 17 van het besluit). De vrijstelling is alleen

van toepassing op motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt voor veegwerkzaamheden op wegen. De techniek heeft echter de methoden van schoonmaken van wegen veranderd.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed, dat ook andere technieken van schoonmaken van wegen onder de vrijstelling kunnen vallen, bijvoorbeeld een zogenaamde zoab-cleaner.

3.4. Dierenambulances; vervoer van overleden dieren

Er geldt een vrijstelling van motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren en die als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn (artikel 71, eerste lid, onderdeel c, van de wet). De vrijstelling is dus niet gekoppeld aan het motorrijtuig zelf, maar aan de aard van het gebruik daarvan.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed, dat de vrijstelling voor dierenambulances ook kan worden verleend of gecontinueerd als incidenteel bijvoorbeeld een overleden huisdier of een als gevolg van een aanrijding overleden (wild) dier wordt vervoerd. Ook is het incidenteel vervoeren van zwerfdieren toegestaan. De vrijstelling kan ook worden verleend of gecontinueerd als dierenambulances worden ingezet voor hulp van in nood geraakte dieren, zoals in geval van uitgebroken, beklemde of te water geraakte dieren.

3.5. Motorrijtuigen voor het vervoer van zieken en gewonden

3.5.1. Andere motorrijtuigen in gebruik bij ambulance-diensten

De ambulancebranche maakt naast ambulances steeds meer gebruik van andersoortige motorrijtuigen voor het verlenen van spoedeisende medische hulpverlening. Het gaat dan om personenauto's of motoren waarmee medisch personeel naar de plaats van het ongeluk kan rijden of motorrijtuigen van waaruit spoedeisende medische hulpverlening kan worden gecoördineerd.

Goedkeuring

Ik keur in dit verband met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) het volgende goed. Onder ambulances worden tevens begrepen andere motorrijtuigen, inclusief motorrijwielen, dan ambulances mits deze uitsluitend worden gebruikt voor het verlenen of coördineren van spoedeisende medische hulpverlening. Deze motorrijtuigen moeten daarbij aan de volgende eis voldoen:

Het motorrijtuig wordt gebruikt door de regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4 van de Wet ambulancezorgvoorzieningen of door de noodhulpteams van het Rode Kruis die een convenant hebben afgesloten met de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) voor het verlenen van hulp als genoemd in het model Grootschalige Geneeskundige Bijstand.

Voor motorrijtuigen die niet uitsluitend worden ingezet voor bovengenoemde taken maar overigens wel voldoen aan de genoemde eis, wordt geen vrijstelling van belasting verleend. Dit geldt ook voor multifunctioneel ingerichte motorrijtuigen die worden ingezet bij rampen en calamiteiten, zoals de zogenoemde geneeskundige (GNK)-voertuigen en commandovoertuigen, die dienen voor het vervoer van mensen en materieel en daarvoor speciaal zijn ingericht.

3.5.2. Motorrijtuigen in gebruik bij organisaties die zich richten op het voorkomen van de verdrinkingsdood

Organisaties die zich richten op het voorkomen van de verdrinkingsdood zetten motorrijtuigen in voor het redden van drenkelingen. Deze motorrijtuigen kwalificeren niet als ambulances.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) en vooruitlopend op wijziging van de wetgeving goed dat onder ambulances tevens worden begrepen personenauto’s, bestelauto’s, motorrijwielen en vrachtauto’s die worden ingezet door organisaties, die zich richten op het voorkomen van de verdrinkingsdood, voor het redden van drenkelingen.

Voorwaarden:

Ik verbind hieraan de volgende cumulatieve voorwaarden.

  • a. De personenauto, de bestelauto, het motorrijwiel of vrachtauto is ingericht voor de verzorging en/of het vervoer van drenkelingen en is voorzien van:

    • een duidelijk zichtbaar blauw zwaai- of knipperlicht;

    • een tweetonige of drietonige hoorn;

    • binnen de branche voorgeschreven striping;

    • een mobilofoon of vergelijkbare installatie;

    • voorzieningen voor de verzorging en/of het vervoer van drenkelingen.

    Deze voorzieningen moeten permanent en gebruiksklaar op het motorrijtuig zijn aangebracht.

  • b. De personenauto, de bestelauto, het motorrijwiel of vrachtauto is geregistreerd op naam van een organisatie die krachtens haar statuten ten doel heeft het voorkomen van de verdrinkingsdood en is aangewezen als hulpverleningsdienst als bedoeld in artikel 1, Regeling optische en geluidssignalen 2009;

  • c. de personenauto, de bestelauto, het motorrijwiel of vrachtauto wordt nagenoeg uitsluitend gebruikt voor activiteiten gericht op het redden van drenkelingen.

De voorwaarden die in artikel 27 van het besluit worden gesteld aan het vrijstellingsverzoek zijn van overeenkomstige toepassing.

3.6. Taxivervoer

Voor personenauto’s die geheel of nagenoeg geheel (meer dan 90%) zijn bestemd voor taxivervoer of openbaar vervoer geldt een vrijstelling (artikel 72, eerste lid, onderdeel n, van de wet). Met taxivervoer wordt bedoeld het vervoer dat als zodanig in de Wet personenvervoer wordt aangegeven: het personenvervoer met een personenauto tegen betaling, niet zijnde openbaar vervoer (artikel 1, onderdeel j, van de Wet personenvervoer). Een van de voorwaarden voor de vrijstelling is een op grond van de Wet personenvervoer 2000 afgegeven vergunning.

3.6.1. Van WP-vergunningplicht uitgezonderd vervoer

Bepaalde vormen van vervoer van personen die overeenkomsten vertonen met taxivervoer zijn uitgezonderd van de Wp-vergunningplicht (artikel 2, van het Besluit Personenvervoer 2000). Het gaat dan bijvoorbeeld om werknemersvervoer, vervoer door onderwijsinstellingen ten behoeve van hun leerlingen, vervoer door tehuizen, verpleeginrichtingen e.d. ten behoeve van hun vaste bewoners en huisartsenvervoer. In beginsel komt een personenauto waarmee dit soort vervoer, waarvoor de vergunningplicht niet geldt, wordt verricht niet voor de vrijstelling in aanmerking. Wanneer echter dit soort vervoer wordt verricht met een auto waarvoor op grond van de Wet personenvervoer 2000 een vergunning is afgegeven en de bestuurder (tevens) in dienst is van de Wp-vergunninghouder, staat dit vervoer de vrijstelling niet in de weg, mits ook aan de andere voorwaarden op grond van artikel 23 van het besluit is voldaan.

3.6.2. Vrijwilligersvervoersprojecten

De Wet personenvervoer 2000 is niet van toepassing op vervoer van personen per auto, anders dan openbaar vervoer, indien de som van de betalingen voor dat vervoer de kosten van de auto en eventuele bijkomende kosten voor dat vervoer niet te boven gaat tenzij het vervoer wordt verricht in de uitoefening van een beroep of bedrijf (art. 2, lid 5, Wet Personenvervoer 2000). Personenauto’s die bijv. worden ingezet voor vrijwilligersvervoer (bijv. buurtbussen voor ouderen) en waarvoor van de klant slechts een kleine bijdrage wordt gevraagd hoeven op grond van de Wet personenvervoer 2000 niet te voldoen aan de vergunningplicht. Omdat er geen vergunningplicht is, ontbreekt er voor instellingen die met een of meer personenauto’s dit soort vervoer (tegen betaling) verrichten het recht op vrijstelling van motorrijtuigenbelasting.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed, dat een dergelijke instelling op verzoek toch voor vrijstelling van de motorrijtuigenbelasting in aanmerking komt. Ik stel hierbij de volgende aanvullende voorwaarden.

  • 1. In plaats van de vereiste vergunning c.q. het vergunningsbewijs zoals bedoeld in de Wet personenvervoer, wordt een schriftelijke verklaring van de instelling overgelegd. In deze verklaring is het volgende opgenomen:

  • 2. De instelling voert een administratie waaruit op eenvoudige wijze de kosten en opbrengsten van dat vervoer kunnen worden opgemaakt.

  • 3. De instelling die dat vervoer verricht, is zowel rechtspersoon als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 en is als zodanig bekend bij de Belastingdienst.

  • 4. Vóórdat met de auto de weg wordt gebruikt, is de instelling voor die auto in het bezit van een beschikking van de inspecteur waarmee de vrijstelling wordt verleend. De inspecteur verleent deze beschikking per auto en voor een kalenderjaar of zoveel korter als de instelling in dat jaar houder is. Om de vrijstelling te verlengen moet de instelling aan de inspecteur schriftelijk verklaren dat de betreffende auto nog voor de vrijstelling in aanmerking komt.

  • 5. De instelling voldoet de belasting op aangifte als het vervoer niet (meer) voldoet aan het hiervoor onder de onderdelen 1a en 1b gestelde, of op andere gronden niet meer in aanmerking voor vrijstelling komt.

3.7. Oldtimers; museumbussen

Er geldt een vrijstelling voor autobussen die 40 jaar of ouder zijn. Daarnaast is voor autobussen met een datum eerste toelating van vóór 1 januari 1988, maar die nog geen 40 jaar oud zijn een overgangsregeling van toepassing. Onder voorwaarden is dan een kwart van het gewone tarief verschuldigd met een maximum genoemd in artikel 84a, tweede lid, van de wet.

Voor autobussen geldt, zowel voor de vrijstelling van 40 jaar en ouder als voor de groep die in aanmerking komt voor de overgangsregeling, de voorwaarde, dat het motorrijtuig niet bedrijfsmatig wordt gebruikt (artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en artikel 84a, derde lid, onderdeel d, van de wet).

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) onder de volgende cumulatieve voorwaarden goed, dat de vrijstelling en de overgangsregeling voor oldtimers mede wordt toegepast wanneer een autobus uit een museum als onderdeel van een verzameling wordt verhuurd.

Voorwaarden:

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

  • 1. het incidenteel vervoer van personen tegen betaling voldoet aan de beperkingen zoals genoemd in artikel 2, onderdeel g, van het Besluit Personenvervoer 2000;

  • 2. de opbrengst komt ten goede aan de instandhouding van de verzameling; en

  • 3. wanneer de overgangsregeling van toepassing is mag met de autobus geen gebruik van de weg worden gemaakt in de maanden december, januari en februari.

Het incidenteel vervoeren van personen tegen betaling moet blijken uit de op grond van het Besluit Personenvervoer 2000 afgegeven vergunning en de administratie van de houder. De daarin genoemde beperking behelst dat het vervoer met vervoermiddelen die in gebruik zijn als onderdeel van een historische verzameling, niet commercieel van aard is dan wel een geringe weerslag heeft op de vervoersmarkt. De aanwending van de opbrengst moet blijken uit de administratie van de houder.

Het museum moet vooraf een verzoek om vrijstelling indienen bij de inspecteur (artikel 27 van het besluit). Bij het verzoek moet een afschrift worden overgelegd van de notariële stichtings- c.q. verenigingsakte met de statuten, waaruit de doelstelling blijkt.

3.8. Motorrijtuigen voor het vervoer van een stoffelijk overschot

In de wet is een vrijstelling van mrb opgenomen voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van een stoffelijk overschot (artikel 71, eerste lid, onderdeel b, van de wet en artikel 9 van het besluit). In de praktijk doet zich incidenteel de situatie voor dat de lijkauto voor andere binnen de uitvaartbranche voorkomende doeleinden dan het vervoer van een stoffelijk overschot wordt gebruikt. Bijvoorbeeld als de uitvaartondernemer een stoffelijk overschot van een ziekenhuis naar een rouwcentrum brengt en vervolgens op de terugweg langs de woning rijdt om een uitvaart te regelen.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat de vrijstelling ook van toepassing is als de lijkauto incidenteel wordt gebruikt voor andere doeleinden in het kader van de uitvaartonderneming.

3.9. Transito- en exportkenteken

Transitokenteken

Het transitokenteken is een kenteken dat maximaal 14 dagen geldig is en biedt de oplossing voor het tijdelijke vervoer over de weg van ongekentekende of in het buitenland gekentekende motorrijtuigen. Met dit kenteken kunnen kentekenplichtige motorrijtuigen legaal over de weg door Nederland gereden worden.

Exportkenteken

Nadat een motorrijtuig bij de RDW is aangemeld voor export, wordt deze uit het Nederlands kentekenregister geschreven en is deze niet langer tenaamgesteld. Vanaf dat moment mag gedurende 14 dagen met gebruikmaking van een exportkenteken over de openbare weg worden gereden om het motorrijtuig over te brengen naar het buitenland.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed, dat van deze tijdelijke kentekens geen motorrijtuigenbelasting wordt geheven.

3.10. In het buitenland gekentekend motorrijtuig

Het besluit kent een aantal vrijstellingsregelingen voor het gebruik van een motorrijtuig met buitenlands kenteken door een Nederlands ingezetene. De vrijstellingen van de artikelen 25 (buitenlandse werkgever) en artikel 26 (buitenlands bedrijf) worden bij beschikking verleend en zijn persoon- en motorrijtuiggebonden. Een dergelijke beschikking is niet verplicht maar geeft belanghebbende zekerheid vooraf.

Als de omstandigheden waarvoor de vrijstelling is verleend wijzigen, is de beschikking niet langer geldig. Dergelijke wijzigingen moeten worden doorgegeven aan de inspecteur, wat ook in de bijlage bij de beschikking staat vermeld. Het kan bijvoorbeeld gaan om vervanging van het motorrijtuig waarvoor de vrijstelling is verleend door een ander niet in Nederland geregistreerd motorrijtuig.

Het niet hebben van een (geldige) beschikking betekent niet zonder meer dat er verschuldigdheid van mrb ontstaat als er gebruik gemaakt wordt van een motorrijtuig met een buitenlands kenteken. De inspecteur zal altijd eerst moeten onderzoeken of er in materiële zin recht op de vrijstelling bestaat. Een beschikking kan niet worden geweigerd om de enkele reden dat niet is voldaan aan een formele voorwaarde (bijvoorbeeld het aanvragen van de beschikking voor aanvang van het gebruik van de weg).

4. Verzoek om bijzonder tarief of vrijstelling

De toepassing van een bijzonder tarief of vrijstelling vindt plaats op verzoek. Dit verzoek moet bij de inspecteur worden ingediend voor de aanvang van het tijdvak. Dit is bij aanschaf van een nieuw motorrijtuig niet mogelijk aangezien het (verkorte) tijdvak aanvangt na de tenaamstelling en pas vanaf dat moment een verzoek kan worden ingediend, ook als het motorrijtuig materieel bij aanschaf al aan de toepasselijke voorwaarden voldeed.

Wordt een motorrijtuig aangepast dan wordt pas materieel voldaan aan de toepasselijke voorwaarden na afronding van de aanpassing.

Goedkeuring

Uit praktische overwegingen keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed, dat een verzoek om vrijstelling of toepassing van het bijzondere tarief bij de aanschaf van een motorrijtuig wordt toegekend met ingang van het begin van het (verkorte) tijdvak waarin het verzoek is binnengekomen, mits het motorrijtuig vanaf deze datum al aan de voorwaarden voldeed.

Wordt een motorrijtuig aangepast dan wordt het verzoek om vrijstelling of toepassing van het bijzondere tarief toegekend vanaf de datum van indiening van het verzoek.

5. Oldtimers

5.1. Overgangsregeling oldtimers

De houder van een motorrijtuig die alleen bestemd is om op benzine te rijden en van vóór 1 januari 1988 is, maar nog niet 40 jaar oud is, kan gebruik maken van de overgangsregeling oldtimers (OVR). Als een belastingplichtige deelneemt aan de OVR, betaalt hij in plaats van het reguliere tarief voor de motorrijtuigenbelasting, een kwarttarief tot maximaal het in artikel 84a, tweede lid, van de wet, genoemde bedrag. De belangrijkste voorwaarde voor deelname aan de OVR is dat met het motorrijtuig in de maanden januari, februari en december (wintermaanden) geen gebruik mag worden gemaakt van de openbare weg. Wordt in de wintermaanden toch gebruikgemaakt van de weg, dan kan de inspecteur de belasting naheffen die zonder toepassing van de OVR over het gehele kalenderjaar verschuldigd zou zijn (artikel 84a, negende lid, van de wet). Het is echter niet mogelijk om over toekomstige tijdvakken na te heffen.

Als wordt geconstateerd dat in de wintermaanden gebruik is gemaakt van de openbare weg met een motorrijtuig waarvoor de OVR van toepassing is, berekent de inspecteur de na te heffen belasting niet over het gehele kalenderjaar, maar over een periode van 1 januari van dat kalenderjaar tot en met de maand waarin het weggebruik is geconstateerd.

Vanaf de eerstvolgende maand is de belasting verschuldigd naar het reguliere tarief. Voor het volgende kalenderjaar kan weer een verzoek tot deelname aan de OVR worden ingediend.

5.2. Evenementenregeling

Wanneer de tenaamstelling van een motorrijtuig in het kentekenregister geschorst is, is er geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd. Er mag met het motorrijtuig geen gebruik van de weg worden gemaakt. Op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, mag gedurende de tijd dat de tenaamstelling geschorst is met een voertuig van 15 jaar of ouder op de weg worden gereden als sprake is van een door de inspecteur als zodanig aangemerkte ‘bijzondere gelegenheid’.

Goedkeuring

Er kan worden deelgenomen aan de Evenementenregeling als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan.

Voorwaarden:

  • Het gebruik van de openbare weg vindt plaats in het kader van een door de inspecteur als zodanig aangemerkte ‘bijzondere gelegenheid’.

  • Het gebruik heeft een incidenteel karakter. Een goedkeuring kan dan ook per kalenderjaar per motorrijtuig slechts worden verleend voor de aanmelding van maximaal 8 dagen verdeeld over maximaal 4 bijzondere gelegenheden. Het aantal dagen en bijzondere gelegenheden wordt gerekend in volgorde van binnenkomst van het verzoek.

  • Tijdens het gebruik van de weg is voor het motorrijtuig een verzekering voor wettelijke aansprakelijkheid, zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen, van kracht.

  • De organisator vraagt bij de inspecteur om een evenement als bijzondere gelegenheid aan te merken. Dit gebeurt uiterlijk 2 maanden vóór het evenement.

Onder ‘bijzondere gelegenheid’ wordt in dit kader verstaan een speciaal evenement of een festiviteit waarbij het gebruik van een motorrijtuig van 15 jaar en ouder tot doel heeft om het motorrijtuig als zodanig aan het publiek te tonen. Voorbeelden van een bijzondere gelegenheid zijn: herdenkingen, corso's, symbolische optochten. Onder een ‘bijzondere gelegenheid’ wordt niet verstaan een gebeurtenis met een persoonlijk karakter, zoals een huwelijksfeest. De inspecteur deelt zijn beslissing op het verzoek schriftelijk aan de verzoeker mee. De organisator maakt aan de doelgroep bekend dat het evenement als bijzondere gelegenheid wordt aangemerkt. De deelnemers schrijven zich voor een of meerdere dagen in bij de organisator en verzoeken aan hem om hun inschrijving te melden bij de inspecteur. De organisator stuurt een lijst met deelnemers plus hun gegevens aan de inspecteur. De inspecteur moet deze gegevens uiterlijk 1 werkdag voor het evenement in bezit hebben. De inspecteur stuurt geen bevestiging. Wanneer een motorrijtuig op verzoek van de houder is aangemeld bij de inspecteur door de organisator van het evenement, en niet ten minste één werkdag vóór de aanvang van het evenement door de organisator weer is afgemeld, worden het evenement en de aangemelde dagen in mindering gebracht op het aan deze goedkeuring verbonden maximale aantal evenementen en dagen per jaar voor dat motorrijtuig, ongeacht de vraag of op de aangemelde dagen met het motorrijtuig daadwerkelijk gebruik is gemaakt van de weg. De deelnemers hoeven tijdens het evenement geen bewijs in het motorrijtuig aanwezig te hebben. De deelnemers houden per kenteken zelf bij hoe vaak zij zich in het kalenderjaar al hebben aangemeld voor een evenement en voor hoeveel dagen.

Wanneer niet aan de voorwaarden wordt voldaan, bijvoorbeeld omdat er toch van de weg gebruik gemaakt wordt, terwijl de inspecteur de gelegenheid niet als bijzondere gelegenheid heeft aangemerkt, of omdat het maximale aantal gelegenheden of aantal dagen voor het motorrijtuig is overschreden, kan de te weinig betaalde belasting worden nageheven op grond van artikel 35 van de wet.

Samenloop met het overgangsrecht oldtimers

Als gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht oldtimers (artikel 84a, van de wet), mag met het motorrijtuig geen gebruik van de weg worden gemaakt in de maanden januari, februari en december (hierna: winterstop). Hierop is slechts één uitzondering mogelijk, namelijk de dag waarop het motorrijtuig wordt onderworpen aan de Algemene Periodieke Keuring (APK). Op grond van de huidige wet- en regelgeving is het dus niet mogelijk deel te nemen aan de evenementenregeling, ook niet als de tenaamstelling van het motorrijtuig geschorst wordt.

Goedkeuring

Ik keur vooruitlopend op wijziging van de wetgeving goed dat een motorrijtuig waarop het overgangsrecht oldtimers als bedoeld in artikel 84a van de wet van toepassing is, gedurende de winterstop deel kan nemen aan de Evenementenregeling.

Voorwaarden:

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden.

  • Voor het motorrijtuig is artikel 84a van de wet van toepassing;

  • Voor het motorrijtuig kan tijdens de winterstop maximaal 2 dagen gebruik worden gemaakt van de Evenementenregeling. Ook indien het motorrijtuig van houder wisselt, blijft deze beperking gelden.

De tenaamstelling van het motorrijtuig hoeft niet geschorst te worden om deel te kunnen nemen aan een ‘bijzondere gelegenheid’.

6. Toegestane maximummassa bij afsleeptrekkers

De toegestane maximummassa van een vrachtauto die is voorzien van een koppelinrichting is de toegestane maximummassa van de vrachtauto als deze niet zou zijn voorzien van een koppelinrichting, verhoogd met de hoogste toegestane maximum massa van een aanhangwagen waarmee de vrachtauto kan worden verbonden (artikel 2, onderdeel m, van de wet).

Een afsleeptrekker is een vrachtauto waarmee gestrande motorrijtuigen kunnen worden vervoerd naar bijvoorbeeld een herstelbedrijf, waarbij tijdens het vervoer de achterste wielen van het te vervoeren motorrijtuig op de weg blijven. Afsleeptrekkers trekken doorgaans geen aanhangwagens, maar andere (vracht)auto's.

Goedkeuring

In dit verband keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) onder de volgende voorwaarden goed, dat de motorrijtuigenbelasting voor afsleeptrekkers kan worden beperkt tot de toegestane maximummassa van de afsleeptrekker zelf. De heffing van een afsleeptrekker geschiedt alsof het motorrijtuig niet is voorzien van een koppelinrichting.

Voorwaarden:

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden;

  • a. Wanneer het motorrijtuig oorspronkelijk is voorzien van een koppelschotel voor het vervoeren van opleggers moet deze permanent verwijderd zijn; en

  • b. Het motorrijtuig wordt slechts gebruikt voor het slepen van andere motorrijtuigen en niet voor het vervoeren van goederen of het voortbewegen van een aanhangwagen.

Om voor deze goedkeuring in aanmerking te komen moet de houder zelf een verzoek bij de B/CAP indienen.

7. Einde beschikkingsmacht

De motorrijtuigenbelasting wordt geheven van degene die bij de aanvang van het tijdvak het motorrijtuig houdt (artikel 6 van de wet). Een motorrijtuig wordt gehouden door degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet (artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet). Teruggaaf van motorrijtuigenbelasting wordt verleend over het nog niet verstreken deel van het lopende tijdvak en over de nog niet aangevangen tijdvakken op het tijdstip waarop het motorrijtuig van houder wisselt dan wel het houderschap daarvan wordt beëindigd (artikel 18, eerste lid, van de wet). Wanneer het kenteken niet meer op naam is gesteld wordt er geen belasting geheven.

Als de belastingplichtige de beschikkingsmacht over het motorrijtuig heeft verloren kan geen teruggaaf van motorrijtuigenbelasting worden verleend. Omdat het kenteken van het motorrijtuig nog steeds op naam van de belanghebbende staat, blijft er nog steeds sprake van een formeel houderschap.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed, dat wanneer er wel sprake is van een formeel houderschap, maar de belastingplichtige dit houderschap feitelijk niet kan genieten omdat hij de beschikkingsmacht over het motorrijtuig verloren heeft, in de hierna genoemde gevallen en onder de daarna gestelde voorwaarden en beperkingen, de heffing van motorrijtuigenbelasting achterwege kan blijven en/of teruggaaf verleend kan worden.

  • 1. Het motorrijtuig is gestolen of wordt vermist;

  • 2. Het motorrijtuig is technisch total loss; of

  • 3. Het motorrijtuig is verbeurd verklaard.

Ad 1: In de situatie dat het motorrijtuig is gestolen of wordt vermist gelden de volgende voorwaarden:

  • de diefstal of vermissing is bij de politie gemeld; en

  • de diefstal of vermissing is door de politie gemeld in het kentekenregister.

Ad 2: In de situatie dat het motorrijtuig total loss is verklaard, gelden de volgende voorwaarden:

  • de belastingplichtige moet aan de hand van bescheiden aantonen dat het motorrijtuig technisch total loss is; en

  • de belastingplichtige verkeert in de onmogelijkheid het kentekenbewijs ongeldig te laten verklaren.

Ad 3: In de situatie dat het motorrijtuig verbeurd is verklaard, gelden de volgende voorwaarden:

  • de belastingplichtige moet aan de hand van een vonnis van de strafrechter aantonen dat het motorrijtuig verbeurd verklaard is (artikel 33, Wetboek van Strafrecht); en

  • de belastingplichtige verkeert in de onmogelijkheid het kentekenbewijs ongeldig te laten verklaren.

8. Betaling en naheffing

8.1. Tijdstip betaling

De motorrijtuigenbelasting moet zijn betaald bij de aanvang van het tijdvak (artikel 15, eerste lid, van de wet). De belastingplichtige is verantwoordelijk voor het tijdig betalen van de motorrijtuigenbelasting voor het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn. De Belastingdienst stuurt uit serviceoverwegingen een brief met betaalinformatie aan de belastingplichtige. In deze brief wordt een uiterste betaaldatum vermeld die na de datum van aanvang van het betreffende tijdvak kan liggen.

Goedkeuring

Ik keur goed dat, in de gevallen waarin de belastingplichtige een brief met betaalinformatie heeft ontvangen waarin een uiterste betaaldatum is vermeld die ligt na de datum van aanvang van het betreffende tijdvak, de belasting in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de Wet, pas op deze latere datum hoeft te zijn betaald.

In de gevallen waarin de brief met betaalinformatie niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden dan wel de brief met betaalinformatie de belastingplichtige niet heeft bereikt, keur ik goed dat belanghebbende binnen 30 dagen na aanvang van het tijdvak de verschuldigde belasting betaalt.

Als gebruik wordt gemaakt van de overgangsregeling voor oldtimers (artikel 84a, van de wet) kan geen beroep worden gedaan op deze goedkeuringen. De betaling moet in dat geval te allen tijde voor aanvang van het tijdvak (1 januari) binnen zijn.

Den Haag, 16 december 2021

De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst

namens deze,

H.G. Roodbeen

hoofddirecteur Fiscale en Juridische zaken

Naar boven