Subsidieregeling taakuitoefening beheerders van de HSWI

[Regeling vervalt per 01-01-2027.]
Geraadpleegd op 05-07-2022.
Geldend van 01-01-2022 t/m heden

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 2 december 2021, nr. IENW/BSK-2021/308633, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van subsidies voor de taakuitoefening van beheerders van de hoofdspoorweginfrastructuur (Subsidieregeling taakuitoefening beheerders van de HSWI)

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • beheerder: houder van een concessie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, Spoorwegwet;

  • dienstvoorziening: dienstvoorziening als bedoeld in artikel 3, onderdeel 11, van richtlijn 2012/34/EU;

  • hoofdspoorweginfrastructuur: hoofdspoorweginfrastructuur als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet;

  • minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

  • MIRT: Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport;

  • planuitwerkingsfase: fase volgend op de verkenningsfase, waarin het voorkeursalternatief wordt uitgewerkt om te komen tot vaststelling van een project of programma;

  • project: ondeelbaar geheel van werkzaamheden ten behoeve van aanleg en verbetering van infrastructuur, tot de uitvoering waarvan in beginsel alleen als geheel besloten kan worden en waarbij afzonderlijke of gefaseerde uitvoering en ingebruikneming na voltooiing van een onderdeel niet zonder aanzienlijke meerkosten mogelijk is;

  • programma: thematische of gebiedsgerichte opgave verband houdend met de hoofdspoorweginfrastructuur gericht op specifieke doelen binnen de doelstelling van artikel 2, tweede lid, van de Wet Mobiliteitsfonds;

  • realisatiefase: fase volgend op de planuitwerkingsfase, waarin het project of programma wordt uitgevoerd;

  • Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018: ramingssystematiek die is vastgelegd in CROW-publicatie nr. D3049;

  • verkenningsfase: fase volgend op de MIRT-startbeslissing van een project of programma, waarin mogelijke ontwerpen van een project worden afgewogen om te komen tot een voorkeursalternatief.

Artikel 2. Activiteiten waarvoor een subsidie kan worden verstrekt

  • 1 De minister kan op aanvraag een subsidie verstrekken voor aanleg en verbetering of beheer, onderhoud en vervanging van de hoofdspoorweginfrastructuur of van dienstvoorzieningen die van essentieel belang zijn om optimaal gebruik van de hoofdspoorweginfrastructuur te kunnen maken.

  • 2 De minister kan op aanvraag een subsidie verstrekken voor aanleg en verbetering of onderhoud en vervanging van fietsenstallingen ten behoeve van voor- en natransport van treinreizigers.

  • 3 De minister kan op aanvraag een subsidie verstrekken voor een programma.

Artikel 3. Voorwaarden voor subsidieverlening

  • 1 Een project of programma komt voor een subsidie in aanmerking indien het project of het programma waarvoor de aanvraag wordt ingediend is opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet Mobiliteitsfonds.

  • 2 Beheer, onderhoud en vervangingsactiviteiten komen voor een subsidie in aanmerking indien de activiteiten waarvoor de aanvraag wordt ingediend naar het oordeel van de minister in het belang zijn van een adequaat functioneren van de hoofdspoorweginfrastructuur, de dienstvoorziening of de fietsenstalling.

Artikel 5. Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor de subsidies wordt voor het desbetreffende begrotingsjaar vastgesteld door middel van de wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van het Mobiliteitsfonds van dat begrotingsjaar.

Paragraaf 2. Subsidie voor project of programma

Artikel 8. Kosten die in aanmerking komen voor subsidie

  • 1 In de verkenningsfase van een project of programma komen in aanmerking voor een subsidie de rechtstreeks aan deze fase toe te rekenen kosten van:

    • a. het verrichten van onderzoek;

    • b. het opstellen van een mogelijk ontwerp van een project of programma.

  • 2 In de planuitwerkingsfase van een project of programma komen in aanmerking voor een subsidie de in deze fase rechtstreeks aan het project of programma toe te rekenen kosten van:

    • a. het verrichten van onderzoek;

    • b. het opstellen van een mogelijk ontwerp van het project of programma;

    • c. een reservering voor voorziene risico’s en een reservering voor onvoorziene risico’s;

    • d. apparaatskosten van de subsidie-ontvanger.

  • 3 In de realisatiefase van een project of programma komen in aanmerking voor een subsidie de in deze fase rechtstreeks aan het project of programma toe te rekenen kosten:

    • a. van verwerving van een onroerende zaak of een beperkt recht op een onroerende zaak of het sluiten van een overeenkomst ter zake van het gebruik van een onroerende zaak;

    • b. van het verkrijgen van de voor deze fase benodigde vergunningen;

    • c. voortvloeiend uit een voor de realisatie van het project of programma gesloten overeenkomst van aanneming van werk;

    • d. voortvloeiend uit een overeenkomst ten behoeve van de realisatie van het project of programma, anders dan bedoeld in onderdeel a of c;

    • e. van nadeelcompensatie, voor zover de subsidie-ontvanger hiertoe rechtens gehouden is;

    • f. van apparaatskosten van de subsidie-ontvanger;

    • g. van een reservering voor voorziene risico’s en een reservering voor onvoorziene risico’s;

    • h. van andere kostenposten dan de kostenposten, bedoeld in de onderdelen a tot en met g, die in redelijkheid zijn aan te merken als realisatiekosten.

  • 4 Geen subsidie wordt verstrekt voor kosten die de subsidie-ontvanger op andere wijze vergoed kan krijgen.

  • 5 Indien als gevolg van onvoorziene omstandigheden de werkelijk gemaakte kosten hoger uitvallen dan het bedrag waarvoor subsidie is verleend, kan de subsidie-ontvanger een aanvullende aanvraag indienen.

Artikel 9. Kostenraming

  • 1 De raming van de kosten, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede en derde lid, is voldoende onderbouwd. De subsidie-aanvrager vermeldt bij de raming welk prijspeil het betreft. De raming behelst de kosten inclusief btw.

  • 2 De raming van de kosten van de realisatiefase van een project, vindt, indien die kosten hoger zijn dan € 25 miljoen, plaats conform de Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018 of indien beschikbaar een actuelere versie daarvan, op basis van de rekenkundig gemiddelde waarde als de uitkomst van een probabilistische raming.

Artikel 11. Aanvraag subsidie

  • 1 Een aanvraag van een subsidie heeft betrekking op de verkenningsfase, de planuitwerkingsfase of de realisatiefase van een project of programma.

  • 2 De aanvraag van een subsidie voor de verkenningsfase gaat vergezeld van:

    • a. een plan van aanpak, waarin ten minste is opgenomen:

      • een omschrijving van de aard, omvang en urgentie van de opgave;

      • een onderbouwing van het nationale belang van het project of programma;

      • een beschrijving op hoofdlijnen van de aanpak van de verkenning, waaronder de afweging van mogelijke oplossingen en het besluitvormingsproces;

      • 4°. een omschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

      • een tijdschema van de verkenning;

      • een omschrijving van de belanghebbende partijen en hun betrokkenheid;

      • een opgave van door derden ter beschikking gestelde budgetten voor de realisatie;

    • b. een raming van de kosten van de verkenningsfase;

    • c. het bedrag waarvoor een subsidie wordt aangevraagd.

  • 3 De aanvraag van een subsidie voor de planuitwerkingsfase gaat vergezeld van:

    • a. indien de verkenning is uitgevoerd door de subsidie-ontvanger, een eindverantwoording over de in de verkenningsfase behaalde resultaten en het voorkeursalternatief, waarin ten minste is opgenomen:

      • de in kaart gebrachte en afgewogen oplossingsrichtingen;

      • een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de totstandkoming van het voorkeursalternatief;

      • een ontwerp van het voorkeursalternatief;

      • een raming van de kosten van het voorkeursalternatief inclusief een reservering voor voorziene risico’s en een reservering voor onvoorziene risico’s;

      • een beschrijving van de verkeers- en vervoerseffecten;

      • een milieueffectrapport, indien in de verkenningsfase een milieueffectrapportage heeft plaatsgevonden;

      • een maatschappelijke kosten-batenanalyse conform de Werkwijzer MKBA bij MIRT-verkenningen;

    • b. een plan van aanpak, waarin ten minste is opgenomen:

      • een beschrijving van de wijze waarop het voorkeursalternatief nader wordt uitgewerkt;

      • een omschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

      • een planning van de nadere uitwerking en realisatie van het voorkeursalternatief;

      • een raming van de kosten van het meest kosteneffectieve variant van het project of programma, indien het voorkeursalternatief hiervan afwijkt;

      • een overzicht van de beschikbare budgetten voor de bekostiging van het voorkeursalternatief en een omschrijving van de exploitatiegevolgen, indien het project of programma betreft ten behoeve van openbaar vervoer;

    • c. een raming van de kosten van de planuitwerkingsfase inclusief een reservering voor voorziene risico’s en een reservering voor onvoorziene risico’s;

    • d. het bedrag waarvoor een subsidie wordt aangevraagd inclusief het bijbehorende kasritme.

  • 4 De aanvraag van een subsidie voor de realisatiefase gaat vergezeld van:

    • a. een eindverantwoording over de in de planuitwerkingsfase behaalde resultaten, waarin ten minste is opgenomen:

      • een beschrijving van het besluitvormingsproces en de betrokkenheid van belanghebbende partijen bij de nadere uitwerking van het voorkeursalternatief;

      • een nadere uitwerking van het ontwerp van het voorkeursalternatief;

      • een nadere uitwerking van de kostenraming van het voorkeursalternatief, inclusief een reservering voor voorziene risico’s en een reservering voor onvoorziene risico’s;

      • een risicoanalyse inclusief een beschrijving van de beheersmaatregelen voor de belangrijkste risico’s;

      • een milieueffectrapport, indien in de planuitwerkingsfase een milieueffectrapportage heeft plaatsgevonden;

      • de planning van de realisatie van het voorkeursalternatief;

      • een beschrijving van de kosten van beheer, onderhoud en vervanging van het voorkeursalternatief;

      • de berekeningen van de exploitatiegevolgen, indien het een project of programma betreft ten behoeve van openbaar vervoer;

      • een overzicht van de beschikbare budgetten voor de bekostiging van realisatie, beheer, onderhoud en vervanging en voor de bekostiging van de exploitatie, indien het een project of programma betreft ten behoeve van openbaar vervoer;

    • b. een beschrijving van de te behalen resultaten in de realisatiefase en een raming van de te maken kosten voor elk te behalen resultaat;

    • c. het bedrag waarvoor een subsidie wordt aangevraagd en een voorstel voor het kasritme op basis van de beschreven resultaten.

  • 5 In afwijking van het eerste lid, kan de aanvrager, gelet op de aard en omvang van het project of programma na instemming van de minister, een gecombineerde aanvraag doen voor meer dan één fase. De leden twee tot en met vier zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12. Verlening subsidie

  • 1 De minister beslist binnen zes maanden na ontvangst over de aanvraag van een subsidie.

  • 2 Indien een beschikking niet binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met een door de minister te bepalen termijn worden verlengd. De minister doet hiervan terstond mededeling aan de aanvrager.

  • 3 Een besluit tot verlening bevat in ieder geval:

    • a. een beschrijving van activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt;

    • b. een vermelding van het bedrag van de subsidie en de fase of fasen van het project of programma waarop de subsidie betrekking heeft.

  • 4 De minister kan in het besluit tot verlening bepalen dat het bedrag van de subsidie bij de vaststelling of tussentijds wordt geïndexeerd volgens de Index Bruto Overheidsinvesteringen, zoals geraamd in het Centraal Economisch Plan van het Centraal Planbureau.

Artikel 13. Voorschotverlening

  • 1 Indien subsidie wordt verleend, wordt bij de subsidieverlening een indicatie van het bedrag aangegeven dat per kalenderjaar aan voorschotten kan worden verleend.

  • 2 Tenzij bij de subsidieverlening anders wordt bepaald, worden voorschotten verleend per half jaar. Voorschotten worden verleend op basis van in te dienen declaraties die zijn afgestemd op de gerealiseerde en geplande voortgang van het werk.

  • 3 In afwijking van het tweede lid kan de minister in incidentele gevallen een extra voorschot verlenen.

  • 4 In geval van snellere of langzamere voortgang van het werk dan voorzien bij de subsidieverlening kan, in afwijking van het eerste lid, het bedrag dat aan voorschotten kan worden verleend, worden verhoogd of verlaagd voor zover dat inpasbaar is binnen de begroting van het Mobiliteitsfonds.

  • 5 Een voorschot wordt betaald binnen acht weken na ontvangst van de declaratie, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 14. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger

  • 1 De minister kan bij het besluit tot subsidieverlening de verplichting opleggen om binnen twaalf maanden na de dagtekening van het besluit te beginnen met de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2 De subsidie-ontvanger legt een wijziging van het project of programma ten opzichte van de gegevens en bescheiden bedoeld in artikel 11, tweede, derde of vierde lid, tijdig voor instemming voor aan de minister, voor zover het een aanmerkelijke wijziging is die van invloed is op de reikwijdte, effectiviteit, kosten, kwaliteit of voortgang van het project of programma.

  • 3 De subsidie-ontvanger stelt halfjaarlijks een voortgangsrapportage op waarin wijzigingen worden toegelicht. De voortgangsrapportage bevat, indien daar sprake van is een wijziging van de:

    • a. planning van de nog te verrichten werkzaamheden;

    • b. raming van de nog te maken kosten; of

    • c. reikwijdte van het project of programma.

  • 4 De subsidie-ontvanger werkt mee aan een door de minister ingesteld evaluatieonderzoek ten behoeve van een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de aanlegsubsidie in de praktijk als bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 15. Verantwoording

  • 1 De subsidie-ontvanger dient binnen vier maanden na afloop van ieder kalenderjaar een financiële verantwoording voorzien van een accountantsverklaring in. De minister kan op verzoek van de subsidie-ontvanger de termijn twee keer met een door de minister bepaalde termijn verlengen.

  • 2 De financiële verantwoording en de accountantsverklaring dienen te worden opgesteld overeenkomstig de op basis van artikel 9 gemaakte kostenraming respectievelijk de door de minister vast te stellen controle-instructie en eventueel andere door de minister in het besluit tot subsidieverlening vastgestelde voorwaarden.

  • 3 De minister kan in de beschikking tot subsidieverlening bij projecten of programma’s die korter duren dan twee jaar, een beheerder vrijstellen van de verplichting om de financiële verantwoording na afloop van het eerste kalenderjaar te voorzien van een accountantsverklaring als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 16. Aanvraag vaststelling subsidie

  • 1 De subsidie-ontvanger voor de verkenningsfase of de planuitwerkingsfase dient binnen een jaar na voltooiing van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie.

  • 2 De subsidie-ontvanger voor de realisatiefase dient binnen een jaar na het kalenderjaar van ingebruikname van de hoofdspoorweginfrastructuur, de dienstvoorziening of de fietsenstalling, een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie.

  • 3 Bij de aanvraag verstrekt de subsidie-ontvanger een eindverantwoording over de in de fase behaalde resultaten.

  • 4 De eindverantwoording van de realisatiefase bevat een eindverslag met ten minste:

    • a. een financiële verantwoording over de totale project- of programmakosten inclusief accountantsverklaring, slotdeclaratie en eventuele nabetalingen; en

    • b. een verantwoording van het aanlegproces, de gerealiseerde resultaten binnen de reikwijdte en het verloop in de tijd.

  • 5 Op verzoek van de subsidie-ontvanger kan de minister de termijnen, bedoeld in het eerste en tweede lid, met een door de inister bepaalde termijn verlengen.

Artikel 17. Vaststelling subsidie

  • 1 De ninister beslist binnen twaalf weken op een aanvraag tot vaststelling van een subsidie.

  • 2 Indien een beschikking tot subsidieverlening niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met twaalf weken worden verlengd.

  • 2 Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval:

    • a. het bedrag van de vastgestelde subsidie en de fase waarop de subsidie betrekking heeft;

    • b. het te betalen of terug te vorderen bedrag.

  • 3 Indien de subsidie-ontvanger niet binnen de van toepassing zijnde termijn bedoeld in artikel 16, eerste, tweede en vijfde lid, een aanvraag tot vaststelling indient, stelt de minister de subsidie na afloop van die termijn ambtshalve binnen twaalf weken vast.

Paragraaf 3. Subsidie voor beheer, onderhoud en vervanging

Artikel 21. Kosten die in aanmerking komen voor subsidie

  • 1 De subsidiabele kosten zijn de kapitaallasten en de kosten per kalenderjaar van beheer, onderhoud en vervanging van hoofdspoorweginfrastructuur en dienstvoorzieningen en de kosten van onderhoud en vervanging van fietsenstallingen, verminderd met de opbrengsten van vergoedingen van gebruikers en derden in dat betreffende jaar.

  • 2 Kapitaallasten voortvloeiend uit projecten of programma’s, waarvoor reeds op grond van paragraaf 2 subsidie is verleend, worden in mindering gebracht op de kapitaallasten bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Kosten of kapitaallasten waarvoor een beheerder reeds subsidie ontvangt of gaat ontvangen op grond van een andere subsidieregeling, worden in mindering gebracht op de kosten of de kapitaallasten, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Indien als gevolg van onvoorziene omstandigheden de werkelijk gemaakte kosten hoger uitvallen dan het bedrag waarvoor subsidie is verleend, kan de subsidie-ontvanger een aanvullende aanvraag indienen.

Artikel 24. Aanvraag subsidie

  • 1 Een beheerder dient uiterlijk zes weken voor aanvang van het boekjaar de aanvraag tot subsidieverlening in bij de minister.

Artikel 25. Verlening subsidie

  • 1 De minister verleent de subsidie per boekjaar.

  • 2 De minister beslist binnen zes weken na ontvangst over de aanvraag van een subsidie.

  • 3 Indien een beschikking niet binnen de termijn, genoemd in het tweede lid, kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met eenzelfde termijn worden verlengd. De minister doet hiervan terstond mededeling aan de aanvrager.

  • 4 Een besluit tot subsidieverlening bevat in ieder geval:

    • a. een beschrijving van activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt;

    • b. een vermelding van het bedrag waarop de subsidie betrekking heeft.

  • 5 De minister kan in het besluit tot subsidieverlening bepalen dat het bedrag van de subsidie bij de vaststelling of tussentijds kan worden aangepast aan de ontwikkelingen van het loon- en prijspeil.

  • 6 De minister verleent de subsidie met inachtneming van eisen van soberheid en doelmatigheid.

Artikel 26. Voorschotverlening subsidie

  • 1 De verleende subsidie wordt in voorschotten betaald.

  • 2 De voorschotten worden betaald in het jaar waarop de subsidie betrekking heeft in dertien maandelijkse termijnbedragen, waarbij in de maand mei twee termijnbedragen worden betaald.

Artikel 28. Aanvraag vaststelling subsidie

Artikel 29. Vaststelling subsidie

  • 1 De minister beslist op de aanvraag tot het vaststellen van de subsidie binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

  • 2 Indien een beschikking tot subsidievaststelling niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met zes maanden worden verlengd.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

S.P.R.A. van Weyenberg

Naar boven