Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021

Geraadpleegd op 15-07-2024.
Geldend van 10-06-2023 t/m 07-07-2023

Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 oktober 2021, nr. WJZ/20222966, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021)

De Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op:

  • verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (PbEU 2021, L 231);

  • verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling ‘Europese territoriale samenwerking’ (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten (PbEU 2021, L 231);

  • verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231);

  • verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247);

  • artikel 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;

  • artikel 6 van de Uitvoeringswet EFRO;

Besluiten:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);

  • beheerautoriteit: door de minister als zodanig aangewezen autoriteit;

  • bevoegde autoriteit: minister of beheerautoriteit;

  • deelbetaling: betaling aan de subsidieontvanger, vooruitlopend op de subsidievaststelling, op basis van gemaakte kosten of een verrichte prestatie;

  • Elfpo: Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van verordening (EU) 2021/2116;

  • groep: groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • kennisinstelling:

    • a. in onderdeel a, b, g of h van de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van de bijlage behorende bij die wet;

    • b. andere dan in onderdeel a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;

    • c. geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:

      • 1°. openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel a;

      • 2°. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    • d. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld in onderdelen a tot en met c;

  • laatste betaling: laatste betaling door de bevoegde autoriteit aan de begunstigde van het bedrag of een deel van het bedrag, genoemd in de beschikking tot subsidievaststelling;

  • minister:

  • mkb: onderneming als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, L 124);

  • onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

  • penvoerder: de door een samenwerkingsverband aangewezen penvoerende persoon of penvoerende organisatie die deelneemt aan het samenwerkingsverband;

  • samenwerkingsverband: verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, niet zijnde een vennootschap, bestaand uit ten minste twee niet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten;

  • verordening 2021/1058: Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (PbEU 2021, L 231);

  • verordening 2021/1059: Verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling ‘Europese territoriale samenwerking’ (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten (PbEU 2021, L 231);

  • verordening 2021/1060: Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231);

  • verordening 2021/1139: Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247);

  • verordening 2021/2115: Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435);

  • verordening 2021/2116: Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021, L 435);

  • verordening 2022/129: Uitvoeringsverordening (EU) 2022/129 van de Commissie van 21 december 2021 tot vaststelling van regels voor interventietypes voor oliehoudende zaden, katoen en bijproducten van de wijnbereiding krachtens Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad en voor de vereisten inzake informatie, bekendheid en zichtbaarheid aangaande steun van de Unie en de strategische GLB-plannen (PbEU 2022, L 20).

Artikel 1.2. Cumulatie

Onverminderd artikel 63, negende lid, van verordening 2021/1060 en artikel 36 van verordening 2021/2116, wordt, indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat volgens de toepasselijke Europese verordeningen is toegestaan.

Artikel 1.3. Subsidiabele kosten

  • 1 Voor zover zij direct verbonden zijn met de uitvoering van de desbetreffende subsidiabele activiteit, komen als subsidiabele kosten in aanmerking:

    • a. loonkosten inclusief overheadkosten;

    • b. de kosten van door een subsidieontvanger verrichte eigen arbeid;

    • c. bijdragen in natura als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van verordening 2021/1060;

    • d. afschrijvingskosten als bedoeld in artikel 67, tweede lid, van verordening 2021/1060; en

    • e. andere kosten waarvoor een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overlegd.

  • 2 Vóór indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte kosten komen niet voor subsidie in aanmerking.

  • 3 De subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, worden in aanmerking genomen met inbegrip van de BTW, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, de BTW niet in aftrek kan brengen.

Artikel 1.3a. Berekening loonkosten en eigen arbeid

  • 1 De loonkosten worden berekend:

    • a. door het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 55;

    • b. als een vast percentage van een maandtarief van € 7.800 per werknemer bij een voltijd dienstverband van 1.720 uur per jaar, of een evenredig deel daarvan bij een deeltijd dienstverband, overeenkomstig het vooraf vastgestelde vaste percentage van de tijd dat de werknemer per maand aan het project heeft gewerkt, zonder de verplichting om een afzonderlijk arbeidstijdregistratiesysteem op te zetten;

    • c. door de kosten, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onderdelen c, d en e, te vermenigvuldigen met 0,23, onder de voorwaarden, genoemd in artikel 55, eerste lid, van verordening 2021/1060.

  • 2 De kosten van de door een subsidieontvanger verrichte eigen arbeid ten behoeve van het project worden berekend door het aantal uren dat de betrokken persoon ten behoeve van het project heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 55.

  • 3 De subsidieontvanger stelt een document op met vermelding van de namen van de werknemers en de vaste percentages, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b.

  • 4 Indien een vast uurtarief wordt gehanteerd, kan het totale aantal voor een bepaald jaar te subsidiëren uren:

    • a. indien gebruik wordt gemaakt een vast uurtarief als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, per werknemer niet meer bedragen dan 1.720 uren bij een voltijd dienstverband of een evenredig deel daarvan bij een deeltijd dienstverband;

    • b. indien gebruik wordt gemaakt van een vast uurtarief als bedoeld in het tweede lid voor eigen arbeid, niet meer bedragen dan 1.720 uren.

Artikel 1.3b. Integrale kostensystematiek

Artikel 1.3c. Berekening loonkosten en eigen arbeid, met inbegrip van de overige subsidiabele kosten

  • 1 In afwijking van artikel 1.3a kunnen de kosten, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden berekend met inbegrip van de kosten, bedoeld in onderdelen c tot en met e van dat artikellid:

    • a. door het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 67; of

    • b. als een vast percentage van een maandtarief van € 9.600 per werknemer bij een voltijd dienstverband van 1.720 uur per jaar, of een evenredig deel daarvan bij een deeltijd dienstverband, overeenkomstig het vooraf vastgestelde vaste percentage van de tijd dat de werknemer per maand aan het project heeft gewerkt, zonder de verplichting om een afzonderlijk arbeidstijdregistratiesysteem op te zetten.

  • 2 De subsidieontvanger stelt een document op met vermelding van de namen van de werknemers en de vaste percentages, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b.

  • 3 Indien een vast uurtarief, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt gehanteerd, kan het totale aantal voor een bepaald jaar per werknemer gedeclareerde uren niet meer bedragen dan 1.720 uren bij een voltijd dienstverband of een evenredig deel daarvan bij een deeltijd dienstverband.

Artikel 1.3d. Combinatie berekeningsmethoden

  • 2 Indien een subsidieontvanger de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 1.3b, eerste lid, hanteert binnen een project, kunnen het vaste uurtarief en het vaste percentage, bedoeld in artikel 1.3c, eerste lid, gehanteerd worden door, indien van toepassing, de andere subsidieontvangers binnen hetzelfde project.

Artikel 1.4. Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 64, eerste lid, van verordening 2021/1060 komen de volgende kosten niet als subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onderdeel d, in aanmerking:

  • a. administratieve en financiële sancties en boetes;

  • b. winstopslagen binnen een groep of samenwerkingsverband;

  • c. fooien en geschenken;

  • d. representatiekosten en -vergoedingen;

  • e. kosten van personeelsactiviteiten;

  • f. kosten van overboekingen en annuleringen;

  • g. gratificaties en bonussen; en

  • h. kosten van outplacementtrajecten.

Artikel 1.5. Wettelijke rente bij terugvordering

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 7 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies of in geval van terugvordering op grond van verordening 2021/1060, verordening 2021/1058, verordening 2021/1139, verordening 2021/1059 of verordening 2021/2116, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt berekend over de periode vanaf de datum van het verstrijken van de termijn waarbinnen terugbetaling door de subsidieontvanger moet plaatsvinden en de datum van terugbetaling door de subsidieontvanger.

Artikel 1.6. Vaststelling beleidsregels

De bevoegde autoriteit stelt beleidsregels vast voor de toepassing van financiële correcties als bedoeld in artikel 103, eerste lid, van verordening 2021/1060 of artikel 57 van verordening 2021/2116.

Artikel 1.7. Algemene verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger, of in geval van een samenwerkingsverband de penvoerder, doet onverwijld schriftelijk mededeling aan de beheerautoriteit van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op de subsidieontvanger, of in geval van een samenwerkingsverband op een deelnemer aan het samenwerkingsverband, van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, of tot verlening van surseance van betaling aan de subsidieontvanger, of in geval van een samenwerkingsverband aan een deelnemer in het samenwerkingsverband, of tot faillietverklaring van de subsidieontvanger, of in geval van een samenwerkingsverband van een deelnemer in het samenwerkingsverband.

Artikel 1.8. Instandhouding activiteit

  • 1 Indien subsidie wordt verstrekt voor een activiteit als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van verordening 2021/1060, wordt de beschikking tot subsidievaststelling onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger gewijzigd indien binnen vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de laatste betaling aan de begunstigde, of in voorkomend geval binnen een in de voorschriften betreffende staatssteun gestelde termijn, een van de volgende gebeurtenissen op de activiteit van toepassing is:

    • a. beëindiging of verplaatsing van een productiecapaciteit als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2021/1060;

    • b. eigendomsoverdracht van een infrastructuurvoorziening waardoor een onderneming of een overheidsinstantie een onrechtmatig voordeel behaalt als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel b, van verordening 2021/1060; of

    • c. een substantiële verandering in de aard, de doelstellingen of de uitvoeringsvoorwaarden van de activiteit waardoor de oorspronkelijke doelstellingen dreigen te worden ondermijnd als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel c, van verordening 2021/1060.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in artikel 65, tweede lid, van verordening 2021/1060 die is onderworpen aan een verplichting tot behoud van de investering krachtens de op die investering van toepassing zijnde voorschriften betreffende staatssteun.

  • 3 De in het eerste lid vastgestelde termijn van vijf jaar wordt in geval van het behoud van investeringen of van door het mkb gecreëerde werkgelegenheid, verkort tot drie jaar.

  • 4 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op subsidie verstrekt op grond van verordening 2021/2115, voor zover het investeringen in infrastructuur of productieve investeringen betreft.

Hoofdstuk 2. Regels omtrent subsidieverstrekking door de minister

Artikel 2.1a. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • landbouwvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 4 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327);

  • visserijvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 369).

Artikel 2.2. Subsidiabele activiteiten

De minister kan op aanvraag voor activiteiten op de gebieden, genoemd in artikel 2a van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies, voor zover deze passen binnen de activiteiten, bedoeld in verordening 2021/1139, subsidie verstrekken of binnen het Nederlands strategisch GLB plan, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van verordening 2021/2115.

Artikel 2.3. Openstelling

  • 1 De minister kan op grond van deze regeling uitsluitend subsidie verstrekken indien hij de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag om subsidie heeft opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en een periode voor indiening van de aanvraag.

  • 2 De minister kan de openstelling beperken tot bepaalde activiteiten, categorieën van aanvragers of een bepaald aantal aanvragen.

  • 3 De minister kan verschillende subsidieplafonds vaststellen voor verschillende activiteiten of categorieën van aanvragers.

Artikel 2.4. Wijze van verdelen

De minister verdeelt het subsidieplafond:

  • a. op volgorde van binnenkomst van de aanvragen;

  • b. op volgorde van rangschikking van de aanvragen;

  • c. evenredig over de ingediende aanvragen; of

  • d. door loting.

Artikel 2.5. Verdeling op volgorde van binnenkomst

  • 1 Indien wordt gekozen voor verdeling van het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen, komt de aanvraag die het eerst is binnengekomen, het eerst voor subsidie in aanmerking.

  • 2 Indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt met betrekking tot de verdeling de dag of het tijdstip waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften als datum of tijdstip van binnenkomst.

  • 3 Indien de minister op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één aanvraag ontvangt, en de volgorde van die aanvragen niet op grond van het tijdstip van binnenkomst kan worden vastgesteld, stelt hij de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

Artikel 2.6. Verdeling op volgorde van rangschikking

  • 1 Indien wordt gekozen voor verdeling van het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen, komt de aanvraag die naar het oordeel van de minister de grootste bijdrage levert aan de doelstelling van de subsidie, het eerst voor subsidie in aanmerking.

  • 2 Voor zover het subsidieplafond wordt overschreden, stelt de minister de onderlinge rangschikking van die aanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt vast door middel van loting.

  • 3 Een wijziging of aanvulling van een ingediende aanvraag, die na de sluiting van de aanvraagtermijn op eigen initiatief door de aanvrager wordt ingediend, wordt niet bij de beoordeling betrokken.

Artikel 2.7. Verdeling van subsidieplafond per categorie

Indien per categorie van aanvragers of activiteiten een subsidieplafond is vastgesteld, vindt de verdeling, bedoeld in artikel 2.4, plaats per categorie.

Artikel 2.8. Adviescommissie

  • 1 De minister kan een adviescommissie instellen.

  • 2 Een adviescommissie heeft tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie.

  • 3 De adviezen van een adviescommissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.

  • 4 Een adviescommissie bestaat uit een voorzitter en een aantal leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de adviescommissie een taak heeft. De voorzitter en de leden zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of andere ministeries die voor de subsidie verantwoordelijk zijn of medeverantwoordelijk zijn.

  • 5 Bij de instelling van een adviescommissie worden de periode waarvoor de voorzitter en de leden worden benoemd en het aantal leden vastgesteld.

  • 6 De voorzitter en de leden worden door de minister benoemd en ontslagen. Zij zijn telkens opnieuw benoembaar voor de termijn, bedoeld in het vijfde lid.

  • 7 Een adviescommissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast.

  • 8 Een lid van een adviescommissie neemt geen deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag.

  • 9 De minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van een adviescommissie bij te wonen.

  • 10 In het secretariaat van een adviescommissie wordt door de minister voorzien.

  • 11 Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van een adviescommissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van een adviescommissie bewaard in het archief van dat ministerie.

  • 12 Een adviescommissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 2.9. Informatieverplichtingen

  • 1 Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een middel, dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

  • 2 Bij een aanvraag om subsidie wordt in voorkomend geval mededeling gedaan van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft wordt of zal worden gefinancierd.

  • 3 Een aanvraag om subsidie bevat in ieder geval gegevens over de subsidieaanvrager, waaronder de naam van de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of publieke instelling, het adres, e-mailadres en rekeningnummer.

  • 4 In aanvulling op het derde lid, bevat de aanvraag om subsidie, indien de subsidieaanvrager een rechtspersoon betreft, het nummer waarmee de rechtspersoon geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel en het post- en bezoekadres.

  • 5 Een aanvraag om subsidie voor een project gaat vergezeld van een projectplan, waarin ten minste zijn opgenomen:

    • a. een beschrijving van het project, waaronder:

      • 1°. een samenvatting van het project;

      • 2°. de doelstellingen van het project;

      • 3°. een probleemanalyse waaruit onder andere de noodzaak van het project en de noodzaak van de ter uitvoering daarvan te maken kosten blijken;

      • 4°. de activiteiten en wijze van uitvoering daarvan;

      • 5°. voor zover van toepassing, een overzicht van de aan het samenwerkingsverband deelnemende partijen en de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de deelnemers, alsmede een bewijsstuk waaruit blijkt dat de penvoerder bevoegd is om namens de deelnemers aan het samenwerkingsverband te handelen;

      • 6°. een beschrijving van de communicatieactiviteiten, bedoeld in artikel 50, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met e, van verordening 2021/1060 of, voor zover het activiteiten in het kader van het Elfpo betreft, in bijlage III, deel 2, van verordening 2022/129, die de subsidieontvanger of het samenwerkingsverband wil gaan ondernemen;

    • b. informatie waaruit blijkt in hoeverre het project bijdraagt aan de doeleinden waarvoor subsidie wordt verstrekt;

    • c. een begroting voor het project, die een meerjarenbegroting is met liquiditeitsplanning per jaar voor zover het project langer dan een jaar duurt, met een toelichting daarop;

    • d. criteria voor het toetsen van de resultaten van het project; en

    • e. de verwachte realisatietermijn, met een beschrijving van het tijdpad en mijlpalen indien de termijn langer dan een jaar is.

  • 6 Indien aanvragers van subsidie samenwerken in een samenwerkingsverband, dient de penvoerder namens hen een aanvraag in.

  • 7 Indien een aanvraag om subsidie op grond van deze regeling niet vergezeld gaat van een projectplan, is het vijfde lid, onderdeel a, subonderdeel 6°, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.10. Niet-subsidiabele kosten samenwerkingsverband

Onverminderd artikel 1.4 komen in geval van een samenwerkingsverband kosten die een deelnemer van het samenwerkingsverband in rekening brengt bij een andere deelnemer van het samenwerkingsverband niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.11. Afwijzingsgronden

  • 2 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie voor zover:

    • a. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de activiteiten kunnen financieren;

    • b. het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen een bij deze regeling gestelde termijn kunnen worden voltooid;

    • c. de activiteiten voor het indienen van de subsidieaanvraag zijn voltooid;

    • d. de activiteiten onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van de subsidie;

    • e. de activiteiten zouden neerkomen op een verplaatsing van productiecapaciteit als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2021/1060;

    • f. een verzoek is ingediend bij de rechtbank tot:

      • 1°. het op de subsidieaanvrager, of indien aanvragers van subsidie samenwerken in een samenwerkingsverband, op een van de deelnemers van het samenwerkingsverband, van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen als bedoeld in artikel 284, eerste lid, van de Faillissementswet;

      • 2°. verlening van surseance van betaling als bedoeld in artikel 214, eerste lid, van de Faillissementswet aan de subsidieaanvrager, of indien aanvragers van subsidie samenwerken in een samenwerkingsverband, aan een van de deelnemers van het samenwerkingsverband; of

      • 3°. faillietverklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Faillissementswet van de subsidieaanvrager, of indien aanvragers van subsidie samenwerken in een samenwerkingsverband, van een van de deelnemers van het samenwerkingsverband;

    • g. de subsidie bestemd is voor:

      • 1°. een rechtspersoon of natuurlijke persoon tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 1, derde lid, aanhef en onderdeel e, van de visserijvrijstellingsverordening en artikel 1, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de landbouwvrijstellingsverordening; of

      • 2°. een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 3, aanhef en onderdeel 5, van de visserijvrijstellingsverordening en artikel 2, aanhef en onderdeel 14, van de landbouwvrijstellingsverordening.

Artikel 2.12. Beslissing op de aanvraag

  • 1 Indien het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen, geeft de minister een beschikking op een aanvraag om subsidie binnen 22 weken na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend.

  • 2 Indien het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, geeft de minister een beschikking op een aanvraag om subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 3 De minister geeft een beschikking op een aanvraag om subsidie binnen 13 weken na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend, indien:

    • a. het subsidieplafond evenredig wordt verdeeld over de ingediende aanvragen;

    • b. het subsidieplafond wordt verdeeld door loting.

Artikel 2.13. Beslissing samenwerkingsverband

Indien de subsidie wordt verleend aan deelnemers in een samenwerkingsverband, verzendt de minister de beschikkingen tot subsidieverlening aan de penvoerder.

Artikel 2.14. Deelbetalingen

  • 1 Indien in deze regeling is bepaald dat er een deelbetaling voor gemaakte kosten wordt verstrekt, bedraagt de deelbetaling ten hoogste 90% van de verleende subsidie.

  • 2 Een deelbetaling wordt verstrekt op aanvraag. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een middel, dat door de Minister beschikbaar wordt gesteld.

  • 3 De Minister geeft een beschikking op een aanvraag tot verlening van een deelbetaling binnen tachtig dagen na ontvangst van die aanvraag.

  • 4 Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, wordt een deelbetaling aangevraagd door de penvoerder.

Artikel 2.15. Algemene verplichtingen subsidieontvanger

  • 1 Onverminderd artikel 1.7 doet de subsidieontvanger of, indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, de penvoerder onverwijld schriftelijk mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat:

    • a. de subsidiabele activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of

    • b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

  • 2 De subsidieontvanger of, indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, de penvoerder meldt vervreemding van de onderneming waaraan subsidie is verleend of van grond waarop een activiteit waarvoor subsidie is verleend betrekking heeft, zo spoedig mogelijk en uiterlijk op de dag van daadwerkelijke vervreemding, schriftelijk aan de minister.

  • 3 De subsidieontvanger is verplicht om het materiaal, bedoeld in artikel 49, zesde lid, van verordening 2021/1060 of bijlage III, deel 1, punt 1.7, van verordening 2022/129, op verzoek van de minister ter beschikking te stellen.

Artikel 2.16. Uitvoering projectplan

  • 1 Indien de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft op een projectplan, voert de subsidieontvanger de activiteiten uit overeenkomstig dit projectplan.

  • 2 De minister kan voor het vertragen of het essentieel wijzigen van de wijze van uitvoering van de activiteiten op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger of, indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, de penvoerder ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, tenzij hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de activiteit waarvoor subsidie is verleend, de doelstelling van de subsidie of de voorwaarden van de subsidieverstrekking.

  • 3 Aan de in het tweede lid genoemde ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 4 Voor de toepassing van het tweede lid geldt de voorwaarde dat door de ontheffing geen afbreuk wordt gedaan aan de activiteit waarvoor subsidie is verleend, het doel van de subsidie of de voorwaarden van de subsidieverstrekking, niet, indien aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet kan worden voldaan uitsluitend als direct gevolg van de crisis in verband met COVID-19.

Artikel 2.17. Administratieve verplichtingen subsidieontvanger

  • 1 De subsidieontvanger of, indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, de penvoerder voert een zodanige administratie dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden:

    • a. de aard, inhoud en voortgang van de verrichte activiteiten;

    • b. dat de communicatieactiviteiten, bedoeld in artikel 2.9, vijfde lid, onderdeel a, subonderdeel 6°, worden uitgevoerd;

    • c. het aantal eenheden dat per kostendrager is besteed aan activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen; en

    • d. in geval loonkosten of eigen arbeid subsidiabel zijn, het aantal uren dat per persoon is besteed aan activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen.

  • 2 De administratie wordt ten minste vijf jaar na de datum van de laatste betaling van de minister aan de subsidieontvanger bewaard.

  • 3 In geval van een gerechtelijke procedure wordt de administratie ten minste tien jaar na de datum van de afhandeling van de gerechtelijke procedure bewaard.

Artikel 2.18. Tussenrapportage projecten

  • 1 Indien de periode van uitvoering van een project dat voor subsidie in aanmerking komt meer dan twaalf maanden in beslag neemt, wordt bij de beschikking tot subsidieverlening de verplichting opgelegd tot indiening van één of meer rapportages waarin een samenvatting van de voortgang van het project wordt beschreven, waarbij rekening wordt gehouden met de mijlpalen van het project.

  • 2 Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, dient de penvoerder de rapportages, bedoeld in het eerste lid, in.

Artikel 2.19. Indienen aanvraag subsidievaststelling

  • 1 De subsidieontvanger, of indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband de penvoerder, dient een aanvraag tot subsidievaststelling in uiterlijk dertien weken na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn voltooid.

  • 2 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

  • 3 Bij een aanvraag tot subsidievaststelling wordt in voorkomend geval mededeling gedaan van andere inkomsten, waaronder subsidies, waarmee de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft is gefinancierd.

  • 4 De aanvraag tot subsidievaststelling bevat in ieder geval:

    • a. gegevens over de subsidieontvanger, waaronder de naam, het adres en het door de minister toegekende referentienummer;

    • b. gegevens over de hoogte van de gemaakte subsidiabele kosten of over de verrichte prestatie; en

    • c. gegevens die aantonen dat de communicatieactiviteiten, bedoeld in artikel 2.9, vijfde lid, onderdeel a, subonderdeel 6°, zijn uitgevoerd.

  • 5 Een aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een eindverslag indien de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft op een projectplan. Het eindverslag bevat ten minste:

    • a. een samenvatting van het project;

    • b. een beschrijving van de activiteiten die in het kader van het project zijn verricht;

    • c. een evaluatie van de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het projectplan waarop de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft;

    • d. de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan; en

    • e. de wijze waarop de kennis en informatie, bedoeld in onderdeel c, openbaar is of zal worden gemaakt, indien in deze regeling is bepaald dat openbaarmaking plaatsvindt.

Artikel 2.20. Indienen aanvraag subsidievaststelling samenwerkingsverband

Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, dient de penvoerder namens hen de aanvraag tot subsidievaststelling in.

Artikel 2.21. Beschikking subsidievaststelling

  • 1 De minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen tachtig dagen na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.

  • 2 Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, verzendt de minister de beschikkingen tot subsidievaststelling aan de penvoerder.

Hoofdstuk 3. Europees fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur

§ 3.1. Algemene bepalingen

Artikel 3.1.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • verordening 1380/2013: Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PbEU 2013, L 354);

  • wetenschappelijke organisatie:

    • a. in onderdeel a of b van de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs;

    • b. andere dan in onderdeel a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;

    • c. geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:

      • 1°. openbare instelling voor hoger onderwijs gelijkwaardig aan een instelling als bedoeld in onderdeel a; of

      • 2°. onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    • d. rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld in onderdeel a, b of c direct of indirect:

      • 1°. meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft,

      • 2°. volledig aansprakelijk vennoot is; of

      • 3°. overwegende zeggenschap heeft.

Artikel 3.1.2. Niet-subsidiabele kosten

Niet voor subsidiëring komen in aanmerking:

  • a. de kosten van de activiteiten, bedoeld in artikel 13 van verordening 2021/1139;

  • b. de kosten gemaakt buiten de projectperiode, die benoemd is in de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 3.1.3. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, voor zover:

  • a. de subsidieaanvrager niet-ontvankelijk is voor steun op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 11 van verordening 2021/1139; of

  • b. de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd niet subsidiabel zijn op grond van artikel 13 van de verordening 2021/1139.

Artikel 3.1.4. Informatieverplichtingen

Onverminderd artikel 2.9 bevat een aanvraag om subsidie in ieder geval:

  • a. indien de subsidieaanvrager een natuurlijke persoon is, het burgerservicenummer;

  • b. gegevens waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager beschikt over de nodige financiële middelen en mechanismen, bedoeld in artikel 73, tweede lid, onderdeel d, van verordening 2021/1060, om de exploitatie- en onderhoudskosten te dekken van het project of de investering waarvoor subsidie wordt aangevraagd uit te kunnen voeren;

  • c. een verklaring dat de subsidieaanvrager niet niet-ontvankelijk is voor steun op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 11, eerste en derde lid, van verordening 2021/1139;

  • d. gegevens met betrekking tot het project of de investering waarvoor subsidie wordt aangevraagd om monitoring, evaluatie en rapportage aan de Europese Commissie, zoals bedoeld in de artikelen 42, eerste lid, 43 en 49, derde lid, van verordening 2021/1060, mogelijk te maken;

  • e. voor zover ten tijde van de aanvraag om subsidie bekend is dat de aanvrager een opdracht wil verlenen als bedoeld in artikel 3.1.7, tweede lid, kopieën van de opgevraagde offertes, waarmee de kosten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, onderbouwd worden; en

  • f. voor zover ten tijde van de aanvraag om subsidie bekend is dat een aanvrager een opdracht wil verlenen als bedoeld in artikel 3.1.7, vijfde lid, gegevens over de gevolgde procedure en de gunningsbeslissing, bedoeld in artikel 3.1.7, zesde lid.

Artikel 3.1.5. Deelbetalingverlening en opdrachtgunning

De aanvraag tot deelbetalingverlening bevat, voor zover de subsidieontvanger voor de kosten waarvoor hij een deelbetaling als bedoeld in artikel 2.14 aanvraagt een opdracht heeft verleend als bedoeld in:

  • a. artikel 3.1.7, tweede lid: kopieën van de opgevraagde offertes als bedoeld in artikel 3.1.7, tweede lid, en de relevante redenen voor een op basis van de offertes genomen gunningsbeslissing; of

  • b. artikel 3.1.7, vijfde lid: gegevens over de gevolgde procedure en de gunningsbeslissing, bedoeld in artikel 3.1.7, zesde lid.

Artikel 3.1.6. Indiening aanvraag tot subsidievaststelling

Onverminderd artikel 2.19, bevat de aanvraag tot subsidievaststelling:

  • a. gegevens met betrekking tot het halen van de doelstellingen en prioriteiten van het project of de investering waarvoor subsidie is aangevraagd;

  • b. voor zover van toepassing en voor zover deze nog niet zijn aangeleverd bij de aanvraag om subsidie of een aanvraag tot voorschotverlening, kopieën van opgevraagde offertes als bedoeld in artikel 3.1.7, tweede lid, en de relevante redenen voor een op basis van deze offertes genomen gunningsbeslissing; en

  • c. voor zover van toepassing en voor zover deze nog niet zijn aangeleverd bij de aanvraag om subsidie of een aanvraag tot voorschotverlening, gegevens over de gevolgde procedure en de gunningsbeslissing, bedoeld in artikel 3.1.7, vijfde lid.

Artikel 3.1.7. Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1 De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat een situatie als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, b, of c van verordening 2021/1139 zich niet voordoet gedurende ten minste vijf jaar na de datum van de laatste betaling.

  • 2 Indien de subsidieontvanger subsidie aanwendt voor het verlenen van een opdracht waarbij de totale kosten bij één opdrachtnemer hoger zullen zijn dan € 25.000, vraagt hij voorafgaand aan de opdrachtverlening drie offertes op bij van elkaar onafhankelijke aanbieders.

  • 3 De subsidieontvanger gunt de opdracht, bedoeld in het tweede lid, aan de aanbieder met de economisch meest voordelige offerte.

  • 4 De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger of de penvoerder ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het tweede lid. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

  • 5 Het tweede lid is niet van toepassing indien de subsidieontvanger die subsidie wil aanwenden voor het verlenen van een opdracht een aanbestedende dienst is als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012 en de opdracht die hij wil verlenen op grond van de Aanbestedingswet 2012 moet worden aanbesteed.

  • 6 Indien het vijfde lid van toepassing is, stelt de subsidieontvanger of de penvoerder de minister op de hoogte van de gevolgde procedure en de gunningsbeslissing, overeenkomstig artikel 2.130 van de Aanbestedingswet 2012.

  • 7 Het tweede lid is niet van toepassing indien de subsidie wordt aangewend voor het verlenen van een opdracht aan een wetenschappelijke organisatie.

  • 8 De subsidieontvanger verleent de Europese Audit Autoriteit, de Europese Commissie of de Europese Rekenkamer alle medewerking die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn taken.

Artikel 3.1.8. Adviescommissie EMFAF

  • 1 Er is een adviescommissie EMFAF die tot taak heeft de minister te adviseren over de afwijzingsgrond, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onderdeel d, en indien het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen, over de rangschikking van aanvragen tot subsidieverlening.

  • 2 De commissie bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste tien leden.

  • 3 De voorzitter en de leden worden voor een periode van drie jaar benoemd.

Artikel 3.1.9. Vaststelling procedure gegevensdragers

De overeenstemming van op algemeen aanvaarde gegevensdragers bewaarde documenten met de originele documenten wordt vastgesteld overeenkomstig de procedure opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

Artikel 3.1.10. Vaststelling beleidsregels EMFAF

De minister stelt beleidsregels als bedoeld in artikel 1.6 in ieder geval vast voor de toepassing van financiële correcties in verband met de niet-naleving van regels die gelden op grond van:

§ 3.2. Investeringen in mosselzaadinvanginstallaties

Artikel 3.2.1. Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 3.2.2. Subsidieverstrekking

  • 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een aquacultuurondernemer die mkb is voor activiteiten gericht op de aanleg van mosselzaadinvanginstallaties in de Waddenzee, Oosterschelde of Voordelta ten behoeve van de verduurzaming van de aquacultuur.

  • 2 Subsidie, als bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verleend indien dit past binnen een door de Europese Commissie goedgekeurd programma als bedoeld in artikel 8 van verordening 2021/1139.

  • 3 In afwijking van artikel 2.12, derde lid, onderdeel a, wordt een beschikking tot subsidieverlening gegeven binnen 52 weken na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend.

Artikel 3.2.3. Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt 60 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 100.000 per subsidieaanvrager.

Artikel 3.2.4. Subsidiabele kosten

Voor zover zij direct verbonden zijn aan de uitvoering van de subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, komen als subsidiabele kosten in aanmerking:

  • a. de kosten voor de aankoop, bouw en plaatsing van een mosselzaadinvanginstallatie; en

  • b. voor zover van toepassing, de kosten voor aanpassingen van een vissersvaartuig die noodzakelijk zijn om te kunnen vissen of oogsten met een mosselzaadinvanginstallatie.

Artikel 3.2.5. Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen.

Artikel 3.2.7. Afwijzingsgronden

Onverminderd de artikelen 2.11 en 3.1.3 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening, indien de aanvrager geen houder is van een vergunning als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling visserij voor het vissen op mosselzaad in de Waddenzee.

Artikel 3.2.8. Informatieverplichtingen

Onverminderd de artikelen 2.9 en 3.1.4, gaat een aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van de volgende gegevens:

  • a. een investeringsplan met daarin een beschrijving van de investering;

  • b. een begroting van de kosten voor aankoop, bouw en plaatsing van die installatie, en indien van toepassing, de kosten voor aanpassingen aan een vissersvaartuig;

  • c. gegevens waarmee de subsidieaanvrager kan aantonen dat de aanvrager mkb is; en

  • d. een onderbouwing van de kosten voor aankoop, bouw en plaatsing van de mosselzaadinvanginstallatie, en indien de aanvraag betrekking heeft op subsidie voor de kosten als bedoeld in artikel 3.2.4, aanhef en onderdeel b, een onderbouwing van de kosten voor het aanpassen van een vissersvaartuig.

Artikel 3.2.9. Verplichtingen subsidieontvanger

Onverminderd de artikelen 1.7, 2.15 en 3.1.7, is de subsidieontvanger verplicht:

  • a. de mosselzaadinvanginstallatie in gebruik te nemen in de Waddenzee, Oosterschelde of Voordelta;

  • b. de betaling van de kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, te doen plaatsvinden voor het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling; en

  • c. in het jaar dat de subsidievaststelling, bedoeld in artikel 3.2.10, wordt aangevraagd, houder te zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling visserij voor het vissen op mosselzaad in de Waddenzee.

Artikel 3.2.10. Subsidievaststelling

Onverminderd de artikelen 2.19 en 3.1.6, bevat de aanvraag tot subsidievaststelling in ieder geval:

  • a. facturen en betaalbewijzen van de ten behoeve van de subsidiabele activiteiten gemaakte en betaalde kosten; en

  • b. gegevens waaruit blijkt wat de locatie van de aangelegde mosselzaadinvanginstallatie is.

Artikel 3.2.11. Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd de artikelen 1.4 en 3.1.2, komen de volgende kosten niet in aanmerking voor subsidie:

Artikel 3.2.12. Vervaltermijn

Deze paragraaf vervalt met ingang van 1 oktober 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

§ 3.3. Investeringen in SCR-katalysatoren

Artikel 3.3.1. Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • CE-markering: markering als bedoeld in besluit nr. 768/2008/EG van de het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/Eeg van de Raad (PbEU L 218/82);

  • CFR-nummer: CFR (common fleet register)-nummer als bedoeld in artikel 2, onderdeel l, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie van 6 februari 2017 inzake het vissersvlootregister van de Unie (PbEU 2017, L 34);

  • SCR-katalysator: nabehandelingssysteem voor selectieve katalytische reductie;

  • visserijonderneming: onderneming die zich bezighoudt met visserijactiviteiten;

  • vissersvaartuig: vissersvaartuig dat is geregistreerd in het register, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998.

Artikel 3.3.2. Subsidieverstrekking

  • 1 De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een visserijonderneming voor de volgende activiteiten:

    • a. de aankoop en installatie van een SCR-katalysator voor een vissersvaartuig ten behoeve van de reeds ingebouwde motor, voor zover dit leidt tot een vermindering van de uitstoot van stikstofoxiden met ten minste 60 procent van de norm die wordt gesteld aan een motor met vergelijkbaar vermogen met een type goedkeuring CCR2;

    • b. het laten opstellen van een rapport door een erkend meetbedrijf of een gecertificeerd meetbedrijf waarin de meetresultaten van emissies van de motor na uitvoering van de in onderdeel a, bedoelde maatregelen in de praktijk zijn weergegeven, voorafgaand aan de aanvraag tot subsidievaststelling. De metingen worden uitgevoerd conform de norm ISO 8178, testcyclus E3 of D2.

  • 2 Per vissersvaartuig kan één aanvraag worden ingediend.

  • 3 Subsidie kan slechts worden aangevraagd door een visserijonderneming die op het moment van indiening van de aanvraag een vissersvaartuig in eigendom heeft.

Artikel 3.3.3. Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 51.000 per vissersvaartuig.

Artikel 3.3.4. Subsidiabele kosten

Voor zover zij direct verbonden zijn aan de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, komen als subsidiabele kosten in aanmerking:

  • a. de kosten voor de aankoop en installatie van een SCR-katalysator;

  • b. opstellen van een rapport door een erkend meetbedrijf of een gecertificeerd meetbedrijf.

Artikel 3.3.5. Verdeling subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.3.7. Afwijzingsgronden

Onverminderd de artikelen 2.11 en 3.1.3 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening, indien:

Artikel 3.3.8. Informatieverplichtingen

Onverminderd de artikelen 2.9, eerste tot en met vierde lid, zesde en zevende lid, en 3.1.4, gaat een aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van de volgende gegevens:

  • a. een investeringsplan met daarin een beschrijving van de investering;

  • b. een begroting van de kosten voor aankoop en installatie van die SCR-katalysator;

  • c. CFR-nummer van het vissersvaartuig.

Artikel 3.3.9. Verplichtingen subsidieontvanger

Onverminderd de artikelen 1.7, 2.15 en 3.1.7, is de subsidieontvanger verplicht:

Artikel 3.3.10. Subsidievaststelling

Onverminderd de artikelen 2.19 en 3.1.6, bevat de aanvraag tot subsidievaststelling in ieder geval:

  • a. facturen, inclusief de CE-markering, en betaalbewijzen van de ten behoeve van de subsidiabele activiteit gemaakte en betaalde kosten;

  • b. een rapport als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, onderdeel b.

Artikel 3.3.11. Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd de artikelen 1.4 en 3.1.2, komen de volgende kosten niet in aanmerking voor subsidie:

Artikel 3.3.12. Vervaltermijn

Deze paragraaf vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Hoofdstuk 4. Europees fonds voor regionale ontwikkeling

§ 4.1. Algemene bepalingen

Artikel 4.1.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • auditautoriteit: door de Minister aangewezen autoriteit als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van verordening 2021/1060;

  • financieringsinstrument: financieringsinstrument als bedoeld in artikel 58, eerste lid, van verordening 2021/1060;

  • programmasubsidie: subsidie die wordt verstrekt aan een autoriteit van een grensoverschrijdend programma ten behoeve van het financieren van projecten die binnen dat grensoverschrijdende programma vallen.

§ 4.2. Regels omtrent subsidieverstrekking door de beheerautoriteit in het kader van de landsdelige EFRO-programma’s

Artikel 4.2.1. Subsidiabele activiteiten

  • 1 De beheerautoriteit verstrekt subsidie voor activiteiten passend binnen het programma waarvoor de beheerautoriteit is aangewezen.

  • 2 Een subsidie als bedoeld in het eerste lid kan worden verstrekt in de vorm van een bijdrage aan een financieringsinstrument.

Artikel 4.2.2. Subsidieplafond en subsidiebedrag

  • 1 De beheerautoriteit stelt een subsidieplafond of meerdere deelplafonds ter uitvoering van deze regeling vast, alsmede de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag onder het desbetreffende plafond.

  • 2 De beheerautoriteit kan een beschikbaar subsidiebedrag bestemmen voor een of meer financieringsinstrumenten.

  • 3 De beheerautoriteit maakt de criteria en procedures, bedoeld in artikel 73, eerste lid, van verordening 2021/1060, die worden gehanteerd binnen de wijze van verdeling, bedoeld in het eerste lid, bekend.

Artikel 4.2.3. Indiening aanvraag om subsidie

Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de beheerautoriteit beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 4.2.4. Beslissing op de aanvraag

  • 1 De beheerautoriteit geeft binnen 26 weken een beschikking op een aanvraag om subsidie.

  • 2 Indien een beschikbaar subsidiebedrag wordt verdeeld op basis van rangschikking als bedoeld in artikel 4.2.8, onderdeel b, begint de termijn, bedoeld in het eerste lid, op de eerste dag na afloop van de aanvraagperiode.

Artikel 4.2.5. Facturen voor kosten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onderdeel e, met een factuurbedrag lager dan € 250, exclusief BTW

  • 2 De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onderdeel e, waarvoor een factuur wordt ingediend met een factuurbedrag van € 250 of meer, exclusief BTW, wordt verhoogd met een opslag van 1 procent ter dekking van de kosten, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.2.6. Subsidievaststelling projecten minder dan € 200.000

  • 1 Indien subsidie wordt aangevraagd voor projecten waarvan de totale kostprijs niet meer dan € 200.000 bedraagt, wordt de subsidie verleend met gebruikmaking van eenheidskosten of vaste bedragen als bedoeld in artikel 53, tweede lid, van verordening 2021/1060 en kan de subsidie worden vastgesteld op basis van een ontwerpbegroting als bedoeld in artikel 53, derde lid, aanhef en onderdeel b, van verordening 2021/1060.

  • 2 De artikelen 1.3a, 1.3b, 1.3c en 1.3d zijn niet van toepassing, indien de subsidie wordt verleend met gebruikmaking van het eerste lid.

Artikel 4.2.7. Afwijzingsgronden

  • 1 De beheerautoriteit beslist afwijzend op een aanvraag indien:

    • a. het project niet voldoet aan deze regeling, verordening 2021/1060 of verordening 2021/1058, of gelet op de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 4.2.2, eerste lid, of de criteria en procedures, bedoeld in artikel 4.2.2, derde lid, niet voor subsidie in aanmerking komt;

    • b. het project niet voldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen binnen het programma of het gedeelte van het programma waarvoor het subsidieplafond of het deelplafond beschikbaar is gesteld;

    • c. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag op de uiterste datum van indiening in het geval van verdeling op basis van rangschikking als bedoeld in artikel 4.2.8, onderdeel b;

    • d. de subsidie bestemd is voor:

      • 1°. een onderneming tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of

      • 2°. een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2 De beheerautoriteit kan geheel of gedeeltelijk afwijzend beslissen op een aanvraag indien blijkt dat de beoogde financiering door de overige financiers geheel of gedeeltelijk niet zal worden verleend.

Artikel 4.2.8. Verdeling subsidiebedrag

Behoudens de bijdrage aan een financieringsinstrument als bedoeld in artikel 4.2.2, tweede lid, verdeelt de beheerautoriteit een beschikbaar subsidiebedrag:

  • a. op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 4.2.9; of

  • b. op basis van rangschikking van de aanvragen, overeenkomstig artikel 4.2.10.

Artikel 4.2.9. Volgorde van ontvangst

  • 1 Indien wordt gekozen voor verdeling op volgorde van ontvangst als bedoeld in artikel 4.2.8, onderdeel a, komt de eerst ontvangen aanvraag het eerst voor subsidie in aanmerking.

  • 2 Indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt met betrekking tot de verdeling de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften als datum van ontvangst.

  • 3 Indien de beheerautoriteit op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan een aanvraag ontvangt, stelt zij de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

Artikel 4.2.10. Rangschikking

  • 1 Indien wordt gekozen voor verdeling op volgorde van rangschikking van de aanvragen als bedoeld in artikel 4.2.8, onderdeel b, komt de aanvraag die naar het oordeel van de beheerautoriteit in de hoogste mate aan de rangschikkingscriteria voldoet het eerst voor subsidie in aanmerking.

  • 2 Voor zover het subsidieplafond dreigt te worden overschreden, stelt de beheerautoriteit de onderlinge rangschikking van die aanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt vast door middel van loting.

Artikel 4.2.11. Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het uiterlijk op het bij de verlening bepaalde tijdstip.

Artikel 4.2.12. Wijziging project

Een wijziging van een project waarvoor subsidie wordt verstrekt, betreffende

  • a. de subsidieontvanger;

  • b. de uit te voeren activiteiten of de te realiseren doelstellingen;

  • c. de financiering van het project; of

  • d. de planning of looptijd,

behoeft de goedkeuring van de beheerautoriteit.

Artikel 4.2.13. Meldingsplicht subsidieontvanger

De subsidieontvanger doet onverwijld schriftelijk melding aan de beheerautoriteit zodra aannemelijk is dat:

  • a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht; of

  • b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 4.2.14. Administratie

De subsidieontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle door hem gemaakte en betaalde kosten kunnen worden afgelezen en gespecificeerd, met dien verstande dat ter zake van de kosten, bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, en artikel 1.3c, eerste lid, onderdeel a, een door middel van een inzichtelijke tijdschrijving controleerbare urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.

Artikel 4.2.15. Verplichtingen

  • 1 De beheerautoriteit verbindt verplichtingen aan de subsidie.

  • 2 De beheerautoriteit verbindt zodanig verplichtingen aan de subsidie dat de subsidieontvanger aan de auditautoriteit de medewerking verleent die zij voor haar taakvervulling nodig heeft.

Artikel 4.2.16. Aanvraag tot subsidievaststelling

Een aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de beheerautoriteit beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 4.2.17. Beslissing op de aanvraag tot subsidievaststelling

De beheerautoriteit geeft binnen 26 weken een beschikking op een aanvraag tot subsidievaststelling.

§ 4.3. Regels omtrent subsidieverstrekking ten laste van de Rijkscofinanciering in het kader van de landsdelige EFRO-programma’s

Artikel 4.3.1. Subsidieaanvraag

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan degene die een project tot stand brengt dat past in een programma en dat bijdraagt aan de realisatie van nationale beleidsdoelen op het gebied van innovatie of de transitie naar een koolstofarme of circulaire economie.

Artikel 4.3.2. Subsidieplafond

  • 1 Het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4.3.1 is voor de gehele programmaperiode:

    • a. voor programma EFRO 2021-2027 Noord-Nederland: € 19.475.579;

    • b. voor programma EFRO 2021-2027 Oost-Nederland: € 22.946.144;

    • c. voor programma EFRO 2021-2027 Zuid-Nederland: € 19.640.087;

    • d. voor programma EFRO 2021-2027 West-Nederland: € 37.352.960.

  • 2 Het voor de cofinanciering beschikbare bedrag wordt in jaarlijkse tranches beschikbaar gesteld.

Artikel 4.3.3. Afwijzingsgronden

De Minister beslist afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening indien het project onvoldoende bijdraagt aan de realisatie van het in artikel 4.3.1 bedoelde Rijksbeleid of de subsidieaanvrager niet in aanmerking komt voor subsidie op grond van paragraaf 4.2.

§ 4.4. Regels omtrent subsidieverstrekking ten laste van Rijkscofinanciering in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg)

Artikel 4.4.1. Subsidieaanvraag

De Minister verstrekt op aanvraag een programmasubsidie voor de programma’s, bedoeld in artikel 4.4.2, eerste lid.

Artikel 4.4.2. Subsidieplafond

  • 1 Het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4.4.1 is voor de gehele programmaperiode:

    • a. voor het programma Interreg Duitsland – Nederland € 25.706.117;

    • b. voor het programma Interreg Maas-Rijn € 4.336.389;

    • c. voor het programma Interreg Vlaanderen-Nederland € 18.957.494.

  • 2 De Minister maakt de in het eerste lid bedoelde subsidieplafonds op verzoek van de beheerautoriteiten in voorschotten over naar de beheerautoriteiten.

  • 3 Rentebaten over een voorschot worden op dezelfde wijze besteed als de programmasubsidie.

Artikel 4.4.3. Instemming Minister en afwijzingsgronden

  • 1 De ontvanger van een programmasubsidie als bedoeld in artikel 4.4.1 financiert geen projecten ten laste van de programmasubsidie, bedoeld in artikel 4.4.1 zonder voorafgaande schriftelijke instemming van de Minister.

  • 2 De Minister onthoudt de instemming of wijst een aanvraag als bedoeld in artikel 4.4.1 af, indien het project niet in voldoende mate bijdraagt aan tenminste een van de volgende aspecten:

    • a. de realisatie van nationale beleidsdoelen op het gebied van innovatie en de transities naar een koolstofarme, circulaire, economie;

    • b. verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt of arbeidsmobiliteit;

    • c. economische structuurversterking binnen economische sectoren of in het programmagebied.

  • 3 Het tweede lid is niet van toepassing op Rijkscofinanciering voor technische bijstand.

Hoofdstuk 5. Europees Landbouwgarantiefonds en Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling

Titel 5.1. Algemene bepalingen

Artikel 5.1.1. Begripsbepalingen

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • algemene de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352);

    • arbeidskosten: de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onderdelen a en b;

    • ELGF: Europees Landbouwgarantiefonds, bedoeld in artikel 4, onderdeel a, van verordening (EU) 2021/2116;

    • interventie: interventie als bedoeld in artikel 3, derde lid, van verordening 2021/2115;

    • interventietype: interventietype als bedoeld in artikel 47 van verordening 2021/2115;

    • investering: investering in vaste of immateriële activa die worden aangewend voor de productie van goederen en diensten en die leidt tot een stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming;

    • jonge landbouwer: landbouwer die jonger is dan 40 jaar op 31 december van het jaar waarin de steun wordt aangevraagd, die bedrijfshoofd is en beschikt over de vereiste passende opleiding of vaardigheden;

    • landbouwer: een natuurlijke of rechtspersoon die een landbouwactiviteit verricht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van verordening 2021/2115;

    • landbouwproducten: voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij alsmede de producten in eerste graad van bewerking welke met de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband houden, zoals vermeld in artikel 38 en bijlage II van het Verdrag van de werking van de Europese Unie (VWEU);

    • overige kosten: de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onderdelen c, d en e;

    • plattelandsinterventies: interventies als bedoeld in artikel 69 van verordening 2021/2115;

    • sectorale interventies: interventies als bedoeld in artikel 42 van verordening 2021/2115;

    • verordening 2022/126: Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/126 van de Commissie van 7 december 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad met aanvullende eisen voor bepaalde interventietypes die de lidstaten in het kader van die verordening in hun strategisch GLB-plan voor de periode 2023-2027 uitwerken, alsmede regels voor het aandeel in het kader van norm 1 inzake een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) (PbEU 2022, L 20);

    • voorschot: een voorschot als bedoeld in artikel 44 van verordening 2021/2116, inhoudende een betaling aan de subsidieontvanger, vooruitlopend op het verrichten van een activiteit en uiterlijk totdat een deelbetaling wordt uitbetaald;

    • werkgeverslasten: loonkosten die voor rekening van de werkgever komen, waaronder vakantie-uitkeringen, pensioen- en sociale verzekeringspremies.

  • 2 In titel 5.2 en 5.3 wordt verstaan onder:

    • aanvoerprognose: opgave door een lid van een producentenorganisatie van de hoeveelheid en aard van de producten die het lid in een door de producentenorganisatie te bepalen tijdvak bij de producentenorganisatie verwacht aan te voeren;

    • accountant: accountant die is ingeschreven in het accountantsregister, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet op het Accountantsberoep;

    • actiefonds: actiefonds als bedoeld in artikel 51 van verordening 2021/2115;

    • activiteit: een actie of een door een producentenorganisatie in haar operationeel programma opgenomen interventie;

    • areaalenquête: inventarisatie van een door een lid van de producentenorganisatie beteeld areaal en de door dit lid geteelde producten;

    • bijproduct: een product, als bedoeld in artikel 31, derde lid, van verordening 2022/126, dat resulteert uit de bereiding van een groente- of fruitproduct en dat een positieve economische waarde heeft, doch niet het belangrijkste beoogde product is;

    • biologische productie: biologische productie als bedoeld in verordening 2018/848;

    • denatureren: ongeschikt maken voor menselijke consumptie;

    • dochteronderneming: dochteronderneming als bedoeld in artikel 31, zevende lid, van verordening 2022/126 en een entiteit binnen een keten van dochterondernemingen als bedoeld in punt 5 van bijlage III van verordening 2022/126;

    • duurzaam productiemiddel: tastbaar activum als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, van verordening 2017/891;

    • erkenningsaanvraag: een verzoek om erkenning als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013;

    • erkenningsbesluit: besluit van de minister inzake de erkenning van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013;

    • forfaitair standaardtarief: vast of maximaal bedrag per eenheid, al dan niet uitgedrukt als percentage, dat wordt gebruikt om de te declareren bedragen vast te stellen en vooraf is vastgesteld op grond van 44, tweede lid, van verordening 2021/2115;

    • gedeeltelijke betaling: betaling op aanvraag van het gedeelte van de subsidie dat overeenkomt met de reeds in het kader van het operationele programma bestede bedragen dat niet meer dan 80% van het deel van de steun dat overeenkomt met de bedragen die in het kader van het operationeel programma reeds zijn besteed voor de betrokken periode bedraagt;

    • goederenlogistiek: het verzamelen, ophalen, sorteren, opslaan, verpakken, transporteren en distribueren van het product;

    • kostenbegroting: actuele offerte voor de concreet geplande aanschaf of dienst, dan wel een taxatierapport op basis van de marktwaarde, dan wel een officiële actuele prijslijst van leveranciers, dan wel een factuur uit een voorgaande periode voor eenzelfde soort geplande uitgavenpost, dan wel een vergelijkbaar document;

    • lid: aangesloten producent als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van verordening 2017/891;

    • niet-producerend lid: lid van de producentenorganisatie dat meer dan één teeltseizoen geen producten teelt waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • operationeel programma: operationeel programma als bedoeld in artikel 50 van verordening 2021/2115;

    • producentenorganisatie: door de minister erkende producentenorganisatie als bedoeld in artikel 152 van verordening 1308/2013;

    • producten die vallen onder de sector groenten en fruit: producten die vallen onder de sector groenten en fruit als bedoeld in bijlage I, deel IX, van verordening 1308/2013 waarvoor de producentenorganisatie is erkend en die binnen de Unie door leden zijn geproduceerd;

    • productie voor eigen rekening en risico: degene voor wiens rekening en risico wordt geteeld draagt de risico’s die samenhangen met de teelt en de opbrengst en is daarmee de eigenaar van het product ongeacht of hier een verkooptransactie aan vooraf is gegaan. In beginsel is dit de producent voor wiens rekening tevens de winsten en eventuele verliezen komen;

    • project: samenhangend geheel van activiteiten die subsidiabel zijn gesteld in deze regeling ter realisatie van één of meer sectorale doelstellingen die door een producentenorganisatie worden nagestreefd met haar operationeel programma;

    • restproduct: een product dat niet aan de in artikel 76 van verordening 2013/1308 bedoelde handelsnormen voldoet dan wel een bijproduct dat resulteert uit de voorbereidingen en wordt gebruikt als input voor verwerking;

    • sectorale doelstelling: sectorale doelstelling als bedoeld in artikel 46 van verordening 2021/2115;

    • subsidie: financiële steun van de Unie als bedoeld in artikel 52 van verordening 2021/2115;

    • SWOT analyse: bedrijfskundig model dat intern de sterktes en zwaktes en in de omgeving de kansen en bedreigingen analyseert;

    • tussentijdse wijziging: een wijziging van het operationeel programma in de loop van het jaar;

    • uitgavenpost: samenstel van uitgaven die gezamenlijk aan dezelfde criteria voldoen om binnen een activiteit bij te dragen aan het concrete sectorale doelstelling van een project;

    • uitvoeringsjaar: jaar van uitvoering van een operationeel programma;

    • unie van producentenorganisaties: unie van erkende producentenorganisaties als bedoeld in artikel 156 van verordening 1308/2013;

    • verbonden partijen: marktpartijen die economisch, organisatorisch, financieel of juridisch verbonden zijn en waarbij sprake kan zijn van beïnvloeding van de ene partij door de andere partij;

    • verkoper: natuurlijke of rechtspersoon die door een producentenorganisatie is belast met de verkoop van producten van de leden van de producentenorganisatie of van de producentenorganisatie zelf waarvoor de producentenorganisatie is erkend;

    • verordening 2017/891: gedelegeerde verordening (EU) nr. 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie (PbEU 2017, L 138);

    • verordening 1308/2013: Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001en (EG) nr. 1234/2007van de Raad (PbEU 2013, L 347);

    • verordening 1144/2014: Verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad (PbEU 2014, L 317/56);

    • verordening 2018/848: Verordening (EU) nr. 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 15);

    • verordening 2019/2009: Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003 (PbEU 2019, L 170);

    • voorbereiding: voorbereidende activiteiten zoals schoonmaken, snijden, schillen, bijsnijden en drogen van groenten en fruit, zonder dat ze in verwerkte groenten en fruit worden omgezet;

    • waarde afgezette productie: waarde van de afgezette productie van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 31 van verordening 2022/126.

Artikel 5.1.2. Berekening subsidiabele kosten

  • 1 In afwijking van de artikelen 1.3a en 1.3c, kiest de aanvrager voor de berekening van de subsidiabele kosten uit één van de volgende drie berekeningswijzen:

    • a. berekening subsidiabele kosten zonder forfait, opgenomen in artikel 5.1.3;

    • b. berekening subsidiabele kosten met forfait voor arbeidskosten, opgenomen in artikel 5.1.3a; dan wel

    • c. berekening subsidiabele kosten met forfait voor overige kosten, opgenomen in artikel 5.1.3b.

Artikel 5.1.3. Berekening subsidiabele kosten zonder forfait

  • 1 Voor de berekening van de arbeidskosten kiest de aanvrager uit één van de volgende berekeningswijzen:

    • a. de arbeidskosten kunnen worden berekend door:

      • 1°. in het geval van eigen arbeid, het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met een uurtarief van € 50,–;

      • 2°. in het geval van loonkosten, een per medewerker bepaald individueel uurtarief, berekend overeenkomstig het tweede lid, te vermenigvuldigen met het aantal door de medewerker aan het project bestede uren, waarna dat bedrag met 15% wordt vermeerderd voor overhead;

    • b. de arbeidskosten kunnen worden berekend door het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met de volgende uurtarieven:

      • 1°. € 44,– voor de arbeidskosten van een projectmedewerker;

      • 2°. € 50,– voor de arbeidskosten van een landbouwer;

      • 3°. € 78,– voor de arbeidskosten van een adviseur;

      • 4°. € 88,– voor de arbeidskosten van een projectleider.

  • 2 Het uurtarief, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, wordt berekend door het bruto jaarloon, vermeerderd met 44,2% voor werkgeverslasten, te delen door 1.720 uur op basis van een 40-urige werkweek, of in geval van een niet volledig gewerkt jaar of medewerkers die werkzaam zijn in deeltijd een naar rato toegepast aantal uren.

  • 3 Voor de berekening van overige kosten, wordt een factuur of een document met gelijkwaardige bewijskracht overlegd.

Artikel 5.1.3a. Berekening subsidiabele kosten met forfait voor arbeidskosten

  • 1 De arbeidskosten worden berekend door de overige kosten te vermenigvuldigen met 0,23.

  • 2 De overige kosten worden berekend door een factuur of een document met gelijkwaardige bewijskracht te overleggen.

Artikel 5.1.3b. Berekening subsidiabele kosten met forfait voor overige kosten

  • 1 Voor de berekening van de subsidiabele kosten kiest de aanvrager uit één van de berekeningswijzen genoemd in het tweede of derde lid.

  • 2 De subsidiabele kosten kunnen worden berekend door:

    • a. in het geval van arbeidskosten, het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met:

      • 1°. voor eigen arbeid, een uurtarief van € 43;

      • 2°. voor loonkosten, een per medewerker bepaald individueel uurtarief, berekend overeenkomstig artikel 5.1.3, tweede lid; en

    • b. de in onderdeel a berekende arbeidskosten te vermenigvuldigen met 0,4 voor de overige kosten.

  • 3 De subsidiabele kosten kunnen worden berekend door het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met de volgende uurtarieven:

    • 1°. € 54,– voor de arbeidskosten van een projectmedewerker;

    • 2°. € 60,– voor de arbeidskosten van een landbouwer;

    • 3°. € 95,– voor de arbeidskosten van een adviseur;

    • 4°. € 107,– voor de arbeidskosten van een projectleider/ expert.

  • 4 Indien deelnemers aan een samenwerkingsverband het tweede lid van dit artikel toepassen voor de berekening van de subsidiabele kosten, worden de overige kosten van een kennisinstelling die gebruik maakt van de integrale kostensystematiek, bedoeld in artikel 1.3b, eerste lid, niet toegerekend aan het project.

  • 5 Indien investeringskosten of meerdere percentages van de subsidiabele kosten onderdeel kunnen zijn van de berekening van de hoogte van de subsidie, maakt de aanvrager geen gebruik van de berekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.

Artikel 5.1.4. Informatieverplichtingen

  • 1 In aanvulling op artikel 2.9, derde lid, bevat de aanvraag om subsidie het BTW-nummer van de subsidieontvanger en, indien van toepassing, de naam van de moedermaatschappij of iedere dochteronderneming met het daarbij behorende BTW-nummer.

Artikel 5.1.5. Terugvordering samenwerkingsverband

Onverminderd artikel 7, vierde lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies worden ingeval een subsidie wordt verstrekt aan een samenwerkingsverband, onverschuldigde betaalde subsidiebedragen overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht teruggevorderd bij iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband voor wat betreft het door de deelnemer ontvangen deel van de onverschuldigd betaalde subsidiebedragen.

Artikel 5.1.6. Communicatieactiviteiten

  • 1 Subsidieontvangers zijn verplicht het logo van de Europese Unie te gebruiken overeenkomstig bijlage II van verordening 2022/129.

Artikel 5.1.7. Bevoorschotting

  • 1 Indien in dit hoofdstuk is bepaald dat er een voorschot wordt verstrekt voordat een project wordt uitgevoerd, kan de minister ambtshalve een voorschot als bedoeld in artikel 44 van verordening 2021/2116 verstrekken.

  • 2 Het voorschot bedraagt ten hoogste:

    • a. 50% van de verleende subsidie voor plattelandsinterventies als bedoeld in de artikelen 73 en 77 van verordening 2021/2115;

    • b. 75% van de verleende subsidie voor plattelandsinterventies als bedoeld in artikel 65, tweede lid, van verordening 2021/2116.

  • 3 Het voorschot wordt ambtshalve verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 5.1.8. Deelbetaling

In afwijking van artikel 2.14, eerste lid, bedraagt een deelbetaling ten hoogste 90% van de verleende subsidie minus eventueel verstrekte voorschotten.

Artikel 5.1.9. Verplichtingen en subsidievaststelling subsidie minder dan € 25.000

  • 1 Indien een subsidie wordt verleend van minder dan € 25.000, wordt:

    • a. direct een beschikking tot subsidievaststelling gegeven, of

    • b. de subsidie ambtshalve vastgesteld.

    In aanvulling op artikel 2.12 vermeldt de beschikking tot subsidieverlening de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en de datum waarop de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld.

  • 2 Indien de subsidie minder bedraagt dan € 25.000 zijn de artikelen 2.18 en 2.19 niet van toepassing.

  • 4 Indien de subsidie minder bedraagt dan € 25.000 is de subsidieontvanger verplicht om desgevraagd, op door de minister van tevoren in de beschikking of in dit hoofdstuk aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 5.1.10. Subsidievaststelling € 125.000 of meer

  • 2 Indien een controleverklaring of een rapport van feitelijke bevindingen wordt vereist kan de minister nadere regels stellen ten aanzien van de gewenste reikwijdte, het object en de diepgang van de controle.

Artikel 5.1.11. Afwijken RUS regime

  • 1 In dit hoofdstuk kan worden bepaald dat de regels inzake een subsidie lager dan € 25.000 van toepassing zijn op een subsidie van € 25.000 of meer of dat de regels inzake een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 van toepassing zijn op subsidies van € 125.000 of meer.

  • 2 In dit hoofdstuk kan worden bepaald dat de regels inzake een subsidie van € 25.000 of meer van toepassing zijn op een subsidie lager dan € 25.000 of dat de regels inzake een subsidie van € 125.000 of meer van toepassing zijn op subsidies van € 25.000 tot € 125.000.

Artikel 5.1.12. Informatieverplichting openbaarmaking subsidiegegevens

  • 1 Over de periode van 16 oktober (jaar t-1) tot en met 15 oktober (jaar t) worden de gegevens openbaar gemaakt over de subsidies en andere steunbedragen van het ELGF met betrekking tot sectorale interventies en het Elfpo voor toepassing van artikel 98, tweede tot en met vierde lid, van verordening 2021/2116.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde gegevens worden ontleend aan de financiële administratie van RVO ten behoeve van het ELGF met betrekking tot sectorale interventies en het Elfpo.

  • 3 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden uiterlijk 31 mei (jaar t+1) openbaar gemaakt.

Artikel 5.1.12a. Adviescommissie gemeenschappelijk landbouwbeleid 2023–2027

  • 1 Er is een Adviescommissie gemeenschappelijk landbouwbeleid 2023–2027, ingesteld overeenkomstig artikel 2.8.

  • 2 De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste twaalf leden.

  • 3 De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd.

Artikel 5.1.13. Bevoegdheden minister sectorale interventie groenten en fruit

Artikel 5.1.14. Belastingdienst

De Belastingdienst maakt voor de uitvoering van deze regeling het BTW-nummer van de subsidieontvanger bekend aan de minister.

Titel 5.2. Operationele programma’s

Afdeling 5.2.1. Erkenningen

§ 1. Erkenningsvereisten

§ 1.1. Rechtspersoonlijkheid

Artikel 5.2.1

De rechtspersoonlijkheid van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013 blijkt uit:

  • a. een in het handelsregister neergelegd authentiek afschrift van de oprichtingsakte van de producentenorganisatie; of

  • b. een in het handelsregister van de Kamer van Koophandel neergelegd authentiek afschrift van de statuten van de producentenorganisatie; en

  • c. een inschrijving bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

§ 1.2. Lidmaatschap

Artikel 5.2.2

Van een producentenorganisatie kunnen lid zijn:

  • a. een natuurlijk persoon;

  • b. een rechtspersoon als bedoeld in de artikelen 1 tot en met 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een rechtspersoon naar buitenlands recht; of

  • c. een in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap.

Artikel 5.2.3

  • 1 Het minimumaantal leden en de minimale waarde van de afzetbare productie, bedoeld in artikel 154, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013, bedraagt ongeacht of de producentenorganisatie een operationeel programma heeft:

    • a. voor producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2008 tenminste vijf leden, met een gezamenlijke waarde van de afzetbare productie van ten minste € 100.000;

    • b. voor producentenorganisaties die zijn erkend na 1 januari 2008 tenminste tien leden, met een gezamenlijke waarde van de afzetbare productie van ten minste € 25.000.000.

  • 2 Rechtspersonen die eigendom zijn van één natuurlijke persoon of rechtspersoon worden bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag door de minister gezamenlijk aangemerkt als één lid. Indien de minister in redelijkheid vermoedt dat een oneigenlijk aantal entiteiten als bedoeld in artikel 5.2.2 wordt gecreëerd met het oog op het eerste lid of artikel 5.2.21, kan de minister deze entiteiten gezamenlijk aanmerken als één lid.

  • 3 Indien een lid van een producentenorganisatie een rechtspersoon is waarbij meerdere producenten zijn aangesloten, kan de minister besluiten deze producenten bij de beoordeling van de erkenningsaanvraag mee te tellen bij de bepaling van het aantal leden, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Producentenorganisaties houden een ledenlijst bij met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld model.

Artikel 5.2.4

  • 1 Het lidmaatschap van een producentenorganisatie duurt minimaal één jaar en treedt in werking op een door het bestuur van de producentenorganisatie te bepalen tijdstip.

  • 2 Aspirantleden verzoeken de producentenorganisatie schriftelijk om lidmaatschap en verklaren in dit verzoek:

    • a. de statuten van de producentenorganisatie na te leven;

    • b. niet bij een andere erkende producentenorganisatie lid te zijn voor de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend; en

    • c. geen product waarvoor de producentenorganisatie is erkend buiten de producentenorganisatie om te zullen afzetten, behoudens met toestemming van de producentenorganisatie, bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891.

  • 3 Een producentenorganisatie bepaalt in haar statuten dat het lidmaatschap kan worden opgezegd met ingang van 1 januari. De door de producentenorganisatie vast te stellen uiterste opzegdatum ligt tussen 30 juni en 1 oktober van het voorafgaande jaar.

  • 4 De bevestiging van lidmaatschap en opzegging van lidmaatschap, alsmede de datum waarop het lidmaatschap en de opzegging in werking treedt, wordt door de producentenorganisatie schriftelijk aan het lid meegedeeld.

  • 5 Bepalingen omtrent de minimumduur, opzeggingsdata en inwerkingtreding van opzegging van het lidmaatschap zijn niet van toepassing in geval van:

    • a. overlijden van het lid;

    • b. faillissement van het lid;

    • c. toepassing van het sanctiereglement van de producentenorganisatie inzake royement; of

    • d. indien dit redelijkerwijs niet van het lid of coöperatie gevergd kan worden.

Artikel 5.2.5

Een producentenorganisatie kan niet-producerende leden hebben, indien in de statuten van de producentenorganisatie wordt bepaald dat deze leden:

  • a. reeds aangesloten waren bij de producentenorganisatie vóór zij gedurende meer dan één productieseizoen geen producten meer teelden waarvoor de producentenorganisatie is erkend; en

  • b. niet mogen deelnemen aan de stemming van de algemene vergadering over besluiten inzake het actiefonds of het operationeel programma van de producentenorganisatie.

§ 1.3. Verplichtingen voor producentenorganisaties

Artikel 5.2.6

  • 1 Producentenorganisaties tonen aan dat zij voldoen aan artikel 152, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013 aan de hand van:

    • a. de oprichtingsakte van de producentenorganisatie; en

    • b. de notulen van de eerste vergadering of oprichtingsvergadering van de producentenorganisatie.

  • 2 Op producentenorganisaties die zijn erkend voor 1 januari 2008 is het eerste lid niet van toepassing. Deze producentenorganisaties worden geacht te voldoen aan het vereiste van artikel 152, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013.

Artikel 5.2.7

Een lid van het bestuur of de Raad van Commissarissen van een producentenorganisatie of een functionaris van een producentenorganisatie die betrokken is bij het verkoopbeleid, is geen afnemer of functionaris van een afnemer van producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend ingevolge artikel 152, eerste lid, van verordening 1308/2013.

Artikel 5.2.8

  • 1 Producentenorganisaties verbieden hun leden in hun statuten op grond van artikel 160 van verordening 1308/2013 om activiteiten te ontplooien die het vermoeden doen ontstaan dat de verkoop van het product waarvoor zij bij de producentenorganisatie zijn aangesloten niet uitsluitend via de producentenorganisatie verloopt.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten met betrekking tot de verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891.

Artikel 5.2.9

Producentenorganisaties bepalen op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 op welk moment leden hun product aan de producentenorganisatie ter verkoop aanbieden.

Artikel 5.2.10

Producentenorganisaties verplichten in hun statuten hun leden op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 om aan de producentenorganisatie:

  • a. melding te doen van eigendomsbelangen in ondernemingen die van de producentenorganisatie door het lid geproduceerde producten kopen, indien de producentenorganisatie voor deze producten is erkend; en

  • b. aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan te tonen dat binnen de in onderdeel a bedoelde ondernemingen is verzekerd dat het lid:

    • 1°. geen invloed kan uitoefenen op het vaststellen van de verkoopvoorwaarden door de ondernemingen van de producten waarvoor het lid bij de producentenorganisatie is aangesloten; en

    • 2°. geen invloed kan uitoefenen op besluiten aangaande commerciële relaties en het prijsbeleid van de ondernemingen.

Artikel 5.2.11

  • 1 Producentenorganisaties stellen in hun statuten voorschriften vast voor de controle op de naleving van hun statuten door hun leden.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten ten aanzien van de controle op de naleving door hun leden van artikel 160 van verordening 1308/2013 voor de door de producentenorganisatie gedurende het jaar uit te voeren controles tenminste:

    • a. een systematische vergelijking per producent van areaalenquêtes en aanvoerprognoses met de daadwerkelijk aan de producentenorganisatie geleverde hoeveelheden gedurende het kalenderjaar;

    • b. een verificatie van de door de leden verstrekte areaalenquêtes en aanvoerprognoses door middel van bezoek door de producentenorganisatie aan een derde van het ledenbestand gedurende het jaar waarbij ieder lid ten minste elke drie jaar wordt bezocht;

    • c. een periodieke vergelijking van de aanvoerprognoses en de daadwerkelijke aanvoer met een door de producentenorganisatie, op basis van statistische normen of ervaringscijfers, vast te stellen normstelling per areaal;

    • d. een registratie van de op basis van de onderdelen a tot en met c aangetroffen verschillen en de daarvoor door het lid gegeven verklaring; en

    • e. een registratie van de door de producentenorganisatie getroffen acties naar aanleiding van op grond van onderdeel d onverklaarde verschillen.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten voor de door de producentenorganisatie na afloop van het kalenderjaar uit te voeren controles minimaal:

    • a. een verplichting voor ieder lid om uiterlijk voor 1 mei na afloop van het kalenderjaar schriftelijk aan de producentenorganisatie te verklaren:

      • 1°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar geproduceerd heeft;

      • 2°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar bij derden heeft ingekocht;

      • 3°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar via de producentenorganisatie afgezet heeft;

      • 4°. de hoeveelheid of waarde van het product die hij dat jaar op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 buiten de producentenorganisatie om verkocht heeft, uitgesplitst per categorie zoals genoemd in artikel 12 van verordening 2017/891;

      • 5°. dat hij, uitgezonderd de verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891, geen door hem geteelde producten waarvoor hij bij de producentenorganisatie is aangesloten buiten de producentenorganisatie verkocht heeft; en

      • 6°. dat hij bij verkoop op grond van artikel 12 van verordening 2017/891 de daaraan door de producentenorganisatie gestelde voorwaarden heeft nageleefd;

    • b. een vergelijking van informatie uit de in onderdeel a bedoelde verklaringen met de hoeveelheden en de omzetgegevens van het lid met de vastlegging van de door de producentenorganisatie aangetroffen verschillen met hun eigen administratie met de daarbij behorende verklaringen van aangetroffen verschillen;

    • c. een onderzoek door de producentenorganisatie naar de, op basis van de op grond van onderdeel b uitvoerde vergelijking, geconstateerde verschillen tussen de eigen verklaringen met de hoeveelheden en de omzetgegevens van het lid;

    • d. een verplichting tot het instellen van een accountantsonderzoek naar op grond van onderdeel c onvoldoende verklaarde verschillen;

    • e. een registratie van de uitkomsten van het in onderdeel d bedoelde accountantsonderzoek; en

    • f. een registratie van de opvolging van de uitkomsten van het in onderdeel e bedoelde accountantsonderzoek door de producentenorganisatie, waaronder sanctionering van de betreffende leden.

  • 4 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten een verplichting voor de producentenorganisatie om de juistheid van in het derde lid, onderdeel a, bedoelde verklaring te laten onderzoeken door een accountant door middel van een COS 4400 onderzoek.

  • 5 Het in het vierde lid bedoelde onderzoek betreft:

    • a. de leden die verzuimd hebben voor 1 mei na afloop van het kalenderjaar de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde eigen verklaring te verstrekken;

    • b. de leden waarbij door de producentenorganisatie of door controle-instanties in het jaar voorafgaand aan het controlejaar is vastgesteld dat zij artikel 160 van verordening 1308/2013 niet hebben nageleefd;

    • c. de leden waarbij door de producentenorganisatie in het voorafgaande kalenderjaar is vastgesteld dat verschillen tussen areaalgegevens en omzetgegevens onvoldoende konden worden verklaard; en

    • d. minimaal 2% van de leden van de producentenorganisatie, met een minimum van één lid, die niet reeds op grond van onderdelen a tot en met c deel uit maken van het onderzoek.

  • 6 Indien de accountant bij meerdere leden in deze deelwaarneming afwijkende bevindingen constateert treft de producentenorganisatie afhankelijk van de aard van de afwijkingen passende maatregelen.

  • 7 De in het eerste lid bedoelde voorschriften bevatten een verplichting voor de producentenorganisatie om jaarlijks voor 1 juni de betrouwbaarheid van het geheel aan maatregelen dat de producentenorganisatie neemt voor controle op de naleving door hun leden te evalueren. Een verslag van de evaluatie wordt door de algemene vergadering besproken en geaccordeerd. De onderliggende stukken worden door de producentenorganisatie gearchiveerd.

Artikel 5.2.12

  • 1 Producentenorganisaties stellen in hun statuten voorschriften vast voor sanctionering van niet naleving van hun statuten door hun leden die, behoudens gevallen van overmacht, tenminste bepalen dat:

    • a. bij een eerste overtreding van de statutaire verplichtingen ter uitvoering van artikel 160 van verordening 1308/2013, artikel 12 van verordening 2017/891 en de artikelen 5.2.8 tot en met 5.2.11 het lid minimaal een schriftelijke waarschuwing krijgt;

    • b. bij een tweede soortgelijke overtreding begaan binnen vijf jaar na het begaan van de eerste overtreding, bedoeld in onderdeel a, minimaal een boete aan het lid wordt opgelegd en deze boete daadwerkelijk wordt geïncasseerd; en

    • c. leden bij alle soortgelijke vervolgovertredingen begaan binnen vijf jaar na het begaan van de eerste overtreding bedoeld in onderdeel a, worden geroyeerd.

  • 2 Producentenorganisaties administreren alle geconstateerde overtredingen van hun statutaire verplichtingen en aan hun leden opgelegde sancties en bewaren deze administratie ten minste zeven jaar.

Artikel 5.2.13

Producentenorganisaties beschikken op grond van artikel 7, onderdeel a, van verordening 2017/891 tenminste over een deugdelijk en accuraat systeem van areaalenquêtes en aanvoerprognoses.

Artikel 5.2.14

Producentenorganisaties, en voor zover van toepassing unies van producentenorganisaties, beschikken op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 tenminste over een volledige beschrijving van de interne organisatie en van de administratieve en interne beheersing van:

  • a. de verkoop en prijsbepaling;

  • b. de goederenlogistiek;

  • c. de financiële administratie;

  • d. de beoordeling van investeringen en uitgaven waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • e. het aannemen van nieuwe leden en het beëindigen van het lidmaatschap;

  • f. het vergaren van informatie van de leden en de verwerking van mutaties daarin, waaronder de controle op de juistheid van de ledenlijst;

  • g. de beoordeling van areaalenquêtes en aanvoerprognoses, waaronder de vergelijking met realisaties;

  • h. de controle op naleving van artikel 160 van verordening 1308/2013 door de leden waaronder het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891;

  • i. het opleggen van sancties; en

  • j. het uitbesteden van activiteiten als bedoeld in artikel 155 van verordening 1308/2013.

Artikel 5.2.15

  • 1 De producentenorganisatie beschikt op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 over een redelijk niveau van vermogen en liquiditeit.

  • 2 Een negatief vermogen wordt door de producentenorganisatie binnen één kalenderjaar aangevuld.