Besluit inburgering 2021

Geraadpleegd op 29-11-2022.
Geldend van 01-01-2022 t/m heden

Besluit van 27 augustus 2021 tot uitvoering van de Wet inburgering 2021 (Besluit inburgering 2021)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 maart 2021, nr. 2021000492

Gelet op de artikelen 3, vierde en vijfde lid, 4, tweede lid, 5, vierde en vijfde lid, 6, zevende en achtste lid, 7, vierde en vijfde lid, 9, tweede lid, 10, 12, tweede lid, onderdeel a en b, 13, vierde lid, 14, vierde lid, 15, vijfde en zesde lid, 17, tweede en vierde lid, 20, eerste lid, derde tot en met vijfde lid, 21, eerste en vijfde lid, 23, tweede lid, 26, tweede lid, 32, tweede lid, 36, 38, 39, eerste lid, 40, vierde en zevende lid, 41, derde lid, 42, vierde lid, van de Wet inburgering 2021, artikel 38, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, en artikel 107, negende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 juni 2021, nr. W12.21.0078/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 augustus 2021, nr. 2021-0000133440,

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • asielstatushouders: inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet;

  • B1-route: de leerroute, bedoeld in artikel 7 van de wet;

  • cursus Nederlands als tweede taal: door een cursusinstelling aangeboden cursus die een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven, teneinde zijn leerroute te behalen;

  • gezinsmigranten en overige migranten: inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, van de wet;

  • inburgeringscertificaat: het certificaat, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de wet;

  • inburgeringsdiploma: het diploma, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de wet;

  • inburgeringsvoorzieningen: voorzieningen die bijdragen aan het voldoen aan de inburgeringsplicht;

  • landelijke halfjaarlijkse huisvestingstaakstelling: het door Onze Minister van Justitie en Veiligheid in de Staatscourant bekendgemaakte totale aantal vergunninghouders in wier huisvesting in het daarbij aangegeven kalenderhalfjaar naar verwachting voorzien zal moeten worden;

  • lening: lening, bedoeld in artikel 20, van de wet;

  • wet: de Wet inburgering 2021.

Hoofdstuk 2. Inburgeringsplichtig

Afdeling 1. Inburgeringsplichtig

Artikel 2.1. Voortduren inburgeringsplicht bij tijdelijke beëindiging

Artikel 2.2. Tijdelijke verblijfsdoelen

  • 1 Het doel van het verblijf in Nederland van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is tijdelijk in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, indien die verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met:

    • a. verblijf als familie- of gezinslid bij een persoon die voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft;

    • b. verblijf als vermogende vreemdeling;

    • c. arbeid als zelfstandige;

    • d. arbeid als kennismigrant;

    • e. verblijf als houder van de Europese blauwe kaart in de zin van richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PbEU 2009, L 155);

    • f. seizoenarbeid;

    • g. overplaatsing binnen een onderneming;

    • h. arbeid in loondienst;

    • i. grensoverschrijdende dienstverlening;

    • j. onderzoek in de zin van Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (PbEU 2016, L132);

    • k. lerend werken;

    • l. arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel;

    • m. studie;

    • n. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst;

    • o. uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag;

    • p. medische behandeling;

    • q. tijdelijke humanitaire gronden;

    • r. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

Afdeling 2. Vrijstellingen

Artikel 2.3. Vrijstelling aantoonbaar voldoende ingeburgerd

Onze Minister verleent de vrijstelling, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de wet, indien:

  • a. de inburgeringsplichtige volgens de basisregistratie personen ten minste 10 jaar onafgebroken als ingezetene ingeschreven is geweest;

  • b. de inburgeringsplichtige aantoonbaar gedurende ten minste 5 jaar betaald werk of vrijwilligerswerk heeft verricht in Nederland; en

  • c. in een gesprek is vastgesteld dat de inburgeringsplichtige beheerst over spreekvaardigheid en luistervaardigheid in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen.

Afdeling 4. Ontheffingen

Artikel 2.7. Medische ontheffing

  • 1 In het kader van de aanvraagprocedure tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke beperking als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, verzoekt Onze Minister een door hem aangewezen arts, niet zijnde de behandelend arts van de inburgeringsplichtige, die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, een deskundigenverklaring af te geven met betrekking tot de inburgeringsplichtige die de aanvraag tot ontheffing heeft ingediend.

  • 2 De gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht wordt verleend indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke beperking zodanig is dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht dan wel aan een of meerdere onderdelen daarvan kan worden voldaan.

  • 3 Een gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht wordt uitsluitend verleend indien vanwege de belemmering of beperking niet kan worden voldaan aan:

    • a. maximaal drie van de vier examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden of het examen KNM van het inburgeringsexamen;

    • b. maximaal drie van de vier examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden op ten minste het niveau B1 of het examen KNM als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de wet van de onderwijsroute; of

    • c. het participatiegedeelte van de zelfredzaamheidsroute, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, onderdeel b, met uitzondering van de activiteiten van het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie.

  • 4 Indien Onze Minister op grond van de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid, van oordeel is dat de inburgeringsplichtige wel aan een of meerdere onderdelen van het inburgeringsexamen dan wel een of meerdere examenonderdelen van de onderwijsroute als bedoeld in het derde lid, kan voldoen onder examenomstandigheden die zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, geldt dat:

    • a. voor het examen mondelinge en schriftelijke vaardigheden op het niveau A2 en het examen kennis van de Nederlandse maatschappij in een beschikking wordt vermeld welke aangepaste examenomstandigheden het betreft; en

    • b. voor het examen mondelinge en schriftelijke vaardigheden op ten minste het niveau B1, de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid, waarin ten aanzien van de inburgeringsplichtige een voorstel wordt gedaan met betrekking tot in aanmerking komende aangepaste examenomstandigheden voor het voornoemde examen, aan de inburgeringsplichtige wordt verstrekt.

  • 5 Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.

  • 6 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verlening van de ontheffing alsmede omtrent de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid.

  • 7 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de omstandigheden waaronder de kosten van de deskundigenverklaring, bedoeld in het eerste lid, worden vergoed aan de inburgeringsplichtige.

Artikel 2.8. Ontheffing bijzondere individuele omstandigheden

  • 1 Gehele ontheffing van de inburgeringsplicht vanwege bijzondere individuele omstandigheden, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet, wordt slechts verleend in zeer uitzonderlijke, onvoorziene omstandigheden, die niet aan de inburgeringsplichtige te wijten zijn en waarbij het vasthouden aan de inburgeringsplicht voor de inburgeringsplichtige tot een zeer schrijnende situatie leidt.

  • 2 Bij de aanvraag tot gehele ontheffing van de inburgeringsplicht legt de inburgeringsplichtige een advies van het college over.

  • 3 Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.

  • 4 Onze Minister kan ambtshalve besluiten tot het verlenen van de ontheffing. Indien van toepassing adviseert het college Onze Minister inzake dit besluit.

  • 5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de aanvraag en het verlenen van de ontheffing.

Hoofdstuk 3. De inburgeringsplicht

Afdeling 1. Participatieverklaringstraject

Artikel 3.1. Inhoud en vormgeving participatieverklaringstraject

  • 1 Het participatieverklaringstraject wordt wat betreft het onderdeel inleiding op de Nederlandse kernwaarden afgelegd door het deelnemen aan een door of namens het college aangeboden inleiding op de Nederlandse kernwaarden en wat betreft het onderdeel ondertekenen van de participatieverklaring door het aanwezig zijn bij de ondertekeningsbijeenkomst en het aldaar ondertekenen van de participatieverklaring.

  • 2 Het onderdeel inleiding op de Nederlandse kernwaarden bestaat uit minimaal een activiteit of excursie in het kader waarvan aan ten minste een Nederlandse kernwaarde een praktische uitwerking wordt gegeven.

  • 3 Het participatieverklaringstraject omvat ten minste 12 uren.

  • 4 Bij het participatieverklaringstraject worden door het college de aanwezigheid van de inburgeringsplichtige bij de inleiding op de Nederlandse kernwaarden en de ondertekening van de participatieverklaring geregistreerd.

  • 5 Indien in het kader van de brede intake door de inburgeringsplichtige activiteiten zijn verricht die voldoen aan het gestelde in dit artikel, kunnen deze bestede uren, in afwijking van artikel 5.3, vierde lid, in mindering worden gebracht op de urennorm, genoemd in het derde lid.

Afdeling 2. Module arbeidsmarkt en participatie

Artikel 3.2. Inhoud en vormgeving module Arbeidsmarkt en Participatie

  • 1 De inburgeringsplichtige neemt in het kader van de module Arbeidsmarkt en Participatie deel aan activiteiten die erop zijn gericht zijn kennis en vaardigheden te vergroten over de volgende thema’s:

    • a. beroepenoriëntatie;

    • b. werknemerscompetenties;

    • c. realistisch beroepsbeeld;

    • d. beroepskansen;

    • e. beroepscompetenties verwerven;

    • f. netwerk opbouwen;

    • g. werk vinden; en

    • h. werkcultuur.

  • 2 De module Arbeidsmarkt en Participatie wordt afgesloten met een eindgesprek tussen de inburgeringsplichtige en het college.

  • 3 Indien in het kader van de brede intake door de inburgeringsplichtige activiteiten zijn verricht die voldoen aan het gestelde in dit artikel, kunnen deze bestede uren, in afwijking van artikel 5.3, vierde lid, in mindering worden gebracht op de voor de module Arbeidsmarkt en Participatie geldende urennorm.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderdelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, waaronder een urennorm.

Afdeling 3. Inburgeringsexamen

§ 1. Inhoud van het inburgeringsexamen

Artikel 3.4. Inhoud examen kennis van de Nederlandse maatschappij

  • 1 Het inburgeringsexamen bestaat wat betreft de examinering van de kennis van de Nederlandse maatschappij, uit de volgende onderwerpen:

    • a. werk en inkomen;

    • b. omgangsvormen, waarden en normen;

    • c. wonen;

    • d. gezondheid en gezondheidszorg;

    • e. geschiedenis en geografie;

    • f. instanties;

    • g. staatsinrichting en rechtsstaat; en

    • h. onderwijs en opvoeding.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden de onderwerpen, genoemd in het eerste lid, nader uitgewerkt in te behalen eindtermen.

§ 2. Vaststellen en afleggen van het inburgeringsexamen

Artikel 3.5. Vaststellen en afnemen van examen

  • 2 Onze Minister stelt de volgende examens vast:

    • a. het examen kennis van de Nederlandse maatschappij, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de wet;

    • b. het examen van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen.

  • 3 De examens, bedoeld in het tweede lid, worden afgenomen door Onze Minister.

  • 4 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede en derde lid, onder meer omtrent de wijze van examineren en de beoordeling van de examens.

Artikel 3.6. Aanmelding examen

  • 1 Degene die wenst te worden toegelaten tot de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, meldt zich daartoe schriftelijk aan overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde regels.

  • 2 Onze Minister bevestigt de aanmelding schriftelijk.

Artikel 3.7. Examengeld

  • 1 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de hoogte en het betalen van het examengeld, voor de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, en op welke wijze het verschuldigde examengeld wordt voldaan, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen groepen inburgeringsplichtigen.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het kosteloos afleggen van een of meerdere examenpogingen van onderdelen van het inburgeringsexamen door groepen van inburgeringsplichtigen, in welk geval Onze Minister het examengeld voor het afleggen van het staatsexamen Nederlands als tweede taal voldoet.

Artikel 3.9. Aangepaste examenomstandigheden

  • 1 Onze Minister kan de kandidaat met een psychische of lichamelijke belemmering, of een verstandelijke beperking op diens verzoek in de gelegenheid stellen om de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, af te leggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.

  • 2 De inburgeringsplichtige kan kosteloos een deskundigenverklaring aanvragen van een door Onze Minister aangewezen arts, niet zijnde de behandeld arts van de inburgeringsplichtige, die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, waarin deze arts zich uitlaat over de noodzaak tot het treffen van aangepaste examenomstandigheden bij het afleggen van een of meerdere onderdelen van het inburgeringsexamen en welke mogelijke aangepaste examenomstandigheden dit kunnen betreffen.

  • 3 Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, legt de kandidaat de deskundigenverklaring, bedoeld in het tweede lid, over, waaruit blijkt dat hij een of meerdere van de examens, bedoeld in het eerste lid, slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.

  • 4 Indien Onze Minister bij de toepassing van artikel 2.7 heeft geoordeeld dat de inburgeringsplichtige een of meerdere van de examens, bedoeld in het eerste lid, slechts kan afleggen op een wijze die is aangepast aan de mogelijkheden van die inburgeringsplichtige, legt de kandidaat bij de aanmelding voor het voornoemde examen, de beschikking, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, van dat artikel over.

  • 5 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de toepassing van dit artikel.

Artikel 3.10. Onregelmatigheden

  • 1 Indien een kandidaat zich ten aanzien van een onderdeel van de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft gemaakt, kan Onze Minister het betreffende examen ongeldig verklaren en bepalen dat de kandidaat het examen of een onderdeel daarvan opnieuw moet afleggen.

  • 2 Indien de onregelmatigheid eerst na afloop van het examen wordt ontdekt, kan Onze Minister het examenresultaat ongeldig verklaren.

  • 3 Indien de onregelmatigheid eerst na het verstrekken van het inburgeringsdiploma wordt ontdekt, kan het examenresultaat van het betreffende examen ongeldig worden verklaard en kan Onze Minister het inburgeringsdiploma intrekken.

§ 3. Kwaliteit van het inburgeringsexamen

Artikel 3.11. Normen voor de kwaliteit van de examinering

Bij ministeriële regeling worden normen voor de kwaliteit van de examinering van de examens, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, vastgesteld die in ieder geval betrekking hebben op:

  • a. de afname van de examens;

  • b. de voorwaarden voor toelating tot de examens;

  • c. de deskundigheid van de beoordelaars;

  • d. het vaststellen van de uitslag van de examens;

  • e. de waarborging van de kwaliteit van de examinering;

  • f. de procedures en sancties bij onregelmatigheden.

§ 4. Gedeeltelijke vrijstelling van het inburgeringsexamen

Afdeling 4. De zelfredzaamheidsroute

Artikel 3.14. Inhoud en vormgeving zelfredzaamheidsroute

  • 1 Het college biedt de inburgeringsplichtige de onderdelen van de zelfredzaamheidsroute aan, waarbij de invulling van deze onderdelen wordt afgestemd op het vermogen en de ontwikkelbehoeften van de inburgeringsplichtige.

  • 2 De zelfredzaamheidsroute bestaat voor asielstatushouders uit de volgende onderdelen:

    • a. in totaal 800 cursusuren gevolgd bij een cursusinstelling die voldoet aan het bepaalde op grond van artikel 32 van de wet, bestaande uit:

      • i. cursusuren Nederlands als tweede taal, waarvan alfabetiseringsonderwijs onderdeel kan zijn, onder persoonlijke begeleiding van een NT2-docent; en

      • ii. cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij.

    • b. in totaal 800 uren besteed aan activiteiten gericht op zelfredzaamheid, activering en participatie in de Nederlandse maatschappij, waarbij de activiteiten:

      • i. plaatsvinden in een Nederlandstalige omgeving; en

      • ii. niet in isolement plaatsvinden; en

    • c. een eindgesprek met het college.

  • 3 Het tweede lid, onderdeel a en c, zijn van toepassing op gezinsmigranten en overige migranten.

  • 5 De uren gemoeid met de module Arbeidsmarkt en Participatie en het participatieverklaringstraject worden in mindering gebracht op de urennorm, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.

  • 6 Indien in het kader van de brede intake door de inburgeringsplichtige cursusuren Nederlands als tweede taal of kennis van de Nederlandse maatschappij zijn gevolgd of activiteiten zijn verricht, of gedurende de brede intake activiteiten zijn verricht in het kader van de Participatiewet, of in het kader van de maatschappelijke begeleiding, bedoeld in artikel 13 van de wet, activiteiten zijn verricht, die voldoen aan het gestelde in dit artikel, kunnen de hiermee gemoeide uren, in afwijking van artikel 5.3, vierde lid, in mindering worden gebracht op de urennorm, die geldt op grond van het tweede of achtste lid.

  • 7 Indien de inburgeringsplichtige een of meerdere van de examenonderdelen, genoemd in artikel 3.3, aanhef en onderdeel a tot en met d, wenst af te leggen op het niveau A2 en het college de inburgeringsplichtige daartoe in staat acht, legt het college dit vast in het persoonlijk plan inburgering en participatie.

  • 8 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderdelen, bedoeld in het tweede lid, waarbij voor inburgeringsplichtigen met een auditieve of visuele beperking onder nader vast te stellen voorwaarden, een lagere urennorm kan worden vastgesteld dan de norm, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, of voor deze groep kan worden vastgesteld dat voor bepaalde vaardigheden van een cursus Nederlands als tweede taal, geen cursusuren hoeven te worden gevolgd.

Afdeling 5. Diploma en certificaat

Artikel 3.15. Het inburgeringsdiploma

  • 1 Degene die heeft voldaan aan de inburgeringsplicht en in dat kader het inburgeringsexamen of de onderwijsroute heeft behaald, ontvangt een inburgeringsdiploma.

  • 2 Onze Minister verstrekt het inburgeringsdiploma.

  • 3 Het inburgeringsdiploma wordt ondertekend door Onze Minister.

  • 4 Duplicaten van het inburgeringsdiploma worden tegen betaling van de kostprijs, uitsluitend door Onze Minister verstrekt.

  • 5 Bij ministeriële regeling wordt de tekst van het inburgeringsdiploma vastgesteld.

Artikel 3.16. Het inburgeringscertificaat

  • 1 Degene die heeft voldaan aan de inburgeringsplicht en in dat kader de zelfredzaamheidsroute heeft behaald, ontvangt een inburgeringscertificaat.

  • 2 Onze Minister verstrekt het inburgeringscertificaat.

  • 3 Het inburgeringscertificaat wordt ondertekend door Onze Minister.

  • 4 Duplicaten van inburgeringscertificaten worden tegen betaling van de kostprijs, uitsluitend door Onze Minister verstrekt.

  • 5 Bij ministeriële regeling wordt de tekst van het inburgeringscertificaat vastgesteld en kunnen regels worden gesteld over de wijze van afgifte van het inburgeringscertificaat.

Afdeling 6. Voorbereiding op de inburgering

Artikel 3.17. Aanbod tot voorbereiding op de inburgering

  • 1 Aan de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 10 van de wet, wordt door Onze Minister dan wel door een op grond van artikel 10 van de wet aangewezen instelling een aanbod tot voorbereiding op de inburgering gedaan.

  • 2 De voorbereiding op de inburgering bestaat uit de volgende onderdelen:

    • a. een cursus Nederlands als tweede taal;

    • b. een introductiemodule Arbeidsmarkt en Participatie;

    • c. een introductiemodule kennis van de Nederlandse maatschappij; en

    • d. een introductiemodule participatieverklaringstraject.

  • 3 De deelname aan voorbereiding op de inburgering is kosteloos en deelname kan niet worden verplicht.

  • 4 Deelname aan voorbereiding op de inburgering mag het inburgeringstraject in geen geval vertragen.

Afdeling 7. Internationale diplomawaardering en indicatie onderwijsniveau

Hoofdstuk 4. Verlenging van de inburgeringstermijnen

Artikel 4.3. Verlenging bij geen verwijtbaarheid

  • 1 De inburgeringsplichtige treft geen verwijt ter zake van het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht, indien hij aannemelijk maakt dat zich gedurende de periode van de termijn een omstandigheid heeft voorgedaan waardoor hij niet in staat is geweest deel te nemen aan activiteiten die erop zijn gericht te voldoen aan de inburgeringsplicht en dit hem in alle redelijkheid niet te verwijten valt.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de duur van de verlenging en de toepassing van het eerste lid.

Artikel 4.4. Verlenging na aanzienlijke inspanningen bij bijna afgeronde inburgeringsplicht

  • 2 Van aanzienlijke inspanningen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake indien de inburgeringsplichtige:

    • a. de B1-route volgt en de spreekvaardigheid, luistervaardigheid, leesvaardigheid en schrijfvaardigheid worden geëxamineerd op het niveau dat is vastgelegd in het persoonlijk plan inburgering en participatie, maar ten minste op het niveau A2;

    • b. alle taallessen en cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij heeft gevolgd, met uitzondering van afwezigheid vanwege geoorloofd verzuim;

    • c. minimaal twee van de vier examenonderdelen als bedoeld in onderdeel a, van het inburgeringsexamen heeft behaald, alsmede het onderdeel kennis van de Nederlandse maatschappij; en

    • d. het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie heeft afgerond.

  • 3 Voor gezinsmigranten en overige migranten geldt in afwijking van het tweede lid, onderdeel b, dat zij ten minste 450 uren aan taallessen of cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij hebben gevolgd.

Artikel 4.5. Procedure verlenging

  • 1 Een aanvraag tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.

  • 2 In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan Onze Minister ambtshalve besluiten tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn. De beschikking wordt niet eerder gegeven dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn.

  • 3 In bijzondere gevallen die alle inburgeringsplichtigen of categorieën van inburgeringsplichtigen betreffen, kan Onze Minister ambtshalve besluiten tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn voor een bij ministeriële regeling te bepalen duur.

  • 4 In de beschikking wordt de duur van de verlenging vermeld.

Hoofdstuk 5. De taak van het college

Afdeling 1. Maatschappelijke begeleiding

Artikel 5.1. Inhoud en vormgeving maatschappelijke begeleiding

De maatschappelijke begeleiding, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de wet, bevat in ieder geval de volgende componenten:

  • a. praktische hulp bij het regelen van basisvoorzieningen: ondersteuning en begeleiding bij het regelen van praktische zaken ten aanzien van voorzieningen zoals wonen, zorg, werk, inkomen, verzekeringen, onderwijs en kennismaking met de lokale woonomgeving;

  • b. voorlichting over basisvoorzieningen in de Nederlandse samenleving: voorlichting over basisvoorzieningen en thema’s zoals wonen, inkomen, werk, zorg, onderwijs, opvoeding en kennismaking met maatschappelijke organisaties.

Afdeling 2. De brede intake

Artikel 5.2. Inhoud en verslaglegging brede intake

  • 1 Het college brengt, in aanvulling op de onderdelen, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet, in het kader van de brede intake met betrekking tot de inburgeringsplichtige in ieder geval het volgende in kaart:

    • a. het taalniveau;

    • b. de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie; en

    • c. de mate van zelfredzaamheid.

  • 2 Het college wijst de inburgeringsplichtige op het recht om de gesprekken in het kader van de brede intake enkel met hem persoonlijk te voeren, derhalve zonder de aanwezigheid van enig ander persoon, niet zijnde degene die in de hoedanigheid van zijn professie bij de gesprekken aanwezig is.

  • 3 Het college legt de relevante informatie die wordt verkregen in verband met de afname van de brede intake schriftelijk vast.

Afdeling 3. Het persoonlijk plan inburgering en participatie

Artikel 5.3. Persoonlijk plan inburgering en participatie

  • 1 Het college stelt het persoonlijk plan inburgering en participatie vast binnen uiterlijk 10 weken na de dag waarop de inburgeringsplichtige in de basisregistratie personen is ingeschreven, met dien verstande dat als hij rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, het gaat om de inschrijving in de gemeente waar hij op grond van artikel 28 van de Huisvestingswet 2014 is gehuisvest.

  • 2 Als de inburgeringsplichtige, voor wie het persoonlijk plan inburgering en participatie is opgesteld, zijn woonplaats verplaatst naar een andere gemeente, stelt het college van de andere gemeente het voornoemde plan vast binnen uiterlijk 10 weken na de datum van inschrijving van de inburgeringsplichtige in deze gemeente.

  • 3 Het college legt het aantal te voeren voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtige vast in het persoonlijk plan inburgering en participatie.

  • 4 Inspanningen die een inburgeringsplichtige heeft verricht voorafgaand aan het vaststellen van het persoonlijk plan inburgering en participatie, wegen niet mee voor het voldoen aan de inburgeringsplicht, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

  • 5 Indien het college de leerroute van de inburgeringsplichtige ingevolge artikel 17, tweede lid, van de wet, opnieuw vaststelt, of ingevolge artikel 17, derde lid, van de wet besluit dat de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, in afwijking van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet geheel of gedeeltelijk op het niveau A2 worden geëxamineerd, past het college het persoonlijk plan inburgering en participatie conform deze wijziging aan.

Afdeling 4. Ondersteuning en begeleiding

Artikel 5.4. Termijn en gevolgen van wijzigen van leerroute

  • 2 In bijzondere gevallen die de inburgeringsplichtige betreffen, kan het college afwijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Bij het wijzigen van leerroute geldt dat bij het wijzigen van:

    • a. de onderwijsroute of de zelfredzaamheidsroute naar de B1-route:

      • i. bij het bepalen van de intensiteit van de leerroute rekening wordt gehouden met de reeds gevolgde cursusuren Nederlands als tweede taal en cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij bij een instelling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet of met de gevolgde cursusuren, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, onderdeel a;

      • ii. de in de onderwijsroute reeds gedane examenpogingen en behaalde examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 of kennis van de Nederlandse maatschappij, gelden als gedane examenpogingen en behaalde examenonderdelen van het inburgeringsexamen.

    • b. de B1-route naar de onderwijsroute: de reeds gedane examenpogingen en behaalde examenonderdelen van het inburgeringsexamen gelden als gedane examenpogingen en behaalde examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 of kennis van de Nederlandse maatschappij als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de wet.

    • c. de B1-route of de onderwijsroute naar de zelfredzaamheidsroute: de reeds gevolgde cursusuren Nederlands als tweede taal en cursusuren kennis van de Nederlandse maatschappij bij een cursusinstelling die voldoet aan het bepaalde op grond van artikel 32 van de wet of bij een instelling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet, in mindering worden gebracht op de urennorm, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, onderdeel a.

Artikel 5.5. Afschalen naar niveau A2

  • 1 Van aanzienlijke inspanningen, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de wet, is sprake indien de inburgeringsplichtige in totaal 600 cursusuren Nederlands als tweede taal, waarvan alfabetiseringsonderwijs onderdeel kan zijn, heeft gevolgd bij een instelling die voldoet aan het bepaalde op grond van artikel 32 van de wet of bij een instelling als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet en voorts uit de relevante feiten en omstandigheden blijkt dat hij zich gedurende deze taallessen voldoende heeft ingespannen.

  • 2 Indien in het kader van de brede intake door de inburgeringsplichtige cursusuren Nederlands als tweede taal, waarvan alfabetiseringsonderwijs onderdeel kan zijn, zijn gevolgd die voldoen aan het gestelde in het eerste lid, kunnen deze uren, in afwijking van artikel 5.3, vierde lid, in mindering worden gebracht de urennorm, genoemd in het eerste lid.

Hoofdstuk 6. Sociale lening

Afdeling 1. Vaststelling van de lening

Artikel 6.1. Voorwaarden recht op lening

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de bepalingen in dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing op de persoon, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet, die rechtmatig verblijf verkrijgt als bedoeld in artikel 8, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000 en die:

Artikel 6.2. Hoogte en aanwending van de lening

  • 1 Aan de inburgeringsplichtige kan, behoudens het bepaalde in artikel 20, tweede lid, van de wet op aanvraag een lening van ten hoogste € 10.000 worden verstrekt ten behoeve van de kosten voor:

    • a. het volgen van een cursus ten behoeve van de in het persoonlijk plan inburgering en participatie vastgestelde leerroute;

    • b. het volgen van een taalschakeltraject ten behoeve van de in het persoonlijk plan inburgering en participatie vastgestelde leerroute;

    • c. het volgen van alfabetiseringsonderwijs, mits de verplichting hiertoe is opgenomen in het persoonlijk plan inburgering en participatie; of

    • d. het afleggen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet.

  • 3 De lening ten behoeve van het volgen van een cursus of alfabetiseringsonderwijs wordt slechts verstrekt indien de inburgeringsplichtige een cursus of alfabetiseringsonderwijs volgt bij een cursusinstelling die in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet of een keurmerk als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de wet.

  • 4 De lening ten behoeve van het volgen van een taalschakeltraject wordt slechts verstrekt indien deze in het kader van de onderwijsroute wordt gevolgd, waarbij sprake moet zijn van een erkend taalschakeltraject als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet.

  • 6 De lening wordt niet verstrekt, indien de inburgeringsplichtige op grond van artikel 4.1 van het Besluit inburgering zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit inburgering 2021 een lening is verstrekt en deze nog niet geheel is terugbetaald of kwijtgescholden.

  • 7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste tot en met vierde lid.

Artikel 6.3. Duur en betaling van de lening

  • 3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de betaling van de lening.

Artikel 6.4. Aanvraag van de lening

  • 1 In de aanvraag vermeldt de aanvrager zijn: naam- en adresgegevens, burgerservicenummer en rekeningnummer.

  • 2 Bij de aanvraag overlegt de aanvrager een door hem ondertekende verklaring waarin hij Onze Minister machtigt het bedrag van de maandelijkse termijnen die hij op grond van artikel 6.9 of 6.12 moet terugbetalen, automatisch van zijn bankrekening af te schrijven.

Afdeling 2. Terugbetaling van de lening

Artikel 6.6. Rente

  • 1 Onze Minister stelt jaarlijks voor 31 december ten behoeve van het daaropvolgende jaar een rentepercentage vast dat gelijk is aan het gemiddeld effectief rendement over de maand oktober van dat jaar van de openbare lening, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een resterende looptijd van drie tot vijf jaren.

  • 2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop de rente wordt berekend over de aangegane lening.

Artikel 6.7. Terugbetalingsperiode lening

  • 1 De terugbetalingsperiode beslaat ten hoogste tien jaren.

  • 2 De terugbetalingsperiode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op het in artikel 21, derde lid, onderdeel a of b, van de wet bedoelde tijdstip. De terugbetalingsperiode kan op schriftelijk verzoek van de debiteur aanvangen op een eerder tijdstip, in welk geval de aanspraak op de lening vervalt.

  • 4 In afwijking van het tweede lid, vangt de terugbetalingsperiode voor een persoon als bedoeld in artikel 6.1 aan zes maanden nadat drie jaar zijn verstreken sedert de verstrekking van de lening of, indien dat eerder is, zes maanden nadat het inburgeringsexamen is behaald.

Artikel 6.8. Maandelijks termijnbedrag

  • 1 De terugbetaling van de lening geschiedt in maandelijkse termijnbedragen, behoudens in de bij ministeriële regeling genoemde gevallen.

  • 2 De hoogte van het maandelijkse termijnbedrag wordt op basis van het aantal maanden van de terugbetalingsperiode tot een gelijk bedrag vastgesteld bij de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, dan wel binnen acht weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld in 6.7, tweede lid, tweede volzin.

  • 3 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de hoogte van het termijnbedrag alsmede de wijze waarop dit wordt berekend.

Artikel 6.9. Beschikking tot terugbetaling

  • 1 Binnen acht weken na de aanvang van de aanloopfase, bedoeld in artikel 6.7, derde lid, dan wel de ontvangst van een verzoek als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, tweede volzin, stelt Onze Minister het termijnbedrag vast dat de debiteur overeenkomstig de artikelen 6.6 tot en met 6.8 maandelijks moet terugbetalen alsmede de periode waarbinnen dit moet gebeuren.

  • 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor het geval de debiteur meer betaalt dan het termijnbedrag.

Artikel 6.12. Beschikking aanpassing draagkracht

  • 1 Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 6.10, een beschikking.

  • 2 Indien het bedrag van de draagkracht lager is dan het overeenkomstig artikel 6.9 vastgestelde termijnbedrag, wordt het termijnbedrag opnieuw vastgesteld met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin Onze Minister het nieuwe termijnbedrag aan de debiteur bekend heeft gemaakt.

Artikel 6.14. Van rechtswege tenietgaan schuld

  • 1 De schuld die bij het einde van de terugbetalingsperiode resteert omdat overeenkomstig artikel 6.12, tweede lid, het termijnbedrag opnieuw is vastgesteld, gaat op dat ogenblik teniet, met uitzondering van achterstallige termijnbedragen.

  • 2 De schuld die resteert bij het overlijden van de debiteur gaat op dat ogenblik teniet.

Hoofdstuk 7. Handhaving

Artikel 7.1. Hoogte boete bij niet meewerken tijdens inburgeringstraject

  • 3 De boete, bedoeld in het tweede lid, wordt steeds met 100 procent van het boetebedrag verhoogd tot een bedrag van ten hoogste € 800, indien binnen een tijdvak van twaalf maanden voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van het bepaalde in artikel 23 van de wet is geconstateerd, en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.

  • 4 Bij het opleggen van de boete, bedoeld in het tweede lid, worden de volgende uitgangspunten in acht genomen:

    • a. indien er sprake is van opzet, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 100 procent;

    • b. indien er sprake is van grove schuld, wordt de boete vastgesteld op 75 procent;

    • c. indien er geen sprake is van opzet of grove schuld wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent;

    • d. indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 25 procent.

  • 5 Het totaal aan opgelegde boetes, bedoeld in het eerste en tweede lid, beloopt gedurende de termijn, genoemd in artikel 11, eerste lid, van de wet, of de op grond van artikel 12 van de wet verlengde termijn, ten hoogste € 2.400 en beloopt gedurende de op grond van de artikelen 24, tweede en derde lid, en 25, tweede lid, van de wet vastgestelde nieuwe termijn ten hoogste:

    • a. € 400 bij een nieuwe termijn van zes maanden;

    • b. € 800 bij een nieuwe termijn van een jaar;

    • c. € 1.200 bij een nieuwe termijn van anderhalf jaar;

    • d. € 1.600 bij een nieuwe termijn van twee jaar.

  • 6 De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, rust op betrokkene. Indien het college op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.

Artikel 7.2. Hoogte boete bij niet tijdig voldoen aan inburgeringsplicht

  • 2 De bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 25 van de wet, wordt vastgesteld op basis van het aantal geregistreerde uren dat de inburgeringsplichtige heeft besteed aan de leerroute, het aantal afgelegde examenpogingen en het aantal behaalde examens.

  • 3 De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het eerste lid, rust op betrokkene. Indien Onze Minister op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de boetes, bedoeld in het tweede lid.

Hoofdstuk 8. Overheidscertificering en keurmerk

Artikel 8.1. Criteria voor aanwijzing instelling voor afgifte keurmerk

  • 1 De door Onze Minister aan te wijzen instelling die een keurmerk als bedoeld in artikel 32 van de wet verleent, betreft een instelling die voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a. zij heeft rechtspersoonlijkheid;

    • b. zij is onafhankelijk van door haar te beoordelen personen of instellingen, en zij, haar leidinggevenden en haar medewerkers voeren geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of integriteit kunnen schaden;

    • c. zij en haar medewerkers voeren de activiteiten met betrekking tot het verlenen en beheren van het keurmerk uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste vakbekwaamheid op het specifieke werkveld uit, en zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel beïnvloeden;

    • d. haar medewerkers beschikken over een gedegen vakinhoudelijke opleiding, voldoende kennis van de eisen inzake het keurmerk en over voldoende kennis van de relevante nationale regelgeving;

    • e. de beloning van haar personeel hangt niet af van het aantal uitgevoerde beoordelingen of van de resultaten daarvan; en

    • f. zij sluit een beroepsaansprakelijkheidsverzekering af.

  • 2 De instelling informeert Onze Minister over:

    • a. omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van of de voorwaarden voor haar aanwijzing; en

    • b. op verzoek, over de binnen de werkingssfeer van haar aanwijzing verrichte activiteiten en andere activiteiten waaronder uitbesteding.

  • 3 [Red: Dit lid is nog niet in werking getreden.]

  • 4 De aanwijzing kan worden geschorst of worden ingetrokken:

    • a. op grond van door de instelling verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden, vanwege hun aard of ernst, mits de onjuistheid van de inlichtingen aan haar bekend was of kon zijn;

    • b. indien de instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid; of

    • c. indien de instelling de taken waarvoor zij is aangewezen, niet of niet meer naar behoren uitvoert.

Artikel 8.2. Eisen keurmerk

  • 1 In het keurmerk worden in ieder geval eisen gesteld omtrent de volgende aspecten van de cursusinstelling:

    • a. de bedrijfsvoering, waarbij de eisen zien op:

      • 1°. de continuïteit van de instelling;

      • 2°. de integriteit van het bestuur;

      • 3°. een transparante en deugdelijke financiële administratie;

    • b. de onderwijskwaliteit, waarbij de eisen zien op:

      • 1°. de kwalificaties van de docenten;

      • 2°. een veilige onderwijsomgeving;

      • 3°. een aan de docent verleende verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

    • c. fraudepreventie, waarbij in ieder geval de eis wordt gesteld dat bestuurders van de cursusinstelling beschikken over een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

  • 2 Ten behoeve van een effectieve controle door de verlener van het keurmerk bevat het keurmerk eisen met betrekking tot de medewerking van de cursusinstelling aan controles, waaronder onaangekondigde controles en controles gedurende het onderwijs.

  • 3 De verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 3, en het eerste lid, onderdeel c, is in het bezit van de cursusinstelling, en is niet ouder dan drie maanden op het moment van aanvang van de werkzaamheden.

  • 4 De keurmerkverlener stelt voorwaarden op omtrent de schorsing of intrekking van het keurmerk.

  • 5 De voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, houden in dat het keurmerk wordt geschorst indien:

    • a. er aanwijzingen zijn van fraude;

    • b. er sprake is van onvoldoende tevredenheid onder de inburgeraars;

    • c. de slagingspercentages van de cursusinstelling onvoldoende zijn; of

    • d. de cursusinstelling geen medewerking verleent aan een controle door de keurmerkverlener of een door de keurmerkverlener aangewezen instantie.

  • 6 De voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, houden in dat het keurmerk wordt ingetrokken indien:

    • a. na een door de keurmerkverstrekker vastgestelde periode na de schorsing, bedoeld in het vierde lid, geen sprake is van verbetering;

    • b. er sprake is van het herhaaldelijk geen medewerking verlenen aan controles door de keurmerkverlener of een door de keurmerkverlener aangewezen instantie; of

    • c. er sprake is van fraude door de cursusinstelling.

  • 7 De keurmerkverlener voert jaarlijks effectieve controles uit bij de cursusinstellingen.

  • 8 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de eisen, bedoeld in het eerste tot en met het zevende lid.

Hoofdstuk 9. Informatiebepalingen

Artikel 9.1. Gegevensuitwisseling ten behoeve van het vaststellen van de inburgeringsplicht

  • 1 De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van het vaststellen, beheren, vrijstellen en de ontheffing van de inburgeringsplicht en het daaruit volgende inburgeringstraject.

  • 3 Onze Minister verstrekt het college gegevens over:

    • a. de vaststelling van de inburgeringsplicht en de wijziging daarvan;

    • b. een gehele vrijstelling of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht;

    • c. een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht, waaronder de datum van de verlening alsmede over aangepaste examenomstandigheden, dan wel de afwijzing van een aanvraag daarvan;

    • d. de toekenning van het inburgeringscertificaat.

  • 4 Onze Minister verstrekt de instelling die belast is met de voorbereiding op de inburgering, bedoeld in artikel 10 van de wet, de gegevens over de vaststelling van de inburgeringsplicht en de wijziging daarvan, en maakt daarbij gebruik van het vreemdelingennummer of het burgerservicenummer.

  • 5 De aangewezen organisaties die belast zijn met internationale diplomawaardering verstrekken Onze Minister een advies over vrijstelling of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht.

Artikel 9.2. Gegevensuitwisseling ten behoeve van de uitvoering van de inburgeringsplicht

  • 1 De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van de uitvoering van verschillende onderdelen van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 6 van de wet, alsmede de voorbereiding op de inburgering, bedoeld in artikel 10 van de wet.

  • 2 Het college verstrekt Onze Minister gegevens over:

    • a. de door de inburgeringsplichtige te volgen leerroute, alsmede wijzigingen daarvan, en, indien van toepassing, de intensiteit van de leerroute;

    • b. de voortgang van de leerroute, de aanwezigheid en geleverde inspanningen, het taalniveau, het participatieverklaringstraject en de module Arbeidsmarkt en Participatie.

  • 3 Het college verstrekt de cursusinstelling de NAW-gegevens en de gegevens over de leerroute, waaronder de intensiteit en de termijn van de leerroute, alsmede wijzigingen daarvan.

  • 4 Cursusinstellingen verstrekken het college gegevens over de voortgang van de leerroute, de aanwezigheid en geleverde inspanningen, van asielstatushouders, en desgevraagd, van gezinsmigranten en overige migranten.

  • 5 Onze Minister verstrekt het college gegevens over:

    • a. examendeelname, examenpogingen en examenresultaten, en het afronden van de inburgeringsplicht;

    • b. de datum van het inburgeringsdiploma;

    • c. de toekenning van het inburgeringscertificaat.

  • 6 Onze Minister verstrekt cursusinstellingen gegevens over examendeelname, examenresultaten en het afronden van de inburgeringsplicht.

Artikel 9.3. Gegevensuitwisseling ten behoeve van het vaststellen en verlengen van de inburgeringstermijn

  • 1 De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van de vaststelling en verlenging van de inburgeringstermijn.

  • 3 Onze Minister verstrekt het college de gegevens over:

    • a. de aanvang en het einde van de termijn waarbinnen de inburgeringsplichtige aan de onderdelen van de inburgeringsplicht dient te voldoen;

    • b. gegevens over de indiening van een verzoek tot verlenging van de termijn, de beoordeling van dat verzoek, de datum van verlenging en de einddatum van de nieuwe termijn.

Artikel 9.4. Gegevensuitwisseling ten behoeve van de uitvoering van de taken van het college

  • 1 De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van de taken van het college op grond van de wet.

  • 2 Onze Minister verstrekt gegevens over de vaststelling van het recht op maatschappelijke begeleiding aan het college.

  • 3 De instelling die is belast met de voorinburgering, bedoeld in artikel 10 van de wet, verstrekt het college de volgende gegevens over de inburgeringsplichtige:

    • a. identiteitsgegevens, waaronder het burgerservicenummer;

    • b. gegevens over diens gezinssamenstelling; en

    • c. gegevens die de instantie heeft verkregen in het kader van de deelname aan de voorinburgering, waaronder gegevens over de voortgang van de deelname en de taalvaardigheid.

Artikel 9.5. Gegevensuitwisseling ten behoeve van het vaststellen en beheren van de sociale lening

  • 1 De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van het vaststellen, beheren en de terugbetaling van de sociale lening.

  • 3 De aangewezen cursusinstelling, bedoeld in artikel 20 vijfde lid, van de wet, verstrekt aan Onze Minister de volgende gegevens over de inburgeringsplichtige:

    • a. contractgegevens en inschrijvingsgegevens;

    • b. factuurgegevens.

  • 5 Onze Minister van Justitie en Veiligheid verstrekt Onze Minister de gegevens, bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, mede voor het doel, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9.6. Gegevensuitwisseling ten behoeve van de handhaving van de inburgeringsplicht

  • 1 De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt ten behoeve van de handhaving.

  • 2 De gegevens die door de instantie, bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van de wet, aan het college worden verstrekt, worden mede gebruikt voor het doel, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 De gegevens, bedoeld in artikel 9.2, vierde lid, die de cursusinstelling verstrekt aan het college, worden mede gebruikt voor het doel, bedoeld in het eerste lid.

  • 4 Het college verstrekt Onze Minister de gegevens, bedoeld in artikel 9.2, tweede lid, onderdeel b, mede voor het doel, bedoeld in het eerste lid, en verstrekt, op verzoek, gegevens over opgelegde boetes.

  • 5 Onze Minister verstrekt het college gegevens over opgelegde boetes.

  • 6 Cursusinstellingen verstrekken Onze Minister de inschrijvingsgegevens van de inburgeringsplichtige, en van gezinsmigranten en overige migranten gegevens over de voortgang van de leerroute, de aanwezigheid en geleverde inspanningen.

Artikel 9.9. Bewaartermijnen

  • 1 Het college en Onze Minister bewaren persoonsgegevens die zij in het kader van de uitvoering van deze wet hebben verkregen niet langer dan noodzakelijk en verwijderen de persoonsgegevens:

    • a. na verloop van vijf jaren na beëindiging van de inburgeringsplicht; of

    • b. indien de betrokkene is overleden.

  • 2 In afwijking van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde termijn worden de volgende gegevens van inburgeringsplichtigen en gewezen inburgeringsplichtigen verwijderd na verloop van ten hoogste vijftig jaar:

    • a. burgerservicenummer;

    • b. naamgegevens;

    • c. adresgegevens;

    • d. woonplaats;

    • e. geboortedatum;

    • f. gegevens die betrekking hebben op gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht;

    • g. gegevens die betrekking hebben op een ontheffing van de inburgeringsplicht;

    • h. de datum en de wijze waarop aan de inburgeringsplicht is voldaan.

    • i. gegevens over een tijdelijke of definitief niet invorderbare schuld terzake van een lening.

  • 3 In afwijking van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde termijn worden de volgende gegevens van personen als bedoeld in artikel 19 van de wet en artikel 6.1 van dit besluit verwijderd na verloop van vijf jaar nadat de lening is voldaan, kwijtgescholden, of teniet gegaan:

    • a. burgerservicenummer;

    • b. naamgegevens;

    • c. adresgegevens;

    • d. woonplaats;

    • e. geboortedatum;

    • f. de datum waarop het inburgeringsdiploma is behaald;

    • g. gegevens over de lening.

Artikel 9.11. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens

Bij de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, bedoeld in artikel 37 van de wet, wordt de toegang tot deze gegevens beveiligd tegen ongeautoriseerd gebruik door:

  • a. het toekennen van autorisaties aan alleen die personen, die voor het uitoefenen van hun taak toegang tot de opgeslagen informatie moeten hebben;

  • b. het bewaren van een reservebestand op een voor niet-geautoriseerde personen ontoegankelijke plaats.

Artikel 9.12. Statistiek, monitoring en evaluatie

De instanties, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de wet, die aan Onze Minister gegevens en inlichtingen verstrekken ten behoeve van statistiek, monitoring en evaluatie, betreffen:

Hoofdstuk 10. Financiële bepalingen

Artikel 10.1. Berekening voorlopige uitkering gemeente

  • 1 De voorlopige uitkering voor een gemeente in het uitvoeringsjaar t wordt bepaald aan de hand van de volgende formule:

    U = BGO + BA

    Waarbij:

    • a. U de uitkering is in jaar t;

    • b. BGO het deel van de uitkering is voor gezinsmigranten en overige migranten; en

    • c. BA het deel van de uitkering is voor asielstatushouders.

  • 2 Het deel van de uitkering voor gezinsmigranten en overige migranten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

    BGO = AGO(cohort t-2) * a

    Waarbij:

    • a. AGO staat voor het aantal gezinsmigranten en overige migranten in de gemeente;

    • b. Cohort (t-2) het jaar aangeeft waarin de gezinsmigranten en overige migranten in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest; en

    • c. a staat voor het bedrag aan uitkering per gezinsmigrant of overige migrant.

  • 3 Het deel van de uitkering voor asielstatushouders, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

    BA = GG / SOM GG * TBA

    Waarbij:

    • a. GG de gemeentelijke grondslag is voor de berekening van het deel van de uitkering voor asielstatushouders;

    • b. SOM GG het landelijk totaal is van de gemeentelijke grondslagen; en

    • c. TBA het totaal voorlopig beschikbare landelijke budget in jaar t voor asielstatushouders.

  • 4 De gemeentelijke grondslag, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

    GG =

     

    GHT (cohort jaar t)

    * PA (jaar t)

    * [a]

     

    +

    GHT (cohort jaar t-1)

    * PA (jaar t-1)

    * [b]

     

    +

    VAA (cohort jaar t-2)

     

    * [c]

     

    +

    AIA (jaar t-2)

     

    * [d]

    Waarbij:

    • a. GHT staat voor de gemeentelijke huisvestingstaakstelling in het betreffende jaar welke wordt vastgesteld op basis van de landelijke huisvestingstaakstelling, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, en wordt verdeeld onder gemeenten op basis van het aantal inwoners conform de formule, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014;

    • b. PA staat voor het te verwachten percentage asielstatushouders in de gemeentelijke huisvestingstaakstelling in het betreffende jaar;

    • c. VAA staat voor het voorlopig aantal asielstatushouders van het betreffende cohort jaar t-2 in de gemeente;

    • d. Cohort het jaar aangeeft waarin de asielstatushouders in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest;

    • e. AIA staat voor het aantal met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten van asielstatushouders in het aangegeven jaar t-2 in de gemeente; en

    • f. [a t/m d] staat voor de gewichten die toegekend worden aan de afzonderlijke variabelen in de formule.

  • 5 Het totaal voorlopig beschikbare landelijke budget in jaar t voor asielstatushouders, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

    TBA =

     

    LHT (cohort jaar t)

    * PA (jaar t)

    * [a]

     

    +

    LHT (cohort jaar t-1)

    *PA (jaar t-1)

    * [b]

     

    +

    LVAA (cohort jaar t-2)

     

    * [c]

    Waarbij:

    • a. LHT staat voor de landelijke huisvestingstaakstelling welke wordt vastgesteld op basis van de landelijke halfjaarlijkse huisvestingstaakstelling vermenigvuldigd met een factor 2 of wordt vastgesteld op basis van de landelijke halfjaarlijkse huisvestingstaakstelling plus een prognose van de landelijke huisvestingstaakstelling voor het tweede halfjaar;

    • b. PA staat voor het te verwachten percentage asielstatushouders in de landelijke huisvestingstaakstelling in het betreffende jaar;

    • c. LVAA staat voor het landelijk voorlopig aantal asielstatushouders van het betreffende cohort;

    • d. Cohort het jaar aangeeft waarin de asielstatushouders in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest; en

    • e. [a t/m c] staat voor de bedragen per asielstatushouder per variabele in de formule.

Artikel 10.2. Berekening definitieve uitkering gemeente

  • 1 Voor de bepaling van de definitieve uitkering, wordt het deel van de uitkering voor gezinsmigranten en overige migranten, bedoeld in artikel 10.1, eerste en tweede lid, berekend aan de hand van de volgende formule:

    BGO = AGO (cohort t) * a

    Waarbij:

    • a. AGO staat voor het aantal gezinsmigranten en overige migranten in de gemeente;

    • b. Cohort het jaar aangeeft waarin de gezinsmigranten en overige migranten in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest; en

    • c. a staat voor het bedrag aan uitkering per gezinsmigrant of overige migrant in jaar t.

  • 2 Voor de bepaling van de definitieve uitkering, wordt het totaal beschikbare landelijke budget in jaar t voor asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.1, derde lid, onderdeel c, berekend aan de hand van de volgende formule:

    TBA =

     

    LAA (cohort jaar t)

    * [a]

     

    +

    LAA (cohort jaar t-1)

    * [b]

     

    +

    LAA (cohort jaar t-2)

    * [c]

    Waarbij:

    • a. LAA staat voor het landelijk aantal asielstatushouders van het betreffende cohort;

    • b. Cohort staat voor het jaar waarin de asielstatushouders in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest; en

    • c. [a t/m c] staat voor de bedragen per asielstatushouder per variabele in de formule.

  • 3 Voor de bepaling van de definitieve uitkering, wordt de gemeentelijke grondslag, bedoeld in artikel 10.1, vierde lid, berekend aan de hand van de volgende formule:

    GG =

     

    AA (cohort jaar t)

    * [a]

     

    +

    AA (cohort jaar t-1)

    * [b]

     

    +

    AA (cohort jaar t-2)

    * [c]

     

    +

    AIA (jaar t-2)

    * [d]

    Waarbij:

    • a. AA staat voor het aantal asielstatushouders van het betreffende cohort in de gemeente;

    • b. Cohort staat voor het jaar waarin de asielstatushouders in een Nederlandse gemeente zijn gehuisvest;

    • c. AIA staat voor het aantal met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten van asielstatushouders in het betreffende jaar t-2 in de gemeente; en

    • d. [a t/m d] staat voor de gewichten die toegekend worden aan de afzonderlijke variabelen in de formule.

Artikel 10.3. Nadere bepalingen voor de berekening van de uitkering

  • 1 Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling wordt voor de bepaling van de voorlopige uitkering, bedoeld in artikel 10.1, uitgegaan van een redelijke inschatting van de situatie zoals die zou zijn geweest als de instelling, splitsing of opheffing van gemeenten in de van belang zijnde jaren al was ingegaan.

  • 2 Bij ministeriële regeling wordt het te verwachten percentage asielstatushouders in de landelijke huisvestingstaakstelling, bedoeld in artikel 10.1, vijfde lid, onderdeel b, en het te verwachten percentage asielstatushouders in de gemeentelijke huisvestingstaakstelling, bedoeld in artikel 10.1, vierde lid, onderdeel b, vastgesteld.

  • 3 Bij ministeriële regeling wordt het bedrag per gezinsmigrant of overige migrant, bedoeld in de artikelen 10.1, tweede lid, onderdeel c, en 10.2, eerste lid, onderdeel c, en worden de bedragen per asielstatushouder per variabele a tot en met c, bedoeld in de artikelen 10.1, vijfde lid, onderdeel e en 10.2, tweede lid, onderdeel c, vastgesteld.

  • 5 Bij de berekening van de voorlopige uitkering, bedoeld in artikel 10.1, en de definitieve uitkering, bedoeld in artikel 10.2, zal in het eerste jaar nadat bij ministeriële regeling aan het aantal met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten in jaar t-2, bedoeld in artikelen 10.1, vierde lid, onderdeel e en 10.2, derde lid, onderdeel c, een gewicht wordt toegekend dat groter is dan 0, alle vanaf de inwerkingtreding van de wet aangevangen en inmiddels met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten van asielstatushouders tot en met jaar t-2 worden meegeteld.

  • 6 Voor de berekening van de voorlopige uitkering, bedoeld in artikel 10.1, en de definitieve uitkering, bedoeld in artikel 10.2, worden onder asielstatushouders en gezinsmigranten en overige migranten, mede verstaan de personen die in het jaar waarin ze in een Nederlandse gemeente waren gehuisvest onder de definitie vielen van een asielstatushouder of gezinsmigrant of overige migrant, maar die op een peilmoment, bedoeld in artikel 10.4, op basis waarvan de uitkering wordt bepaald, reeds aan hun inburgeringsplicht hebben voldaan.

Artikel 10.4. Bronnen en peildata gehanteerde gegevens voor de berekening van de uitkering

Voor de variabelen in de formules, bedoeld in de artikelen 10.1 en 10.2, geldt dat:

  • a. het aantal gezinsmigranten en overige migranten in de gemeente, bedoeld in artikel 10.1, tweede lid, onderdeel a, wordt bepaald aan de hand van gegevens van DUO met als peildatum voor de woongemeente ultimo jaar t-2;

  • b. het aantal gezinsmigranten en overige migranten in de gemeente, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, onderdeel a, wordt bepaald aan de hand van gegevens van DUO met als peildatum voor de woongemeente ultimo jaar t;

  • c. de landelijke huisvestingstaakstelling, bedoeld in artikel 10.1, vijfde lid, onderdeel a, wordt voor het jaar t en jaar t-1 bepaald aan de hand van de op die jaren betrekking hebbende landelijke halfjaarlijkse huisvestingstaakstellingen van het ministerie van Justitie en Veiligheid en voor de huisvestingstaakstelling voor de tweede helft van jaar t wordt indien nodig gebruik gemaakt van een prognose van het ministerie van Justitie en Veiligheid;

  • d. het landelijk voorlopig aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.1, vijfde lid, onderdeel c, en het voorlopig aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.1, vierde lid, onderdeel c, worden bepaald aan de hand van gegevens van DUO met als peildatum voor de woongemeente jaar t-2;

  • e. het landelijk aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.2, tweede lid, onderdeel a, en het aantal asielstatushouders, bedoeld in artikel 10.2, derde lid, onderdeel a, worden bepaald aan de hand van gegevens van DUO met als peildatum voor de woongemeente jaar t;

  • f. het aantal met een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat afgeronde inburgeringstrajecten van asielstatushouders, bedoeld in de artikelen 10.1, vierde lid, onderdeel e, en 10.2, derde lid, onderdeel c, wordt bepaald aan de hand van cijfers van DUO over het gehele jaar t-2.

Artikel 10.5. Reserveringsregeling

Indien in een kalenderjaar de uitkering, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet, niet volledig is besteed aan inburgeringsvoorzieningen, kan het college het niet bestede bedrag tot maximaal 100% van de voor dat jaar toegekende uitkering reserveren voor besteding aan inburgeringsvoorzieningen in het daaropvolgende kalenderjaar.

Artikel 10.7. Bepalingen omtrent de verantwoordingsinformatie

  • 1 Voor de terugvordering, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de wet, wordt uitgegaan van de gegevens waarvan Onze Minister kennis heeft op 30 september van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van Onze Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.

Artikel 10.8. Betaalbaarstelling van de uitkering

  • 1 Iedere maand wordt op of omstreeks de vijftiende dag van die maand een twaalfde deel van het voor dat kalenderjaar vastgestelde uitkering bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet, betaald

  • 2 Na de definitieve vaststelling van de uitkering wordt deze, indien hoger is vastgesteld in één keer nabetaald en indien lager is vastgesteld in één keer teruggevorderd.

Hoofdstuk 11. Wijziging van andere algemene maatregelen van bestuur

Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 12.2. Inwerkingtredingsbepaling

  • 1 Indien het bij koninklijke boodschap van 3 juni 2020 ingediende voorstel van wet houdende regels over inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering 2021) (Kamerstukken 35 483) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, treedt artikel 8.1, derde lid, van dit besluit, in werking met ingang van 1 januari van het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding van dit besluit.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 27 augustus 2021

Willem-Alexander

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

W. Koolmees

Uitgegeven de eerste september 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid,

F.B.J. Grapperhaus

Naar boven